Op een mooie dag ging roodkapje naar buiten toe. Ze zag allemaal mooie dier staan, en de vogels die vlooten door haar oren. Ze wandelde door het bos met een mand vol fuit en wat lekkers. Toen zag ze een jongen. Hij had blond haar, blauwe ogen, en droeg een groen vesje met een spijker broek. Ze vroeg: Hoe heet jij, mijn naam is Mark, en wat is jou naam, roodkapje zij ze heel verlegen. Want ze was verliefd gewoorde, lievde op eerste gezicht. Toen ging Mark weg en roodkapje huppelde naar haar zieke oma toe. maar toen kwam de boze wolf, hij zij: roodkapje wat fijn om je te zien, ik had al een vermoede dat jij hier was. Hallo wolf zij roodkapje, ben je veranderdt, of eet je nog steeds menesen op. de wolf dacht effe na uuuuuuuuuh, ja natuurlijk warom zou ik mensen opeten. Nou zij roodkapje, omdat jij dat vroeger bij mij deedt. En toen was de wolf effe stil. Maar roodkapje liep veder, en toen zag ze Mark weer aan lopen. Hallo roodkapje, zij Mark. Hallo Mark, zij roodkapje zullen we samen deze mand vol fruit en wat lekkers naar mijn zieke oma brengen. Oke zij Mark.(enz) Ze liepen samen gezellig door het bos, En Ze Leevden Nog Lang En Gelukkig!!!!!!!!
Er was eens een lief klein meisje; iedereen die haar zag hield veel van haar, maar haar grootmoeder wel het allermeest, en die wist eenvoudig niet, wat ze het kind allemaal zou willen geven. Op een keer gaf ze haar een rood fluwelen mutsje, en omdat het haar zo goed stond en ze nooit meer iets anders droeg, werd ze voortaan enkel maar Roodkapje genoemd. Op een dag zei haar moeder"Kom, Roodkapje, hier heb je een stuk koek en een fles wijn, breng dat eens naar je grootmoeder. Ze is zwak en ziek en het zal haar goed doen. Ga er heen voor het te warm wordt, en als je het dorp uit bent, loop dan netjes en ga niet van het pad af, want anders val je nog en breekt de fles, en dan heeft grootmoeder niets. En als je bij haar binnen komt, niet vergeten dadelijk goedendag te zeggen en niet eerst overal rondsnuffelen."
"Ik zal goed oppassen," zei Roodkapje tegen haar moeder en ze gaf er haar de hand op. Grootmoeder woonde buiten in het bos, een half uur van het dorp vandaan. Toen Roodkapje in het bos was gekomen, kwam ze de wolf tegen. Maar Roodkapje wist niet dat het een gevaarlijk dier was en bang was ze al helemaal niet.
"Goedemorgen, Roodkapje," zei hij.
"Dag, Wolf."
"En waar ga je zo vroeg naar toe, Roodkapje?"
"Naar grootmoeder, Wolf."
"En wat heb je daar onder je schortje?"
"Koek en wijn. We hebben gisteren gebakken en grootmoeder is wat zwak en ziek en hiermee kan ze wat op krachten komen."
"Zeg Roodkapje, waar woont je grootmoeder dan?"
"Nog ruim een kwartier lopen verder het bos in, onder de drie grote eiken staat haar huisje, en beneden is een notenhaag, je kent het vast wel," zei Roodkapje.
De wolf dacht bij zichzelf: "Dat jonge malse ding is een heerlijk hapje, dat zal nog beter smaken dan die oude vrouw; als je slim te werk gaat, kan je ze allebei pakken."
Hij bleef nog een poosje naast Roodkapje meelopen, en zei:
"Kijk, Roodkapje, wat een mooie bloemen overal, waarom kijk je niet wat om je heen? En heb je wel in gaten hoe heerlijk de vogels zingen? Jij loopt maar recht toe recht aan alsof je snel naar school moet en dat terwijl het hier vandaag zo verrukkelijk is."
Roodkapje keek eens rond en toen ze zag hoe de zonnestralen door de bomen dansten en hoeveel mooie bloemen er overal stonden, dacht ze:
"Als ik voor grootmoeder een mooi boeketje meebreng zal ze dat heerlijk vinden; het is nog zo vroeg, dat ik toch wel op tijd kom."
En ze ging van het pad af tussen de bomen om bloemen te plukken. En telkens als ze er één geplukt had, dacht ze dat er verderop nog een mooiere stond en zo raakte ze steeds dieper het bos in. Maar de wolf ging recht toe recht aan naar het huis van grootmoeder en klopte aan de deur:
"Wie is daar?"
"Roodkapje, met een koek en met wijn, doe de deur maar open!"
"Druk maar op de klink," riep grootmoeder, "ik ben te zwak en kan niet opstaan."
De wolf drukte op de klink, de deur sprong open, en zonder één woord te zeggen sprong hij naar het bed en at de grootmoeder op. Toen trok hij haar kleren aan, zette haar nachtmuts op, ging in haar bed liggen en trok de gordijnen dicht.
