Een oud mannetje wordt door de psycholoog van het bejaardentehuis getest. "Weet U de verleden tijd van het werkwoord lopen?" vraagt hij. "Neuken." zegt de oude. "Dat is niet goed," zegt de psycholoog, "en van het werkwoord wachten?" "Neuken," zegt de oude baas ook nu weer. "Ik begrijp er niets van," zegt de psycholoog. "Legt U me dat eens uit." "Neuken is verleden tijd." antwoordt de oude droevig.
Op een liefdadigheidsbal danste de beroemde Bernard Shaw met een dame die zich bijzonder vereerd voelde met de uitnodiging. - Hoe lief van u, zei ze, om met zo'n onbeduidende dame te dansen! - Maar, mevrouw, antwoordde Shaw, wij zijn toch op een liefdadig- heidsbal!
1. Plak een Schop me , ik ben een pedofiel op de rug van het hoofd van de school. 2. Zorg ervoor dat 10 vrienden internet aandelen kopen en verkoop ze de volgende dag 3. Je gulp open zetten, iedereen zal je er vandaag op aanspreken, vertel ze dan dat je daar op 1 April niet intrapt
Guy Verhofstadt zit bij Jean-Luc Dehaene een pintje te pakken. Zegt Guy Verhofstadt : "Toen dat gij premier waart, draaide de regering toch beter. Hoe deed ge dat?" "Wel" zegt Dehaene "ge moet zien dat ge u omringt met slimme medewerkers." "Hoe kunt ge weten dat ze wel slim zijn?" vraagt Guy Verhofstadt. "Door een klein raadseltje" antwoord Dehaene en roept zijn vrouw en vraagt haar "Celie, uw vader en uw moeder hebben een kind. Het is niet je broer en ook niet je zus. Wie is het?" Zegt Celie "Dat is simpel, dat ben ik." Terug op zijn kabinet denkt Verhofstadt eventjes zijn ministers te testen en roept Steve tevaert bij zich en vraagt: "Kijk Steve, je vader en je moeder hebben een kind. Het is niet je broer ook niet je zus, wie is het?" De Steve fronst zijn wenkbrauwen en denkt diep na. "Ik weet het niet zo direct, ik kom straks even terug." Steve Stevaert gaat terug naar zijn bureel en komt onderweg Gerolf Annemans tegen. "Zeg Gerolf, ken jij het antwoord op dit raadseltje: "Uw vader en uw moeder hebben een kind. Het is niet je broer en ook niet je zus. Wie is het?" "Wel, dat is gemakkelijk" antwoordt Annemans "dat ben ik." De Steve bedankt hem en fier als een gieter gaat onze Steve Stevaert terug naar Guy Verhofstadt en zegt hem: "Ik weet het antwoord. Het is Gerolf Annemans" Waarop Guy Verhofstadt paars kleurt en brult: "Neen, jij idioot, het is Celie Dehaene!"
Premier Verhofstadt en minister Stevaert zitten bij de Belgische koning op een jiek diner. Verhofstadt sist zo tussen zijn tanden tegen zijn gebuur Stevaert: "Verdorie jong, moet je zien wat voor een prachtig gouden bestek ze hier hebben. Daar wil ik wel een lepel van mee naar huis nemen." En hij pakt een lepel en verstopt die stiekem in z'n binnenzak. Stevaert denkt: "Zooo één wil ich ook wel hebben." Hij pakt een lepel, maar tikt per ongeluk tegen z'n kopje aan ... "Oh, Stevaert wil wat zeggen!" zegt de koning. "Nou ..." zegt de verraste Stevaert, "ik vind het zooo fijn dat we hier met z'n allen zijn en ik vind het een goed idee dat de koning ons heeft uitgenodigd." En Stevaert gaat weer zitten, maar hij wil toch echt graag zo'n lepel hebben. Dus na vijf minuten probeert hij het nog een keer. Maar weer tikt hij - onhandig als hij is - met de lepel tegen het kopje. "Stevaert wil weer wat zeggen!!!" zegt koning Albert. "Nou ... eigenlijk wil ik een truc laten zien," zegt Stevaert. "Kijk, ik heb hier een gouden lepel, die stop ik in mijn binnenzak, en kijk ... ik haal hem er bij Verhofstadt weer uit ... "
Er zitten 2 piloten in de kockpit zegt die ene tegen die andere: ben jij 100% eerlijk? nou, ik denk het wel zegt die andere piloot. goed zegt die eerste, stel dat jij s�chtens wakker wordt met pijn in je keel en een condoom in je reet zou jij dat dan tegen je collegas zeggen? nou, nee zegt die gozer. mooi zegt die andere piloot, dan gaan wij samen op vakantie.
