Het was de laatste dag van het jaar. Een dikke laag sneeuw lag over wegen en velden. Er was een kleine jongen onderweg; hij droeg nieuwe schoenen, en had een grijze das en een rode puntmuts. Hans heette hij. Op zijn rug droeg hij een kleine rugzak. Zijn moeder had daarin een kerstbrood en een driekoningenkaars gepakt. Ze had hem op het hart gedrukt zich goed te gedragen. Hans moest zijn grootmoeder en grootvader opzoeken. Hij moest vooral niet vergeten netjes te groeten en te bedanken en ze een vrolijk en gezegend nieuwjaar te wensen. Ja, daar zou hij aan denken.
De dagen in de winter zijn maar kort; de sneeuwwolken hingen zwaar in de lucht: en al spoedig vielen de sneeuwvlokken naar beneden, stil en dicht bij elkaar, zoals het dons van een dekbed. Toen Hans een stukje gelopen had, bedacht hij, dat hij een kortere weg kon nemen over een bospad.
De sneeuw viel in steeds grotere vlokken en tussen de bomen begon het al donker te worden. Voor Hans het wist, was het nacht geworden. De weg was dicht gesneeuwd; hij kon hem niet meer vinden. Had hij maar lucifers bij zich gehad, dan had hij de kaars kunnen aansteken en zo misschien via zijn voetsporen de weg weer terugvinden. Nu wist hij niets beters te doen, dan onder een boom te gaan zitten en te wachten tot de sterren en misschien zelfs de maan te voorschijn zouden komen.
Hoe lang hij daar gezeten had, wist alleen de duisternis. Hij was al bijna helemaal ingesneeuwd, toen hij plotseling in de verte een licht zag. Moeizaam stond Hans op en ging op het licht toe en na korte tijd stond hij voor een groot vuur. Nog nooit had hij een vuur zo helder zien branden. Om het vuur zaten twaalf grote mannen, die wijde mantels droegen.
Ze zaten daar stil en ernstig, bijna als koningen en staarden in de vlammen. Een enkele droeg een kroon van ijs op het hoofd of kronen van dennenappels; weer anderen hadden kransen van groene bladeren of korenaren. Hij die de oudste leek, hield een stok in zijn hand en pookte in het vuur, hij wendde langzaam het hoofd om en vroeg: "Ken je ons?" - "Dat dacht ik wel," antwoordde Hans. Want hij begreep dat de wijze mannen die hij hier zag, de twaalf maanden van het jaar moesten zijn. De oudste die de stok vast hield, dat was zeker december. Daarom droeg hij ook een donkere mantel.
"Vertel ons dan wie we zijn," moedigde de grijsaard hem aan terwijl hij het vuur aanwakkerde. En Hans zei het versje op dat zijn opa hem geleerd had.
Geeft januari een sneeuwtapijt, dan zijn we gauw de winter kwijt.
Is februari kil en nat, hij brengt ons koren in het vat.
Nooit is maart zo zoet, of 't sneeuwt op de boer zijn hoed.
Als april blaast op zijn horen, Is 't goed voor hooi en koren.
Veel onweer in mei dan zingt de boer joechei.
Juni meer droog dan nat, vult met goede wijn het vat.
Wil september vruchten dragen, dan in juli hitte om te klagen.
Geeft augustus zonneschijn, zeker krijgen we goede wijn.
Septemberregen op het zaad komt het boertje wel te staad.
Oktober met groene blaan, duidt een strenge winter aan.
Als 't in november 's morgens broeit, wis dat de storm dan 's avonds loeit.
December veranderlijk en zacht, geeft een winter waar men om lacht.
De grijsaard met de stok knikte goedkeurend. "Omdat jij ons kent," sprak hij, "kennen wij jou ook. Je bent precies op tijd gekomen, want in deze nacht waarin het oudejaar voorbij is kan jij ons helpen. Zie je hoe klein ons vuur geworden is? Let nu goed op wat er gebeurt, als ik de stok aan broeder januari reik. Kruip dan gauw onder zijn mantel, dan zul je zien hoe het nieuwe jaar uit de sterren neerdaalt. Haast je dan en bezorg ons nieuw vuur met je kaars, want weldra zal het oude vuur uitgaan."
Toen de oude man dit gezegd had, klonk er in de lucht een geluid. Het was of machtige klokken luidden. Het geluid kwam van ver weg en van dicht bij. Het leek wel over alle landen en alle rijken op aarde te weerklinken. December richtte zich op, hief zijn stok op en riep met luide stem: "Nu broeders, gaat de staf van hand tot hand. Terwijl de nieuwjaarsklokken klinken over het land. Zegen, God die in de hemelen troont, nu alles wat op aarde woont."
Terwijl hij sprak was Hans onder de mantel van januari gekropen die hem omhulde als een grote witte nevel. Boven hem straalden en glinsterden de sterren en beneden hem bewogen de zaadjes en de kiemen in de aarde. Er kwam een klein volkje aangelopen; ze droegen lantaarns in de hand. "Hier komen wij met het nieuwe jaar!" zeiden ze.
En werkelijk, toen Hans goed keek, zag hij dat alle wortels kleine gezichtjes hadden. Het leek wel of de aardmannetjes en de elfjes bruiloft vierden. Hans was zo verbaasd over dit alles, dat hij bijna zijn opdracht vergat. Maar toen zag hij dat zijn eigen driekoningenkaars al brandde. Eén van de aardmannetjes had hem aangestoken. Hans hield zijn hand voor de kaarsvlam om hem te beschermen en sloop onder de mantel van januari vandaan. Van het vuur was nog slechts een klein beetje gloed over. Nu reikte december de staf aan zijn broeder januari. Deze nam het licht dat Hans in de hand hield en stak daarmee het nieuwe vuur aan. De vlammen sloegen hoog op, het licht was zo overweldigend dat Hans zijn handen beschermend voor zijn ogen moest houden.
Toen hij weer opkeek, was het vuur er niet meer en de twaalf maanden waren ook verdwenen. Maar de hemel was opgeklaard en boven de boomtoppen stond een volle ronde maan. Hans stond op en ging weer op weg. In het maanlicht was het makkelijk de sporen in de sneeuw te volgen tot aan de weg; en daar was het huis van zijn grootouders al. In het donker was hij het voorbij gelopen.
"Gelukkig nieuwjaar," wenste Hans, toen hij over de drempel de warme kamer binnenging. De oude mensen waren verbaasd en verheugd hem te zien, want grootvader wilde juist het bos in gaan om Hans te zoeken. Grootmoeder maakte op de kachel warme melk met kandij, maar Hans was zo moe dat hij nauwelijks kon drinken. "Laten we hem liever in bed stoppen," meende grootmoeder. "Het kerstbrood is geloof ik nog wel heel," mompelde Hans, "maar de driekoningenkaars is al bijna op, want daarmee heb ik nieuw vuur voor de twaalf maanden gehaald." Daarop viel hij in een diepe slaap.
Ze bewoonde een burcht - of beter gezegd, een versterkte boerenhoeve - aan de smalle monding van de inham van het Vannernmeer, dat diep het land insnijdt. Over die monding had Vrouwe Rangela een brug gebouwd die kon worden opgehaald, zoals bij een kasteel. Bij de brug had zij een sterke wacht gezet.
Voor de reizigers, die in staat waren tolgelden te betalen lieten de wachters de brug zakken. Voor anderen, die uit armoede of om andere redenen niet konden betalen, bleef de brug omhoog staan. Omdat er geen veerpont was moesten de reizigers dan een flinke omweg langs de oever van de inham maken. Deze manier van Vrouwe Rangela om tol te heffen riep veel verontwaardiging op. Waarschijnlijk zouden haar buren, een aantal trotse boeren, allang een einde aan haar praktijken hebben gemaakt als Vrouwe Rangela niet een machtige vriend en beschermer had in de persoon van Heer Eskil van Börtsholm, die op een kasteel woonde dat grensde aan het bezit van Vrouwe Rangela.
Het kasteel van Heer Eskil was versterkt met muren en torens en hijzelf was zo rijk dat zijn landerijen samen een heel district vormden. Hij reed door het land met een gevolg van zestig gewapende dienaren en was door de koning als vertrouwensman en adviseur gekozen. Hij was niet alleen een goede vriend van Vrouwe Rangela, maar het was haar ook gelukt hem tot haar schoonzoon te maken.
Onder die omstandigheden was het begrijpelijk dat niemand de gierige vrouw een strobreed in de weg durfde te leggen. Jaar na jaar ging dit door, tot er iets gebeurde dat Vrouwe Rangela ongerust maakte. Haar arme dochter stierf onverwacht en Vrouwe Rangela begreep dat een jonge man als Heer Eskil met acht minderjarige kinderen en een bijna vorstelijke hofhouding wel gauw zou hertrouwen. Als die nieuwe echtgenote Vrouwe Rangela niet zou mogen, kon dat haar veel last geven. Het was haast nog belangrijker een goede verstandhouding met de vrouw van heer Eskil te hebben dan met hemzelf. Ten slotte was heer Eskil, die veel grote verantwoordelijkheden had, veel op reis. Bij zulke gelegenheden was het de vrouw des huizes die alles op het kasteel regelde.
Vrouwe Rangela overdacht het één en ander grondig en toen de begrafenis goed en wel voorbij was, reed ze naar Börtsholm en zocht heer Eskil op. Ze herinnerde hem aan zijn acht kinderen en wat die nodig hadden, aan zijn vele bedienden, die gekleed en gevoed moesten worden en aan de grote feesten, waarop koningen en prinsen werden uitgenodigd. Ze sprak over de grote kudden, zijn landbouwgrond, de jachtterreinen, zijn bijenkorven, de hopvelden, de viswateren, kortom over alles waarvoor zijn vrouw gezorgd had. Ze riep een afschuwelijk beeld op van alles waarvoor hij, na het sterven van zijn vrouw, alleen zou staan.
Heer Eskil luisterde met gepaste eerbied naar zijn schoonmoeder, maar ook met onrust. Hij was bang dat dit allemaal inhield dat Vrouwe Rangela zichzelf als hoofd van de huishouding op Börtsholm kwam aanbieden. Hij moest zichzelf toegeven dat hij deze oude vrouw met haar onderkin, haar scherpe, gebogen neus en harde, boerse stem geen prettig gezelschap zou vinden. "Beste Eskil," ging Vrouwe Rangela verder, "ik weet datje nu een erg voordelig huwelijk zou kunnen sluiten, maar ik weet ook dat je rijk genoeg bent om niet met een bruidsschat en een mogelijke erfenis rekening te hoeven houden. Het belang van de kinderen gaat voor en daarom stel ik je voor een van de jonge nichtjes van mijn dochter als haar opvolgster te kiezen."
Heer Eskils gezicht klaarde op toen hij hoorde dat het om een jong familielid ging. Zijn schoonmoeder probeerde hem met kracht ervan te overtuigen dat hij met Vrouwe Lucia, de dochter van broer Sten Folkesson, moest trouwen. Ze werd deze winter op St. Luciadag achttien jaar. Ze werd opgevoed bij de vrome vrouwen in het klooster van Risabergen. Ze had er niet alleen goede manieren en devotie geleerd, maar ze was door het vervullen van allerlei taken ook erop voorbereid een grote huishouding te leiden.
"Als haar jeugd en armoede geen bezwaar zijn, moet je haar kiezen," zei Vrouwe Rangela. "Ik weet dat mijn dochter haar de zorg over haar kinderen zonder meer had durven toevertrouwen. Ze zal in vrede rusten als je haar nichtje trouwt."
Heer Eskil, die nooit tijd had over zijn eigen zaken na te denken, was Vrouwe Rangela dankbaar voor haar goed advies. Hij vroeg wel een paar weken bedenktijd, maar gaf haar al de volgende dag volmacht voor hem te onderhandelen. En zo snel als in verband met de voorbereidingen voor de trouwerij en de goede smaak mogelijk was, werd de bruiloft gevierd. De jonge vrouw deed een paar maanden nadat ze achttien jaar was geworden haar intocht op Börtsholm.
Toen Vrouwe Rangela zich bedacht hoeveel reden haar nichtje had haar dankbaar te zijn, voelde ze zich nog veiliger dan toen haar eigen dochter de teugels in handen had op Börtsholm. In haar optimisme verhoogde ze het bruggegeld nog wat en ze verbood de buren streng de reizigers met een bootje over te zetten. Iedereen die langskwam, zou tol moeten betalen.
Toen Vrouwe Lucia een aantal maanden op Börtsholm woonde kwam er eens een groep zieke pelgrims langs, die op weg waren naar de Heilige Drieëenheidsbron bij Sökra. Ze vroegen of ze over de brug mochten gaan. Ze waren gewend dat de mensen die ze tegenkwamen hen hielpen. Het gebeurde vaker dat ze geld kregen, dan dat ze het moesten uitgeven.
De brugwachters van Vrouwe Rangela hadden strenge bevelen gekregen niemand zó maar door te laten en zeker niet dit soort reizigers. Ze verdacht hen ervan helemaal niet zo ziek te zijn als ze voorgaven, maar uit luiheid zo door het land te trekken.
Toen hun de vrije doorgang geweigerd werd, begonnen de zieken te jammeren. De verlamden en mismaakten toonden hun gebreken en vroegen hoe iemand zo hard kon zijn. Hun tocht zou hierdoor een dag langer duren. De blinden zonken op hun knieën en de vrienden en familieleden van de zieken die hen vergezelden op hun tocht, keerden hun zakken om, om de wachtposten te laten zien dat ze werkelijk geen geld hadden.
Maar de wachters lieten zich niet vermurwen en de wanhoop van de armen groeide steeds meer. Op dat moment kwam de kasteelvrouw van Börtsholm met haar stiefkinderen aanroeien. Toen ze had begrepen wat de moeilijkheid was, riep ze uit: "Maar hier kunnen we gemakkelijk iets aan doen. De kinderen brengen een bezoek aan grootmoeder Rangela en intussen zet ik deze zieken over in mijn boot."
De wachters en ook de kinderen die wisten dat er met Vrouwe Rangela niet viel te spotten, als haar dierbare tolgeld in het geding was, probeerden de jonge vrouw met blikken en gebaren te waarschuwen. Maar ze merkte het niet. Of wilde ze het niet begrijpen? Ze was in alles het tegengestelde van haar tante. Ze had al sinds haar jeugd de heiligverklaarde Siciliaanse maagd Lucia liefgehad en vereerd. Zij was haar beschermheilige en voorbeeld geworden. Daardoor was haar hele wezen met licht en warmte doortrokken geraakt. Over haar uiterlijk lag iets lichts, iets doorschijnends, bijna te teer om aan te raken. Met veel vriendelijke woorden zette zij de zieken over. Ze werd overladen met goede wensen en zegeningen, die als ze even zwaar als waardevol waren geweest, haar boot onmiddellijk zouden hebben doen zinken.
Na deze gebeurtenis begon Vrouwe Rangela te vermoeden dat ze van haar nichtje weinig steun had te verwachten. Ze had er spijt van dat ze ervoor gezorgd had dat zij met heer Eskil was getrouwd. Ze besloot dat vóór het meisje haar belangen nog meer zou schaden, ze uit haar hoge positie verdreven zou moeten worden.
Ze liet niets van haar boze opzet merken en bezocht haar nichtje vaak op Börtsholm. Ze probeerde wel tweedracht tussen de jonge vrouw en de bedienden te zaaien, maar tot haar verbazing mislukte dat helemaal. Voor een deel kwam dat doordat Vrouwe Lucia ondanks haar jeugd haar huishouding goed leidde. De werkelijke reden was echter, dat de kinderen en bedienden geloofden dat de nieuwe huismoeder een machtige, hemelse bescherming genoot, waardoor zij die haar kwaad wensten, gestraft zouden worden en degenen die haar trouw dienden, voorspoed zouden genieten. Vrouwe Rangela merkte dat ze op deze manier niets bereikte, maar wilde de hoop nog niet opgeven en eerst ook heer Eskil nog op de proef stellen. Deze zomer was hij meestal aan het hof in verband met moeizame en inspannende onderhandelingen. Als hij af en toe een paar dagen thuiskwam, bracht hij zijn tijd voornamelijk met de jachtopzichters en de voormannen door. Aan de vrouwelijke bewoners van Börtsholm schonk hij alleen maar terloops aandacht en zelfs als Vrouwe Rangela op bezoek kwam, trok hij zich terug. Ze kreeg nooit de kans hem onder vier ogen te spreken. Op een mooie zomerdag zat heer Eskil in zijn kamer met zijn stalmeester te praten. Plotseling klonk er in het kasteel een luid geschreeuw. Hij onderbrak het gesprek en haastte zich naar buiten om te zien wat er aan de hand was. Daar zag hij zijn schoonmoeder, Vrouwe Rangela, die buiten de poort te paard zat en harder krijste dan een uil.
