NIEUW: Blog reclamevrij maken?



Image and video hosting by TinyPic

Foto
Gastenboek
  • Dag Eddy
  • Avondgroetje Lana
  • zonnige groetjes
  • Dinicreatief
  • Lieve zomergroetjes

    Druk oponderstaande knop om een berichtje achter te laten in mijn gastenboek

    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Laatste commentaren
  • natuurlijk weer goei (Alda Bosmans)
        op Lul verhaal
  • dag Eddy (Els Nobless)
        op Mooie grote en kleine vrachtschepen 46
  • Lieve groetjes vanwege DEWESTHOEK (Annie & Rogier)
        op Mooie grote en kleine vrachtschepen 46
  • Hallo Lana, (paolo)
        op Mooie grote en kleine vrachtschepen 46
  • als dat niet een goei is ?. (Alda Bosmans)
        op Er was eens
  • Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Laatste commentaren
  • natuurlijk weer goei (Alda Bosmans)
        op Lul verhaal
  • dag Eddy (Els Nobless)
        op Mooie grote en kleine vrachtschepen 46
  • Lieve groetjes vanwege DEWESTHOEK (Annie & Rogier)
        op Mooie grote en kleine vrachtschepen 46
  • Hallo Lana, (paolo)
        op Mooie grote en kleine vrachtschepen 46
  • als dat niet een goei is ?. (Alda Bosmans)
        op Er was eens
  • Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Rondvraag / Poll
    Zou u niet met lana een nachtje in bed willen liggen
    Ja ik wil
    Nee ik wil niet
    Even over nadenken
    Durf jij u bekent maken: ja
    Durf jij u bekent maken :nee
    Bekijk resultaat

       
    Beoordeel dit blog
      Zeer goed
      Goed
      Voldoende
      Nog wat bijwerken
      Nog veel werk aan
     
    Archief per maand
  • 06-2013
  • 05-2013
  • 04-2013
  • 03-2013
  • 02-2013
  • 01-2013
  • 12-2012
  • 11-2012
  • 10-2012
  • 09-2012
  • 08-2012
  • 07-2012
  • 06-2012
  • 05-2012
  • 04-2012
  • 03-2012
  • 02-2012
  • 01-2012
  • 12-2011
  • 11-2011
  • 10-2011
  • 09-2011
  • 08-2011
  • 07-2011
  • 06-2011
  • 05-2011
  • 04-2011
  • 03-2011
  • 02-2011
  • 01-2011
  • 12-2010
  • 11-2010
  • 10-2010
  • 09-2010
  • 08-2010
  • 07-2010
  • 06-2010
  • 05-2010
  • 04-2010
  • 03-2010
  • 07-2002
  • 11--0001
    Foto
    Foto
    Blog als favoriet !
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    De klinge een dorpje aan de grens
    lana










    .

    .
    29-11-2010
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.De winddemon
    De winddemon



    Er was eens een padisjah die drie zonen had en drie dochters. Zijn zonen heetten van de oudste tot de jongste: Abdoel, Kemal en Osmin. Op een dag werd de oude vorst ernstig ziek, en ofschoon de beste geneesheren van het land zich over zijn ziekbed bogen, werd zijn toestand steeds slechter. Toen hij bemerkte dat hij ging sterven, ontbood hij zijn drie zonen en sprak tot hen: "Ik voel dat de dood nadert en ik weet dat niemand, hoe machtig ook, aan zijn wurgende greep kan ontkomen. Ik ben niet bang om te sterven, omdat ik weet dat ik goed en rechtvaardig heb geregeerd, maar wat mij wel verontrust, is de onzekerheid over de troonopvolging. Abdoel is zo opvliegend en onbezonnen, Kemal zo verkwistend en lichtzinnig en Osmin nog zo jong en onervaren. Het is moeilijk voor mij een opvolger aan te wijzen en daarom heb ik besloten dat degene die een nacht lang bij mijn graf zal waken de toekomstige heerser zal zijn. Wat mijn dochters betreft, zij mogen trouwen met degene die het eerst om hun hand zal vragen."

    Na deze woorden sloot de vorst zijn ogen en sliep voorgoed in. Nadat de padisjah met pracht en praal begraven was, ging Abdoel naar het graf, knielde op een tapijt neer en begon te bidden. De nacht was bijzonder koud en er kwam een dichte mist opzetten. "Dat houd ik niet langer uit," dacht de oudste zoon. Hij deed zijn sandalen weer aan en liep regelrecht naar het paleis. De volgende dag was Kemal aan de beurt, maar ook hij kon de koude niet langer verdragen dan een paar uur.

    De derde nacht nam Osmin zijn zwaard op, stak het in zijn gordel en begaf zich naar het graf van zijn vader. Tegen middernacht hoorde hij een lawaai, zó verschrikkelijk dat de aarde ervan dreunde. De jongeman raapte al zijn moed bijeen en liep naar de plaats waar het geluid vandaan kwam. Daar stond een geweldige draak die onheilspellend met zijn staart zwiepte en vlammen uit zijn neusgaten spoot. De prins trok meteen zijn zwaard en begon zó op het monster in te hakken dat het met een zware plof dood op de grond viel. Osmin probeerde de oren en de neus van het dier af te snijden, maar door de duisternis had hij er veel moeite mee. Plotseling zag hij in de verte een licht schijnen. Hij liep er op af, en zag toen een groep van veertig mannen die om een vuurtje krijgsraad hielden, vlak voor een hoge kasteelmuur.

    "Mag ik soms weten waar jullie het over hebben?" informeerde Osmin.

    "Wij willen het kasteel van de kalief binnendringen om er een schat te roven," zei één van de mannen, "maar wij weten niet goed hoe wij er in moeten komen."

    "Als dat alles is, wil ik jullie wel helpen, wanneer jullie maar zorgen voor wat licht en een hamer," zei de prins.

    De rovers zorgden voor licht en een hamer en Osmin haalde uit één van zijn zakken een aantal grote spijkers tevoorschijn die hij van onder naar boven in de muur sloeg. Langs deze spijkers klom hij naar boven, en toen hij daar was, riep hij: "Volg mij, maar één voor één!" En omdat dit misschien nog niet duidelijk genoeg was, voegde hij er aan toe: "Wanneer er één helemaal boven is, mag een andere pas gaan klimmen!"

    Daar boven wachtte Osmin elke rover op en sneed meteen diens hoofd af. Het ontzielde lichaam wierp hij in de kasteeltuin. De veertig mannen ondergingen allen hetzelfde lot. Toen alle rovers waren gedood, sprong Osmin over een klein muurtje dat de kasteeltuin omgaf en zag hij in de verte een schitterend gebouw met torens en transen en met hoge zuilen die naar de toegangspoort leidden. Hij liep naar de trap die naar de ingang voerde en zag een slang die zich om een zuil kronkelde. Zonder zich te bedenken, hakte hij het dier in tweeën met zo'n kracht dat zijn zwaard in de zuil bleef steken.

    "Die zal ik er dadelijk wel uit krijgen," dacht de jongeman en hij ging het kasteel binnen en kwam in een kamer waar een lieftallig meisje lag te slapen. Behoedzaam sloot hij de deur weer, liep een trap op en kwam in een kamer waar een jongedame sluimerde die zo mogelijk nog knapper was dan de eerste. Ook hier sloot hij de deur en liep nu de laatste trap op die veel hoger was dan de eerste. Hier kon hij geen enkele deur vinden, maar door een luikje in de muur zag hij een kamer, waarvan de wanden met dikke stalen platen waren bedekt. Ook in deze kamer lag een jonge vrouw te slapen. Zij was zó verbijsterend mooi, dat Osmin zijn ogen niet van haar kon afhouden en een tijd naar haar bleef kijken. "Merkwaardig," dacht hij, "een groot paleis met drie jonge vrouwen als enige bewoonsters! Misschien was die slang er alleen om hen te bewaken. Maar goed, ik heb hier verder niets te zoeken." Hij liep de trappen af, sloot de toegangspoort en wandelde op zijn gemak door de tuin tot hij bij het lage muurtje kwam, waar hij overheen sprong. Langs de spijkerladder daalde hij van de hoge muur af, terwijl hij niet vergat de spijkers er weer één voor één uit te trekken en bij zich te steken. Toen hij langs de dode draak kwam, was het al licht geworden, zodat hij nu gemakkelijk de oren en de neus van het monster kon afsnijden. Hij stopte deze in zijn rugzak en liep in de beste stemming terug naar het paleis.

    Toen hij daar aankwam, wachtte hem een verrassing. Zijn oudste broeder bleek zich de troon te hebben toegeëigend.

    "Onrechtvaardigheid wordt in dit leven zelden beloond," dacht Osmin, en verder trok hij zich er weinig van aan.

    Een paar dagen later diende zich bij het paleis een leeuw aan die de nieuwe vorst zijn opwachting wilde maken.

    "Hm! Wel vreemd bezoek," meende Abdoel, "maar laat hem maar binnenkomen, wanneer hij zijn poten goed veegt."

    De leeuw kwam binnen, boog zijn kop en sprak: "Doorluchtige vorst, ik kom u mijn deelneming betuigen over het verlies van uw zeer geachte vader."

    "Dank je, dank je! Heb je nog meer op het hart?"

    "Jawel, mijn heer en meester, ik zou gaarne met uw oudste zuster trouwen. Ik meen dat uw vader heeft bepaald dat degene die het eerst haar hand vraagt haar ook mag trouwen."

    "Onzin!" zei de padisjah kwaad. "Ik maak hier nu de dienst uit, en bovendien zo'n wild beest in de familie lijkt mij ook niet alles. Pak je vier poten bij elkaar en verdwijn!"

    Toevallig had Osmin het gesprek gehoord. Hij kwam binnen en zei: "Denk er goed aan Abdoel, dat wij beloofd hebben de wil van onze vader op te volgen." Abdoel wilde er eerst niets van horen, maar zijn jongste broer praatte net zo lang tot hij eindelijk zijn toestemming gaf. De leeuw mocht met de oudste dochter trouwen en hij vertrok met haar, na beleefd afscheid te hebben genomen.

    De volgende dag verscheen er een tijger die met de tweede dochter wilde trouwen. Ook nu maakte Abdoel allerlei bezwaren, maar Osmin wist hem zó te overreden dat hij tenslotte zwichtte en de tijger zijn toestemming gaf.

    Weer een dag later streek er een grote vogel in de paleistuin neer. Hij stapte parmantig naar de poort toe, klapwiekte een paar maal met zijn vleugels en werd binnengelaten. Hij eiste de jongste dochter op. "Nu nog mooier!" brulde de padisjah. "Een vogel in onze familie, waar moet dit in Allah's naam naar toe?" Weer wist Osmin hem tenslotte te overtuigen en de vogel vloog weg met de jongste dochter op zijn rug. Wat niemand wist en ook niet kon weten, was dat deze vogel de Groene Anka was, de vorst van alle peri's.

    Wat was er intussen gebeurd in het kasteel waar Osmin was binnengedrongen?

    In dat kasteel woonde een kalief met zijn drie dochters. Op een morgen zag hij in het flauwe licht van de schemering een vreemde man door de tuin lopen. Hij wilde er het zijne van weten en besloot hem te achtervolgen. Buiten gekomen zag hij een dode slang op de trap liggen en een zwaard in één van de zuilen steken. Toen hij verder liep, zag hij overal in het rond onthoofde lichamen liggen. "Het zwaard dat daar in die zuil steekt, kan onmogelijk het wapen van een vijand zijn," dacht hij. "Het moet het zwaard van een vriend zijn die mij heeft gered van de slang en van de rovers die het op mijn schat voorzien hadden."

    Niettemin stond hij toch voor een raadsel. Hoe kon hij de man vinden aan wie hij het te danken had dat zijn leven gespaard bleef? Hij besloot het geval aan zijn vizier voor te leggen, die bekend stond uiterst intelligent te zijn. "Hoe wij die man moeten vinden?" vroeg de vizier, of het een alledaagse zaak betrof. "Wel, dat is doodeenvoudig. Wij laten hier in de tuin een groot zwembad maken en wij nodigen iedereen uit om gratis te komen baden. De man die een gordel zonder zwaard draagt, moet onze man zijn."

    De kalief stond versteld over de buitengewone scherpzinnigheid van zijn vizier en hij vroeg zich af waarom hij zelf niet op dat idee gekomen was. Hij liet een zwembad maken, zó groot dat de bewoners van een groot dorp er allen tegelijk in zouden kunnen zwemmen. Van heinde en verre kwamen de liefhebbers opdagen, want niemand wilde zich de kans op een gratis bad laten ontgaan. Alleen, wie er niet verschenen, waren de drie zonen van de padisjah. Die hadden immers een eigen zwembad!

    De vizier raadde de kalief aan de padisjah en de twee prinsen uit te nodigen eens van zijn zwembad gebruik te wiïlen maken. Dit verzoek konden zij natuurlijk niet weigeren. Toen merkte de vizier dat de jongste prins een gordel zonder zwaard droeg. Hij gaf het bericht door aan zijn meester en deze liet Osmin bij zich komen en zei: "Jonge prins! Groot zijn de daden die je voor mij verricht hebt en ik ben je veel dank verschuldigd. Vraag daarom aan mij wat je wilt en wanneer het mogelijk is, zal ik je wensen vervullen."

    "Het enige dat ik verlang, is met uw jongste dochter te mogen trouwen," antwoordde Osmin.

    "Ach, vraag dit niet! Vraag mijn kasteel, mijn juwelen of mijn landgoederen en alles wat je verder wilt, maar mijn dochter kan ik onmogelijk afstaan."

    "Ik wil haar en haar alleen!"

    "Ach, mijn zoon, luister toch naar rede! Ik wil je mijn oudste dochter ten huwelijk geven, of mijn tweede, en desnoods allebei, maar mijn jongste heeft een dodelijke vijand die haar voor zich heeft opgeëist. Het is de gevaarlijke Winddemon. Omdat ik bang ben dat zij door hem geroofd zal worden, heb ik haar in een kamer opgesloten, waarvan de wanden met stalen platen zijn beveiligd. Deze Windduivel is zó gevaarlijk dat niemand tegen hem is opgewassen. Wanneer hij aan komt vliegen, lijkt het of er een wervelstorm losbreekt. Wanneer hij zou merken dat ik haar aan iemand anders zou uithuwelijken, zou zijn woede zó groot zijn dat het het einde van ons allen zou betekenen!"

    Osmin liet zich hierdoor niet ontmoedigen. Hij dreigde zelfs haar te schaken, wanneer de kalief geen toestemming tot een huwelijk zou geven.

    "Je moet het zelf maar weten en ook zelf voor de gevolgen instaan," zei de kalief tenslotte en hij ging met het huwelijk akkoord.

    Osmin trouwde met de beeldschone Zinebi en hij voelde zich o zo gelukkig. Maar om zijn gade tegen de aanvallen van de Winddemon te beschermen, bleef hij in het kasteel van de kalief wonen en ging hij nooit naar buiten.

    Na een paar maanden begon hem het binnen zitten te vervelen en op een stralende zomermorgen zei hij tegen zijn vrouw: "Wanneer je er geen bezwaar tegen hebt, wil ik vandaag een paar uurtjes gaan jagen. Ik zal aan een paar bedienden vragen om goed op je te passen."

    Hij nam pijl en boog en trok het bos in. Daarop had de Winddemon gewacht. Hij was toch bang voor de machtige prins en zolang deze bij zijn vrouw was, had hij haar niet durven te naderen. Maar nu zag hij zijn kans schoon! Hij kwam meteen aansuizen, blies de bedienden tegen de grond en schaakte de jongste dochter van de kalief. Toen Osmin thuis kwam, vond hij de stalen kamer leeg. Hij deed zijn beklag bij zijn schoonvader, maar deze merkte alleen maar op dat hij hem genoeg gewaarschuwd had. De prins maakte zichzelf de bitterste verwijten, maar hij zag spoedig in dat hij hiermee niet veel verder kwam. Daarom besloot hij tot daden over te gaan, zocht een goed paard in de stal uit en galoppeerde weg, vastbesloten zijn vrouw, levend of dood, te zullen vinden. Hij zwierf dagen en weken rond over verlaten, eindeloze vlakten en door nauwe, gevaarlijke bergpassen. Hij stak ondiepe rivieren over en reed door dichte bossen, maar nergens kon hij een spoor van de Windduivel en van zijn geliefde vrouw ontdekken.

    Eindelijk bereikte hij de voet van een hoge berg. Op de top van die berg verhief zich een groot paleis. Hij spoedde zich er heen en toen hij dichterbij kwam zag hij voor één van de vensters een jonge vrouw staan, die hij als zijn zuster herkende. Ook zij herkende hem en wenkte hem binnen te komen. Zij vielen elkaar in de armen en kusten elkaar innig. Osmin wilde haar vertellen wat hij allemaal beleefd had, maar zij zei angstig: "Zo dadelijk kan mijn echtgenoot, de leeuw, binnenkomen. Hij is wel erg lief voor mij, maar voor vreemde mensen is hij gevaarlijk. Verstop je gauw in die kast!"

    Even later stapte de leeuw binnen, snoof even en gromde toen: "Kan het zijn dat ik mensenvlees ruik?" Zijn vrouw aaide zijn manen en vroeg hem wat hij zou doen, wanneer één van haar broers haar zou bezoeken.

    "Wanneer het de oudste is, kan hij erop rekenen dat ik hem goed te pakken zal nemen!" zei de leeuw, "maar de jongste mag tussen mijn poten slapen. Hem zal ik niets doen."

    "Hij is hier, hij is net gekomen!" jubelde zijn vrouw.

    "Waar is hij dan? Laat hem toch binnen," zei de leeuw goedmoedig. Osmin kroop uit de kast en omhelsde de leeuw, hoewel hij het toch wel wat griezelig vond. Zij praatten daarna honderd uit en zo kwam ook ter sprake dat Osmin op zoek was naar zijn vrouw die in de macht was geraakt van de Windduivel. "Ik heb verhalen over dat heerschap gehoord die het ergste doen vrezen," merkte de leeuw ernstig op. "Wanneer ik je een goede raad mag geven, laat je niet met hem in en zoek hem zeker niet op." Maar Osmin was niet van zijn voornemen af te brengen en bleef vragen waar hij de Winddemon zou kunnen vinden. Maar de leeuw ging er niet op in.

    Toen zij de volgende morgen afscheid van elkaar namen, zei de leeuw nog: "Hoor eens beste vriend, ik heb het goed met je voor en ik zou liever mijn tong afbijten dan je te vertellen waar die duivel woont. Het ga je goed en tot ziens!"

    "Ik ben geen stap verder gekomen," dacht Osmin spijtig, terwijl hij stapvoets verder reed. De volgende dag kwam hij bij een andere berg, ook met een groot paleis boven op de top. "Hier maar weer eens mijn licht opsteken," dacht hij, terwijl hij zijn paard de kronkelende weg naar boven liet inslaan, "maar veel hoop heb ik niet." Toen hij boven was, zag hij zijn tweede zuster voor een raam staan. "Kom binnen, kom binnen!" riep zij verheugd uit. "Wij hebben elkaar al zo lang niet gezien!" Osmin omhelsde zijn tweede zuster, van wie hij altijd bijzonder veel gehouden had, lang en innig. Maar opeens scheen zij een beetje ongerust te zijn en zei zij fluisterend: "Verberg je gauw achter die deur daar! Ik hoor mijn echtgenoot, de tijger, aankomen." Zij had het nauwelijks gezegd, of de tijger kwam binnen.

