NIEUW: Blog reclamevrij maken?



Image and video hosting by TinyPic

Foto
Gastenboek
  • Lieve vrijdaggroetjes
  • Bijna weekend, maak er het beste van. met de groetjes van Sjeke.
  • Ik vlieg efkes langs de blogjes.
  • hallo Eddy
  • Ik kom even binnen om te zeggen een .....

    Druk oponderstaande knop om een berichtje achter te laten in mijn gastenboek

    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Laatste commentaren
  • Lieve groetjes (HOBBYFOTOGRAFIE2)
        op Mooie grote en kleine vrachtschepen 21
  • Hallo Lana, (paolo)
        op Mooie grote en kleine vrachtschepen 21
  • fijne dag ! (meeuw)
        op Mooie grote en kleine vrachtschepen 20
  • Een gezellige donderdag , en een mooie aanloop naar het weekend toe ! (jeannine)
        op Mooie grote en kleine vrachtschepen 20
  • blog groetjes (van vooren Myiam)
        op Mooie grote en kleine vrachtschepen 20
  • Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Laatste commentaren
  • Lieve groetjes (HOBBYFOTOGRAFIE2)
        op Mooie grote en kleine vrachtschepen 21
  • Hallo Lana, (paolo)
        op Mooie grote en kleine vrachtschepen 21
  • fijne dag ! (meeuw)
        op Mooie grote en kleine vrachtschepen 20
  • Een gezellige donderdag , en een mooie aanloop naar het weekend toe ! (jeannine)
        op Mooie grote en kleine vrachtschepen 20
  • blog groetjes (van vooren Myiam)
        op Mooie grote en kleine vrachtschepen 20
  • Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Rondvraag / Poll
    Zou u niet met lana een nachtje in bed willen liggen
    Ja ik wil
    Nee ik wil niet
    Even over nadenken
    Durf jij u bekent maken: ja
    Durf jij u bekent maken :nee
    Bekijk resultaat

       
    Beoordeel dit blog
      Zeer goed
      Goed
      Voldoende
      Nog wat bijwerken
      Nog veel werk aan
     
    Archief per maand
  • 05-2013
  • 04-2013
  • 03-2013
  • 02-2013
  • 01-2013
  • 12-2012
  • 11-2012
  • 10-2012
  • 09-2012
  • 08-2012
  • 07-2012
  • 06-2012
  • 05-2012
  • 04-2012
  • 03-2012
  • 02-2012
  • 01-2012
  • 12-2011
  • 11-2011
  • 10-2011
  • 09-2011
  • 08-2011
  • 07-2011
  • 06-2011
  • 05-2011
  • 04-2011
  • 03-2011
  • 02-2011
  • 01-2011
  • 12-2010
  • 11-2010
  • 10-2010
  • 09-2010
  • 08-2010
  • 07-2010
  • 06-2010
  • 05-2010
  • 04-2010
  • 03-2010
  • 07-2002
  • 11--0001
    Foto
    Foto
    Blog als favoriet !
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    De klinge een dorpje aan de grens
    lana










    .

    .
    30-09-2011
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Hospitalisatie verzekering

    Hospitalisatie verzekering

     

    Koningin Paola is op bezoek in het Edith Cavell ziekenhuis

    in Brussel, en tijdens haar ronde passeert ze een kamer waar een

    mannelijke patiënt aan het masturberen is.

    "O God!" roept Paola.

    "Dat is walgelijk! Wat is hier de bedoeling van?" De dokter die haar rondgidst, legt uit

    "Het spijt me, Majesteit, maar deze man heeft een ernstige aandoening waarbij de

    testikels zich razendsnel met zaad opvullen. Als hij dat geen vijf keer per dag doet,

    zouden ze barsten en zou hij direct sterven." "O het spijt me!" zegt Paola.

    Op de volgende verdieping komen ze langs een kamer waar een

    jonge verpleegster een patiënt aan het pijpen is.

    "O God!" zegt Paola opnieuw. "Wat gebeurt er hiér?"

    Antwoordt de dokter: "Zelfde probleem, betere hospitalisatieverzekering...

    30-09-2011 om 00:00 geschreven door Felix1  

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 1/5 - (1 Stemmen)
    » Reageer (0)
    29-09-2011
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Op zijn dialect (Brugs)

    Op zijn dialect (Brugs)
     
    neu'n Brugse koetsier op toer met een koppel Chinezen:

    Op neu'n koude deur de weekse n'ovond,

    kregen neu'n Brugse koesier en een koppel Chinezen het aan de stok met elkaar.

    De reden: Het was vrij koud aan 't worden,

    waarop de koesier zich omdraaide en vroeg:

    -Moe je 'n sars èn ?

    29-09-2011 om 00:00 geschreven door Felix1  

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 0/5 - (0 Stemmen)
    » Reageer (0)
    28-09-2011
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Eenzaam

    Eenzaam




    1. Onzichtbaar

    Mijn naam is Joyce. In dit boek schrijf ik wat vroeger is gebeurd met mij. Ik heb veel meegemaakt. Lees het maar.

    Mijn naam is Joyce. Ik ben twaalf. Ik ben het gelukkigste meisje van de wereld. Ik woon in een dure prachtige villa. Ik krijg alles wat ik wil, ik heb geen zusjes of broertjes,. En ik ben een beroemde breakdancer. Niet dus. Ik woon in een normaal huis. ( Geen paleis..snik..snik..).Ik ben het zesde kind, en we zijn met acht kinderen. Ik hou van breakdansen, ik krijg er ook les in. Ik krijg totaal geen aandacht,behalve van mijn vader. Het is net of ik er niet ben. Alsof ik onzichtbaar ben.

    Langzaam liep ik de keuken in. Iedereen zat al aan tafel. Enthousiast ging ik zitten. ( Nee, ik was niet enthousiast dat iedereen al aan tafel zat. Ik ging vandaag naar een talentenjacht voor dansers). Snel werkte ik mijn boterham naar binnen. Ik trok mijn jas aan en ging naar buiten. Al snel was ik bij het theater waar de talentenjacht werd gehouden. Maar plotseling viel mijn blik op een briefje dat op de deur stond geplakt.
    Aan de deelnemers van de talentenjacht,
    Jullie hebben allemaal een brief ontvangen waarin stond dat de talentenjacht in ’t Oordje wordt gehouden, in plaats van hier. Wij verwachten jullie daar om half negen precies.
    Succes, De Raad
    Ik kreunde. Ze hadden mij vergeten een brief te sturen. Zoals altijd was ik onzichtbaar. “t Oordje was wel een half uur lopen. Ik keek op mijn horloge. Het was tien voor half negen. Ik had nog tien minuten. Dat redde ik niet. Toch ging ik er heen. Toen ik daar aankwam was het tien over half negen. Gauw ging ik naar binnen. Toen ik bij het podium aankwam, zag ik geen dansers. Ze zijn vast al naar de kleedkamers, dacht ik. Ik had mijn danskostuum ook bij me. Maar het was al te laat.
    Te laat? Geen herkansing., stond er op een bord. Ik kon wel janken. Triest liep ik naar buiten.
    “Waarom kijk je zo verdrietig?” Geschrokken draaide ik me om. Achter mij stond een meisje met lang zwart haar. Ze had een blauwe spijkerbroek aan, een wit shirt en daarover een paarse jack. Bezorgd keek ze me aan met grote bruine ogen.
    “’Nou, uh…ik ….uh…’’ was het enige wat ik kon zeggen. Nog nooit had iemand mij opgemerkt.
    “Je kan me vertrouwen hoor. Mijn naam is Tamara,’’zei ze met een glimlach.
    “Mijn naam is Joyce. En..uh…ik huilde omdat ik te laat was voor de talentenjacht. Weet je, het is of ik onzichtbaar ben. Niemand merkt me op. Ik dacht dat dit mijn kans was om beroemd te worden,’’verbaasd dat ik dit vertelde, dacht ik na. Hoe kwam het dat Tamara me wel opmerkte? En hoe kwam het dat ik haar meteen vertrouwde en alles vertelde over mezelf?
    “Ik ben elf trouwens. Ik woon in de Pracht, dat is een wijk,’’zei ze.
    “Daar woon ik ook. En ik ben ook elf. Kom je mee, bij mij thuis spelen? Als dat mag van je ouders tenminste,’’ik keek haar verbijsterd aan. Ze woonde in dezelfde wijk als ik! Waarom had ik haar nooit gezien.
    “Oké. Ik ga graag met je mee. En dat van mijn ouders is geen probleem,’’Tamara straalde en we liepen samen naar mijn huis. Wauw,dacht ik,ik heb een vriendin!

    Thuisgekomen zag ik dat mam in de keuken stond.
    “Hoi mam, zei ik ,ik heb een vriendin gemaakt.’’ Mam keek me wazig aan.
    “Wat? O, Joyce toch? Het zal wel,’’zei ze. Ik nam Tamara mee naar boven, naar mijn slaapkamer.
    “Niet te geloven! Jouw moeder merkte je niet eens op!’’Tamara keek me ongelovig aan.
    “Zei ik toch. Ik ben onzichtbaar.’’

    2. Ziekenhuis

    Tamara bleef bij me spelen tot de avond. We werden de beste vriendinnen. Toen moest ze naar huis. Ik was daar erg treurig over, want toen was ik alleen. Gelukkig was papa wel lief. Ik ben altijd zijn lievelingskind geweest. Hij was de enige die me aandacht gaf . Hij vroeg hoe de talentenjacht ging. Ik zei maar dat het goed ging, ik had geen zin erover te praten. Maar de volgende dag …

    Verveeld zat ik op de bank in de woonkamer. Het was een normale zondagavond. De zomervakantie was begonnen. Plotseling ging de telefoon. Mama nam op.
    “Hallo? Met wie spreek ik?’’zei ze. Geïnteresseerd luisterde ik mee.
    “Wat! Meent u dat! Maar..maar..dat is verschrikkelijk!”
    Mam hing de telefoon op en barste in huilen uit. Geschrokken ging ik naar haar toe.
    “Mam, wat is er?””
    “Hij ligt in het ziekenhuis,”mam snikte. Bang keek ik haar aan.
    “Wie?”
    ’’Tjerk.’’
    Tjerk, dat was papa! Bleek staarde ik voor me uit. Papa was ziek.
    ’’Welk ziekenhuis?’’vroeg ik.
    ’’ Het Lidwina ziekenhuis. Aan de andere kant van de stad.’’
    Ik lette niet meer op wat daarna gebeurde. Ik rende naar boven, mijn slaapkamer in, en leegde mijn spaarpot. Twaalf euro. Dat was meer dan genoeg voor een tramkaartje naar het ziekenhuis. Ik pakte mijn jas van de kapstok en rende naar buiten. Ik pakte de eerste tram naar het Lidwina. Pas toen ik in de tram zat werd ik wat rustiger. Ik staarde uit het raam. Ik zat helemaal alleen op de bank. Het was niet druk. Toen drong het echt tot me door. Papa lag in het ziekenhuis. Wat was er gebeurd? Ik kon mijn tranen niet bedwingen, en barstte in huilen uit.

    ’’ Station Lidwina!’’klonk het door de luidspreker.
    Ik droogde mijn tranen. Het was twintig minuten geleden dat ik de tram in ging. Gauw stapte ik uit. Ik keek om me heen. De zon scheen, maar ik kon er niet van genieten. Snel liep ik naar het Lidwina. Het was niet ver van de tramhalte af. Toen ik het ziekenhuis in ging was er bijna niemand. Ik liep naar de balie.
    ’’ Waar ligt Tjerk Hoekstra?’’vroeg ik.
    ’’ Achtste verdieping derde deur links.’’
    ’’ Dank u,’’zei ik snel en rende naar de lift.
    ’’ Wacht, het is geen bezoekuur!’’hoorde ik de verpleegster mij nog na roepen. Ik was al in de lift gestapt.

    Ik was op de achtste verdieping en keek in het rond. Derde deur links had de verpleegster gezegd. Ik ging de kamer voorzichtig binnen. Er lagen twee bedden. Het ene was leeg. In het andere lag papa. Voorzichtig keek ik naar zijn gezicht. Hij sliep. Ook zag hij er anders uit…veel…ouder……
    “Papa, zei ik, wat hebben ze met je gedaan?” Zijn gezicht zat onder de slangetjes en was helemaal bleek.
    “Hé,wat doe je daar?”
    Geschrokken draaide ik me om. In de deuropening stond een verpleegster. Het was een andere dan bij de balie. En ze klonk niet boos.
    “Dat is mijn vader,“zei ik.
    “O, dan begrijp ik het. Je mag hier wel blijven hoor. Mijn naam is Lena,”zei de verpleegster kalm.
    “Wat is er met mijn vader gebeurd?”
    “Hij kreeg een hartaanval op de parkeerplaats van zijn werk. Gelukkig was de ambulance er op tijd bij,”Lena keek me verdrietig aan.
    “Gaat ie…dood…?”angstig keek ik terug.
    “Misschien…zal ik een deken voor je halen? Dan kun je hier overnachten, het is namelijk al negen uur.”
    “Ja, dat is goed,” plotseling voelde ik me uitgeput. Gelukkig was Lena zo lief. Ik klom in het bed naast papa en kreeg een deken. Lang staarde ik naar zijn gezicht en viel daarna als een blok in slaap.
    “Joyce?Ben jij dat? Of droom ik?”
    Ik opende mijn ogen. Papa hield mijn hand stevig vast. Ik stond op en ging naast pappa zitten op bed.
    “Ja, ik ben het pap!”huilend omhelsde ik hem.
    “Wat is er gebeurd?””vroeg hij.
    “Je kreeg een hartaanval op de parkeerplaats van je werk,”zei ik.
    “Nu herinner ik het me weer. Weet je Joyce, het was zo eng. Ik voelde plotseling een pijnlijke steek in mijn borst. Het deed zo’n pijn. En het laatste waar ik aan dacht was…jij,”pap keek me triest aan,zijn stem was schor.
    “O papa, ik moet je iets vertellen, zei ik huilend, de zuster zegt dat je het misschien niet haalt,”de tranen stroomden over mijn wangen en ik hield papa’s hand stevig vast.
    “Je red het wel zonder mij. Je bent een flinke meid. Ik geloof in je”
    Papa glimlachte en sloot zijn ogen.
    “Nee papa, nee ga alsjeblieft niet dood. Ik kan niet zonder je,’’fluisterde ik.
    Maar het was al te laat.

    Ik bleef nog een paar minuten roerloos zitten. Plotseling hoorde ik de deur opengaan. Mam kwam binnen, samen met mijn broers en zussen. Ze wierp een blik op pap en barstte in huilen uit. Ze pakte me vast en keek me aan met rode opgezwollen ogen. “Wat heb je met hem gedaan!”zei ze. Daarna liet ze me los en ging snikkend op papa’s bed zitten. Ik stond op, pakte mijn jas en tas, en liep de gang op. Onderweg kwam ik Lena tegen.
    “Hij is overleden hè? Ik wist dat ie het niet zou redden. We konden niets doen,’’zei ze triest. Ik knikte en ging in de lift naar beneden. Met een lege blik in mijn ogen liep ik de straten op,naar de tramhalte. Ik kon niet geloven wat zojuist was gebeurd.

    3. Jamie

    “Wat erg dat ie is overleden,’’Tamara keek me aan vol medelijden.
    “Ja. Het is nu maanden geleden dat de begrafenis was. Tamara, jij bent echt de enige die nog om mij geeft. Jij bent mijn beste vriendin,”huilend omhelsde ik haar.
    “Het is goed om over je verdriet te praten. Dat lucht op,”zei ze.
    “Laten we wandelen in het park,’’ik pakte mijn spijkerjas en ging met Tamara naar buiten.