"Je arme kinderen, heer Eskil!"
schreeuwde ze, "ze zijn in levensgevaar. Vanmorgen kwamen ze naar mijn strand roeien, maar op weg naar huis moeten ze water in hun boot hebben gekregen. Ik kon vanuit mijn huis zien dat ze het moeilijk hadden en ben hierheen gereden om je te waarschuwen. Ook al is je vrouw mijn eigen nichtje, ik vind het onverantwoord dat zij ze in een dergelijke oude boot het water op laat gaan. Het is een stiefmoederstreek!"
Heer Eskil stelde haastig een paar vragen en snelde toen met zijn stalmeester naar het botenhuis. Maar nog voor ze daar waren aangekomen, zagen ze op het steile pad naar het meer Vrouwe Lucia aankomen met alle kinderen. De jonge kasteelvrouw was dit keer niet meegegaan met haar kinderen, maar naar huis gegaan om te werken. Maar alsof ze een waarschuwing van haar hemelse beschermers had gekregen, was ze plotseling naar buiten gegaan om naar hen te kijken. Ze had gemerkt dat ze met hun armen zwaaiden en om hulp riepen. Ze was snel in haar eigen boot naar hen toegeroeid en op het laatste moment was het haar gelukt de kinderen uit het zinkende vaartuig in haar eigen boot te krijgen.
Toen Vrouwe Lucia en haar stiefkinderen het pad opkwamen waren ze druk in gesprek. Ze vroeg de kinderen hoe het ongeluk toch had kunnen gebeuren. Ze waren zo verdiept in hun gesprek dat ze heer Eskil met Vrouwe Rangela niet zagen. Hij was ongerust geraakt over wat Vrouwe Rangela had gezegd over een stiefmoederstreek. Hij gaf zijn stalmeester een teken en ze verborgen zich achter één van de wilde rozenstruiken, die bijna de hele heuvel, waar Börtsholm op lag, overdekten.
Hij hoorde hoe de kinderen Vrouwe Lucia uitlegden dat ze in een goede boot waren uitgevaren, maar dat hun boot verwisseld was met een oude, slechte boot, toen ze bij Vrouwe Rangela te gast waren. Ze hadden het pas gemerkt toen ze al op het meer waren en er aan alle kanten water de boot instroomde. Ze zouden zeker verdronken zijn als hun lieve moeder niet zo snel te hulp was gekomen.
Het leek alsof Vrouwe Lucia iets begon te begrijpen, want ze bleef doodsbleek midden op het steile pad staan. Er sprongen tranen in haar ogen en ze drukte haar handen tegen haar hart. De kinderen drongen om haar heen om haar te troosten. Ze riepen dat ze toch allemaal heelhuids aan het gevaar waren ontsnapt, maar ze bleef onbeweeglijk en machteloos staan.
Toen vouwden de twee oudste kinderen, twee sterke jongens van veertien en vijftien, hun handen in elkaar en droegen haar het steile pad op. De jongeren volgden lachend en klapten in hun handen. Terwijl de kleine stoet zo in triomf tussen de rozen door naar Börtsholm trok, stond heer Eskil in gedachten zijn vrouw en kinderen na te kijken. De jonge vrouw zag er zo lief en stralend uit, dat hij wilde dat zijn leeftijd en waardigheid hem zouden hebben toegestaan haar in zijn armen te nemen en naar het kasteel te dragen.
Misschien bedacht heer Eskil op dat ogenblik ook hoeveel moeite zijn werkzaamheden voor het vorstenhuis hem kostten en hoe weinig bevredigend dat werk eigenlijk was. Wellicht wachtten hem thuis veel meer vrede en vreugde. Hij sloot zich die dag niet meer op in zijn kamer, maar praatte met zijn vrouw en keek naar zijn spelende kinderen.
Vrouwe Rangela zag het met lede ogen aan. Zodra ze fatsoenshalve kon, verliet ze haastig Börtsholm. Omdat niemand haar echt durfde te verdenken, werd de vriendschappelijke band niet verbroken en kon ze haar pogingen voortzetten om de jonge kasteelvrouw van haar hoge positie te beroven. Het leek alsof het onberispelijke gedrag en het goede hart van Vrouwe Lucia en de hemelse bescherming die ze genoot, alle aanvallen deden afketsen. Maar in de herfst deed tot Vrouwe Rangela"s blijdschap haar nichtje iets, dat heer Eskil wel moest afkeuren.
Dat jaar was de oogst op Börtsholm overvloediger geweest dan ooit. Ook de jacht en de visvangst hadden tweemaal zoveel opgebracht als anders. De bijenkorven liepen bijna over van was en honing en de hop was goed opgekomen. De koeien gaven overvloedig melk, de wol van de schapen werd net zo lang als het gras en de varkens vraten zich zo vet, dat ze zich nauwelijks konden bewegen. Iedereen die op het kasteel woonde zag de gezegende opbrengsten en men beweerde al gauw dat het door de aanwezigheid van de jonge Vrouwe Lucia werd veroorzaakt.
Terwijl men nu op Börtsholm druk bezig was de rijke oogst te verwerken, verscheen er een grote groep mensen die in nood verkeerden. Zij kwamen van de oostelijke en noord-oostelijke oever van het grote Vannernmeer. Onder veel tranen vertelden ze dat de hele streek door een vijandelijk leger was geteisterd. Brandend, plunderend en moordend hadden de soldaten rondgetrokken. Zij waren zo wreed geweest dat ze zelfs het koren op de velden in brand hadden gestoken en alle vee hadden meegenomen. De mensen die het overleefd hadden, gingen de winter zonder voedsel en dak boven hun hoofd tegemoet. Sommigen waren gaan bedelen, anderen verborgen zich in het bos en weer anderen zwierven moedeloos tussen de afgebrande woningen rond, treurend over wat verloren was gegaan.
Toen Vrouwe Lucia deze verhalen hoorde, werd de aanblik van alle levensmiddelen die zich in Börtsholm opstapelden, haar te veel. Ten slotte werd de gedachte aan al die hongerende mensen aan de overkant van het meer haar te machtig. Ze kon geen hap meer naar binnen krijgen. Telkens opnieuw moest ze denken aan de verhalen, die ze in het klooster over heilige mannen en vrouwen had horen voorlezen. Die hadden zich tot op het blote lijf ontkleed om hen die het nodig hadden te helpen. En bovenal herinnerde ze zich haar eigen beschermheilige, Lucia van Syracuse, die in haar barmhartigheid zó ver was gegaan dat ze voor een heidense jongen, die haar liefhad om haar mooie ogen, haar ogen had uitgestoken en die aan hem had gegeven. Ze wilde hem genezen van zijn liefde voor haar, daar zij als christen hem nooit zou kunnen trouwen. De jonge vrouw werd door deze herinneringen bang en gepijnigd. Ze verachtte zichzelf omdat ze zoveel over de ellende van anderen kon aanhoren, zonder pogingen te doen te helpen. Op het moment dat die gedachten haar het meest kwelden, kwam er een bericht van heer Eskil dat hij voor de koning op reis naar Noorwegen moest en niet vóór Kerstmis thuis verwachtte te zijn. Maar dan zou hij niet alleen met zijn eigen gevolg van zestig man komen, maar ook nog met een groot aantal vrienden en familieleden. Hij verzocht Vrouwe Lucia zich voor te bereiden op een groot en langdurig feest.
Diezelfde dag nog deed Vrouwe Lucia een poging om de gevoelens van wroeging en zelfverachting te bezweren. Ze droeg haar ondergeschikten op alle levensmiddelen die op Börtsholm lagen opgeslagen naar het strand te brengen. Daar werd de hele wintervoorraad op pramen en schuiten geladen tot grote verbazing van alle kasteelbewoners.
Toen de kelders en voorraadkamers helemaal leeg waren, ging Vrouwe Lucia met haar kinderen en dienaren aan boord van een goed uitgerust schip. Op het kasteel liet ze alleen een paar oude wachtposten achter. Ze liet zich met al haar bezittingen voortroeien over het grote, schijnbaar onbegrensde meer, dat voor haar lag.
Over die reis van Vrouwe Lucia bestaan nog steeds allerlei oude sagen en verhalen. Zo wordt er verteld dat de westoever van het Vannernmeer, waar de vijand het meest had geplunderd, bij haar aankomst bijna volledig uitgestorven was. Vrouwe Lucia was daar erg teleurgesteld langsgevaren, speurend naar een levensteken. Maar er was geen rook omhooggekringeld, er had geen haan gekraaid en geen koe geloeid.
Toch woonde er in één gemeente nog een oude geestelijke, die heer Kolbjörn genoemd werd. Hij was achtergebleven toen zijn gemeenteleden uit hun verwoeste boerderijen en huizen vluchtten. Zijn pastorie en de kerk waren vol mensen die bij de gevechten gewond waren geraakt. Hij was bij hen gebleven, had hun wonden verzorgd en had het voedsel dat hij nog had onder hen verdeeld, zonder zichzelf een ogenblik rust of een maaltijd te gunnen. Daardoor was hij zo uitgeput dat hij meer dood dan levend was.
Toen had, op één van de donkerste herfstdagen, toen er donkere wolken boven het meer hingen en het water met zware golven kwam aanrollen, heer Kolbjörn geprobeerd de kerkklok te luiden om Gods zegen over zijn zieken af te smeken. Voor het lezen van de mis had hij geen kracht meer gehad.
Nauwelijks hadden de eerste klanken geklonken of er was een kleine vloot schepen en pramen naar het land komen roeien. Uit één van de scheepjes was een jonge vrouw gestapt met een door licht omstraald gezicht. Voor haar uit liepen acht kinderen en achter haar liep een lange rij knechten die flinke hoeveelheden levensmiddelen droegen, waaronder gebraden kalveren en schapen, broodkoeken op lange stokken, kruiken met dranken en zakken meel. De hulp was als een wonder net op tijd gekomen.
Niet ver van de kerk van heer Kolbjörn had op een landtong, die het meer inliep en Saxudden heette, sinds onheuglijke tijden een boerderij gestaan. Die was nu platgebrand en geplunderd, maar de eigenaar, een man van zeventig, hield zoveel van de boerderij dat hij de ruïne niet wilde verlaten. Zijn oude vrouw, een kleinzoon en een kleindochter waren bij hem gebleven. Ze hadden van de visvangst geleefd, maar de stroom had hun vistuig vernield en nu zaten ze op de puinhopen en dachten van honger te zullen sterven. Terwijl ze lagen te wachten dacht de man plotseling aan zijn hond, die, de hongerdood nabij, in de buurt lag. Hij nam een pook en met inspanning van zijn laatste krachten sloeg hij naar de hond om hem weg te jagen. Hij wilde niet dat het dier zou sterven door omstandigheden waaraan het geen schuld had. Bij de klap huilde de hond luid en liep weg. De hele nacht zwierf hij jankend rond. Het geluid droeg ver over het meer. Nog voor het dag was, roeide Vrouwe Lucia, door het gejank geleid, naar de oever en bracht hulp en redding. Nog verder weg lag een huisje met een muur eromheen. Er woonden een paar vrome vrouwen, die God hadden beloofd het huis nooit te verlaten. De vijandelijke soldaten hadden zoveel eerbied voor hun vroomheid gehad, dat ze hen noch het huis kwaad hadden gedaan. Wel hadden ze hen van hun wintervoorraad beroofd. Het enige wat ze hadden mogen houden, was een duiventil vol duiven. Ze hadden de duiven één voor één geslacht tot er nog maar één over was. Die duif was heel tam en de vrouwen hielden zoveel van het dier dat ze hun leven niet ten koste van hem wilde verlengen. Ze openden de kooi en lieten de duif wegvliegen. Eerst vloog de witte duif hoog de lucht in en toen daalde het dier en ging op het dak zitten.
Toen Vrouwe Lucia langs het strand roeide zag ze de duif en begreep dat er mensen in de buurt moesten zijn. Ze ging aan land en gaf de vrome vrouwen zoveel voedsel, dat ze de winter konden doorkomen.
Nog verder naar het zuiden had bij de oever van het Vannernmeer een klein handelsstadje gelegen, dat nu platgebrand en geplunderd was. Alleen de lange steigers waar vroeger de schepen aanlegden, waren nog onbeschadigd. Onder die steigers had zich, terwijl de plundering gaande was, Lasse de winkelier met zijn vrouw verstopt. Temidden van het geweld was daar hun kind geboren. Maar daarna was de moeder zo ziek geworden dat ze niet hadden kunnen vluchten. Ze leefden nu in diepe ellende en iedere dag opnieuw smeekte de vrouw haar man toch aan zichzelf te denken en haar alleen te laten, maar hij weigerde.
Toen verliet ze op een nacht hun schuilplaats om zich met haar kind te verdrinken. Ze dacht dat haar man als zij dood waren wel zou vluchten en het er levend vanaf zou brengen. Maar het kind begon heel hard te huilen toen het het koude water voelde en de man werd wakker. Hij bracht hen beiden aan land, maar het kind was zo geschrokken dat het de hele nacht huilde. Het geluid droeg ver over het water en trok de aandacht van de helpers die zoekend op het meer voeren.
Vrouwe Lucia roeide langs de oever van het Vannernmeer zolang ze nog voorraad had. Op die tocht was ze gelukkiger dan ooit tevoren, want er is niets vreselijkers dan werkeloos te moeten toezien als anderen verdriet hebben en in nood zitten. Te kunnen helpen, al is het nog zo weinig, geeft geluk en rust. Ze voelde zich nog steeds opgelucht en blij toen ze op Börtsholm aankwam de avond voor Luciadag. Ze was gelukkig en zich van geen gevaar bewust. Tijdens het avondmaal dat uit een paar bekers melk bestond, sprak ze met haar reisgenoten over de heerlijke tocht die ze hadden gemaakt. Ze waren het erover eens dat ze nog nooit zo"n bevredigende tijd hadden doorgemaakt. "Maar nu krijgen we een drukke tijd," ging ze verder, "morgen kunnen we St. Luciadag niet zoals anders met een feestmaal vieren. We moeten flink aanpakken en brouwen, bakken en slachten, zodat we klaar zijn voor het kerstfeest als heer Eskil thuis komt."
Ze zei het zonder angst want ze wist immers dat haar stallen en schuren vol goede gaven van God waren, al waren die op dit moment nog niet klaar om de mensen als voedsel te kunnen dienen.
Hoe gelukkig de tocht ook was geweest, alle reizigers waren uitgeput en gingen vroeg slapen. Maar nog maar net had Vrouwe Lucia de ogen gesloten of buiten het kasteel klonk paardegetrappel, wapengekletter en een luid geschreeuw. De poort zwaaide knarsend open en op de stenen binnenplaats klonken haastige voetstappen. Ze begreep dat heer Eskil met al zijn ruiters was thuisgekomen. Vrouwe Lucia sprong haastig uit haar bed om hem tegemoet te gaan.
Nadat ze haar kleding snel in orde had gebracht, haastte ze zich naar de overloop om van daaruit een trap naar de binnenplaats af te dalen. Maar ze kwam niet verder dan de eerste trede, want midden op de trap stond heer Eskil die op weg was naar haar kamer.
Een fakkeldrager liep voor hem uit en bij het onzekere licht dacht Vrouwe Lucia grote woede op zijn gezicht te zien. Even hoopte ze nog dat zijn gezicht door het rode, flakkerende licht zo donker en dreigend leek. Maar toen ze zag hoe de kinderen en dienstmeiden met bedrukte gezichten en neergeslagen ogen terugdeinsden, moest ze wel geloven dat haar man woedend was thuisgekomen. Terwijl Vrouwe Lucia boven aan de trap stond en op hem neerkeek, zag hij haar plotseling ook en angstig zag ze dat hij zijn gezicht tot een geforceerde glimlach vertrok.
"Word ik nu door mijn mooie vrouw met een maaltijd welkom geheten?" vroeg hij sarcastisch. "Je zorgen zijn vergeefs, want mijn mannen en ik hebben al bij uw tante, Vrouwe Rangela, gegeten. Maar morgen," voegde hij er aan toe, terwijl hij bijna zijn zelfbeheersing verloor, "morgen verwachten we dat je ons een grootse maaltijd voorzet, een maaltijd dit huis waardig. En vergeet niet," riep hij, terwijl hij met zijn vuist op de trapleuning sloeg, "me bij het eerste gekraai van de haan mijn morgendrank te laten brengen."
De jonge vrouw kon geen woord uitbrengen. Net als de vorige zomer, toen ze voor het eerst het vermoeden kreeg dat Vrouwe Rangela haar zwart probeerde te maken, bleef ze staan, sloeg de handen tegen het hart en kreeg tranen in haar ogen. Ze begreep onmiddellijk dat het Vrouwe Rangela was, die haar man vroegtijdig had teruggeroepen en hem had verteld wat Vrouwe Lucia met zijn bezittingen had gedaan.