Julie kennen toch wel allemaal Dopey h�? Dat is die kale dwerg van in de tekenfilm Sneeuwwitje. Wel, Dopey ging naar de paus en vroeg aan de paus: "Paus, bestaan er dwergnonnetjes hier in Europa?" "Neen," antwoordt de paus, "die bestaan niet." En al die andere dwergen: "Wahahahahahaha!" Dopey: "Ok paus, maar in de hele wereld zal toch wel 1 dwergnonnetje zijn of niet?" Paus: "Neen, Dopey, in de hele wereld is geen dwergnonnetje." Andere dwergen: "Wahahahahahahahaha!" Dopey: "Maar dan in het hele heelal, aub, zeg mij dat er in het hele heelal 1 dwergnonnetje is!" Paus: "Neen, dwergnonnetjes bestaan niet!" Andere kabouters in koor: "Dopey heeft een pinguin geneu-eukt, Dopey heeft een pinguin geneu-eukt,...!"
Leterme is aan het joggen. Hij struikelt op een bruggetje en dondert in een beek. Nog voor de bewakingsagenten hem ter hulp kunnen snellen, wordt hij al uit het water gesleurd door drie kinderen die daar aan het vissen waren. Leterme is hen zo dankbaar, dat hij ze zegt dat ze mogen vragen wat ze willen. De eerste zegt:"Ik wil naar Euro-Disney." "Geen probleem jongen, ik zorg zelf voor de tickets op de TGV." De tweede zegt:"Ik wil nieuwe voetbalschoenen." "Komt in orde ik zal J. M. Pfaff ze persoonlijk laten handtekenen." De derde zegt:"Ik wil een elektrische rolstoel met TV, stereo-installatie en een blindengeleidehond hond." "Wablief? Maar jij ziet er toch niet gehandicapt uit?" "Jamaar, dat zal niet lang meer duren als mijn vader verneemt dat ik jou gered heb..."
Bill Gates is overleden, en komt Petrus tegen bij de hemelpoort. "Nou" zegt Gates "Ik mag natuurlijk wel naar de hemel, maar ik zou zo graag even willen kijken in de hel, kan dat?" Petrus vindt het goed, en zwaait de poort naar de hel open. B
Vader en moeder en alle broertjes en zusjes waren naar de komedie; alleen de kleine Anna en haar peetoom waren thuis. "Willen wij óók komedie spelen?" zei hij, "die kan dadelijk beginnen." "Maar we hebben geen toneel," zei de kleine Anna, "en wij hebben niemand om te spelen! Mijn oude pop kan niet, want zij is zo lelijk en mijn nieuwe mag haar mooie kleren niet kreukelen." "Je kan altijd toneelspelers krijgen, als je maar neemt wat je hebt," zei peetoom. "Nu zetten wij het toneel op. Hier zetten wij een boek, daar weer een en daar nog een, schuin achter elkaar. Nu drie aan de andere kant: dan hebben wij de coulissen! De oude doos die hier ligt kan voor achterdoek dienen, met de bodem naar buiten. Het toneel stelt een kamer voor, dat kan iedereen zien. Nu moeten wij toneelspelers hebben! Laten wij eens kijken wat er in de speelgoedla te vinden is. Eerst de toneelspelers, dan zetten wij een komedie in elkaar, Het een volgt uit het ander, het wordt prachtig! Hier ligt een pijpekop en hier een linker handschoen, die kunnen best vader en dochter zijn!" "Maar dat zijn er maar twee," zei de kleine Anna. "Hier ligt mijn broers oude vest! Kan dat geen komedie spelen?" "Het is er groot genoeg voor," zei peetoom. "Dat moet de minnaar zijn. Het heeft niets in zijn zakken, dat is al heel interessant, dat is al half ongelukkige liefde! -- En hier hebben wij de laars van de notenkraker meteen spoor eraan! Potz, Blitz, Mazurka! Hij kan stampen en zijn kop in de lucht steken. Hij moet de aanbidder voorstellen, die ongelegen komt, van wie het jonge meisje niets moet hebben. Wat voor soort komedie wil je nu hebben? Een treurspel of een familiestuk?" "Een familiestuk!" zei de kleine Anna; "daar houdt iedereen van. Ken je er een?" "Ik ken er honderden," zei peetoom. "De meest geliefde stukken zijn naar Frans model, maar die zijn niet erg netjes voor kleine meisjes. Wij kunnen intussen een van de netste nemen, van binnen lijken ze allemaal op elkaar. Nu schud ik de zak: hokus pokus! splinternieuw! Nu zijn ze splinternieuw! Hoor nu het programma." En peetoom nam een krant en deed alsof hij voorlas: "PIJPEKOP EN KNAPPE KOP" Familiestuk in één