Er was eens een soldaat, die de koning jaren lang trouw gediend had, maar toen de oorlog afgelopen was en de soldaat om zijn vele wonden die hij opgelopen had, niet verder kon dienen, zei de koning tot hem: "Je kunt naar huis gaan, ik heb je niet meer nodig; je krijgt verder geen betaling meer, want ik betaal alleen iemand die in mijn dienst is."
Toen wist de soldaat niet hoe hij zijn leven verder moest doorbrengen; hij ging bezorgd weg en zwierf de hele dag rond, tot hij ‘s avonds in een bos aankwam. Toen de duisternis viel, zag hij een lichtje, daarop ging hij af en kwam bij een huis waar een heks woonde.
"Geef me toch onderdak voor de nacht en een beetje eten en drinken," zei hij tot haar, "anders ga ik dood."
"Wat?" zei ze, "wie geeft er nu iets aan een afgedankte soldaat? Nu, ik zal medelijden met je hebben en je in huis nemen als je doet wat ik van je verlang."
"Wat wil je dan?" vroeg de soldaat.
"Dat je. morgen mijn tuin omspit." De soldaat stemde toe en werkte de volgende dag met mannekracht, maar hij kon niet eerder klaar komen dan ‘s avonds.
"Ik zie al," zei de heks, "dat je vanavond niet weg kunt: ik zal je nog één nacht houden, en daarvoor moet je me morgen een karrenvracht hout kloven en klein hakken."
De soldaat had daar de hele dag voor nodig, en ‘s avonds stelde de heks hem voor, nog een nacht te blijven. "Je hoeft morgen maar een kleinigheid voor me te doen. Achter mijn huis is een oude, verdroogde bron, daar heb ik mijn licht in laten vallen; het heeft een blauwe vlam en gaat niet uit, en dat moet je voor me opvissen."
De volgende dag bracht het oude mens hem naar de put, en liet hem in een mand naar beneden. Hij vond het blauwe licht en gaf een teken, dat zij hem weer op kon halen. Zij trok hem ook op, en toen hij dicht bij de rand was, stak ze haar hand omlaag en wilde het blauwe licht uit zijn hand nemen. "Nee, zo niet," zei hij, want hij merkte haar lelijke gedachte; "dat licht geef ik niet af voor ik met mijn beide voeten op de grond sta." Toen werd de heks woedend, liet hem weer zakken en ging weg.
De arme soldaat was, zonder verwondingen, op de vochtige bodem gevallen en het blauwe licht brandde door; maar wat hielp hem dat? Hij zag wel, dat dit zijn dood moest zijn. Hij ging een poos zitten, en was treurig. Toevallig greep hij in zijn zak en vond zijn pijp, die nog half gestopt was. "Dat zal het laatste genoegen zijn," dacht hij, haalde hem uit zijn zak, maakte vuur aan het blauwe licht en begon te roken.
Toen de rook rondtrok in het hol, stond er opeens een klein zwart mannetje voor hem en zei: "Heer, wat is er van uw dienst?"
"Wat heb ik voor dienst te vragen?" antwoordde de soldaat verwonderd.
"Ik moet alles doen," zei het mannetje, "wat u verlangt."
"Best," zei de soldaat, "help me dan eerst uit deze put."
Het mannetje nam hem bij de hand en bracht hem door een onderaardse gang, maar hij vergat het licht niet. Het liet hem onder ‘t lopen de schatten zien die de heks bijeen had gebracht en daar verstopt had, en de soldaat nam zoveel goud mee als hij dragen kon. Toen ze boven waren, zei hij tegen het mannetje: "Ga nu de oude heks vastbinden en breng haar voor ‘t gerecht."
En het duurde niet lang of daar kwam ze op een wilde kater schreeuwend en snel als de wind aangereden; en het duurde niet lang of het mannetje was terug. "’t Is al klaar," zei hij, "en de heks hangt al aan de galg. En wat beveelt u verder?" vroeg het mannetje. "Op ‘t ogenblik niets," zei de soldaat, "je kunt naar huis gaan; maar blijf in de buurt, als ik je roep."
"Je hoeft niets anders te doen," zei het mannetje, "dan dat je je pijp aan het blauwe licht aansteekt, dan sta ik dadelijk voor je." En meteen verdween hij toen voor zijn ogen.
De soldaat keerde naar de stad terug, waar hij vandaan kwam. Hij ging naar het beste hotel, liet mooie kleren maken, en hij beval de waard voor hem een prachtige kamer in te richten. Toen het klaar was, en de soldaat die bewoonde, riep hij het zwarte mannetje en zei: "Ik heb de koning trouw gediend, maar hij heeft me weggezonden en me honger laten lijden; daar wil ik me voor wreken."
"Wat moet ik doen?" vroeg de dwerg.
"’s Avonds laat, als zijn dochter al naar bed is, moet je haar hier brengen; ze moet mijn dienstbode zijn." Het mannetje zei: "Dat is voor mij heel gemakkelijk; maar voor jou zou het gevaarlijk kunnen zijn, en als het uitkomt, krijg je op je kop."
Toen het twaalf uur had geslagen, sprong de deur open, en het mannetje kwam de prinses binnendragen. "Zo, ben je daar?" riep de soldaat, "ga maar flink aan ‘t werk! Ga een bezem halen en de kamer vegen."
Toen ze daarmee klaar was, liet hij haar bij zich komen, strekte zijn voeten naar haar uit en zei: "Trek mijn laarzen uit." Hij gooide ze haar in ‘t gezicht, en ze moest ze oprapen, schoonmaken en poetsen. Maar ze deed alles wat hij haar beval, zonder tegenstribbelen, zwijgend, en met half neergeslagen ogen. Bij ‘t eerste hanengekraai droeg het mannetje haar weer naar het koninklijk slot en naar haar bed terug.
De volgende morgen stond de prinses op, ging naar haar vader en vertelde hem, dat ze zo’n vreemde droom had gehad: "Ik werd vliegensvlug door de straten gedragen naar de kamer van een soldaat; ik moest hem bedienen als een dienstbode en allerlei vuil werk doen, de kamer vegen en schoenpoetsen. Het was maar een droom, maar ik ben zo moe of ik het werkelijk had moeten doen."
"Die droom kan geen werkelijkheid zijn geweest," sprak de koning, "maar ik wil je wel een raad geven: doe je zak vol erwten en maak er een klein gaatje in; als je weer gehaald wordt, dan vallen ze en laten een spoor na op straat." Maar terwijl de koning dat zei, was het mannetje ongezien aanwezig en hoorde alles.
‘s Nachts droeg hij de slapende prinses weer door de straten, en er vielen wel een paar erwten uit haar zak, maar ze vormden toch geen spoor, want het slimme mannetje had van te voren erwten rondgestrooid in alle straten van de hele stad. Maar de prinses moest weer al het zware werk doen tot de haan kraaide.
De volgende morgen zond de koning al zijn bedienden uit om het erwtenspoor te zoeken, maar het was vergeefs. Want in alle straten zaten arme kinderen erwten te zoeken en vertelden: "Vannacht heeft het erwten geregend." - "We moeten er wat anders op verzinnen," zei de koning, "hou je schoenen aan als je gaat slapen, en voor je weggaat moet je er daar één achterlaten en verstoppen; ik zal hem wel weten te vinden." Het zwarte mannetje hoorde dat plan, en toen de soldaat ‘s avonds verlangde, dat hij de prinses weer brengen moest, ried hij het hem af en zei, tegen deze list was niets bestand, en als de schoen bij hem gevonden werd, dan zou het slecht met hem aflopen. "Doe wat ik zeg!" zei de soldaat, en de prinses moest ook deze derde nacht als een dienstbode werken, maar vóór ze terug werd gedragen, verstopte ze een schoen onder het bed.
De volgende morgen liet de koning de hele stad door naar de schoen van zijn dochter zoeken. En hij werd gevonden; bij de soldaat, en de soldaat zelf, die zich op verzoek van het mannetje uit de voeten had gemaakt, werd buiten de poort spoedig ingehaald en in de gevangenis gestopt. Hij had het beste vergeten bij zijn overhaaste vlucht: het blauwe licht en zijn goud. En hij had nog maar één dukaat op zak.
Toen hij nu, zwaar geketend, voor het venster van zijn gevangenis stond, zag hij één van zijn oude kameraden voorbijkomen. Hij klopte tegen de ruit, en toen de man eraan kwam zei hij: "Wees zo goed en haal dat pakje eens, dat ik in de herberg heb laten liggen; ik geef je een dukaat." De kameraad ging erheen en haalde het. Zodra de soldaat weer alleen was, stak hij zijn pijp op en liet het zwarte mannetje komen. "Wees niet bang," zei hij tegen zijn meester, "ga maar waar ze je heen brengen, en laat alles gebeuren, alleen, neem het blauwe licht mee."
De volgende dag werd de soldaat voor het gerecht gebracht en ofschoon hij niets kwaads had gedaan, veroordeelde de rechter hem toch ter dood. Toen hij nu weggevoerd werd, vroeg hij de koning om een laatste gunst. "Wat voor één?" vroeg de koning. "Dat ik onderweg nog een pijp mag roken." - "Je kunt er drie roken," antwoordde de koning, "maar je moet niet denken dat ik je ‘t leven schenk."
Nu haalde de soldaat zijn pijp te voorschijn en stak die aan het blauwe licht aan en toen er een paar kringetjes rook waren opgestegen, stond het mannetje er al, met een klein knuppeltje in zijn hand en hij zei: "Wat is er van uw dienst?" - "Sla die valse rechter tegen de grond, en spaar de koning niet, die mij zo slecht behandeld heeft." Toen vloog het mannetje als een bliksem zig-zag heen en weer, en als hij iemand met zijn knuppel maar aanraakte, viel hij op de grond en stond niet meer op. De koning werd heel bang, hij ging al liggen en om zijn leven te houden, gaf hij de soldaat het hele koninkrijk en zijn dochter tot vrouw.