Heer Eskil liep nog een paar treden verder omhoog en zonder zich iets van de angst van zijn vrouw aan te trekken, boog hij zich naar haar toe en zei met dreigende stem: "Bij het kruis van Onze Heer, Vrouwe Lucia! Onthoud één ding goed, als die maaltijd mij niet bevalt, zul je je dat levenslang berouwen!" Hij legde zijn hand nadrukkelijk op de schouder van zijn vrouw en duwde haar voor zich uit de slaapkamer in.
Terwijl ze daar naar binnen ging, vielen Vrouwe Lucia de schellen van de ogen. Ze begreep dat ze onbezonnen en eigenmachtig had gehandeld en dat heer Eskil reden had om boos te zijn. Had ze niet zonder overleg over zijn eigendom beschikt? Toen ze alleen waren, probeerde ze hem dat vol berouw te zeggen, en ze wilde vergeving voor haar onnadenkend gedrag vragen. Maar hij liet haar niet uitspreken. "Ga nu slapen, Vrouwe Lucia, en denk er aan: sta niet voor de gewone tijd op! Als de morgendrank en de maaltijd mij niet bevallen, zou het kunnen zijn dat je al je krachten nodig hebt bij wat er dan zal gebeuren."
Met dat antwoord, dat haar angst nog vergrootte, moest ze het doen. Ze deed die nacht geen oog dicht. Hoe meer ze nadacht over wat haar man had gezegd, hoe meer ze begreep dat hij erg dreigende woorden had gesproken. Hij zou haar zeker niet veroordelen voordat hij met eigen ogen gezien had, dat ze gedaan had wat Vrouwe Rangela had beweerd. Maar als ze hem niet zo kon onthalen als hij dat wilde, dan was het duidelijk dat haar een vreselijke straf wachtte. Misschien zou ze onwaardig bevonden worden nog langer zijn vrouw te zijn en teruggestuurd worden naar haar ouders. Uit zijn laatste woorden maakte ze op dat hij haar bovendien als een dievegge tussen de paarden spitsroeden zou laten lopen.
Toen ze er van overtuigd was, dat dat zijn bedoeling was, én dat was ook zo, want Vrouwe Rangela had heer Eskil tot een verschrikkelijke woede opgestookt, begon Vrouwe Lucia te beven en te klappertanden van angst. Ze dacht dat ze van angst zou sterven. Ze begreep dat ze de nacht moest gebruiken om een oplossing te vinden, maar haar angst verlamde haar, zodat ze onbeweeglijk bleef liggen. Hoe is het mogelijk om morgenvroeg mijn man en zijn zestig volgelingen al een maaltijd voor te zetten? dacht ze in haar wanhoop. Ik kan net zo goed hier stil blijven liggen wachten tot mijn straf komt. Het enige wat ze kon doen was onophoudelijk en vurig tot de heilige Lucia van Syracuse bidden.
"Oh, heilige Lucia, mijn lieve beschermende moeder," bad ze, "morgen is het de dag waarop u dood werd gemarteld en bent binnengaan in het Hemelse Paradijs! Weet u nog hoe donker, koud en hard het is om op aarde te leven? Kom vannacht hier en neem mij mee! Sluit mijn ogen voorde eeuwige slaap! U weet dat dit mijn enige uitweg is om aan schande en ontering te ontkomen."
Terwijl ze zo de hulp van de heilige Lucia inriep, verstreken de uren en naderde de gevreesde morgen. Veel vroeger dan ze verwachtte klonk het eerste gekraai van de haan en liepen de knechten die voor het vee zorgden over de binnenplaats. De paarden maakten lawaai terwijl ze gingen staan in hun stallen.
"Dadelijk wordt heer Eskil ook wakker en zal hij me zeggen zijn morgendrank te halen. Ik zal moeten bekennen dat ik dwaas heb gehandeld en bier noch wijn voor hem heb."
Haar beschermheilige, de heilige Lucia, kon haar lijden niet langer aanzien. Ze besefte dat Vrouwe Lucia alleen door haar al te grote barmhartigheid had gefaald. Haar lichaam, dat honderden jaren in de kleine grafkamer van de catacomben van Syracuse had gerust, kwam tot leven. Ze kleedde zich in een gewaad van sterrenlicht en werd weer even mooi als vroeger. Ze ging terug naar de wereld, waarin ze vroeger had geleden en liefde had gegeven.
Enkele ogenblikken later zag de verbaasde wachter op de toren van de poort van Börtsholm ver in het zuiden een lichtflits. Als een kogel sneed het vuur door de nacht, sneller dan een mens ooit kan volgen. Het kwam regelrecht op Börtsholm af, vloog de wachtpost rakelings voorbij en verdween. Op die vurige bol - ten minste dat meende de wachter - bevond zich een jong meisje.
Ze stond op de bol, had haar armen hoog geheven en danste op het lichtende voertuig.
Bijna op hetzelfde moment zag Vrouwe Lucia, die van angst niet kon slapen, een schijnsel door een spleet in de deur dringen. En toen de deur een oogwenk daarna openging kwam er tot haar verbazing en blijdschap een schone maagd binnen. Ze was gekleed in een gewaad zo blinkend wit als sterrenlicht. Haar lange, zwarte haar was bij elkaar gebonden met een rank van een plant. Er zaten geen gewone bladeren en bloemen aan, maar fonkelende sterren. De hele kamer werd erdoor verlicht. Maar toch vond Vrouwe Lucia dat het schijnsel vergeleken met de lieve ogen van de vreemdelinge in het niet zonk. Haar ogen glansden helderder dan iets anders op de aarde. Ze straalden hemelse liefde en barmhartigheid uit.
In haar hand had de onverwachte verschijning een grote koperen kan, waaruit de zoete geur van edel druivensap opsteeg. Ze zweefde door de kamer op heer Eskil af, schonk een beetje wijn in een kom en bood hem die aan.
Heer Eskil, die goed had geslapen, werd wakker toen het licht dat ze uitstraalde, op zijn ogen viel. Hij bracht de kom naar zijn lippen. Slaperig als hij was, merkte hij niet meer van het wonder dan dat de wijn heerlijk smaakte. Hij dronk de kom tot op de bodem leeg. Deze wijn kon niets anders zijn dan de edele Malvasier, de trots van Sicilië en de koning der wijnen. Maar nauwelijks had de ridder de kom geleegd, of hij sliep weer in. Op datzelfde ogenblik zweefde de mooie heilige maagd de kamer uit en liet Vrouwe Lucia vol verbazing en met nieuwe hoop achter. In de donkere, koude wintermorgen zweefde de lichtende helpster door de sombere zalen van het Zweedse kasteel en bood alle slapende soldaten de verrukkelijke wijn uit het Zuiden aan. En zij die hem dronken, dachten dat ze een godendrank proefden. Ze vielen ook dadelijk weer in slaap en droomden over streken waar het voortdurend zomer was en waar de zon altijd scheen. Maar Vrouwe Lucia merkte dat alle angst en machteloosheid die ze die nacht had gevoeld van haar afgleed, ook toen het wonder voorbij was. Ze kleedde zich haastig aan en riep al haar bedienden en beval ze aan het werk te gaan. Die hele lange wintermorgen werkten ze allemaal aan heer Eskils welkomstmaaltijd. Jonge kalveren, varkens, ganzen en kippen verloren in korte tijd het leven. Er werd deeg gekneed en te gisten gezet en er werden grote vuren onder de braadspitten gestookt. Er werd kool gestoofd en men schilde rapen en bakte honingkoeken.
De tafel in de feestzaal werd gedekt en er werden kostbare waskaarsen uit voorraadkisten opgediept. Op de banken werden blauwe kussens en kleden gelegd.
Terwijl al die voorbereidingen werden getroffen sliepen heer Eskil en zijn mannen door.
Toen hij eindelijk wakker werd zag hij aan de stand van de zon dat het al middag was. Niet alleen dat hij zo lang geslapen had verbaasde hem, maar ook dat de ergernis van de vorige avond was verdwenen. Hij had zijn vrouw tijdens zijn ochtendsluimering gezien. Haar gedrag was vol tederheid en liefde geweest. Hij verwonderde zich over het feit dat hij van plan was geweest haar hard te straffen.
Misschien is het allemaal niet zo erg als Vrouwe Rangela me heeft verteld, dacht hij. Ik kan haar natuurlijk niet als vrouw houden als ze inderdaad mijn bezittingen heeft weggegeven, maar haar eenvoudig naar haar ouders terugsturen is misschien voldoende straf.
Toen hij zijn kamer uitkwam, brachten zijn kinderen hem naar de feestzaal. Zijn mannen zaten op de banken al ongeduldig op hem te wachten. Ze wilden graag beginnen en de tafel voor hen boog door onder de heerlijkste gerechten. Vrouwe Lucia nam zonder een spoor van angst naast haar man plaats. Ze was echter nog niet helemaal gerust, hoewel ze in alle haast een maaltijd hadden kunnen bereiden, hadden ze bier noch wijn kunnen brouwen. Ze was onzeker of heer Eskil een maal zonder iets te drinken voldoende zou vinden.
Maar toen zag ze op de tafel vóór haar de grote koperen kan staan die de heilige maagd had gedragen. Die was tot aan de rand gevuld met geurige wijn. Opnieuw voelde ze zich dankbaar voor de bescherming van de barmhartige heilige en bood heer Eskil de wijn aan. Ze vertelde hoe ze eraan was gekomen en hij luisterde vol verwondering ernaar.
Toen heer Eskil een paar keer van de wijn had geproefd, die ditmaal geen slaapverwekkende uitwerking had, vatte Vrouwe Lucia moed en vertelde hem over haar tocht. Eerst zat hij ernstig te luisteren maar toen ze over de geestelijke heer Kolbjörn vertelde, riep hij uit: "Heer Kolbjörn is één van mijn beste vrienden, Vrouwe Lucia, ik ben blij dat je hem kon helpen." En even later bleek ook dat de boer op Saxudden een metgezel van heer Eskil op vele veldtochten was geweest. Eén van de vrome vrouwen was bovendien een familielid van hem. En Lasse - de winkelier uit het handelsstadje - leverde hem vaak lakens en wapens uit het buitenland. Vóór Vrouwe Lucia klaar was met haar verhaal was heer Eskil niet alleen bereid haar alles te vergeven maar was hij ook zielsdankbaar dat zij zoveel van zijn vrienden had kunnen helpen. Maar de angst die Vrouwe Lucia die nacht had doorstaan kwam terug en ze zei, terwijl ze haar tranen nauwelijks kon bedwingen:
"Lieve Heer en Meester, ik vind dat ik verkeerd heb gehandeld, toen ik zonder toestemming te vragen uw bezittingen weggaf. Maar ik smeek u, denk aan mijn onervarenheid en vergeef me."
Toen Vrouwe Lucia dat had gezegd en heer Eskil eraan dacht dat zijn vrouw zo vroom was dat een hemelbewoonster haar aardse lichaam had aangenomen om haar te helpen en dat hij, die toch als een wijs man gold, wiens inzichten hoog werden geacht, haar zó had gewantrouwd, schaamde hij zich diep. Hij sloeg zijn ogen neer en kon geen woord uitbrengen.
Maar toen Vrouwe Lucia hem daar zwijgend en met gebogen hoofd zag zitten werd ze bang. Ze zou het liefst huilend van haar plaats zijn opgestaan om weg te lopen. Op dat ogenblik kwam de barmhartige heilige Lucia, zonder dat iemand haar zag, de zaal binnen en sloop naar de jonge vrouw toe. Ze fluisterde haar in het oor wat ze moest zeggen. Het was juist datgene wat Vrouwe Lucia eigenlijk aldoor graag had willen zeggen. Door haar verlegenheid had ze dat nooit gedurfd.
"Ik wil u graag nog één ding vragen, mijn lieve heer en meester," zei ze, "wilt u niet wat meer thuis blijven? Ik zou dan nooit in de verleiding komen tegen uw wil te handelen. Ik zou u ook alle liefde die ik voor u voel kunnen laten blijken, zodat zich niemand meer tussen ons kan dringen."
Iedereen voelde dat heer Eskil aangenaam getroffen werd door die woorden. Hij rechtte zijn rug en het grote geluk dat hij voelde opwellen, overstraalde zijn schaamte.
Juist wilde hij zijn vrouw een liefdevol antwoord geven toen één van de opzichters van Vrouwe Rangela de zaal binnenstormde. Gejaagd vertelde hij dat Vrouwe Rangela die morgen erg vroeg naar Börtsholm was vertrokken om de bestraffing van Vrouwe Lucia bij te wonen. Onderweg was ze een paar boeren tegengekomen die haar al een tijd haatten vanwege haar tolgelden.
Toen ze zagen dat ze slechts vergezeld werd door één knecht, hadden ze die op de vlucht gejaagd. Daarna hadden ze Vrouwe Rangela van haar paard gesleurd en vermoord.
De opzichters van Vrouwe Rangela waren uitgereden om de moordenaars te grijpen en ze vroegen of ook heer Eskil mannen eropuit wilde sturen om hen te helpen. Heer Eskil stond op en zei luid en streng: "Het is wellicht het meest hoffelijk als ik eerst mijn vrouw zou antwoorden, maar eerst wil ik met Vrouwe Rangela afrekenen. Wat mij betreft mag haar dood ongewroken blijven. Ik zal mijn dienaren voor haar niet eropuit sturen, want ik ben er zeker van dat ze haar verdiende loon heeft ontvangen."
Toen hij dat had gezegd, wendde hij zich tot Vrouwe Lucia en zijn stem klonk zo teder dat velen nauwelijks konden geloven dat het dezelfde heer Eskil was, die zojuist had gesproken. "Ik wil mijn lieve vrouw zeggen dat ik haar graag vergeef en dat ik hoop dat ze mij mijn woede wil vergeven. Over haar wens het volgende: Ik zal de koning vragen een andere raadsman te kiezen, want ik wil twee edele vrouwen gaan dienen. De ene is mijn vrouw en de andere de heilige Lucia van Syracuse, voor wie ik in alle kerken en kapellen op mijn bezit, altaren zal oprichten. Ik zal haar bidden dat wij die in de koude van het Noorden wonen, vroom mogen blijven en de ster van barmhartigheid zullen blijven volgen. Als in mijn jeugd op dertien december 's morgens vroeg de koude en duisternis nog over Varmland lagen, kwam de heilige Lucia van Syracuse alle huizen die tussen de Noorse rotsen en de Gullspangsalv lagen, binnen. Ook toen droeg ze, zoals alleen kinderogen konden zien, een gewaad dat van wit sterrenlicht gemaakt leek. In haar hand had ze een krans van oplichtende bloemen en nog altijd wekte ze de slapenden met een warme geurige drank uit haar koperen kan.
Géén gebeurtenis was mij dierbaarder dan wanneer de deur openging en zij het donker van mijn kamer binnenkwam. Ik zou willen dat ze altijd de boerderijen van Varmland zal blijven bezoeken. Want zij is het licht dat de duisternis bedwingt, zij is de legende die de vergetelheid overwint en zij is de warmte van het hart die koude, ijzige landen midden in de winter liefelijk en zonnig maakt.
In het dorpje Brangoly in Enveitg leefde eens een boerenzoon - Pastor heette hij - die elke dag met de grote kudde schapen en geiten van zijn vader het gebergte in trok. Hij was een mooie jongen met een paar schitterende ogen en krullend zwart haar. Alle jonge meisjes keken hem verlangend na, als ze hem voorbij zagen trekken met zijn kudde, maar hijzelf merkte daar niets van. Nog nooit had een van haar ook maar de minste indruk op hem gemaakt, nog nooit had de liefde zijn hart sneller doen kloppen.
Maar eens, toen hij met een zak zout op zijn rug door het gebergte zwierf, ging hij een poosje zitten rusten tussen de hoge, witbloeiende heidestruiken en wou juist zijn geiten en schapen tot zich roepen om hun ieder een handjevol zout te geven, toen hij opeens, vlak bij de plek waar hij zat, een welluidend gezang vernam. Hij drukte de hand stijf tegen de mond als om zichzelf te beletten zijn kudde te fluiten, en kroop zachtjes naar een plek vanwaar hij, tussen twee hoge heidestruiken door, zeker wel zou kunnen zien, wie daar zong.
En jawel! Daar zaten drie beeldschone jonge meisjes in 't gras, en die zongen met haar lieflijke stemmen de ene oude Catalaanse ballade na de andere. Pastor kende ze héél goed, die liederen. Hij zong ze zelf ook dikwijls als hij met zijn kudde langzaam tegen de bergen opklauterde. Maar nee - zo mooi had hij nooit gedacht, dat ze waren! Ze klonken nu geheel anders, en toch waren 't dezelfde woorden en dezelfde wijzen!