bedrijf. Personen: De heer Pijpekop, vader Mejuffrouw Handschoen, dochter De heer Vest, minnaar, en Van Laars, aanbidder van de dochter. En nu beginnen wij! Het scherm gaat op; wij hebben geen scherm, maar nu is het op. Alle spelers zijn op het toneel, dan hebben wij ze dadelijk bij elkaar. Nu spreek ik als vader Pijpekop. Hij is boos vandaag, je kan zien dat hij doorgerookt meerschuim is: "Snik, snak, snorre, basselorre! Ik ben de baas hier in mijn huis! Ik ben vader van mijn dochter! Zal je luisteren naar wat ik zeg! Van Laars is een persoon waarin je je spiegelen kan, saffiaan van boven en een spoor van onderen; snikke, snakke, snak! Hij zal mijn dochter hebben!" Let nu op het vest, Annetje," zei peetoom. "Nu praat het vest. Het heeft een omgeslagen kraag, het is heel bescheiden, maar het kent zijn eigen waarde en heeft recht om te zeggen wat het zegt: "Ik ben vlekkeloos! De kwaliteit moet je ook in aanmerking nemen. Ik ben van echte zijde en ik draag koorden." "Op de bruilofsdag, langer niet! Zij zijn niet wasecht!" Dat is de heer Pijpekop die spreekt. "Van Laars is waterdicht, hij heeft een harde en toch heel fijne huid, hij kan kraken, met zijn spoor rinkelen en ziet er Italiaans uit." "Maar zij moeten toch in verzen praten!" zei de kleine Anna, "dat is veel mooier." "Dat kunnen zij ook!" zei peetoom. "Men spreekt zoals het publiek beveelt! Kijk eens naar de kleine juffrouw Handschoen, hoe zij haar vingers uitstrekt: "Liever jaar na jaar, Een enkele handschoen maar, Dan dat! Ach, wat moet ik treuren! Ik voel, dat ik ga scheuren." "Och wat!" Dat was vader Pijpekop, nu spreekt de heer Vest: "O, geliefde handschoen, Al'was je uit fatsoen, De mijne zal je worden! Ik doe, wat ik kan doen." Van Laars valt uit, stampt op de grond, rinkelt met zijn spoor, en gooit drie coulissen om." "Het is prachtig!" zei de kleine Anna. "Stil, stil!" zei peetoom; "stille bijval bewijst dat je tot het beschaafd publiek in de stalles hoort. Nu zingt juffrouw Handschoen haar grote aria: "Ik kan niet meer praten, ik kan niet meer staan Dus moet ik kraaiend verder gaan, Kukelend, zoals de haan!" Nu komt het spannende ogenblik, Annetje! Dat is het gewichtigste ogenblik in de hele komedie. Kijk, de heer Vest knoopt zich los, hij slingert je zijn verzen toe, opdat je zult applaudisseren; doe dat niet, het is veel voornamer. Hoor eens hoe de zijde kraakt: "Wij zijn nu het hoogtepunt genaderd! Pas op, nu komt de intrige! U bent Pijpekop, ik ben de knappe kop — wip, nu ben je weg!" "Zag je dat, Annetje?" zei peetoom. "Dat is een uitstekende scène en voortreffelijk spel: de heer Vest pakte de oude Pijpekop beet en stak hem in zijn zak; daar ligt hij en het vest zegt: "U bent in mijn zak, in het diepst van mijn zak! Nooit komt u er weer uit vóór u belooft mij en uw dochter te verenigen, Handschoen aan de linkerkant; ik steek de rechter uit!" "Het is verschrikkelijk mooi!" zei de kleine Anna. "En nu antwoordt de oude Pijpekop: "Ik word toch zo raar! Hoe speelde hij het klaar. Mijn humeur loopt gevaar. Had ik nu mijn mondstuk maar! In geen dag of jaar, Voelde ik mij zo naar. Och, haal toch mijn hoofd Uit je zak gezwind, Dan ben je verloofd Met mijn dochter en kind!" "Is de komedie nu al uit?" vroeg de kleine Anna. "Lieve hemel!" zei peetoom, "die is alleen maar uit voor de heer Van Laars. De beide geliefden knielen, de ene zingt: "Vader!" de andere: "Hier is uw hoofd, ziedaar, Zegen nu het jonge paar!" Zij krijgen de zegen, vieren bruiloft en de meubelen zingen in koor: "Knik, knak, Mooi was dat, Nu is het stuk gedaan." "En nu applaudisseren wij," zei peetoom, "we roepen ze allemaal terug, ook de meubelen. Die zijn van mahoniehout!" "Is onze komedie nu net zo goed als die de anderen hebben in de echte schouwburg?" "Onze komedie is veel beter!" zei peetoom: "zij is korter, wij hebben niets behoeven te betalen en de tijd is omgevlogen; nu gaan wij theedrinken."