    Tamara en ik zaten op een parkbankje. Het was niet erg druk. Er waren enkel wat spelende kinderen en een paar honden.
    “Ben jij ooit verliefd geweest?”vroeg Tamara.
    “Nee,’’ik dacht na waarom ze dat vroeg. Was ze gewoon nieuwsgierig? Ik was nooit verliefd geweest.
    “Weet je, ik heb ooit gelezen hoe het voelt als je verliefd bent. Dan heb je een onbeschrijfelijk magisch gevoel. Als je die magie voelt is dat de ware,”zei Tamara.
    De volgende dag moest ik naar breakdanceles. Ik was blij dat het vakantie was. Ik had totaal geen zin in les, behalve breakdanceles natuurlijk.
    ’’ We hebben een nieuwe leerling,’’zei de breakdanceleraar.
    Een jongen stapte de zaal binnen. Ik keek hem aan en bleef staren. Hij had een rode sweater aan met capuchon. Hij had de capuchon over zijn zwarte krullen getrokken en had een wijde skatebroek aan die donkerblauw was. Zijn groene ogen keken in het rond. Ik was in een opslag verliefd.
    ’’ Hoi, mijn naam is Jamie. Ik ben twaalf. Ik woonde in Rozengracht maar ben toen hierheen verhuisd. Ik kreeg daar ook breakdanceles,’’zei hij.
    Na de les ging ik naar buiten. Daar zag ik Jamie staan.
    ’’Hoi, zei ik, ik ben Joyce. Ik ben ook twaalf en woon in de Pracht.’’
    Jamie glimlachte naar me.
    ’’ Ik zag je breakdancen, jij hebt echt talent. Dat de leraar dat niet opmerkte vind ik maar vreemd,’’zei hij.
    ’’ Ach, dat gebeurd me wel vaker,’’ik bloosde. We bleven een tijdje staan en keken elkaar diep in de ogen.
    “Ik..uh…wil je mee uit?”Jamie keek me verlegen aan.
    “Wat!”verbijsterd keek ik terug.
    “Als je wilt natuurlijk,’’zei hij.
    “Ja, tuurlijk. Het Zwanenpark, zaterdagavond?”
    “Oké, dan haal ik je om acht uur op,”Jamie lachte zenuwachtig. Ik ook.
    “Nou..uh..dan ga ik maar hé?’’zei ik.
    “Eh..ja..”zei hij. We bleven elkaar minuten lang aanstaren. Toen pakte hij mijn hand en ik voelde de magie waar Tamara het over had gehad. Er was nog een sprankje hoop.

    4. Het park

    “Ik vind je echt heel erg aardig,”Jamie keek me diep in de ogen. We zaten op een parkbankje. Het was tien over zeven ’ s avonds.
    “Ik jou ook,”zei ik. Plotseling kwam er een jongen op skeelers langs. Hij trok een gezicht of hij moest overgeven naar ons en zei : “Gaat ie goed, tortelduifjes?”
    Wij trokken ons er niets van aan.
    “Vertel eens wat over jezelf?”vroeg ik.
    “Nou..uh…,toen ik zes was wilde ik al breakdancen. Mijn vader vond het goed, maar mijn moeder niet. Ze was erg bazig en mijn vader was bang voor haar. Best vreemd hè? Meestal is het andersom,”vertelde Jamie. Ik knikte.
    “Maar hoe kwam het dat je toch op breakdansles mocht?’’
    “Tja…., toen ik acht was overleed mijn moeder aan een longontsteking. Mijn vader was echt kapot. Ik was ook heel verdrietig. Ik mocht dan bijna niets van haar, maar het was wel mijn moeder. Mijn vader zei toen dat ik op breakdansles mocht.”
    “Wow, wat een verhaal.”
    “En vertel jij nu eens wat over jezelf,”zei Jamie. Ik dacht na, en besloot het te vertellen.
    “Ik wilde op breakdansles toen ik tien was. Ik bewonderde al die dansers al heel lang. Ik was altijd onzichtbaar en onbelangrijk. Ik was het zesde kind en we waren met acht. Ik vroeg mijn ouders of ik op breakdansles mocht, maar ze vonden het te duur en geldverspilling. Ik besloot zelf te sparen voor lessen. Het duurde een jaar voor ik genoeg had. Ik kon dus pas op mijn elfde breakdancen. Weet je, ik denk dat mijn ouders hopen dat ik en mijn broers en zussen snel het huis uit gaan. Ik denk dat ze verlangen naar rust. Ik kan niet wachten tot ik op kamers ga, dan kan ik doen wat ik wil. Dat duurt wel nog zes jaar.”
    “Wat een verhaal zeg, Jamie keek me ongelovig aan, je moet je vast eenzaam hebben gevoeld.”
    Ik knikte. Ik kon me niet meer inhouden en de tranen stroomden over mijn wangen. Jamie keek me recht in de ogen en zei :
    “Liefde is slechts een hulpmiddel voor het vinden van geluk.”

    28-09-2011 om 23:30 geschreven door Felix1  

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 0/5 - (0 Stemmen)
    » Reageer (0)
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.In de Mis

    In de Mis

     

    De ochtendmis.Trouw aan haar gewoonte,

    gaat een oude vrouwtje naar de ochtendmis,

    wanneer plots de pastoor zegt:

    -Dat al diegenen, die deze week hun partner bedrogen hebben naar voor komen.

    Het stokoude en slecht horende vrouwtje vraagt aan haar gebuur:

    Wat zegt mijnheer de pastoor?

    De man geeft haar een antwoord:

    Hij heeft gezegd:

     Al diegenen die een muntbolletje willen moeten naar voor gaan

    Het oude vrouwtje,

    steunend op haar wandelstok,

    zet zich met vele moeite recht.

     De totaal verwarde pastoor roept haar toe:

    U ? Mevrouw ? Op uw leeftijd , ben je niet beschaamd?

     Het is niet omdat ik geen tanden meer heb,

    dat ik niet in staat ben om er af en toe een te zuigen, weet U.

    28-09-2011 om 00:00 geschreven door Felix1  

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 0/5 - (0 Stemmen)
    » Reageer (0)
    27-09-2011
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.De Hemelse bruiloft

    De Hemelse bruiloft



    Eens op een keer was er een arme boerenjongen in de kerk, en hij hoorde hoe de pastoor zei: "Wie in de hemel wil komen, moet altijd de rechte weg gaan." Toen maakte hij zich klaar en liep rechttoe rechtaan, steeds rechtdoor zonder afwijken, over berg en dal.

    Eindelijk leidde de weg naar een grote stad, en in het midden was daar de kerk en er was juist dienst. Toen hij al die heerlijkheid aanschouwde, meende hij dat hij in de hemel was aangeland, en hij ging zitten en was zielsgelukkig. Toen de dienst was afgelopen en de koster zei dat hij weg moest gaan, antwoordde hij: "Nee, ik ga hier niet meer weg, ik ben veel te blij, dat ik eindelijk in de hemel ben." De koster ging toen naar de pastoor en zei hem, dat er een kind in de kerk was, en dat wou er niet meer uit weg, want hij geloofde dat ‘t het hemelse rijk was. De pastoor zei: "Als hij dat gelooft, dan zullen we hem bij dat geloof laten." Daarna ging hij naar hem toe en vroeg, of hij ook zou willen werken. "Ja zeker," zei de kleine jongen, aan werken was hij wel gewend, maar uit de hemel ging hij niet meer weg.

    En van nu aan bleef hij in de kerk. Als hij zag hoe de mensen naar het beeld van de Moeder van God gingen met het Kindeke Jezus, uit hout gesneden, en daar knielden en baden, dacht hij: "Dat is onze Lieve Heer." En hij zei: "Hoor eens, lieve Heer, wat bent u mager! De mensen laten u zeker honger lijden; maar ik zal u elke dag de helft van mijn eten brengen." Van nu af aan bracht hij aan het beeld iedere dag de helft van zijn eten, en het beeld begon dit eten te gebruiken. Toen er een paar weken voorbij waren, merkten de mensen, dat het beeld groter werd, dik en stevig, en daar verbaasden ze zich erg over. De pastoor kon het ook niet begrijpen, en hij bleef in de kerk en lette op de kleine jongen, en toen zag hij hoe de kleine jongen zijn brood deelde met de Moeder van God, en hoe zij het ook aannam.

    Na een poos werd de jongen ziek en moest acht dagen in bed blijven. Toen hij weer kon opstaan, was het eerste wat hij deed, zijn eten aan de Moeder van God brengen. De pastoor liep hem achterna en hoorde hoe hij sprak: "Lieve God, neem het me niet kwalijk, dat ik u zo lang niets heb gebracht, maar ik ben ziek geweest, en ik kon niet opstaan."

    Toen antwoordde het beeld hem en sprak: "Ik heb je goede wil gezien, dat is voor mij voldoende; de volgende zondag mag je met mij op de bruiloft komen." De jongen verheugde zich daar bijzonder over en vertelde het aan de pastoor en die vroeg hem om nog eens te gaan vragen aan het beeld, of hij er ook bij mocht zijn. "Nee," gaf het beeld ten antwoord, "jij alleen." De pastoor wilde hem eerst voorbereiden en hem het avondmaal geven, en dat vond de jongen heerlijk; en toen hem de volgende zondag de hostie werd gegeven, viel hij neer, hij was dood, en was ingegaan tot de eeuwige bruiloft.

    27-09-2011 om 23:19 geschreven door Felix1  

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 0/5 - (0 Stemmen)
    » Reageer (0)
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Priester onder elkaar

    Priester onder elkaar

     

    Een oudere priester heeft een jongere collega op bezoek.

    Tijdens het avondeten bemerkt de jonge priester het bevallige figuur van de huishoudster.

     Hij weet niet wat hij zich bij de relatie van de oudere priester met diens huishoudster moet voorstellen. De oude priester bemerkt de blik in de ogen van de jonge priester,

    en verzekert hem dat er niets gaande is tussen hem en zijn huishoudster.

    Een week later merkt de huishoudster op dat er al een week een sauslepel ontbreekt.

    De oudere priester schrijft hierop een brief naar zijn jonge collega:

    "Ik zeg niet dat je de sauslepel hebt meegenomen,

    maar ik zeg ook niet dat je hem niet hebt meegenomen;

    een feit is wel dat hij nu al een week ontbreekt.

    " Enkele dagen later ontvangt de oudere priester een antwoord:

    "ik zeg niet dat je met je huishoudster slaapt,

     en ik zeg ook niet dat je niet met haar slaapt,

    maar feit is wel dat als je in je eigen bed sliep,

    je hem nu al wel gevonden zou hebben.

    27-09-2011 om 00:00 geschreven door Felix1  

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 0/5 - (0 Stemmen)
    » Reageer (0)
    26-09-2011
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Er gaan 3 belgen

    Er gaan 3 belgen naar de woestijn
    een neemt een parasol mee, vragen de andere belgen waarom neem je dat mee?
    dan kan ik in de schaduw zitten.
    de andere belg neemt een mobiel mee.
    vragen de 2 belgen waarom neem je een mobiel mee?
    dan kan ik als ik trek krijg een pizza bestellen.
    en de laatste belg neemt een autodeur mee.
    vragen de andere 2 belgen waarom neem je die auto deur mee?
    Als het te warm word kan ik het raampje open draaien.

    26-09-2011 om 00:00 geschreven door Felix1  

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 0/5 - (0 Stemmen)
    » Reageer (0)
    25-09-2011
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.De eerste keer alleen

    De eerste keer alleen

     

    Een man had twee tickets voor twee front-row seats tijdens de finale van de Champion's League. Terwijl hij daar zit, komt een andere man naar beneden en vraagt of het zitje naast hem bezet is.

    "Neen", antwoordt de eerste, "deze plaats is vrij!"

    "Dat is toch ongelooflijk!", zegt de andere man. "Iemand die een ticket heeft voor dergelijke finale, de grootste sportgebeurtenis van Europa, en er geen gebruik van maakt."

    "Wel", zegt de eerste terug, "eigenlijk is dat ook mijn plaats. Mijn vrouw moest met mij meekomen, maar ze overleed plotseling. Dit is de eerste finale die we niet samen bekijken sinds we trouwden..."

    "Ooh. Het spijt me dat te horen. Dat is verschrikkelijk ! Maar kon je niemand anders vinden om met je mee te komen ? Een vriend of een kennis, misschien een buur ?"

    De eerste antwoordt: "Neen, dat was niet mogelijk. Op dit moment zitten die allemaal op de begrafenis..."

    25-09-2011 om 00:00 geschreven door Felix1  

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 0/5 - (0 Stemmen)
    » Reageer (0)
    24-09-2011
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Frieder en Katherliesje

    Frieder en Katherliesje



    Er was eens een man, en die heette Frieder. En er was een vrouw, en die heette Katherliesje. Ze waren met elkaar getrouwd en leefden samen als een jong paar. Eens op een dag zei Frieder: "Nu moet ik naar ‘t land, Katherliesje; als ik terugkom, moet er gebraden vlees zijn voor de honger en een koele teug voor de dorst." "Ga maar, Frieder!" zei Katherliesje, "ga maar, ik zal ‘t wel in orde maken." Toen het etenstijd werd, haalde ze een worst uit de schoorsteen, deed die in een koekepan, een stuk boter erbij en dat ging op het vuur. De worst begon te braden en te pruttelen, Katherliesje stond ernaar te kijken, ze hield de steel vast en ondertussen stond ze te denken. Toen viel haar opeens in: "Terwijl de worst gaar wordt, kon je vast naar de kelder, een potje bier tappen." Dus zette ze de steel van de pan stevig vast, nam een kan, ging de keldertrap af en tapte bier. Het bier liep in de kan, en Katherliesje keek ernaar, toen opeens viel haar in: "Lieve tijd, daar heb ik de hond in keuken gelaten, hij zou de worst uit de pan kunnen halen, dat zou me wat zijn!" en floep was ze de keldertrap weer op – maar Spits had de worst al in zijn bek, en sleepte hem over de grond mee. Maar Katherliesje, niet lui, zette hem na, en ze joeg hem een eind het veld in; maar de hond was gauwer dan Katherliesje, hij liet de worst ook niet schieten, maar de worst sprong achter hem aan door ‘t pas geploegde land. "Weg is weg," zei Katherliesje, keerde weer om, en omdat ze zich zo moe had gelopen, liep ze heel langzaam en waaide zich koelte toe. Intussen bleef het bier steeds maar uit het vat stromen, want Katherliesje had de kraan niet dichtgedraaid, en toen de kan vol was, liep het over, in de kelder, en het hield niet op, voordat het hele vat leeggelopen was. Katherliesje zag bij de trap het ongeluk al. "Grutten!" riep ze, "wat doe je daar aan, zodat Frieder niets merkt!" Ze dacht een ogenblik na, en opeens bedacht ze zich: van de laatste kermis was er nog een zak prachtig meel over, op zolder; dat wou ze halen, en ‘t meel in ‘t bier strooien. "Ja," zei ze, "die wat bewaart, die heeft wat in nood," en ze kroop naar de zolder, droeg de hele zak naar beneden, en gooide hem precies op de kan met bier, zodat die omviel, en ook de koele dronk voor Frieder in de kelder ging stromen. "Zo hoort het," zei Katherliesje, "waar het ene is, moet het andere zijn, soort zoekt soort," en ze strooide het meel in de hele kelder. Toen ze daarmee klaar was, was ze trots op haar werk en zei: "Wat ziet er hier alles keurig uit!"

    ‘s Middags kwam Frieder thuis. "Wel vrouw, wat heb je opgedist?" "Ach, Frieder," zei ze, "nu had ik een worst willen braden, maar terwijl ik het bier voor je ging tappen, heeft de hond de worst uit de pan gestolen, en terwijl ik de hond na rende, is ‘t bier weggelopen, en toen ik ‘t bier wou opdrogen met ons goeie meel, heb ik de kan omgestoten; maar wees nu maar blij, want de kelder is weer helemaal droog." Frieder zei: "Katherliesje, Katherliesje, dat had je zo niet moeten doen! Nu laat je je de worst wegkapen en ‘t vat leeglopen en tenslotte vergooi je ons goeie meel!" "Ja, Friedertje, maar dat kon ik ook niet weten, datje me dan maar moeten zeggen!"

    De man dacht: "Als ‘t met de vrouw zo staat, dan moet je zelf beter zorgen." Nu had hij een aardig sommetje daalders bij elkaar gespaard, die wisselde hij voor goudstukken en hij zei tegen Katherliesje: "Kijk eens, wat een mooie gouden schijven, die doe ik in een pot en die begraaf ik in de stal onder de koeienkrib, maar jij moet er afblijven, want anders kan ‘t je slecht vergaan!" En zij zei: "Nee, Friedertje, dat zal ik zeker niet doen." Nu, toen Frieder weg was, toen kwamen er kooplui, die hadden aarden kruiken en potten te koop en ze kwamen bij de jonge vrouw vragen, of ze niets kopen wou. "Ach lieve mensen," zei Katherliesje, "ik heb geen geld en kopen kan ik niet, maar als je gouden schijven kunt gebruiken, dan zou ik wel wat kunnen kopen." "Gouden schijven? Waarom niet? Laat eens kijken!" "O dan moet je maar naar de stal gaan en je graaft onder de koeienkrib, maar ik mag er niet bij zijn." De boeven gingen erheen, groeven daar en vonden zuiver goud. Ze pakten alles mee, liepen weg en lieten alle kannen en kruiken in huis staan.

    Katherliesje dacht, dat ze het nieuwe huisraad nu ook moest gebruiken, maar omdat er in de keuken geen gebrek was, sloeg ze elke kruik de bodem uit, en stak ze allemaal op de palen van de omheining van het huis, bij wijze van versiering. Toen Frieder thuis kwam en de nieuwe versiering zag, zei hij: "Katherliesje, wat heb je nu gedaan?" "Gekocht, Frieder, zelf gekocht voor die gouden schijven, die onder de koeienkribbe waren, ik ben er zelf niet bij geweest hoor, de kooplui hebben het alleen moeten opknappen." "Maar vrouw nog aan toe," zei Frieder, "wat heb je nu gedaan! Het waren immers geen gewone schijven, het was baar goud en ‘t was ons hele vermogen, dat had je toch niet moeten doen!" "Ja Friedertje!" zei ze, "dat kon ik toch ook niet weten, dat had je me dan moeten zeggen!"