Roodkapje had ondertussen een heleboel bloemen geplukt en toen ze er geen één meer kon dragen, dacht ze weer aan grootmoeder en ging ze op weg naar haar toe. Ze was verbaasd dat de deur openstond en toen ze de kamer binnenkwam, vond ze het er zo vreemd dat ze dacht: "Wat vind ik het hier griezelig vandaag, terwijl ik hier anders zo graag ben." Ze riep: "Goedemorgen," maar er kwam geen antwoord. Toen liep ze naar het bed en schoof de gordijnen opzij. Daar lag grootmoeder met haar muts over haar gezicht en ze zag er erg vreemd uit.
"O grootmoeder, wat heb je grote oren!"
"Dat is om je beter te kunnen horen."
"Maar grootmoeder, wat heb je grote ogen!"
"Dat is om je beter te kunnen zien."
"Maar grootmoeder, wat heb je grote handen!"
"Dat is om je beter te kunnen pakken."
"Maar grootmoeder, wat heb je een verschrikkelijk grote bek!"
"Dat is om je beter op te kunnen vreten."
En nauwelijks had de wolf dat gezegd of hij sprong uit bed en verslond het arme Roodkapje in één hap. Toen de wolf zo zijn honger gestild had ging hij weer heerlijk in het bed liggen, sliep in en begon heel hard te snurken. Toen kwam net de jager voorbij en die dacht: "Wat snurkt dat oude mens hard, ik zal eens kijken of haar wat mankeert." Hij kwam in de kamer en toen hij voor het bed stond zag hij dat de wolf erin lag. "Vind ik je hier, ouwe boosdoener," zei hij, "ik heb lang naar je gezocht." Hij wilde net gaan schieten, maar toen hij zijn geweer richtte bedacht hij zich ineens dat de wolf de oude vrouw misschien had opgegeten en dat ze misschien nog te redden was. Hij schoot niet maar begon met een schaar de buik van de slapende wolf open te knippen. Na een paar knippen zag hij een rood kapje glimmen en na nog een paar knippen sprong het meisje eruit en riep:
"O, wat ben ik bang geweest, wat was het donker in de buik van de wolf!"
En toen kwam de oude grootmoeder ook nog levend tevoorschijn, al kon ze haast niet ademen. Roodkapje haalde snel een paar grote stenen die ze in de buik van de wolf stopten en toen hij wakker werd, wilde hij wegspringen, maar de stenen waren zo zwaar dat hij onmiddellijk viel en dood was.
Nu waren ze alle drie blij. De jager stroopte de pels van de wolf af en trok daarmee naar huis, de grootmoeder at de koek en dronk van de wijn, die Roodkapje had meegebracht, en die maakte haar beter. Maar Roodkapje dacht:
"Zolang ik leef, zal ik nooit meer alleen van het pad afgaan en het bos inlopen, wanneer mijn moeder dat verboden heeft." De mensen vertellen dat op een keer, toen Roodkapje de oude grootmoeder weer koek en gebak ging brengen, er een andere wolf kwam, die haar aansprak en weg wilde lokken. Maar Roodkapje paste wel op en liep gewoon verder en vertelde aan grootmoeder dat ze de wolf was tegengekomen, die haar wel goedendag had gezegd, maar zo kwaadaardig uit zijn ogen had gekeken: "Als het niet op de grote weg was geweest, had hij me vast opgegeten!"
"Kom," zei grootmoeder, "we zullen de deur op slot doen, zodat hij er niet in kan."
Kort daarop klopte de wolf aan en zei:
"Doe open, grootmoeder, ik ben het, Roodkapje, ik breng gebak voor je mee."
Maar zij hielden zich stil en maakten de deur niet open. Toen sloop de Grijskop een paar maal rond het huis, sprong eindelijk op het dak om te wachten tot Roodkapje 's avonds naar huis zou gaan. Dan zou hij haar achterna sluipen en in het donker opeten. Maar de grootmoeder merkte wat hij van plan was. Nu stond er voor het huis een grote stenen trog en ze zei tegen het kind:
"Neem de emmer, Roodkapje, gisteren heb ik worsten gekookt, gooi jij dat worstennat in de trog."
Roodkapje droeg zo veel tot die hele grote trog vol was. De geur van de worst kreeg de wolf in de neus, hij snuffelde en keek omlaag, en tenslotte rekte hij zijn hals zo ver uit dat hij zijn evenwicht verloor en begon te glijden, en hij gleed van het dak af precies de trog in en verdronk. Roodkapje ging vrolijk naar huis en bleef ongedeerd.