Er komt een stel bij de dokter. dokter: "Wat is er aan de hand?" De piemel gliet er altijd uit daar weet ik wel wat op. In het kutje plaatsen we een ijzer plaatje en in de piemel een magneet." Een week later komt de vrouw binnen. "Ik heb last van mijn rug." "Jaja maar hoe is het met de sexs?" "Goed, maar mijn man zit in de gevangenis." "Waarom?" "In het zwembad zat een meisje met een beugel."
Twee ambtenaren uit verschillende dorpen scheppen op over hun gemeenten. "Bij ons in het dorp draagt de burgemeester een echte ketting om zijn hals," zegt de een. "Nou en?" zegt de ander, "bij ons mag hij vrij rondlopen."
zitten 2 luisjes op een kut. Vraagt de een aan de ander:�� gaan ze hier verbouwen ofzo? ��Hoezo? zegt de ene luis. ��Nou, ze komen aldoor met een rol plastic naar binnen.
Er was eens een nederlander een belg en een fransman. Ze moesten allemaal een doodstraf, en ze konden kiezen uit de electrice stoel en als die het 2 keer niet deed dan was je vrij en je kon kiezen uit door door je kop geschoten te worden en opgehangen. Eers koos de nederlander en zei toen nou ik kies wel de elictrice stoel en 2 keer explosie en de nederlander was dus vrij. Toen koos de fransman en die koos ook de electyrice stoel en 2 x explosie en de fransman was vrij. En als laatst ging de belg en zei: nou zeg, laat mij maar opgehangen worden want die stoel doet het toch niet.
Boer janssen woont naast een afgelegen klooster waar alleen maar chagrijnige nonnen rond lopen. Elke dag als ze langs de akkers van boer Janssen fietsen, ergert hij zich aan hun mokkende koppen. Jaar in, jaar uit is dit zo gegaan. Tot op een dag boer Janssen staat te oogsten en de nonnen opgewekt langsfietsen. Dit verbaast boer Janssen zo, dat hij naar de abt van het klooster gaat om te vragen waarom ze vandaag na al die jaren in een keer vrolijk zijn. De abt verteld ;De zadels waren kapot, maar wees gerust, morgen gaan ze er weer op.
Bill Gates komt een keertje in Amsterdam. Uiteraard bezoekt hij de hoertjes. Op een gegeven moment kleed hij zich dus uit, maar op het moment dat hij zn onderbroek laat zakken begint de hoer ineens ontzettend hard te lachen. Dit gaat zo een tijdje door en als ze eindelijk uitgelachen is vraagt Bill Gates: "Waarom moest je nou zo lachen?" Antwoordt de hoer: "Nou, nu weet ik eindelijk waarom je bedrijf Microsoft heet!"
Op school vraagt de juffrouw wie van de kinderen er n mooi gezegde of rijmpje kan opzeggen. Jantje steekt zijn vinger op en mag het zeggen: "Eigen haard is goud waard." "Heel goed," zegt de juf. Marietje weet er ook 1: "Zoals het klokje thuis tikt, tikt het nergens." "Prima Marietje." Dan steekt Moos zijn hand op: "Juf ik weet een rijmpie: Mijn zuster Ruth,stond in de put,en het water reikte tot haar knieen." "Maar Moos," zegt juf, "dat laatste rijmt toch niet?" Zegt Moos: "Ken ik er wat aan doen dat het water niet hoger stond?"
Jip en Janneke zitten samen in bad. Moeder komt binnen.....