Een vliegtuig waar aleen nederlanders op zitten op 1 na de belg was gecrasht. en ze hongen allemaal aan een stuk vast in de boom . de piloot zegt er moet een iemand springen ! de belg zegt:,, Jaah ik zal wel gaan ik ben tog de eenigste belg dus .´´
Broertje nam zijn zusje bij de hand en zei: "Sinds onze moeder dood is hebben we geen goed ogenblik meer; onze stiefmoeder slaat ons elke dag, en als we naar haar toegaan schopt ze ons weg. De harde broodkorsten die van tafel overblijven zijn ons voedsel en het hondje onder tafel heeft het beter, die stopt ze dikwijls eens wat lekkers toe. Het is gewoon verschrikkelijk! Als onze eigen moeder dat eens wist! Kom, laten we samen de wijde wereld ingaan." Ze liepen de hele dag over weiden, velden en stenen en wanneer het regende, zei het zusje: "God en ons hart schreien tezamen." 's Avonds kwamen ze bij een groot bos, en waren zo moe van honger en ellende en van het lange lopen, dat ze in een holle boom kropen en in slaap vielen.
Toen zij de volgende morgen wakker werden, stond de zon al hoog aan de hemel en scheen de boom in. Het broertje zei: "Zusje, ik heb dorst, als ik ergens een bronnetje wist, zou ik er heen gaan en drinken. Ik geloof dat ik water hoor ruisen." Hij stond op en nam haar bij de hand om het water te zoeken. De boze stiefmoeder was echter een heks; ze had wel gemerkt dat de twee kinderen waren weggelopen, ze was hen nageslopen zo stil als heksen sluipen kunnen, en ze had alle bronnen in het bos betoverd. Toen ze nu bij een beekje kwamen, dat glinsterend over stenen sprong, wilde het broertje drinken, maar het zusje hoorde het water ruisen: "Wie mij drinkt, wordt een tijger." Toen riep het zusje: "Drink alsjeblieft niet, anders word je een wild dier en zul je me verscheuren!" Hij dronk ook niet, al had hij nog zo'n grote dorst en zei: "Ik zal wachten tot de volgende bron." Toen ze bij het tweede bronnetje kwamen, hoorde het zusje hoe ook hier het water zei: "Wie mij drinkt, wordt een wolf; wie mij drinkt, wordt een wolf!" Toen riep het zusje: "Broertje, ik smeek je, drink hier niet – want dan word je een wolf en eet je mij op." Het broertje dronk niet en zei: "Ik zal nog wachten tot we weer bij een bron komen, maar dan moet ik drinken, wat je ook zegt, ik heb te veel dorst." En toen ze bij de derde bron kwamen, hoorde het zusje dat het water zei: "Wie mij drinkt, wordt een ree; wie mij drinkt, wordt een ree." Toen zei het zusje: "O, broertjelief, drink toch niet, dan word je een ree en dan loop je weg." Maar het broertje was al op zijn knieën gaan liggen, had zich voorovergebogen en van het water gedronken, maar zodra de eerste druppels over zijn lippen gekomen waren, lag hij daar als een jong reetje. Nu weende het zusje bittere tranen om het arme betoverde broertje en het reetje huilde ook en zat heel bedroefd naast het meisje. Tenslotte zei het meisje: "Wees maar stil, lief reetje, ik ga zal je nooit verlaten." En ze knipte haar gouden kouseband los en deed die haar broertje om de hals en ze plukte grassen en vlocht daar een zacht koord van. Daar bond ze het diertje mee vast en ze leidde hem steeds dieper het bos in. En toen ze lang, heel lang gelopen hadden, kwamen ze eindelijk bij een klein huisje, en het meisje keek naar binnen en omdat het leeg was, dacht ze: "Hier kunnen we blijven wonen." Ze zocht voor het reetje bladeren en mos voor een zacht bedje en elke morgen ging ze erop uit om wortels en bessen en noten te plukken, maar voor het reetje bracht ze mooi gras mee dat hij uit haar hand at; hij was tevreden en sprong om haar heen. 's Avonds, als het meisje moe was en haar gebed gezegd had legde zij haar hoofd op de rug van het dier - dat was haar hoofdkussen waar ze heerlijk op sliep. Had het broertje maar zijn mensengedaante gehad, dan was het een heerlijk leven geweest.
Het duurde een poos dat ze zo samen in de wildernis waren. Maar het gebeurde dat de koning van dat land een grote jachtpartij hield in het bos. Daar schalden de jachthoorns, het geblaf van de honden en het geschreeuw van de jagers klonk door de bomen, en het reetje hoorde het en wilde er dolgraag bij zijn. "Och," zei hij tegen het zusje, "laat me eruit om bij de jacht te zijn, ik kan het niet langer meer uithouden," en hij smeekte zo lang, dat ze eindelijk toegaf. "Maar," zei ze, "'s avonds moet je thuiskomen; voor de wilde jagers sluit ik mijn deur; maar om je kenbaar te maken moet je kloppen en zeggen: "Zusje mijn, laat mij erin," en als je het niet precies zo zegt, doe ik de deur niet open." Toen sprong het reetje weg, en hij vond het zo heerlijk en werd zo blij in zijn vrijheid. De koning en zijn jagers zagen het mooie dier en zetten het na, maar zij konden het niet inhalen en juist toen zij dachten dat zij het hadden sprong het over de struiken heen en was verdwenen. Toen het donker werd liep hij naar het huisje, klopte aan en zei: "Zusje mijn, laat me erin." De kleine deur ging open, hij sprong naar binnen en rustte de hele nacht heerlijk uit op zijn zachte bed. De volgende morgen begon de jacht opnieuw en toen het reetje de jachthoorn weer hoorde en het "ho! ho!" van de jagers, had hij geen rust meer en sprak: "Zusje, doe de deur voor mij open, ik moet weg!" Het zusje deed de deur open en zei: "Maar vanavond moet je weer thuiskomen en de spreuk opzeggen." Toen de koning en zijn jagers het reetje met de gouden halsband weer zagen jaagden ze allemaal daarop, maar het was te behendig en hen te vlug af. Dat duurde zo de hele dag, maar eindelijk hadden de jagers hem 's avonds omsingeld en één van hen wist hem aan de poot te verwonden, waardoor hij hinkte en langzaam wegliep. Eén van de jagers sloop hem na en hoorde hem roepen: "Zusje mijn, laat me erin," en hij zag de deur even opengaan en dadelijk weer dicht. De jager onthield het goed, ging naar de koning en vertelde hem wat hij gehoord en gezien had. Toen sprak de koning: "Morgen jagen wij nog eens."
Maar het zusje was verschrikkelijk geschrokken, toen het reetje gewond bleek. Ze waste het bloed af, legde er kruiden op en zei: "Ga maar liggen, lief reetje, zodat het weer genezen kan." Het wondje was zo gering dat het reetje er de volgende morgen niets meer van merkte. En toen hij de jachtpartij buiten weer hoorde, sprak hij: "Ik kan het niet uithouden; ik moet erbij zijn, zo gauw hebben ze mij niet te pakken." Maar het zusje huilde en zei: "Dan zullen ze je doodschieten, en dan ben ik hier helemaal alleen in het bos en van alles en iedereen verlaten. Nee, ik laat je er niet uit!" "Dan sterf ik hier van verdriet," antwoordde het reetje, "als ik de jachthoorn hoor, dan weet ik dat ik gaan moét!" Toen kon het zusje niet anders en zij deed met een bezwaard hart de deur voor hem open en het reetje sprong vrolijk en gezond het bos in. De koning zag hem en zei: "Jaag nu de hele dag tot aan de nacht op hem, maar niemand mag hem kwaad doen." Zodra de zon was ondergegaan, zei de koning tegen de jager: "Kom mee en laat mij dat huisje in het bos eens zien." En toen hij voor het deurtje stond klopte hij aan en riep: "Lief zusje, laat mij erin." Daar ging de deur open en de koning kwam binnen en hij zag een meisje, zo mooi als hij nog nooit in zijn leven gezien had. Het meisje schrok toen ze zag dat niet het reetje binnen was gekomen, maar een man die een gouden kroon op zijn hoofd had. Maar de koning keek haar vriendelijk aan, reikte haar de hand en zei: "Wil je met me meegaan naar mijn kasteel, en mijn lieve vrouw worden?" "O ja," antwoordde het meisje, "maar het reetje moet ook mee, dat verlaat ik niet." Toen sprak de koning: "Dat reetje mag bij je blijven zolang je leeft en het zal hem aan niets ontbreken." Intussen kwam het reetje naar binnen gesprongen; het zusje maakte de band weer vast, nam die zelf in de hand en samen verlieten ze het huisje in het bos.