    "Wat zou je ervan zeggen, wanneer één van mijn broeders mij kwam opzoeken?" vroeg de vrouw, terwijl zij een arm om de nek van de tijger legde. "Wanneer het de oudste zou zijn, zou ik hem tegen de grond slaan, maar wanneer het de jongste was, zou ik voor hem neerknielen, want aan hem heb ik het te danken dat wij getrouwd zijn."

    "Broertjelief, kom tevoorschijn!" riep de vrouw verheugd, en Osmin kwam voor den dag. De tijger knielde voor hem neer en likte zijn voeten. Toen vroeg de prins aan de tijger wat hij over de Winddemon wist. "Niet veel goeds," antwoordde het dier. "Het is een van de gevaarlijkste creaturen die er op de wereld rondspookt en hij is op geen enkele manier te verslaan. Ik kan je alleen maar vertellen dat je in oostelijke richting moet rijden om hem te vinden." Na hartelijk afscheid genomen te hebben, ging Osmin weer op weg en kwam na een paar dagen bij een groot en somber kasteel met ijzeren pieken op de muren en de daken en met zulke kleine raampjes dat het wel een gevangenis leek. Uit een van die raampjes keek een vrouw naar buiten. Toen zij de ruiter zag naderen, riep zij verheugd: "O, ben jij het broeder, kom toch binnen!"

    De zware ijzeren poort ging open en Osmin betrad het sombere gebouw. Hij omhelsde zijn jongste zuster en was blij dat zij het zo goed maakte, maar het verdriet om het verlies van zijn vrouw knaagde nog steeds aan zijn ziel.

    Tegen de avond zei het meisje tegen haar broer: "Mijn vogelman kan elk ogenblik hier komen. Verberg je voor hem, want wanneer hij je ontdekt, zal hij misschien je hart uitpikken."

    Zij had het nauwelijks gezegd of zij hoorden een luid geklap van vleugels en even later kwam de Groene Anka binnen. Zijn vrouw vroeg hem wat hij zou doen, wanneer een van haar broers haar zou opzoeken.

    "Wanneer het de oudste is," antwoordde Anka, "zal ik hem in mijn bek nemen, met hem de lucht in vliegen en hem dan laten vallen. Maar de jongste zal ik geen kwaad doen. Hij mag hier blijven, zo lang hij wil."

    Toen zij zeker wist dat haar broeder niets te vrezen had, riep zij hem en kwam Osmin uit zijn schuilplaats tevoorschijn. Hij begon meteen te praten over zijn voornemen de Windduivel te vinden en te verslaan. "Zet dat maar uit je hoofd," zei Anka. "Geen mens kan hem vinden, laat staan verslaan. Geen mensenoog kan hem zien, en ijzer en vuur kunnen hem niet deren. Maar wanneer je je vrouw wilt ontvoeren, is het nu een gunstige tijd, want ik weet dat de Winddemon op het ogenblik slaapt en ik zal je ook de kortste weg naar zijn kasteel wijzen."

    Osmin volgde zijn aanwijzingen en het duurde niet zo lang eer hij het paleis van de Winddemon bereikte. Hij zag zijn vrouw voor het raam zitten, maar hij gaf geen kik, uit vrees de Windduivel wakker te maken. Zijn vrouw was zó verheugd dat zij haar man weer zag, dat zij meteen naar buiten sprong. Osmin ving haar handig op en toen kusten zij elkaar lang en innig.

    "Het is nu al de derde dag dat hij slaapt," zei Zinebi. "Laten wij zo spoedig mogelijk verdwijnen, want wanneer hij je ontdekt, zal zijn wraak verschrikkelijk zijn!"

    Osmin zette haar vóór zich op het paard en in galop reden zij weg.

    Een dag later werd de Winddemon wakker. Hij rekte zich eens uit en liep toen naar de slaapkamer van de sultane. De deur was op slot en hoe hard hij ook aanklopte, hij kreeg geen antwoord. Hij blies de deur open en merkte dat het bed onbeslapen was. "Zo, zo, prins Osmin!" raasde hij, "jij bent dus hier geweest en hebt mijn Zinebi ontvoerd. Daar zul je niet lang plezier van beleven, want waar je ook mag zijn, ik zal je vinden!"

    Hij maakte niet de geringste haast, dronk op zijn gemak zijn koffie en rookte zijn waterpijp. "Och laat ze maar een beetje scharrelen," zei hij tegen zichzelf, "krijgen doe ik ze toch!"

    Intussen hadden de prins en zijn vrouw zich geen minuut rust gegund. Zij wilden in ieder geval het kasteel van de kalief bereiken, vóór de Windduivel hen had ingehaald. Maar het onzichtbare monster jaagde nu als een wervelwind achter hen aan en had hen spoedig bereikt. Hij rukte de prins zijn armen en zijn benen uit en sleurde zijn lichaam zó lang over de grond dat alleen de beenderen overbleven. "Je hebt mijn man gedood," snikte Zinebi, "laat mij tenminste zijn beenderen verzamelen om ze te kunnen begraven."

    "Het kan mij weinig schelen wat je ermee doet," brulde de duivel, "ik zal tenminste geen last meer van hem hebben."

    Zinebi verzamelde alle beenderen van haar man, deed ze in een zak en plaatste deze op het zadel. Toen fluisterde zij het paard in het oor: "Breng deze beenderen naar de plaats waar zij thuis horen." Het paard galoppeerde weg en hield pas stil toen het bij het kasteel van de Groene Anka kwam. Daar hinnikte het zó luid dat de vorst der peri's naar buiten kwam. Toen hij de beenderen in de zak zag, wist hij wat er gebeurd was. Hij riep alle vogelen des hemels bij elkaar en vroeg hun: "Wie van jullie is wel eens in de tuin van het paradijs geweest?"

    Hij hoorde dat er wel eens een uil was geweest, maar het beest was zó oud dat hij bijna niet meer vliegen kon en daarom ook niet op de vergadering was verschenen. Anka gaf een van de vogels bevel de uil te gaan zoeken en hem op zijn rug mee te voeren. De uil vertelde dat hij zeker in geen twaalf jaar meer in de paradijstuin was geweest.

    "Dat geeft niets," zei de vorst der vogels, "je weet in ieder geval de weg en je kunt er op dezelfde manier komen als je de tocht hierheen hebt gemaakt. Het enige wat ik verlang, is dat je mij vandaar een glas water meebrengt."

    De kraanvogel die de uil gehaald had, nam hem weer op zijn rug. Na een tijd keerden beiden terug met een glas water uit de paradijstuin.

    Anka legde de beenderen van de prins in de juiste volgorde, sprenkelde er wat van het water overheen, en het vlees, de spieren en alle organen begonnen weer te groeien. Even later stond Osmin in levende lijve voor hem.

    "Heb ik je niet gewaarschuwd dat de Winddemon uiterst gevaarlijk is?" zei Anka. "Ik had je eigenlijk ook moeten vertellen dat de enige mogelijkheid om macht over hem te verkrijgen, is zijn talisman te bezitten. Laat je vrouw proberen er achter te komen waar zich deze talisman bevindt." Osmin bedankte hem voor zijn hulp en zat alweer te paard. Weer spoedde hij zich naar het paleis van de Windduivel. Gelukkig sliep de demon zó vast dat het paleis op zijn grondvesten trilde door zijn gesnurk.

    De prins vroeg zijn vrouw, die hogelijk verbaasd was hem weer in levende lijve te aanschouwen, om uit te vinden waar zich de talisman van de Winddemon bevond.

    Toen het monster ontwaakte en door het drinken van enige koppen koffie weer enigszins uit zijn ogen kon kijken, zei Zinebi tegen hem: "Wat een leven heb ik met je! Jij slaapt dagen en nachten aan één stuk door en ik moet mij maar zien te amuseren. Vertel mij eens een verhaal, want ik verveel mij dood."

    "Wat voor een verhaal, liefje?* vroeg de duivel die een beetje aanhalig werd en probeerde Zinebi te strelen.

    Zij liet het maar toe en zei: "Waarom vertel je mij niet waar jouw talisman is en wat je allemaal moet doen om die te vinden?"

    "Dat is niet zo gemakkelijk uit te leggen," meende de Windgeest, "maar wanneer je er op staat het te weten, zal ik je het wel vertellen: in de zevende oceaan ligt een eiland waarop een grote os graast. Hij heeft een gouden kooi in zijn buik en daarin zit een witte duif. Die duif heeft een parel in zijn krop en dat is mijn talisman."

    "En hoe kun je in godsnaam op dat eiland komen?" wilde de sultane weten.

    "Heel eenvoudig! Tegenover het kasteel van de Groene Anka ligt een hoge berg. Op de top van die berg ontspringt een bron. Elke morgen komen hier veertig zeepaarden drinken. Wanneer iemand er in slaagt een van deze paarden bij een been vast te grijpen, moet hij dat paard breidelen en zadelen en er vervolgens op springen. Het paard zal dan vragen: 'Wat zijn uw bevelen meester?' De berijder moet dan zeggen: 'Breng mij naar het eiland in de zevende oceaan.' In een wip zal hij er dan zijn." Toen de Winddemon weer in slaap gevallen was, liep Zinebi naar buiten om haar man te ontmoeten, die in de buurt op haar bericht wachtte. Zij vertelde hem alles wat zij gehoord had en Osmin knoopte het goed in zijn oren.

    Hij bereikte de top van de berg die tegenover het kasteel van Anka lag, bond zijn paard aan een boom vast en wachtte tot de zeepaarden bij de bron kwamen. Hij greep een van de paarden aan een been, breidelde en zadelde het en reed erop weg naar de zevende oceaan. Toen hij op het eiland kwam, ontmoette hij daar een jood die hem vroeg wat hij er zocht.

    "Ik heb schipbreuk geleden," vertelde de prins, "en heb zwemmend dit eiland kunnen bereiken."

    "Eindelijk eens iemand met wie ik praten kan," zei de jood. "Je moet namelijk weten dat ik de enige ben die op dit eiland woont. De Windduivel heeft mij een keer gevangen en gedwongen om hier op zijn os te passen. Ik mag het beest geen moment uit het oog verliezen. Wanneer er iets met hem gebeurt, zal het ook mijn einde zijn."

    "Ik kan mij voorstellen dat je wel eens wilt uitrusten," zei Osmin. "Laat mij maar een tijdje op die os passen." De jood vond het een uitstekend idee, wees Osmin de plek waar het dier graasde en ging toen zelf onder een boom liggen slapen. Tegen de avond leidde de prins de os naar de drenkplaats en sneed toen zijn buik open. Hij nam de gouden kooi eruit en spoedde zich ermee naar het strand.

    Het zeepaard stond ongeduldig te trappelen en vroeg: "Wat zijn uw bevelen, meester?"

    "Zo snel mogelijk naar het paleis van de Windduivel!" was alles wat Osmin zei.

    Voor hij nog met zijn ogen had kunnen knipperen, stonden zij al voor het paleis. Het was duidelijk te horen dat de Windgeest sliep. Daarom ging Osmin naar binnen, haalde zijn vrouw op en plaatste haar vóór zich op de rug van het paard. "Wat zijn uw bevelen, meester?" vroeg het paard. "In gestrekte draf naar het kasteel van Anka, de vorst der vogels!" beval Osmin.

    Zij vlogen voort door grijze en witte wolken, tot zij bij het kasteel van Anka neerdaalden. "Ik heb de talisman van de Windduivel gevonden!" riep de prins verheugd uit toen hij door de vogelvorst werd ontvangen. Osmin vertelde hem wat hij allemaal had meegemaakt en hoe hij zijn vrouw ontvoerd had. Anka luisterde aandachtig, maar trok toch een bezorgd gezicht.

    "Die Windduivel zal zeker weer achter je aan zitten," zei hij. "Haal die duif nu uit zijn kooi, snijd zijn krop open en haal de parel eruit!" Osmin deed wat hem gezegd werd en toen hij de parel te pakken had, nam Anka een hamer en verbrijzelde hij het sieraad, terwijl hij zei: "Dit is de enige manier om de Winddemon voorgoed onschadelijk te maken." Dit bleek ook waar te zijn, want nadien heeft nooit meer iemand last gehad van deze duivelse geest.

    Osmin en Zinebi dankten de Groene Anka voor zijn raad en zijn hulp. Zij reden naar het paleis van de kalief die blij was hen ongedeerd terug te zien. Daar leefden zij nog lang en gelukkig en kregen zij vele kinderen. Wanneer Osmin hen later over zijn avonturen vertelde dachten zij altijd dat het maar een sprookje was

    29-11-2010 om 23:34 geschreven door Felix1  

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 0/5 - (0 Stemmen)
    » Reageer (0)
    28-11-2010
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Ze verafgoden jou:

    Ze verafgoden jou:

    Een man tegen zijn vrouw: "Schatje, ik zweer je,
    als jij naar India gaat, zullen ze je jou verafgoden."
    Vrouw : "Echt waar? Ben ik zo mooi?"
    Man: "Nee, je ziet er gewoon uit als een koe."

    28-11-2010 om 00:00 geschreven door Felix1  

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 0/5 - (0 Stemmen)
    » Reageer (0)
    27-11-2010
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Van Keetje en Eine en de aangelengde melk
    Van Keetje en Eine en de aangelengde melk



    Er was eens een melkboer, die had maar vier koetjes en erg rijk was hij ook al niet. Hij had één dochter, die heette Keetje en die leurde de melk uit in Middelburg. Iedere dag ging ze met de hondenkar naar de stad en omdat ze nogal een knappe meid was, was er niemand, die nu eigenlijk een hekel aan d'r had. Maar hoe gaat dat met die jonge meisjes, nietwaar? Ze willen er steeds maar mooier uitzien en zo was het ook bij Keetje. Er zat natuurlijk nog wat anders achter, want onderweg kwam ze Eine wel eens tegen. Dat was een zoon van een grote boer uit de buurt. En als dat gebeurde, dan kwam ze wel eens een uur te laat in de stad aan, weet je.

    Maar één ding, daar had Keetje erg last van en dat was dat ze maar koperen krullen droeg en dat haar vader geen gouden krullen kon betalen. Als ze andere meisjes tegen kwam, dan was het net of die haar uitlachten en zij had nog wel verkering met de rijkste boerenzoon uit de hele buurt.

    Toen kwam Keetje op de gedachte, de melk met water aan te lengen, om zó aan geld te komen voor gouden krullen. Haar vader was echter een rechtschapen man, die dat nooit goed zou vinden. En zo werd het Ronde Putje een grote verzoeking voor dat meisje. Op het laatst kon ze het niet meer uithouden en schonk ze, zomaar voor de aardigheid, eens een paar liter water bij de melk, toen ze bij het Putje kwam om te drinken.

    Nu ontving ze ook een paar stuivers meer voor de melk en die durfde ze niet aan vader te geven. Van het ene kwaad komt het andere en het duurde niet lang of Keetje kwam in de stad met melk die voor de helft uit water bestond. Het geld dat ze extra kreeg, hield ze voor zichzelf en zo duurde het niet lang, of ze begon een aardig spaarpotje aan te kweken.

    De mensen in de stad zeiden wel eens: "Maar Keetje! De melk is zo blauw! Is die wel goed?" Maar dan zei ze: "Och, ik zou 't wel denken, vrouw, maar de bonte is niet erg in orde en met dat schrale weer is de melk ook niet zo vet, weet je." En meer van die uitvluchten.

    Op het laatst had ze voldoende geld bij elkaar gestolen om gouden krullen te kunnen kopen en dus deed ze dat. Toen ze met de kar naar huis toe reed, had ze de krullen aangedaan en ze dacht: "Als ik Eine nu maar eens tegenkom!" Nou, natuurlijk kwam ze Eine tegen en die vond de krullen heel mooi.

    Maar toen ze onderweg voorbij het Ronde Putje kwam, wilde ze toch zelf ook wel eens zien hoe de nieuwe krullen haar stonden, want ze kon ze thuis niet aandoen. Dan zou vader meteen vragen: "Keetje, hoe kom je aan die gouden krullen?" En dan was het goed mis.

    Daarom ging ze naar het Ronde Putje om zichzelf in het water te kunnen zien. Jong jonge, wat stonden die krullen haar mooi: het zonnetje blonk er in. Ze draaide haar hoofd in alle richtingen en lachte tegen zichzelf.

    En toen gebeurde het. Ineens schoten de krullen los en vlogen in het water. Ze was er een ogenblik beduusd van, maar toen begreep ze wat er gebeurd was. Ze nam een stok en begon in het water te vissen, maar de krullen waren en bleven zoek. Toen kwam er een stem uit het water:

    Wat van mij kwam, keert tot mij weer.
    Nooit dijt gestolen goed!

    Die les heeft Keetje goed begrepen, al viel het ook niet mee. Ze heeft geen water meer bij de melk gedaan en ze heeft haar Eine toch gekregen.



     

    27-11-2010 om 23:17 geschreven door Felix1  

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 0/5 - (0 Stemmen)
    » Reageer (0)
    26-11-2010
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Klok gemept:

    Klok gemept:

    Rechter: "Waarom heeft u die klok in elkaar gemept?"
    Verdachte: "Het was uit zelfverdediging...
    ... De klok sloeg eerst!"

    26-11-2010 om 00:00 geschreven door Felix1  

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 0/5 - (0 Stemmen)
    » Reageer (0)
    25-11-2010
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Twee hoofden:

    Twee hoofden:

    Er komt een ruimtewezen met twee hoofden bij de ijsboer.

    Vraagt ie: ‘Verkoopt u ook dubbellikkers?’

    25-11-2010 om 00:00 geschreven door Felix1  

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 0/5 - (0 Stemmen)
    » Reageer (0)
    24-11-2010
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Toen ik onder en boven de aarde zat
    Toen ik onder en boven de aarde zat



    Er zat een man op de dood te wachten in de gevangenis. Zijn dochter kwam bij de heren van het gerecht en stelde voor om een raadsel op te geven. Als de heren dat niet konden oplossen, dan zou haar vader vrijkomen. Dat werd aangenomen en zij gaf dit op:

    Doe'k (toen ik) onder en boven de aarde sat;
    Doe'k ongeboren flees at;
    Doe'k roode wijntje dronk,
    Dat nimmer hartje klonk.
    Een klein steentje schaafde ik;
    Een dorstich hart dat laafde ik.
    Eerst was ik syn kind
    En nu ben ik syn moer.
    Heren raad eens hoe hy foer;
    Heren Raden allegaar,
    Heren raden dit gefaar.

    De heren konden het niet raden en zo raakte de man vrij. De oplossing is: Zij had in een zandbult gezeten met een zode op het hoofd (dus onder en boven de aarde); zij had ongeboren biggen gegeten en hun bloed gedronken; zij had een gat in een steentje gemaakt en daardoor liet ze haar vader drinken uit haar eigen borst.



    24-11-2010 om 23:46 geschreven door Felix1  

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 0/5 - (0 Stemmen)
    » Reageer (0)
    23-11-2010
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Een tocht naar Jeruzalem

    Een tocht naar Jeruzalem



    Nadat Wasili Boeslajev zijn twee gevallen kameraden door twee jonge helden had vervangen en zijn droezjina weer voltallig was, trok hij er wederom op uit, want binnen de stadsmuren van Novgorod voelde hij zich te veel opgesloten. Hij vocht met de heidenen, verwoestte hun steden en veroverde een rijke buit. Wasili had alle reden om vrolijk te zijn. Toch knaagden sombere gedachten aan zijn gemoed. Noch de vrolijkheid van zijn makkers noch de hitte van het gevecht noch de liefkozingen van mooie vrouwen noch de rumoerige drinkgelagen konden hem van zijn zwaarmoedigheid bevrijden. Had hij niet te veel onschuldig bloed vergoten? Had hij niet te veel aan eigen roem en eer, rijkdom en macht gedacht zonder zich om zijn zielenheil te bekommeren? Zijn leven was succesvol en opwindend geweest, maar eens zou hij van zijn daden rekenschap moeten afleggen!