Er was eens.... Tja daar beginnen alle sprookjes altijd mee. Maar helaas dit sprookje niet. Dit sprookje begint met: Ergens in een diep diep donker koud bos. Stond een klein zwart donker huisje. Met een schoorsteen een deur en wat ramen. Die ramen daar zag je niks door ze waren zwart! Er waren vroeger wel eens een paar mensen heen gegaan. Je hoorde verhalen dat er een zwarte Heks woonde. Maar niemand geloofde het. Op een dag ging er een keer een jongenman heen. Hij kwam niet terug, hij was verdwenen. Maar hij is nooit teruggekomen. Toen zijn ouder ongerust werden gingen ze niet zoeken. Niemand van het dorpje zocht.... ze waren allemaal bang dat de jongen was opgegeten door de heks. En zelf wouden ze niet opgegeten worden. Toen het op een avond akelig donker was hoorde je een piepend krakend geluid in het bos. De deur van het kleine zwarte donkere huisje ging open. Er glipte iemand naar buiten en de deur knalde met een klap dicht. Het gewaad rende door het donkere bos..... Opeens stond het gewaad stil. En ze veranderde in iets. Maar ik de verteller;) zag het niet want het was zo akelig donker dat je alleen een soort schim zag. Die ochtend in het dorpje werd er nog steeds getreurd om de kleine jongeman.Niemand die ook maar ging zoeken. Ze waren allemaal bang. Maar toen hoorde ze paardenhoeven hard galopperen op de weg. Er kwam een knappe man aan en stond stil. En hij zei: Wat staan jullie hier allemaal getreurd? de moeder van het jongen die verdwenen was zei, Mijn zoon is op zoek gegaan naar de Zwarte heks. Maar hij is niet meer teruggekeerd. De prins keek bedenkelijk en hij vroeg: Pardon? hij lachte zo hard dat vogels weg vlogen. HAHAHA een heks zei de prins! Die bestaan helemaal niet. Echt wel hoor zei een oude man. Waar anders is haar zoontje gebleven? Toen keek de prins nog bedenkelijker. En dacht na: Hij zei: Ik ben slim als ik nou eens naar het bos ga en uw zoontje zoek! Als ik niet terug kom is er een heks, maar als ik wel terug kom is het was maar gewoon verzonnen. De mensen om de prins knikten en vonden het een goed idee! De prins trok terug naar het kasteel en pakte zijn spullen. De volgende dag zwaaiden alle mensen van het dorpje de prins uit. Hij vertrok: naar het grote donkere koude bos! Hij had een grote tas bij zich met allerlei spullen erin. Met eten, drinken, een warm deken en een zwaard. Dat zwaard had hij nodig om takken en bomen om te hakken. En zo als gezegt zo gedaan vertrok de prins in het koude bos. Hij was wel bang maar dat lied hij niet merken. Hij moest door drijfzand en door koude moerassen. Hij versloeg tijgers en enge spinnen. Hij kwam slangen tegen en giftige kikkers. Maar eindelijk hij was er. Hij zag het huisje staan en dacht van: Moet ik er nu wel heen gaan? Straks is er wel een heks. Straks eet ze me nog op! Maar nee de prins was dapper en moedig en bestormde het huisje. Hij sloeg de deur open En wat zag hij! Een zwart klein heksje! met de vermisde jongen naast haar. Huilend op een stoel. En ze huilde maar en huilde maar en opeens stopte ze met huilen. Ze keek de prins aan en vroeg?: Wat doe jij hier nou? Waarom komt er opeen iemand binnen? Ik krijg nooit bezoek! De prins liep naar binnen en zei: Heks waarom huil je? Toen ze dat hoorde begon ze nog harder te huilen! ze zei : Heks Heks wat nou een heks! ik ben helemaal geen heks! Ze vertelde het hele verhaal dat ze honger had en een paddestoel opat, maar dat ze door die paddestoel was veranderd in een heks! De prins luisterde aandachtig! En zei: Ga met mij mee naar mijn kasteel! Ik heb een tovenaar die je weer kan veranderen in wat je altijd was. De heks was super gelukkig en gaf de prins een knuffel. De prins zei tegen het jongentje: Ga ook mee, je ouders zijn erg ongerust. Het jongentje zei: dat begrijp ik, maar ik kon gewoon niet de heks alleen laten, dat vond ik zo zielig! De heks en het jongentje pakte haar spullen en liep achter de prins aan door het bos. Ze toverde alles weer normaal geen drijfzand geen giftige kikkers! Nee ze wou het allemaal weg hebben! Ze was nu niet meer zo bang! Eindelijk daar kwamen ze uit het donkere bos. De dorpelingen renden naar de prins en vroegen? Wie is dit? Je hebt de heks meegenomen wat erg stuur haar weg! De prins legde het hele verhaal uit en uiteindelijk begrepen ze het! De ouders van de jongen waren blij hun zoon weer te zien en omarde de kleine jongen. De prins en de heks liepen samen naar het kasteel. Ze liepen naar de tovenaar en vroeg of de tovenaar de heks weer kon veranderen. Hij zij: het word lastig maar ik ga het proberen! Hij toverde en deed van allerlei mengsels door elkaar. Rood slangengif. Blauw bloed, Geel poeder en Paarse bloemblaadjes. Eindelijk het mengsel was klaar. De heks liep naar het drankje en vroeg: Is dit wel veilig? Tuurlijk zei de tovenaar ik heb het helemaal goed volgens de regels gemaakt! Oke zei de heks ik vertrouw je! De heks pakte het flesje en dronk het in 1 keer helemaal leeg! Ze wachten maar en wachten maar. Er gebeurde helemaal niks! Na 1 minuutje kreeg de heks opeen een mooie bos blond haar! daarna een mooie roze jurk. Nu begreep de prins het ! Ze was een mooie prinses. Hij werd opslag verliefd en ze trouwden de volgende dag al! En de meeste sprookjes eindigen met: En ze leefden nog lang en gelukkig! Nou bij dit sprookje is dat gelukkig ook zo!