Hij kon 't niet laten! Hij sprong op, drong tussen de struiken door en vroeg de zangeressen, of ze er iets op tegen hadden dat hij haar een poosje gezelschap hield. O nee, volstrekt niet, dan moest hij maar een eindje met ze oplopen, de berg op, want ze hadden zich al lang genoeg opgehouden en moesten nu naar huis terugkeren.
Goed, Pastor floot zijn kudde en - met al de dieren achter zich aan - liep hij weldra het bospad op naast het mooiste van de drie meisjes. Blauwe ogen had ze en haar blonde lokken golfden in rijke overvloed over haar schouders. Blank als de sneeuw op de top van de Canigou was haar hals, teder rozerood als pas ontloken amandelbloesems haar zachte wangen. Dat was wat anders dan de bruine, zwartogige schoonheden van zijn dorpje!
Voor het eerst van zijn leven voelde de jonge herder een grote liefde opwellen in zijn hart, en nadat hij een poos naast het wonderschone meisje had voortgelopen en met haar had gepraat over - ja, waarover? Dat wist hij zelf niet meer, maar wel groeide in hem de overtuiging dat hij zonder dit lieflijke wezen niet langer zou kunnen leven.
Hij vroeg haar of ze met hem wou trouwen. Zijn vader was rijk, zei hij, en zeer geacht in de gehele omtrek. Ze zou een goed leven bij hem hebben! Maar - o schrik! - in plaats van hem te antwoorden of hem om de hals te vallen, zoals hij verwacht had, begon me dat meisje te lachen - te lachen - alsof ze nooit weer zou kunnen uitscheiden. Pastor kon geen woord uitbrengen, zo ontsteld was hij. Zoiets had hij helemaal niet verwacht!
Eindelijk scheen ze toch medelijden met hem te krijgen en zei: "O herder, o herder, hoe krijg je het toch in je hoofd, mij dat te vragen? Ik bewonder je moed, dat moet ik zeggen, en, omdat je zo'n aardige jongen bent, wil ik je tenminste een kans geven. Luister goed, herder: als je mij tot vrouw wilt hebben, moet je bij me komen - niet nuchter, maar ook niet gevoed; niet gekleed, maar ook niet naakt; niet te voet, maar ook niet te paard."
En eer nog de arme jongen van zijn verbazing bekomen was, waren de drie mooie meisjes opeens spoorloos verdwenen. Als in een droom floot hij zijn kudde en liep verder; maar nog altijd klonk dat heldere lachen hem in de oren, en aldoor moest hij er over nadenken wat die vreemde opdracht, die het meisje hem had gegeven, toch moest betekenen. Het leek wel een raadsel! Maar hoe hij ook dacht en dacht - hij kon de oplossing niet vinden. Maar - het meisje opgeven? Nee, dat nooit! Hij wou en zou haar tot vrouw hebben, dat stond vast!
Nadat hij die avond zijn kudde thuis had gebracht, sloop hij stilletjes naar het rotshol, waarin hij wist dat een oude toverheks huisde, die dikwijls door verliefde jongens en meisjes werd geraadpleegd. En zie, het oude wijf wist al precies, wat er die dag met hem gebeurd was en wat hij van haar wou weten!
"De drie jonge meisjes, die je vandaag in 't gebergte hebt ontmoet, waren feeën," zei ze. "Je hebt dus, zonder het te weten, een fee ten huwelijk gevraagd en 't is geen kwaad teken, dat ze je nog een kansje heeft gegeven om haar tot vrouw te krijgen, al denkt ze dan ook vast en zeker, dat jij het raadsel, dat ze je opgaf, onmogelijk zult kunnen oplossen. Maar - wacht maar, jongeman, de oude Melitta is er ook nog en zij zal je zeggen, wat je doen moet! Je mag niet nuchter zijn en toch niet verzadigd - goed, dan neem je drie of vier gerstekorrels in je mond, maar zonder ze door te slikken. Dan is die vraag al opgelost. Verder moet je niet naakt zijn, maar toch ook niet gekleed. Goed, je trekt al je kleren uit en wikkelt je in je vaders visnet, en, als je niet te voet mag komen en ook niet te paard, dan neem je eenvoudig de sterkste geit uit je vaders kudde, en rijdt op haar rug naar de afgesproken plaats. Nu, wat zeg je daarvan?"
"Ik zeg dat je knap bent, oude Melitta, en hier heb je twee goudstukken voor je goeden raad!"
Hoe schrok de fee, toen ze hem de volgende dag zag verschijnen op de plek, waar ze elkaar de eerste keer hadden ontmoet, gekleed en niet gekleed in een open visnet, niet te voet en niet te paard, maar rijdend op een geit, en met zijn vinger wijzend op de gerstekorrels, die op zijn tong lagen, zodat hij niet nuchter kon genoemd worden en ook niet verzadigd.
"Ja," zei ze eindelijk, "nu je mijn raadsel hebt opgelost, moet ik mijn belofte wel houden en je vrouw worden, al begrijp ik dan natuurlijk best, dat het de oude Melitta moet zijn geweest, die je geholpen heeft. Maar alleen onder één voorwaarde zal ons huwelijk gelukkig zijn. Luister dus goed naar wat ik je ga zeggen en doe alles precies zo! Alleen dan loopt alles goed af. Ik zal na de bruiloft met je meegaan naar je huis te Enveitg. Maar pas op dat je onderweg niet omkijkt, al hoor je ook een hels lawaai achter je. Want als je dat doet, zal het je later berouwen. Heb je dit goed begrepen, Pastor?"
"Ja, ik heb het goed begrepen en ik zal heus niet omkijken."
"Goed, maar nu komt het voornaamste nog. Let goed op, Pastor! Wat ik ook ooit moge doen en hoe boos je ook op me mag zijn, pas op, pas op, dat je nooit tegen me zegt: 'Ja no serias dona de fum ni dona d'aygua (dit is Catalaans en het betekent: 'Je kunt niets anders zijn dan een vrouw van rook of een vrouw van water'), want een fee mag nooit bij haar naam worden genoemd. Heb je dit goed begrepen?"
"Ja, dat heb ik en ik beloof je, deze woorden nooit te zullen uitspreken."
De bewoners van het dorpje Brangaly waren buiten zichzelf van verbazing en blijdschap, toen ze allen op de bruiloft van Pastor, de rijke boerenzoon, werden genodigd. En toen een vrolijk klokgelui de mensen naar de kerk riep om de huwelijksmis te horen lezen, liep het kleine kerkje zo vol, dat velen moesten staan. En toen daarna op het dorpsplein werd gedanst en feest gevierd ter ere van de jonggehuwden, en de rijke boer de wijn in stromen liet vloeien, was ieder in zijn schik - behalve de jonge meisjes, die graag zelf de knappe Pastor hadden willen trouwen! Maar zelfs die fleurden langzamerhand op en 't werd een feest, zo vrolijk, dat niemand het ooit weer vergat.
Na afloop van het dansen trok Pastor de arm van zijn jonge vrouw door de zijne en samen liepen ze door de stille nacht naar het huis, dat voor hen was ingericht.
Ze zeiden geen woord, zo gelukkig waren ze. Maar pas waren ze binnen de omheining van het voorplein gekomen, of Pastor vernam op eens een onbeschrijfelijk lawaai. 't Leek wel, of alle soorten van dieren door elkaar loeiden, hinnikten, blaatten, mekkerden en met klokjes klingelden! Zou al het vee uit het gehele dorp misschien losgebroken zijn, terwijl de mensen aan het feestvieren waren?
Bij deze gedachte vergat hij zijn belofte om niet om te kijken, wat er ook mocht gebeuren. Hij wendde het hoofd om en zag nu dat het halve voorplein vol vee was, bestuurd door een aantal jonge herders. Juist wilden nog een massa paarden en koeien de poort binnengaan, maar tengevolge van zijn omkijken flapte die plotseling dicht; de dieren bleven buiten en waren weldra verdwenen!
"Zie je nu wel?" zei zijn vrouw bedroefd. "Nu heb je toch omgekeken en daardoor is al dat vee daarbuiten, dat anders ons eigendom zou zijn geworden, je ontgaan."
"Maar… maar…" stotterde Pastor, "die andere koeien, geiten en schapen dan, die binnen de poort zijn?"
"Die mogen we gelukkig behouden," zei de fee opgewekt, "en laten we daar nu maar dankbaar voor zijn en niet tobben over wat we door jou schuld hebben verloren."
Nu ja, ze waren in elk geval rijk genoeg en leefden lange tijd gelukkig en tevreden. Nooit kibbelden ze met elkaar, zodat Pastor geen gelegenheid werd gegeven om ook zijn tweede belofte te breken.
Twee kinderen kregen ze: een jongen en een meisje, en de fee had er nog nooit een ogenblik berouw over gehad dat ze met een mens was getrouwd, totdat... ja, totdat Pastor eens naar Spanje ging om zijn kudden, die daar in de warmere luchtstreek de gehele winter hadden gegraasd, terug te gaan halen.
Pas was hij vertrokken of de fee, die meer zag dan de mensen om haar heen, keek eens naar de lucht en ontdekte daar de voortekenen van een geweldige hagelstorm. Dadelijk gaf ze haar knechten bevel de oogst, al was die dan ook nog niet geheel rijp, in alle haast binnen te halen. De buren lachten haar uit, maar ze ging kalm haar gang en enige dagen later was al het koren gemaaid, aan schoven gebonden, en veilig in de schuren geborgen.
Maar even voordat het noodweer, dat zijn vrouw had zien aankomen, losbrak, kwam Pastor uit Spanje terug. Hij wist niet wat hij zag, toen hij merkte dat al zijn koren van het veld verdwenen was en de schuren vol halmen, waarvan sommige nog groen zagen. Zonder zich de tijd te gunnen om zijn vrouw te vragen waarom ze dit zo had laten gebeuren, liet hij zich door zijn drift overmeesteren en riep haar toe, zodra hij haar zag: "Ja no serias dona de fum ni dona d'aygua!"
Wee, wee, opnieuw had hij zijn gelofte verbroken en de fee zweefde weg door de schoorsteen nog eer hij haar kon tegenhouden! Op hetzelfde ogenblik brak de hagelstorm, die ze had zien aankomen, los, en verwoestte alle korenvelden van hun buren.
Nu was Pastor dankbaar genoeg dat zijn oogst, hoewel nog wat groen, veilig in de schuren geborgen was - dankzij de helderziendheid van zijn vrouw. Hij bad en smeekte haar, toch tot hem terug te keren, haar bezwerend dat hij 't heus niet boos had gemeend! Maar het hielp hem geen zier. Zijn lieve vrouw was en bleef weg!
Alleen haar kindertjes bezocht ze tweemaal in de week. Dan baadde zij ze zorgvuldig en liefkoosde ze net zolang, tot haar tijd verstreken was. Dan moest ze hen weer verlaten, of ze wilde of niet; maar elke keer liet ze hen vast beloven, aan geen mens iets te zullen zeggen van haar bezoeken.
Een tijdlang hielden ze zich dan ook stil, maar eens, toen zijn dochtertje zag hoe bedroefd haar vader was, troostte ze hem door hem te vertellen dat moedertje niet dood was, want dat ze haar en haar broertje elke week tweemaal kwam bezoeken. Nu kreeg Pastor weer hoop! "Let op, meisje," zei hij, "en als je moeder nu weer bij jullie is, naai dan stilletjes haar rokken aan de jouwe vast, zodat ze niet dadelijk weg kan lopen als ze mij ziet."
Het kind deed dit heel gehoorzaam, maar toen Pastor de kamer binnenkwam, waar ze bij de kinderen moest zijn, zag hij haar niet. "Zeg, kind, waar is je moeder dan toch?" vroeg hij zijn dochtertje. "Hier staat ze immers," was het antwoord, "ziet u dan niet hoe ze bezig is het naaisel los te tornen, waarmee haar rok aan de mijne vastzit?"
Ach nee, Pastor zag niets, hoe hij ook zijn ogen inspande! En er was ook niets te zien, want de fee was reeds verdwenen… verdwenen voor altijd!
Toen Jezus geboren was in Betlehem in Judea, tijdens de regering van Herodes, kwamen er magiërs uit het Oosten in Jeruzalem aan. Ze vroegen: "Waar is de pasgeboren koning van de Joden? Wij hebben namelijk zijn ster zien opgaan en zijn gekomen om hem eer te bewijzen." Koning Herodes schrok hevig toen hij dit hoorde, en heel Jeruzalem met hem. Hij riep alle hogepriesters en schriftgeleerden van het volk samen om aan hen te vragen waar de messias geboren zou worden. "In Betlehem in Judea," zeiden ze tegen hem, "want zo staat het geschreven bij de profeet: 'En jij, Betlehem in het land van Juda, bent zeker niet de minste onder de leiders van Juda, want uit jou komt een leider voort die mijn volk Israël zal hoeden.'"
Daarop riep Herodes in het geheim de magiërs bij zich; hij wilde precies van hen weten wanneer de ster zichtbaar geworden was, en stuurde hen vervolgens naar Betlehem met de woorden: "Stel een nauwkeurig onderzoek in naar het kind. Stuur mij bericht zodra u het gevonden hebt, zodat ook ik erheen kan gaan om het eer te bewijzen."
Nadat ze geluisterd hadden naar wat de koning hun opdroeg, gingen ze op weg, en nu ging de ster die ze hadden zien opgaan voor hen uit, totdat hij stil bleef staan boven de plaats waar het kind was. Toen ze dat zagen, werden ze vervuld van diepe vreugde. Ze gingen het huis binnen en vonden het kind met Maria, zijn moeder. Ze wierpen zich neer om het eer te bewijzen. Daarna openden ze hun kistjes met kostbaarheden en boden het kind geschenken aan: goud en wierook en mirre. Nadat ze in een droom waren gewaarschuwd om niet naar Herodes terug te gaan, reisden ze via een andere route terug naar hun land.
Kort nadat zij op die manier de wijk genomen hadden, verscheen er aan Jozef in een droom een engel van de Heer. Hij zei: "Sta op en vlucht met het kind en zijn moeder naar Egypte. Blijf daar tot ik je weer roep, want Herodes is naar het kind op zoek en wil het ombrengen." Jozef stond op en week nog diezelfde nacht met het kind en zijn moeder uit naar Egypte. Daar bleef hij tot de dood van Herodes, en zo ging in vervulling wat bij monde van de profeet door de Heer is gezegd: "Uit Egypte heb ik mijn zoon geroepen."
Toen Herodes begreep dat hij door de magiërs misleid was, werd hij verschrikkelijk kwaad, en afgaande op het tijdstip dat hij van de magiërs had gehoord, gaf hij opdracht om in Betlehem en de wijde omgeving alle jongetjes van twee jaar en jonger om te brengen. Zo ging in vervulling wat gezegd is door de profeet Jeremia: 'Er klonk een stem in Rama, luid wenend en klagend. Rachel beweende haar kinderen en wilde niet worden getroost, want ze zijn er niet meer.'
Nadat Herodes gestorven was, verscheen er in een droom aan Jozef in Egypte een engel van de Heer. De engel zei: "Sta op, ga met het kind en zijn moeder naar Israël. Want zij die het kind om het leven wilden brengen, zijn gestorven." Jozef stond op en vertrok met het kind en zijn moeder naar Israël. Maar toen hij daar hoorde dat Archelaüs zijn vader Herodes had opgevolgd als koning over Judea, durfde hij niet verder te reizen. Na aanwijzingen in een droom week hij uit naar Galilea. Hij ging wonen in de stad Nazaret, en zo ging in vervulling wat gezegd is door de profeten: "Hij zal Nazoreeër genoemd worden."
Vraagt de leraar aan de klas: "wat is een delicatesse?" Zegt er een: "een oester!" Goed!" zegt de leraar, Zegt er nen anderen: "een kreeft!" Goed!" zegt de leraar, Zegt Dirkske: "een kut!" Leraar heel kwaad en zegt: "brengt gij morgenvroeg uw vader maar eens mee, dan kunt ge dat eens uitleggen in't bijzijn van hem!" Volgende morgen staat Dirkske daar....... zonder zijn vader envraagt de leraar waar zijn vader is... waarop Dirkske zegt: Mijn vader zegt dat diegenen die een kut geen delicatesse vinden, jeannetten zijn en dat hij niet klapt met jeannetten!"