    Dergelijke gedachten kwelden hem onophoudelijk, ook toen hij over het dek van zijn machtige schip liep waarmee hij zoveel rivieren en meren had bevaren. Steeds keerde hij met dit schip naar zijn geboortestad terug om de schatten die hij verzameld had in zijn huis op te slaan of te verkopen. Hij voer weer de Volchov op en naderde de haven van Novgorod waarin honderden schepen uit alle delen van de wereld lagen. Het schip van Wasili baande zich een weg tussen de Russische en vreemde koopvaardijschepen en legde aan bij de houten brug, niet ver van de plek waar hij jaren geleden met zijn droezjina over een overmachtige vijand had gezegevierd.

    Hij wees in die richting en zei tegen zijn boezemvriend Foma: "Daar was het dat wij een gevecht op leven en dood hebben geleverd. Weet je nog dat ik bijna te laat kwam? Hoeveel jaren is dit nu al geleden en wat heeft het eigenlijk voor nut gehad? Rijkdom en zelfs roem zijn vergankelijk en het enige dat telt zijn de goede daden die men verricht. Ik denk er sterk over om het moorden en roven verder te staken en het Heilige Land te bezoeken. Misschien zal dit mij rust en vrede schenken."

    Intussen was het schip gemeerd en werden de loopplanken uitgelegd. Wasili verliet als eerste het vaartuig, gevolgd door zijn mannen. De hoofdman merkte niet hoe men hem met angst en eerbied groette en hoe de jonge meisjes bloosden wanneer hij voorbijkwam. Hij staarde alleen maar somber voor zich uit, in diepe gedachten verzonken.

    Hij kwam bij zijn huis en liep meteen naar het vertrek waar zijn moeder in haar leunstoel in slaap was gevallen. Hij knielde voor haar neer, raakte haar zachtjes aan en zei: "Word wakker, lieve moeder, je zoon is er weer en misschien zal hij over enige tijd voorgoed bij je blijven om je de eenzaamheid minder te doen voelen. Ik ben nu gekomen om jouw zegen te vragen voor een lange reis die ik wil ondernemen. Ik heb de gelofte afgelegd naar Jeruzalem te gaan om bij het graf van onze Verlosser te bidden om vergeving van mijn zonden. Ik wil mij wassen met het heilige water van de Jordaan en ook de berg Tabor beklimmen."

    Zijn moeder antwoordde: "Mijn enige zoon, die ik zo lief heb maar om wie ik ook zoveel zorgen heb gehad, ik wil je gaarne zegenen, wanneer je van plan bent zo'n goede daad te verrichten. Maar mocht je weer in jouw oude gewoonten vervallen om onschuldige mensen te doden en hun bezittingen te ontvreemden, dan zal ik mijn zegen in een vervloeking veranderen." Daarna omarmde de moeder haar kind, bedekte zijn gelaat met kussen en schreide tranen van vreugde en verdriet.

    De volgende dag trof Wasili allerlei voorbereidingen voor zijn verre reis. Hij liet voldoende leeftocht inslaan en naar het schip brengen en kocht een grote voorraad wapens om voorbereid te zijn op de aanvallen van de ongelovigen.

    Van zijn moeder afscheid nemend hoorde hij haar zeggen: "Denk altijd aan wat ik je gezegd heb en hoedje voor slechte daden!" Ook de kameraden van Wasili namen afscheid van de weduwe.

    Vervolgens scheepten zij zich in. De zeilen werden gehesen en de vlag met het wapen van Wasili Boeslajev wapperde vrolijk in de wind. Een grote menigte had zich op de wal verzameld om het schip te zien vertrekken, want Wasili's reis naar het Heilige Land was natuurlijk het gesprek van de dag.

    Terwijl zij weken en weken voeren, kwamen zij geen enkel ander schip tegen. Alle koopvaarders waren de eerste de beste haven in gevlucht, zodra zij vernomen hadden dat de gevreesde Wasili met zijn mannen Novgorod verlaten had en nu op weg was naar het zuiden. Pas een maand na hun vertrek zag Wasili voor het eerst zeilen aan de horizon. Toen de schepen naderden, bemerkte hij dat het een vloot was. Hij liet het roer omgooien en bereikte al spoedig het voorste schip.

    De vlag van de gevreesde Wasili Boeslajev was maar al te bekend en daarom riep de schipper vanaf het voorste vaartuig nadat zij elkaar dicht genaderd waren: "Wees gegroet, Wasili Boeslajev en ook gij dappere mannen! Wij varen naar Constantinopel waar wij koopwaar zullen inladen. Op het ogenblik zijn onze schepen helemaal leeg, zoals u wel aan de geringe diepgang hebt kunnen opmerken."

    "Wees eveneens gegroet, kapitein! U hebt van ons niets te vrezen, want wij zijn niet op rooftocht. Wij gaan naar Jeruzalem. Kunt u ons de kortste weg daarheen wijzen?"

    "Wanneer u de kortste weg neemt, kunt u in ongeveer zeven weken in Jeruzalem zijn, maar met een omweg zal het wel anderhalfjaar duren. De directe weg over de Zwarte Zee wordt nu door een roversbende bezet gehouden. Deze heeft zich op een eiland in de Zee van Marmara genesteld en daar een onneembare vesting gebouwd. Die rovers beschikken over een groot aantal snelvarende schepen en daarmee plunderen zij alle galeien en zeilschepen die zich maar in hun gebied vertonen."

    "Ik dank u zeer voor uw inlichtingen, beste kapitein, maar wij zullen toch de kortste weg kiezen. Ik vertrouw op onze wapens en op de moed van mijn dappere kerels."

    Onverschrokken liet Wasili het schip naar het eiland koersen waar de zeerovers hun vesting hadden. Dezen konden hun ogen niet geloven toen zij zagen dat een vreemd schip zomaar hun gebied was binnengedrongen. Hun verbazing werd nog groter toen zij merkten dat het schip in hun haven aanlegde en men de loopplanken uitlegde om aan land te gaan! Wasili sprong het eerst aan wal en met fiere blik en uitdagende houding liep hij op de rovers toe die op de kade stonden. Hij zei: "Meld jullie hoofdman dat Wasili Boeslajev geland is en een onderhoud met hem wenst te hebben."

    Zij ijlden weg en waren spoedig terug om Wasili te melden dat hun hoofdman, Kanoeka, bereid was hem te ontvangen. Wasili en zijn mannen werden naar een groot vertrek in de vesting geleid waar Kanoeka en zijn gevolg aan een grote eikenhouten tafel zaten. "Wees gegroet, Kanoeka!" sprak Wasili. "Kunt u ons de kortste weg naar Jeruzalem wijzen?"

    "Wees eveneens gegroet, dappere Wasili Boeslajev, en ook u, edele helden, wees welkom!" antwoordde de hoofdman. "Ik zal u direct van dienst zijn, maar eerst verzoek ik u allen plaats te nemen en met ons het middagmaal te nuttigen." Wasili nam de uitnodiging aan en zette zich met zijn mannen aan tafel. Men schonk hem een grote beker wijn in die hij in één teug ledigde.

    Na het nuttigen van het avondmaal nam Wasili afscheid. Hij mocht echter niet eerder gaan dan nadat hij een aantal kostbare geschenken had aangenomen. Ook gaf de hoofdman hem een loods mee die de weg goed kende en hen zeker van dienst zou kunnen zijn. Hoewel de wind flink in de zeilen blies, duurde de reis toch lang. Eindelijk kwamen zij in de buurt van de berg Tabor, waar het schip aan de oever werd vastgemeerd. Gevolgd door zijn droezjina verliet Wasili het schip en zij ondernamen de tocht naar de top van de berg.

    Halverwege zagen zij een doodskop liggen. Wasili bleef staan, raakte de doodskop met zijn stok aan en zei: "Vertel ons, verdord mensenhoofd, of je het hoofd bent van een heidense Tataar of een vroom christen." Wasili kreeg geen antwoord en in dolle overmoed gaf hij de doodskop een harde trap, zodat deze omhoog vloog en daarna weer op dezelfde plaats neerviel.

    Tot ieders verbazing begon het hoofd te spreken: "Wat hebt u gedaan, Wasili Boeslajev, en wat geeft u het recht mij zo oneervol te behandelen? Ik was vroeger geen Tataar, noch een christen, maar een beroemde held, nog veel dapperder dan u bent. Omdat u mij zo beledigd hebt, zal weldra uw eigen hoofd op deze plaats neervallen en door het stof worden bedolven." Wasili begon onbedaarlijk te lachen, gaf de doodskop nog een flinke tik met zijn stok en vervolgde zijn weg.

    Nadat zij de berg Tabor hadden bestegen, daalden zij weer af en gingen op weg naar Jeruzalem, een tocht die weken duurde. In de kathedraal liet Wasili missen lezen voor zijn moeder, voor zichzelf, voor zijn overleden vader, voor zijn bloedverwanten en vrienden. Het kostte hem een klein kapitaal, maar hij had toch geld genoeg!

    De volgende dag liet hij de priesters van de kathedraal missen lezen voor zichzelf en voor zijn droezjina om vergiffenis af te smeken voor alle door hen begane moorden en gedane plunderingen. Ook voor deze diensten betaalde Wasili vorstelijk en hij schonk de geestelijkheid bovendien nog een groot bedrag voor de restauratie van de kerk.

    Wasili had eveneens de gelofte afgelegd zich te zullen baden in de rivier de Jordaan. Daarheen trokken zij nu om zich onder te dompelen in het gezegende water. De vrienden van Wasili baadden volgens voorschrift met hun hemd aan, alleen hij zelf stapte naakt in het water. Dat zag een langs komende oude vrouw en zij merkte op: "Hoe durft gij u naakt te baden in deze gewijde rivier? Alleen onze Heer Jezus Christus heeft zich naakt in deze heilige wateren ondergedompeld, toen hij door Johannes werd gedoopt. Ik voorspel u, dappere mannen, dat gij weldra uw leider zult verliezen."

    "Onze leider, Wasili Boeslajev, gelooft helemaal niet in voorspellingen, voortekens en droomverklaringen en wij evenmin!" kreeg zij ten antwoord.

    Toch kreeg Wasili een vreemd voorgevoel, ook denkend aan de voorspelling van het doodshoofd. Daarom zei hij tegen zijn vrienden: "Beste kameraden, ik heb de doodskop op de berg Tabor beledigd en daar heb ik spijt van. Laten wij, vóór wij naar huis terugkeren, nog eenmaal naar die berg gaan zodat ik mij met hem kan verzoenen." Vergezeld van zijn droezjina beklom Wasili opnieuw de berg, maar nergens kon hij de doodskop meer vinden. Op de plaats waar deze gelegen had, zag hij nu een geweldige steen waarop geschreven stond: "Hij die over deze steen durft te springen, zal niet meer levend opstaan!"

    "Belachelijk!" vond Wasili. "Ik zal jullie eens laten zien wat ik van al die poespas geloof." Hij nam een flinke aanloop en wilde over de steen springen, hetgeen hij gemakkelijk gekund zou hebben, maar op het moment dat hij dit wilde doen, struikelde hij en viel met zijn hoofd tegen de steen. Hoewel hij nog leefde, voelde hij dat zijn laatste uur geslagen had.

    Met zwakke stem sprak hij tot zijn vrienden: "Beste mannen, trouwe vrienden! Reeds vele jaren hebben jullie lief en leed met mij gedeeld en veel van wat ik bereikt heb, heb ik aan jullie te danken. Ik dank jullie daarvoor en ik zou ieder van jullie persoonlijk de hand willen drukken, maar mijn krachten begeven het. Keer terug naar Novgorod en vertel mijn moeder dat haar zoon op de berg Tabor gestorven is. Laat zij geen geld sparen om missen te laten lezen voor mijn zielenheil en laat zij..."

    Daarop gaf Wasili de geest en zijn diep ontroerde makkers pinkten een traan weg. Zij groeven een kuil en legden het ontzielde lichaam van hun hoofdman daarin. Op het graf plaatsten zij een grote steen waarin zij de woorden kerfden: "Hier ligt het lichaam van Wasili Boeslajev uit Novgorod, de held die grote daden heeft verricht. Moge God zijn ziel genadig zijn!" Diep bedroefd keerden zij naar het schip terug en na een lange tocht kwamen zij weer in hun geboortestad. Daar begaven zij zich meteen naar het huis van de weduwe.

    "Waar is mijn zoon, mijn geliefde Wasili?" vroeg zij. "Ik hoor en zie hem niet. Is er iets met hem gebeurd?" Nu moesten de mannen haar het treurige nieuws vertellen. Mamelfa Timofejevna liet haar hoofd zakken en haar tranen de vrije loop. Drie dagen later schonk zij al haar geld en kostbaarheden aan de kerken en kloosters van de stad om daar dagelijks te bidden voor de zielenrust van haar zoon, de onstuimige en overmoedige Wasili Boeslajev.

    23-11-2010 om 22:50 geschreven door Felix1  

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 0/5 - (0 Stemmen)
    » Reageer (0)
    21-11-2010
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Voortplanting

    Voortplanting

     

    Papa tegen Jantje:"Jantje, je bent nu al 10 jaar,

    ik moet je iets zeggen over de voortplanting."
    Jantje:"Wat, toen ik 7 jaar werd zei je me dat de tandenfee niet bestaat.

    Toen ik 8 jaar werd zei je dat de paashaas,

     niet bestond en toen ik 9 jaar werd bestond de kerstman niet meer,

    zei je!!! Als je me nu zegt dat mensen niet meer neuken,

     dan heb ik niets meer om voor te leven!!!"

    21-11-2010 om 00:00 geschreven door Felix1  

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 0/5 - (0 Stemmen)
    » Reageer (0)
    20-11-2010
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.De rode advocaat
    De rode advocaat



    Vader en moeder waren vroegtijdig gestorven en hadden twee kinderen - beiden zoontjes - onverzorgd achtergelaten. De kleinen waren daardoor ten laste van het armenbestuur gekomen en dit bestuur had hun verzorging in het openbaar aanbesteed en gegund aan de minst biedende - een arme buurman, die voor een beetje geld nu de wezen in huis had genomen en daartoe meer uit medelijden dan wel uit winstbejag was overgegaan.

    Zijn eerste zorg was geweest de beide kinderen geregeld naar school te sturen, want hij zelf had dikwijls ondervonden hoe lastig het was niet te kunnen lezen of schrijven en tussen de schooluren in had hij hen huiswerk laten doen ten einde hen reeds spoedig aan lichamelijke arbeid te laten wennen.

    De dorpsonderwijzer had echter weldra opgemerkt dat de oudste jongen een vlug verstand en een goed geheugen bezat, terwijl de boer de jongste van de beide wezen had leren waarderen als iemand die zich graag met zware arbeid bezig hield. Toen de jongste zeven jaar geworden was werd hij dan ook van school gehaald om voor de landbouw te worden opgeleid. Hij was zo gezond als een vis, zo werkzaam als een mier en binnen een tiental jaren zo sterk als een paard, had zich spoedig op het boerderijtje onmisbaar weten te maken en was zijn weldoener in diens ouderdom tot steun en zege geworden. De oudste was naar school blijven gaan en was op zijn veertiende jaar, nadat hij zich in allerlei kundigheden had bekwaamd, door de rentmeester van de koning op het kantoor genomen, had zich daar ook spoedig onmisbaar weten te maken en was weldra de rechterhand van zijn heer en meester geworden.

    Nu gebeurde het op zekere tijd dat de rentmeester een bevelschrift van zijn koning ontving waarbij hem werd aangezegd het rentmeesterschap in een verafgelegen provincie te gaan waarnemen. Na langdurig wikken en wegen werd besloten dat de oudste van de wezen met hem zou meegaan. Deze trok dan ook - na een droevig afscheid van zijn broer en van hun beider weldoener te hebben genomen - met de rentmeester naar diens nieuwe standplaats heen.

    En nu verliepen er dertig lange jaren zonder dat de beide broers enige tijding van elkaar ontvingen. De medelijdende boer was ondertussen gestorven en de jongste der wezen was met diens enige dochter getrouwd. Hij had daardoor het boerderijtje geërfd en kon nu door zware arbeid en door goed oppassen voldoende maar toch slechts karig in zijn onderhoud voorzien.

    Op zekere dag verscheen er een bode in het dorp die hem tijding kwam brengen uit het verre land waarheen zijn broer met de rentmeester nu dertig jaren geleden was heengegaan. De rentmeester, aldus verhaalde de bode, was tien jaar geleden gestorven en had al zijn geld en goed achtergelaten aan de wees, die hem zolang met trouw en eerlijkheid had gediend. En de koning had deze als de opvolger van de rentmeester aangewezen, maar nu enige tijd geleden was hij zelf gestorven, niet echter dan na zijn broer tot erfgenaam van zijn groot vermogen te hebben benoemd.

    Weldra begaf de erfgenaam zich op reis naar de plaats waar zijn broer was overleden en toen hij daar, na een voetreis van verschillende weken, was aangekomen, verkocht hij huis en hof, stak de opbrengst daarvan en al het geld dat zijn broer hem had nagelaten, in een reiszak en keerde met die last beladen weer huiswaarts.

    Op zekere avond moest hij onderweg in een dorpsherberg overnachten. De kastelein en zijn vrouw, die de zware reiszak reeds met een begerig oog hadden gadegeslagen, openden 's nachts de zak, telden de schat en hielden nauwkeurig aantekening van het aantal geldstukken van elke soort dat hij inhield. Ze gingen daarna tot de schout van het dorp en verhaalden hem dat er een vreemdeling bij hun zijn intrek had genomen en dat deze al hun geld had gestolen.

    De schout en zijn dienaars waren spoedig ter plaatse aanwezig en namen de reiziger gevangen. En toen de volgende dag bleek dat de reiszak juist het aantal geldstukken inhield zoals dit door de kastelein en diens vrouw was opgegeven werd er aan zijn schuld niet getwijfeld en werd hij veroordeeld om na drie dagen te worden opgehangen. Tot zo lang werd hij in de kelder opgesloten en kon hij daar over zijn treurig lot nadenken.

    Huilend zat hij op zijn legerstede neer toen, juist te middernacht, eensklaps een vreemde heer voor hem stond, geheel in het rood gekleed en die hem vroeg waarom hij hier gevangen zat. De ongelukkige deed een trouw verhaal van het gebeurde en toen hij geëindigd had zei de vreemdeling hem dat hij de duivel was en dat hij hem verlossen zou en zijn geld terug bezorgen indien hij zijn ziel aan hem zou willen verkopen.

    De gevangene weigerde dit echter en bleef weigeren toen de duivel hem ook de tweede en de derde nacht een zelfde voorstel kwam doen. De laatste maal hield de duivel zeer lang aan en spiegelde de gevangene in alle kleuren en geuren het heerlijk leventje voor dat hij met al dat geld zou kunnen leiden. Maar alles tevergeefs en toen de duivel uiteindelijk ging begrijpen dat hier voor hem geen zaken waren te maken, zei hij: "Welnu, dan zal ik u toch helpen. Indien u morgen naar oude gewoonte zal worden vergund nog een woord te spreken, zeg dan dat u uw verdediging aan de rode advocaat hebt opgedragen. De rest volgt dan vanzelf."