De koning nam het mooie meisje op zijn paard en leidde haar naar zijn slot, waar de bruiloft werd gevierd met veel pracht en praal; nu was zij koningin en zij leefden lang en gelukkig met elkaar. Het reetje werd verzorgd en gekoesterd en mocht in de tuin van het slot vrij rondhuppelen. Maar de boze stiefmoeder, om wie de kinderen de wijde wereld waren ingegaan, dacht niet anders of het zusje zou door de wilde beesten in het bos zijn opgegeten en het reetje door de jagers zijn doodgeschoten. Toen zij nu hoorde dat zij heel gelukkig waren en het hen goed ging, maakten afgunst en nijd zich meester van haar hart en lieten haar niet meer met rust en ze dacht er steeds aan hoe die twee nog eens in het ongeluk te kunnen storten. Haar eigen dochter die zo lelijk was als de nacht en maar één oog had, maakte haar verwijten en zei: "Koningin worden, dat was voor mij bestemd!" - "Wees maar stil," zei de oude vrouw om haar gerust te stellen: "Als de tijd daar is zal ik wel bij de hand zijn." En toen de tijd daar was en de koningin een mooi jongetje had gekregen en de koning juist op jacht was, nam de oude heks de gedaante aan van een kamenier, kwam de kamer binnen waar de jonge koningin lag en zei tegen haar: "Kom, het bad is klaar, dat zal u goed doen en weer nieuwe krachten geven - vlug, voor het weer koud wordt." Haar dochter was er ook bij, samen droegen ze de zwakke koningin naar de badkamer en legden haar in de kuip; vervolgens deden ze de deur op slot en maakten ze dat ze wegkwamen. In de badkamer hadden ze echter een hellevuur aangemaakt zodat de jonge koningin weldra stikte.
Toen dat klaar was zette de oude vrouw haar dochter een muts op en legde haar in bed in plaats van de koningin. Ze gaf haar zelfs de gestalte en het gezicht van de koningin; alleen het verloren oog kon ze niet terugtoveren. Maar opdat de koning het niet zou merken moest ze gaan liggen op de kant zonder oog. Toen hij 's avonds thuis kwam en hoorde dat hij een zoontje gekregen had was hij zeer blij en wilde naar het bed van zijn lieve vrouw gaan om te zien hoe zij het maakte. Maar de oude heks riep gauw: "Alsjeblieft, laat toch de gordijnen dicht, de koningin mag niet in het licht kijken en moet rust hebben." De koning ging terug en wist niet dat een verkeerde koningin daar in bed lag. Maar toen het middernacht was en iedereen sliep zag de baker die naast de wieg in de kinderkamer zat en alleen nog wakker was, hoe opeens de deur openging en de echte koningin binnenkwam. Ze nam het kindje uit de wieg, nam het in haar arm en gaf het te drinken. Vervolgens schudde zij zijn kussentje op, legde hem weer in de wieg en dekte hem goed toe. Ze vergat ook het reetje niet, ging naar de hoek waar het lag en streelde het over zijn rug. Daarna liep ze heel stil de deur weer uit en de baker vroeg de volgende morgen aan de schildwacht of er 's nachts iemand het kasteel was binnengekomen, maar hij antwoordde: "Nee, wij hebben niemand gezien." Zo kwam zij vele nachten achtereen en sprak nooit één woord; de baker zag haar elke keer, maar ze durfde er niemand iets van te vertellen.
Toen dat zo een poosje was gegaan begon de echte koningin 's nachts te spreken en zei:
"Hoe is mijn kind? Hoe is mijn ree? Nog tweemaal kom ik en dan niet meer."
De baker gaf haar geen antwoord, maar toen zij weer verdwenen was ging ze naar de koning toe en vertelde hem alles. De koning sprak: "Mijn God, wat kan dat zijn? Ik zal de volgende nacht bij mijn zoontje waken." 's Avonds ging de koning naar de kinderkamer en precies om middernacht kwam de verschijning van de koningin en zei:
"Wat doet mijn kind? Wat doet mijn ree? Nog éénmaal kom ik en dan niet meer."
En ze verzorgde het kindje zoals ze al die dagen al gedaan had, voor ze weer verdween. De koning durfde haar niet aan te spreken, maar ook de volgende nacht hield hij de wacht. Toen sprak ze weer:
"Wat doet mijn kind? Wat doet mijn ree? Na deze keer kom ik niet meer."
Toen kon de koning zich niet meer inhouden en zei: "Jij kunt niemand anders zijn dan mijn eigen lieve vrouw." Toen antwoordde zij: "Ja, ik ben je eigen lieve vrouw" en op datzelfde ogenblik kreeg zij door Gods genade het leven weer terug en was gezond en fris en had weer kleur. Zij vertelde de koning wat voor kwaad de boze heks en haar dochter haar hadden aangedaan. De koning liet ze beiden voor het gerecht brengen en het vonnis werd over hen uitgesproken. De dochter werd naar het bos gebracht waar wilde dieren haar verscheurden en de heks werd tot de brandstapel veroordeeld en moest jammerlijk omkomen. En toen zij tot as was verbrand veranderde het reetje en kreeg zijn menselijke gedaante terug. Zusje en broertje leefden gelukkig met elkaar tot aan het eind van hun leven.
Een Duitser, Nedelander en een Belg hebben een misdaad gepleegd en worden geëxecuteerd.
Als ze buiten voor het executiepeleton staan denkt de Nederlander: 'Ik heb geen zin om dood te gaan.' Hij roept opeens keihard: 'Beren!!!' De mannen van het executiepeleton kijken om. Op dat moment vlucht de Nederlander weg en is dus niet meer in gevaar.
Dan denkt de Duitser: 'Dat kan ik ook.' Hij roept keihard: 'Tijgers!!!' Weer kijken de mannen om en de Duitser vlucht.
De belg denkt dan even na, want hij wil ook wegkomen en roept daarna: 'VUUR!!!'
Heel, héél, lang geleden, in de tijd dat de dieren nog konden spreken, woonden er eens een heleboel katten bij elkaar in een groot, verlaten huis dat vlak bij een stad stond. Die katten hadden alles wat hun hartje begeerde. Zij hadden een fijne woning, zij waren goed gevoed en als er een domme muis te dicht bij hun huis kwam, vingen ze hem. Niet om hem op te eten, hoor, maar gewoon omdat het leuk was muizen te vangen.
De oude mensen uit de stad vertelden hun ouders wel eens te hebben horen praten over vroeger. Toen was er eens een tijd geweest met zoveel ratten en muizen, dat er geen korreltje graan meer op de akkers was te vinden. De katten hadden het land van die plaag verlost en als beloning mochten hun nakomelingen nu in dat grote huis wonen. Niemand wist hoe de katten aan het geld kwamen om alles te betalen of wie er betaalde, want dit verhaal is al zo lang geleden gebeurd. Maar één ding is zeker: zij waren rijk genoeg om er een meid op na te houden. De katten woonden namelijk wel erg gezellig samen en kibbelden niet meer dan gewone mensen, maar zij waren niet handig genoeg om zelf het huishouden te doen. Zij hadden vooral iemand nodig die hun vlees kookte of braadde, want rauw wilden zij het niet eten.
Het was moeilijk het de dieren naar de zin te maken en bovendien hadden de meeste vrouwen er al gauw genoeg van de hele dag alleen maar katten om zich heen te hebben. Daardoor kwam het dat de dieren nooit lang achter elkaar dezelfde dienstbode hadden. In de stad was het een gewoonte geworden, als je geen cent meer had, te zeggen: "Ik zal maar voor de katten gaan werken." En veel arme vrouwen deden het ook.
Nu woonde er in de stad een weduwe met twee dochters. Lizina, de jongste dochter, had het helemaal niet prettig thuis en vaak kreeg zij niet genoeg te eten, terwijl haar oudste zuster juist geweldig verwend werd door hun moeder. Als Lizina zich durfde te beklagen, kreeg zij altijd een stevig pak slaag. Er kwam een dag dat zij het niet langer uithield en wanhopig riep zij tegen haar moeder en zuster: "Omdat jullie me zo haten, zullen jullie het wel fijn vinden van me af te zijn - ik ga voor de katten werken!"
"Hoepel op!" riep haar moeder. Zij pakte een oude bezem en kwam er dreigend mee naar Lizina toe. Het meisje wachtte haar niet af, maar holde de deur uit en stond pas stil toen zij bij het huis van de katten was aangekomen. Hun keukenmeid was juist die ochtend weggegaan na een hevige ruzie met het hoofd van het huis. De kat had haar bijna de ogen uit het hoofd gekrabd, zo hevig was die ruzie geweest. De katten waren dus maar wat blij dat er al zo vlug nieuwe hulp kwam en zij zetten Lizina meteen aan het werk. Zij moest het eten voor hen klaarmaken. Lizina vond dat wel een beetje eng, want ze wist niet wat de katten lekker vonden.
Terwijl ze aan het werk was, kwamen er steeds nieuwe katten de keuken binnen, die het nieuwe meisje wilden zien. Er liep er steeds een vlak voor haar voeten, een ander zat op de leuning van haar stoel terwijl zij de groente schoonmaakte, een derde zat naast haar op tafel en een stuk of zes katten scharrelden rond tussen de potten en pannen op de planken.
Zij waren allemaal aan het spinnen, wat betekende dat de nieuwe hulp hun goed beviel, maar Lizina kende de kattentaal nog niet en vaak wist zij niet, wat de dieren van haar verlangden. Maar zij was een vriendelijk en lief meisje en zij raapte de jonge katjes op die waren gevallen, ze suste ruzies en de oudste kat, die een manke poot had, mocht op haar schoot zitten.
Alle katten waren erg ingenomen met het nieuwe meisje en toen Lizina hun taal verstond en hun gewoonten kende, werd het nog beter. Nog nooit was het huis zo schoon geweest en het vlees zo goed klaargemaakt, en waren de zieke dieren zo goed verzorgd. Een paar weken later kregen de katten bezoek van een oude kater, die zij hun vader noemden. Hij woonde alleen in een schuur boven op de heuvel en van tijd tot tijd kwam hij naar beneden naar het huis om te zien hoe het met de kleine kolonie ging. Toen hij Lizina zag, vond ook hij haar erg aardig.
Hij vroeg de katten: "Zorgt dit aardige, zwartogige meisje goed voor jullie?" En alle katten antwoordden uit één mond: "O ja, vader Gatto, we hebben nog nooit zo'n goede dienstbode gehad!" Bij elk volgend bezoek van vader Gatto was het antwoord hetzelfde. Maar na een tijd merkte de oude kat, die altijd alles zag, dat het aardige dienstmeisje steeds bedroefder werd.