In de zesde maand zond God de engel Gabriël naar de stad Nazaret in Galilea, naar een meisje dat was uitgehuwelijkt aan een man die Jozef heette, een afstammeling van David. Het meisje heette Maria. Gabriël ging haar huis binnen en zei: "Gegroet Maria, je bent begenadigd, de Heer is met je." Ze schrok hevig bij het horen van zijn woorden en vroeg zich af wat die begroeting te betekenen had. Maar de engel zei tegen haar: "Wees niet bang, Maria, God heeft je zijn gunst geschonken. Luister, je zult zwanger worden en een zoon baren, en je moet hem Jezus noemen. Hij zal een groot man worden en Zoon van de Allerhoogste worden genoemd, en God, de Heer, zal hem de troon van zijn vader David geven. Tot in eeuwigheid zal hij koning zijn over het volk van Jakob, en aan zijn koningschap zal geen einde komen."
Maria vroeg aan de engel: "Hoe zal dat gebeuren? Ik heb immers nog nooit gemeenschap met een man gehad." De engel antwoordde: "De heilige Geest zal over je komen en de kracht van de Allerhoogste zal je als een schaduw bedekken. Daarom zal het kind dat geboren wordt, heilig worden genoemd en Zoon van God. Luister, ook je familielid Elisabet is zwanger van een zoon, ondanks haar hoge leeftijd. Ze is nu, ook al hield men haar voor onvruchtbaar, in de zesde maand van haar zwangerschap, want voor God is niets onmogelijk." Maria zei: "De Heer wil ik dienen: laat er met mij gebeuren wat u hebt gezegd." Daarna liet de engel haar weer alleen.
DE GEBOORTE VAN JEZUS
In die tijd kondigde keizer Augustus een decreet af dat alle inwoners van het rijk zich moesten laten inschrijven. Deze eerste volkstelling vond plaats tijdens het bewind van Quirinius over Syrië. Iedereen ging op weg om zich te laten inschrijven, ieder naar de plaats waar hij vandaan kwam. Jozef ging van de stad Nazaret in Galilea naar Judea, naar de stad van David die Betlehem heet, aangezien hij van David afstamde, om zich te laten inschrijven samen met Maria, zijn aanstaande vrouw, die zwanger was. Terwijl ze daar waren, brak de dag van haar bevalling aan, en ze bracht een zoon ter wereld, haar eerstgeborene. Ze wikkelde hem in een doek en legde hem in een voederbak, omdat er voor hen geen plaats was in het nachtverblijf van de stad.
Niet ver daarvandaan brachten herders de nacht door in het veld, ze hielden de wacht bij hun kudde. Opeens stond er een engel van de Heer bij hen en werden ze omgeven door het stralende licht van de Heer, zodat ze hevig schrokken. De engel zei tegen hen: "Wees niet bang, want ik kom jullie goed nieuws brengen, dat het hele volk met grote vreugde zal vervullen: vandaag is in de stad van David voor jullie een redder geboren. Hij is de messias, de messias, de Heer. Dit zal voor jullie het teken zijn: jullie zullen een pasgeboren kind vinden dat in een doek gewikkeld in een voederbak ligt." En plotseling voegde zich bij de engel een groot hemels leger dat God prees met de woorden: "Eer aan God in de hoogste hemel en vrede op aarde voor alle mensen die hij liefheeft."
Toen de engelen waren teruggegaan naar de hemel, zeiden de herders tegen elkaar: "Laten we naar Betlehem gaan om met eigen ogen te zien wat er gebeurd is en wat de Heer ons bekend heeft gemaakt." Ze gingen meteen op weg, en troffen Maria aan en Jozef en het kind dat in de voederbak lag. Toen ze het kind zagen, vertelden ze wat hun over dat kind was gezegd. Allen die het hoorden stonden verbaasd over wat de herders tegen hen zeiden, maar Maria bewaarde al deze woorden in haar hart en bleef erover nadenken. De herders gingen terug, terwijl ze God loofden en prezen om alles wat ze gehoord en gezien hadden, precies zoals het hun was gezegd. Toen er acht dagen verstreken waren en hij besneden zou worden, kreeg hij de naam Jezus, die de engel had genoemd nog voordat hij in de schoot van zijn moeder was ontvangen.
Er was eens een man die het kerstfeest grondig wilde vieren. Hij haalde een laddertje uit de schuur en spande langs het plafond de rode papieren slingers die daarvoor garant zijn. Aan de lamp hing hij een van die rode bellen, die opgevouwen weinig lijken, maar naderhand nog aardig meevallen. Toen dekte hij de tafel. Hij had hiervoor urenlang over drie winkels verdeeld in de rij gestaan, maar het zag er dan ook goed uit. Naast elk bord stak hij ten slotte een kaarsje aan, waarvan je er tien in een doos koopt, en klapte in zijn handen. Dit was het teken om binnen te komen. Zijn vrouw en kinderen, die al die tijd in de keuken elkaar met een verlegen glimlach hadden aangekeken, kwamen bedremmeld binnen.
"Nee maar," zeiden ze, "dat had je niet moeten doen."
Maar omdat hij het toch gedaan had gingen ze blij zitten en keken elkaar warm aan.
"En nu gaan we niet alleen smullen," zei de man, " we moeten ook beseffen wat er nu eigenlijk gebeurd is."
En hij las voor hoe Maria en Jozef alle herbergen afliepen, maar nergens was er plaats. Maar het kind werd ten slotte toch geboren, zij het in een stal. En toen begonnen ze te eten, want nu mocht het, al was er dan veel ellende in de wereld.
"Kijk," zei de man "dat is nu Kerst vieren en zo hoort het eigenlijk." En daarin had hij gelijk. En zij verwonderden zich over de hardvochtigheid van al die herbergiers, maar het was ook tweeduizend jaar geleden moet je denken, zo iets kwam nu niet meer voor. En op dat ogenblik werd er gebeld. De man legde de banketstaaf die hij juist aan de mond bracht, verstoord weer op zijn bord.
"Dat is nu vervelend," zei hij, "er is ook altijd wat." Hij knoopte zijn servet los, sloeg de kruimels van zijn knie en slofte naar de voordeur.
Er stond een man op de stoep met een baard en heldere, lichte ogen. Hij vroeg of hij hier ook schuilen mocht, want het sneeuwde zo. Het was namelijk een witte Kerst, dat heb ik nog vergeten te zeggen, hoe kan ik zo dom zijn. De beide mannen keken elkaar een ogenblik zwijgend aan en toen werd de een door een grote drift bevangen. "Uitgerekend op Kerstmis," zei hij, "zijn er geen andere avonden." En hij sloeg de deur hard achter zich dicht. Maar terug in de kamer kwam er een vreemd gevoel over hem en de tulband smaakte hem niet. "Ik ga nog eens even kijken," zei hij, "er is iets gebeurd, maar ik weet niet wat." Hij liep terug naar de stoep en keek in de warrelende sneeuw. Daar zag hij de man nog juist om de hoek verdwijnen, met een jonge vrouw naast zich, die zwanger was.
Hij holde naar de hoek en tuurde de straat af, maar er was niemand meer te zien. Die twee leken wel in de sneeuw te zijn opgelost. Want het was, zoals gezegd, een witte Kerst. Toen hij weer in de kamer kwam zag hij bleek en er stonden tranen in zijn ogen. "Zeg maar even niets," zei hij, "die wind is wat schraal, het gaat wel weer over." En dat was ook zo, men moet zich over die dingen kunnen heen zetten. Het werd nog een heel prettig Kerstfeest, het was in jaren niet zo echt geweest. Het bleef sneeuwen, de hele nacht door en zelfs het kind werd opnieuw in een schuur geboren.
Ontdek de unieke kerstsfeer van de Gentse binnenstad. Bij de kraampjes op de kerstmarkt in Gent doet u leuke ideeën op voor cadeautjes en kerstdecoraties. Op de ijspiste van het Emile Braunplein beleeft u met het gezin volop ijspret.
Leuke tips Proef Belgische wafels en authentieke poffertjes bij een van de vele kraampjes op het Sint-Baafsplein. Trek uw schaatsen aan en draai pirouettes op de ijspiste in de schaduw van het Belfort. Na afloop geniet u van een beker warme chocolademelk of een heerlijk glaasje glühwein op de kerstmarkt in Gent.
Openingstijden Kerstmarkt in Gent Van 12 t/m 30 december 2010. Maandag t/m vrijdag 13.00 tot 21.00 uur. Zaterdag en zondag 11.00 tot 21.00 uur. Op kerstavond gesloten.
Ik was klaar met het schrijven van mijn kerstverhaal. Ik wierp mijn pen neer, stond op van mijn lessenaar, en begon op en neer te lopen in mijn kamer. Het was nacht en buiten gierde de sneeuwstorm. Ik hoorde vreemde geluiden, het leek wel een zacht gefluister of zuchten dat van de straat binnendrong door de muren van mijn kleine kamertje, dat voor driekwart gehuld was in duistere schaduwen. Het was de door de wind opgejaagde sneeuw, die langs de muren schuurde en tegen de ruiten sloeg.
Een licht, wit, vreemd voorwerp vloog voorbij mijn venster en verdween; er ging een koude huivering door mij heen. Ik liep naar het raam, keek op straat, en legde mijn door het werken warm geworden hoofd tegen het koele hout.
De straat was verlaten en stil. Nu en dan nam de wind kleine doorzichtige sneeuwwolkjes op van het plaveisel en joeg ze door de lucht als draadjes van een teer weefsel.
Voor mijn venster brandde een lantaarn. Zijn vlam voerde trillend en bevend een hevig gevecht met de wind. Het flakkerende licht viel als een slagzwaard in de duisternis en de sneeuw die van het dak van het huis in het schijnsel viel, lichtte een ogenblik op als een gewaad van vonken. Mijn hart werd droevig en koud, toen ik dit spel van de wind bekeek. Ik kleedde me vlug uit, doofde de lamp en ging slapen.
Toen het licht uit was en de duisternis mijn kamer vulde, werden de geluiden duidelijker en het raam staarde mij aan als een grote witte vlek. Het onophoudelijke getik van de klok gaf het voorbijgaan van de seconden aan. Soms ging hun snelle gang verloren in het gehijg en gezoef van de sneeuw, maar spoedig hoorde ik weer het tikken van de seconden op hun weg naar de eeuwigheid. Nu en dan was hun geluid duidelijk en precies, alsof de klok in mijn eigen hoofd stond.
Ik lag in bed en dacht na over het verhaal dat ik juist voltooid had en ik vroeg mij af of het een succes was.
In dit verhaal vertelde ik over twee bedelaars, een blinde oude man en zijn vrouw, die stil en teruggetrokken een leven leidden dat hun niets dan angst en vernedering bracht. Op de ochtend voor Kerstmis hadden ze hun dorp verlaten om in de nabijgelegen nederzettingen aalmoezen te vragen om de volgende dag de geboorte van Christus feestelijk te kunnen vieren.
Ze verwachtten de dorpen in de buurt te bezoeken en weer thuis te zijn voor de vroege ochtenddienst met hun manden vol gaven, die hun om Christus" wil waren uitgereikt.
Hun verwachtingen (zo vervolgde ik mijn verhaal) werden natuurlijk teleurgesteld. De gaven die ze ontvingen waren karig en het was heel laat toen het paar, vermoeid van de tocht van die dag, ten slotte besloot naar hun koude lemen hut terug te keren. Met een lichte last op hun schouders en een groot verdriet in hun hart, strompelden ze langzaam over de besneeuwde vlakte; de oude vrouw liep voorop, de oude man hield haar ceintuur vast en volgde haar.
Het was een donkere nacht, de lucht was bedekt met wolken en voor de twee oude mensen was het dorp nog veraf.
Hun voeten zonken in de sneeuw, die door de wind werd opgejaagd en die in hun gezicht striemde. Zwijgend en rillend sleepten ze zich voort. Moe en verblind door de sneeuw, was de oude vrouw van de weg afgeraakt en nu liepen ze doelloos rond in het open veld. "Zijn we nu gauw thuis? Zorg dat we op tijd komen voor de vroegmis!" mompelde de blinde man achter de vermoeide schouders van zijn vrouw. Ze zei dat ze spoedig thuis zouden zijn en een nieuwe huivering van kou ging door haar heen. Ze wist dat ze de weg was kwijtgeraakt, maar dat durfde ze haar man niet te vertellen. Nu en dan leek het of de wind het geluid van hondengeblaf meevoerde, en dan liep ze de richting in waar dat geluid vandaan kwam. Maar al spoedig hoorde ze het geluid van de andere kant. Ten slotte begonnen de krachten haar te begeven.
"Vergeef mij, vadertje, vergeef mij om Christus' wil. Ik ben van de weg afgedwaald en ik kan niet meer. Ik moet gaan zitten."
"Je zult doodvriezen," antwoordde hij.
"Laat me even uitrusten. En als we doodvriezen, wat dan nog? Het leven op aarde is echt niet prettig."
De oude man slaakte een diepe zucht en gaf toe.
Ze gingen in de sneeuw zitten met hun ruggen tegen elkaar en leken wel twee hoopjes vodden, een speelbal van de wind. Wolken sneeuw woeien tegen hen op, ze werden bedekt door scherpe puntige kristallen en de oude vrouw, die minder dik gekleed was dan haar man, voelde algauw een merkwaardige, aangenaam aandoende warmte.
"Moeder!" roep de oude man, die rilde van de ijzige koude, "sta op, we moeten verder!" Maar ze was ingedommeld en mompelde slechts een paar onverstaanbare woorden in haar slaap. Hij probeerde haar te doen opstaan, maar had daartoe niet de kracht. "Je zult bevriezen!" schreeuwde hij en riep toen om hulp over het grote open veld.
Maar ze voelde zo warm aan, zo behaaglijk! Na enige mislukte pogingen ging de man wanhopig in de sneeuw zitten.
Hij was nu vast ervan overtuigd dat alles wat hem overkwam opzet was van God en dat er voor hem en zijn bejaarde vrouw geen uitweg meer was. De wind warrelde en danste uitgelaten om hen heen, bedekte hen speels met een laag sneeuw en speelde een vrolijk en guitig spel met de lompen die hun oude ledematen, die moe waren van een lang leven van armoede, bedekten. De oude man werd nu ook doorstroomd door een behaaglijk gevoel van warmte.
Plotseling hoorde hij hoe de wind het mooie, plechtige en melodieuze geluid van kerkklokken meevoerde.
"Moeder!" riep hij, "er wordt geluid voor de vroegmis. Vlug, laten we gaan!" Maar zij was reeds daar, waarvan geen terug meer is. "Hoor je? De klokken luiden, zeg ik je. Sta op! O, we komen vast te laat!" Hij probeerde op te staan, maar merkte dat hij zich niet bewegen kon.
Toen begreep hij dat zijn einde nabij was en hij begon stil te bidden: "Heer, wees genadig voor de zielen van Uw dienaren! Wij waren beiden zondaren. Vergeef ons, o Heer! Wees barmhartig voor ons!"
Toen leek het alsof van over het veld in een lichte schitterende wolk van sneeuw een stralende tempel van God naar hem toegedreven kwam: een zeldzaam mooie, wonderbaarlijke tempel.
Hij bestond helemaal uit vurige mensenharten en zelf had hij ook de vorm van een hart, en in het midden stond op een hoog voetstuk Christus in eigen persoon. Bij dit visioen stond de oude man op en knielde op de drempel van de tempel. Nogmaals zag hij hetzelfde droombeeld en hij keek naar de Redder en Zaligmaker. En van zijn hoge plaats sprak Christus met een vriendelijke melodieuze stem: "Harten die vervuld zijn van een vurig medelijden zijn de grondvesten van mijn tempel, u die in uw leven gesnakt hebt naar medelijden, die ongelukkig geweest bent en vernederd, treedt binnen in de Eeuwige Vrede!"
"O Heer!" sprak de oude man, toen hij weer zien kon, en hij huilde opgewonden van vreugde, "U bent het werkelijk, Heer!"
En Christus glimlachte welwillend naar de oude man en zijn levensgezellin, die weer tot leven gewekt was door de glimlach van de Heiland. En zo vroren de beide bedelaars dood in het open, besneeuwde veld.
Ik dacht na over de verschillende gebeurtenissen uit het verhaal en vroeg mij af of het vlot en roerend genoeg was om het medelijden van de lezer op te wekken.
Het leek me dat ik die vraag bevestigend kon beantwoorden, dat het onmogelijk het door mij gewenste doel kon missen.
Met deze gedachte viel ik in slaap en ik was tevreden met mezelf.
De klok bleef maar tikken en in mijn slaap hoorde ik het gieren en brullen van de sneeuwstorm, die steeds heviger werd. De lantaarn woei uit. De storm buiten bracht steeds nieuwe geluiden voort. De luiken van de vensters rammelden. De takken van de boom die voor de deur stond sloegen tegen het metalen dak.
Een gezucht, een gegrom, een gehuil, een gebrul en een gefluit weerklonk, en dit alles verenigde zich nu eens tot een droevige melodie, die het hart verdrietig maakte, dan weer tot een zacht wijsje als van een wiegeliedje.