Er was eens een weduwe en die had twee dochters. De oudste leek sprekend op haar, zowel van uiterlijk als van karakter. Als je haar zag zou je zweren dat het de moeder was. Want ze waren allebei zo bits en trots dat het niet om uit te houden was. De jongste leek precies op haar vader, zo vriendelijk en aardig als ze was, en bovendien was zij een van de mooiste meisjes die men heinde en ver kon vinden. Omdat de mens gewoonlijk het meest houdt van iemand die op hem lijkt, was de moeder dol op haar oudste dochter en had zij tegelijk een verschrikkelijke hekel aan de jongste. Die moest in de keuken eten en altijd maar werken. Onder andere moest het arme kind tweemaal per dag water gaan putten, ruim een halve mijl van het huis af, en met een grote kruik vol terugkomen. Op een dag, toen zij weer bij die bron was, kwam er een arme vrouw naar haar toe en vroeg of zij haar te drinken wilde geven.
"Natuurlijk, moedertje," zei het mooie meisje. Zij spoelde haar kruik om, schepte toen water uit de helderste plek van de bron en reikte het haar toe, terwijl ze aldoor de kruik vasthield, zodat de vrouw makkelijker kon drinken. Toen de goede vrouw gedronken had, sprak zij tegen haar: "Je bent zo mooi en goed en vriendelijk, dat ik zin heb om je een geschenk te geven (want zij was een fee die de gedaante van een arme boerenvrouw had aangenomen, om te zien hoe ver de vriendelijkheid van het meisje wel zou gaan). "Ik geef je als geschenk," zei de fee, "dat er bij ieder woord dat je zegt een bloem of een edelsteen uit je mond valt."
Toen het mooie meisje thuiskwam schold haar moeder haar uit, dat ze zo lang bij de bron was gebleven. "Vergeef mij, moeder, dat ik zo laat ben." En terwijl ze dat zei vielen er twee rozen, twee parels en twee grote diamanten uit haar mond.
"Wat is dat?" riep haar moeder, een en al verbazing. "Ik geloof dat er uit haar mond parels en diamanten rollen! Hoe komt dat, m'n kind?" Het was de eerste keer dat zij haar m'n kind noemde. Argeloos vertelde het arme meisje alles wat haar overkomen was, en onderwijl viel er een eindeloze hoeveelheid diamanten uit haar mond.
"Daar moet ik toch werkelijk mijn oudste dochter ook eens heensturen," zei de moeder. "Zeg Fanchon, kijk eens wat er uit de mond van je zuster komt, als ze gaat praten; zou je het niet heerlijk vinden als je ook die gave had? Je hoeft er niets anders voor te doen dan water te gaan halen bij de bron en als er dan een arme vrouw komt die je te drinken vraagt dan moet je het haar vriendelijk geven."
"Nu nog mooier," antwoordde het brutale meisje, "ik zie mij al naar de bron gaan!" "Ik wil dat je er heen gaat!" hernam de moeder. "Onmiddellijk!" Toen moest zij wel. Zij ging op weg, maar mopperde aan één stuk door. Zij nam de mooiste zilveren fles mee, die er in huis was. Amper was zij bij de bron aangekomen of ze zag een prachtig geklede dame uit het bos te voorschijn treden, die haar te drinken vroeg. Het was dezelfde fee die aan haar zuster verschenen was, maar nu had zij de gedaante en de kleding van een prinses aangenomen, om te zien hoe ver de onvriendelijkheid van dat meisje wel zou gaan. "Dacht u soms," zei die trotse en brutale meid, "dat ik hier gekomen ben om u te drinken te geven? Wel ja, die zilveren fles heb ik natuurlijk expres meegebracht om er Mevrouw uit te laten drinken; dat kunt u net denken! Drink maar uit uw hand, als u zo'n dorst hebt."
"U bent niet erg vriendelijk," hernam de fee, zonder zich boos te maken. "Goed dan, omdat je zo weinig behulpzaam bent zal ik jou ook een geschenk geven: bij ieder woord dat je zegt zal er een slang of een pad uit je mond komen." Zodra de moeder haar zag, riep zij haar toe: "Hoe ging het m'n dochter?" "Hoe ging het?... moeder!" antwoordde het brutale nest, en meteen vielen er twee slangen en twee padden uit haar mond.