    Katherliesje stond een poosje te denken en toen zei ze: "Hoor eens, Friedertje, dat geld krijgen we wel terug, want we zullen de dieven achterna gaan." "Goed dan," zei Frieder, "dat kunnen we proberen; maar neem boter en kaas mee, zodat we onderweg wat te eten hebben." "Goed Frieder, ‘k zal ‘t meenemen." Ze maakten zich reisvaardig, en omdat Frieder vlugger liep, kwam Katherliesje erachter aan. "Dat is een voordeeltje," dacht ze, "want als we nu omdraaien, heb ik een stuk minder te lopen. Nu kwamen ze bij een berg, en aan beide kanten van de weg waren diepe karresporen. "Kijk nu eens," zei Katherliesje, "hoe ze die arme aarde hebben gescheurd. Dat kan nooit weer beter worden." En uit medelijden nam ze boter en bestreek de karresporen, links en rechts, zodat ze genezen zouden van de scheuren van de wielen; en terwijl ze zich zo bukte, viel er een ronde kaas uit haar rugzak van de berg af. Toen zei Katherliesje "Ik ben de berg nu net helemaal opgelopen, nu ga ik er niet meer af; een ander kan er naar toe gaan en die kaas terughalen." Dus nam ze nog een kaas en rolde die naar beneden. Maar de kazen kwamen toch niet terug, en toen liet ze nog een derde kaas de berg afrollen en dacht: "Misschien wachten ze op de derde man en gaan ze niet graag alleen." Toen ze alle drie wegbleven, zei ze: "Ik weet niet wat dat nu moet betekenen! Misschien heeft de derde een verkeerde weg genomen en is verdwaald, ik zal de vierde sturen, die kan ze dan allemaal bij elkaar roepen." Maar de vierde deed het niet beter dan de derde. Toen werd Katherliesje boos en gooide de vijfde en de zesde kaas naar beneden en dat waren de laatste kazen. Een poos bleef ze staan wachten. Maar toen ze nog steeds wegbleven, zei ze: "O jullie denken dat ik maar wachten blijf en je hebt geen haast, maar denk je dat ik nog langer op jullie wacht? Ik ga m’n gang, jullie kunnen me achterna komen: jullie hebben jongere benen dan ik." Katherliesje liep nu verder en ze trof Frieder aan, want die was blijven staan en had gewacht, omdat hij wat wilde eten. "Geef maar eens, wat je hebt mee genomen." Ze reikte hem het brood aan. "Waar is de boter en de kaas?" vroeg de man. "Ach Friedertje," zei Katherliesje, "met de boter heb ik de karresporen gesmeerd, en de kazen zullen dadelijk wel komen: één is weggelopen en toen heb ik hem de andere achterna gezonden, om hem te roepen." Frieder zei: "Dat had je toch niet moeten doen. Katherliesje, de boter op de weg smeren en de kazen de weg afrollen." "Ja Frieder, dat kan ik toch niet weten; dat had je dan moeten zeggen."

    Toen aten ze samen het droge brood, en Frieder zei: "Katherliesje, heb je ons huis ook afgesloten toen we weggingen?" "Nee Frieder, dat had je me dan eerst moeten zeggen." "Ga dan eerst naar huis en sluit het helemaal, voor we verder gaan, breng meteen nog wat anders mee om te eten, ik zal hier op je wachten." Katherliesje ging terug en dacht: "Frieder wil wat anders te eten, boter en kaas vindt hij dus niet zo lekker meer, nu, dan zal ik in een doek gedroogde appeltjes en een kruik azijn om te drinken halen." En toen grendelde ze de bovendeur, maar de onderdeur tilde ze van de hengsels, nam die op haar schouder en geloofde dat de deur zo wel secuur in orde was; en ‘t huis volkomen veilig. Katherliesje nam veel tijd voor de weg en dacht: "Des te langer kan mijn man uitrusten." Toen ze weer bij hem was gekomen, zei ze: "Kijk Frieder, hier heb je de huisdeur, nu kan je zelf op ‘t huis passen!" "Ach," zei hij, "wat voor een wijze vrouw heb ik toch! Neemt ze de onderdeur mee, zodat alles en iedereen erin kan komen en ze grendelt de bovendeur. Het is nu te laat om nog eens naar huis terug te gaan, maar nu je de deur hierheen hebt gesjouwd, moet je hem verder zelf maar dragen." "De deur zal ik wel dragen, beste man, maar de appeltjes en de kruik azijn, dat wordt me te zwaar; maar ik zal ze aan de deur hangen: dan draagt die ze."

    Nu gingen ze het bos in, op zoek naar de spitsboeven. Maar ze vonden hen niet. Toen werd het donker, en ze klommen in een boom om veilig te overnachten. Nauwelijks zaten ze erbovenin, of daar kwamen van die kerels aan, die meedragen wat niet mee wil gaan en dingen vinden voor ze verloren zijn. Ze gingen precies onder de boom liggen, waarin Frieder en Katherliesje zaten. Ze maakten een vuurtje, en gingen de buit verdelen. Van de andere kant klom Frieder uit de boom en raapte stenen op, ging er de boom mee in om daarmee de dieven dood te gooien. Maar de stenen troffen hen niet, en de boeven riepen: "Het wordt gauw morgen, de wind schudt de denneappels los." Katherliesje had de deur nog altijd op haar rug, en omdat het zo zwaar was, dacht ze dat het de appeltjes waren die haar zo drukten, en ze zei: "Hoor eens Frieder, ik moet die appeltjes naar beneden gooien, ze drukken heus te zwaar." "Neen Katherliesje, niet nu," antwoordde hij, "het zou ons kunnen verraden." "Ach Friedertje lief, heus, het moet, ze zijn zó zwaar." "Doe het dan maar, voor de duivel!" En daar rolden de appeltjes tussen de takken omlaag, en de kerels op de grond zeiden: "Dat doen de vogels." Een poosje later – de deur was loodzwaar voor Katherliesje – zei ze: "Ach Frieder, ik moet die azijn laten lopen; het is zó zwaar." "Nee, Katherliesje, doe dat niet op ‘t ogenblik: het zou ons kunnen verraden!" "Ach Frieder, heus, het moet, het is zo zwaar!" "Doe het dan maar, voor de duivel!" en toen gooide ze de azijn uit, zodat het op hun hoofden viel. Maar ze zeiden tegen elkaar: "Daar komt de dauw al." Eindelijk dacht Katherliesje: "Het helpt allemaal niet, zou het soms de deur kunnen zijn die zo drukt," en ze zei: "Frieder, ik moet de deur weggooien, ik kan hem niet meer houden." "Neen Katherliesje, hou hem goed vast." "Ach Frieder, ik moet hem laten vallen." "Nou," antwoordde Frieder boos, "voor de duivel dan maar: laat ‘m vallen!" En hij viel naar beneden met geweldig gekraak en de boeven riepen: "Daar komt de duivel uit die boom!" scheerden zich weg en lieten alles in de steek, ‘s Morgens vroeg kwamen Frieder en Katherliesje de boom uit en daar vonden ze al het goud terug en brachten het naar huis.

    Toen ze weer thuis waren, zei Frieder: "Maar Katherliesje, nu moet je ook vlijtig zijn en goed werken." "Ja Frieder, dat wil ik best, ik zal naar ‘t veld gaan, koren snijden." Toen Katherliesje op de akker kwam, praatte ze in zichzelf: "Zal ik nu gaan eten, voor ik begin, of zal ik gaan slapen, voor ik begin? Neen, ik zal eerst wat eten!" En Katherliesje ging eten en werd slaperig van het eten, en toen begon ze koren te snijden en half in slaap sneed ze haar kleren mee: haar schort, haar rokken en haar hemd. Toen sliep ze in, en na een lange dut werd ze wakker, en daar was ze halfnaakt en ze zei tegen zichzelf: "Ben ik het, of ben ik het niet? Ach, ik ben het niet!" En intussen viel de nacht, en Katherliesje liep naar het dorp, klopte aan ‘t venster van haar huis en riep: "Frieder!" "Wat is-t-er dan?" "Ik wou weten of Katherliesje thuis is!""Zeker," zei Frieder, "die zal allang liggen slapen!" Ze zei: "O, dan ben ik zeker al thuis" en ze liep weg. Buiten vond Katherliesje een paar gauwdieven. Toen ging ze naar hen toe en zei: "Ik wil jullie wel helpen stelen!" De schurken dachten: ze weet alles in het dorp, en ze vonden dat best. Katherliesje ging voor de huizen staan en riep: "Heila! Hebben jullie iets? Wij wilden stelen!" De gauwdieven dachten: "Dat wordt mooi!" en ze wilden van Katherliesje’s hulp weer af. Toen zeiden ze tegen haar: "Voor aan het dorp woont de dominee, die heeft een veld met rapen, ga die rapen eens uittrekken." Katherliesje ging naar het land en begon de rapen uit te trekken, maar ze was te lui en kwam niet overeind bij ‘t trekken. Nu kwam er een man langs, die zag het en bleef staan en dacht – dat moest de duivel zijn, die zo in de rapen huishield. Hij liep meteen ‘t dorp in naar de dominee en zei: "Dominee, op uw rapenveld zit de duivel en haalt rapen uit." "Ach hemel," zei de dominee, "nu kan ik juist niet uit, want ik heb wat aan mijn voet, en nu kan ik de duivel niet uitbannen." Maar de man zei: "Dan zal ik u wel dragen" en hij droeg hem ‘t dorp uit. En toen ze bij het rapenveld kwamen, stond Katherliesje juist op en rekte zich in haar volle lengte. "O! de duivel!" riep de dominee, en ze renden allebei weg, en de dominee was zo bang, dat hij met z’n ene zieke voet nog harder kon lopen dan de man die hem gedragen had met allebei z’n gezonde benen!

    24-09-2011 om 22:50 geschreven door Felix1  

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 0/5 - (0 Stemmen)
    » Reageer (0)
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Er komt een man

    Er komt een man een werkkamer met ambtenaren binnenstappen en zegt: Goh, wat hebben jullie veel vliegen op kantoor!" De ambtenaar antwoordt: Ja, 89 meneer."

    24-09-2011 om 00:00 geschreven door Felix1  

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 0/5 - (0 Stemmen)
    » Reageer (0)
    23-09-2011
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Een ambtenaar

    Een ambtenaar komt te laat op zijn werk. Sorry, chef" zegt de man, maar ik stond in de file." Oh",  zegt zijn chef, was het een lange file?"  Ambtenaar : Geen idee, ik stond helemaal vooraan ."

    23-09-2011 om 00:00 geschreven door Felix1  

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 0/5 - (0 Stemmen)
    » Reageer (0)
    22-09-2011
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Eenoogje, Tweeoogje en Drieoogje

    Eenoogje, Tweeoogje en Drieoogje



    Er was eens een vrouw, en die had drie dochters. De oudste heette Eenoogje, omdat ze maar één oog had, midden op haar voorhoofd; en de tweede heette Tweeoogje, omdat ze twee ogen had als gewone mensen, en de derde heette Drieoogje, want ze had drie ogen, en het derde stond bij haar ook midden op haar voorhoofd. Maar omdat Tweeoogje er net zo uitzag als andere mensen, konden haar zusters en haar moeder haar niet uitstaan. Ze zeiden tegen haar: "Jij met je twee ogen bent niets beter dan ‘t gewone volk, je hoort helemaal niet bij ons." Ze duwden haar opzij en gooiden haar lelijke kleren toe, en ze kreeg alles te eten wat de anderen overlieten, en ze deden haar pijn waar ze maar konden. Nu gebeurde het eens, dat Tweeoogje naar ‘t land moest om de geiten te hoeden, maar dat ze nog honger had, omdat haar zusters haar te weinig eten hadden gegeven. Toen ging ze op een heuvel zitten en ze begon te huilen en zo te huilen dat er twee beekjes uit haar ogen stroomden. En toen ze in haar verdriet eens opkeek, stond er een vrouw naast haar en die vroeg: "Tweeoogje, waarom huil je zo?" en Tweeoogje antwoordde: "Moet ik niet huilen? Omdat ik twee ogen heb, net als andere mensen, kunnen m’n zusters en m’n moeder mij niet uitstaan, en ze stoten me in de hoek en gooien me alleen oude vodden toe, en ik krijg alleen te eten wat er overblijft. Vandaag hebben ze me zo weinig gegeven dat ik nog honger heb." Toen zei de wijze vrouw: "Tweeoogje, droog je tranen maar, ik zal je eens wat zeggen, zodat je geen honger meer hebben zult. Zeg maar tegen de geiten:

    Geitje, mek,
    Tafeltje, dek.

    dan zal er een keurig gedekt tafeltje voor je staan met ‘t heerlijkste eten erop, dat je maar eten kunt en zoveel als je trek hebt. En als je genoeg hebt en ‘t tafeltje niet meer nodig hebt, dan zeg je maar:

    Geitje, mek:
    Tafeltje, weg!

    en dan verdwijnt het voor je ogen!" En toen ging die vrouw weg. Maar Tweeoogje dacht: "Dan moet ik meteen maar eens proberen, of het waar is, wat ze gezegd heeft, want ik heb toch zo’n honger." En ze zei:

    Geitje, mek,
    Tafeltje, dek.

    en pas had ze die woorden gesproken, of daar stond een tafeltje, en een wit kleedje erover, en daarop een bord met een mes en een vork en een zilveren lepel, en het mooiste eten eromheen, het dampte en was warm, alsof het juist uit de keuken kwam. Tweeoogje deed het allerkortste gebedje dat ze wist: "Here God, wees Gij onze Gast, Amen," en ze tastte* toe en liet het zich heerlijk smaken. En toen ze klaar was, zei ze, zoals de wijze vrouw haar had geleerd:

    Geitje, mek:
    Tafeltje, weg!

    En meteen was het tafeltje en alles wat er opstond, weer verdwenen. "Dat is een goede huishouding," dacht Tweeoogje en ze was heel opgewekt.
    Toen ze ‘s avonds met de geiten thuiskwam, stond er een aardewerken schoteltje met eten, dat de zusters hadden neergezet, maar ze keek er niet naar om. De volgende dag trok ze er met haar geiten weer op uit en ze liet de restjes die haar gegund werden, liggen. De eerste keer en de tweede keer merkten de zusters het niet, maar toen het steeds gebeurde, zagen ze het en zeiden: "Het is niet in orde met Tweeoogje, ze laat ‘t eten maar steeds staan en anders at ze alles op wat we haar gaven: ze moet andere middelen hebben gevonden." Om nu achter de waarheid te komen, moest Eenoogje meegaan, als Tweeoogje de geiten naar de weide dreef, en ze moest opletten, wat ze daar uitvoerde en of iemand haar eten of drinken bracht.
    Toen nu Tweeoogje weer weg wilde gaan, kwam Eenoogje bij haar en zei: "Ik wil mee naar buiten en zien of je de geiten wel goed hoedt, en naar de goede wei worden gebracht." Maar Tweeoogje merkte wel, wat Eenoogje in de zin had, en ze dreef de geiten naar een plek waar heel hoog gras groeide en ze zei: "Kom, Eenoogje, laten we ergens gaan zitten, en dan zal ik voor je gaan zingen." Eenoogje ging zitten en was door ‘t ongewone lopen en de hitte van de zon moe geworden, en Tweeoogje zong steeds maar:

    Eenoogje, waak je?
    Eenoogje, slaap je?

    en toen deed Eenoogje haar ene oog dicht en sliep in. En toen Tweeoogje zag, dat Eenoogje vast in slaap was, en niets zou verraden, zei ze:

    Geitje, mek,
    Tafeltje, dek!

    en ze ging voor haar tafeltje zitten en at en dronk, tot ze genoeg had en toen zei ze weer:

    Geitje, mek,
    Tafeltje, weg!

    en meteen was alles verdwenen. Tweeoogje maakte Eenoogje nu wakker, en zei: "Eenoogje, jij wou kijken of het met de geiten wel goed ging en ondertussen val je in slaap: de geiten hadden overal heen kunnen gaan en weglopen; kom, zullen we weer naar huis gaan?" En ze gingen weer naar huis, en weer liet Tweeoogje haar aardewerken schotel onaangeroerd staan, maar Eenoogje kon aan haar moeder niet uitleggen, waarom ze nipt at, en ze zei als een verontschuldiging: "Ik was buiten in slaap gevallen."
    De volgende morgen zei de moeder tegen Drieoogje: "Nu moet jij eens meegaan en goed opletten of Tweeoogje buiten te eten krijgt, of dat iemand haar wat brengt, want ze moet ‘t in ‘t geheim doen." Nu ging Drieoogje naar Tweeoogje en zei: "Ik ga met je mee, ik wil eens zien of de geiten goed gehoed worden en naar de goede weiden worden gebracht." Maar Tweeoogje merkte wel, wat Drieoogje van plan was, en ze dreef de geiten naar een plek met hoog gras en zei: "We zullen daar gaan zitten, Drieoogje, en dan zal ik een liedje voor je zingen." Drieoogje ging zitten, ze was moe van de lange wandeling en van de zon, en Tweeoogje begon weer het vorige liedje en zong:

    Drieoogje, waak je?