Het had de uitwerking van een fantastisch verhaal dat de ziel scheen te betoveren.
Maar plotseling, wat was dat? In het nauwelijks zichtbare venster werd een blauwachtig fosforiserend licht zichtbaar, en het venster zelf werd groter en groter, tot het ten slotte de afmetingen van de hele muur had aangenomen. In het blauwe licht dat de kamer vervulde, verscheen plotseling een dikke witte wolk, waarin helle vonken gloeiden als ontelbare ogen. Alsof de wind ermee speelde, draaide de wolk in 't rond, begon op te lossen, werd langzaam doorzichtig, viel uiteen in kleine stukjes en blies een ijzige koude in mijn lichaam, die mij angstig maakte. Iets als een ontevreden, nijdig gemompel steeg op uit de wolkenflarden, die zich steeds scherper aftekenden en vertrouwde vormen aannamen.
Daar in de hoek was een troep kinderen, of liever, het waren de schaduwen van kinderen en daarachter verscheen een oude man met een grijze baard, die omgeven was door vrouwencontouren. Waar komen die schaduwen vandaan? Wat willen ze? waren de vragen die door mijn hoofd schoten, terwijl ik angstig naar deze verschijningen staarde.
"Waar we vandaan komen?" was het plechtige antwoord van een ernstige, barse stem. "Ken je ons niet? Denk eens na!" Zwijgend schudde ik mijn hoofd. Ik kende ze niet. Ze bleven door de lucht zweven in een ritmische beweging alsof ze een plechtige dans uitvoerden op het gezang van de storm.
Half doorzichtig, en nauwelijks te onderscheiden, warrelden ze luchtig en geluidloos om mij heen, en plotseling zag ik in hun midden de blinde oude man, die de ceintuur van de bejaarde vrouw vasthield. Diep voorover gebogen strompelden ze me voorbij met een verwijtende blik in hun ogen.
"Herken je ze nu?" vroeg dezelfde plechtige stem. Ik wist niet of het de stem van de storm was of de stem van mijn geweten, maar hij had een bevelende klank, die geen tegenspraak duldde.
"Ja, dat zijn ze," vervolgde de Stem, "de droevige helden van je succesvolle verhaal. En al die anderen zijn ook helden uit je kerstverhalen - kinderen, mannen en vrouwen, die je laat doodvriezen om je publiek te amuseren. Kijk eens hoeveel er zijn en hoe meelijwekkend ze er uitzien, de vruchten van je verbeelding!"
Er kwam beweging in de onvaste vormen en twee kinderen, een jongen en een meisje, traden op de voorgrond. Ze leken op twee bloemen van sneeuw of op het schijnsel van de maan.
"Deze kinderen," sprak de Stem, "heb je laten doodvriezen onder het venster van het rijke huis, waarin de schitterende kerstboom straalde. Ze stonden te kijken naar de boom - herinner je het je? - en ze zijn bevroren." Geluidloos zweefden mijn arme kleine helden langs mij heen en verdwenen. Ze schenen op te lossen in het blauwe, nevelachtige licht. In hun plaats verscheen een vrouw met een ongelukkig, uitgeteerd gezicht.
"Dit is de arme vrouw die zich naar haar huis in het dorp haastte op kerstavond om haar kinderen een paar goedkope kerstcadeautjes te brengen. Ook haar heb je laten doodvriezen."
Beschaamd en angstig staarde ik naar het gezicht van de vrouw. Ook zij verdween en in haar plaats kwamen nieuwe verschijningen. Ze waren allemaal droevige, zwijgende spookbeelden met een uitdrukking van onzegbaar leed in hun sombere blik.
En weer hoorde ik de plechtige Stem op duidelijke, onverstoorbare toon spreken: "Waarom heb je die verhalen geschreven? Is er niet genoeg werkelijk, tastbaar en zichtbaar leed in de wereld, dat jij beslist nog meer ellende en droefheid moet uitvinden en je verbeelding moet inspannen om nog wat opwindende en realistische verhalen neer te schrijven? Waarom doe je dat? Wat bedoel je ermee? Wil je de mensen al de vreugde in het leven ontnemen? Wil je hun het laatste restje vertrouwen in het goede ontnemen door hun alleen het kwaad te laten zien? Waarom laatje in je kerstverhalen jaar in jaar uit nu eens kinderen en dan weer volwassenen doodvriezen? Waarom? Wat heb je daarmee voor?"
Ik stond versteld van deze vreemde aanklacht. Iedereen schrijft kerstverhalen in dezelfde geest. Je neemt een arme jongen en een arm meisje, of iets dergelijks, en dan laatje ze doodvriezen onder een of ander venster, waarachter gewoonlijk een prachtige kerstboom staat, die zijn schitterende licht op hen afstraalt. Dat is mode geworden en ik heb die mode gevolgd... In die zin antwoordde ik. "Als ik die mensen laat doodvriezen," zei ik, dan doe ik dat met de beste bedoelingen van de wereld. Door hun doodsstrijd te schilderen, wek ik menselijke gevoelens bij" het publiek op voor deze ongelukkigen. Ik wil het hart van mijn lezers ontroeren, dat is alles."
Er ging een vreemde opwinding door de menigte spookverschijningen, alsof ze spottend een protest tegen mijn woorden wilden aanheffen.
"Zie je hoe ze lachen?" zei de geheimzinnige Stem.
"Waarom lachen ze?" vroeg ik nauwelijks hoorbaar.
"Omdat je zulke onzin praat. Je wilt edele gevoelens in de harten van je lezers opwekken door de uitbeelding van de ellende, terwijl ze de werkelijke ellende dagelijks om zich heen zien. Bedenk eens hoe lang de mensen al geprobeerd hebben edele gevoelens wakker te roepen in het hart van andere mensen, bedenk eens hoeveel mensen voor jou hun genie daarop reeds gericht hebben en kijk dan eens naar het werkelijke leven. Idioot die je bent! Als de werkelijkheid hen niet beroert, en als hun gevoelens niet gekwetst worden door de wrede onbarmhartige ellende en door de peilloze diepten van de bestaande laagheid, hoe kun je dan hopen dat de vruchten van je verbeelding hen kunnen verbeteren? Geloof je werkelijk dat je het hart van een menselijk wezen kan ontroeren door hem over een bevroren kind te vertellen? De zee van ellende slaat kapot op de dijk van harteloosheid, hij slaat er woedend tegen aan, en nu wil jij proberen hem tot kalmte te brengen door er een paar erwten in te gooien!"
De spookverschijningen begeleidden deze woorden met hun stille lach, en de storm barstte uit in een schrille en cynische lachbui; maar de Stem bleef onophoudelijk spreken. Ieder woord dat hij sprak, was als een spijker die in mijn hersenen geslagen werd.
Het werd ondraaglijk en ik hield het niet meer uit. "Het is allemaal een leugen, een leugen!" schreeuwde ik in een aanval van woede. Ik sprong uit mijn bed en viel languit in de duisternis, zakte steeds vlugger en dieper in de afgrond die zich plotseling voor mij opende.
Het fluiten, het gehuil en het gelach volgden mij in de diepte en de spoken joegen achter mij aan door de duisternis, grijnsden mij aan en bespotten mij. Ik werd 's ochtends wakker met een barstende hoofdpijn en in een heel slechte stemming. Het eerste wat ik deed was mijn verhaal van de blinde bedelaar en zijn vrouw nog eens overlezen. Toen verscheurde ik het manuscript
De tent van Elias stond dicht tegen de rotswand aan de voet van een heuvelrij. Elias had deze plek zorgvuldig uitgezocht, zodat hij en zijn gezin beschermd waren tegen de wind en de kou. Hij had lang rondgezworven met zijn vrouw Sara, hun twee zonen, hun dochtertje Mirjam en grootmoeder.
De nacht was gevallen en het gezin legde zich ter ruste. Ze waren moe van de lange reis. Maar de rust was hun niet lang gegund. Midden in de nacht kwamen er herders langs, die hen wakker maakten en vertelden dat zij engelen hadden gezien. "De engelen verkondigden dat er in een armoedige stal in Bethlehem een kind geboren is, het kindje Jezus. Wij gaan erheen om het te begroeten. Gaan jullie mee?"
Ze wilden wel meegaan, maar voor grootmoeder zou de tocht veel te vermoeiend zijn. Zij moest achterblijven, en Mirjam ook.
Het waaide hard en Elias keek nog even of de tent goed vaststond. Mirjam trok aan zijn arm en riep: "Vader, neem me alsjeblieft mee. Ik wil het kindje Jezus mijn pop geven."
Maar Elias antwoordde glimlachend: "Je kunt niet met ons meegaan. Je bent nog veel te klein. Hoor je de wind? Die zal jou en je pop als een pluisje wegblazen."
Mirjam durfde niet tegen te spreken. Verdrietig ging ze met haar pop in haar armen naar grootmoeder toe. Die zou vast wel raad weten.
"Vraag de wind of hij gaat liggen," zei grootmoeder. Ongelovig keek Mirjam haar aan. "Moet ik dat aan de wind vragen? Verstaat hij me dan?" - "O ja," zei grootmoeder, "hij zal je verstaan. En hij zal je ook antwoord geven, maar je moet heel goed luisteren." Voorzichtig lichtte grootmoeder het tentdoek op en fluisterde: "Kruip hier maar onderdoor." Mirjam stopte haar pop in haar rokzak en kroop naar buiten.
Hoeoeii! De wind had Mirjam bijna omver geblazen. Met beide handen klemde ze zich aan een tentstok vast. "Wind, lieve wind, blaas alsjeblieft niet zo hard!" riep Mirjam tegen het geweldige geruis van de storm in. "Anders kan ik niet naar Bethlehem gaan. En ik wil het kindje Jezus zo graag mijn pop geven!" Mirjam luisterde ingespannen. Had de wind haar wel gehoord? Ze durfde bijna geen adem te halen.
Plotseling ging de wind liggen. Er streek nog een klein zuchtje door Mirjams haar en van heel ver weg hoorde ze een stem die zei: "Ga, kleine Mirjam. Breng het kindje Jezus je pop. Zelfs geen briesje zal je tegenhouden."
Toen Mirjam weer onder het tentdoek door terugkroop, stond haar vader voor haar. "Waar kom jij vandaan?" vroeg hij ontstemd. "Ik was buiten, bij de wind," zei Mirjam opgewonden. "Hij heeft me beloofd te gaan liggen. Nu kan ik toch mee naar Bethlehem." - "Onzin! De wind kan niet praten."
"Maar vader, hoor je niet hoe stil het buiten geworden is?" Elias luisterde. Er was werkelijk geen zuchtje wind meer te horen. "Nee, je mag toch niet mee," zei vader. "Je zult bevriezen door de vorst." Mirjam zei niets. Ze liep naar grootmoeder toe.
"Vraag de vorst of hij weggaat," zei grootmoeder. "Vlak naast de tent is een nis in de rotswand. Daar zetelt de vorst en blaast zijn koude adem over het land." Ze lichtte het tentdoek weer op en Mirjam kroop naar buiten.
Het was bijtend koud. Mirjam huiverde, maar ze ging dapper naar de nis in de rotswand. IJskristallen glinsterden aan de wanden en van alle kanten klonk het kraken en knerpen van de vorst. Mirjam raapte al haar moed bij elkaar en riep: "Vorst, lieve vorst, blijf alsjeblieft in je hol. Anders kan ik niet naar Bethlehem gaan. En ik wil het kindje Jezus zo graag mijn pop geven!" Ze luisterde scherp. Geen gekraak en geknerp meer! Van heel ver weg klonk een stem: "Ga, kleine Mirjam. Breng het kindje Jezus je pop. Ik zal me diep in mijn hol terugtrekken."
Maar haar vader vond het nog steeds niet goed dat ze meeging. "De wilde dieren zullen je verscheuren," zei hij streng. Teleurgesteld ging Mirjam naar grootmoeder toe.
Grootmoeder keek Mirjam vriendelijk aan. "Vraag de Grote Beer of hij de wilde dieren beveelt deze nacht tam te zijn. Klim maar een stukje de heuvel op, dan komt hij vanzelf naar je toe." En weer lichtte grootmoeder het tentdoek op en kroop Mirjam met haar pop naar buiten.
Hoog aan de hemel stond het sterrenbeeld de Grote Beer. Mirjam klom een stukje de heuvel op. Wat was dat? Het leek, of de Grote Beer dichterbij kwam. Ze was wel een beetje bang, maar ze riep: "Lieve Grote Beer, wil je de wilde dieren bevelen vannacht tam te zijn? Anders kan ik niet naar Bethlehem gaan. En ik wil het kindje Jezus zo graag mijn pop geven!" De Grote Beer hief zijn klauw en bromde: "Ga, kleine Mirjam. Breng het kindje Jezus je pop. Ik zal de wilde dieren bevelen tam te zijn." - "Dank je, Grote Beer," riep Mirjam. Snel ging ze terug naar de tent.
Ze wilde vertellen wat de Grote Beer haar beloofd had, maar ze kreeg de kans niet meer. Haar vader en moeder en haar broers waren al aan het afscheid nemen. Ze wilden nu zo vlug mogelijk naar Bethlehem toe. "Wees lief en help je grootmoeder," zei vader nog tegen Mirjam. Toen waren ze plotseling verdwenen.
Huilend bleef Mirjam achter. Grootmoeder sloeg haar armen om haar heen, droogde haar tranen en zei: "Jij zult ook naar Bethlehem gaan." - "Maar ik weet de weg toch niet?" zei Mirjam.
Grootmoeder trok haar mee de tent uit. Ze wees naar de hemel: "Zie je die ster, die zo helder schijnt?" Mirjam knikte. "Volg die ster, dan kom je vanzelf in Bethlehem." Mirjam drukte haar pop tegen zich aan en ging op weg, de ster achterna.
Plotseling doemde er een grote wolf voor haar op. Mirjam schrok en bleef staan. "Klim maar op mijn rug," zei de wolf vriendelijk, "ik zal je dragen."
Toen klom Mirjam vol vertrouwen op de rug van de wolf. "Houd je goed vast, anders val je," zei de wolf. Met grote sprongen gingen ze op weg naar Bethlehem.
De ster scheen steeds helderder. En daar was de stal! "Dank je wel, lieve wolf," fluisterde Mirjam en ze streelde het dier dat haar zo snel en veilig door de nacht gedragen had. Toen ging ze naar de stal.
Voor de deur stonden Sara en Elias en haar twee broers. Mirjam aarzelde. Maar haar vader wenkte haar naderbij en nam haar bij de hand. Toen zag Mirjam het kindje Jezus. Ze ging naar de kribbe en legde haar pop in het stro. Het kindje lachte. Dat maakte Mirjam heel blij, en de anderen deelden in die vreugde
Breng een bezoek aan de prachtige Ardennen en ontdek de kerstmarkt in Durbuy! In november en december wordt Durbuy omgetoverd tot een kerstdorp met schaatsbaan waar zowel kinderen als volwassenen prachtige pirouettes kunnen draaien. Combineer uw bezoek aan de kerstmarkt met een heerlijk verblijf in de mooie Ardense natuur en kom helemaal in de kerststemming.
Leuke tips Veel restaurants in Durbuy hebben hun eigen standje op de kerstmarkt waardoor u gemakkelijk kunt genieten van de lekkerste hapjes. Proef huisgemaakte foie gras, oesters, heerlijke soepen en geniet van een kopje warme chocolademelk. U vindt de kerstmarkt in het Roi Baudoin Park, in het weekend vindt u tevens nog meer kerstkraampjes in het centrum van Durbuy. Sla leuke cadeautjes in voor thuis en maak ook eens een wandeling langs de rivier de Ourthe en leuke dorpjes in de omgeving. Bezoekt u Durbuy op 24 of 31 december? Bewonder dan zeker de grote kerstboom die op deze dagen verlicht wordt met 1000 kaarsjes.
Openingstijden Kerstmarkt Durbuy Van 27 november t/m 9 januari 2011.
Op de gezellige kerstmarkt in Brugge kijkt u uw ogen uit! Het prachtige stadshart draagt bij aan een uniek kerstgevoel. Draai een pirouette op de ijsbaan op de Markt en struin over de kerstmarkt in de omliggende straten. Ook de kerstmarkt op het Simon Stevenplein is een bezoekje meer dan waard.
Leuke tips Kersthappening is dé kerstbeurs van België. Bezoek deze beurs met volop bloemen en decoratiemateriaal. Er zijn demonstraties bloemschikken, waar u inspiratie opdoet voor een mooi kerststuk. Het Sneeuw en IJssculpturen Festival Brugge is tevens een aanrader.
Openingstijden Kerstmarkt Brugge Kerstmarkt en ijsbaan:
Van 26 november 2010 t/m 2 januari 2011. Dagelijks 11.00 tot 19.30 uur.