Mam?? vraagt Jip. Ja zegt moeder. Wat is dingetje bij Janneke?? Dat is Jannekes '' koekentrommeltje,, zegt moeder. En wat is dat dingetje dan bij Jip?? vraagt Janneke aan moeder. Dat is Jips ''11e vinger,, zegt moeder.
Moeder zegt: kom jullie over 4 minuten helpen met afdrogen!
4 minuten later........
Moeder: waarom lachen jullie?? Janneke: Jip heeft met z'n ''11e vinger,, in mijn ''koekentrommeltje gezeten,,!!!!
Klik hier om een reactie te geven Blinde buurman
Er zit een naakte wijf in bad, wordt erop eens aangebeld. Ze stapt uit bad, nog naakt. En kijkt door de brievenbusgleuf, en ze ziet dat het de blinde buurman is. Dan zegt ze heey buurman wat is er,, je mag wel binnen komen. Dan zegt de buurman vrolijk ik heb goed nieuws: Ik kan weer kijken!!!!
Er was eens een jonge vrouw uit Epe, die had het voltooid deelwoord niet goed begrepen. Na de daad met haar mond vol zaad, vroeg ze: Heb ik nu gepijpt of gepepen?
Onze Microsoft Die op onze Hardware zijdt Geheiligd zijn uw Windows Uw update kome Uw bugfix geschiede in Windows Als ook in Office Geef ons heden dagelijks reboot en vergeef ons onze ilegale kopien Zoals ook wij vergeven onze hardware verkopen En lijd ons niet naar IBM maar verlos ons van OS/2 en de Windows en NT Tot in eeuwigheid
Op school vraagt de juffrouw wie van de kinderen er een mooi gezegde of rijmpje kan opzeggen. Jantje steekt zijn vinger op en mag het zeggen: "Eigen haard is goud waard." "Dat is goed," zegt de juf. Marietje weet er ook één: "Zoals het klokje thuis tikt, tikt het nergens." Ook dat is goed. Dan steekt Moos zijn hand op: "Juf, ik weet een rijmpje: Mijn zuster Ruth stond in de put en het water reikte tot haar knieën." "Maar Moos," zegt juf, "dat laatste rijmt toch niet?" Zegt Moos: "Kan ik er wat aan doen dat het water niet hoger stond?"
De bureauchef komt onverwachts het kantoor binnen en stelt vast, dat ambtenaar Jansen zit te fluiten. "Dat gaat toch echt niet, meneer Jansen, U kunt niet fluiten en werken tegelijk!" Meneer Jansen: "Maar ik fluit alleen maar!"
Een man gaat naar het kantoor van een krant om een conactadvertentie te plaatsen. Hij geeft de vrouw achter de balie een papiertje met de tekst die hij in de krant wil hebben en ze leest het voor de zekerheid nog even voor: "Man, 35, goede baan, i.b.v. auto, zoekt spontane vrouw met gevoel voor humor etc, etc...." Als ze klaar is met lezen, vraagt ze:nl "Moet ie er vanavond nog in?" "Nou, als dat zou kunnen" zegt de man, "maar, zet dat er maar niet bij..."
"Mevrouw Borst zit in de Tweede Kamer te vergaderen. Roept ze ineens heel hard: " ERECTIE " Zegt de voorzitter: " eh... mevrouw, u bedoelt zeker CORRECTIE." Helemaal niet schreeuwt ze, ik ben dat slappe gelul hier zat!
Een man komt thuis met een bos bloemen voor zijn vrouw,zegt zijn vrouw;zo nu moet ik zeker met mijn benen omhoog en wijd? Zegt hij;waarom? heb je geen vaas dan?
Na bijna een halve eeuw getrouwd te zijn, sterft de man, niet lang daarna komt ook zijn vrouw in de hemel. Zij ziet haar man, vliegt hem in de armen en roept: 'Liefste, wat een geluk hier jou te vinden! De man kijkt verbijsterd op en zegt: 'Miljaarde! Nu niet beginnen zeveren hé! De afspraak was: Tot de dood ons scheidt!!!
Komt er een jager aan en die schiet er één vogel af. Hoeveel vogels zitten er daarna nog op het hekje? Geen één zegt jantje. Hoezo dat dan vraagt de lerares. Nou zegt jantje; Als je er een af schiet vliegen de andere drie weg. "Nee", zegt de lerares het antwoord is drie
maar de manier waarop je denkt vind ik leuk.
Nou zegt jantje dan heb ik ook nog een vraag. Er zitten drie vrouwen op een bankje.