    De gevangene beloofde de duivel dit te zullen doen en toen hij de volgende morgen het schavot had beklommen, antwoordde hij dan ook werkelijk op de vraag van de rechters of hij nog wat te zeggen had: "Ik heb mijn verdediging aan de rode advocaat opgedragen!" Op dat zelfde ogenblik stond een geheel in het rood gekleed heer voor de verbaasde ogen van de rechters en niemand had gezien vanwaar hij gekomen was. "Wil jij," aldus sprak hij tot de veroordeelde, "bij de Almachtige God zweren dat jij het geld niet hebt gestolen maar dat het jou toebehoorde?" - "Ja," sprak deze en plechtig legde hij de verlangde eed af. Toen keerde de rode advocaat zich tot de kastelein en diens vrouw en zei: "Willen ook jullie zweren dat het geld jullie toebehoorde?" En ook zij waren bereid de verlangde eed te doen. Maar ternauwernood hadden zij het laatste woord van de eed uitgesproken of 'pak' zei de rode advocaat en men zag hem in woeste vaart wegvliegen de meinedige kastelein en zijn vrouw achter zich aan slepend. Toen zagen de rechters dat zij een onschuldige hadden veroordeeld. Zij spraken hem vrij en gaven hem het geld terug. Maar de schout verlangde nu zijn loon en het loon van de beul en de onkosten van het proces. "Goed," zei de vrijgesprokene, "neem het zelf maar uit de zak, maar als u één duit te veel neemt dan roep ik mijn rode advocaat." De schout stak er geen hand aan, maar droop stilletjes af.

    Zonder verdere ongevallen kwam de erfgenaam nu met zijn schat thuis; hij kocht de grootste en mooiste boerderij van het dorp en leefde er jaren lang met vrouw en kinderen zo gelukkig als een mens maar zijn kan.



     

    20-11-2010 om 22:54 geschreven door Felix1  

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 0/5 - (0 Stemmen)
    » Reageer (0)
    19-11-2010
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Het paard Mahmoed en de heks
    Het paard Mahmoed en de heks



    Er leefde eens een padisjah die zich in het bezit van drie mooie dochters mocht verheugen. Toen hij een keer op reis moest gaan, riep hij zijn kinderen bij zich en droeg hen op goed voor zijn lievelingspaard Mahmoed te zorgen. Het dier lag hem zó na aan het hart dat hij deze zorg niet aan een van zijn stalknechten wilde overlaten. Toen de vorst was vertrokken, wilde de oudste dochter het paard voederen, maar het trapte zo wild om zich heen dat zij het dier niet durfde te naderen. De tweede dochter - en zij was toch heus niet bang uitgevallen - wist ook niet hoe gauw zij de stal weer uit moest komen. Nu was het de beurt voor de jongste. Vreemd genoeg verroerde het paard nu geen vin en liet zich gedwee voederen.

    Toen de padisjah weer thuis kwam, was zijn eerste vraag: "Hoe maakt mijn paard het? Heeft hij wel genoeg te eten gehad en is hij op tijd geroskamd?" - "O vader, wat een wild beest is het!" zei de oudste dochter. "Ik durf geen hand naar hem uit te steken," meende de tweede. "Och, het is best een aardig dier en zo mak als een lammetje," zei de jongste.

    De vorst was zeer verheugd toen hij dit hoorde en de jongste kreeg het paard als echtgenoot. De oudste dochter mocht met de Grootmoefti en de tweede met de Grootvizier trouwen. Deze dochters betrokken een schitterend paleis en de jongste, Imine, ging in de stal wonen.

    Elke nacht werd de stal in een rozentuin herschapen en nam het paard de gedaante aan van een jonge held. Het jonge paar leefde 's nachts in een toverwereld en overdag in een naakte stal. Maar op die manier merkte niemand er iets van en bleef hun geheim goed bewaard.

    Op een keer liet de padisjah een groot toernooi houden. De beste ruiters uit het gehele land waren samengestroomd, want de vorst had voor de winnaar een hoge prijs in het vooruitzicht gesteld. De oudere zusters zochten Imine in de stal op en zeiden: "Je zult zien dat onze mannen alle andere ruiters zullen verslaan. Zij vechten immers als leeuwen! En hoe gaat het met je paardenman? Kunnen jullie het goed vinden met elkaar?" Giechelend liepen zij de stal weer uit. Toen het paard dit gehoord had, begon hij over zijn hele lijf te trillen en veranderde weer in een man. "Wij zullen wel eens zien wie er overwint!" zei hij grimmig, wierp zich op een Arabische hengst en reed met gevelde lans naar het toernooiveld. De ene na de andere ruiter werd door hem uit het zadel gelicht en tenslotte liet hij ook zijn beide zwagers in het stof bijten.

    De volgende dag werd Imine weer op alle mogelijke manieren door haar zusters geplaagd. Maar zij zei niets terug, want haar man had haar op het hart gedrukt niets over zijn afkomst te vertellen. Ook op die dag werd de onbekende held de overwinnaar. De derde en laatste dag nam Mahmoed zijn menselijke gedaante weer aan en rustte zich uit voor de strijd. Toen hij afscheid van zijn vrouw nam, zei hij tegen haar: "Wanneer er iets met je mocht gebeuren en je mijn hulp nodig hebt, verbrandt dan één van deze drie paardenharen en ik zal op slag weer bij je zijn. Maar vertel onder geen voorwaarde en aan niemand wie ik eigenlijk ben."

    Ook nu overwon de onbekende held al zijn mededingers. Na het einde van de wedstrijd werd hem de fel begeerde prijs eigenhandig door de padisjah uitgereikt. Even later stond hij weer als een paard in de stal, of er niets gebeurd was. De prijs liet hij door zijn vrouw op een verborgen plek verstoppen. De oudere zusters konden het niet verkroppen dat hun mannen hadden verloren. Om hun gemoed te luchten, zochten zij weer hun jongste zuster op en begonnen haar verschrikkelijk te sarren. In het begin hield zij haar mond, maar toen de zusters allerlei bedekte grapjes over haar paardenman begonnen te maken, kon zij het opeens niet meer voor zich houden en riep zij uit: "Weten jullie wel dat die ruiter die niet te overwinnen is, die stralende held, niemand anders is dan mijn eigen man, Mahmoed?"

    Had zij het maar niet gezegd, want op hetzelfde ogenblik was het paard uit de stal verdwenen! Die nacht was er geen rozentuin en geen stralende held, maar alleen het zwakke licht van een olielamp in de stal. En zo bleef het voortaan iedere nacht. "Helaas, helaas!" zuchtte het meisje. "Waarom heb ik mijn man bedrogen en niet gedaan wat hij bevolen had! Ach, het is allemaal mijn eigen schuld. Ik zal hem wel nooit meer terugzien!"

    Zij treurde iedere nacht opnieuw en zij deed bijna geen oog meer dicht. In haar dromen zag zij nog wel eens de rozentuin en haar knappe echtgenoot die naast haar lag te sluimeren, maar wanneer zij haar ogen opende, was dat alles verdwenen. Tenslotte kon zij het niet meer in de stal uithouden en besloot zij Mahmoed te gaan zoeken.

    Zij zwierf dagen en weken lang over bergen en door dalen, over eindeloze steppen en door dichte bossen, maar haar man vond zij niet. Eindelijk was zij zo vermoeid dat zij uitgeput aan de voet van een hoge berg neerviel. Toen pas herinnerde zij zich dat Mahmoed haar drie haren had meegegeven. Zij nam er een uit haar tas en stak deze aan.

    Op hetzelfde moment stond haar heer en meester weer voor haar, maar hij keek haar streng aan en zei: "Heb ik je niet uitdrukkelijk verboden over ons geheim te praten?"

    "Ik weet het, ik weet het!" smeekte zij, "en ik heb er ook veel spijt van, maar ik liet het mij ontvallen, vóór ik er eigenlijk erg in had."

    "Wat gebeurd is, is gebeurd," zei Mahmoed berustend, "maar wanneer mijn moeder, een verschrikkelijke heks, je in de gaten krijgt, is het met je gedaan! Wij wonen hierboven op deze berg en zij kan elk ogenblik verschijnen."

    De sultansdochter had nooit kunnen denken dat haar man de zoon van een heks was, maar wat haar het meest verdriet deed, was dat zij hem weer zou kunnen verliezen, nu zij hem eindelijk gevonden had. Even later hoorden zij een verschrikkelijk lawaai en zagen zij de heks naderen.

    Maar Mahmoed was op alles voorbereid en veranderde zijn vrouw in een appel die hij op de grond legde. De heks kwam dichterbij en krijste dat zij mensenvlees rook. "Je moet je vergissen, moeder, heus," stelde Mahmoed haar gerust. Maar toen zij bleef aanhouden, zei hij: "Wanneer je zweert dat je haar geen kwaad zult doen, zal ik je mijn vrouw laten zien." Hij gaf een tik tegen de appel en een beeldschone vrouw stond voor hen.

    "Hmm, geen slechte keus!" gromde de heks, maar in haar hart zwoer zij dat zij het haar schoondochter erg lastig zou maken.

    De eerste dagen leefde het drietal in rust en vrede met elkaar, maar de heks wachtte alleen op een gelegenheid dat haar zoon van huis zou zijn. Toen hij op een dag weg was, snauwde zij het meisje toe: "Vooruit, veeg en veeg niet. Wee je gebeente, wanneer je dat niet doet!" Toen verdween zij. Imine begreep er natuurlijk niets van. Toen dacht zij aan de twee haren die zij nog had en zij verbrandde er één. Meteen stond Mahmoed voor haar en vroeg wat zij verlangde.

    "Wat betekent toch: veeg en veeg niet?" vroeg zij. Mahmoed legde haar uit dat zij de voorkamer moest vegen, maar de achterkamer niet. Toen de heks 's avonds thuis kwam, zag zij dat het meisje precies gedaan had wat zij had bedoeld. "Dat heb je zeker niet zelf bedacht, hondenkind! Dat heeft mijn zoon je natuurlijk ingefluisterd," snauwde zij. De volgende dag zette de heks drie kruiken neer en beval haar schoondochter deze met tranen te vullen. "En er zwaait wat voor je, wanneer ze niet tot de rand toe vol zijn!" schreeuwde zij, terwijl zij de deur dichtsmeet.

    Het meisje perste een paar tranen uit haar ogen, maar zag spoedig in dat het een onmogelijke opgave was. "Wat zal er met mij gebeuren, wanneer de heks de kruiken leeg vindt?" dacht zij en in haar wanhoop verbrandde zij de laatste haar. Daar stond haar man weer voor haar en legde haar uit dat zij de kruiken met water moest vullen en er dan wat zout bij moest doen.

    Toen de heks thuis kwam, keurde zij meteen de inhoud van de kruiken en zei: "Je hebt zeker zoveel tranen, omdat je met de zoon van een heks getrouwd bent. Ha, ha, ha, ha! Wacht maar, ik zal je nog wel klein krijgen, ezelsveulen!"

    De volgende dag had de heks weer iets anders bedacht. Zij zette een vat met erwten voor Imine neer en droeg haar op hiervan een ketting te rijgen. Het meisje wist zich natuurlijk geen raad, maar gelukkig duurde het niet lang of Mahmoed kwam binnen, omdat hij vermoedde dat zijn vrouw zijn hulp nodig had.

    "Laat haar zelf die ketting maar rijgen!" zei hij kwaad, nadat hij de nieuwe opdracht vernomen had. "Het is nu welletjes en het wordt hoog tijd dat wij dit oord ontvluchten."

    Toen de heks die avond thuis kwam en merkte dat de vogels gevlogen waren, werd zij razend. "Die ellendelingen, dat duivelsgebroed!" tierde zij. "Ik zal hen mores leren!"

    Zij sprong in een grote kan, greep een slang die zij als zweep gebruikte en liet de kan de lucht in vliegen. In een razende vaart achtervolgde zij het tweetal. Mahmoed zag de kan in de verte aankomen en veranderde zijn vrouw in een badhuis en zichzelf in een badmeester.

    "Heb je hier geen jongeman en een meisje voorbij zien komen?" vroeg de heks.

    "Ik heb niemand gezien en er is ook niemand binnen," zei de badmeester. "Wanneer je het niet gelooft, kijk dan zelf maar." De heks kroop weer in de kan, liet de slangenzweep kletsen en verdween met oorverdovend lawaai in de lucht.

    Mahmoed en zijn vrouw zetten de reis weer in hun eigen gedaante voort. Na een tijd hoorden zij een verschrikkelijk lawaai, en, jawel hoor, daar zagen zij de kan weer door de lucht suizen.

    Mahmoed gaf Imine een tik en veranderde haar in een bron. Zelf nam hij de gedaante van een herdersjongen aan die water uit de bron putte. De heks daalde neer, sprong uit de kan, zwaaide onheilspellend met haar slangenzweep en schreeuwde: "Heb je soms niet een jongen en een meisje voorbij zien komen. Pas op, wanneer je mij voor de gek houdt!"

    "Nee," zei de herdersjongen, "ik zie hier nooit iemand dan geiten en schapen."

    "Idioot!" siste de heks en meteen was zij weer met kan en slang verdwenen. Het werd nacht en Mahmoed zei dat zij nu niets te vrezen hadden. Zijn moeder was bang voor de nacht en zij bleef dan altijd thuis. Maar de zon was nog nauwelijks op, of zij hoorden weer dat ratelend geluid en het kletsen van een zweep. Mahmoed veranderde zijn vrouw in een boom en zichzelf in een slang die zich om de stam kronkelde. Maar nu had de heks hen herkend! Zij wilde de boom door haar tovermacht in stukken splijten, maar zij was bang dan ook haar eigen zoon te doden. "Mijn zoon," smeekte zij, "laat mij tenminste een pink van je vrouw zien, dan zal ik jullie verder met rust laten."

    Mahmoed zag wel in dat dit de enige manier was om zich van zijn moeder te bevrijden. Hij liet een pink van zijn vrouw zien en de oude heks rukte deze meteen uit en verdween ermee in de lucht. Nu zij van de heks waren verlost, namen zij hun menselijke gedaante weer aan en gingen terug naar het paleis van de padisjah. Daar leefden zij nog lang en gelukkig.



     

    19-11-2010 om 22:45 geschreven door Felix1  

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 0/5 - (0 Stemmen)
    » Reageer (0)
    16-11-2010
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Bezighouding

    Bezighouding

     

    Hoe kan je een dom blondje urenlang bezighouden?

    Je geeft ze een blad papier waar op de beide kant staat geschreven:

     ZIE KEERZIJDE

    16-11-2010 om 00:00 geschreven door Felix1  

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 5/5 - (1 Stemmen)
    » Reageer (0)
    15-11-2010
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Verkeerde plaats

    Verkeerde plaats

     

    Er staat een dom blondje aan te schuiven aan de kassa.

    Zegt de kassière : "Ik wil mij nergens mee bemoeien hoor,

    maar weet U dat er een tampon achter uw oor zit ?"
    "Miljaar", zegt de blonde, "Mijn sigaretten..."

    15-11-2010 om 09:30 geschreven door Felix1  

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 0/5 - (0 Stemmen)
    » Reageer (0)
    14-11-2010
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.paratroepers

    paratroepers

    Een vader vindt zijn zoon een slappeling en om die reden meldt hij hem aan bij de paratroepers, zodat hij én discipline én pit in zijn donder krijgt.Na twee weken is de zoon weer thuis en brengt verslag uit. '.......en toen was het gisteren zo ver, onze eerste sprong. Op 4 kilometer  hoogte schoof de sergeant de deur open en sprongen de eerste enthousiastelingen meteen naar buiten'. Zegt zijn vader: 'Daar zat jij dus bij natuurlijk!' De zoon: 'Euh, om eerlijk te zijn niet, nee. Het was zo dat de sergeant de achterblijvers één voor één bij de lurven pakte en ze zo het vliegtuig uitsmeet. Zegt zijn vader: 'En hup daar ging je!' De zoon: 'Euh, .... om eerlijk te zien niet, nee. Ik bleef als laatste over en smeekte de sergeant of ik alsjeblieft in het vliegtuig mocht blijven. Hij werd woest en schreeuwde dat, als ik niet sprong, hij me er uit  zou trappen! Hij wilde me beetpakken, maar ik greep een stang en hield me zo stevig vast dat hij niets kon doen.' Zegt zijn vader: 'Maar je hebt gesprongen,toch?' De zoon: 'Tja, hoe zal ik dat uitleggen..... Nou op een gegeven moment riep de sergeant onze instructeur erbij. Dat is een neger, een reus..... niet te  geloven zeg! Hij ging naast me staan, knoopte zijn gulp open en haalde  zijn geslachtsdeel tevoorschijn. Ik zweer het, die was minstens 30 cm lang,  dik als een slaghout en een eikel ter grootte van een tennisbal. Toen riep hij: 'Twee keuzes: je springt nu dit vliegtuig uit of ik ram  deze jongen zonder pardon zo die dikke reet van je in.' Zegt zijn vader: 'En toen sprong je?' De zoon: 'In het begin wel een beetje . '

    14-11-2010 om 00:00 geschreven door Felix1  

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 0/5 - (0 Stemmen)
    » Reageer (0)
    12-11-2010
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Voorschrift

    Voorschrift

     

    Een dokter wandelt over een begraafplaats. Tot zijn stomme verbazing ziet hij een hand boven het graf uitsteken. Als de medicus naderbij komt en zich vooroverbuigt, hoort hij een zacht stemmetje vragen: "Dokter, hebt u misschien een middel tegen wormen?"

    12-11-2010 om 00:00 geschreven door Felix1  

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 0/5 - (0 Stemmen)
    » Reageer (0)
    11-11-2010
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Zhuang Zi: De timmerman en het overtollige hout

    Zhuang Zi: De timmerman en het overtollige hout



    Timmerman Shi ging naar Qi. Bij Quyu gekomen zag hij een eik als heilige boom van het altaar van de Aarde. Hij was zo groot dat duizenden runderen eronder konden schuilen. Zijn omvang was wel honderd el. Hij was zo hoog als een berg. Pas op tien vadem hoogte kwamen de eerste takken. Er waren meer dan tien zijtakken, die zo dik waren dat men er boten van kon maken.

    Het stond er zo vol met kijkers dat het was alsof er markt gehouden werd. Maar de timmerman keek niet op of om, en vervolgde zijn weg zonder te stoppen. Zijn leerling echter stond stil en, nadat hij zich er vol aan had gekeken, holde hij de meester achterna, en zei: "Meester: sinds ik bijl en beitel heb opgenomen om u te volgen, heb ik nog nooit zulk prachtig materiaal gezien. Maar u keurt het geen blik waardig en loopt door zonder ook maar één keer te stoppen. Waarom is dat?"

    "Hou op! Praat me er niet van! Dat is overtollig hout. Maak er een boot van en hij zinkt. Een doodskist? Hij verrot meteen. Een gebruiksvoorwerp? Het gaat dadelijk kapot. Een deur? Die blijft nat van de hars. Een steunpilaar? Daar komen insecten in. Dit is hout dat nergens toe dient, dat nergens voor kan worden aangewend, en om die reden heeft die boom zo oud kunnen worden."