    Maar in plaats van wat ze nu zingen moest:

    Drieoogje, slaap je?

    zong ze zonder er bij te denken:

    Tweeoogje, slaap je?

    en zo zong ze aldoor:

    Drieoogje, waak je?
    Tweeoogje, slaap je?

    Toen vielen Drieoogjes twee ogen toe en ze sliep in, maar het derde oog, dat door het versje niet toegesproken was, sliep ook niet in. Wel deed Drieoogje het dicht, maar dat was een list: alsof ze daar mee sliep, maar nu en dan blonk het en kon ze er alles best mee zien. En toen Tweeoogje meende, dat Drieoogje vast in slaap was, zei ze haar versje:

    Geitje, mek,
    Tafeltje, dek!

    en ze at en dronk naar hartelust, en liet dan het tafeltje weer gaan:

    Geitje, mek:
    Tafeltje, weg!

    en Drieoogje had het allemaal gezien. Nu kwam Tweeoogje bij haar, schudde haar wakker en zei: "Maar Drieoogje, was je in slaap gevallen? Wat kan jij mooi geiten hoeden! Laten we nu naar huis gaan." En toen ze thuis kwamen, at Tweeoogje weer niet, en Drieoogje zei tegen haar moeder: "Nu weet ik, waarom dat trotse ding niets eten wil! Als ze, daarbuiten, tegen de geit zegt:

    Geitje, mek,
    Tafeltje, dek!

    dan staat er een tafeltje voor haar, met heerlijk eten volgeladen, veel beter nog dan wij het hier hebben, en als ze genoeg heeft, zegt ze:

    Geitje, mek:
    Tafeltje, weg!

    en meteen is alles verdwenen, ‘k Heb het allemaal precies gezien. Ze had me met een versje in slaap gemaakt, maar ze deed ‘t voor twee ogen, en mijn derde oog, dat op mijn voorhoofd, was gelukkig wakker gebleven." Toen riep de moeder: "Wou jij het beter hebben dan wij? Dat zal je berouwen!" en ze haalde een slagersmes en stootte dat de geit in ‘t hart, zodat ze dood neerviel.
    Tweeoogje had het gezien en sloop bedroefd ‘t huis uit, ging op de helling zitten en huilde bittere tranen. Maar opeens stond daar weer de wijze vrouw naast haar en zei: "Tweeoogje, waarom huil je zo?" "Zou ik niet huilen?" antwoordde ze, "de geit, die me elke dag, als ik uw spreuk opzei, zo goed verzorgde met een lekker tafeltje, die is door mijn moeder gedood; en nu moet ik weer honger lijden en verdriet." De wijze vrouw sprak: "Tweeoogje, nu zal ik je een goede raad geven. Vraag aan je zusters om de ingewanden van ‘t gedode geitje, en begraaf dat voor de huisdeur in de grond. Dat zal je geluk zijn." En tegelijk was ze weer verdwenen. Tweeoogje ging weer naar huis en ze zei tegen haar zusters: "Lieve zusjes, wil je me wat van mijn geit geven; ik vraag niets bijzonders, maar geef me alleen maar de ingewanden." Ze lachten en zeiden: "Nu dat kan je krijgen, als je er verder niets van neemt." En Tweeoogje nam de ingewanden en begroef die ‘s avonds in alle stilte, op raad van de wijze vrouw, in de grond voor de huisdeur. De volgende morgen, toen ze wakker waren geworden en allen buiten kwamen, stond daar een wondermooie boom. De bladeren waren van zilver, gouden vruchten hingen tussen de takken, en er was niets mooiers en kostelijkers op de hele wijde wereld. Maar ze begrepen niet, hoe die boom daar in de nacht was komen te staan; alleen Tweeoogje begreep, dat hij uit de ingewanden van het geitje afkomstig was; want hij stond precies daar waar ze die begraven had. Nu zei de moeder tegen Eenoogje: "Klim jij er eens in, kindlief, en pluk de vruchten uit die boom." Eenoogje kom erin, maar toen ze één van de gouden appels vast wou grijpen, brak de twijg haar in de hand; en dat gebeurde aldoor, zodat ze er geen enkele appel af kon plukken, hoe ze zich ook wendde of keerde. Toen zei de moeder: "Drieoogje, ga jij dan de boom eens in, want jij kan nietje drie ogen beter om je heen kijken dan Eenoogje." Eenoogje gleed naar beneden, en Drieoogje klom erin. Maar Drieoogje was niet handiger, al kon ze het van nog zoveel kanten bekijken: de gouden appels weken steeds terug. Eindelijk werd de moeder ongeduldig en klom er zelf in, maar ze kon net zo min als Eenoogje en Drieoogje houvast krijgen, de vrucht week terug en ze greep in de lucht. Nu zei Tweeoogje: "Zal ik er eens in klimmen, misschien lukt het mij." De zusters riepen: "Och, jij met je twee ogen, wat denk je wel." Maar Tweeoogje klom de boom in, en de gouden appels weken voor haar niet opzij; ze vielen haar vanzelf in de hand, zodat ze de één na de ander af kon plukken en haar hele schort vol naar beneden bracht. De moeder nam ze allemaal. Maar in plaats dat zij zelf, Eenoogje en Drieoogje het arme Tweeoogje nu beter behandelden, waren ze alleen maar jaloers op haar, omdat zij alleen aan de vruchten komen kon, en ze gingen nog onaangenamer met haar om dan eerst. Nu gebeurde het eens, toen ze allemaal om de boom stonden, dat er een jonge ridder aan kwam rijden. "Gauw, Tweeoogje!" riepen de zusters, "kruip weg, zodat we ons niet over jou hoeven te schamen!" en ze zetten gauw een lege ton over het arme Tweeoogje – die stond net bij de boom – en ze schoven er de gouden appels die ze juist geplukt had, ook onder. De ridder was nu bij hen gekomen en het was een knappe man. Hij hield zijn paard in, bewonderde de prachtige boom van goud en zilver en zei tegen de beide zusters: "Van wie is die boom? Als iemand mij een tak van deze boom geeft, dan kan hij ervoor wensen, wat hij maar wil." Toen antwoordden Eenoogje en Drieoogje, dat het hun eigen boom was, en ze zouden graag een tak voor hem plukken. Beide deden ze er grote moeite voor, maar het lukte hun niet, want de twijgen en de vruchten bogen zich aldoor af voor hun aanraking. Toen zei de ridder: "Wat vreemd is dat, de boom is uw eigendom en u hebt toch niet de macht, er iets van te nemen." Maar ze verzekerden nogmaals, dat de boom van hen was. Terwijl ze evenwel zo praatten, liet Tweeoogje van onder haar ton uit een paar gouden appels rollen, naar de voeten van de ridder toe, want Tweeoogje was boos, omdat Eenoogje en Drieoogje er zo om jokten. De ridder zag de appels, en vroeg verbaasd waar die vandaan kwamen. Eenoogje en Drieoogje zeiden, dat ze nog een zuster hadden, maar die moest zich maar liever verscholen houden, want ze had maar twee ogen als andere, gewone mensen. Maar de ridder wilde haar zien en zei: "Tweeoogje, laat je eens zien." Toen kwam Tweeoogje onder de ton uit, en de ridder verbaasde zich over zo grote schoonheid, en zei: "Wel, Tweeoogje, jij kunt voor me toch zeker wel een tak van die boom afplukken?" "Jawel," antwoordde Tweeoogje, "dat wil ik wel doen, want het is mijn eigen boom." En ze klom erin, haalde met gemak een tak naar zich toe, brak er één af met fijne, zilveren bladeren en gouden vruchten, en gaf die aan de ridder. Deze zei: "Tweeoogje, wat zal ik je daarvoor geven?" "Ach," zei Tweeoogje, ik heb honger en dorst, verdriet en ellende van de vroege morgen tot de late avond; als u me wilt meenemen en verlossen, dan zou ik heel gelukkig zijn." Toen nam de ridder Tweeoogje voor zich op het paard en reed haar naar zijn vaders slot: hij gaf haar prachtige kleren, eten en drinken naar hartelust, en daar hij haar heel erg liefhad, trouwde hij met haar, en de bruiloft werd met grote vreugde gevierd. Toen nu Tweeoogje zo was weggevoerd door de knappe ridder, benijdden de beide zusters haar geluk bijzonder. "Maar we houden toch de boom," dachten ze, "al kunnen we de vruchten niet afplukken, iedereen zal er toch naar kijken, naar ons toekomen en er ons om prijzen; wie weet hoe onze tarwe nog eens bloeien zal!" Maar de volgende morgen was de boom weg en hun hoop vervlogen. En toen Tweeoogje uit het raam van haar slaapkamer keek, zag ze tot haar grote vreugde haar eigen boom daar staan. Tweeoogje leefde nog jaren lang gelukkig. Eens kwamen er twee arme vrouwen bij haar op het slot, en vroegen haar een aalmoes. Tweeoogje keek hen aan en ze herkende haar zusters, Eenoogje en Drieoogje, die zo arm waren geworden, dat ze waren gaan zwerven en hun brood aan de deur moesten bedelen. Maar Tweeoogje heette ze welkom, liet ze goed eten en drinken en zorgde voor hen, zodat ze beiden tenslotte berouw hadden, omdat ze hun zuster in haar jeugd zoveel verdriet hadden aangedaan.

    22-09-2011 om 23:09 geschreven door Felix1  

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 0/5 - (0 Stemmen)
    » Reageer (0)
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Weet je waarom

    Weet je waarom 21 maart is uitgeroepen tot de dag van de ambtenaar? Op 21 maart is de winterslaap voorbij en begint de voorjaarsmoeheid.

    22-09-2011 om 00:00 geschreven door Felix1  

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 0/5 - (0 Stemmen)
    » Reageer (0)
    21-09-2011
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.De engel

    De engel



    Telkens wanneer een goed kind sterft daalt er een engel van God op aarde neer. Hij neemt het dode kind in zijn armen, spreidt zijn grote, witte vleugels uit, vliegt over alle plaatsen die het kind heeft liefgehad en plukt een handvol bloemen die hij meeneemt naar God, opdat ze daar nog mooier dan op aarde mogen bloeien. De goede God drukt al die bloemen aan Zijn hart, maar de bloem die Hem het liefst is kust Hij en dan krijgt de bloem een stem en kan meezingen in het koor der zaligen."
    Kijk, dat alles vertelde een engel van God, terwijl hij een dood kind naar de hemel droeg, en het kind luisterde alsof het droomde; en zij vlogen over alle plekken bij zijn huis waar de kleine gespeeld had, en zij kwamen door tuinen met prachtige bloemen.
    "Welke zullen wij nu meenemen en in de hemel planten?" vroeg de engel.
    Daar stond een ranke rozenstruik, maar een boze hand had de stam geknakt zodat alle takken, vol grote, halfontloken knoppen, verdord neerhingen.
    "Die arme boom!" zei het kind. "Neem hem mee, opdat hij boven bij God in bloei komt."
    En de engel nam hem mee en kuste het kind tot beloning, en de kleine opende half zijn oogjes. Ze plukten van de rijke, prachtige bloemen, maar namen ook het verachte madeliefje mee en het wilde viooltje.
    "Nu hebben we bloemen!" zei het kind, en de engel knikte, maar zij vlogen nog niet naar God omhoog.

    Het was nacht, het was stil, ze bleven in de grote stad, zij zweefden rond in een van de nauwste straten waar hopen stro en as en allerlei rommel lagen, het was verhuisdag geweest; er lagen stukken van borden, brokken gips, dweilen en oude bollen van hoeden, niets dan lelijke dingen.
    De engel wees te midden van die rommel op een paar scherven van een bloempot en op een kluit aarde die uit de pot was gevallen en bijeen werd gehouden door de wortels van een grote, verdorde veldbloem, die niets waard was en daarom op straat was gegooid.
    "Die nemen we mee!" zei de engel. "Ik zal je wat vertellen terwijl we vliegen!"
    En toen vlogen ze en de engel vertelde:
    "Daarbeneden in de nauwe straat, in die lage kelder, woonde een arme, zieke jongen; van zijn prille jeugd af had hij altijd op bed moeten liggen; wanneer hij op zijn best was kon hij op krukken de kleine kamer een paar malen op en neer wandelen, dat was alles.
    Enkele dagen in de zomer vielen de zonnestralen gedurende een half uur in het voorhuis en wanneer de kleine jongen daar zat en de warme zon op zich liet schijnen en het rode bloed zag door zijn tere vingers die hij voor zijn gezichtje hield, dan heette het: Ja, vandaag is hij buiten geweest! Hij kende het bos en het heerlijke voorjaarsgroen alleen maar doordat een buurjongen de eerste groene beuketak voor hem meebracht. Die hield hij boven zijn hoofd, en dan droomde hij dat hij onder de beuken zat waar de zon scheen en de vogels zongen. Op een voorjaarsdag bracht de buurjongen ook veldbloemen voor hem mee en toevallig was er onder die veldbloemen een met de wortels er nog aan. En daarom werd ze in een pot geplant en in de vensterbank gezet dicht bij het bed. De bloem was geplant met een gelukkige hand. Ze groeide, schoot nieuwe loten en droeg elk jaar bloemen; het werd voor de zieke jongen zijn mooiste tuintje, zijn kleine schat hier op aarde. Hij gaf het water, verzorgde het en paste er goed op dat het elke zonnestraal die over het lage venster gleed, tot de laatste toe kreeg. En de bloem zelf groeide met zijn dromen samen want voor hem bloeide zij, voor hem verspreidde zij haar geur, en in zijn stervensuur toen Onze Lieve Heer hem riep, wendde hij zich tot haar. Een jaar is hij nu bij God geweest, een jaar heeft de bloem vergeten in de vensterbank gestaan en ze is verdord, en daarom is zij bij de verhuizing met allerlei rommel op straat gegooid. Dat is de bloem, de arme verdorde bloem, die wij in ons boeket hebben meegenomen, want die bloem heeft meer vreugde gebracht dan de rijkste bloem in de tuin van een koningin."

    "Maar hoe weet u dat allemaal?" vroeg het kind, dat de engel meevoerde naar de hemel.
    "Ik weet het!" zei de engel, "ik was zelf het zieke jongetje dat op krukken liep! Mijn bloem ken ik heus wel!"
    En het kind deed nu helemaal zijn ogen open en keek de engel in het schone, blijde gelaat, en op hetzelfde ogenblik waren zij in Gods hemel waar vreugde was en zalig-heid. En God drukte het dode kind aan zijn hart en toen kreeg het vleugels als de andere engel en het vloog met hem hand in hand. God drukte alle bloemen aan Zijn hart, maar de arme verdorde veldbloem kuste Hij en zij kreeg stem en zong met alle engelen, die rondom God zweefden, sommigen dichtbij, anderen verder weg in wijdere kringen, steeds verder weg in het oneindige, maar allen even gelukkig. En allen zongen ze, kleinen en groten, het goede kind en de arme veldbloem die verdord in het straatvuil had gelegen, weggeworpen met de verhuisrommel in de nauwe, sombere straat.

    21-09-2011 om 21:46 geschreven door Felix1  

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 0/5 - (0 Stemmen)
    » Reageer (0)
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Paniek

    Paniek op het gemeentehuis! Melding van de postkamer: "De bestelformulieren voor de bestelformulieren zijn op!"

    21-09-2011 om 00:00 geschreven door Felix1  

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 0/5 - (0 Stemmen)
    » Reageer (0)
    20-09-2011
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.vergiffenis

    vergiffenis

    De pastoor komt Marieke tegen op straat.Wat is er Marieke? Je kijkt zo triestig.
    "Och meneer pastoor" zegt Marieke,"je weet dat mijne Jef drinkt,maar nu krijg ik de laatste tijd ook nog slaag."
    "Dat is wel erg" zegt meneer pastoor,maar probeer hem toch te vergeven!"
    "Dat heb ik al drie keer geprobeerd meneer pastoor,maar hij heeft een maag van beton!"

    20-09-2011 om 00:00 geschreven door Felix1  

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 0/5 - (0 Stemmen)
    » Reageer (0)
    19-09-2011
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Het Ezeltje

    Het Ezeltje



    Er leefden eens een koning en een koningin, ze waren heel rijk en ze hadden alles wat ze zich maar wensten, alleen geen kinderen. Ze klaagde daar dag en nacht over en zei: "Ik ben als een akker waar niets op groeit."