De eerste likt aan een ijsje, de tweede bijt in een ijsje,
en de derde zuigt aan een ijsje. Wie van de drie is getrouwd? De lerares denkt diep na...
ik denk dat het degene is die aan het ijsje zuigt.
Nee, zegt jantje degene met de trouwring om haar vinger. Maar de manier waarop je denkt vind ik leuk.
Er zitten 2 piloten in de kockpit zegt die ene tegen die andere: ben jij 100% eerlijk? nou, ik denk het wel zegt die andere piloot. goed zegt die eerste, stel dat jij s�chtens wakker wordt met pijn in je keel en een condoom in je reet zou jij dat dan tegen je collegas zeggen? nou, nee zegt die gozer. mooi zegt die andere piloot, dan gaan wij samen op vakantie.
Er was eens een mus, en die had vier jongen, in een zwaluwnest. Toen ze net konden vliegen, haalden ondeugende jongens het nest uit, maar ze ontsnapten gelukkig in een windvlaag. Nu heeft de oude mus veel zorgen, omdat zijn kinderen nu in de wereld gekomen zijn, zonder dat hij hen eerst voor alle gevaren van deze wereld heeft gewaarschuwd, en hun wijze lessen heeft kunnen geven.
Nu komen er in de herfst altijd een heleboel mussen samen op een roggeveld, en daar vindt de oude mus zijn vier jongen terug. Hij haalt hen vol vreugde weer in zijn nest. "Ach mijn lieve jongens, wat heb ik daar in de zomer een angst uitgestaan, toen jullie zo zonder enige wijsheid in de windvlaag raakten; hoor nu naar mijn woorden, volg je vader na en weet vóór alles: kleine vogels staan bloot aan grote gevaren!" En nu vroeg hij aan de oudste, hoe hij zich de zomer door had gehouden en hoe hij aan voedsel was gekomen. "Ik ben in de tuinen gebleven, heb rupsjes en wurmpjes gezocht, tot de kersen rijp waren." "Ach jongen," zei de vader, "wat je snavel snapte is nog niet zo kwaad, maar er dreigt groot gevaar. Pas daarom voortaan heel goed op, en vooral als er mensen in de tuin lopen, die lange groene stangen dragen, holle stangen, waar bovenaan een gaatje zit." "Zeker vader, maar als er nu bovenaan een groen blaadje met was op het gaatje is geplakt?" zegt de zoon. "Waar heb je dat gezien?" vroeg de vader. "In de tuin van een koopman." "O, mijn zoon," spreekt de vader, "kooplui, slimme lui. Ben je bij die wereldse mensen geweest dan heb je ook genoeg wereldse manieren opgedaan; kijk maar rond, gebruik die wijsheid goed en wees steeds op je hoede."
Nu vroeg hij aan de tweede zoon: "Waar ben jij al die tijd geweest?" "Aan het hof," zegt de jongen. "Mussen en gewone vogels horen daar niet, waar veel goud is en fluweel en zijde, en wapenen en harnassen en sperwers en uilen en blauwvoeten zijn: hou jij je bij de paardestal, waar de haver geschud wordt en waar ze dorsen; dan kan het geluk je in alle vrede wel een dagelijks korreltje geven." "Jawel vader," zei deze zoon, "maar als dan de staljongen strikken maakt en allemaal mazen en slingers in het stro bindt, dan gaat er ook menigeen aan." "Waar heb je dat gezien?" zei de oude mus. "Aan het hof, bij de staljongens." "O mijn zoon, hofjongens, slechte jongens! Ben je aan ‘t hof geweest en bij de grote heren, en heb je daar geen veren moeten laten, dan ben je wel aardig geleerd geworden en zul je je in de wereld wel weten te gedragen, maar zie om en zie op: wolven eten ook wel de slimme hondjes."
Nu nam de vader de derde zoon bij zich: "Waar heb jij je geluk beproefd?" "Op de rijwegen en de landwegen heb ik mijn hengel uitgeworpen en er soms een korreltje tarwe of gerst gevonden." "Dit is," sprak de vader, "een opmerkelijk voedsel, maar pas op de hellingen en kijk altijd weer op, vooral wanneer iemand zich bukt om een steen op te rapen, blijf daar dan geen ogenblik meer." "Dat is waar," zei de zoon, "maar als die man al een steen in zijn hand of in zijn zak draagt?" "Waar heb je dat gezien?" "Bij de mijnwerkers, vader, als die lopen, hebben ze meestal stenen bij zich." "Mijnwerkers, harde werkers, vindingrijke mensen! Ben je bij de mijnwerkers geweest, dan heb je wat gezien en ervaring opgedaan.