"Wat is er, lief kind, is iemand onaardig tegen je geweest?" vroeg hij op een dag, toen hij haar bijna huilend in de keuken aantrof. Nu barstte Lizina echt in tranen uit en tussen haar snikken door zei zij: "Nee, dat is het niet, ze zijn juist allemaal erg aardig voor me. Maar ik zou zo graag iets van thuis horen en ik verlang zo naar mijn moeder en mijn zuster."
"De oude, verstandige Gatto begreep best hoe het meisje zich voelde en daarom zei hij: "Je mag naar huis en je hoeft niet terug te komen voor je het zelf wilt. Maar eerst wil ik je belonen voor de vriendelijke manier waarop je voor mijn kinderen hebt gezorgd. Ga mee naar de onderste kelder. Daar ben je nog nooit geweest, want ik houd die altijd gesloten en de sleutel neem ik altijd mee." Lizina keek verbaasd rond in het grote keldergewelf onder de keuken. Er stonden twee grote, stenen vaten. In de ene zat olie, in de andere een vloeistof die glansde als goud.
"In welke van deze twee potten zal ik je onderdompelen?" vroeg vader Gatto met een grijns waardoor al zijn witte tanden te zien waren. Zijn snorren stonden overeind aan weerszijden van zijn kop. Het meisje keek vanonder haar lange, donkere wimpers naar de vaten en zei verlegen: "In de oliepot." Ze vond dat ze niet kon vragen in goud gebaad te worden.
Maar vader Gatto zei: "Nee, nee, je hebt iets beters verdiend." Hij tilde haar op met zijn sterke voorpoten en liet haar voorzichtig in het gouden vocht zakken.
O, wat een wonder! Toen Lizina eruit kwam, straalde zij als de zon op een mooie zomerse dag. Alleen haar rosé wangen en haar zwarte haar waren niet van kleur veranderd, maar voor de rest was ze net een gouden beeld geworden.
Vader Gatto spon luid van voldoening. "Ga nu naar huis," zei hij, "naar je moeder en je zuster. Als je onderweg een haan hoort kraaien, kijk dan naar hem, maar als je een ezel hoort balken moetje de andere kant opkijken." Lizina kuste dankbaar de witte poot van de oude kat en ging naar huis. Toen zij er bijna was, kraaide de haan en vlug keek zij naar het dier. Meteen verscheen er een prachtige, gouden ster op haar voorhoofd, vlak boven haar glanzend zwarte haar. Even later balkte de ezel en Lizina paste goed op niet naar het weiland te kijken, waar hij graasde.
Haar moeder en zuster zaten voor het huis en gaven een gil van verbazing en bewondering toen ze haar zagen. Hun uitroepen werden nog luider toen Lizina haar zakdoek uit haar zak haalde en er meteen een handvol goudstukken mee te voorschijn trok. Een paar dagen had Lizina het heel fijn thuis, want zij had alles wat zij had meegebracht aan haar moeder en zuster gegeven, behalve haar gouden kleren. Die kon ze namelijk niet uit krijgen, hoe hard haar zuster - die gek was van jaloezie - er ook aan trok. Ook de gouden ster kon niet van haar voorhoofd worden genomen.
Daar werd Peppina zo spinnijdig over dat zij op een dag zei: "Nou ga ik eens naar de katten om te zien wat ik van ze los kan krijgen." Zij nam Lizina's mandje en tasje en vertrok al vóór de zon opging van huis. "Ik zou best wat van het goud van de katten kunnen gebruiken," dacht zij onderweg.
De katten hadden intussen nog geen nieuwe hulp aangenomen; ze wisten dat ze er nooit een zouden krijgen die net zo goed was als Lizina. Ze waren nog steeds bedroefd dat Lizina was weggegaan. Toen zij hoorden dat Peppina haar zuster was, liepen zij het meisje blij tegemoet. Maar de jonge katjes fluisterden onder elkaar: "Ze lijkt helemaal niet op Lizina."
"Stil, houd je gemak," zeiden de oude katten. "Niet alle dienstmeisjes kunnen mooi zijn."
Maar de jonge katjes hadden gelijk, Peppina leek in niets op haar zuster. Ook de oudere, wijzere katten moesten dat al gauw toegeven.
De eerste de beste dag dat zij er was, deed zij de keukendeur achter zich op slot voor de neus van de katers, die het altijd zo fijn hadden gevonden Lizina aan het werk te zien. Een jonge brutale kat klom door het open keukenraam en sprong op de tafel. Maar toen kreeg hij van Peppina zo'n harde klap met de deegroller, dat hij een uur lang lag te huilen van de pijn.
ledere dag werd het erger. Het humeur van Peppina werd al slechter en slechter en zij voerde haast niets uit. Grote stofvlokken lagen in de hoeken van alle kamers; er hingen spinnenwebben aan de plafonds en voor de ramen, en de bedden werden haast nooit opgemaakt. En de veren bedden, waar de oude en zwakke katten zo graag in sliepen, waren sinds Lizina weg was nooit meer opgeschud. Toen vader Gatto weer eens op bezoek kwam, vond hij de hele kolonie op stelten.
"Een van Caesars poten is zo opgezet, dat wij bang zijn dat hij gebroken is," zei er een. "Peppina heeft hem met haar klomp geschopt. Hector heeft een grote wond op zijn rug, op de plaats waar Peppina een stoel naar hem heeft gegooid. En Agrippina is met haar drie jonge katjes van honger gestorven, doordat Peppina hen vergeten heeft in hun mandje op zolder. We kunnen het echt niet langer met dat schepsel uithouden - stuur haar alstublieft weg, vader Gatto! Lizina zal er niet boos om zijn; zij weet zelf wel hoe haar zuster is."
"Kom hier," zei vader Gatto op zijn strengste toon tegen Peppina. Hij nam haar mee naar de kelder en liet haar dezelfde stenen vaten zien die hij Lizina had getoond.
"In welk van deze vaten zal ik je onderdompelen?" vroeg hij en het meisje zei vlug: "In de gouden vloeistof," want zij was net zo onbescheiden als zij slecht en kwaadaardig was.
Vader Gatto's gele ogen schoten vuur. "Dat heb je niet verdiend!" riep hij met donderende stem. Hij pakte het meisje op en wierp haar in het vat met olie, waar ze haast in stikte. Toen zij gillend en spartelend weer bovenkwam, greep de woedende kater haar opnieuw beet en rolde haar door de as die op de vloer lag. Toen stond ze op en vies dat ze was! Werkelijk te vuil om aan te pakken. Vader Gatto duwde haar de deur uit en riep: "Eruit! En als je een balkende ezel tegenkomt, moet je naar hem kijken."
Woedend strompelde Peppina naar huis, blij dat ze een stok vond waar ze tenminste op steunen kon. Toen ze vlak bij het huis van haar moeder was, hoorde zij een ezel balken in de wei rechts van haar. Vlug draaide zij haar hoofd die kant op en meteen greep zij met haar hand naar haar voorhoofd, waar opeens een ezelsstaart zwaaide. Ze rende naar huis, gillend van woede en ontzetting.
Het duurde twee uur voordat Lizina met warm water en twee grote stukken zeep de laag olie en as van haar zuster had afgewassen. Maar wat de ezelsstaart betreft, die was er met geen mogelijkheid af te krijgen. Hij zat net zo vast op Peppina's voorhoofd als de gouden ster op dat van Lizina!
Hun moeder was razend. Eerst sloeg ze Lizina onbarmhartig met de bezem en daarna nam zij haar mee naar de put en gooide het meisje erin. Toen ging zij weg en liet haar huilend en om hulp roepend achter op de bodem van de put.
Maar voordat dit allemaal gebeurde, was de zoon van de koning op een dag langs het huis van de moeder gekomen en hij had Lizina gezien, die zat te naaien in de huiskamer. Ach, wat had hij haar mooi gevonden! Hij was nog een paar keer langs gekomen en tenslotte had hij de moed gevonden naar het raam te gaan en te fluisteren: "Lief, mooi meisje, wil je mijn bruid zijn?" En zij had geantwoord: "Ja, dat wil ik."
De ochtend nadat de moeder Lizina in de put had gegooid, kwam de prins zijn bruid halen. Op de bank zat een meisje en om haar hoofd was een witte sluier gewikkeld. "Zo gaan de meisjes hier altijd naar hun bruidegom toe," zei de moeder, die hoopte dat ze de prins met Peppina kon laten trouwen in plaats van met Lizina. Zij had de ezelsstaart om het hoofd van haar dochter gewonden en daar overheen de sluier gedaan, zodat er van de staart niets te zien was. De prins was jong en verlegen; hij protesteerde dus niet en liet Peppina naast zich zitten in de koets.
De weg naar het kasteel van de koning voerde langs het huis van de katten en toen de koets aankwam, zaten ze allemaal voor de ramen. Het v^as namelijk bekend geworden, dat de prins met het mooiste meisje van de wereld zou gaan trouwen en dat zij een gouden ster op haar voorhoofd had. Daardoor wisten zij, dat dat meisje hun geliefde Lizina moest zijn. Toen de koets langzaam voorbij reed, gingen alle katten opeens zingen en dit was hun lied.
Miauw! Miauw! Miauw! Prins, kijk goed naast jou! Daar zit de gemene Peppina, In de put zit de lieve Lizina!
De koetsier verstond de kattentaal beter dan de prins. Toen hij hoorde wat de katten zongen, hield hij de paarden in en vroeg: "Begrijpt Uwe Hoogheid wat de katten zeggen?"