    Maar eindelijk vervulde God haar wensen; maar toen het kind ter wereld kwam, zag het er niet uit als een mensenkind, maar als een jong ezeltje. En toen de moeder dat zag, begon haar jammeren en huilen pas goed, want ze had liever helemaal geen kind gehad dan een ezel. En ze zei, ze moesten het maar in het water gooien als voer voor de vissen. Maar de koning zei: "Nee. Als God hem gegeven heeft, zal hij ook mijn zoon en erfgenaam zijn, na mijn dood op de koninklijke troon zitten en mijn koninklijke kroon dragen."

    Dus werd het ezeltje opgevoed, groeide, alleen z'n oren groeiden ook, mooi hoog, en recht overeind. Verder was het een vrolijk diertje, het sprong rond, speelde, en hield vooral van muziek, zodat hij naar een beroemde speelman ging en zei: "Leer mij de kunst om net zo goed op de luit te spelen als u." - "Wel, mannetje," zei de speelman, "dat zal je moeilijk vallen, daar zijn je vingers niet bepaald geschikt voor en ook te groot; ik ben bang dat de snaren het niet uithouden." Maar er was geen praten tegen; het ezeltje wou en zou luit spelen, was ijverig en studeerde vlijtig en leerde het net zo goed als zijn meester zelf.

    Op een keer ging ons manneke in gedachten verzonken wandelen, en hij kwam bij een bron, en daar keek hij in en zag in het spiegelende water zijn ezelsgedaante. Nu werd hij zo bedroefd, dat hij de wijde wereld in ging, en maar één trouwe metgezel meenam.

    Ze trokken voort, lange tijd, en tenslotte kwamen ze in een rijk, waarover een oude koning heerste, en die had maar één dochter en die was wondermooi. Het ezeltje zei: "Hier zullen we blijven," klopte aan de poort en zei: "Er is hier buiten een gast, doe open, zodat hij naar binnen kan gaan."

    Maar er werd niet opengedaan en hij ging zitten, nam zijn luit en sloeg met z'n twee voorpoten een lieflijk liedje. Toen sperde de portier zijn ogen open, liep naar de koning en zei: "Buiten aan de poort zit een jong ezeltje en dat bespeelt de luit als een volleerd speler." - "Laat de speelman dan maar binnenkomen," sprak de koning.

    Maar toen het ezeltje binnenkwam, begon iedereen om de luitspeler te lachen. Het ezeltje moest beneden bij de knechts zitten om te eten, maar hij was tegen de draad in en zei: "Ik ben geen gewoon stalezeltje, ik ben van voorname afkomst." Toen zeiden ze: "Als je dat bent, ga dan bij de soldaten zitten." - "Nee," zei hij, "ik wil bij de koning zitten." De koning begon te lachen en zei goed gehumeurd: "Wel ja, dat kan wel als je wilt, ezeltje kom jij maar hier." Toen vroeg hij: "Ezeltje, hoe vind je m’n dochter?" Het ezeltje draaide z’n kop naar haar toe, keek haar aan, knikte en sprak: "Bovenmate goed; ze is zo mooi, als ik er nog geen gezien heb." - "Nu, dan mag je ook eens naast haar zitten," zei de koning. "Dat vind ik heel plezierig," zei het ezeltje en ging naast haar zitten, at en dronk en wist zich heel goed te gedragen.

    Toen het edel diertje een poos aan 't hof van de koning was geweest, dacht het: "Het geeft toch allemaal niets, je moet weer naar huis." En het liet z'n kop treurig hangen, ging voor de koning staan en vroeg toestemming, om weg te gaan. Maar de koning was van hem gaan houden en zei: "Ezeltje, wat scheelt eraan? Je kijkt zo zuur als een kruik azijn; blijf toch hier: ik zal je alles geven wat je hebben wilt. Wil je goud?" - "Nee," zei het ezeltje en schudde zijn kop. "Wil je kostbaarheden en sieraden hebben?" - "Nee." - "Wil je soms het halve koninkrijk?" - "Och nee."

    Toen sprak de koning: "Als ik maar wist, wat je plezier zou kunnen doen: wil je mijn mooie dochter tot vrouw?" - "O ja," zei het ezeltje, "dat zou ik heel graag willen!" En het was ineens vrolijk en hoopvol, want dat was juist zijn geheimste en liefste wens. Dus werd een prachtig, groot bruiloftsfeest gehouden.

    's Avonds toen bruid en bruidegom naar hun slaapkamertje werden gebracht, wou de koning weten of het ezeltje wel vriendelijk en goed zou zijn, en hij beval een lakei om zich daar te verstoppen. Toen het paar in de kamer was, schoof de bruidegom de grendel voor de deur, keek rond, en omdat hij geloofde dat ze samen alleen waren, wierp hij opeens zijn ezelsvel af, en stond daar als een jonge prins. "Nu zie je," zei hij, "wie ik ben, en dat ik je wel waard was." Nu werd de bruid blij, kuste hem en kreeg hem van harte lief.

    Maar toen de morgen aanbrak, sprong hij op, trok zijn dierenhuid weer aan, en niemand zou gedacht hebben wie daarachter stak. Weldra kwam daar ook de oude koning aan. "Wel!" riep hij, "is het ezeltje vrolijk?" - "En je bent zeker wel bedroefd," zei hij tegen zijn dochter, "dat je geen fatsoenlijk mens tot man hebt gekregen?" - "Ach nee, vaderlief, ik houd zoveel van hem, alsof het de mooiste man van de wereld was, en ik wil hem mijn hele leven hier houden." Daar was de koning verbaasd over, maar de lakei die zich verstopt had, kwam hem alles vertellen.

    De koning zei: "Dat kan nooit waar zijn." - "Waakt u dan zelf, de volgende nacht, u zult het met eigen ogen zien; en weet u wat, o koning: neem het ezelsvel van hem weg en gooi het in het vuur, dan moet hij wel in zijn mensengedaante blijven." - "Dat is een goede raad!" sprak de koning.

    En 's avonds, toen ze sliepen, sloop hij naar binnen, en toen hij bij het bed kwam, zag hij bij het maanlicht een zeldzaam mooie jonkman slapen en het ezelsvel lag afgestroopt op de grond. Dat nam hij weg, en hij liet buiten een geweldig vuur aanleggen, de huid erop gooien en hij bleef er zelf bij, tot het helemaal tot as was verbrand. En omdat hij zien wou, hoe de beroofde zich houden zou, bleef hij die nacht verder wakker en keek.

    Toen de jongeman was uitgeslapen bij 't eerste morgenlicht, stond hij op en wilde zijn ezelsvel aantrekken, maar dat was niet te vinden. Nu schrok hij en zei angstig: "Ik moet maken, dat ik vlucht." Hij ging naar buiten, maar daar stond de koning en zei: "Mijn zoon, waar ga je zo snel heen, wat heb je in de zin? Blijf toch hier, je bent nu zo'n mooi mens, je mag niet weer hier vandaan. Ik draag nu mijn rijk voor de helft aan jou over, en na mijn dood ben je de erfgenaam." - "Dan wens ik u toe, dat dit goede begin ook een goed einde krijgt," zei de jonge prins: "en ik zal bij u blijven." En de oude koning gaf het halve rijk, en toen hij na een jaar stierf, kreeg hij het hele rijk, en toen zijn vader stierf nog een koninkrijk erbij, en hij leefde in pracht en heerlijkheid tot aan zijn dood.

    19-09-2011 om 23:15 geschreven door Felix1  

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 0/5 - (0 Stemmen)
    » Reageer (0)
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.De zus van Lana

    Waarom betaalt een lul geen belasting? Omdat hij aftrekbaar is. Waarom betaalt een kut geen belasting? Omdat ze een lullig inkomen heeft.

    19-09-2011 om 00:00 geschreven door Felix1  

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 5/5 - (1 Stemmen)
    » Reageer (0)
    18-09-2011
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Waarom

    Waarom gebruiken ambtenaren geen papieren zakdoekjes? Omdat er TEMPO op staat!

    18-09-2011 om 00:00 geschreven door Felix1  

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 0/5 - (0 Stemmen)
    » Reageer (0)
    17-09-2011
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Eindelijk

    Eindelijk is de code gekraakt .....  

    Met Ons Samen Leven Is Moeilijk

    17-09-2011 om 00:00 geschreven door Felix1  

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 0/5 - (0 Stemmen)
    » Reageer (0)
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.De zus van Lana


    Ernst

    de 2 geliefden lagen samen romantisch op het strand, ze streelden elkaar even, maakten een geintje...dat geintje werd ernst.... ernst kan nu al lopen!

    17-09-2011 om 00:00 geschreven door Felix1  

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 0/5 - (0 Stemmen)
    » Reageer (0)
    16-09-2011
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Magere Hein
    Magere Hein



    Er was eens een meneer die heel graag dood wilde. Daar hoor je van op, hè, want iedereen wil zo lang leven als maar kan. Nou, deze meneer wilde niets liever dan dood. Dat mag toch! Kijk, dood gaan we allemaal. Op een dag word je geboren, wat betekent dat er op den duur een dag komt dat je doodgaat, dat is nu eenmaal zo. Alleen, het eigenaardige is dat de mensen dolblij zijn als er iemand geboren wordt en ze zijn diepbedroefd als er iemand doodgaat. Vreemd, hè?

    Maar goed, deze meneer was achtentachtig, hij had van alles gezien en gehoord, had heel veel pret gehad want hij was een grappenmaker van de bovenste plank, dus hij vond het tijd worden om dood te gaan.

    Zijn vrouw was het daar niet mee eens. Hij mocht niet dood van z'n vrouw. Af en toe vroeg hij: "Ach, mag ik dood?"

    "Nee," zei z'n vrouw dan, "nee, dat wil ik niet hebben, ik vind je nog veel te grappig, ik moet nog steeds erg om je lachen. Ik zal je vertellen: als Magere Hein komt, dan smijt ik 'm de deur uit, daar kun je van op aan."

    Ken je Magere Hein, weet je wie dat is? Magere Hein is een geraamte met een pet op en een tas om. In die tas zitten de namen en adressen van degenen die dood moeten. Hij komt je halen. De ooievaar komt je brengen en Magere Hein komt je halen. Je komt 'm wel eens tegen op straat, let maar eens goed op. Af en toe staat-ie even stil om op z'n papieren te kijken, hij moet weten waar hij nou weer heen moet. Hij kijkt een beetje zuur en dat is niet zo verwonderlijk, want hij werkt dag en nacht, hij heeft nooit eens een moment vrij, op elk uur van de dag is er wel iemand die doodgaat. O ja, en hij heeft ook nog een zeis bij zich. Niemand weet waarom-ie die zeis bij zich heeft, eerlijk gezegd denk ik dat het aanstellerij is.

    Op zekere dag was het zover. Magere Hein drukte met z'n zeis op de bel nadat hij nog 's goed op z'n papieren gekeken had - stel je voor dat-ie de verkeerde meenam, dan zwaaide er wat. De mevrouw deed open en vroeg: "Wat kom je doen, joh?"

    "Nou, mag ik me even voorstellen?" antwoordde Magere Hein. "Mijn naam is Hein, ze noemen me ook wel Magere Hein, omdat er geen vlees meer op m'n botten zit en..."

    "Ja, hou maar op met je gezeur," onderbrak de mevrouw, "ik zie heus wel wie je bent, zeg eerst maar 's voor wie je komt, joh."

    "Voor uw man," zei Hein beleefd, "kijkt u maar, z'n naam staat hier op de lijst. Na een lang leven vol grappen is het moment gekomen dat hij..."

    Weer werd hij door de mevrouw onderbroken. "Geen sprake van, je krijgt m'n man niet mee, dat wil ik niet hebben."

    "Maar," probeerde Hein, "maar..."

    "Niks maar, weet je wat jij moet doen? Je moet opdonderen. Ik wil dat je opdondert en wel meteen."

    De meneer lag nog in z'n warme bed en riep: "Wie is daar aan de deur, lieve vrouw?"

    "Ach," zei z'n vrouw, "dat geraamte, die Hein, je weet wel."

    "O, eindelijk," mompelde de meneer. Hij zette z'n handen aan z'n mond en riep: "Kom maar, hoor, ik wil best met je mee."

    "Het mag niet van je vrouw," schreeuwde Hein terug.

    "Nee," zei de mevrouw en haar stem sloeg over van kwaadheid, "ik wil het niet hebben, donder op met die stomme zeis van je, maak dat je wegkomt."

    En warempel, Magere Hein droop mopperend af. "Het is een schande," sprak hij tot zichzelf, "dat heb ik nog nooit meegemaakt, het is een schande, ik ben toch niet degene die de lijsten opstelt, wat heb ik ermee te maken, ik doe gewoon m'n werk, als ik het niet doe, doet een ander geraamte het."

    De meneer was erg teleurgesteld. "Wat vervelend nou toch," klaagde hij, "waarom mocht ik niet mee? Ik had juist zo'n zin om dood te gaan."

    "Hou toch op," antwoordde de mevrouw, "ik heb nog veel te veel lol met je. Ik lach me nog steeds een ongeluk om je, en daarom laat ik je niet gaan."

    "Mag ik dan met 'm mee als hij de volgende keer komt?" vroeg de meneer.

    "We zullen zien," antwoordde de mevrouw.

    "Nou vooruit," zei de meneer, "maar dan ga ik de komende tijd veel grappen uithalen. Gekke gezichten trekken en zo."

    "Hoe meer hoe liever," antwoordde de mevrouw.

    Het duurde drie lange jaren voordat Magere Hein terugkwam. "Zo, ben je d'r weer," zei de mevrouw, "goed dat ik je indertijd weggestuurd heb, we hebben de afgelopen drie jaar nog onbedaarlijk gelachen, m'n man en ik. Maar nu mag je hem wel meenemen, er is een tijd van komen en van gaan. Maar wees wel een beetje voorzichtig met 'm."

    "Hiephoi," riep de meneer vanuit z'n bed en daar moest zelfs Magere Hein om lachen. Even later was de meneer dood.

    En daar lag de meneer, 'opgebaard' heet dat. Hij lag in een kist met een raampje erin, zodat je z'n dode hoofd kon zien. "Hé," zei een van de omstanders, "moet je 's kijken." Hij wees op de kist. "Het lijk trekt een lange neus naar ons. Kijk, en nu steekt-ie ook nog z'n tong uit."

    "Ach," zei de mevrouw, die nu weduwe was, "dat doet-ie altijd als-ie dood is, let er maar niet op, dan heeft-ie er ook geen lol van. Hij heeft in z'n leven genoeg grappen gemaakt, hij moet er nu maar eens mee ophouden."

    De dode had al gauw in de gaten dat er niet meer op 'm gelet werd. Hij dacht bij zichzelf: wat vervelend nou toch dat je als dode altijd zo ernstig moet zijn, waarom mag je nooit 's een grapje maken? Nou, ze kunnen het krijgen zoals ze het hebben willen, mij horen of zien ze niet meer. Toen de mensen merkten dat het lijk geen kattenkwaad meer uithaalde, kwamen ze weer op de kist af en zeiden ze: "Wat ligt-ie er mooi bij, hè? En wat kijkt-ie ernstig, hè?"

    Ze keken, ze schudden hun hoofd, ze zetten hun zwarte hoeden op en ze begaven zich langzaam naar huis. Ziezo. Gelukkig zagen ze niet dat de dode toch nog even z'n tong tegen ze uitstak.


    16-09-2011 om 23:09 geschreven door Felix1  

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 5/5 - (1 Stemmen)
    » Reageer (0)
    15-09-2011
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.De heren van de wildernis
    De heren van de wildernis



    Er was eens een olifant die vriendschap sloot met een man. Toen op zekere dag een zwaar onweer losbrak ging de olifant naar zijn vriend, die een kleine hut bewoonde aan de rand van het woud, en zei tot hem: "M'n goede, beste man, mag ik alsjeblieft mijn snuit in je hut steken om hem te beschermen tegen deze verschrikkelijke stortbui?"

    De man die zag hoe ongelukkig zijn vriend er aan toe was antwoordde: "Beste, brave olifant, mijn hut is erg klein, maar er is plaats genoeg voor jouw snuit en mij. Steek je snuit maar voorzichtig naar binnen." De olifant dankte zijn vriend met de woorden: "Je hebt mij een weldaad bewezen en eens zal ik je vriendelijkheid beantwoorden."

    Maar wat gebeurde er toen? Zodra de olifant zijn snuit binnen de hut had, duwde hij langzaam ook zijn kop naar binnen, slingerde de man naar buiten in de regen, maakte het zich toen gemakkelijk in diens hut en zei: "Beste, brave vriend, jouw huid is dikker dan de mijne en aangezien er niet voldoende plaats is voor ons beiden kun jij je wel veroorloven in de regen te blijven terwijl ik mijn tere huid tegen de hagel bescherm."