Sneeuw en IJssculpturen Festival Brugge: Van 26 november 2009 t/m 16 januari 2010. Dagelijks 10.00 tot 19.00 uur.
In Zwitserland leefde eens een oude graaf. Hij had maar één zoon. Maar die was dom en kon niets leren. Toen zei de vader: "Hoor eens, jongen. Ik kan niets in je hoofd krijgen; wat ik beginnen moet, ik weet het niet. Je moet weg van hier. Ik zal je bij een beroemde meester in de leer doen; die moet het maar proberen." De jongen werd naar een vreemde stad gestuurd, en bleef bij de meester een vol jaar lang. Na die tijd kwam hij weer naar huis, en de vader vroeg: "Nu, mijn zoon, wat heb je nu geleerd?"
"Vader, ik heb geleerd, wat de honden blaffen," antwoordde hij.
"De Here erbarme ons," riep de vader uit, "is dat alles, wat je geleerd hebt? Ik zal je naar een andere stad sturen, naar een andere meester." De jongen werd er heengebracht, en bleef bij deze meester ook een vol jaar. Toen hij terugkwam, vroeg de vader weer: "Jongen, wat heb je geleerd?" Hij antwoordde:
"Vader, nou heb ik geleerd, wat de vogeltjes zeggen."
Toen werd de vader boos en hij sprak: "O jij hopeloze jongen. Heb je je kostelijke tijd verdaan en niets geleerd, en schaam je je nu niet, me onder de ogen te komen? Nu zal ik je nog voor de laatste maal naar een meester sturen, de derde, maar als je nu óók nog niets leert, dan houd ik op je vader te wezen." De jongen bleef bij de derde meester weer een vol jaar. En toen hij weer thuis kwam, en de vader vroeg: "Jongen, wat heb je geleerd?" antwoordde hij:
"Vaderlief, nou heb ik in dit jaar geleerd, wat de kikkers kwaken."
Nu werd de vader werkelijk woedend; hij sprong op, riep iedereen bij zich en sprak: "Hij is mijn zoon niet meer. Ik verstoot hem; en ik gebied mijn personeel: breng hem naar het bos, en dood hem." Zij brachten hem weg, maar toen ze hem zouden doden, kregen ze teveel met hem te doen en lieten hem gaan. Van een ree namen ze ogen en tong, om de oude vader de bewijzen te brengen.
De jongeling trok de wijde wereld in en kwam na een poos aan een burcht, waar hij onderdak vroeg voor de nacht. "Ja," zei de burchtheer, "als je onder in de oude toren wilt slapen, doe het dan maar, maar ik waarschuw je: levensgevaarlijk is het; want ‘t is er vol wilde honden. Ze blaffen en huilen aan één stuk en op bepaalde tijden moeten ze een mens hebben om ‘m te verscheuren." De hele omtrek was daarover in rouw gedompeld, maar niemand kon er iets aan doen. Maar de jongen was niet bang, en zei: "Laat mij maar naar die blaffende honden in de kelder gaan, maar geef me iets om hun eerst voor te gooien; mij zullen ze niets doen." En omdat hijzelf het niet anders wilde, gaven ze hem wat te eten voor de wilde beesten en brachten hem toen onder in de toren.
Toen hij binnen kwam, blaften de honden niet tegen hem, ze kwispelden heel vrolijk met hun staarten en snuffelden aan hem; ze aten wat hij voor hun meegebracht had, en krenkten hem geen haar. De volgende morgen kwam hij tot ieders verbazing gezond en wel te voorschijn en hij vertelde aan de burchtheer: "De honden hebben me in de hondentaal gezegd, waarom ze daar zijn en het land in rep en roer brengen. Zij zijn betoverd; ze moeten een grote schat bewaken die onder in de toren ligt; en ze kunnen niet tot rust komen, voor die schat gedolven is, en hoe dat in zijn werk moet gaan, dat hebben ze me ook gewezen." Nu was ieder die dat hoorde, verheugd, en de burchtheer zei dat hij hem wilde aannemen als zoon, als hij het tot een goed einde bracht. Hij daalde weer omlaag, en omdat hij precies wist, wat er gebeuren moest, deed hij het ook en bracht een grote kist, gevuld met goud, te voorschijn. Het gehuil van de wilde honden werd sedertdien niet meer vernomen; ze waren verdwenen en het land was van de plaag bevrijd.
Na een poos kreeg hij zin naar Rome te reizen. Op reis kwam hij langs een moeras; daar zaten kikkers in en ze kwaakten. Hij luisterde, en toen hij hoorde wat ze zeiden, werd hij stil en treurig. Eindelijk bereikte hij Rome. Daar was juist de Paus gestorven, en onder de kardinalen was grote twijfel gerezen, wie ze tot opvolger zouden kiezen. Tenslotte werden ze het erover eens: hij zou tot Paus worden gekozen aan wie zich een goddelijk teken zou openbaren. Juist toen dat besloten was, kwam de jonge graaf de kerk binnen; en plotseling vlogen twee sneeuwwitte duiven hem op de schouders, en bleven zitten. De geestelijkheid zag daarin een goddelijk teken, en men vroeg hem ter plekke, of hij Paus wilde worden. Hij keek besluiteloos en wist niet of hij daartoe waardig was, maar de duiven zeiden tegen hem in hun taal, dat hij ‘t maar doen moest, en hij zei eindelijk: "Ja."
Toen werd hij gezalfd en gewijd, en daarmee was uitgekomen wat hij onderweg de kikkers had horen zeggen, en wat hem zo beduusd had gemaakt: dat hij de heilige Paus zou worden. Daarom moest hij een mis zingen en hij wist er geen woord van, maar de twee duiven zaten aldoor op zijn schouder en zegden hem ieder woord voor.
Er was eens een man die slangen kweekte, om deze aan slangenbezweerders te verkopen. Hij bewaarde de slangen altijd in een grote kruik om ze zo voor zijn gezin verborgen te houden zodat er geen ongelukken konden gebeuren. Elke morgen ging hij ermee naar de stad om te trachten ze aan de man te brengen. Toen, op een morgen, ontdekte zijn vrouw de kruik en vroeg haar man wat er in zat. De man wilde geen moeilijkheden, dus negeerde hij de vraag en zei alleen maar: 'Wat kan het je schelen. Zolang we wat te eten hebben is het toch goed?' De vrouw werd hierdoor alleen nog maar nieuwsgieriger en wilde er beslist achter komen wat er zich in de kruik bevond. Ze liet haar kinderen dezelfde vraag stellen, maar haar man wist zich er via allerlei smoesjes en uitvluchten uit te praten.
Uiteindelijk spraken de kinderen met hun moeder af dat ze het eten zouden laten staan totdat hun vader zou vertellen wat er in de kruik zat. En ze hielden woord. Ze dronken en aten niets meer en verklaarden nog liever te sterven dan hun gelofte te breken. Hij probeerde ze te overreden hun voornemen te staken en voorspelde niets dan ongeluk als zij in hun standpunt zouden volharden.
Maar was hij ook zei, niets hielp. Ze moesten weten wat er in de kruik zat. Uiteindelijk besloot hij het verzet van zijn kinderen met geweld te beëindigen. Hij pakte een stok en rende hen door het hele huis achterna. Zijn vrouw, die alleen in de kamer was achtergebleven, zag haar kans schoon, haalde het deksel van de kruik en keek erin. De slangen kropen eruit en doodden haar en vervolgens ook de kinderen. Alleen de man, die de slangen kende, wist aan de dood te omkomen.
'Hieruit blijkt, 0 grote koning, dat de mens niet mag begeren wat Allah hem niet toestaat te ontvangen. Maar u, 0 koning, u toonde geduld en daarom zegende Allah u met een zoon.' Toen sprak de zevende vizier: 'Door vertrouwen in Allah te stellen, 0 heer, verging het u als de spin met de wind.'
En uiteraard wilde de koning ook dit verhaal horen.
Proef de sprookjesachtige kerstsfeer tijdens de kerstmarkt in Brussel. Rondom de Beurs, de Vismarkt en het Sint-Kathelijneplein doet u uw kerstinkopen of geniet u van winterse lekkernijen. Vanuit het reuzenrad heeft u bovendien een prachtig uitzicht over deze kerststad.
Leuke tips Schaats een rondje over de ijsbaan, luister op zaterdag naar de straatorgels langs de verlichte kerstroute in de stad of woon op het stadhuis een prachtig klank- en lichtspel bij. Bekijk ook het aanbod van de 240 kraampjes op de kerstmarkt in Brussel.
Openingstijden Kerstmarkt Brussel Van 26 november 2010 t/m 9 januari 2011. Maandag t/m donderdag 12.00 tot 21.00 uur. Vrijdag t/m zondag 11.00 tot 22.00 uur. Op kerstavond en oudejaarsavond gesloten.
In de hal van Madame Tussaud in de Kalverstraat zat Zwarte Piet gehurkt voor drie zeer kleine jongetjes en vroeg: "Kunnen jullie zingen van Sinterklaas kapoentje?" - "Ja, Piet," antwoordde een van de drie geïmponeerd. Je kon zien dat hij ervan overtuigd was met de enige echte Zwarte Piet te doen te hebben, terwijl de mensen die eromheen stonden duidelijk zagen dat deze Piet gespeeld werd door een meisje. "Nou, zing 't dan maar," zei ze. Ze deed zelfs geen moeite haar sopraan wat neer te drukken. "Sinterklaas kapoentje..." hieven de jongetjes braaf aan.
Het duplicaat van de portier naast de kassa keek onbewogen, maar het origineel bij de deur glimlachte net als wij. Toen het liedje uit was, kregen de jongetjes een handje snoep en verdween Zwarte Piet in het wassenbeeldenspel als enige bewegende attractie tussen de verstarde groten der aarde. De jongetjes maakten zich met hun buit uit de voeten en de toeschouwers voegden zich in de rijen der winkelende Amsterdammers.
Ik liep tegelijk op met een oude man, die niet veel meer te winkelen had. "'t Was een meisje," zei hij tegen me. "Ja, dat hoorde ik ook," antwoordde ik. Hij glimlachte. "Ik heb laatst een vrouwelijke Sinterklaas gezien," zei hij. "Een lachertje. Voor mij tenminste. Maar voor de kinderen niet. Als je klein bent, geloof je wat je geloven wilt. Nou ja, als je groot bent ook. Maar dan gaat het om andere dingen."
Terwijl we verder liepen, dacht ik aan mijn kindertijd. Eerste klas lagere school. Ik geloofde niet meer. Sinds kort. En ik wist welke meester Sinterklaas speelde en welke jongen uit de hoogste klas verscholen was achter het mombakkes van Zwarte Piet, waarvan de mond ernstig was beschadigd, omdat hij zijn functie misbruikte door zelf voortdurend pepernoten te eten. En toch beefde ik van angst, toen ik uit de bank moest komen om Sinterklaas een handje te geven en sloeg mijn stem over van de zenuwen bij het zingen van een liedje, waar hij om vroeg.
"Toen ik nog klein was, zag je Sinterklaas niet zo gemakkelijk," zei de oude man. "Nou hebben kinderen de intocht. En hij verschijnt elk ogenblik op de tv. Maar toen... Wanneer was het?" Hij dacht even na. "De winter van 1915," vervolgde hij. "Ja, ik was toen zes. En m'n broertjes waren tien en vier. We woonden in de Indische buurt, hier in Amsterdam. En we hadden 't niet breed. Maar Sinterklaas werd gevierd. Ik was toen op de grens van geloven en niet geloven. Tegen mijn vriendjes riep ik: 'Sinterklaas bestaat niet. Dat is een verklede vent.' Maar toch was ik diep onder de indruk, toen ik hem in persoon zag. Hij zat in de manufacturenwinkel van Nooy in de Eerste Van Swindenstraat. Kent u die winkel? Hij is er nog, geloof ik. Mijn moeder heeft me later verteld hoe we daar binnenkwamen. Als je voor minstens 'n gulden kocht, mocht één van de kinderen op vertoon van de kassabon Sinterklaas een handje geven. En dan kreeg zo'n kind een presentje."
Hij keek me van opzij aan. "Een presentje," zei hij. "Een afgestorven woord. Net als versnapering. Mijn moeder kocht drie theedoeken aan één stuk. Zelf doorknippen en zomen. Dat kostte net genoeg voor zo'n heilige kassabon. Mijn broertje van vier was de uitverkorene. Want die geloofde nog helemaal. Ik was alleen maar zenuwachtig in die winkel. Het duurde een hele tijd eer mijn broertje aan de beurt was. Vanuit de verte zagen we dat hij een handje kreeg. En zo'n kleurboekie van één cent. Dat bestond toen - iets van één cent. Helemaal stralend kwam hij bij ons terug. Hij had een wonder meegemaakt. 'En,' vroeg mijn moeder, 'heeft Sinterklaas nog iets gezegd?' Hij knikte en op een eerbiedige toon antwoordde hij: 'Ja, moe. Hij zei: «Verdorie, wat 'n rij nog.»'"
Brugge: 09 - 12/12: In Bruges Fayre - Kerst, Interieur & Cadeau Beurs Op deze beurs - die gehouden wordt in een aantal prachtige monumentale privé-panden in de historische Brugse binnenstad - kunnen bezoekers niet alleen hun kerstinkopen doen, maar tevens genieten van een kijkje binnen deze woningen.
In een zekere stad leefde een diefachtig mens die al veel narigheid op zijn geweten had. Eens had hij een rijke man bestolen; de daad werd ontdekt, hij moest vluchten en werd achtervolgd. Lange tijd liep hij door een bos, maar achter dat bos lag minstens tien werst lange open steppe. Toen hij het hele bos door was, stond hij stil, en wist niet wat hij moest doen. Ging hij verder over de steppe, dan zouden ze hem meteen te pakken krijgen, want het uitzicht was er vrij tot op een afstand van twee werst; en hij hoorde dat zijn achtervolgers al dichtbij waren. Toen begon hij te bidden: "Heer, vergeef mijn zondige ziel! Vadertje heilige Nikolaas, ik zal een kaars van tien kopeken voor u opsteken!"
Plotseling - als uit de grond opgerezen - stond er een man op leeftijd voor de dief en vroeg: "Wat heb je daarnet gezegd?" De dief antwoordde: "Ik heb gezegd: vadertje heilige Nikolaas, verberg me in deze wildernis. En ik heb hem beloofd dat ik een kaars voor hem zou opsteken."
Daarna biechtte hij bij de oude man zijn zonden; en deze zei: "Als je je wilt verbergen, kruip dan in dit aas." Er lag daar namelijk vlakbij een dood dier. De dief had geen keus: hij moest in het aas kruipen als hij niet gegrepen wilde worden. Hij kroop er dus in, en op hetzelfde ogenblik werd de oude man onzichtbaar. Het was de heilige Nikolaas zelf geweest.
De achtervolgers naderden, ze reden de steppe op, wel een halve werst ver, maar er was niemand te zien en ze keerden terug. Intussen lag de dief in het aas en durfde ternauwernood adem te halen - zo walglijk was de stank. Toen de achtervolgers waren weggereden, kroop hij er uit en zag opnieuw de oude man. Deze stond niet ver van hem af en was bezig was te verzamelen. De dief ging naar hem toe en bedankte voor de redding.
En de oude man vroeg weer: "Maar wat heb je de heilige Nikolaas beloofd toen je een schuilplaats zocht?" De dief antwoordde: "Ik heb beloofd een kaars van tien kopeken voor hem op te steken." - "Dat is het nu juist: net zo benauwd als jij het had toen je in het aas lag, zou de heilige Nikolaas het hebben van de lucht van jouw kaars." En de oude man gaf hem deze les: "Vraag God de Heer en zijn heiligen nooit om hulp bij boze daden, want God de Heer geeft daar zijn zegen niet op. Let dus op, denk aan mijn woorden en geef ze door aan andere mensen, opdat ze nooit God om hulp vragen bij boze daden." Zo sprak hij en verdween.
's Zomers woont Sinterklaas in een groot paleis in Spanje, met al zijn honderd Pieten. Maar terwijl die Pieten speelgoed maken, pepernoten bakken en alles klaarmaken voor de volgende reis naar Holland, trekt Sinterklaas op zijn paard door de hoge Spaanse bergen, op zoek naar een nieuw Pietje. Want ieder jaar gaat er een nieuw Pietje mee, klein genoeg om door de schoorstenen te roetsjen en handig in klauteren en springen.