De katten zongen het lied weer, nog harder dan eerst. Toen trok de prins de sluier weg van het meisje naast hem en zag eronder het pafferige, opgezette gezicht van Peppina en de ezelsstaart die om haar hoofd gewonden was. "Bedriegster!" riep hij bevend van woede. Hij liet de koets meteen omdraaien en bracht de dochter terug naar de moeder die hem had willen bedotten. Met zijn zwaard in de hand eiste hij Lizina op, op zo'n dreigende toon dat de moeder zich naar de put haastte en haar gevangene eruit haalde.
Lizina's kleren en haar ster straalden met zo'n gloed, dat het hele kasteel erdoor verlicht werd, toen de prins met haar thuisgekomen was bij zijn vader, de koning. De volgende dag trouwden zij en alle katten kwamen op de bruiloft en vader Gatto was de eregast. Lizina en haar prins leefden nog lang en gelukkig.
Een Belg en een Nederlander komen vast te zitten op een eiland en worden door kannibalen vastgehouden. de bedoeling was dat ze opgegeten zouden worden, maar vanwege een paar redenen mochten ze een opdracht doen om in leven te blijven. de opdracht was dat ze van een fruitsoort 100 stuks mee moesten nemen, en die vervolgens in hun reet moesten stoppen, zonder ook maar 1 keer te lachen.Deden ze het toch, werden ze alsnog opgegeten. dus de nederlander gaat het bos in, en komt terug met 100 bessen. hij begon ze toen in zn reet te duwen, en toen hij bij de 100ste was, begon hij spontaan te lachen. voordat ze hem in de ketel gooiden, vroeg de leider van die kannibalen: waarom begon je te lachen, wel jammer want je was zo ver! waarop de nederlander als antwoord geeft: ik wilde net de laatste bes erin stoppen, toen die belg eraan kwam met honderd kokosnoten!!
Er ging een belg naar de winkel, en onder zijn arm had hij een ladder. Toen vroeg die vrouw van de winkel: "waarom heb je een ladder bij je?" Waarop de man antwoorde: "er zijn toch hoge prijzen."
Er was eens een arme boer die 's avonds bij de haard zat en het vuur oppookte terwijl zijn vrouw zat te spinnen. Toen zei hij: "Wat is het toch jammer dat we geen kinderen hebben! Het is zo stil bij ons, en bij andere mensen is het altijd druk en vrolijk."
"Ja," zei de vrouw zuchtend, "al was het er maar één, en al was het nog zo klein, al was het maar zo groot als mijn duim, dan zou ik toch tevreden zijn, we zouden er veel van houden."
Nu gebeurde het dat de vrouw zwanger werd en na zeven maanden kreeg ze een kindje. Het was gezond van lijf en leden, maar het was niet groter dan een duim. Toen zeiden ze:
"Kijk, hij is precies zoals we hebben gewenst en het is ons eigen lieve kind."
En ze noemden hem Klein Duimpje. Zij gaven hem goed te eten, maar het kind groeide niet en bleef precies even groot als in zijn eerste levensuur; maar hij keek verstandig uit zijn ogen en het bleek al gauw een slim en handig ventje te zijn, want waar hij ook aan begon, hij bracht het altijd tot een goed einde.
Op een dag ging de boer naar het bos om hout te hakken en toen mompelde hij: "Nu zou ik wel willen dat er iemand mij de kar achterna brengt."
"O, vader," riep Klein Duimpje, "voor de kar zal ik wel zorgen, reken er maar op dat die precies op tijd bij u is." Toen lachte de vader: "Hoe kan dat nu, je bent immers veel te klein om het paard aan de teugel te voeren." "Dat hindert niet, vader, als moeder hem inspant, dan ga ik in het oor van het paard zitten en dan zeg ik wel hoe hij moet lopen." "Goed," antwoordde de vader, "we kunnen het wel eens voor een keertje proberen."
Toen het tijd was spande moeder het paard in en Klein Duimpje ging in het oor van het paard zitten en hij riep hoe het paard moest lopen: "Hu! Hö, naar recht! Naar links!" Dat ging heel goed en de kar ging rechtstreeks het bos in. Nu gebeurde het dat hij juist een hoek omsloeg en Klein Duimpje "Links, links!" riep, toen er twee vreemde mannen langs kwamen.
"Wel," zei de één, "wat is dat nou? Daar gaat een kar en ik hoor een voerman het paard toeroepen, maar ik zie hem nergens!" "Dat is raar," zei de ander, "laten we de kar volgen en zien waar hij naar toe gaat."
De wagen ging helemaal het bos in en kwam precies op de plek waar het hout werd gehakt. Toen Klein Duimpje zijn vader zag, riep hij: "Zie je nu wel vader, hier ben ik met de kar, haal me nu maar naar beneden." De vader pakte het paard met zijn linkerhand en haalde met zijn rechterhand Klein Duimpje uit het oor, die heel vrolijk op een strohalm ging zitten.
De twee mannen zagen Klein Duimpje en van verbazing wisten ze niet wat ze moesten zeggen. Toen zei de één fluisterend tegen de ander: "Dat kereltje kon ons wel eens geld en geluk brengen, als we hem in een grote stad tegen betaling vertonen - laten we hem kopen!" Ze gingen naar de boer en zeiden: "Verkoop dat ventje maar aan ons, hij zal het goed bij ons hebben!" "Nee," antwoordde de vader, "hij is mijn oogappel en hij is voor geen geld van de wereld te koop.
Maar toen Klein Duimpje van de handel hoorde, kroop hij langs de jas van vader omhoog, ging op zijn schouder staan en zei in zijn oor: "Vader, geef me maar weg, ik kom wel weer terug." Toen gaf de vader hem voor een flinke som geld aan de beide mannen.
"Waar wil je zitten?" vroegen ze hem. "Och, zet me maar op de rand van je hoed, dan kan ik naar voren en naar achteren lopen en de omgeving zien, ik val toch niet." Zo gezegd, zo gedaan. Klein Duimpje nam afscheid van zijn vader en ze gingen op weg. Ze liepen tot het donker werd. Toen zei de kleine: "Haal me eraf, ik moet even op de grond, want ik moet heel nodig." "Blijf jij maar boven," zei de man op wiens hoed hij zat, "het kan mij niets schelen, de vogels laten er ook wel eens wat op vallen." "Nee," zei Klein Duimpje, "ik weet best hoe het hoort, en ik wil gauw naar beneden."
De man nam zijn hoed af en zette de kleine op een akker langs de weg. Hij kroop een eindje tussen de aardkluiten en toen sloop hij ineens in een muizenhol dat hij gezien had. "Goedenavond heren, gaan jullie maar lekker naar huis zonder mij!" riep hij hun spottend na en lachte hen uit. Ze kwamen dichterbij en staken met stokken in het muizenhol, maar dat was vergeefse moeite. Klein Duimpje kroop steeds verder weg en daar het al bijna donker was, keerden ze boos en platzak naar huis terug.
Toen Klein Duimpje merkte dat ze weg waren kroop hij te voorschijn uit de onderaardse gang. "Het is in het donker gevaarlijk lopen op het land," zei hij, "je breekt zo je hals en je benen!" Gelukkig stuitte hij op een leeg slakkenhuis. "Goddank," zei hij, "daar kan ik in overnachten," en hij ging erin zitten. Juist wilde hij inslapen, of hij hoorde twee mannen langs komen en de één zei: "Hoe zullen we het aanleggen om die rijke pastoor zijn geld en zijn zilver af te pikken?"
"Dat zou ik wel weten," riep Klein Duimpje er tussendoor.
"Wat was dat?" zei de ene dief verschrikt, "daar sprak iemand."
Ze bleven staan luisteren. Toen zei Klein Duimpje weer: "Neem me mee, ik kan jullie wel helpen."
"Waar ben je dan?"
"Zoek maar op de grond, en let goed op waar mijn stem vandaan komt," antwoordde hij. Zo vonden de dieven hem eindelijk en raapten hem op. "Zo'n klein ding, hoe wou jij ons helpen?" zeiden ze. "Kijk," zei hij, "ik kruip tussen de tralies de kamer van de pastoor binnen en geef daardoor jullie aan wat jullie maar hebben willen." "Goed," zeiden ze, "we zullen eens zien of je dat kan."
Ze kwamen bij de pastorie en Klein Duimpje kroop de kamer binnen en schreeuwde zo hard als hij kon: "Willen jullie alles hebben wat hier is?" De dieven schrokken en zeiden: "Praat toch zachtjes, anders wordt er iemand wakker." Dat hoorde de keukenmeid die in de binnenkamer sliep en ze richtte zich in bed op om te luisteren. De dieven echter waren van schrik een eindje weggelopen. Eindelijk durfden ze weer en ze dachten: dat kleine ventje wil ons voor de gek houden. Zo kwamen ze terug en fluisterden: "Nu geen geintjes meer, geef ons wat aan."
Toen schreeuwde Klein Duimpje weer zo hard hij kon: "Ik zal jullie alles wel geven, steek je handen maar uit." Dat hoorde de keukenmeid heel duidelijk en ze sprong uit haar bed en ging naar het raam. De dieven renden weg alsof de dood hen op de hielen zat, maar de meid had niets gezien en stak een kaars aan. Toen ze daarmee aan kwam lopen, vluchtte Klein Duimpje ongezien naar de schuur en de keukenmeid zocht alle hoeken door. Maar ze kon niets vinden en toen ging ze maar weer naar bed en geloofde ze dat ze met open oren en ogen had gedroomd.
Klein Duimpje was wat rondgekropen in het hooi en had een mooi plaatsje gevonden om te slapen. Daar kon hij uitrusten tot het dag was en dan weer naar huis naar zijn ouders terugkeren. Maar hij zou eerst nog wat anders beleven. Ja, er is veel verdriet en ellende op de wereld!