"Grote hemel!" riep de moeder, "wat zie ik nou? Dat is de schuld van je zuster, dat zal ik haar betaald zetten!" En meteen stoof ze op haar af om haar een pak slaag te geven. Het arme kind rende weg en vluchtte naar het bos, daar vlakbij. De zoon van de koning, die juist van de jacht terugkeerde, kwam haar tegen en toen hij zag hoe mooi zij was vroeg hij wat zij daar deed, zo moederziel alleen, en waarom zij huilde.
"Ach, mijnheer, mijn moeder heeft mij het huis uitgejaagd!"
De zoon van de koning zag toen vijf of zes parels en evenveel diamanten uit haar mond rollen en vroeg haar hoe dat kwam. Zij vertelde hem alles wat haar overkomen was. Daardoor werd de zoon van de koning verliefd op haar en nam haar mee naar het paleis van zijn vader. Hij vond dat zo'n gave meer waard was dan alles wat een andere vrouw als huwelijksgift zou kunnen meekrijgen en dus trouwde hij met haar.
En wat gebeurde er met haar zuster? Die maakte zich zo gehaat, dat haar eigen moeder haar tenslotte de deur uitjoeg. Ze zwierf overal rond, de ongelukkige, zonder iemand te vinden die haar in huis wilde nemen en ten einde raad ging zij maar dood, op een eenzame plek in het bos.
Antwoordde Baziel : " 's Nuchtens een boerebrood met een eitjie of zesse en een goeje kladde smoet; 's noens enigte worsten met een pot petatten, en ’s avons een terwebrood met koas en hespe".
De dokter: "Geen wonder dat je cholesterol naar de zeshonderd oploopt. Daar moet je dringend iets aan doen. Hier heb ik een voorschrift voor je: ’s morgens twee beschuitjes, s'middags een salaatje en 's avonds een potje magere yoghurt".
Vroeg Baziel: "En wanneer moet 'k da pakken, meneer den dokteur, vo 't eten of d'er achter?"
De veldwachter hield hem tegen en inspecteerde zijn fiets.
Hij zegde: "De remblokken verdwenen, de remkabel kapot, geen achterlicht, geen reflector, een kapotte bel, een scheef stuur, de helft van de spaken weg. Dat zal u iets van een drie duizen frank kosten beste vriend".
Vroeg Baziel: "En go da vo die pries ton ollemoale vermakt zien?"
Baziel wou zich installeren als aannemer. Hij begon al direkt met op de
aanbesteding in te schrijven voor een nieuwe tunnel onder de Schelde.
Zijn prijs lag ver beneden alle andere, maar de ingenieur van bruggen en wegen betrouwde het vanzelfsprekend niet.
Hij riep Baziel en vroeg hem: "Leg mij eens uit hoe gij dat zo goedkoop kunt doen. Uw prijs ligt méér dan de helft onder die van de volgende laagste aanbieder;"
"Eh wel", antwoordde Baziel, "'k gon dat e kir uitleggen. 'k Doen ik da ten
kleine koste. 'k Begunnen ik ol die kant hier mè m'n Buultjie te graven en ol den overkant begunt Hektor 't zelfste. En in 't midden gon me ton mollekoor tegen kommen".
Zegde de ingenieur: "En veronderstel nu eens dat ge een verkeerde berekening maakt en ge mekaar niet in het midden ontmoet. Wat dan?
"Eh wel," zei Baziel, "je krieg gie ton twi tunnels vo de pries van enen".
Trompetgeschal en troepenbeweging: de Führer zelf op bezoek.
Hij riep Baziel en zegde: "Baziel, je bent de vijf miljoenste gevangene van Das Reich. Als genademaatregel krijg je je vrijheid terug en je mag zelfs nog een wens doen die je in 't leven kan vooruithelpen."
"Bedankt, wel bedankt Führer", zei Baziel "èwè os 't zoe kannen zien, 'k zoen hier wel willen de gaze leveren".
Als je het pad verlaat en het dennenbos inloopt moet je diep bukken, ja misschien moet je zelfs op handen en knieën gaan. De takken hangen bijna tot op de grond en vormen een bruin en donker afdak waar elk geluid wordt gedempt en iedere voetstap klinkt alsof je een zak chips onder je voeten kraakt. Als je onder de bomen doorkruipt zul je op een goed moment weer in het licht komen. Daar waar de bomen verder uit elkaar staan en waar het gras hoog opgroeit. Op zo'n open plek kunnen niet alleen de lentebloemen en bosanemonen bloeien maar daar krijgen jonge dennenboompjes de ruimte.
Op een zo'n open plek in het bos stond tussen het kniehoge gras een hele prille loot. Zijn stam was nog niet meer dan een ielig twijgje dat wiegde met elk zuchtje wind. Maar hij staarde verlangend omhoog naar de hemel en de zon. Daarboven dreven de wolken voorbij en twinkelden de sterren bij nacht. Daar zag hij soms de melkwitte maan voorbij zeilen en onder zijn flinterdunne bast rilden dan zijn vragen. Wat was dat daarboven?