    Toen de man besefte wat zijn vriend hem had aangedaan begon hij zo hard te foeteren dat de dieren in het nabije woud op het lawaai kwamen aanlopen om te zien wat er aan de hand was. Zij drongen allemaal om hen heen om te luisteren naar de hooglopende ruzie tussen de man en zijn vriend de olifant. Temidden van deze verwarring kwam luid brullend de leeuw aanlopen en zei op luide toon: "Weten jullie allemaal niet dat ik de koning ben van de wildernis? Hoe durft er iemand de vrede van mijn konikrijk te verstoren?"

    De olifant, die een der hoge ministers was in het koninkrijk der wildernis, hoorde het en zei op kalmerende toon: "Heer, er is geen sprake van verstoring van de vrede in uw koninkrijk. Ik heb slechts een kleine uiteenzetting met mijn vriend hier over het bezit van deze hut waarin ik, zoals u ziet, mij bevindt." De leeuw, die 'vrede en rust' in zijn koninkrijk wenste, antwoordde plechtstatig: "Ik geef hierbij mijn ministers opdracht een commissie van onderzoek in te stellen die deze kwestie grondig moet onderzoeken en mij dienovereenkomstig verslag zal uitbrengen."

    Toen wendde hij zich tot de man en zei: "Jij hebt er goed aan gedaan vriendschap te sluiten met mijn volk en in het bijzonder met de olifant die een van mijn hooggeachte ministers is. Foeter nu niet langer zo, je hut is nog niet verloren. Wacht tot de zitting van mijn rijkscommissie, dan zal je volop gelegenheid hebben om jouw zaak te bepleiten. Ik ben er zeker van dat je tevreden zal zijn over de bevindingen van de commissie."

    De man was zeer in zijn nopjes met de vriendelijke woorden van de koning der wildernis en argeloos wachtte hij tot die gelegenheid zich zou voordoen, in de vaste overtuiging dat zijn hut hem zou worden teruggegeven.

    Gehoorzamend aan het bevel van zijn meester begon de olifant, tezamen met de andere ministers, ijverig de commissie van onderzoek samen te stellen. De volgende wildernisoudsten werden aangewezen om zitting te hebben in de commissie: (1) de heer Rinoceros; (2) de heer Buffel; (3) de heer Alligator; (4) zijne excellentie de Vos zal optreden als voorzitter; en (5) de heer Luipaard als secretaris van de commissie. Toen de man van de samenstelling der commissie kennis nam, protesteerde hij daartegen en vroeg of het niet nodig was in de commissie ook een lid op te nemen van zijn kant. Maar hij kreeg te horen dat zoiets onmogelijk was omdat niemand van zijn kant voldoende ontwikkeld was om de ingewikkelde wetgeving van de wildernis te begrijpen. Bovendien was er niets te vrezen, want de leden van de commissie stonden bekend om hun onpartijdigheid in rechtszaken en zij waren met de beste bedoelingen door God gekozen om de belangen te behartigen van rassen die minder doelmatig zijn uitgerust met tanden en klauwen en dat hij er van verzekerd kon zijn dat zij de kwestie met de grootste zorg zouden onderzoeken en een onpartijdig verslag zouden uitbrengen.

    De commissie hield zitting om de getuigen te horen. De hoogwelgeboren heer Olifant werd het eerst opgeroepen. Hij trad met een air van gewicht naar voren, wreef zich de slagtanden met een jonge boom waarvoor mevrouw Olifant gezorgd had en zei op een toon die geen tegenspraak duldde: "Heren van de wildernis, het heeft geen zin dat ik uw kostbare tijd verspil met een relaas dat u allen ongetwijfeld bekend is. Ik heb het steeds als mijn plicht beschouwd de belangen van mijn vrienden te behartigen en dit schijnt misverstand te hebben gewekt tussen mijzelf en mijn vriend hier. Hij nodigde mij binnen om te voorkomen dat zijn hut door de zware storm zou worden weggevaagd. Aangezien de storm daar reeds vrij spel had doordat er nog ruimte over was, leek het mij noodzakelijk, in mijn vriends eigen belang de ongebruikte ruimte op meer economiche wijze te besteden door er zelf in te gaan zitten; een plicht waarvan ieder van u zich in gelijke omstandigheden ongetwijfeld met gelijke bereidheid zou hebben gekweten."

    Na het aanhoren van de afdoende getuigenverklaring van zijn excellentie Olifant riep de commissie de heer Hyena en andere wildernisoudsten op die allen ondersteunden wat de heer Olifant had verklaard. Toen riepen zij de man die zijn eigen lezing van de twist begon te geven. Maar de commissie viel hem in de rede met de woorden: "Beste man, beperk je alsjeblieft tot de kern van de zaak. Wij hebben de kwestie nu reeds van verschillende onafhankelijke bronnen toegelicht gezien; wij verlangen niet anders dan dat je ons vertelt of de ongebruikte ruimte in je hut reeds door iemand anders was bezet voordat de heer Olifant daar zijn positie innam?"

    De man begon te zeggen: "Nee, maar..." - Doch op dat moment verklaarde de commissie dat zij nu voldoende getuigenverklaringen had aangehoord van beide partijen en dat zij zich nu terugtrok om haar beslissing in overweging te nemen. Na een kostelijk maal dat hun werd aangeboden door zijne excellentie minister Olifant, kwamen zij tot een beslissing en gaven de volgende verklaring uit: "Naar onze mening is deze twist ontstaan door een betreurenswaardig misverstand dat zijn oorzaak vindt in het feit dat jij er achterlijke denkbeelden op na houdt. Wij zijn van oordeel dat de heer Olifant zich naar eer en geweten heeft gekweten van zijn heilige plicht jouw belangen te behartigen. Aangezien het duidelijk voor je eigen bestwil is dat de ruimte zo economisch mogelijk wordt gebruikt en jij zelf nog niet die mate van expansie hebt bereikt welke je in staat zou stellen ze in te nemen, achten wij het noodzakelijk dat het tussen beide partijen tot een schikking komt. De heer Olifant zal ook in het vervolg jouw hut bezet houden, maar wij geven jou de toestemming uit te zien naar een plek waar je een andere hut kan bouwen, die meer in overeenstemming is met jouw behoeften en wij zullen er op toezien dat je goed beschermd bent."

    Aangezien hem geen andere keus stond en hij bang was dat zijn weigering hem zou overleveren aan de tanden en klauwen van de leden van de commissie, ging de man op hun voorstel in. Maar nauwelijks had hij een nieuwe hut gebouwd of de heer Rinoceros kwam met de hoorns omlaag dreigend op de man af en beval hem zijn hut te verlaten.

    Opnieuw werd een koninklijke commissie ingesteld om de zaak te onderzoeken en deze kwam tot dezelfde bevindingen. Deze procedure herhaalde zich tot de heren Buffel, Luipaard, Hyena en alle overigen in nieuw hutten waren gehuisvest.

    Toen nam de man het besluit dat hij er nu eens en voorgoed iets op zou vinden om zich zelf een afdoende bescherming te verschaffen aangezien hij met commissies van onderzoek niet was gebaat. Hij ging zitten en zei: "Ng'enda thi ndagaga motegi," hetgeen letterlijk betekent: "Er wandelt op deze aarde niets rond dat niet tot stilstand kan worden gebracht," of, met andere woorden, je kunt de mensen wel een poosje voor de gek houden, maar niet altijd.

    Op zekere morgen, toen de hutten van de heren der wildernis alle wegrotten en bouwvallig werden, ging hij er reeds vroeg op uit om een eindje verder weg een grotere en betere hut te bouwen. Nauwelijks had de heer Rinoceros dat in de gaten of hij haastte zich naar binnen om echter tot de ontdekking te komen dat de heer Olifant daar reeds in diepe slaap was. Daarop kwam de heer Luipaard door het venster binnen, en de heren Leeuw, Vos en Buffel begaven zich door de deuropeningen naar binnen, terwijl de heer Hyena jankte om een plaatsje in de schaduw en de heer Alligator zich koesterde op het dak.

    Onmiddellijk begonnen zij allen elkanders recht om binnen te dringen te betwisten en van twisten kwam het tot vechten en terwijl de grootste verwarring heerste, stak de man de hut in brand waarop deze met de heren der wildernis en al tot de grond toe afbrandde. Toen ging hij naar huis en zei: "De vrede is duur betaald, maar hij is de kosten waard," en daarna leefde hij lang en gelukkig verder.



     

    15-09-2011 om 22:58 geschreven door Felix1  

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 5/5 - (1 Stemmen)
    » Reageer (0)
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Niet storen

    Niet storen

     

    Er zitten 2 vrouwen gezellig te babbelen. Zegt de een tegen de ander:

     "Vertel jij het tegen je man als je klaarkomt?"
    "Nee", antwoordt de andere vrouw, "ik wil hem niet storen op zijn werk."

    15-09-2011 om 00:00 geschreven door Felix1  

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 0/5 - (0 Stemmen)
    » Reageer (0)
    14-09-2011
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.De lat hoog leggen:

    De lat hoog leggen:

    "Bij de uitvoering van mijn hobby, leg ik de lat zeer hoog!"


    "Oh ja... wat is je hobby dan?"


    "Limbo-dansen."

    14-09-2011 om 00:00 geschreven door Felix1  

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 0/5 - (0 Stemmen)
    » Reageer (0)
    13-09-2011
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Hoe de kraai iedereen voor de gek hield

    Hoe de kraai iedereen voor de gek hield

    http://www.cvdekrey.nl/images/kraai.gif
    Heel, heel lang geleden was er eens een oude kraai, die op een eiland woonde. Op een keer dwaalde de kraai langs het strand om voedsel te zoeken. Het strand lag daar bezaaid met grote en kleine stenen; tussen de rotsen en in de gaten en spleten daarvan zat het altijd vol met kreeften en krabben. Die lustte onze kraai maar wat graag. Hij hipte dan ook vrolijk over de rotsen rond en juist wilde hij weer een kreeft oppikken, toen die hem te vlug af was en met zijn scherpe scharen de kraai bij zijn poten greep en hem stevig vasthield. De kraai begon te jammeren en te schreeuwen, want die scherpe scharen deden erge pijn: "O kreeftje, o lief kreeftje, laat me toch alsjeblieft los. Ik beloof je alles wat je maar wilt, als je me maar gauw los laat. Wil je misschien een kajak hebben? Dan mag je de mooiste en grootste uitzoeken." Maar de kreeft antwoordde: "Wat heb ik nou aan een kajak? Nee, die wil ik niet hebben. Ik kan immers zelf zwemmen. Een kajak heb ik helemaal niet nodig."

    De kraai dacht na wat de kreeft dan wél zou willen hebben. Nu was het zo, dat de kraai in werkelijkheid helemaal niets bezat. Dus wat hij ook beloofde, hij zou het toch niet kunnen geven. Maar dat deerde de kraai niet in het minst. Als hij maar los kon komen, want hij werd langzaam aan steeds dieper in het water getrokken. "Misschien wil die kreeft wel zoet water hebben in plaats van het zoute zeewater waar hij altijd in woont," dacht de kraai bij zichzelf. En de kraai, wiens schoenen al helemaal kapot gebeten waren en wiens tenen hoe langer hoe meer pijn gingen doen, zei met zijn liefste stemmetje: "Zeg kreeft, lieve kreeft, zal ik je dan misschien bij een heldere bron brengen met heerlijk fris zoet water?"

    Toen de kreeft dat hoorde, liet hij de poten van de kraai meteen los en zei haastig, alsof de bron nog op datzelfde moment zou kunnen weglopen: "Breng me dan maar gauw bij die bron. Daar wil ik wel naar toe." De kraai antwoordde: "Dan moeten we die berg daar opklimmen. De bron ligt op de top ervan." En hij lachte in zijn vuistje, want hij wist wel beter. Samen klauterden ze de berg op tot ze bij de bron kwamen.

    De kraai kon natuurlijk veel vlugger vooruit komen dan de kreeft, maar hij zorgde er voor, steeds vlak bij de kreeft te blijven om geen argwaan te wekken. Tot hij boven aan de berg vlak bij de bron was aangeland en de kreeft nog maar een paar stappen te doen had. Toen vond de kraai het veiliger om maar vast de lucht in te vliegen. En ondertussen riep hij naar beneden: "Nog maar een paar stappen, vriend kreeft, dan ben je bij de bron met heerlijk fris water!" Maar wat de kreeft toen te zien kreeg, maakte hem nog roder van woede dan hij uit zichzelf al was. Want in plaats van een bron met heerlijk fris water lag daar een smerige modderpoel voor hem, die tot de rand toe met stinkende kraaiemest was gevuld.

    De kraai was intussen weer rustig naar het strand gevlogen en ging verder met het zoeken naar voedsel. Hoewel zijn tenen hem nog wel pijn deden, had hij toch plezier om de poets, die hij de kreeft gebakken had, al was hij dan zelf nauwelijks aan de verdrinkingsdood ontsnapt. Rondhippend en pikkend ging hij verder en zo zag hij op een gegeven ogenblik een dode haring liggen. "Wacht eens even," dacht de kraai, "je kunt nooit weten hoe zo ietsje nog eens van pas kan komen," en hij rolde zich een paar keer over de haring, zodat zijn veren vol met visschubben kwamen te zitten. Zo toegetakeld trok hij verder langs het strand. Daar zag hij een man bezig met het opensnijden van een rendier. De huid was er al afgestroopt en een stuk van de lever lag er naast. De kraai keek met begerige ogen naar het lekkere hapje. "Zeg, kraai," vroeg de man, "hoe kom jij zo vol met visschubben? Je ziet er te vies uit om zelfs maar naar je te kijken."

    "Oh, die visschubben," antwoordde de kraai luchtig, "dat komt omdat ik zo juist een enorme school haringen tegenkwam en ik heb het geluk gehad er zo veel van te kunnen vangen, dat ik ze bij lange na niet allemaal op kon. Ik heb ze nu maar op een stapel op het strand gegooid. Nu heb ik voor dagen lang genoeg."

    "Zo, zo," zei de man, "en zijn er misschien nog meer haringen overgebleven van die school? Kan ik er ook nog wat gaan vangen?"

    "Natuurlijk," zei de kraai. "Maar dan moet je wel vlug opschieten. Het is niet zo heel ver hier vandaan. Even voorbij de baai, daar is het. En als je niemand anders hebt, dan wil ik desnoods wel even op je vlees passen."

    De man vond dat erg hulpvaardig en beloofde zich te zullen haasten. Hij rende langs het strand in de richting die de kraai hem gewezen had. Hij maakte zich al blij met de gedachte vandaag nu eens gemakkelijk aan een lekker maaltje vis te komen.

    Intussen smulde de kraai zich dik aan het rendiervlees, terwijl hij ook, zonder zich aan iets te storen, de rest nog bevuilde door er zijn behoefte op te doen. Terwijl hij hiermee nog bezig was, kwam de man al weer terug. Van ver begon hij al te schreeuwen: "Hé, waarom heb je mij voor de gek gehouden, ellendeling." En toen hij dichterbij was gekomen: "Waarom heb je van mijn vlees gegeten en het daarbij nog bevuild ook! Wat zijn dat voor gemene streken!" Zo riep de man en hij pakte pijl en boog om de kraai, die intussen was opgevlogen, naar beneden te schieten. Maar de kraai liet de rest van zijn uitwerpselen toen precies in het oog van de man vallen, die daardoor niets meer zag en misschoot. "Daar heb je dan wat terug van je rendiervlees!" schreeuwde de kraai nog lachend naar beneden, voordat hij uit het gezicht verdween.

    De kraai vloog nu nog een tijdje langs het strand, tot hij bij een rivier kwam. Hij besloot die rivier stroomopwaarts te volgen. Intussen had hij al zo lang gevlogen, dat hij weer honger begon te krijgen. Plotseling hoorde hij een klagend geluid. De kraai bleef stilstaan en luisterde. Het leek wel of er iemand huilde. Hij sloop stilletjes door de jeneverbesstruiken in de richting, vanwaar het geluid kwam. En ja hoor, daar zaten twee kleine vogeltjes te huilen. Ze hadden geprobeerd een vuurtje te maken, maar het hout was vochtig zodat ze de rook telkens in hun ogen kregen en het vuur maar niet wilde opvlammen. Naast hen lagen op een hoopje wat kleine visjes, die ze wilden bakken.