    Toen de meestertimmerman thuis was gekomen, verscheen de heilige eikenboom aan hem in een droom, en sprak: "Waar dacht je mij wel mee te vergelijken? Wilde je zeggen dat ik 'overtollig hout' was? Appelen, peren, mandarijnen, pomelo's en de vruchten van andere bomen: ze worden afgerukt zodra ze rijp zijn. Daardoor worden die bomen gekwetst, hun grote takken afgebroken en hun twijgjes vernield. Dat is je hele leven narigheid ondervinden vanwege je bekwaamheden. Om die reden kan ook geen van hen zijn door de hemel bestemde levensloop volbrengen, maar sterven ze allemaal voortijdig wanneer ze pas op de helft zijn. Ze zijn het zelf die zich deze algemeen gangbare geweldplegingen op de hals halen, en met andere wezens is het ook zo gesteld. Daarom ben ik allang geleden gaan proberen om volstrekt nutteloos te worden. Vaak kwam ik er dichtbij, en nu heb ik het bereikt. Dat is voor mij van het grootste nut. Als ik ooit enige nuttigheid gehad zou hebben, zou ik dan zo groot hebben kunnen worden? Laten we daarbij ook nog bedenken dat we allebei maar schepsels zijn. Hoe kunnen schepsels elkaar beoordelen? Hoe kan een overtollig mens zoals jij, die bovendien weldra gaat sterven, weten wat een overtollige boom is?"

    De meestertimmerman werd wakker en vertelde over zijn droom. Zijn leerling zei: "Als het zijn doel is om nutteloos te zijn, hoe komt het dan dat hij een aardgod geworden is?"

    "Stil! Hou je mond! Dat is ook maar een soort toevlucht van hem, omdat anders zij die hem niet begrijpen kwaad van hem zouden spreken. Als hij geen aardgod was, zou hij misschien toch niet aan de bijl ontkomen! En laten we bedenken dat de manier waarop hij zichzelf beschermt anders is dan die algemeen gangbaar is. Hem met gewone normen beoordelen, sla je dan de plank niet al te ver mis?"

    ***

    Ziqi van de Zuiderwal wandelde eens over de Heuvel van Shang, en zag daar een grote boom. Duizend vierspannen konden schuilen in zijn schaduw. "Wat is dat voor een boom? Die moet welzeker over bijzondere eigenschappen beschikken," zei Ziqi. Hij keek omhoog en zag de takken: ze waren allemaal krom en ongeschikt om er balken of planken van te maken. Daarna keek hij omlaag naar de grote stam en zag dat die zo vol spleten zat dat je er onmogelijk doodskisten uit kon maken. Als je aan de bladeren likte, deed je je pijn en ging je mond zweren; als je de lucht van de boom opsnoof, werd je er zo door bedwelmd dat het na drie dagen nog niet over was. "Dit is werkelijk een boom die nergens toe dient," zei Ziqi. "Geen wonder dat hij zo groot heeft kunnen worden. Ach, de goddelijke mens! Door een dergelijk gebrek aan nuttige eigenschappen is hij geworden wal hij is!"

    In Song, in de streek van Jing, is de grond geschikt voor trompetbomen, cipressen en moerbeibomen. Als ze dikker dan een handbreedte zijn, worden ze gezocht door hen die een paal zoeken om hun aap aan vast te maken, en dus omgehakt; als ze drie of vier el in doorsnede zijn, dan worden ze geveld door hen die een nokbalk voor een statige woning zoeken; als ze zeven of acht el in doorsnede zijn, worden ze gezocht door adellijke families of die van rijke kooplieden, als zijplanken voor doodskisten. Geen van deze bomen zal daarom tot zijn door de hemel bestemde jaren blijven leven, maar vroegtijdig, in het midden van zijn levensloop, door de bijl aan zijn eind komen. Dat is de ellende die hun goede eigenschappen hun berokkenen. En zo ook wanneer het om een zoenoffer gaat, dan zijn runderen met een wit voorhoofd, varkens met een naar boven gedraaide snuit en mensen met aambeien ongeschikt om aan de god van de Gele Rivier te worden geofferd. Daar weten sjamanen en voorbidders alles van. In hun ogen zijn het dan ook ongeluk brengende wezens. En dat is nu precies wat een goddelijk mens als bij uitstek als gelukkig beschouwt!

    11-11-2010 om 22:41 geschreven door Felix1  

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 0/5 - (0 Stemmen)
    » Reageer (0)
    10-11-2010
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.De dood is van ons allemaal

    De dood is van ons allemaal

    De dood is van ons allemaal


    Kisagotami werd ten tijde van de tegenwoordige Boeddha te Savatthi in een armoedig geslacht herboren. Toen zij volwassen was, huwde zij in een zekere familie. Daar verachtte men haar als dochter van arme lieden. Na verloop van tijd schonk zij het leven aan een zoon en nu betoonde men haar eer.

    Toen haar zoontje al kon lopen en de leeftijd van spelen bereikt had, stierf het door de een of andere oorzaak. Groot verdriet beving haar. Denkend: "Na in deze woning zonder eer en voordeel getoefd te hebben, heb ik na de geboorte van mijn zoontje eer erlangd. Nu zou deze weer van mij worden verwijderd," legde zij het kind op haar heup en liep met de woorden: "Geef mij medicijn voor mijn kind," huis aan huis langs.

    Overal waar ze haar zagen staan, sloegen de mensen, zeggend: "Waar is te voren een medicijn gezien voor uw dode kind?" de handen ineen en lachten haar uit. Zij kwam echter door hun toespraak niet tot bevrediging.

    Toen nu een zeker iemand, een geleerd man, haar zag, dacht deze: "Door het verdriet over haar kind zal deze tot verbijstering vervallen zijn," en na overwogen te hebben: "Niemand anders zal zeker voor haar medicijn daarvoor kennen dan de Boeddha," sprak hij aldus tot haar: "Moedertje, er is niemand anders die medicijn kent voor uw kind, maar in het klooster te Dhura toeft de Tienkrachtige, die in de wereld van hemelingen en mensen de alleruitstekendste is. Ga, en vraag het hem."

    Zij, denkend: "Die man spreekt waarheid," ging en plaatste zich met haar kind, op 't ogenblik dat de Boeddha op zijn Boeddha-zetel neergezeten was, in de buitenste kring der verzamelde menigte en vroeg: "Geef mij een medicijn voor mijn kind, Heer."

    De Meester, haar predispositie ziende, sprak: "U hebt er goed aan gedaan, Gotami, om hier te komen voor een medicijn. Ga heen en begeef u in de stad: te beginnen bij het allereerste huis, de ganse stad doorgaande, moet u in dat huis, waar tevoren nooit iemand gestorven is, daarvandaan om een mosterdzaadje vragen."

    Verheugd, en met de woorden: "Goed, Heer," ging zij de stad binnen en sprak bij de eerste woning: "De Tienkrachtige doet mij, als medicijn voor mijn kind, een mosterdzaadje vragen. Geeft mij een mosterdzaadje."

    Met de woorden: "Goed, Gotam," haalden zij er een en gaven het haar.

    "Ik mag het niet zo maar aannemen; is er in dit huis nooit iemand te voren gestorven?"

    "Wat zegt u, Gotami! Wie kan optellen degenen, die hier gestorven zijn?"

    "Dan heb ik het niet nodig: de Tienkrachtige heeft mij gezegd, uit een huis, waar tevoren nog nooit iemand gestorven is, daarvandaan het te halen."

    Nadat het haar bij het tweede huis op dezelfde wijze gegaan was, dacht zij: "In de ganse stad zal het wel hetzelfde zijn. Dit zal wel door de Boeddha, die goed en medelijdend is, bedacht zijn," en bedrukt van daar naar buiten gaande, begaf zij zich naar een naar rottend vlees stinkende crematieplaats, en, haar kind in de handen nemend, sprak zij: "Mijn lief kindje, ik dacht, dat deze dood u alleen getroffen had, maar hij treft niet alleen u: deze wet is voor 't gehele mensdom geldig," en met die woorden legde zij het kind op de crematieplaats en sprak dit vers:

    "Geen wet voor dorp, geen wet voor stad ook,
    geen wet ook is het voor een enkel huis,
    maar voor de ganse wereld, ook der engelen,
    geldt deze wet, dat alles onbestendig is."

    En na dit vers nog eens te hebben gezegd, begaf zij zich tot de Boeddha.

    Nu sprak de Meester tot haar: "Hebt u het mosterdzaadje gekregen, Gotami?"

    "Ik heb het zaadje niet nodig, Heer, doch verleen mij een toevlucht," zo sprak zij.

    Onmiddellijk erlangde zij, zoals zij daar stond, de eerste graad van heiligmaking en verzocht om opname in de orde. Na driemaal met toekering der rechterzijde de Meester omwandeld te hebben, na hem begroet te hebben en naar een nonnenklooster te zijn gegaan en na de opname in de orde erlangd te hebben, geraakte zij weldra, grondig met attentie de riten verrichtende, tot geestelijk inzicht.



     

    10-11-2010 om 23:11 geschreven door Felix1  

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 1/5 - (1 Stemmen)
    » Reageer (0)
    09-11-2010
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Koppel in conversatie : (Versproken)

    Koppel in conversatie : (Versproken)

    ZIJ : Als ik nu stierf, zou jij opnieuw trouwen ?
    HIJ : Nee. Natuurlijk niet!

    ZIJ : Nee ? Waarom ? Hou je er niet van getrouwd te zijn ?
    HIJ : Jawel, ik hou ervan!

    ZIJ : Dus, waarom zou je niet hertrouwen?
    HIJ : OK, ok, ik zal wel hertrouwen als dat jou pleziert!...

    ZIJ (droevig) : Zou je hertrouwen?
    HIJ : Euh ja ?...

    ZIJ : En zou je met haar in ons bed slapen?
    HIJ : Waar zou je anders willen dat we slapen ?

    ZIJ : Zou je mijn foto's door de hare vervangen?
    HIJ : Euh... ja, natuurlijk wel...

    ZIJ : En zou ze met mijn auto rijden?
    HIJ : Nee, ze kan niet rijden...

    ZIJ : (stilte)
    HIJ : Oh shit!

    09-11-2010 om 00:00 geschreven door Felix1  

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 0/5 - (0 Stemmen)
    » Reageer (0)
    08-11-2010
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Canvas filmt 'Duts' in De Klinge


    Op maandag 6 september begon het productiehuis Kanakna met de opnames voor 'Duts', een komische serie naar een idee van Herwig Ilegems (bij het grote publiek vooral bekend als buurman Herman in de Eén-reeks 'Van Vlees en Bloed'). Hij bedacht Duts niet alleen, maar neemt ook de titelrol voor zijn rekening. De serie wordt later dit najaar uitgezonden op Canvas.

    Walter Duts (Herwig Ilegems) is een zonderlinge man die na de dood van zijn moeder alleen is achtergebleven in het ouderlijk huis. Hoewel hij er wat vreemd uitziet, is Walter de goedheid zelve. Hij leidt een rustig leven en zal geen vlieg kwaad doen. Hij heeft vrede met zichzelf. Maar met de buitenwereld klikt het minder goed...

    Walter Duts is een personage in de traditie van Buster Keaton, Laurel en Hardy, maar meer nog van Tati’s Monsieur Hulot. Het scenario is van de hand van Herwig Ilegems en Bart Meuleman. Een pleiade van Vlaamse topacteurs neemt de neven- en gastrollen voor zijn rekening.



    08-11-2010 om 23:15 geschreven door Felix1  

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 0/5 - (0 Stemmen)
    » Reageer (0)
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Kiding Sunda

    Kiding Sunda



    Heel lang geleden was er op het eiland Java een koninkrijk, Majapahit, waarvan de roem de verste uithoeken van de Archipel had bereikt. De vorst van dat machtige rijk was de jonge Hayam Wuruk, die zijn vader was opgevolgd, en zijn raadgever was de invloedrijke patih Gajah Madah.

    Koning Hayam Wuruk was een goed vorst en hij was geliefd bij al zijn onderdanen. Alle vorsten die onderworpen waren aan het machtige Majapahit kwamen telkens weer om hun eerbied te betonen aan de jonge opperkoning, zelfs degenen die ver van de kraton (het paleis) woonden. Er was niemand in het rijk, die zich er niet in verheugde een onderdaan te zijn van koning Hayam Wuruk. De jonge koning nu was niet alleen een goed vorst, hij was ook nog knap en innemend. Hij was als de god Rama, de god van de liefde; sierlijk en bevallig, en tegelijkertijd krachtig en moedig. Zijn deugden waren talrijk en er viel vrijwel niets op hem aan te merken. Vrijwel niets, want er ontbrak nog één ding aan zijn bestaan...

    Het weefgetouw stond gereed, maar zweeg... De bloemen bloeiden en geurden lieflijk, maar de tuinen waren verlaten. De jonge koning had nog steeds geen vrouw.
    Iedereen maakte zich zorgen over Hayam Wuruk. Hoe moest dat nu, een koning moest toch immers een troonopvolger hebben? Men spande zich tot het uiterste om een bruid te vinden voor de jonge koning, maar geen vrouw was hem goed genoeg. Hij was de machtigste vorst van de Archipel en alleen de schoonste en lieftalligste vrouw ter wereld zou aan zijn zijde kunnen staan.

    Men had de beste schilders opgedragen de prinsessen uit alle omringende landen te portretteren en men had hele reeksen portretten van de schoonst denkbare vrouwen aan de jonge koning getoond, maar het mocht niet baten. Zelfs de beeltenis van de bevallige prinses van Madura en de schone prinses van Palembang lieten het hart van Hayam Wuruk onberoerd. Geen van de vrouwen vond hij geschikt om vorstin te worden van het machtige Majapahit.
    Langzamerhand begon men de moed te verliezen, want het zag er slecht uit. Alle rijken waren bezocht, er was geen plaats die men had overgeslagen. Of toch? Op een goede dag kwam de vorst het gerucht ter ore, dat ergens, heel ver weg, in een onmetelijk rijk en welvarend land een vorst woonde, wiens dochter de schoonste ter wereld moest zijn. De prinses heette Galuh en zij woonde in het rijk Sunda. Niemand had ooit van dat koninkrijk gehoord en niemand wist of het wel bestond, maar de nieuwsgierigheid van de jonge koning was gewekt en de allerbeste schilder werd erop uitgestuurd om een portret van de prinses te maken. De man scheepte in voor een reis overzee en de wind blies in de zeilen tot hij na dagen en dagen het koninkrijk Sunda bereikte. En daar schilderde hij met vaardige hand de koningsdochter, zo goed dat het was alsof zij leefde en zo uit het portret kon stappen. Haar ogen straalden als de gloed van de maan en de sterren aan de nachtzwarte hemel en de diamanten om haar hals schitterden en flonkerden, zodat het leek of ze bewogen bij elke ademhaling van de prinses. Toen zijn werk gereed was keerde hij terug naar Majapahit. Terwijl men in Majapahit gespannen de terugkeer van de schilder afwachtte, arriveerden twee bezoekers bij de kraton. Het waren twee ooms van Hayam Wuruk, de koning van Daha en de koning van Kuripan, die naar Majapahit waren gekomen omdat zij zich zorgen maakten over het almaar uitblijvende huwelijk van hun neef. Hayam Wuruk groette zijn ooms eerbiedig en ontving hen in de kraton, waar zij gingen zitten om de zaak te bespreken. "We maken ons zorgen om je, jongen.
    Waarom ben je toch zo mager? Ben je ziek? Waarom dwaal je door de tuin en ruik je slechts aan de bloemenpracht, zonder van de honing te genieten? Doe je soms ascese?" sprak de vorst van Kuripan. Hayam Wuruk glimlachte: "Nee, oom. De zaak ligt anders. Ik zoek, maar tot op heden heb ik nog geen geschikte bruid gevonden. Ik heb portretten gezien van de schoonste vrouwen, maar geen van hen, hoe bevallig ook, heeft de waardigheid om als vorstin van dit machtige rijk aan mijn zijde plaats te nemen." De beide ooms knikten. "Als je een geschikte bruid vindt, en moge dat spoedig geschieden, dan heb je mijn zegen," sprak de een, terwijl de ander instemmend knikte.

    En Hayam Wuruk begon te vertellen over het portret dat hij nu liet maken van de prinses van Sunda, die naar men zei, de schoonste ter wereld moest zijn. "Nu," sprak de koning van Daha verheugd, "laten we hopen dat het ditmaal zal lukken." De volgende morgen, toen de vorst audiëntie hield, kwam het bericht dat de schilder was teruggekeerd uit Sunda met het portret van de prinses. Men haastte zich om de man voor de vorst te brengen. Hij verscheen met een pakket gewikkeld in gele zijde, de vorstelijke kleur. Toen hij het portret onthulde, riep de koning van Daha onmiddellijk verrukt uit: "Maar jongen, zij is beeldschoon. Je hoeft niet meer te zoeken, dit is je bruid!" Hayam Wuruk keek naar de beeltenis van de prinses en opslag was hij de wereld om hem heen vergeten. Haar ogen waren als de sterren aan de nachtzwarte hemel. Hij dwaalde rond, bedwelmd door zoet geurende bloemen.

    De koning van Daha en de koning van Kuripan keken elkaar aan en glimlachten. Niet lang daarna zond de koning een van zijn patih`s, genaamd patih Madu, met een brief naar Sunda, waarin hij vroeg om de hand van de mooie prinses. Met een escorte en talloze kostbare geschenken, waaronder goud, juwelen en kostbare kledij, scheepte de patih in en vertrok met de wind in de zeilen. Zes dagen waren verstreken, toen hij in de haven van Sunda aanlegde en om audiëntie vroeg bij de vorst. De volgende morgen werd de afvaardiging uit Majapahit waardig ontvangen in de kraton van Sunda. Patih Madu overhandigde de brief van koning Hayam Wuruk aan de vorst, die begon te lezen: "Vorst van Sunda, ik vraag u om mijn verzoek te willen aanhoren. De laatste tijd word ik overmand door een gevoel van verlangen. Ja, als een nachtvogel verhing ik naar het schijnsel van de maan. Als een sperwer zweef ik tegen de blauwe hemel en vul de lucht met kreten van verlangen naar de zoete regendruppels aan het einde van de droge tijd. Zo vraag ik u mij uw zegen te geven en mij het juweel van uw kraton te schenken. Ik vraag u om de hand van uw dochter, want ik wil haar tot de koningin aan mijn zijde maken."
    De koning zweeg en dacht een moment na. Koning Hayam Wuruk, de vorst van het machtige rijk Majapahit, vroeg om de hand van zijn dochter. Hun rijken zouden aan elkaar verbonden worden en hun nageslacht zou machtig en roemrijk zijn. Welk een geluk was hem ten deel gevallen.

    Hij sprak: "Is het werkelijk zo dat uw vorst er zozeer naar verlangt mijn dochter tot vrouw te hebben, terwijl hij haar toch nooit heeft ontmoet? Is het niet slechts een gerucht, een vluchtige schim, waaraan hij zijn hart verloren heeft?" "Nee, Heer," sprak de patih, "het is werkelijk zo dat mijn vorst kwijnend van verlangen zijn dagen doorbrengt en niets kan hem genezen, behalve een huwelijk met uw dochter."

    Hiermee werd de audiëntie besloten en de vorst trok zich terug om te overleggen met zijn vrouw. Zij gingen naar het vrouwen verblijf, waar de prinses zich bevond en vertelden haar van het aanzoek van de machtigste koning van Java. De koningin was enthousiast en de koning zei: "Lieve kind, we zullen altijd van je blijven houden, al ben je nog zo ver bij ons vandaan. Want een vorst uit een ver land heeft om jouw hand gevraagd. Hij is jong, rijk en machtig en jij zult zijn eerste vrouw worden. Jullie nageslacht zal machtig en roemrijk zijn!" En in geuren en kleuren beschreven de beide ouders de luister van het rijk Majapahit en de knappe, jonge koning, die er regeerde. De prinses luisterde en zweeg, terwijl de glans van haar gelaat verdween, als de gloed van de maan, die verdwijnt achter een wolkensluier. Moest ze nu haar ouders gaan verlaten? Als een bloem, geknakt door een hand die haar plukt, zat ze roerloos te luisteren, terwijl de juwelen om haar hals schitterden bij elke ademtocht.