Om het lootje heen torenden de oude statige dennen van formaat. Als het lootje daar naar keek beheerste slechts één gedacht zijn kleine kern: zo groot wil ik ook worden! Dus begon hij uit alle macht te groeien en te groeien. Hij zoog gulzig het water uit de grond, ving alle stralen van de zon die hij te pakken kon krijgen en liet gretig de wind langs zijn weinige naalden waaien. De hele zomer lang groeide hij met alle macht die in hem was. Toen de herfst kwam en de eerste dagen vorst het bos in hun greep hadden genomen rustte hij uit, tevreden met wat hij die zomer had bereikt. Zijn top keek ruim uit over het grasveld; hij kon gerust de winter tegemoet gaan.
Toen de lente kwam en nauwelijks de laatste restjes sneeuw waren verdwenen kreeg het lootje een fikse teleurstelling te verwerken. Op een ochtend hipten wat konijnen rond op zijn grasveldje, waartegen hij op zich geen bezwaar had. Maar toen een van donderse knabbelaars met een sprongetje van niks over hem heen wipte was hij niet meer zo ingenomen met hun gezelschap. Als zelfs een konijn zo eenvoudig over hem heen sprong dan was zijn prestatie van vorige zomer lang niet zo indrukwekkend als hij zich had verbeeld. Daarom spande hij zich dat voorjaar buitengewoon in om te groeien dat het een lieve lust was. Hij keek alleen maar omhoog naar de toppen van de eerbiedwaardige sparren en stelde zich voor dat hij daar steeds dichterbij kwam. Hij genoot geen moment van de prachtige zomer die dat jaar bracht maar concentreerde zich helemaal op zijn groei. Toen de volgende herfst kwam was hij tevreden over zijn hoogte maar twijfelde aan de stevigheid van zijn bescheiden stammetje.
En toen verschenen tijdens de koude dagen van november de vreemde wezens. Ze maakten zo veel herrie, dat alle dieren uit de omgeving weg snelden. Het boompje had nog nooit zulke opmerkelijke dieren gezien, ze liepen op twee poten en niet op vier. Ze bleven een tijdje op de open plek en lieten sporen na op de stammen van een paar van de hoogste sparren vlak bij het dennetje. Enkele dagen later kwamen er weer zulke wezens en die maakten nog veel meer kabaal, zo erg dat zelfs de kevers en de mieren zich verborgen hielden onder de grond. Het gevolg van het misbaar was dat een paar van de grote sparren, die waarop ze sporen hadden achtergelaten, met een enorm gekraak omvielen. Ze werden ontdaan van alle takken en bleven toen een paar dagen bloot en dood liggen. Toen werden ze weggesleept om nooit weer terug te keren. Het boompje vroeg zich verwonderd af waar de sparren heen waren gegaan.
Het was echter geen droef afscheid want doordat de schaduwrijke reuzen verdwenen waren stond het dennetje de hele dag door in de zon en de volgende lente en zomer groeide hij wel drie keer meer dan de voorgaande zomers. In de avondschemering van een zo'n zomerse dag kreeg hij bezoek van de mol. Die had vlakbij zijn wortels een gang gegraven en dook nu plotseling naast hem op.
"Mol, mag ik je wat vragen?" vroeg het dennetje met een dun stemmetje.
"Nou vooruit," sprak de mol met zijn mond vol modder.
"weet jij waar de grote bomen heen zijn? Ik zou het zo graag weten. Wie weet ga ik daar ook ooit naar toe en dan wil ik het graag nu al weten." Het bleef een tijdje stil.
"Mnmm," mompelde de mol. "dikke bomen, mnmm. Die ben ik wel eens tegen gekomen. In een hele grote gang was het. Een lange gang van een hele dik mol, vermoed ik. Ze stonden daar te kraken in het pikkedonker. Een diepe gang was het ook, ja." Het had er alle schijn van dat de mol helemaal vergat dat hij in gesprek was met de jonge boom want hij staarde naar een modderkluitje en zweeg langdurig.
"Wat deden ze nog meer?" vroeg de den tamelijk opgewonden en ijl.
"Ze wachtten daar, wachten en kraken, ja. Wachten en kraken." De mol sjokte weg en verdween in een van zijn eigen duistere vochtige gangen. De den bleef vol vragen achter. Onder de grond vol duisternis wilde hij niet eindigen. Zijn naalden rilden bij het idee. Maar hij werd niet omgezaagd en naar een mijngang gebracht om het plafond te stutten. Dat jaar niet en ook niet het jaar daarna. Wel kwamen er na twee zomers weer wezens op twee benen. De den kende ze nu en wist wat hij kon verwachten. Ze maakten weer onmogelijk veel misbaar en liepen tussen de dennen door en wezen hier en daar. Ze wezen ook naar de den en dat maakte hem heel onzeker. Zou hij nu toch in het donker terecht komen? Maar nee, er verdwenen die dag heel veel van zijn broers, allemaal dennen van zijn leeftijd. Niet zo groot en machtig als de eerbiedwaardigen. Ze reikten niet hoger dan het gewei van een damhert. Toch verdwenen ze met onbekende bestemming en de den stond weer alleen op zijn open plek in het bos.