Ga heen, maar neem je voor ‘t mijnvolk in acht: Met zwarte kunst hebben ze menig mus omgebracht!"
Tenslotte kwam de vader bij de jongste zoon. "Wel mijn lief nestkuiken, jij bent altijd de domste en de zwakste geweest; blijf jij maar bij me, de wereld kent zoveel grove, boze vogels, vogels met kromme snavels en lange klauwen, en die alleen maar op kleine vogeltjes loeren om ze te verslinden, blijf jij maar bij je soortgenoten en pak de spinnetjes en de rupsjes van de bomen en de huizen, dan blijf je gelukkig en tevreden." "Och vaderlief; wie zich voedt zonder anderen te schaden, die brengt het ver, en geen sperwer en geen havik, geen wouw en geen arend zullen hem schaden, als hij maar zichzelf en zijn eerlijk brood elke avond en elke morgen aan God toevertrouwt, want hij is de Schepper en Heer van alle bos- en dorpsvogels, en hij hoort ook het geschreeuw en gebed van de jonge raven, want buiten zijn wil valt geen musje en geen winterkoninkje op de aarde." "Waar heb je dat vandaan?" De zoon geeft ten antwoord: "Toen de grote stormvlaag mij van u wegrukte, kwam ik in een kerk terecht; de hele zomer pikte ik de vliegen en de spinnen van de vensters, en daar hoorde ik ook deze spreuken van de kansel; zo gaf mij de Vader van alle mussen de hele zomer door te eten en hij behoedde me voor alle ongeluk en roofvogels." "In trouwe, lieve zoon! Als jij naar de kerk gaat, en je helpt er spinnen en onnutte vliegen opruimen en je tjilpt tot God als de jonge raven, en je vertrouwt op de eeuwige Schepper, dan zal het je wel goed gaan, al zou de hele wereld vol lelijke wilde roofvogels zijn.
Want wie zich aan de Heer toevertrouwt, Zwijgt, lijdt, wacht, bidt, en heeft op Hem gebouwd, Bewaart zijn geloof en houdt ‘t geweten rein, Dan zal God voor hem een rots en een helper zijn."
Plots komt de mooiste vrouw die hij ooit gezien heeft de zaak binnen.
Hij denkt na hoe hij ze kan aanspreken,
en bestelt tenslotte een van de beste flessen champagne die het café te bieden heeft.
Hij hangt er een briefje aan met de vraag of zij deze fles met hem wil opdrinken,
en laat de fles door de ober aan de vrouw in kwestie bezorgen. Zij leest het briefje, glimlacht naar hem, schrijft een antwoord op het briefje,
en laat de ober dan het briefje terug aan de man bezorgen.
Op het briefje schreef zij : "Geachte heer, als ik deze fles met u moet drinken,
moet er zich in uw garage minstens een Mercedes bevinden,
op uw rekening minstens een miljoen staan, in uw broek moet 17 cm steken,
en een vakantiehuis op de Canarische eilanden zou ook welkom zijn."
De man leest dit wat grinnikend, en schrijft terug : "Geachte dame, in mijn garage bevinden zich een Porsche,
een Ferrari en een Mercedes, op al mijn 8 verschillende rekeningen staat telkens meer dan een miljoen, ik heb vakantiehuizen in Bali, in Rome, in Florida,
en ééntje in Oostenrijk. Maar nooit van mijn leven, zelfs niet voor de schoonste vrouw,
laat ik 6 cm verwijderen... Geeft u mij de fles maar gewoon terug.....
Een echtpaar was een dagje uit naar de dierentuin. Toen ze bij het apenhuis bij de grote gorilla kwamen, zei de man tegen zijn vrouw,"Open je blouse een beetje". Toen ze dat deed, kwam de gorilla dichter bij het raam.
Toen zei de man tegen zijn vrouw, "probeer nog een paar knoopjes lager".
Nadat ze dat deed, sloeg de gorilla zich op zijn borst. "Haal je ene borst uit je blouse", zei de man verder. Toen ze dat deed, werd de gorilla helemaal wild en sloeg steeds vaker en harder op zijn borst.
"Doe je rokje eens omhoog". "Kijken hoe hij reageert".
Nu werd de gorilla helemaal wild en oncontroleerbaar. Hij liep rond in zijn kooi en sloeg zijn kop tegen de ruiten. Toen zei de man tegen zijn vrouw : "Doe je slipje eens naar beneden". De vrouw keek eerst eens om zich heen voor ze verder ging met het spelletje. Nu kon de gorilla zich bijna niet meer inhouden en stond letterlijk op knappen.