    Toen haar ouders ten slotte waren uitgesproken, vouwde zij haar handen tot een eerbiedige sembah en sprak met zachte stem; "Mijn geëerde vader en moeder, als u het zo wilt, dan zal het zo geschieden." En verheugd liet de koning alles in gereedheid brengen.

    De volgende morgen werd het schip van patih Madu rijkelijk voorzien van proviand voor de terugreis. De koning van Sunda ontbood hem en deelde hem mee, dat hij zeer vereerd was en dat hij het verzoek van koning Hayam Wuruk aanvaardde. Hij zou met zijn vrouw en dochter naar Majapahit reizen, alwaar koning Hayam Wuruk de bruidsstoet zou moeten verwelkomen. Hij gaf geen brief mee, want hij zou direct alles in gereedheid laten brengen voor het vertrek. Patih Madu groette de vorst eerbiedig en haastte zich naar zijn schip. De wind blies in de zeilen en Patih Madu spoedde zich met zijn gevolg naar de kraton van Majapahit om het heuglijke nieuws over te brengen.

    Ondertussen liet de koning van Sunda alle voorbereidingen treffen voor het vertrek van de bruidsstoet. Dat nam enige tijd in beslag, maar toen dan eindelijk alles gereed was, begaf de vorst zich met zijn vrouw en dochter naar de haven. Bedienden, soldaten en hovelingen begeleidden hen.

    Het was overweldigend; er lagen meer dan tweehonderd schepen en elk schip was schitterend versierd met goud en zijde. Tweeduizend prauwen lagen op het strand keurig naast elkaar en het mooist van alle schepen was het schip van de koning. Het was een prachtige jonk, versierd met zijden vaandels en masten van goud. Het was het grootste en mooiste van alle schepen, maar de mensen waren niet blij toen ze het zagen. Waarom had de koning voor een jonk gekozen, terwijl toch iedereen wist dat met zo`n schip een oorlog begonnen was die heel slecht afgelopen was. Maar niemand sprak, uit angst om de koning te beledigen en bovendien was het een heel mooi schip, dat vast veel indruk zou maken. De koning bekeek tevreden zijn vloot, maar toen hij de haven naderde zag hij iets wat hij nog nooit had gezien en wat hem plotseling stil deed staan. De golven waren donkerrood van het bloed. Tientallen kraaien cirkelden krassend boven het water, terwijl ze onophoudelijk bloed spuwden.

    De koning was verbijsterd. Was dit echt of slechts zinsbegoocheling? Wat betekende dit? Plots herinnerde hij zich een oude voorspelling; een lid van het Sundaase koningshuis zou een verschrikkelijk lot beschoren zijn. Met angst in zijn hart keek hij naar zijn dochter. Ze zou trouwen met de machtigste vorst van Java. Was dit een slecht teken? Maar hij had zijn woord reeds gegeven, hij kon er niet meer op terugkomen. Maar ach, wie weet, de voorspelling was al zo lang geleden gedaan, misschien had hij iets van zijn kracht verloren. Dus begaf de koning zich naar zijn schip en de koningin en de prinses volgden hem. Kalm zeilde de vloot uit; tweehonderd grote schepen voorde koning en zijn hofhouding voorop, gevolgd door tweeduizend prauwen. En terwijl de gamelan speelde, wierp iedereen, hovelingen, militairen en de hooggeplaatste, rijke burgers, een laatste blik op de kust. Het was alsof zij afscheid namen van hun geliefde land, terwijl de wind blies en de schepen naar het machtige rijk Majapahit voerde.

    Ondertussen was patih Madu reeds in Majapahit gearriveerd en hij spoedde zich naar de kraton om de boodschap van de koning van Sunda over te brengen. Koning Hayam Wuruk was juist in gesprek met zijn ooms, de koning van Daha en de koning van Kuripan, toen de komst van patih Madu gemeld werd. "Laat hem binnentreden," sprak Hayam Wuruk en de patih verscheen. Eerbiedig groette hij de vorst en begon te spreken.
    De jonge koning was verheugd toen hij vernam dat de vorst van Sunda zijn toestemming tot een huwelijk met de prinses had gegeven.

    "De vorst van Sunda is op weg hierheen. Hij verwacht u na zijn aankomst in het gastenverblijf. Hij komt persoonlijk zijn dochter brengen, hij is zeer verheugd dat het oude koningshuis van Sunda verbonden zal worden aan het koningshuis van Majapahit," zei patih Madu. Onmiddellijk liet de jonge koning alles in gereedheid brengen voor het grootse bruiloftsfeest. De kraton werd versierd, karbouwen en runderen werden geslacht voor het feestmaal. Afgezanten uit omringende landen brachten geschenken en de havenmeester had het er druk mee, want er leek geen einde te komen aan de stroom met schepen die passagiers en geschenken brachten. Hayam Wuruk en zijn ooms zochten met zorg hun mooiste kaïns (gebatikte doeken) en hun kostbaarste krissen van goud ingelegd met edelstenen.

    Tien dagen nadat de vorst Sunda had verlaten arriveerde de vloot in de haven van Bubat, aan de monding van de Brantas-rivier. Het volk bewonderde het grote aantal schitterend versierde schepen uit het verre land Sunda. Zoiets hadden ze nog nooit gezien. Ze raakten niet uitgekeken.

    Het hoofd van Bubat haastte zich naar de kraton om de aankomst van de bruiloftsstoet te melden. Nadat hij de vorst eerbiedig had begroet begon hij te vertellen. Het was een enorme vloot, schepen en nog eens schepen, zover het oog reikte en elk schip was prachtig versierd, maar het mooist was de jonk van de koning met masten van goud en vaandels van zijde. De stoet was verder stroomopwaarts aan land gegaan en verbleef in het gastenverblijf van de koning. Onder de bomen wapperden de vaandels in lange rijen. De koning van Sunda werd begeleid door heldhaftige soldaten en beeldschone vrouwen, maar de prinses was de mooiste van allen. Hayam Wuruk was buitengewoon verheugd en liet zich in zijn kostbaarste kledij steken, evenals zijn ooms. Ze zouden zo snel mogelijk de vorstelijke familie uit Sunda tegemoet gaan. Maar er was een man, die zich afzijdig leek te houden en met een verstoord gelaat de bedrijvigheid gadesloeg: Gajah Madah, de rechterhand van de koning.

    De mantri`s en bupati`s in de zaal keken naar hem en vroegen zich verwonderd af, waarom patih Gajah Madah niet ingenomen leek te zijn met wat er te gebeuren stond. Was hij het niet eens met dit huwelijk? Niemand sprak een woord, toen Gajah Madah statig naar voren schreed, want de patih was een zeer machtig man. Gajah Madah maakte een sembah voor de vorst en sprak:"Vergeef mij. Majesteit, sta mij toe nu het woord te nemen. Het is niet dat ik tegen uw bevel zal handelen of omdat ik mij niet met u verheug op dit huwelijk, maar ik kan niet langer zwijgen.

    Vergeef mij duizendmaal, mijn vorst, maar denk na voordat u vertrekt naar het gastenverblijf om de koning van Sunda te verwelkomen. De wens van deze vorst is niet in overeenstemming met de normale gang van zaken in uw land." "Wat bedoel je daarmee, Gajah Madah?" vroeg Hayam Wuruk. "Vergeef mij. Majesteit, ik begrijp dat uw vreugde groot is, maar ik vraag nog vier of vijf dagen te wachten zodat u er nog eens goed over kunt nadenken. Uw macht en het aanzien van uw koninkrijk zijn hier in het geding. De grootsheid van Majapahit mag niet verbleken. Nu eren alle vorsten u, maar straks. Maar vergeef mij, Majesteit, het zij uw wil." Hayam Wuruk boog het hoofd en zweeg, terwijl hij de woorden van zijn patih overdacht. Misschien had Gajah Madah wel gelijk. Hij was immers de machtigste vorst van Java en die kon niet zomaar afdalen naar een mindere vorst. Maar ja, hij wilde toch zo graag trouwen met de prinses. Och, de prinses, ze was zo mooi en zo geschikt om zijn vrouw te worden. "Zeg mij dan, Gajah Madah, wat is het dat je vreest?" vroeg hij.

    "Een vorst zo machtig als u met een rijk zo machtig als Majapahit heeft niets te vrezen, maar voorzichtigheid is geboden in deze kwestie. U kunt onmogelijk zoveel eer bewijzen aan een mindere vorst als de koning van Sunda, die in de verste verte uw gelijke niet is. Vertrouwt u hem echt? Weet u zeker dat hij zichzelf niet zal zien als uw gelijke?" antwoordde Gajah Madah.

    Dat was waar, besefte Hayam Wuruk, zijn macht en aanzien mochten niet verbleken. Misschien was het wel verstandiger om het nog even uit te stellen, dan kon hij er nog wat over nadenken. Wie weet wat de koning van Sunda van plan was. Wie dacht hij wel dat hij was, dat hij hem, de vorst van Majapahit, dacht te kunnen ontbieden!

    Hayam Wuruk zag af van zijn voornemen om naar het gastenverblijf te gaan en verbood iedereen om ook maar een stap in die richting te doen. De vreugde was verdwenen, men was teleurgesteld, maar niemand sprak een woord, want de wil van de vorst is wet. Al zou dit een dodelijke belediging zijn voor de koning van Sunda.

    Ondertussen wachtte de koning van Sunda in het gastenverblijf op de komst van zijn aanstaande schoonzoon. Dag na dag verstreek, maar niemand kwam. Toen vernam hij het gerucht dat de patih Gajah Madah de jonge koning van gedachten had doen veranderen. De vorst zou niet van plan zijn om naar het gastenverblijf te komen.
    De vorst vond dit een grove belediging en hij stuurde onmiddellijk enkele afgezanten naar het verblijf van Gajah Madah om uit te vinden wat er waar was van dit gerucht.
    Aangekomen bij het verblijf van de patih traden de afgezanten van de koning ongevraagd naderbij en wachtten enige tijd, want Gajah Madah negeerde zijn gasten, omdat hij onaangenaam verrast was door dit onaangekondigde bezoek. Toen men ten slotte ook tevergeefs toestemming had gevraagd om binnen te treden, liepen de afgezanten ongevraagd naar binnen. Gajah Madah was juist in gesprek met enkele gasten en zijn leraar, toen de vreemdelingen plots voor hem stonden.

    Hij keek op en zei: "Aha, daar zijn enkele van onze langverwachte gasten, als ik mij niet vergis. Waarom komt u nu pas? En wat is uw rang, u hebt zich immers nog niet aan mij voorgesteld." Een man uit het Sundase gezelschap nam het woord: "Ik ben patih Anepaken, deze mannen hier zijn de demang van Caho, Tumengung Penghulu Borang en patih Pitar, de patih van prinses Galuh." Gajah Madah glimlachte en zei: Nu, dus u bent allen edellieden en toch kent u geen manieren. U komt hier zomaar onaangekondigd en zonder toestemming binnenlopen. Is dat uw gewoonte?" "U hoeft ons niets te verwijten," sprak patih Anepaken. "Integendeel, ik denk dat u niet weet hoe het hoort, wij hebben lang gewacht op een afvaardiging uit Majapahit, maar vergeefs en daarom ben ik nu gekomen want wij hebben een gerucht vernomen omtrent u." En hij voegde eraan toe dat er nu wel spoedig een stoet uit Majapahit moest komen, want de vorst van Sunda wilde de zaak zo spoedig mogelijk regelen. Patih Gajah Madah glimlachte fijntjes en zei: "Nu is het mij duidelijk dat u in het geheel niet weet hoe het hoort. Of wist u nog niet dat alle vorsten hun eer komen bewijzen aan koning Hayam Wuruk? En wist u niet dat zij hem de kostbaarste geschenken aanbieden om gunsten te verwerven? Ik raad u aan net zo te handelen en het kostbaarste wat uw koning bezit, de schone prinses, aan mijn vorst aan te bieden."
    De afgezanten waren woedend, hun koning was nog nooit zo beledigd. De koning van Sunda was de afstammeling van een lange reeks vorsten en het koninkrijk Sunda was niet onderworpen aan Majapahit, want er was nooit een oorlog tegen dat rijk verloren.
    "Gajah Madah, u bent hoogmoedig en slecht, want u vergeldt goed met kwaad! Onze vorst is hier gekomen met goede bedoelingen en u schept er behagen in om hem te beledigen!" riepen ze uit. Gajah Madah trilde van woede en zag rood tot achter zijn oren: "Ik laat het aan uw vorst over. Hij kan doen zoals mijn vorst het wil en zo niet, dan zult u uw legers in gereedheid moeten brengen voor de strijd!"

    "Wij zijn in het geheel niet bang voor u," spraken de afgezanten uit Sunda kalm en ze maakten aanstalten om te vertrekken. Trillend stond Gajah Madah op en riep met luide stem de troepen op om zich in gereedheid te brengen voor het afslachten van de Sundanen.

    Zijn oude leraar, Pandita Asmaranatha, maande hem tot kalmte: "Mijn zoon, het is niet goed wanneer men zijn driften volgt, want wie van haat vervuld is, zal zijn straf niet ontlopen!" En hij verzocht de gasten om zich niet gekwetst te voelen. Was het ook niet zo dat de vorst van Sunda alleen maar was gekomen om zich aan zijn woord te houden? Maar zijn oproep was vergeefse moeite, de patihs konden het niet eens worden.
    De afgezanten keerden terug naar de koning van Sunda.

    Toen deze het nieuws vernam, was hij verwonderd. Waarom koesterde men achterdocht jegens hem? Maar toen zijn afgezanten hem vertelden dat patih Gajah Madah had voorgesteld om de prinses als geschenk aan de vorst aan te bieden, werd de koning van Sunda woedend. Zijn dochter een adellijke slavin? Nooit van zijn levensdagen! Hij voelde zich bedrogen en was diep teleurgesteld. Waarom hield de koning van Majapahit zich niet aan zijn woord? Nu moest hij, als onafhankelijk vorst, de eer van zijn koningshuis verdedigen, dat was hij verplicht. Zijn hovelingen sloten zich bij hem aan, want ook zij waren bereid om voor de eer van hun vorst te sterven. Terwijl de legers in staat van paraatheid werden gebracht, lichtte de koning zijn vrouw en dochter in over de afschuwelijke wending die deze zaak had genomen. Hij smeekte hen om onmiddellijk terug te keren naar Sunda: "Ik moet mijn plicht vervullen, maar ik wil dat jullie in veiligheid zijn. Mijn lieve vrouw, vrees niet. Het is een zware beproeving en misschien zullen wij elkaar niet weerzien. Beloof mij, mijn lief, om goed voor mijn dochter te zorgen. Ga naar het schip, morgen moet je vertrekken." Maar de koningin weigerde, met tranen in de ogen. Als vrouw van een strijder was zij verplicht om haar man in de dood te volgen. Zelfs als hij in de strijd zou moeten sterven, mocht zij niet van zijn zijde wijken.

    De prinses begon zacht te spreken: "Mijn vader en moeder, die ik liefheb, ik zal u niet verlaten. Bestaat er in de wereld een zonde, die zwaarder is dan deze? Hoe kan een kind zijn ouders verlaten in het moeilijkste uur? Deze strijd wordt om mijnentwille gevoerd en daarom zal ik u niet kunnen verlaten." Diep ontroerd boog de koning van Sunda het hoofd.
    De dag brak aan en het was een dag anders dan andere dagen, want dit was de dag van de strijd. Het leger van Sunda was klein, maar de soldaten waren moedig en vastbesloten. Goud, metaal en edelstenen glinsterden in het zonlicht. En zij bewogen zich voort met de vastberadenheid van strijders, die trouw zijn aan hun vorst.

    Het leger van Majapahit was groot. Zover het oog reikte zag je soldaten met pieken en schilden die schitterden in het licht van de zon. Na de soldaten kwamen de prachtig uitgedoste mannen van hogere rangen en op enige afstand kwamen de hovelingen.
    Patih Gajah Madah was gehuld in schitterende kledij en droeg zijn gouden kris, waarvan de schede was bezet met diamanten, die flonkerden in het zonlicht. Koning Hayam Wuruk werd begeleid door zijn twee ooms en hij was een god gelijk, sierlijk en krachtig. Toen de legers elkaar ontmoetten, barstte er een donderend geweld los van kletterende zwaarden en pieken. Mannen die werden doorstoken schreeuwden van pijn en het bloed vloeide rijkelijk tot de grond ermee verzadigd was. Eenheid na eenheid trok tegen elkaar op, soldaten vluchtten, joegen elkaar op, en in hun angst trapten zij op gewonden en doden, die weerloos op de grond lagen.

    In een vreselijk gevecht ontmoetten patih Anepaken en Gajah Madah elkaar. Gajah Madah vocht verbeten en hij was sterker, maar patih Anepaken weerde zich moedig tot het eind.

    De koning van Sunda was in een gevecht gewikkeld met de ooms van Hayam Wuruk. Zijn mannen vochten als leeuwen maar waren aan de verliezende hand en toen de koning van Sunda sneuvelde, waren de weinigen die nog overeind stonden radeloos. Hun vorst was dood! Patih Pitar lag tussen de gesneuvelden en de gewonden, want ook hij was gewond geraakt, maar hij had zich weten te redden door zich dood te houden. Hij besefte dat de oorlog verloren was en krabbelde moeizaam overeind. Bedroefd om het verlies van zijn geliefde vorst begaf hij zich naar de legeraanvoerder van Majapahit om de nederlaag officieel te erkennen. Sunda was onderworpen. Hij kreeg toestemming om de koningin en de prinses de vreselijke afloop van de strijd mee te delen en hij begaf zich naar het gastenverblijf, waar de vrouwen bijeen zaten. De koningin was diep bedroefd, maar zij behield haar waardigheid. Toen patih Pitar haar smeekte om met de prinses onmiddellijk terug te keren naar Sunda, weigerde ze. Ze wist wat haar te doen stond. En ook de prinses wilde niet teruggaan. De vrouwen maakten zich gereed om naar het slagveld te gaan om daar een eind te maken aan hun leven. De koningin zat bij de prinses, die treurde om de dood van haarvader. "Mijn lieve moeder, het is tijd," zei ze met zachte stem en de koningin knikte. "Mijn lieve kind, luister, als jij straks meegaat naar het slagveld, zullen ze misschien proberen te verhinderen dat je je vader volgt en je tot een adellijke slavin te maken. Het is beter dat je mij voorgaat. Vraag je vader op mij te wachten." De prinses gehoorzaamde. Ze maakte zich gereed, stilzwijgend en met haar zijden lokken los over haar schouders. Ze nam de kris uit de schede en hief het wapen op voor haar borst. Het was doodstil en de ogen van de prinses flonkerden diepzwart. Een moment later doofden sterren en maan aan de hemel en zeeg de schone prinses neer... De vrouwen van de koning en hovelingen gingen naar het slagveld en zochten de lijken van hun overleden echtgenoten op. Het slagveld was overdekt met lichamen in een zee van bloed. Iedereen die het zag huiverde. De vrouwen schreden moedig voort, zoekend naar hun echtgenoten en hielden stil als zij hen gevonden hadden. De koningin stond bij het lichaam van haar man en vouwde haar handen tot een eerbiedige sembah en prevelde enkele woorden tot hem. En terwijl ze sprak nam ze de kris uit de schede. Haar haren hingen los over haar schouders. Ze zweeg en hief de kris op. Toen dreef zij de kris in haar borst en zeeg levenloos neer over het lichaam van haar man. De tweede vrouw van de koning doorstak zich na haar en ten slotte volgden alle andere vrouwen. Hayam Wuruk zocht. Hij zocht op het slagveld naar de prinses. Waar lag haar lichaam? En terwijl hij zocht tussen de doden dacht hij na over de gebeurtenissen. Het had zo mooi moeten worden... Hij dacht aan zijn bruid. Hoe lang had hij niet naar haar moeten zoeken? En hoe blij was hij geweest toen hij haar eindelijk had gevonden! Maar nu, nu was hij haar kwijt, Hij voelde een steek in zijn hart. Had hij maar nooit geluisterd! En hij zocht verder tot hij in elke uithoek van het slagveld geweest was, maar de prinses vond hij niet.