Hij was blij de mus te zien op zijn bovenste tak. Het was een paar dagen nadat zijn open plek nog groter was geworden.
De den lispelde heel zachtjes want hij wist dat de mus nogal snel schrok.
"Mus, weet jij waar mijn broertjes gebleven zijn?"
De mus vloog van schrik eerst drie rondjes rond de den en ging toen weer schielijk op zijn topje zitten.
"Ja, nou, zeker. Dat weet ik, ja. Ik kan het wel zeggen. Wil je het weten?" De mus sprak snel en een beetje buiten adem. Dat deed ze altijd. Dat wist de den, dus probeerde hij zijn top zo stil mogelijk te houden.
"Ja, alsjeblief," fluisterde hij.
"Ze staan achter de ramen in de huizen. En sommigen staan op straat bij elkaar, maar dat worden er elke dag minder."
"En wat doen ze daar achter ramen?" De den realiseerde zich dat hij geen flauw idee had van wat ramen en huizen waren. Maar hij wilde het toch weten.
"Ze hebben heel veel kleuren in hun takken en toppen van sterrenglans. Ik ga er gauw weer heen, het is zo mooi om te zien." En voordat de den nog iets kon inbrengen vloog de mus er vandoor, gedreven door zijn onophoudelijke nieuwsgierigheid.
De den bleef achter met veel vragen. Vragen die het hele volgende jaar en ook in de winter daarna nog door zijn sappen spoelden. Ja, bomen hebben veel geduld om lang over één ding na te denken. Als je ze maar de tijd geeft. Maar ook na vier winters wist de den niet meer dan toen de mus net weg gevlogen was. Hij was intussen een majesteit van een boom geworden die heerste over zijn prachtige plek in het bos. De zon bescheen zijn donker glanzende naaldendek met zichtbaar genoegen. De regen spoelde met plezier het stof van hem af na een hete zomer. Maar de den dacht na en lette niet op het voorbij gaan van de zomers. En toen, volkomen onverwacht, werd hij uit zijn overdenkingen weggerukt. Het gebeurde allemaal razendsnel, zeker voor een boom. Het was aan het begin van de winter op een miezerige dag in november.
De voorman van de houthakkers liep rond op de open plek en gaf aanwijzingen. "Deze en die vier daar en dat hele bosje daar," wees hij. Ronkend kwamen de motorzagen in actie. De den voelde een eigenaardige kriebel onderaan zijn stam en vervolgens verloor hij elk gevoel in zijn wortels. Het was alsof ze er niet meer waren. De hemel zwaaide plotseling weg en toen scheen de zon van opzij op zijn takken. Het was een vreemde sensatie toen hij werd versleept en opgetakeld. Met een zwiep viel hij neer op een van zijn broers. En nauwelijks was hij van die schrik bekomen of er landde een ander op hem. En daarna viel er nog een en nog een. Zijn takken bogen door en hier en daar kraakte iets. De den wist niet zeker of hij het zelf was of een van zijn broers. Het was allemaal heel onaangenaam. Toen kwam er beweging en stak de wind op. Nadat het trillen ophield en de wind weer ging liggen werden de dennen afgeladen en overeind gezet. Zo stond onze den daar, een beetje schuin en hulpeloos. Te wachten op een onbekend lot. Onder zijn bast liep het sap langzaam naar beneden, als tranen van een angstig kind. Hij wenste dat hij nooit gewenst had groot te zijn. Dit was dus het lot van grote bomen. Zonder wortels tegen elkaar aangeleund staan en voelen hoe het leven traag uit je weg sijpelt. Wachtte hem nu een diepe donkere gang en zou hij moeten kraken onder het gewicht van de aarde? De gedachte alleen al deed zijn naalden omkrullen. Hij voelde een jeukende pijn aan de uiteinden van zijn top.
Overal om hem heen was het lawaai van de tweepotigen, zoals hij de boomomzagers was gaan noemen. Hij kon ze zien over de toppen van zijn lotgenoten heen. Hij was de grootste van alle dennen die daar stonden. Hij zag verlichte ramen en kleuren in de nacht. Hij aanschouwde het antwoord op zijn vraag. Hij zag ramen en door de ramen de versierde kerstbomen. Prachtig was het en een diep verlangen rees op vanuit zijn jaarringen. Hij wilde ook zo staan behangen met glinstergouden ballen en getooid met een schitterende piek. Ja daarvoor had hij al die jaren zo zijn best gedaan. Om zo te pronken met zijn schoonheid was opeens zijn liefste wens. Maar het liep anders. Er kwamen weer mannen, bomen werden weg gehaald en een van de mannen zei:
"Dat is "m, die daar moet het worden," en hij wees naar onze dennenboom. Ze sleepten hem weg van zijn plaats met een kraanwagen. De den durfde niet te kijken. Hij zou pas weer om zich heen kijken als hij in een kamer stond en ze hem vol zouden hangen met feestelijke lichtjes. Maar dat gebeurde niet want hij voelde dat hij rechtop werd gehouden en dat er met geweld houten pinnen onderaan zijn stam werden geslagen. De den leed een diep en stil verdriet zoals hij daar somber en duister stond. De hele nacht liet men hem staan, kaal en ongezien. Geen warme kamer vol van licht en geuren voor hem maar een grote kale leegte.