Een paar jaar geleden had Sinterklaas wekenlang vergeefs gezocht. Ten slotte kwam hij in een rotsachtige streek, waar hij plotseling de fluit van een herdersjongen hoorde. Hij ging op het geluid af en zag, op een bergweitje tussen de rotsen, een kleine donkere jongen zijn geiten hoeden. Die keek verbaasd naar Sinterklaas en werd nog verbaasder toen deze hem vroeg of hij mee naar Holland wilde. O, ja, hij kon goed klimmen, op de rotsen tenminste, hij was gewend aan de kou, want in de bergen was het 's nachts altijd koud. En toen zij zo samen wat gepraat hadden, beloofde de jongen dat hij in de herfst, als de geiten naar binnen waren gebracht, naar het paleis van Sinterklaas zou komen.
Zo werd op een winderige dag in november een kleine magere jongen binnengelaten bij de Sint en zijn honderd Pieten. Hij keek zijn ogen uit, want hij bezat alleen zijn herdersfluitje en had nog nooit speelgoed gezien. Alles was nieuw voor dat kleine Pietje en hij zou zich zeker diep ongelukkig gevoeld hebben, als de Sint en zijn Pieten niet zo aardig voor hem waren geweest.
Maar één ding wilde Pietje beslist niet: slapen in een groot bed met witte lakens. Iedere avond sloop hij stilletjes naar de stal, rolde zich in een paardendeken en sliep lekker in het stro. En daarom was hij de eerste die merkte dat het witte paard van Sinterklaas zo raar stond te hijgen en te snuiven. Pietje werd er wakker van en liep vlug naar het rillende dier toe. "Jij bent ziek," zei hij bevend en ging dadelijk naar het paleis, om de andere Pieten wakker te maken. En zodra het dag werd, stuurden die Pedro, die altijd voor de paarden zorgde, naar de slaapkamer van de Sint: "Sinterklaas, Sinterklaas, we kunnen niet naar Holland. Uw witte schimmel is zwaar ziek, het zal zeker zes weken duren voordat hij weer beter is. En het is het enige paard dat over de daken kan rijden!" Sinterklaas stond vlug op, kleedde zich aan en ging naar de stal. Daar stond het kleine Pietje bij de schimmel en aaide zachtjes over zijn hals. Sinterklaas keek erg bezorgd.
"Sinterklaas," zei het nieuwe Pietje, "in een hol, hoog in de bergen, woont een heks die toverdranken maakt. Zal ik u de weg wijzen?" En zo trokken Sint en Pietje op twee paarden de bergen in. Er woei een ijskoude wind en Sint trok zijn warme rode mantel dicht om zich heen. Na dagenlang rijden kwamen zij op een hoge bergwei en het pad werd zo steil, dat Pietje en Sinterklaas de paarden bij de teugel namen en te voet naar boven klommen. En ineens stonden ze voor een hol en zagen achterin de gloed van een vuur. Er was een oude vrouw, die, zachtjes mompelend, in een pot boven het vuur stond te roeren. "Goedendag," zei Sinterklaas vriendelijk. De vrouw schrok. "Wat doen jullie hier?"
Hoe durft ze... tegen Sinterklaas! dacht Pietje. Maar Sint zei: "Goede vrouw, ik heb gehoord dat u toverdranken kunt maken die mens en dier genezen van ziekte. Nu is mijn witte paard ziek. Wilt u alstublieft een drank voor hem maken? Volgende week gaan wij naar Holland en zonder dat paard kan ik niet over de daken rijden." De heks bleef zwijgend in haar pot roeren. Opeens riep ze: "En wat krijg ik als ik dat voor je doe? Sinterklaas, wat krijg ik?" - "U kunt krijgen wat u hebben wilt, goede vrouw," antwoordde Sint rustig.
"Dan wil ik jouw mooie, rooie mantel hebben, hè, hè, hè!" - "Goed, goed, die mag u hebben, die is lekker warm, hier boven in de kou." De heks nam de pot van het vuur en hing er een andere boven. Zij deed er water in en toen allerlei geheimzinnige kruiden, een beetje aarde, glanzende stenen, mossen en planten... En zij weer aan het mompelen en roeren. Sinterklaas en Pietje stonden rustig te wachten. Eindelijk nam ze een klein aarden kruikje, goot de drank erin, deed er een kurk op en zei: "Ieder uur tien druppels, drie dagen lang en je paard is weer gezond."
Sinterklaas maakte de gesp van zijn mooie rode mantel los en legde die voorzichtig om de schouders van de heks. Pietje moest bijna lachen, zo gek stond dat. Maar de heks was trots en blij. Toen nam Sint het kruikje, groette vriendelijk en vlug gingen ze naar de paarden. O, wat was die wind koud! Sint stond te rillen in zijn witte tabberd. Maar Pietje had aan alles gedacht. In een rolletje, naast zijn zadel, hing een oude paardendeken. En die legde hij zorgvuldig om de schouders van Sinterklaas.
"Het staat niet mooi, maar het is tenminste warm," zei hij verlegen. "Ach Pietje," zei Sint, "in die grauwe deken ben ik tóch Sinterklaas." Toen ze weer bij het paleis kwamen, vlogen alle Pieten naar buiten en riepen: "Hebben jullie de toverdrank?"
Ze namen Sint mee om de oude man dadelijk te verzorgen. Maar Pietje ging met het kruikje naar het paard. En al was hij doodmoe van de tocht, in drie dagen en nachten sliep hij niet om het paard ieder uur zijn toverdrank te kunnen geven.
En wat deden de andere Pieten in die drie dagen? Natuurlijk, ze maakten een nieuwe rode mantel voor Sinterklaas. Want stel je voor dat Sint hier in een oude, grauwe paardendeken was aangekomen. Hadden jullie hem dan herkend?
Bezoek de sfeervolle kerstmarkt op de Groenplaats in Antwerpen. Hier vindt u tientallen houten chaletjes waar u terecht kunt voor uw kerstinkopen. Geniet van winterse gerechten en luister naar gezellige muzikale optredens op de kerstmarkt in Antwerpen.
Leuke tips Op de Grote Markt in Antwerpen vindt u tijdens de kerstperiode een heuse ijspiste. Jong en oud draaien hier sierlijke pirouettes en genieten na afloop van een beker warme chocolademelk. Maak ook eens een ritje in het verlichte reuzenrad op de Keyserlei.
Openingstijden Kerstmarkt Antwerpen Van 11 december 2010 t/m 2 januari 2011. Zondag t/m donderdag 12.00 tot 20.00 uur. Vrijdag en zaterdag 12.00 tot 22.00 uur. Op kerstavond gesloten.
Er leefde eens een arme man, die Iwan heette. Zijn bedrijf was maar heel klein, want hij had weinig land; zijn leven was hard. Hij was moederziel alleen gebleven, hij had zijn gehele gezin verloren. Maar hij beklaagde zich niet over zijn lot, hij aanvaardde Gods wil, was altijd opgewekt en zong liederen, zo was hij nu eenmaal van aard.
Eens was Iwan bezig zijn akker te ploegen, hij wilde tarwe zaaien. Hij heeft zijn akker bezaaid, daarna heeft hij weer geploegd en toen wilde hij met zijn eg naar huis terugkeren. Hij reed en zong een vrolijk liedje. Zo kwam hij bij de weg en bleef staan.
Op de weg liepen twee mannen: één was al oud en grijs en steunde op een staf, de ander was oud noch jong, maar zag er streng uit. Het waren de heilige Nikola en Elias. Elias zei tegen Nikola: "Kijk eens, Nikola, die man is wat al te vrolijk, waarom zou hij zo zingen?" - "Ik denk, dat zijn paarden, Gode zij dank, goed werken, dat hij geen nood kent, waarom zou hij dan niet zingen?"
De reizigers kwamen bij de boer, die op zijn plaats bleef staan. "God helpe u, beste Iwan!" zei Nikola. "Weest welkom, lieve oudelui!" antwoordde Iwan en nam zijn muts af. Elias zei toen: "Hoe komt het, dat ge zo vrolijk bent?" - "Waarom zou ik niet blij zijn? Mijn paardjes zijn gezond en kunnen werken, en ik heb verder niets meer nodig; alles waar ik om vraag is, dat het vadertje Nikola moge behagen mij een goede tarweoogst te geven."
De twee voetgangers vervolgden hun weg. De heilige mannen liepen door de velden, door de heerlijkheid van het voorjaar. Toen zei Elias tegen Nikola: "Wat heeft die man nou gezegd? Zijt gij het dan, die er voor zorgt, dat de tarwe groeit? Dat doet gij immers niet! Ik ben degene, die hiervoor zorgen moet!" - "Ge moet hem niet al te streng beoordelen," nam Nikola de boer in bescherming, "hij is een eenvoudige man: hoe kan hij nou zulke dingen precies weten?" - "Goed, ik zal hem leren. Ik zal er eerst voor zorgen, dat zijn tarwe tot de knie zo hoog groeit, daarna zal ik de oogst door hagel vernietigen!"
De strenge Elias deed als hij gezegd had, de tarwe groeide zo hard: als ge er naar keek, dan vervulde zich het hart des mensen met vreugde. "Wat een oogst! God heeft mij een waar geluk gezonden, Nikola was mij genadig. Wat zal ik nu veel graan hebben, ik weet niet eens, waar ik al dat graan opbergen moet."
's Avonds ging Iwan naar buiten, liep uit het dorp en bleef staan. Als steeds zong hij een lied. Daar zag hij: over het door de lente versierde veld liep een oud, grijs mannetje met een staf in zijn hand. "Goedenavond, grootvader," begroette Iwan hem. Nikola had medelijden met de arme boer: alles zou toch te gronde gaan, vernietigd worden! "Luister eens, beste Iwan, verkoop jij je tarwe maar." - "Hoe zo?" vroeg Iwan, die van de woorden van de oude man geschrokken was. "Hoe kan iemand nou zulke heerlijke tarwe verkopen? En welke prijs moet ik er voor vragen?" - "Je kunt gerust zo veel vragen als je wilt, voor dit graan zal men elke prijs graag betalen. Denk er aan, verkoop de tarwe!" En hij ging heen.
Iwan volgde de raad op en verkocht de tarwe: een rijke buurman betaalde er zonder meer honderd roebel voor. Doch nog voordat de dag voorbij was verscheen boven de aarde een reusachtige wolk; kort daarop rolde de donder vervaarlijk, een vreselijk onweer barstte los, hagel als stenen viel neer en al de tarwe was platgeslagen. Het was als had iemand het graan met een mes afgesneden.
Nikola liep door het veld en keek naar de aangerichte schade. Elias. liep hem tegemoet. "Ziet ge nu wel, ik heb gedaan, wat ik gezegd heb: kijk eens zelf, wat er van Iwan zijn akker is terecht gekomen!" - "Maar dat is niet meer de akker van Iwan," zei Nikola. "Weet ge dan niet, dat Iwan zijn oogst aan Goendjajew verkocht heeft? Het is de oogst van Goendjajew. Ge hebt een man geruïneerd, die tegenover u niet gezondigd heeft. Wat zal die arme man zijn lot nu beklagen!" - "Dat heb ik niet geweten," zei Elias. "Maar dat is niets, ik zal er voor zorgen, dat alles weer in orde komt. Hij zal van dit veld, dat door de hagel zo geteisterd is, zó veel tarwe oogsten als nog nooit een akker opgeleverd heeft."
Laat in de avond kwam Nikola bij het raam van Iwan: het speet hem om die arme kerel, die nu de prachtige oogst zou moeten missen. Iwan stond toen voor de icoon van Sint Nicolaas en bad. Hij dankte de heilige, dat hij die oude man naar hem gezonden had met zulk een goede raad. Hij keek op en daar zag hij voor het raam diezelfde oude man staan. Dat verheugde hem zeer: hij haastte zich de oude man uit te nodigen bij hem te overnachten. Doch Nikola kon die uitnodiging niet aannemen, hij had nog een verre reis voor de boeg. "Weet je wat, Iwan, nu moet je die tarwe kopen." - "Wat voor zin heeft dat nou, grootvader? De tarwe is toch geheel vernietigd!" - "Dat doet er niet toe. Koop de oogst. Je kunt zeggen, dat je het graan als veevoeder zult gebruiken. Je zult er geen spijt van hebben." Iwan bedankte de oude man voor zijn raad.
De volgende dag, zodra het licht werd, ging hij naar zijn buurman en stelde hem voor, hem de oogst te verkopen. Goendjajew was zeer verheugd, toen hij dat voorstel hoorde - de tarwe had toch geen enkele waarde meer, je kon ze voor niets weggeven, en zij werden het eens voor de helft van de prijs, die Goendjajew aan Iwan betaald had.
Goendjajew was verheugd over zijn overeenkomst met Iwan, doch weldra ontdekte hij, dat hij zich vergist had. Tot grote verbazing van iedereen richtte de tarwe zich op en groeide welig. Het werd een veld met tarwe zoals niemand ooit te voren gezien had; de aren stonden opeengepakt, elke aar was lang en bevatte zo veel korrels, dat ze zich tot de grond bukte het was zichtbaar een zegen des Heren!
Toen de oogsttijd was gekomen, kon Iwan wel tweeduizend bundels binden. Op het veld ontmoetten Nikola en Sint Elias elkaar weer: de Gestrenge keek vrolijk om zich heen. "Ziet ge nu wel, Nikola. Ik heb de onschuldige eerst met mijn hagel gestraft, maar nu heb ik hem beloond. Kijk eens zelf, hoeveel garven hij op zijn akker heeft staan!" - "Maar ge vergist u weer. Geoogst heeft dezelfde man, die de tarwe gezaaid heeft. Iwan heeft toch immers de tarwe teruggekocht." - "Wat zegt ge nou, hoe zo?" - "Heel eenvoudig, hij heeft de tarwe gekocht."
En toen vertelde Nikola aan Elias, hoe de rijke buurman Goendjajew, die geschrokken was voor de aangerichte ravage, bereid was de oogst aan Iwan voor de helft van de prijs te verkopen. "Dan zorg ik er nu voor, dat hij zijn oogst niet kan dorsen!" En woedend ging Elias heen.
Nikola liet echter de arme boer niet in de steek: laat in de avond kwam hij voor zijn raam en keek naar binnen. Toen Iwan zijn gast zag, dacht hij niet meer aan slapen; hij riep hem binnen en dankte hem voor zijn goede raad. "Als je gaat dorsen," zei de onbekende oude man tegen Iwan, "dan moet ge telkens niet meer dan vijf bundels binnen halen: in elke hoek zet ge één bundel neer en de vijfde zet ge vóór het raam, dat men van buiten niet zou kunnen zien, wat er binnen gaande is."
Iwan deed zoals de oude man hem aangeraden had. Iwan heeft lang moeten werken, maar tenslotte was al de tarwe gedorst. Toen zag hij, dat hij per bundel één gewicht tarwe had. Eén gewicht per gewicht! Zo iets heeft nog nooit iemand gehoord, zulke oogsten komen nooit voor. Elias keek in de korenkisten van Iwan, in zijn graanschuren, alles was volgepropt met tarwe. Wat werd Elias toen woest! Gelukkig voor Iwan was het al laat, de dag van Sint Nicolaas zou al spoedig gevierd worden. "Goed," zei Elias, "als hij zijn tarwe naar de molen brengt, dan zorg ik er wel voor, dat hij weinig meel krijgt." En hij deed, zoals hij gezegd had.
Iwan bracht naar de molen drie gewichten graan, maar toen het graan gemalen was, bleken er slechts twee gewichten meel te zijn. Waar was het derde gewicht? Hij wist niet, dat Elias de derde had weggenomen. Iwan peinsde er lang over, maar hij kon niets bedenken.
's Nachts klopte de oude man weer aan het raam. Iwan was zeer verheugd, toen hij hem zag, en vertelde hem alles, wat er gebeurd was. "Weet je, wat je doen moet, beste Iwan? Bak van dit tarwemeel twee lekkere pasteien. Bij het bakken moet je goed bidden! Wanneer ze klaar zijn, breng ze naar de kerk: een pastei leg je op je hoofd, die is bestemd voor Elias de Gestrenge; de andere houd je onder je rechterarm, die is voor Nikola de Genadige."
De volgende ochtend, het was de dag van Sint Nicolaas, stond Iwan heel vroeg op; de sterren waren nog aan de hemel te zien, maar hij liep al door de lege straat, in de koude prille ochtend, naar de kerk. Onderweg ontmoette hij een voetganger; hij zag er noch oud, noch jong uit, maar zijn blik was streng. "Waarheen breng je die lekkere pasteien?" - "De pastei op mijn hoofd is voor vadertje Elias de Machtige, en onder mijn rechterarm heb ik een pastei voor Nikola de Genadige," antwoordde Iwan. Toen Elias dat wijze antwoord hoorde, bedaarde hij en gaf zijn voornemen op, Iwan nog meer te straffen.
Van af die dag hoefde Iwan niets meer te vrezen en kon hij rustig zijn: hij bracht nu telkens twee gewicht tarwe naar de molen en hij kreeg steeds even veel meel van de molenaar. Het geschenk van Nikola is steeds mild.