De meid kwam bij het eerste ochtendlicht uit bed om het vee te voeren. Eerst ging ze naar de schuur waar ze een arm vol hooi pakte, juist daar waar het arme Klein Duimpje in lag te slapen. Maar hij sliep zo vast dat hij niets merkte en pas wakker werd, toen hij in de mond van de koe zat, die hem met het hooi mee opat.
"O jee, waar ben ik nu in terecht gekomen!" riep hij. Maar al gauw begreep hij waar hij was. Nu was het oppassen dat hij niet tussen de kiezen kwam en vermalen werd. Maar tenslotte moest hij toch mee de maag in.
"In dit kamertje zijn de vensters vergeten," zei hij, "en de zon schijnt er niet en er wordt ook geen licht gebracht." Trouwens, hij vond het een lelijk en onaangenaam verblijf. En er kwam steeds maar meer vers hooi door de deur naar binnen. Het werd er steeds nauwer. Eindelijk riep hij in zijn angst zo luid hij kon:
"Geen eten meer! Geen eten meer!"
De meid was juist bezig de koe te melken. En toen ze hoorde praten zonder iemand te zien en met dezelfde stem die ze 's nachts ook had gehoord, schrok ze zo dat ze van haar krukje viel en de melk over de grond morste. Zo hard ze kon vloog ze naar de pastoor en riep: "Ach meneer pastoor, de koe heeft gepraat." "Je bent gek," zei de pastoor, maar hij ging toch zelf naar de stal om te kijken wat er aan de hand was. Nauwelijks had hij zijn voet binnen de stal gezet of Klein Duimpje riep weer:
"Geen eten meer! Geen eten meer!"
Toen schrok de pastoor ook en hij dacht dat er een boze geest in de koe was gevaren zodat hij besloot dat de koe afgemaakt moest worden. Ze werd geslacht, maar de maag waarin Klein Duimpje nog zat, werd op de mesthoop gegooid. Klein Duimpje had grote moeite zich een weg naar buiten te banen, maar hij slaagde er toch in wat ruimte te maken. Nauwelijks had hij zijn hoofd naar buiten gestoken of er gebeurde een nieuwe ramp.
Een hongerige wolf kwam voorbij en slokte de hele maag in één hap naar binnen. Klein Duimpje verloor de moed niet. "Misschien," dacht hij, "is er met die wolf te praten," en hij riep hem toe uit zijn buik:
"Lieve wolf, ik weet erg lekker eten voor je."
"Waar dan?" vroeg de wolf.
"In een huis dat ik ken. Daar moet je door het kelderraam naar binnen kruipen en dan vind je koek, spek en worst, zoveel je maar hebben wilt!" En hij beschreef hem heel precies het huis van zijn vader. Dat liet de wolf zich geen twee keer zeggen en hij kroop 's nachts door het kelderraam naar binnen en at zich dik en rond in de provisiekamer. Toen hij verzadigd was wilde hij weer weg, maar hij was zo dik geworden dat hij het kelderraam niet meer uit kon! Daar had Klein Duimpje op gerekend en hij begon in de buik van de wolf een geweldig lawaai te maken, hij gilde en schreeuwde zo hard hij maar kon.
"Wil je wel eens stil zijn!" zei de wolf, "je maakt iedereen wakker!" - "Nou en," zei Klein Duimpje, "jij hebt je volgevreten, dus laat mij nu ook eens een pretje hebben," en hij begon weer opnieuw uit alle macht te schreeuwen. Eindelijk werden zijn vader en zijn moeder er wakker van en ze liepen naar de provisiekamer en keken door een kier naar binnen. Toen ze zagen dat daar een wolf zat, renden ze hard weg en de man haalde een bijl en de vrouw een zeis. "Blijf achter me," zei de man bij het binnegaan, "als ik hem een klap heb gegeven en hij is nog niet dood, dan moet jij op hem inhakken en zijn lichaam met de zeis openrijten."
Toen Klein Duimpje de stem van zijn vader hoorde, riep hij: "Vader, ik ben hier! Ik zit in de buik van de wolf!" Vol vreugde sprak de vader: "We hebben ons lief kind teruggevonden!" en hij liet zijn vrouw de zeis wegzetten om Klein Duimpje geen letsel toe te brengen. Toen zwaaide hij zijn bijl en sloeg de wolf zo hard op zijn kop, dat hij dood neerviel. Ze haalden mes en schaar, sneden zijn lichaam open en trokken Klein Duimpje er weer uit.
"O, wat hebben we om jou een zorg en angst uitgestaan!" riep de vader. "Ja, vader, ik heb heel wat van de wereld gezien, maar ik ben blij dat ik weer frisse lucht opsnuif!" - "Waar ben je dan allemaal geweest?" - "O, vader, ik ben in een muizenhol geweest en in een koeienmaag en in een wolfsbuik - maar nu blijf ik hier bij jullie!" - "En we zullen je voor geen goud ter wereld meer verkopen," zeiden de ouders en ze kusten en liefkoosden hun lieve zoontje. Ze gaven hem eten en drinken en nieuwe kleren - want de zijne waren op zijn reis helemaal versleten.
Een belgische boer heeft 2 paarden en ziet het verschil er niet tussen. Om ze toch uit elkaar te kunnen houden knipt hij de manen van het ene paard eraf. Maar die groeien al snel aan. Daarom knipt hij van het andere paard de staart eraf. Maar ook die groeit snel weer aan. Dan heeft hij een goed idee, hij gaat ze opmeten. En wat blijkt, het witte paard is 10 cm groter dan het zwarte paard.
Er werken een Belg en een Nederlander bij een fabriek. Ze zijn beiden schijtziek van hun werk. Op een gegeven moment gaat de Nederlander naar de directeur, pist over hem heen, schijt over hem heen, slaat hem op z'n muil en zaagt het bureau doormidden en zegt: "Zo, hier kom ik nooit weer''. De volgende dag gaat die Belg naar de directeur en pist over hem heen, schijt over hem heen, slaat hem op z'n muil en zegt: ''Zo, ik werk voortaan alleen nog maar halve dagen''
Een duitser, fransman en een belg hebben een zwembad ze mogen zelf kiezen in wat ze vallen. De duitser zegt bier en springt er in. Dan is de beurt aan de fransman en die roept champagne! Als laatste mag de belg maar voordat hij het wil zeggen, glijdt hij uit en schreeuwt SHIT en valt in zo in de stront!!
Een jonge knappe vrouw komt op een avond thuis, en laat aan haar man een, schitterende parelring zien. 'Kijk eens schat hoe mooi! Mijn baas en ik, spelen samen in de lotto en vandaag hebben we een flinke prijs gewonnen.
Toen heeft hij die ring voor mij gekocht.' Twee weken later komt ze weer laat thuis en laat stralend haar nieuwe bontjas zien. 'Lieverd, we hebben weer stevig met de lotto gewonnen, daar heeft hij vandaag deze nerts voor gekocht.
' Omdat ze moe is vraagt ze haar man, of hij het bad wil laten vollopen.
Dat doet hij, want hij doet alles voor zijn vrouw.
Even later roept hij: 'Schat je bad is klaar!' Ze komt de badkamer binnen en is stom verbaasd: 'Maar schat, de bodem van het bad staat net onder water.' 'Natuurlijk liefje, anders wordt je lottoformulier nat.
De Nederlanders vinden het na jaren uitlachen van de belgen ook wel 's tijd worden dat de Belgen eens om ons kunnen lachen. Dus er ging een Nederlander naar Beatrix en vraagt aan haar of ze misschien een brug in de Sahara wilde bouwen, zodat de Belgen ons een lekker konden uitlachen. Beatrix vond dit wel een goed idee, dus ze laat een brug bouwen in de Sahara. Dus toen de brug klaar was gingen de Nederlanders naar de brug toe om zich te laten uitlachen. Stonden de Belgen daar op de brug te vissen!
Er was een verslaafde Belg en een verslaafde Nederlander. Zij werden allebei tot 60 jaar gevangenisstraf veroordeeld voor moord. Maar waren allebei zeker onschuldig. daarom kwam er een engel in hun cel en verrtelde dat ze een wens mochten doen. De belg die verslaafd aan roken is dacht meteen ik wil dat mijn hele cel vol zitten met sigaretten en joints. en poeff heel zijn cel zit vol ermee. dan gaat de engel naar de Nederlander. de Nederlander die verslaafd is aan sex die zegt "ik wil dat heel mijn cel vol zit met allemaal meiden uit verschillende landen"en poeff zo gebeurd. Na 60 jaar komt de engel terug ( dag voor hun vrijlating) om te kijken of ze hebben genoten. hij komt in de cel van de nederlander binnen en ziet hem nog bezig met een marokaanse vrouw. de Nederlander bedankt hem "zonder jou had ik het hier nooit gered"dan gaat hij bij de belg kijken en ziet dat alle sigaretten en Joints nog staan en vraagt aan de belg waarom heb je er niet van genoten. De belg zegt: Ik heb geen vuur......
Een Canadese boer, Osama bin Laden en George Bush lopen door de woestijn. Op een gegeven moment struikelt Bush ergens over. De Canadese boer pakt het op, veegt het zand ervan af en ziet dat het een oude olielamp is. Vervolgens komt er een geest uit de lamp die zegt: "Jullie mogen allemaal een wens doen, vraag wat je wilt, in totaal kan ik drie wensen in vervulling laten gaan." De Canadees zegt: "Ik ben boer. Mijn vader was boer, mijn grootvader was boer en mijn zoon is ook boer. Ik wens dat de grond van Canada voor altijd vruchtbaar zal zijn." De geest zwaait met zijn armen en POEF!, Canada is gezegend met de vruchtbaarste grond van de hele wereld. Dan zegt Osama bin Laden: "Ik wens voor Afghanistan dat het beschermd wordt tegen alle gewelddadigheden van buitenaf. Zet een gigantische muur om Afghanistan zodat er geen mensen van buitenaf zullen kunnen binnenkomen met hun rare gewoonten, hun radicale ideeën en godsdiensten." De geest zwaait weer met zijn armen en BAM!, er staat een gigantische muur om Afghanistan. Dan zegt George Bush tegen de geest: "Vertel me eens wat meer over die muur." De geest zegt: "De muur staat op de grens van het land en staat er helemaal omheen. Hij is 10 kilometer hoog en 300 meter dik en gemaakt van onverwoestbaar materiaal. Niets kan er doorheen, overheen of onderdoor." George Bush doet zijn wens: "Vul het met water."