Toen de volgende dag aanbrak kwamen de mannen terug en hingen zware dingen in zijn takken. Van onder tot boven werd hij behangen met zwarte dikke draden. Zijn takken hingen af, hij kraakte hier en daar. Hij was bevangen van verdriet en zelfmedelijden. Hij liet het allemaal gelaten over zich heen komen, wat kon hij er tegen doen? Niks toch?
Toen kwam de avond en verschenen er nog meer mensen. Ze vulden het plein van voor tot achter. Ze wachtten op iets. De den wist niet waarop en hij wilde het ook niet weten. Toen kwam er een man naar voren met een gouden ketting om. De man zei een en ander tegen al de mensen op het plein. En toen zei hij heel luid, en alle anderen op het plein zeiden het met hem mee:
Oh, want bij één gingen alle lichten aan in de grote boom midden op het plein. En iedereen was het er over eens: zo'n prachtige kerstboom had de stad in geen honderd jaar gehad. En onze den was het daar helemaal mee eens.
"Je maakt een bak mortel, en je schept dat in een emmer. Die neem je mee,
telkens met een vrachtje stenen op je schouder", zegde de ploegbaas, "je klimt de ladder op en je levert dat ginds boven af bij de metsenaar."
Zo deed Baziel.
s' Avonds had hij uitstekend werk geleverd.
De ploegbaas zegde: " Je ziet een goejen Baziel, je mag voort kommen".
Zegde Baziel: "Mo dien diender dor neffens mien, dat is mor een leegganger wèje.
Most jèm ofdanken, 'k zoen wel zien werk d'er bie pakken".
Zo gezegd, zo gedaan.
Vanaf 's anderendaags maakte Baziel de mortel en droeg hij de bakstenen naar boven voor twee metsers.
De dag daarop ging hij weer naar de ploegbaas: "Dien anderen dor", zegde hij, "dat is een plantrekker die nie vele doet. Most jèm ofdanken, je zoe ’t nooit voelen, en 'k willen ik gerust zien werk d'er bie pakken."
En zo gebeurde. Baziel maakte voortaan mortel en bracht de baksteen aan voor drie metsers. Nooit eerder gezien, dacht de ploegbaas.
Een paar dagen later stond Baziel daar weer.
"Meestergast", zei hij, "je zoe gie zeker gin grotere schippe kunnen kopen vo me? Want mèt die schippe hier got da nie zere genoeg om te miengelen. 'k Zoen ton nog méér mortel kunnen maken".
De ploegbaas vond het zo al welletjes, want hij was natuurlijk erg tevreden met die nieuwe rekruut, maar anderzijds had hij nogal wat klachten van de andere werknemers tegen dien "uitslover".
Hij vond dan maar een smoesje uit: "Den baas wil daar niets van horen", zei hij, "we moeten bezuinigen en alleman moet het standaardmateriaal gebruiken, zoals het voorhanden is".
" 't Is ton nie an te doen hé", zegde Baziel.
Een paar dagen later, ingelicht over de uitzonderlijke nieuwe werkkracht die op de werf bezig was, kwam de baas hem persoonlijk groeten.
"Baziel" zegde hij, "ik ben heel tevreden over je. Daarom heb ik beslist je
vanaf vandaag een mooie loonsverhoging te geven".
Waarop Baziel: "E gie godverdiksche lelijkoord. Vor ipslag te geven, dor è je geld voren hé, mor os ekik vragen voor een grotter schippe, ton kan 't nie
"Dokter, ik zit met een probleem! Mijn man heeft namelijk een kleine piemelke en elke keer als ik bijna een orgasme krijg, dan floept hij er uit!" "Tja", zegt de dokter, "dat is erg lastig! Maar weet je wat? Neem je man morgen maar mee, dan zie ik jullie om half 11 wel hier." De volgende dag staan mevrouw en meneer bij de dokter. "Tja," zegt de dokter, nadat hij naar de kleine piemel van meneer heeft gekeken, "ik zie het al, daar is maar 1 oplossing voor : Bij mevrouw een metalen plaat in haar mieke en bij meneer een magneetje in zijn eikel."- Zo gezegd, zo gedaan. Enkele weken later komt mevrouw de dokter tegen in de supermarkt. "A wel", zegt de dokter, "en is het nog een beetje gelukt?" "Ja," zegt de mevrouw, "Geweldig, ik heb elke keer een orgasme, want hij floept er niet meer uit door het magneetje ..." "En hoe is het met uw man?" vraagt de dokter. "Wel, niet zo goed", zegt de vrouw, "hij is al drie keer gearresteerd."
Maar waarom dan???" vraagt de dokter. "Wel," zegt de vrouw, neem nu de laatste keer, we waren in het zwembad en toen liep er een klein meisje met een beugeltje ..."