    Toen de kraai dat zag, begon hij te schateren van het lachen. Hij kwam uit de struiken te voorschijn waar hij zich eerst verstopt had en liep naar de vogeltjes toe. Maar de kraai zat nog steeds vol met visschubben en dat zagen de vogeltjes ook. En ook hun eerste vraag was, hoe het toch kwam dat hij er zo smerig uitzag. De kraai, die al weer met een begerig oog naar het hoopje vissen gluurde, vertelde aan de vogeltjes hetzelfde, wat hij ook aan de man had verteld: "Een eindje de rivier af, daar even voorbij de bocht, heb ik een massa vissen gevangen. Reusachtige haringen waren daar maar voor het grijpen. Ik heb dan ook een hele stapel voor me opzij gelegd." De vogeltjes, die alleen maar de kleine visjes hadden, wilden ook wel graag een paar van die reusachtige haringen gaan vangen. De kraai bood ook nu weer vriendelijk aan zolang op hun voorraadje te willen passen en hij zou dan intussen proberen het vuurtje voor ze aan te maken. Maar niet zodra hadden de kleine vogeltjes hun hielen gelicht, of de kraai at al hun visjes op.

    Natuurlijk zochten de vogeltjes tevergeefs naar de reuzenharingen. Ze haastten zich terug, want ze begrepen nu wel, dat de kraai hen weer eens voor de mal had gehouden. Maar hoe ze zich ook haastten, voor hun visjes kwamen ze te laat. De kraai had alleen nog de graten voor ze overgelaten. De vogeltjes werden heel erg verdrietig en begonnen te huilen: "Lelijke, oude kraai, waarom heb je ons voor de gek gehouden? Nu hebben we helemaal niets te eten!" Maar de kraai trok zich daar niets van aan. Verdriet van anderen kon hem nooit iets schelen. Hij vloog gauw weg en liet zelfs ook nu weer eerst nog wat viezigheid op de kop van de twee arme vogeltjes vallen.

    Zo ging dat altijd met die oude kraai. Hij hield voor de gek wie hij maar kon. Maar toch zou het hem niet altijd voor de wind gaan. Eens zou er een dier komen, dat ook hém te slim afwas. Luister maar. Toen hij nog verder de rivier afging, vond hij tenslotte een hol. De kraai besloot bij de ingang van dat hol te gaan zitten wachten op de bewoner daarvan. Na een tijdje kwam een eekhoorntje aangesprongen. Het sprong vrolijk van struik tot struik en als het op de grond kwam, huppelde het van blijdschap rond. Zijn mooie pluimstaart stond daarbij parmantig in de lucht. Aan een van zijn voorpoten had hij een mandje hangen, vol met kleine rode besjes. Die had hij juist geplukt en daarvan wilde hij een maaltje bereiden. Maar de kraai had daar ook wel trek in. Hij ging in de ingang van het hol zitten en week niet opzij, toen het eekhoorntje, dat naar binnen wilde, hem er om vroeg. "Nee," zei de kraai, "ik ga niet opzij, of jij moet me eerst die besjes geven."

    "Goed," zei het eekhoorntje tenslotte, "ik zal ze je geven. Maar dan moet jij voor mij eerst een dansje doen. Als ik een liedje zing, moet jij op de maat daarvan dansen. En om het zo mooi mogelijk te kunnen doen, moet je ook je ogen sluiten, wanneer je danst." De kraai, die er niet aan dacht, dat ook hij wel eens voor de gek gehouden kon worden, vond het goed. Het eekhoorntje zong een mooi wijsje en de kraai danste rond met zijn ogen stijf dicht. Toen hij moe werd, vond hij, dat het nu maar eens genoeg moest zijn. Hij hield op met dansen en deed zijn ogen weer open. En wat zag hij?... Het eekhoorntje, dat intussen in zijn hol was gekropen en daar op zijn dooie gemak zijn maaltje van bessen zat te bereiden. Toen het zag, dat de kraai eindelijk uitgedanst was, gooide 't hem één besje toe en zei spottend: "Hier heb jij je besje. Meer kan ik niet missen. Ga ze zelf maar plukken."

    De kraai keek lelijk op zijn neus. "Dat zal mij geen tweede keer meer gebeuren," dacht hij bij zichzelf.

    Maar of het nu kwam, dat hij van de honger niet meer zo goed kon denken als anders, of dat de dieren die hij nu tegenkwam, slimmer waren dan hij, ook de volgende keer werd hij weer beetgenomen. En zelfs op precies dezelfde wijze als het eekhoorntje het had gedaan. Deze keer was het de visotter, wiens hol de kraai aan de oever van de rivier had gezien. En net als bij het eekhoorntje, was hij ook hier in de ingang van het hol gaan staan en werd ook daar met een list weggelokt.

    Toen de kraai dus ook door de otter was gefopt, stond hij toch wel een beetje beteuterd te kijken. Maar de honger dreef hem weer voort. Nog verder de rivier langs. Zo zag hij plotseling een school dolfijnen in het water spelen. Ze sprongen ver uit het water op en doken dan weer diep naar beneden. Hun lijven schitterden in de zon, en het water dat langs hun schubben liep als zij omhoog sprongen, glansde als vloeibaar zilver. Maar de kraai had daar geen oog voor. Wat hij wél zag was, dat een van de dolfijnen een stuk groter was dan alle andere. Zó groot zelfs, dat er wel iets bijzonders met hem aan de hand moest zijn. Kraaien zijn altijd erg nieuwsgierig. Hij wachtte dus het goeie moment af en toen de dolfijn weer eens een prachtige luchtsprong maakte, vloog de kraai regelrecht in zijn open bek. Eenmaal daar aangeland, vloog hij verder tot hij in de maag van de dolfijn kwam en daar zag hij een oude vrouw zitten. De vrouw zat te spinnen en ze wees daarbij op een grote blaas. "Dat is de levensblaas," zei ze. "Die mag je niet aanraken. Als je het toch doet, zal mijn huis in elkaar storten en moet ik sterven." Maar de kraai, die altijd juist dat deed, wat hij niet mocht doen, pikte toch met zijn puntige snavel in de blaas. En zoals de vrouw had gezegd, werd het op hetzelfde moment donker om hem heen. De dolfijn was dood en bewoog zich niet meer en de kraai zat nu in zijn binnenste gevangen. Lange tijd bleef hij daar, want hij kon er niet uit. Op een keer hoorde de kraai buiten stemmen praten. De ene stem zei: "Waarom zou die dolfijn toch zijn dood gegaan?" En een andere stem antwoordde: "We moesten hem maar eens open snijden."

    Een van de mensen buiten haastte zich toen naar het dorp om hulp te halen en even later hoorde de kraai vele stemmen. Hij hoorde ook, dat de mensen bezig waren een gat in de buikwand van de dolfijn te maken en toen dat gat groot genoeg was om hem door te laten, vloog de kraai als een pijl uit de boog naar buiten. Zó snel vloog hij naar buiten, dat de mensen niet eens gezien hadden, wat het wel was, dat daar uit de dolfijn was komen vliegen. Ze zagen alleen maar iets zwarts met een scherpe puntneus en daarom dachten ze, dat het wel een boze geest moest zijn geweest. Toen de kraai dat hoorde, riep hij vanuit een boom: "Hé, passen jullie op daar! Jullie moeten die dolfijn niet opensnijden, want hij is betoverd. Er zit een boze geest in!"

    De mensen schrokken hevig. Ze lieten de vis liggen waar hij was en renden naar hun dorp terug.

    De kraai lachte in zijn vuistje. Nu had hij de vis helemaal voor zich alleen. Met een mes dat was achter gebleven, maakte hij een hol in de dolfijn en daarin ging hij wonen. En als hij honger had, hoefde hij nu alleen maar in de wanden van zijn hol te pikken. Zo werd langzamerhand zijn hol steeds groter maar de dolfijn steeds kleiner. Tot er helemaal niets meer van overbleef. Toen moest de kraai er opnieuw op uit om voedsel te zoeken. En daarbij zal hij stellig wel weer een heleboel mensen en dieren voor de gek hebben gehouden. Maar dat vertel ik jullie misschien een volgende keer eens.

    13-09-2011 om 22:03 geschreven door Felix1  

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 0/5 - (0 Stemmen)
    » Reageer (0)
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Dichte mist

    Dichte mist
    "Janssens heeft zijn vrouw bij dichte mist leren kennen."
    "Hoe weet u dat?"
    "Wel, hebt u haar al eens goed bekeken?"

    13-09-2011 om 00:00 geschreven door Felix1  

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 0/5 - (0 Stemmen)
    » Reageer (0)
    12-09-2011
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.De schaduw

    De schaduw

    Een geleerde uit het koude noorden ging naar het zonnige zuiden om er te gaan wonen. Natuurlijk ging zijn schaduw mee. De verandering deed hun allebei goed. Overdag zochten ze schaduwplekjes op, waar het koel was. En zodra de zon onderging en de lampen aangingen, maakten ze een wandeling. Eerst naast elkaar, maar na een poosje rende de schaduw vooruit of hij bleef achter om iets dat zijn meester had gemist beter te kunnen bekijken. Hij klom zelfs tegen muren op om te kijken wat er aan de andere kant gebeurde.

    Op een avond zei de geleerde tegen zijn schaduw: "Vooruit, ga maar eens een keer lekker in je eentje op pad!"

    Dat liet de schaduw zich geen twee keer zeggen. De geleerde voelde iets aan zijn hielen trekken en toen was de schaduw verdwenen.

    De volgende avond kwam de schaduw niet terug, noch de avond daarop of welke avond daarna dan ook. Verdrietig reisde de geleerde terug naar het grijze noorden waar een man zonder schaduw niet zo opvalt.

    Jaren gingen voorbij. Op een avond werd er laat bij de geleerde aangeklopt. Buiten stond een lange, knappe, donkere man, helemaal in het zwart gekleed.

    "Ken je me nog?" vroeg de man. "Ik was vroeger je schaduw."

    "Oh!" De geleerde begon te stralen. "Wat ben ik blij je te zien. Ik wist dat je uiteindelijk terug zou komen."

    Met een hooghartige glimlach schudde de schaduw zijn hoofd. "Nee, nee! Ik ben niet gekomen om mijn vroegere baantje terug te krijgen. Ik ga terug naar het zuiden. Heb je zin om mee te gaan?"

    "Ja, graag," antwoordde de geleerde.

    En zo gingen de twee op weg, naast elkaar. Maar deze keer leek de warme zon de geleerde helemaal geen goed te doen. Elke dag werd de schaduw tegen de avond groter, sterker en levendiger, terwijl de geleerde wegkroop in een hoek en nauwelijks werd opgemerkt.

    Elke avond zat de schaduw te eten, te drinken en te praten met voorname mensen. Hij danste met mooie vrouwen en zelfs met een prinses. De prinses had altijd gedacht dat ze goed kon dansen, maar deze man was nog eleganter. Het leek of zijn voeten de grond nauwelijks raakten. Hij was zo gracieus, zo knap en zo mysterieus, en altijd gekleed in plechtig zwart. Maar waar was zijn schaduw?

    "Mijn schaduw?" De schaduw glimlachte. "Zie je die kleine man daar in de hoek? Dat is mijn schaduw. Hij mag zich van mij kleden als een man, hoewel iedereen ziet dat hij maar een schaduw is. Maar zeg er maar niets over. Dat is te pijnlijk voor hem."

    "Wat is hij aardig!" dacht de prinses. "Maar is hij ook een wijs man?"

    Ze was bezig verliefd te worden op de schaduw, maar de man met wie ze trouwde moest wijs zijn omdat hij ooit koning zou worden.

    Ze begon hem vragen te stellen. "Waarom is de zee zout? Waarom is de lucht blauw?" De schaduw wist het niet en het liet hem koud, maar hij was slim genoeg om dat niet te zeggen.

    "Ik heb al die dingen lang geleden geleerd," zei hij schouderophalend.

    "Zelfs mijn schaduw zou je de antwoorden kunnen vertellen als je hem die vragen stelde."

    De arme geleerde was blij dat iemand aandacht aan hem besteedde. Hij beantwoordde alle vragen van de prinses.

    "Wat is mijn geliefde wijs!" mompelde ze terwijl ze wegliep. "Zelfs zijn schaduw is wijs. Dit is een heel geschikte man voor mij!"

    Toen de geleerde hoorde dat de prinses zou gaan trouwen met zijn schaduw was voor hem de maat vol. "Dit kan zo niet doorgaan," zei hij tegen de schaduw. "Als jij haar de waarheid niet vertelt doe ik het." De schaduw schudde zijn hoofd. "Ze zal het niet geloven."

    Ze geloofde het inderdaad niet. Toen de geleerde tegen haar zei dat hij de man was en de andere zijn schaduw, riep ze dat hij krankzinnig was en liet hem in de diepste, donkerste kerker gooien.

    "Het is mijn schuld," zei de schaduw verdrietig toen ze het hem vertelde. "Hij deed maar of hij een mens was en ik vond het goed. Van nu af aan moet ik leven zonder schaduw. Hou je nog van me, ook als ik geen schaduw heb?"

    Natuurlijk deed ze dat! Al gauw trouwden ze. De klokken luidden. Er was vuurwerk en muziek en iedereen danste. Maar de arme geleerde hoorde er niets van. Hij was, zoals men dat zegt, niet meer dan een schaduw van zichzelf, verloren in de diepste, donkerste kerker.

    Hij kwijnde weg tot er niets meer over was dan één diepe zucht.

    12-09-2011 om 22:49 geschreven door Felix1  

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 0/5 - (0 Stemmen)
    » Reageer (0)
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Mobiel netwerk

    Mobiel netwerk

    De russen gaan in de grond graven. (omdat ze denken dat ze iets ouds gevonden hebben) vinden ze allemaal koperdraden
    dit moeten we onderzoeken zegt de argeoloog. Na een groot onderzoek blijkt dat de Russen al zo'n 1000 jaar gelden een
    compleet telefonische netwerk hadden. De Amerikanen vinden dit wel een goed plan en gaan ook zoeken. Zij vinden allemaal
    koolstofdraden in de grond Na ook een groot onderzoek blijkt dat de Amerikanen zo'n 2000 jaar gelden al een compleet
    Digitaal netwerk hadden. De Belgen die gaan ook graven in de grond en vinden niks en dus staat er in een Belgische krant

    De russen hebben een telefonisch netwerk De Amerikanen een digitaal en wij een compleet mobile netwerk

    12-09-2011 om 00:00 geschreven door Felix1  

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 1/5 - (1 Stemmen)
    » Reageer (0)
    10-09-2011
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.In de fille

    In de fille

     

    Een man komt te laat op zijn werk; Baas,

    "waarom ben jij te laat?!

    " Werknemer, "ik stond in de file." Baas,

    "hoe lang was die file?" Werknemer,

    "weet ik niet, ik stond vooraan"

    10-09-2011 om 00:00 geschreven door Felix1  

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 0/5 - (0 Stemmen)
    » Reageer (0)
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.De zus van Lana

    Man naar de hoeren

    Er ging een man naar de hoeren en vraagt aan de hoer hoeveel ze kost.
    De hoer antwoord: 100,- in bed en 50,- op de bank en 10,- op de proef.
    De man pakt een briefje van 100, en de hoer zegt 1oo dus je wilt in bed.
    NEE zegt de man doe maar 10x op de proef.

    10-09-2011 om 00:00 geschreven door Felix1  

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 0/5 - (1 Stemmen)
    » Reageer (0)
    09-09-2011
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.De zus van Lana


    Thermofles

    Een handelaar in kunstpenissen komt bij een klooster aan. Hij belt aan en vertelt dat hij een vertegenwoordiger is. "Kan ik zuster overste even spreken?" Na een tijdje komt de zuster er aan. "Zuster ik ben handelaar in kunstpenissen en ik denk dat mijn assortiment jou wel zal interesseren." Hij toont zijn artikelen en na een tijdje zegt de overste: "die witte met die rode top wordt de mijne !" "Sorry, zuster maar dat is mijn thermosfles.."

    09-09-2011 om 00:00 geschreven door Felix1  

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 0/5 - (0 Stemmen)
    » Reageer (0)
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Marietje en de pastoor

    Marietje en de pastoor

    Een pastoor van een klein dorpje komt erachter dat Marietje zwanger geworden is (van hemzelf). Hij gaat naar Marietje toe en vertelt dat dit niet kan in het dorp. Ze moet verhuizen naar een ander dorp. Totdat de kleine 18 jaar is maakt de pastoor iedere maand geld over voor onderhoud van het kind.
    Een maand voordat 'de kleine' 18 is zegt meneer pastoor tegen zijn koster:
    "Zeg tegen Marietje dat dit de laatste betaling is en let dan vooral op haar gezicht."
    "Hoezo op haar gezicht letten?" vraagt de koster.
    "Nou, dan kun je zien of ze blij of verdrietig is."
    Eenmaal aangekomen bij Marietje doet de koster zijn verhaal en blijft Marietje aanstaren.
    "Waarom kijk jij zo naar mijn gezicht?" vraagt Marietje.
    "Dat moet van meneer pastoor, zodat ik kan zien of u gelukkig of verdrietig bent."
    "Wel," zegt ze, "vertel meneer pastoor dat ik na 2 maanden abortus heb gepleegd maar toch erg blij was met het geld en let jij dan maar eens op het gezicht van meneer pastoor."