    Als ze hier niet was, dan zou ze misschien nog leven. Hij haastte zich zo snel hij kon naar het gastenverblijf. Hij zou haar toch nog tot zijn vrouw kunnen maken! Hij trad binnen en zocht alle vertrekken af. En toen zag hij haar.

    Tranen welden op in zijn ogen. Wat was ze mooi, zijn Ratih... Ze was nog mooier dan het portret waaraan hij zijn hart verloren had. En hij dwaalde wederom door tuinen vol met bloemen en werd bedwelmd door zoete geuren. Maar toen drong de geur van bloed tot hem door en toen hij nog eens naar de prinses keek zag hij dat de maan en de sterren hun licht hadden verloren. Er was niets dan een nachtzwarte hemel waarin hij staarde.

    De daaropvolgende periode werd beheerst door de drukte rond de crematieplechtigheden voor de vele doden, maar toen dat alles voorbij was en de rust was weergekeerd zat de jonge koning op zijn troon, gekweld door de vreselijkste gedachten. Hij at niet meer, lachte niet meer, en sprak nog nauwelijks. Zijn ooms maakten zich zorgen om hem, maar hun neef had nog maar één wens. Hij wilde niets liever dan spoedig sterven om de prinses te volgen en voor eeuwig bij haar te kunnen zijn. En hoe iedereen zich ook inspande om het hem naar de zin te maken, de jonge koning had zijn levensvreugde verloren. Niet lang daarna stierf hij. De koning van Daha en de koning van Kuripan verlieten Majapahit en hun verdrietige herinneringen.

    Ja, ze zijn er nog achter gekomen dat patih Gajah Madah de aanstichter was van het kwaad en ze hebben alles in het werk gesteld om hem te straffen. Het verblijf van de patih werd omsingeld en geen mens kon er ongezien in of uit, maar toen ze binnenkwamen was er niemand te bekennen. Waar de patih was? Naar men zegt was hij een incarnatie van de god Wishnu en is hij teruggekeerd naar het hemelrijk. In ieder geval heeft niemand hem ooit nog gezien...



    08-11-2010 om 00:00 geschreven door Felix1  

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 0/5 - (0 Stemmen)
    » Reageer (0)
    05-11-2010
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.De geschiedenis van vrouwe Ren
    De geschiedenis van vrouwe Ren



    Er leefde eens een zekere prefect Wei. Zijn eigennaam was Yin en hij was de negende van zijn generatie. Hij was de zoon van een dochter van (Li) Wei, de prins van Xinan. In zijn jeugd leidde hij een ongebonden leven, hij dronk stevig. De echtgenoot van een van de dochters van zijn vaders jongere broer heette Zheng, de zesde. Diens eigennaam herinner ik me niet. Zheng had van jongs af aan de wapenhandel beoefend, dronk ook stevig en had belangstelling voor de vrouwtjes. Hij was arm en zonder familie en daarom werd hij onderhouden door de familie van zijn echtgenote. Hij kon bijzonder goed opschieten met Yin en waar wat te genieten was waren ze onafscheidelijk.

    Eens, in de zesde maand, in de zomer van het negende jaar van de Tianbao-periode (742-755), reden Yin en Zheng samen over de straten van Changan, op weg naar een feestelijke maaltijd in de Xinchang-wijk. Toen zij bij de zuidpoort van de Xuanping-wijk aankwamen, zei Zheng dat hij nog wat te doen had en hij stelde voor dat ze uiteen zouden gaan en dat hij wat later naar het feest zou komen. Yin ging op zijn schimmel in de oostelijke richting, en Zheng ging op zijn ezel naar het zuiden, de noordpoort van de Sheng-ping-wijk in. Toevallig kwam hij daar drie vrouwen tegen die op de straat liepen. Daarbij was er een die in het wit was gekleed en er knap uitzag. Toen hij haar zag was Zheng op slag verliefd, hij spoorde zijn ezel aan en nu eens reed hij voor haar uit, dan weer achter haar aan; hij wilde haar wel aanspreken, maar kon de moed nog niet opbrengen. Zij in het wit wierp voortdurend steelse blikken naar hem en maakte geen afwijzende indruk, zodat Zheng schertsend zei: 'Waarom gaat zo'n schoonheid als u toch nog te voet?' Zij in het wit zei lachend: 'Wat kunnen we anders doen dan te voet gaan, wanneer mensen met een rijdier niet het benul hebben dat aan ons te lenen?' Zheng zei: 'Mijn kreupel beest is het niet waard u te dragen maar ik zal het u terstond aanbieden. Mi j is het genoeg als ik u lopende mag volgen.' Ze keken elkaar aan en barstten in schaterlachen uit. De vrouwen die haar vergezelden waren nog aanmoedigender zodat ze al spoedig heel gemeenzaam met elkaar omgingen.

    Zheng volgde hen in oostelijke richting. Toen ze bij het park aankwamen was de schemering al gevallen. Hij zag een woning, met daar omheen een aarden wal met een grote poort; de gebouwen daarachter waren bijzonder indrukwekkend. Voordat zij in het wit naar binnen ging, keek ze om en zei: 'Blijf hier even wachten.' Een van haar dienaressen bleef ook staan tussen de poort en de geestenmuur daarachter en vroeg hem hoe hij heette en de hoeveelste hij was van zijn generatie. Nadat Zheng haar dat had verteld stelde hij haar dezelfde vragen over de vrouw in het wit en kreeg ten antwoord: 'Haar familienaam is Ren, ze is de twintigste.' Even later werd hij binnen genood. Zheng bond zijn ezel vast aan de poort en legde zijn kap op het zadel. Toen pas zag hij een vrouw van over de dertig die hem ter verwelkoming tegemoet kwam: de zuster van vrouwe Ren. De kaarsen waren ontstoken en spijzen werden aangedragen, en herhaaldelijk dronk ze hem toe. Ook vrouwe Ren die zich had verkleed kwam binnen en ze dronken vrolijk naar hartelust. Diep in de nacht gingen ze naar bed: haar schone figuur en haar mooie uiterlijk, haar zingen en lachen, haar houding en gebaren, haar doen en laten - alles was prachtig, bijna niet van deze wereld! Toen de dag aan zou breken zei vrouwe Ren: 'Je moet nu weggaan. Mijn broers vallen onder de Intendance voor Vermakelijkheden ten Hove en hun werkzaamheden ressorteren onder het Zuiderbureau. Nu het ochtend wordt zullen ze spoedig het Paleis verlaten. Je kunt hier niet blijven talmen.' Nadat ze een volgende ontmoeting hadden afgesproken, ging hij weg.

    Nadat hij was vertrokken kwam hij bij de poort van de wijk. De poort was nog gesloten. Naast de poort was de zaak van een vreemdeling die koeken verkocht en die juist bezig was de lantaarns uit te hangen en het vuur aan te maken. Zheng ging onder het deurgordijn zitten om te wachten op het signaal van de ochtendtrom. Hij raakte met de baas in gesprek. Hij wees in de richting van het huis waar hij had overnacht en vroeg: 'Van wie is die woning met die aarden wal eromheen en die grote poort?' De baas zei: 'Dat is een wrakke muur rond een braak stuk land, daar staat geen woning.' Zheng zei: 'Ik ben er zoeven langsgekomen! Waarom zeg je dan dat er niets is?' Toen hij koppig vol bleef houden kreeg de baas het pas door, waarop hij zei: 'O, ik begrijp het al! Daar woont een moervos die dikwijls mannen verleidt om samen met haar de nacht door te brengen. Ze heeft zich al een paar keer vertoond. Hebt u haar nu soms ook ontmoet?' Zheng bloosde en hield het voor hem verborgen door te zeggen: 'Geen sprake van!'

    Toen het licht was geworden ging hij de plaats opnieuw bekijken: de lemen wal en de grote poort waren onveranderd, maar toen hij naar binnen gluurde ontwaarde hij slechts woeste doornstruiken en verwilderde tuinen. Nadat hij naar huis was teruggekeerd zocht hij Yin op die hem verweet dat hij hun afspraak niet was nagekomen. Zheng wilde zijn geheim niet prijsgeven en antwoordde hem met een of andere smoes. Maar hij dacht steeds aan Rens prachtige schoonheid en wilde haar nogmaals ontmoeten; zijn gedachten waren steeds bij haar.

    Ruim tien dagen later zwierf Zheng wat rond en hij kwam bij de kledingkramen van de Westmarkt. Plotseling werd hij vrouwe Ren gewaar. Haar dienaressen van destijds waren bij haar. Meteen riep Zheng haar aan, maar vrouwe Ren draaide zich om, de menigte in, om hem te ontlopen. Zheng bleef naar haar roepen en kwam haar achterna tot hij vlakbij was. Terwijl ze met haar rug naar hem toestond en haar waaier ter bescherming achter zich hield zei ze: 'Waarom zoekt u contact nu u het weet?' Zheng zei: 'Ook al weet ik het, wat maakt dat uit?' Ze antwoordde hem: 'Ik schaam me zo, ik durf u niet onder ogen te komen!' Zheng zei: 'Ik heb zo naar je verlangd! Ben je zo hardvochtig om mij te verstoten?' Zij antwoordde: 'Hoe zou ik u durven verstoten? Ik was alleen bang dat u me zou verafschuwen.' Zheng zwoer haar een eed en zijn woorden waren bijzonder oprecht. Daarop keek vrouwe Ren om en verwijderde haar waaier: haar schitterende schoonheid was als de eerste keer. Ze zei tegen Zheng: 'Vrouwen zoals ik zijn er op aarde genoeg, u kent ze alleen maar niet. U hoeft zich niet zo te verbazen!' Zheng vroeg haar opnieuw haar bed met hem te delen en zij antwoordde: 'Ons soort wordt in het algemeen om geen andere reden door de mensen gehaat dan dat wij hen van hun levenskrachten beroven. Ik alleen ben anders. Als u mij niet verafschuwt wil ik u tot het einde van mijn leven als uw dienstmeid dienen!' Zheng beloofde haar dat hij uit zou zoeken hoe ze konden gaan samenwonen. Vrouwe Ren zei: 'Als u hiervandaan in oostelijke richting gaat, komt u bij een huis waar een grote boom uitsteekt boven de daken; dat ligt erg rustig, dat moet u gaan huren. De man die destijds vanaf de zuidpoort van de Xuanping-wijk op zijn schimmel in de oostelijke richting reed, was dat niet de neef van uw vrouw? Hij heeft thuis heel veel huisraad en meubels, daar kunt u wel wat van lenen.' Op dat moment vervulden namelijk Yins ooms posten in alle windstreken en het huisraad en de meubels van drie families waren allemaal bij hem opgeslagen.

    Zheng volgde haar aanwijzingen en vond het huis. Toen ging hij naar Yin om huisraad en meubels te lenen. Die vroeg hem waarvoor hij dat nodig had. Zheng zei: 'Ik heb me kortgeleden een schoonheid verschalkt! Ik heb al een huis voor haar gehuurd en ik wou de spullen daarvoor lenen.' Yin zei lachend: 'Als ik op jouw portret afga, moet dat wel een lelijk misbaksel zijn. Het zal me een schoonheid zijn!' Yin leende hem alles wat hij nodig had aan klamboes en gordijnen, banken en matten, maar liet zijn schranderste knecht met hem meegaan om haar heimelijk te bekijken. Even later kwam die hollend terug om te rapporteren, hijgend en onder het zweet. Yin ging hem tegemoet en vroeg hem: 'Is het waar?' Hij vroeg verder: 'Hoe ziet ze eruit?' 'Het is ongelooflijk! Op de hele wereld is nog nooit zoiets gezien!' Yins vrouwelijke verwanten waren zeer talrijk en de knecht vergezelde hem steeds op zijn uitstapjes, zodat hij heel wat schoonheden kende. Daarop vroeg Yin hem: 'Zus en zo zal toch wel mooier zijn?' De knecht zei: 'Die is niet van haar klasse!' Yin somde vier of vijf knappe vrouwen op ter vergelijking, maar in alle gevallen zei de knecht: 'Die is niet van haar klasse!' De zesde dochter van de toenmalige prins van Wu was een schoonzusje van Yin; door haar overweldigende pracht leek ze wel een goddelijke fee. Toen Yin vroeg: 'Maar de zesde dochter van de prins van Wu zal toch wel mooier zijn?' was het antwoord weer: 'Die is niet van haar klasse!' Yin klapte in de handen van verbazing en zei: 'Hoe zou er op de wereld zo iemand kunnen bestaan?' Prompt beval hij water te putten en zijn nek te wassen, en nadat hij zijn kap had opgezet en zijn lippen had ingevet ging hij erheen.

    Toen hij daar aankwam was Zheng toevallig afwezig. Yin ging de poort binnen. Op de binnenplaats zag hij een knechtje dat aan het vegen was en er was een dienares bij de poort, maar verder was er niemand te zien. Yin vroeg het knechtje naar de beeldschone vrouw, maar de jongen zei lachend: 'Die is er niet!' Toen Yin overal in de kamer rondkeek zag hij een rode rok onder de deur uitsteken, en toen ontdekte hij dat vrouwe Ren zich had verborgen achter de deur. Yin trok haar daarachter vandaan en bekeek haar in het volle licht; ze overtrof zo mogelijk nog wat hem was verteld! Yin werd gek van begeerte naar haar, hij sloeg zijn armen om haar heen en wilde haar aanranden, maar ze verzette zich. Yin hield haar met geweld in bedwang en toen ze geen uitweg meer had, zei ze: 'Ik zal me niet meer verzetten, maar laat me even bekomen!' Nadat hij haar had losgelaten verweerde ze zich weer als eerst. Zo ging dat een aantal keren. Daarop greep Yin haar met inspanning van al zijn krachten beet. Vrouwe Rens krachten waren uitgeput, het zweet stroomde tappelings over haar gezicht. In het besef dat er geen ontkomen aan zou zijn, liet ze haar lichaam verslappen en bood niet langer weerstand, maar haar gelaatsuitdrukking werd triest.

    Yin vroeg haar: 'Waarom zet je zo'n misnoegd gezicht?' Vrouwe Ren zei met een diepe zucht: 'Hoe meelijwekkend is toch Zheng!' Yin zei: 'Wat bedoel je daarmee?' Zij antwoordde: 'Zo groot en sterk als Zheng is, is hij niet in staat één vrouw te beschermen - zo is men toch geen kerel? Maar u bent jong en machtig en rijk, u bezit vele schoonheden en u hebt talrijke vrouwen van mijn soort ontmoet. Zheng daarentegen is arm en onaanzienlijk. Ik ben de enige die hij als zijn hartsvriendin heeft. Bent u zo hardvochtig dat u in het bewustzijn van uw overvloed een ander zijn schamel bezit ontneemt? Ik heb medelijden met hem omdat hij zo arm en behoeftig is en omdat hij niet in eigen levensonderhoud kan voorzien, uw kleren moet dragen, uw voedsel moet eten, en daarom door u als vuil wordt behandeld. Had hij slechts zijn eigen kaf om zich te voeden, dan zou het niet zover gekomen zijn!'

    Yin was een nobel man met een krachtig rechtsgevoel; zodra hij haar woorden hoorde liet hij haar gaan, trok zijn kleren recht en verontschuldigde zich: 'Hoe zou ik durven?' Even later kwam Zheng eraan, hij begroette Yin en beiden lachten blij.

    Vanaf dat moment droeg Yin zorg voor alles wat vrouwe Ren nodig had aan brandhout en graan, aan vlees en rijst. Vrouwe Ren had voortdurend bezoek; als ze er zelf op uit ging ging ze soms met een wagen en soms te paard, soms nam ze een draagstoel en soms ging ze te voet, en de plaatsen die ze bezocht wisselden steeds. Yin bracht iedere dag in haar gezelschap door, tot zijn grote vreugde. Ze gingen steeds heel gemeenzaam met elkaar om en kenden niet de minste terughoudendheid, alleen liet ze zich nooit door hem verleiden. Yin beminde haar en schatte haar juist daarom hoog, alles had hij voor haar over en bij elke hap en elke slok was zij in zijn gedachten. Vrouwe Ren besefte hoe Yin haar beminde en daarom zei ze ter verontschuldiging tegen hem: ‘Ik schaam me zo dat ik bovenmate door u word bemind, maar met mijn lelijk figuur ben ik niet waard uw goedheid te vergelden; bovendien kan ik Zheng niet ontrouw zijn. Daarom kan ik uw wensen niet bevredigen. Ik ben afkomstig uit Qin en ben opgegroeid in Qincheng. Ik kom uit een familie van muzikanten en zangeressen en bijna al mijn vrouwelijke familieleden worden gemainteneerd. Daarom ben ik bekend met alle courtisanes van Changan. Mocht er een schoonheid zijn op wie u verliefd bent, maar die u ontsnapt, dan kan ik u die wel bezorgen. Daarmee zou ik uw weldaden willen vergelden.'

    Nu woonde op de Markt de vrouw van een stoffenkoopman, die Vijftiende Dochter Zhang heette. Ze had een bijzonder blanke huid en Yin was al lange tijd verliefd op haar. Daarom vroeg hij vrouwe Ren of zij haar kende. Zij antwoordde: 'Dat is een nichtje van me, die kan ik je gemakkelijk bezorgen.' En na ruim tien dagen bezorgde zij hem haar inderdaad. Na een paar maanden had hij genoeg van haar en stuurde haar weg. Vrouwe Ren zei: 'Zulke vrouwen van kooplieden zijn te gemakkelijk, dat laat niet voldoende mijn kunnen uitkomen. Misschien weet u wel iemand die u heel moeilijk kunt krijgen omdat ze van de buitenwereld afgesloten leeft in vrouwenvertrekken. Noemt u me haar maar eens, dan wil ik daar mijn vernuft op proberen.' Yin zei: 'Een paar dagen terug bij het Koud-Eten-feest bracht ik met een paar vrienden een bezoek aan het Duizend-Zegeningen-Klooster. Daar liet generaal Diao Mian zijn orkest spelen in de hoofdhal. Daarbij was een meisje dat uitstekend orgelfluit speelde, ze was zestien, haar beide knoetjes hingen voor haar oren en haar lieve figuurtje was allerprachtigst! Je zult haar toch wel kennen?' Vrouwe Ren zei: 'Dat is Chongnu. Haar moeder is een nicht van me. Daar kan ik wel achterheen gaan.' Yin knielde voor haar mat en vrouwe Ren beloofde het hem.

    Daarop bezocht ze regelmatig de woning van Diao. Na ruim een maand vroeg Yin haar met aandrang hoe haar plannen vorderden. Zij wilde twee rollen zware zij van hem om daarmee iemand om te kopen en Yin verschafte haar die.