Er staan drie mannen op een dak zegt de duitser ''ik wed dat als ik een steentje naar beneden laat vallen dat ik hem kan opvangen benenden" . Dus de duitser gooit een steentje naar benden en hij rent de trap af zo snel mogelijk en dan is hij beneden ziet hij een jongetje huilen en dan vraagt hij warom huil je jongetje het jongetje zegt omdat er net een kiezelsteentje op mijn hoofd is gevalen de duitser zegt ooo sorrie jongetje en rent weg En dan gooit de nederlander een grotere steen naar beneden en rent naar beneden zosnel mogelijk en dan ziet hij een klein meisje staan huilen en dan vraagt hij warom huil je meisje nouw zegt het meisje omdat er net een steen op mijn hoofd is gevallen oo sorry zegt de nederlander en rent snel weg Dan is de belg aan de beurt die gooit een hele zwerfkei naar beneden en hij rent naar beneden zo snel mogelijk en dan ziet hij een jongetje lachen dan vraagt de belg jongetje waarom lach je zo nouw zegt het jongetje ik liet net een scheet en er viel een heel gebouw om.
Er komt een Nederlander in Belgie en ziet 2 belgen. De één graaft een lange geul en de ander gooit hem weer dicht. Dus vraagt de Nederlander "waarom doen jullie dat" Zegt een van de belgen: "We leggen een draadloze telefoon verbinding aan!!"
Bush daagt Bin Laden uit voor een potje schaken. Bin Laden zegt daarop dat het geen zin heeft, omdat hij toch gaat winnen. "Hoe kun je dat nu al weten?" vraagt Bush. Waarop Bin Laden antwoordt: "We zijn nog niet eens begonnen en jij mist nu al twee torens
Een nederlander een duitser en een belg, wordengegijzeld. De gijzelaar zegt: "Iedereen krijgt zoderect tien sweepslagen, maar daarvoor mag iedereen nog een wens doen." Eerst is de Belg aan de beurt en die wenst dat er een kussen op zijn rug zit tegen de sweepslagen. En dat gebeurt. Hij komt er niet goed van af. Nu is de duitser en die wenst dat er een heel dik dekbed op zich zit en die wens komt uit. En zegt de gijzelaar omdat jij een nederlander bent mag jij twee wensen doen. Oke zegt de nederlander mijn eerste wens is dat ik geen tien slagen krijg maar twintig. Iedereen kijkt hem verbaast aan. En mijn tweede wens is PLAK DIE DUITSER MAAR OP MIJN RUG.
ik vroeg god een bloem, hij gaf me een tuin. ik vroeg god een boom, hij gaf me een bos. ik vroeg god water, hij gaf me een zee. ik vroeg god een lul, hij gaf me jou
Persoon 1: Ik heb een dwergje in mijn hand, hij kan heel goed dansen, kijk maar Hij kan het ook met 1 schoentje, kan jij het schoentje even vasthouden? Persoon 2: Ja Persoon 1: geloof jij in dwergen? Persoon 2: Nee Persoon 1: Waarom hou je zijn schoentje dan vast?
De kleine Jo was vijftien geworden en dat betekende dat hij 'onderin ging'. En geloof maar dat hij daar trots op was. Hij was nu geen jochie meer; hij was een mijnwerker. Eentje van de Emma, de mijn van Hoensbroek. In het portiershuisje aan de Akerstraat hing nu zijn penning, zijn heel eigen penning.
Er was maar één ding dat Jokes plezier wat temperde. Dat was dat zijn grootmoeder helemaal niet blij was met zijn 'promotie' tot echte mijnwerker. Oma was Jokes beste vriendin. Ze had hem toen hij nog klein was vaak meegenomen naar de wei, naar de schapen, en de kippen en de ganzen. "Wielewielewiele," riep oma als ze met voer voor de ganzen de wei in ging. En "jiepejiepejiepe" als ze met gemengd graan voor de kippen kwam. Voor de schapen had ze zo'n woord niet; die kwamen vanzelf als ze oma zagen.
Oma had er niets over gezegd toen de kleine Jo 'onderin ging'. Maar eigenlijk vond ze het daar in die mijn voor Joke veel te gevaarlijk. Want hoe velen waren daar al niet dood gebleven? "Onder vallend gesteente bedolven," meldden de heren van de mijn dan. Maar zoals gezegd, ze praatte er niet over, over haar angst om Jo. Maar als Jokes dienst was afgelopen stond ze altijd voor het huis, onder aan de Kouvenderberg - uitkijkend tot haar jongen met zijn pungel naar beneden kwam. Dan ging ze gauw weer naar binnen. Maar Joke zag haar wel.
"Oma, maak je toch geen zorgen," had hij al vaak gezegd. "Mij kan niets gebeuren. Waar ik mijn werk heb, daar bij die Wettertür, daar wordt niet gehamerd of geschoten. Daar kan niks verkeerd gaan."
Die Wettertür zorgde ervoor dat het onder in de mijn niet te veel tochtte. Van boven af werd frisse lucht de mijn ingeblazen, en die ging er ergens anders weer uit. Zonder die Wettertüren zouden de kerels daar beneden altijd in de tocht staan, en dat zou niet goed zijn. Het waren geen echte deuren, maar zware leren lappen die van het plafond hingen.
De kleine Jo hield de wacht bij zo'n Wettertür. Hij moest die opzij houden als er mensen door moesten, of kolenkarretjes. En vervolgens moest hij de deur weer gauw dicht doen - vanwege de wind.
't Was op een dag dat er al een tijdje geen mensen en geen karretjes bij de Wettertür waren geweest. Joke was aan de kant ervan op een dikke steen gaan zitten en hij was half en half in slaap gevallen toen er toch iemand bij zijn deur kwam. Het was een vreemde kerel. Hij droeg wel mijnwerkerskledij maar toch was het geen echte mijnwerker, dat kon je zo zien. Het was een oude man, met een lange witte baard en een stok die hij bij het lopen nodig had.
"Goeden dag," zei de vreemdeling toen hij bij Jo aan de deur kwam.
"Eh, goeden dag," zei Joke. "Wie… wie bent u als ik vragen mag?"
De oude man lachte even. "Ik ben Kaspar," zei hij. "Ik woon hier. Hier, onderin de mijn. Al heel lang. Vraag het maar eens aan wat oudere mijnwerkers - die kennen mij wel."
"Ik ben Jo," zei Joke. "Ik bedien de Wettertür."
"Ja, dat weet ik," zei de oude. "Ik heb je hier al vaak zien staan."
"Mmmaar - ik heb u nog nooit gezien…" zie Joke.
De man met de stok lachte opnieuw en zei: "Dat komt doordat ik zelf kan uitmaken wie mij ziet en wie niet. Je gelooft me niet hè, maar het is wel waar. Loop maar eens een stukje mee, naar de paardenstal. Je kent Hawinkels toch, die daar de baas is?"
"Ja, die ken ik," zei Jo.
"Een goed mens," zei Kaspar. "Hij is lief voor zijn dieren, de arme paarden, die maar zo nu en dan naar boven mogen."
Jo zweeg.
"Ik zal je laten zien dat Hawinkels mij niet ziet, al loop ik vlak langs 'm."
Dat wilde Jo wel eens meemaken, maar hoe moest het dan met zijn Wettertür?
"Ik zorg er wel voor dat hier niets scheef gaat," zei Kaspar. "En komt er iemand, dan doet hij de lappen zelf maar eens opzij en terug."
De nieuwsgierigheid won het bij Jo. "Allez dan," zei hij. "Ik ga een stukje met u mee. Eens kijken wat Hawinkels doet." En dus gingen ze samen naar de paardenstal.
En inderdaad. "Dag Joke," zei Hawinkels alleen maar. "Kom je hier eens een kijkje nemen?"
Jo keek naar Kaspar. Die glimlachte wat fijntjes: "Zie je wel."
Jo geloofde het nog altijd niet helemáál, maar Kaspar wenkte hem verder. "Kom mee, dan laat ik je eens wat zien. De oude mijn. Dan kun je daarover iets vertellen tegen de grote kerels, die altijd nog denken dat jij nog maar een jochie bent."
Kaspar ging Joke voor naar een hoek van de paardenstal. Daar was een gat in de wand. Erachter was het donker - zo donker als het in een mijn maar zijn kan.
Toen Kaspar erdoor kroop zei hij: "Ben maar niet bang. Ik heb hier licht. Zelf heb ik het niet nodig, maar ik maak het voor jou." En toen was er opeens licht achter dat gat. Kaspar had een carbidlamp aangestoken en zei: "Hier, neem er ook een." En nu durfde Joke ook door het gat.
"We zijn nu in de oude man," zei Kaspar toen ze verder gingen. Dat zag de kleine Jo óók wel. Overal lagen omver getrokken stijlen. "Voor de mijnwerker valt hier niets meer te halen," zei Kaspar terwijl hij met zijn stok tegen de wand tikte. "De kool is eruit gebroken en toen hebben ze het dak weer laten vallen. Maar je ziet dat hier wel nog een doorgang is."