    09-09-2011 om 00:00 geschreven door Felix1  

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 0/5 - (0 Stemmen)
    » Reageer (0)
    08-09-2011
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Bij een
    Bij een blonde studente wordt ingebroken. "Stil!" dreigt de inbreker, "ik zoek geld!" "Wacht even," antwoord het blonde studentje, "dan zoek ik mee!"

    08-09-2011 om 00:00 geschreven door Felix1  

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 0/5 - (0 Stemmen)
    » Reageer (0)
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.De zus van Lana

    Nonnen
    Er was eens een gozer genaamd Henk en die had alle soorten vrouwen al gehad, Nederlandse, Turkse , surinaamse vrouwen, noem maar op, maar een non had hij nog niet gehad en dat wilde hij wel een keertje graag proberen. Hij ging naar het klooster en sprak en non aan, hij vertelde het verhaal. De non zei: nee sorry meneer, ik moet maagd blijven. Henk bleef er maar over door gaan, waardoor de non zei: Oke voorruit maar u mag me alleen van achter nemen, want dan blijf ik maagd... zo gezegt zo gedaan, die twee waren lekker bezig en Henk roept ineens IK BEN HENK EN IK NEUK ALS EEN TANK waarop de non antwoord: IK BEN SJON EN BEN VERKLEED ALS NON

    08-09-2011 om 00:00 geschreven door Felix1  

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 0/5 - (0 Stemmen)
    » Reageer (0)
    07-09-2011
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.De Zes zwanen

    De Zes zwanen



    Een koning jaagde eens in een heel groot bos en zette een hert met zoveel drift na, dat geen van de jagers hem bij kon houden. Toen de avond viel, hield hij zijn paard in, keek om zich heen en zag dat hij verdwaald was. Hij zocht een uitweg, maar kon er geen vinden. Opeens kwam er een oude vrouw aan met een wiebelhoofd, die op hem afkwam; maar dat was een heks. "Vrouwtje," zei de koning, "kun je me de weg niet wijzen?" "Ja zeker, heer koning," zei ze, "dat kan ik best. Maar op één voorwaarde. Vervult u die voorwaarde niet, dan komt u het bos nooit meer uit – en moet u van honger sterven." "Wat is dat dan voor een voorwaarde?" vroeg de koning. "Ik heb een dochter," zei het oude mens, "en ze is zo mooi, er is geen mooier meisje op de wereld, en ze verdient het, uw vrouw te worden; als u haar tot koningin maakt, dan wijs ik u de weg uit het bos." In zijn angst stemde de koning daarmee in en het oudje bracht hem naar haar huisje, waar haar dochter bij het vuur zat. Ze ontving de koning alsof ze hem al verwacht had, hij zag wel dat ze mooi was, maar helemaal beviel ze hem niet, en hij kon haar zonder een gevoel van afgrijzen niet aankijken. Maar hij hief het meisje voor zich op het paard, de oude vrouw wees hem de weg, en de koning bereikte het koninklijk slot weer, waar de bruiloft werd gevierd.

    Nu was de koning al eens getrouwd geweest, en bij zijn eerste vrouw had hij zeven kinderen, zes jongens en een meisje. Die waren hem het liefst van alles op de wereld. Maar hij was bang dat de stiefmoeder hen niet goed zou behandelen, of hen zelfs kwaad kon doen; daarom bracht hij hen naar een eenzaam slot, dat midden in een bos stond. Het lag zo verscholen, en de weg erheen was zo moeilijk te vinden, dat hij er zelf nooit gekomen zou zijn, als niet een wijze vrouw hem een kluwen garen gegeven had van wonderlijke kracht. Als je die vóór je uit gooide, liep hij vanzelf uit en wees de weg. Nu ging de koning zo dikwijls naar zijn zeven kinderen toe dat de koningin argwaan kreeg, ze wilde weten wat hij altijd zo alleen in dat bos deed. Zo gaf ze aan een lakei een massa geld en die verried haar ‘t geheim en vertelde ook van die kluwen die alleen vooruit rolde en de weg wees. Nu had ze geen rust, tot ze uitgevonden had, waar de koning die kluwen bewaarde. Ze maakte toen kleine, witzijden hemdjes, en omdat ze van haar moeder heksenkunsten had geleerd, naaide ze er toverkracht in. En op een keer dat de koning weer op jacht was, nam zij de hemdjes en de kluwen en ging naar het bos, en de kluwen wees haar de weg. De kinderen zagen uit de verte iemand aankomen; ze dachten dat het hun vader was – en juichend holden ze hem tegemoet. Ze wierp elk van hen een hemdje om en toen dat hen aanraakte, veranderden ze in zwanen en vlogen over de bomen weg. De koningin ging opgewekt naar huis en dacht, dat ze nu van die stiefkinderen af was; maar het meisje was niet met de broers naar buiten gekomen, en ze had niets van haar gemerkt. De volgende dag kwam de koning weer op bezoek bij zijn kinderen, maar hij vond alleen het dochtertje. "Waar zijn de jongens?" vroeg de koning. "Och vaderlief," antwoordde ze, "die zijn weg en ze hebben mij alleen gelaten," en ze vertelde hem, dat ze uit haar kamertje gezien had, hoe haar broers als zwanen over de bomen waren weggevlogen. En ze liet hem de veren zien, die ze in de tuin hadden laten vallen en die ze had opgeraapt. De koning werd heel bedroefd, maar hij kwam niet op de gedachte, dat de koningin die misdaad zou hebben begaan; integendeel, hij was bang dat zijn dochtertje ook nog geroofd zou worden en hij wilde haar mee naar huis nemen. Maar ‘t meisje was bij voorbaat al bang voor de stiefmoeder, en smeekte de koning om tenminste deze nacht nog op het slot in het bos te mogen blijven.

    Het arme meisje dacht bij zichzelf: "Blijven doe ik zeker niet. Ik wil de broers gaan zoeken." En toen het nacht werd, vluchtte ze, en liep zacht het bos in. Ze liep de hele nacht door, en de dag daarop ook, al maar voort, tot ze van vermoeienis niet verder kon. Toen zag ze een jachthut; ze ging erin en vond een kamer met zes kleine bedjes. Ze durfde er niet in gaan liggen, maar ze kroop onder één van de bedjes, op de harde grond, en daar wou ze de nacht doorbrengen. Maar kort voor zonsopgang hoorde ze een geruis en kijk, zes zwanen kwamen het venster binnengevlogen. Ze gingen op de grond staan, ze bliezen naar elkaar en bliezen zichzelf alle veren af, en hun zwanenhuid stroopte af als een hemd. Nu keek het meisje hen aan en ze herkende hen, het waren haar broers en ze kroop onder ‘t bed uit. De broers waren hartelijk blij, toen ze hun zusje zagen – maar hun vreugde duurde maar kort. "Hier kan je niet blijven," zeiden ze tegen haar, "want dit is een rovershol. Komen ze thuis en vinden ze je, dan vermoorden ze je." "Kunnen jullie me dan niet beschermen?" vroeg het zusje. "Nee," zeiden ze, "want we kunnen elke avond maar een kwartier onze zwanengestalte afleggen en dan hebben we mensengedaante, maar meteen worden we weer in zwanen veranderd." Het zusje begon te schreien en zei: "Maar kunnen jullie dan niet verlost worden?" "Och nee," zeiden ze, "dat is veel te moeilijk. Je zou zes jaar lang niet mogen spreken en niet lachen, en je zou in die tijd zes hemden voor ons moeten naaien van asters. Komt er ook maar één enkel woord uit je mond, dan is alles vergeefs geweest." En nauwelijks hadden de broers die woorden geuit, of het kwartier was om, en ze vlogen als zwanen weer het venster uit.

    Maar het meisje had haar besluit genomen. Zij wilde haar broers verlossen, al ging het om haar leven. Ze verliet de jachthut, ging ‘t bos weer in, ging in een boom zitten en bracht daar de nacht door. De volgende morgen ging ze asters zoeken en begon ze te naaien. Praten kon ze toch met niemand, en lachen viel haar niet eens in; ze zat maar en keek naar haar werk. Toen ze daar al een poos zo had geleefd, kwam de koning van ‘t land er jagen; zijn jagers kwamen bij de boom waar het meisje in zat. Ze riepen haar toe en zeiden: "Wie ben je?" Ze gaf geen antwoord. "Kom bij ons," zeiden ze, "we zullen je niets doen, hoor." Maar ze schudde ‘t hoofd. Toen ze haar steeds maar met vragen lastig vielen, gooide ze haar gouden ketting naar beneden om hen tevreden te stellen. Nog gingen ze niet weg. Toen liet ze haar gordel vallen; en toen dat geen uitwerking had, haar kousebanden; en zo het een na het ander, alles wat ze aan had en missen kon. Tenslotte hield ze niets meer aan dan haar hemd. Nog lieten de jagers haar niet met rust, maar ze klommen de boom in, haalden haar naar beneden en brachten haar naar de koning. De koning vroeg: "Wie bent u? Wat deed u daar in die boom?" Maar ze gaf geen antwoord. Hij vroeg het in andere talen die hij kende, maar zij bleef zo stom als een vis. Maar ze was zo mooi. Het hart van de koning werd bewogen; en hij vatte een grote liefde voor haar op. Hij sloeg zijn eigen mantel om haar heen, zette haar voor zich op het paard, en bracht haar op zijn kasteel. Daar liet hij haar kleden met rijke gewaden; ze straalde nu zo lieflijk als de morgen, maar er was geen woord uit haar te krijgen. Aan tafel liet hij haar naast zich zitten; haar bescheiden en zedige houding maakte zo’n indruk op hem, dat hij zei: "Deze zal ik trouwen, en geen ander op de hele wereld." En enige dagen later werd het huwelijk voltrokken.

    De koning had evenwel een boze moeder. Zij was het niet met dit huwelijk eens, en sprak kwaad van de jonge koningin. "Wie weet waar die meid die niet spreken kan vandaan komt; zij is een koning niet waardig." Toen de koningin na een jaar haar eerste kind ter wereld bracht, nam de oude vrouw het weg terwijl zij sliep en bestreek haar mond met bloed. Daarop ging zij naar de koning en klaagde de koningin aan, dat zij een menseneetster was. De koning wilde het niet geloven en stond niet toe dat men haar enig leed berokkende. De koningin zat echter voortdurend aan de hemden te naaien en schonk aan niets anders aandacht. Toen zij de volgende keer weer een gezonde jongen ter wereld bracht, pleegde de valse schoonmoeder hetzelfde bedrog, maar de koning kon er niet toe komen enig geloof aan haar woorden te hechten. Hij sprak: "Zij is te vroom en te goed om zoiets te kunnen doen; als zij niet stom was en zij kon zich verdedigen, dan zou haar onschuld aan het licht komen." Maar toen de oude voor de derde maal het pasgeboren kind roofde en de koningin aanklaagde die geen woord tot haar verdediging uitbracht, kon de koning niet anders doen dan zij aan het gerecht overleveren, dat haar veroordeelde tot de vuurdood.

    Toen de dag aanbrak dat het vonnis zou worden voltrokken, was tevens de laatste dag van de zes jaren voorbij, gedurende welke zij niet had mogen spreken of lachen en zij had dus haar geliefde broers uit de macht van de betovering bevrijd. De zes hemden waren gereed, alleen aan het laatste ontbrak nog de linkermouw.

    Toen zij nu naar de brandstapel gevoerd werd, legde zij de hemden over haar arm en toen zij er bovenop stond en men op het punt stond het vuur aan te steken, keek zij om zich heen: daar kwamen door de lucht zes zwanen aanvliegen. Zij zag dat haar verlossing nabij was en haar hart sprong op van vreugde. De zwanen ruisten naar haar toe en daalden neer, zodat zij de hemden over hen heen kon werpen en toen zij daardoor werden aangeraakt, vielen hun zwanenhuiden af en haar broers stonden in levenden lijve voor haar en waren jongen schoon; alleen de jongste miste zijn linkerarm en had in plaats daarvan een zwanenvleugel op zijn rug. Zij omhelsden en kusten elkaar en de koningin ging naar de koning, die geheel onthutst was, en zij begon te spreken en zei: "Liefste echtgenoot, nu mag ik spreken en je onthullen dat ik onschuldig ben en valselijk aangeklaagd", en zij vertelde hem van het bedrog van de oude vrouw die haar drie kinderen had weggenomen en verborgen. Toen werden zij tot grote vreugde van de koning te voorschijn gebracht en de boze schoonmoeder werd voor straf op de brandstapel vastgebonden en tot as verbrand. Maar de koning en de koningin met haar zes broers leefden nog vele jaren in vrede en geluk.

    07-09-2011 om 22:50 geschreven door Felix1  

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 0/5 - (0 Stemmen)
    » Reageer (0)
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Wat is

    Wat is de overeenkomst tussen een dom blondje en een flesje bier? A: Vanaf de hals naar boven zit er niets meer in.

    07-09-2011 om 00:00 geschreven door Felix1  

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 0/5 - (0 Stemmen)
    » Reageer (0)
    06-09-2011
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Twee ambtenaren

    Twee ambtenaren uit verschillende dorpen scheppen op over hun gemeenten. "Bij ons in het dorp draagt de burgemeester een echte ketting om zijn hals," zegt de een. "Nou en?" zegt de ander, "bij ons mag hij vrij rondlopen."

    06-09-2011 om 00:00 geschreven door Felix1  

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 0/5 - (0 Stemmen)
    » Reageer (0)
    05-09-2011
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Laatst moest ik

    Laatst moest ik lachen om een lompe actie van een dom blondje. Ze riep toen kwaad: "Wat lach je dom." Ik antwoordde: "Als ik slim zou lachen zou je het toch niet begrijpen."

    05-09-2011 om 00:00 geschreven door Felix1  

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 0/5 - (0 Stemmen)
    » Reageer (0)
    04-09-2011
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.De zus van Lana
    Wat is het toppunt van snelheid? Met zn tweeen in bed kruipen en er met 3 uitkomen. ))

    04-09-2011 om 00:00 geschreven door Felix1  

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 0/5 - (0 Stemmen)
    » Reageer (0)
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.De bureauchef

    De bureauchef komt onverwachts het kantoor binnen en stelt vast, dat ambtenaar Jansen zit te fluiten. "Dat gaat toch echt niet, meneer Jansen, U kunt niet fluiten en werken tegelijk!" Meneer Jansen: "Maar ik fluit alleen maar!"

    04-09-2011 om 00:00 geschreven door Felix1  

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 0/5 - (0 Stemmen)
    » Reageer (0)
    03-09-2011
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Ambtenaar Jansen
    Ambtenaar Jansen komt weer eens te laat op zijn werk en krijgt prompt de volle lading van zijn chef. Hij verontschuldigt zich: "Ik heb me vanmorgen verslapen." Chef: "Wat! Thuis slaapt U ook nog???!"

    03-09-2011 om 00:00 geschreven door Felix1  

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 0/5 - (0 Stemmen)
    » Reageer (0)
    01-09-2011
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.De zus van Lana

    peter gaat met zijn vrouw golfen. zijn vrouw kan voor geen meter golfen, en (je raad het al) bij de eerste bal slaat ze hem meteen door een ruit heen. snel rennen peter en zijn vrouw naar het huis toe om sorry te zeggen. achter het gebroken raam zit een man met een gebroken wijn fles. snel zeggen peter en zijn vrouw dat het hun spijt en dat ze wel voor de ruit zullen betalen. maar de man zegt: nee ik ben juist blij, want ik ben een geest en ik heb al jaren in die fles gevangen gezeten. weet je wat? jullie mogen een wens doen. peter en zijn vrouw kijken elkaar aan en zeggen dan dat ze 1000 miljoen op de bank willen. gedaan zegt de geest en hij knipt met zijn vingers. nu wil ik jullie iets vragen zegt hij dan. ik heb al heel lang geen sexs gehad dus mag ik even met je vrouw..... peter en zijn vrouw zijn zo blij met hun geld dat ze het toestaan. Na de sexs vraagt de geest aan de vrouw: hoe oud is jouw man eigenlijk? zegt de vrouw: h! ij is 50. zo en hij gelooft nog steeds in geesten!!??

    01-09-2011 om 00:00 geschreven door Felix1  

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 0/5 - (0 Stemmen)
    » Reageer (0)
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Mevrouw Borst

    "Mevrouw Borst zit in de Tweede Kamer te vergaderen. Roept ze ineens heel hard: " ERECTIE " Zegt de voorzitter: " eh... mevrouw, u bedoelt zeker CORRECTIE." Helemaal niet schreeuwt ze, ik ben dat slappe gelul hier zat!

    01-09-2011 om 00:00 geschreven door Felix1  

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 0/5 - (0 Stemmen)
    » Reageer (0)


    T -->

    Blog tegen de regels? Meld het ons!
    Gratis blog op http://blog.seniorennet.be - SeniorenNet Blogs, eenvoudig, gratis en snel jouw eigen blog!