    Twee dagen later, juist toen vrouwe Ren met Yin zat te eten, stuurde (Diao) Mian een knecht op een wagen bespannen met twee zwarte paarden om haar op te halen. Toen vrouwe Ren hoorde dat ze werd ontboden, zei ze lachend tegen Yin: 'Het is gelukt!' Daaraan voorafgaande had vrouwe Ren namelijk een ziekte op Chongnu gelegd, waartegen naalden noch medicijnen baatten. Toen haar moeder en (Diao) Mian ten einde raad de hulp hadden ingeroepen van een medium, had vrouwe Ren in het geheim het medium omgekocht, haar gewezen waar ze woonde en haar opgedragen te zeggen dat het gelukbrengend zou zijn dat huis te huren.

    Toen ze de patiënt had onderzocht, zei het medium: 'Het is niet gunstig dat ze in deze woning blijft. Ze moet hier vandaan en daar en daar in het zuidoosten gaan wonen om te profiteren van de lucht daar.' (Diao) Mian vroeg Ren vervolgens of Chongnu bij haar kon logeren. Eerst deed vrouwe Ren alsof ze dat weigerde omdat haar huis te klein en te nauw zou zijn, en pas na lang aandringen stemde ze toe. Vervolgens bracht men Chongnu's kleren en snuisterijen over, en haar moeder vergezelde haar naar vrouwe Ren. Daar aangekomen genas ze van haar ziekte. Binnen een paar dagen had vrouwe Ren heimelijk Yin bij haar gebracht om met haar gemeenschap te hebben. Na een maand bleek ze zwanger, haar moeder werd bang en ging meteen met haar terug opdat ze snel (Diao) Mian in haar bed kon lokken. Daarna had Yin geen enkel contact meer met haar.

    Op een zekere dag zei vrouwe Ren tegen Zheng: 'Kunt u zo'n vijf- of zesduizend duiten bij elkaar brengen? Dan zou ik u een grote winst kunnen laten maken.' Zheng antwoordde bevestigend en leende vervolgens van anderen zesduizend duiten. Vrouwe Ren zei: 'Op de markt is iemand die een paard te koop aanbiedt. Dat paard heeft op zijn dij een knobbel. Dat moet je kopen en vasthouden.'

    Zheng ging naar de markt en zag daar inderdaad een man die een paard bij de teugel leidde dat hij probeerde te verkopen, en het had een gebrek aan zijn linkerdij. Zheng kocht het en nam het mee naar huis. Zijn echtgenote en broers hoonden hem allemaal: 'Dat is waardeloos! Waarom heb je dat beest gekocht?' Korte tijd later zei vrouwe Ren: 'Nu moet u het paard verkopen en u zult er dertigduizend voor vangen.' Zheng ging het daarna te koop aanbieden. Er werd hem twintigduizend geboden, maar Zheng accepteerde dat niet. Iedereen op de hele markt zei: 'Waarom heeft hij het destijds met alle geweld gekocht? En waarom is hij er nu zo op gesteld dat hij het niet verkoopt?' Zheng reed op het paard terug naar huis. De koper volgde hem tot aan de poort en bleef zijn bod verhogen tot hij uiteindelijk vijfentwintigduizend bood. Zheng accepteerde het niet en zei: 'Alleen voor dertigduizend verkoop ik het!' Zijn broers liepen te hoop en scholden hem de huid vol zodat er voor Zheng niets anders opzat dan het toen te verkopen. Toen ze daarna heimelijk de koper volgden en zijn beweegredenen onderzochten, bleek dat een paard met een knobbel op de dij uit de Keizerlijke Stoeterij in het district Zhaoying al drie jaar geleden doodgegaan was zonder dat deze Stoeterijbeambte het op dat moment uit de boeken had laten schrappen. De autoriteiten eisten nu de tegenwaarde en hadden het bedrag gesteld op zestigduizend duiten. Gesteld dat hij nu zo'n paard voor de helft kon kopen, dan maakte hij toch nog grote winst. En als hij met dit paard het geregistreerde aantal vol kon maken, was al het geld voor drie jaren hooi en haver voor deze beambte. Wat hij nu betaalde was toch nog minder en daarom kocht hij Zhengs paard.

    Omdat haar kleren oud en versleten waren vroeg vrouwe Ren ook eens kleren aan Yin. Yin wilde een rol stof voor haar kopen, maar vrouwe Ren wenste dat niet en zei: 'Ik wil door een kleermaker gemaakte kleren.' Yin ontbood de koopman Zhang Da om ze voor haar te laten maken en bracht hem bij vrouwe Ren zodat hij haar kon vragen wat ze wou. Toen Zhang Da haar zag zei hij geschrokken tegen Yin: 'Dit is voorwaar een hemelse fee of een keizerlijke concubine die door u is gestolen, ze is niet iets wat stervelingen mogen hebben! Laat u haar toch zo snel mogelijk terugkeren, zodat het onheil u bespaard blijft!' Zo kon haar schoonheid mensen schokken! Maar waarom ze uiteindelijk door anderen gemaakte kleren kocht en ze niet zelf naaide, begreep niemand.

    Ruim een jaar later kreeg Zheng bij de officiersbenoemingen de functie van doortastend en heldhaftig kolonel in de prefectuur Huaili, met als standplaats het district Jincheng. Zheng had nu eenmaal een echtgenote en hoewel hij zich overdag buitenshuis vermaakte, sliep hij toch 's nachts bij zijn eigen vrouw, en het verdroot hem zeer dat hij niet kon doen wat hij wilde met zijn nachten. Toen hij zijn ambt zou aanvaarden, vroeg hij vrouwe Ren om met hem mee te gaan. Zij wilde niet gaan en zei: 'Zo'n gezamenlijke reis van een maandje of zo is onvoldoende om van te genieten. Wees zo goed me te voorzien van wat ik nodig heb aan graan en vlees, en ik zal hier stil blijven wonen en wachten tot u terugkeert.' Zheng smeekte haar, maar zij volhardde in haar weigering. Zheng vroeg daarom financiële hulp aan Yin. Yin spoorde haar met nog groter aandrang aan mee te gaan en vroeg haar bovendien waarom ze dan niet wilde. Na lang aandringen zei vrouwe Ren: 'Een medium heeft me verteld dat het voor mij dit jaar ongunstig is om een reis in westelijke richting te maken, daarom wil ik niet.' Omdat Zheng volkomen in haar ban was, bekommerde hij zich om niets anders, met Yin barstte hij in schaterlachen uit en zei: 'Waarom laat jij die toch zo schrander bent je door een heks misleiden?' Hij bleef zijn verzoek met klem herhalen. Vrouwe Ren zei: 'Gesteld nu eens dat de woorden van het medium betrouwbaar zouden zijn, wat baat het u dan dat ik om niet voor u sterf?' De twee heren zeiden: 'Hoe zou dat mogelijk zijn?' En ze bleven het verzoek ongewijzigd met aandrang herhalen. Toen er voor vrouwe Ren niets anders opzat, besloot ze te gaan. Yin leende haar een paard en bood hun buiten de stad een afscheidsmaal aan in Lingao, waar ze met hun mouwen wuivend afscheid namen.

    Na twee nachten kwamen ze aan in Mawei. Vrouwe Ren reed te paard voorop en Zheng volgde haar op zijn ezel; haar dienares reed op een ander rijdier weer achter hem. Op dat moment waren de keizerlijke stalknechten van de westpoort juist al een dag of tien in Luochuan bezig met het africhten van de meute. Toevallig kwamen ze die onderweg tegen: de grauwe honden sprongen te voorschijn uit het gras. Zheng zag hoe vrouwe Ren zich op slag op de grond liet vallen, haar oorspronkelijke gedaante aannam en in zuidelijke richting vluchtte, nagejaagd door de grauwe honden. Zheng draafde achter hen aan en riep en schreeuwde, maar kon hen niet tot staan brengen: na ruim een U werd ze door de honden doodgebeten. Met tranen in zijn ogen schonk Zheng al het geld dat hij bij zich had om haar los te kopen zodat hij haar kon begraven, en hij sneed een stok tot een merkteken. Toen hij omkeek naar haar paard, liep dat te grazen langs de weg, haar kleren lagen op het zadel en haar schoentjes met haar sokjes erin hingen nog in de stijgbeugels - alsof een cicade zijn oude huid had afgestroopt. Alleen haar hoofdsieraden waren op de grond gevallen. Verder was er niets te zien. Ook haar dienares was verdwenen. Na ruim tien dagen kwam Zheng terug in de hoofdstad. Toen Yin hem zag was hij zeer verheugd en hij verwelkomde hem met de vraag: 'Hoe gaat het met onze Ren?' In tranen gaf Zheng hem ten antwoord: 'Ze is overleden!' Toen Yin dat hoorde was hij ook bedroefd, ze klampten zich aan elkaar vast en gaven zich binnenskamers over aan hun verdriet. Pas na geruime tijd vroeg Yin naar de oorzaak van haar dood. Het antwoord luidde: 'Ze is door honden doodgebeten.' Yin zei: 'Hoe woest honden ook zijn, ze kunnen toch geen mensen doden?' Het antwoord luidde: 'Ze was geen mens.' Yin zei verbaasd: 'Als ze geen mens was, wat was ze dan wel?' Toen pas vertelde Zheng hem de hele toedracht en stomverbaasd slaakte Yin onophoudelijk diepe zuchten. De dag daarop liet hij een wagen inspannen en samen met Zheng ging hij naar Mawei, daar opende hij het graf en zag het met eigen ogen; na daar lange tijd ontroerd verwijld te hebben keerden ze terug.

    Wanneer ze terugdachten aan de voorafgegane gebeurtenissen dan had ze zich alleen door het feit dat ze niet zelf haar kleren maakte duidelijk van de mensen onderscheiden.



    05-11-2010 om 23:24 geschreven door Felix1  

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 0/5 - (0 Stemmen)
    » Reageer (0)
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Te snel gereden

    Te snel gereden

     

    Zit een man in de auto en die rijdt te hard, dus na 5 minuten komt de politie en zegt: "Zo meneer u reed te hard" De bestuurder: "Nee hoor ik reed precies 50 km/ph en niets harder." Dus na een partijtje bekvechten zegt de vrouw naast de bestuurder: "Ik zei toch dat je te hard reed" waarop de bestuurder zegt: "Hou je kop kreng!" Politie: "Zo meneer dan nu even de alchoholtest." Bestuurder: "Meneer ik heb niets gedronken!" Politie: "Dat zullen we nog wel eens zien." en na het blazen zegt de politie: "Ja meneer dat is te veel" en weer die vrouw: "Ik zei toch dat je teveel gedronken had!!!" Politie: "Ja meneer dat zijn 3 boetes." 1:bekeuring 2500,-- 2:auto kwijt 3:rijbewijs kwijt Zegt de bestuurder: "Nou meneer kunnen we niet even wat afspreken?" Politie: "Wat dan?" Bestuurder: "Ik hou mijn auto en rijbewijs en jij mag mijn klikspaantje (vrouw) lenen voor 2500,-- per uur." Politie: "DAAR DOE IK HET VOOR!!!!!!!!!!!"

    05-11-2010 om 00:00 geschreven door Felix1  

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 0/5 - (0 Stemmen)
    » Reageer (0)
    04-11-2010
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.akke akke tuut tuut ..............

    akke akke tuut tuut ..............

     

    Een moeder was in de keuken aan het werken, toen ze haar
    vijfjarig zoontje hoorde spelen in de living met zijn treintjes.
    Ze hoorde de trein stoppen en haar zoontje zeggen : "Al de
    imbicielen die nu willen afstappen moeten gdvrdmme maken dat ze van
    de trein zijn, want dit is de laatste halte!" "En al de onnozelaars
    die nu willen opstappen moeten maken dat ze met hun luie kont op de
    bank zitten want wij gaan vertrekken !"
    De verbaasde moeder stapt de living in en zegt tegen haar
    zoon:"Zulke taal gebruiken wij niet in dit huis, maak dat je in je
    kamer zit en dit voor twee uren. Als je terug uit je kamer komt wil
    ik zo geen woorden meer horen !"

     Twee uren later zit het zoontje terug in de living te spelen
    met zijn treintjes en hoort de moeder haar zoontje zeggen : "Aan al
    de passagiers, vergeet aub uw bagage niet mee te nemen. Wij danken
    u en hopen dat het een aangename reis was en hopen u weldra terug
    te mogen ontmoeten." Ze hoort haar kleine bengel
     verder vragen :" Voor al degenen die juist terug zijn
    opgestapt, niet roken in de trein aub. Wij hopen dat u vandaag een
    aangename en ontspannende reis met ons  kan meemaken."
    Op het moment dat de moeder begint te glimlachen, hoort ze
    haar zoontje zeggen : "En voor al diegene die pisnijdig zijn met de
    twee uren vertraging, u moet bij die trut in de keuken zijn !!"

    04-11-2010 om 00:00 geschreven door Felix1  

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 0/5 - (0 Stemmen)
    » Reageer (0)
    01-11-2010
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.De citerspeler
    De citerspeler

     
    Er was eens een knaap die geen liefje had. Het werd Kerstmis, en de andere jongens gingen allemaal naar het feest, maar hij bleef alleen thuis zitten. "Wat moet ik nou?" dacht hij. Hij pakte zijn beurs, ging een kaars kopen, haalde thuis zijn citer op en begaf zich naar het badhuisje, waar hij de kaars ontstak en op de kachel zette. Toen begon hij te spelen. Verzonken in droef gemijmer had hij zo een tijdje zitten tokkelen toen er plotseling een meisje het badhuisje binnentrad en begon te dansen. Vervolgens kwam ze naar de jongen toe en gaf hem een kus. Pas toen de klok middernacht sloeg verdween ze weer.

    De volgende avond begaf de jongen zich opnieuw naar het badhuisje om daar op zijn citer te spelen. En wederom kwam het meisje binnen en danste voor hem en gaf hem een kus. De derde avond nodigde de jongen zijn oude petemoei uit en vroeg haar om raad. De wijze oude vrouw dacht diep na en raadde hem toen: "Hang een kruis om je hals, over je kiel heen, en als dat meisje nu weer komt en je een kus geeft, hang haar dan snel het kruis om haar hals." Toen het meisje die avond kwam en hem wilde kussen hing hij gauw het kruis om haar hals. Ze riep zacht iets uit het raam, en van buiten hoorde hij het geluid van andere meisjesstemmen... De jongen schrok zo dat hij bewusteloos neerzeeg.

    De volgende morgen, toen hij ontwaakte, zag hij dat het meisje nog steeds bij hem zat. Hij liep naar huis, op de voet gevolgd door het meisje. Hij probeerde met haar te praten, maar ze kon geen woord uitbrengen. Meneer pastoor werd erbij geroepen en die las haar Gods woord voor. Dit gaf het met stomheid geslagen wicht op slag haar spraakvermogen terug, en ze vertelde waar ze vandaan kwam, dat ze geboren was op het slot en de dochter van de graaf was. "Wil je me begeleiden naar mijn vader?" vroeg ze de jongen.

    Zo gingen ze samen op weg, met een paard en een krakkemikkige wagen, waarmee ze het slot niet mochten bereiken, want de wagen begaf het en stortte in elkaar en het paard was binnen de kortste keren bekaf. Ze vervolgden hun weg nu te voet, tot ze tenslotte bij het kasteel kwamen. Daar werden ze echter niet zomaar binnengelaten. "Heeft de graaf niet een lief kindje?" vroegen ze. "Dat klopt ja," luidde het antwoord. "Wij komen met nieuws over dat kind," zeiden ze, en toen werden ze bij de graaf gebracht.

    De graaf vroeg: "Wat weten jullie van mijn kind?" - "Het enige wat we weten," zeiden ze, "is dat het kind eenentwintig jaar oud is, en dat het nooit gegroeid is en toch niet doodgaat. Dat is jullie kind namelijk helemaal niet, ik ben jullie dochter."

    "Jij? Ons kind?" riep de graaf perplex uit. "Hoe kan dat nou?"

    "Dat zit zo," legde het meisje uit, "ik ben ontvoerd door een heks die dat kind in mijn plaats in de wieg heeft gelegd. Ik ben nu al eenentwintig jaar bij haar."

    Even was het stil. Toen vroeg het meisje de graaf: "Hebben jullie destijds niet een bal gegeven?"

    "Dat klopt ja, ik herinner me dat bal nog als de dag van gisteren."

    "En is er toen niet een zilveren lepel gestolen?"

    "Dat is waar ook!" zei de graaf met toenemende verbazing.

    "En wat hebben jullie toen met de huishoudster gedaan?"

    "Die hebben we laten kastijden wegens diefstal."

    "En een tijdje later, gaven jullie toen niet weer een bal? En is er bij die gelegenheid niet een zilveren beker gestolen?"

    "Klopt," prevelde de graaf.

    "Die huishoudster, dat was geen slecht mens," zei het meisje, "wij hebben toen die beker gestolen! Ik hoop dat het nu duidelijk is dat ik jullie dochter ben, en deze jongeman hier wil ik als echtgenoot."

    "Waar heb je die arme sloeber in godsnaam opgeduikeld?" vroeg de graaf.

    Het meisje vertelde: "Het was kerstavond en deze schat zat in het badhuisje op zijn citer te spelen. Toen vroeg ik of ik naar hem mocht kijken. Dat mocht. Ze stuurden me naar binnen om voor hem te dansen en ze bevalen me hem te kussen, want we wilden hem inpalmen. Maar deze snuiter was ons te slim af! Twee avonden achtereen bracht ik vrijblijvend met hem door. Maar de derde avond gooide die rakker me een kruis om mijn hals, en toen ben ik bij hem gebleven. De volgende morgen ben ik hem achternagelopen. Kortom, zo heeft hij mij uit de ban van die heksen verlost."

    De graaf erkende het meisje als zijn dochter. "Maar wat moeten we nu beginnen met dat kindje dat al eenentwintig jaar bij ons is?" vroeg hij. "Er zit maar een ding op," sprak het meisje op gedecideerde toon. "Je moet een brandstapel laten bouwen en die aansteken en mij dan het kind geven!" Ze brachten haar het poppedeintje, dat zij met een fluks gebaar op een grote spa legde en met een boogje in het vuur wipte. De ontzette heksen krijsten uit het raam: "Verbrand ons kind niet!" Maar reeds sloegen de vlammen hoog op, de huid van het kindje barstte open en spatte van het lijfje af, en toen de vuurzee luwde bleek er van het heksenkind niets anders over te zijn gebleven dan een klomp elzenhout.

    Het meisje liep naar haar aanstaande toe en toonde hem de houten stomp te midden der smeulende resten van de brandstapel, en de graaf zei tegen hem: "Het lijkt me dat jullie maar eens moesten gaan kijken hoe het met je huis is!" - "Maar ik heb niet eens paarden voor de reis erheen," antwoordde de jongeling. De graaf liet paarden en een gerieflijke reiskoets voor ze aanrukken en gaf hun bovendien ook nog een koetsier, en zo reden ze in ongekende luxe naar het huisje waar de jongeman gewoond had. Zijn povere hut maakte een armzalige indruk en de graaf sprak: "Over een maand staat hier een degelijk huis van steen!" Ze bouwden een mooi stenen huis voor hem, waar hij met zijn jonge bruid introk, en daar, in dat fraaie en deugdelijke bouwwerk, wonen ze nu nog

    01-11-2010 om 23:10 geschreven door Felix1  

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 1/5 - (1 Stemmen)
    » Reageer (0)


    T -->

    Blog tegen de regels? Meld het ons!
    Gratis blog op http://blog.seniorennet.be - SeniorenNet Blogs, eenvoudig, gratis en snel jouw eigen blog!