Nu en dan moesten ze zich bukken of over dikke stenen klimmen. En het ging ook op en af en van links naar rechts. Joke wist al lang niet meer waar hij nu eigenlijk was. "Dat zal ik je zeggen," zei Kaspar. "We zijn hier in mijn mijn. In de mijn van Kaspar en van niemand anders."
Opeens verstijfde Jo van schrik. Er stak een arm van onder een grote blok steen. Met een hand eraan. Maar al helemaal vergaan, het waren alleen nog maar wat knoken. "Die hadden ze vergeten toen ze de zaak lieten vallen," zei Kaspar. "Wie de arme duivel is weet ik ook niet. Maar kom verder."
Toen ze een hele tijd door de oude man hadden gelopen werd alles om hen heen opeens veel opener. En Jo vroeg zich af of het echt waar was wat hij zag. Ze stonden in een groot bos. Een bos met geweldig grote bomen. Maar het waren bomen die zwart waren als kool. Slank en hoog waren ze. Het waren de bomen waar de kool van gemaakt was. Met schubben op de stam en bladeren zoals je ze soms kon zien op stenen uit de mijn.
"Daar sta je wel even te kijken - of niet?" zei Kaspar. "Maar dit is nog lang niet alles. We hebben ook nog de witte mijn en het grote water. En het veld waar de bergkristallen groeien. Dat moet je allemaal nog zien. Allemaal dingen waarvan de lui daarboven niets weten."
Hoe lang hadden ze nu al gelopen, vroeg Jo zich af. Uren en uren en uren, zoveel stond wel vast. Maar het gekke was, dat hij helemaal niet moe werd. Hij had ook helemaal geen honger of dorst. Ja, hij moest niet eens 'n keer pissen.
"Kom jongen," zei Kaspar. "Verder."
Boven, in het portiershuisje aan de Akerstraat en voor het huis waar Jokes oma stond te wachten, begon men zich intussen zorgen te maken. Jo was na zien dienst niet naar boven gekomen. Het haakje van zijn penning bleef leeg. Hij moest nog onderin zijn. Maar niemand had hem gezien, en er was ook geen melding over een of ander ongeluk.
Toen oma haar jongen niet van de berg af zag komen werd Jokes vader naar boven gestuurd. In het portiershuis wisten ze het ook niet, zo werd hem verteld. Misschien dat Joke op een stil plekje in slaap was gevallen - zoiets gebeurde wel eens. Of hij was daar onderin de weg kwijtgeraakt. "We vinden hem wel," werd gezegd.
Jo's vader kon niets anders dan het aan oma te gaan vertellen. Die pakte meteen de rozenkrans en begon te bidden. "Lieve Moeder Gods en lieve Sint Barbara, alsjeblief breng hem terug," zei ze na elk Wees Gegroetje.
De mensen van de mijn gingen zoeken. Overal werd gekeken en aan iedereen werd gevraagd: "Heb je de kleine Jo gezien?" Maar niemand wist iets - Jo bleef verdwenen. En toen het zoeken na twee dagen niets had opgeleverd gaf men het op. Ze zouden hem wel een keer vinden – maar dan niet meer levend.
En ondertussen bleef de oma van Jo bidden. "Lieve Moeder Gods en lieve Sint Barbara, alsjeblief breng hem terug."
En hij kwám terug! Toen Hawinkels drie dagen later bij de Wettertür kwam stond daar Jo. Alsof er niets gebeurd was.
"Waar ben je geweest?" riep Hawinkels.
Jo wist niet meteen waarmee hij moest beginnen. "Kaspar was hier," zei hij. "En die heeft me meegenomen. Als ik u vertel wat ik allemaal gezien heb - dat gelooft u niet."
Hawinkels wilde het niet horen. "Allez hup! Naar boven!" zei hij. "En daar vertel je maar eens waarom je ons allemaal zo in de piepzak hebt laten zitten."
En zo kwam er opeens iemand aangewandeld bij het portiershuisje. "Nondedju! Het was Jo!"
"Waar ben je geweest?" riepen ze ook daar.
"Kaspar kwam eraan…" begon Jo.
"Nee, wacht!" zei toen iemand. "Dat moet je allemaal maar aan de hogere heren vertellen."
Even later kwam bij het huis van Jo, onder aan de berg, iemand van de mijn aangerend, die riep: "Hij is terug! Hij mankeert niets."
Jo's vader en moeder vielen elkaar in de armen. En zijn oma zei zachtjes: "Dank u, lieve Moeder Gods en lieve Sint Barbara."
Maar daarmee was Jo nog lang niet thuis, daar onder aan de berg. Want hij moest naar het kantoor waar de 'pieteberen' van de mijn al op hem zaten te wachten.
"Waar ben je geweest?" werd hem opnieuw gevraagd.
En Jo begon te vertellen. Over Kaspar en over de wonderwereld die hij daar beneden had gezien. De zwarte bomen, de glinsterende kristallen, de witte mijn, en nog zo veel meer.
"Je denkt toch niet dat wij dat geloven?" zei een van de hoge heren. "Kom op! Wat heb je in die drie dagen uitgevreten?"
"Maar…, dat heb ik toch daarnet verteld," zei Jo.
De heren keken elkaar eens aan. Wat moesten ze hiermee? Ze besloten dat de dokter maar eens naar Jo moest kijken. Die keek, en onderzocht Jo van onder tot boven. "Hij is zo gezond als een vis en hij is ook niet gek," stelde hij vast.
Toen kwam er nog iemand van de mijnpolitie; eentje in zo'n zwart pak. "Je hebt je post verlaten," begon hij streng. "En vertel nu maar eens. Wij van de politie verdragen geen lolletjes, dat weet je."
Maar de arme Jo kon niets anders bedenken dan wat hij nu al een paar keer had beschreven. Hoe Kaspar langs was gekomen en hem had uitgenodigd. "En.; en de zwarte bomen en.; en de kristallen en.; die dode onder de steen."
De politieman had er bij zijn arrestanten nog altijd de waarheid uitgekregen, maar deze keer lukte hem dat niet. Tenminste - dat dacht hij.
"Een koppig kereltje," kon hij alleen maar tegen de 'pieteberen' zeggen.
Jo moest ook nog praten met de aalmoezenier van de mijn. Die was wat vriendelijker dan de anderen, maar ook hij keek met een gezicht van 'ik geloof er niks van'. Jo kon het niet helpen.
"Ik denk niet dat hij zit te liegen. Misschien heeft hij het gedroomd," gaf de aalmoezenier door aan de heren van de mijn. "Maar kan een mens drie dagen lang dromen? En geen honger en dorst krijgen?"
"Laten we het hier maar bij laten," zeiden de heren. "En er verder over zwijgen... Morgen staat de jongen weer gewoon bij de Wettertür. Alsof er niets gebeurd is."
Vanaf dat de kleine Jo die dag thuis kwam stond zijn oma niet meer te wachten onder aan de berg. Want zij wist nu dat Joke daar beneden een machtige vriend had: Kaspar, de mijngeest. En die zou niets met haar jungske laten gebeuren.
Er stopt een vrachtwagen chaffeur bij een benzine pomp langs de weg.Even later komt er een non aanlopen die vraagt wat de man vervoert.De chaffeur vertelt de non dat hij persoonlijke boodschappen op cassette vervoert.Waarop de non vraagt of ze ook een boodschap kan inspreken. de chaffeur gaat akkoord, en vertelt haar dat het 25,- kost. de non heeft alleen geen geld bij en vraagt of ze ook in natura mag betalen,de chaffeur vindt dat wel wat en trekt zijn broek naar beneden waarop de non zijn leuter beet pakt en zegt: HALLO BETTIE HIER EEN BOODSCHAP VAN ZUSTER TRUUS!!!!!
Wim Kok liep wat te ijsberen in z'n torentje en was aan het nadenken over hoe hij de bewindsvrouwen nog meer kon prikkelen . Na enige tijd kwam hij op het briljante idee om een paar leuke dildo's te kopen die de dames naar wens en smaak mochten uitzoeken. Dus de volgende dag komt Kok weer van een dagje shoppen en roept de dames bij zich. Mevrouw Jorritsma grijpt meteen dol enthousiast naar de roze met pareltjes (die had ze nog niet). Als 2e mocht Sorgdrager kiezen... na enige aarzeling pakte ze degene met anusverwenner. En toen was de beurt aan Terpstra en haar oog viel meteen op die grote zwarte, maar kok zegt heel resoluut: Nee Erica dat zal niet gaan dat is mijn gastank
Jantje komt de kamer van zijn ouders binnen. Daar ziet hij een sex-boekje op het nacht kastje liggen. Daar stond in Hoer. Jantje vraag aan zijn moeder: Mama wat is Hoer ? Dat is een fiets schat, antwoord moeder. Dan ziet Jantje het woord Condoom staan. Jantje vraag: Mama wat is een Condoom ? Een fietsketting antwoord jantje zijn moeder. Jantje vraagd wat is Neuken, Mama. Neuken is fietsen lieverd, zegt Jantje zijn moeder. De volgende dag stapt Jantje op zijn fiets en ging opweg naar school. De jufvrouw vraagt aan Jantje: Jantje waarom ben je zo laat ? Antwoord Jantje: Ik stapte op mijn hoer en begon te neuken Maar ondertussen viel mijn condoom 2 keer eraf dus daarom ben ik te laat.
Een politieagent zegt tegen het paartje: ?U moet wegens schennis van de openbare orde een boete betalen. Mijnheer betaalt vijf euro, mevrouw vijftig.? ?Waarom moet mijn verloofde zoveel betalen en ik zo weinig?? vraagt de man. ?Omdat ik haar nu al voor de derde keer in het park betrap?