De man opende de kooi daarna en duwde zijn vrouw naar de gorilla toe en gooide de deur dicht. De vrouw keek hem onbegrijpend aan, waarna hij uitriep : "En probeer die gorilla nu maar eens te vertellen dat je hoofdpijn hebt!!!"
Boer Jos en boerin Marie liggen op een avond rustig in hun bed te slapen, wanneer beiden plots worden gewekt door een enorme lichtbundel buiten op hun erf.
Boer Jos springt uit zijn bed, neemt zijn Winston tweeloop uit de kast, steekt er twee patronen in en loopt naar beneden. Boerin Marie loopt haar man achterna, om toch maar niet alleen te moeten achterblijven.
Beneden aangekomen, zien beiden dat er een vliegende schotel is geland. De schotel gaat open, en twee aliens stappen naar beneden. Ze beginnen onmiddellijk op hun buik te duwen en zeggen dan:"Gegroet, aardlingen. Wij komen van verre planeet, en wij willen sex met aardmensen!"
Jos en Marie kijken elkaar aan, wisselen hun blikken uit en besluiten uiteindelijk om het erop te wagen. Jos gaat met de vrouwelijke alien naar het salon, terwijl Marie met de mannelijke alien naar boven gaat.
Boven aangekomen kan Marie haar ogen niet geloven. Het ding van de alien is ocharme 2 cm lang en 5 mm dik. "Zeg, ", begint ze, "vindt ge da ni een klein beetje te klein?" "Te klein?", vraagt de alien. Hij begint onmiddellijk aan zijn linkeroor te draaien, en onmiddellijk groeit zijn lid tot de schamele 30 cm.
"Kan hij ook nog een beetje dikker?", vraagt ze vervolgens. "Natuurlijk", antwoordt de alien, en begint onmiddellijk aan zijn rechteroor te draaien. Om een lang verhaal kort te maken: Marie beleeft de nacht van haar leven.
Wanneer ze 's morgens beneden komt, ligt Jos met zijn handen in het haar, en zijn kin op de keukentafel.
"Wat is er aan de hand?", vraagt ze.
"Oh niks, da mens heeft den hele nacht aan mijn oren zitten draaien..."
D'r is eens een koning geweest. Maar wanneer die geregeerd heeft, en hoe die geheten heeft, dat weet ik niet meer. Een zoon heeft hij niet gehad; alleen maar een dochter, enig kind, en die was altijd ziek, en d'r was geen dokter die haar beter kon maken. En nu is die koning voorspeld, zijn dochter zou zich gezond kunnen eten – aan appelen. Toen liet hij over 't hele land bekend maken, dat wie er aan zijn dochter appelen bracht, waaraan ze zich gezond kon eten, die zou haar tot vrouw krijgen en later ook koning worden. Nou en dat hoorde een boer, en die had drie zoons. En nu zei hij tegen de oudste: "Ga jij rechtuit, neem een mand mee en vul die met de mooiste appelen – met rode wangen – en draag ze naar het hof; misschien kan de prinses zich daar gezond aan eten, en dan mag jij met haar trouwen en koning worden. Nu, dat heeft die jongen gedaan en hij ging op weg. En als hij een hele poos gelopen heeft, dan komt hij een klein, ijzig mannetje tegen, en die vraagt 'm wat er in die mand zat, en toen zei Ule – want zo heette hij –: "Kikkerdril," zegt-ie. En het mannetje zei: "Nu, dat zal het zijn en blijven," en hij ging verder. Tenslotte kwam Ule bij het paleis van de koning, en liet zich aanmelden en dat hij appels had, en die konden de prinses genezen, als ze daar maar van wou eten. Nu daar had de koning dan wel danig schik in, en hij liet Ule voor de troon komen, maar o wee! als hij het deksel van de mand neemt, dan is daar inplaats van appelen werkelijk kikkerdril. En toen werd de koning ontzettend kwaad, en liet hem z'n huis uitjagen! En als hij weg is dan vertelt de oudste hoe het met hem gegaan is. En toen zond de oude boer de tweede zoon, en die heette Sijmen, maar die had precies dezelfde ervaring als Ule. En hij is ook zo'n ijzig klein mannetje tegen gekomen, en die heeft ook gevraagd wat hij daar in de korf had, en Sijmen, die zei: "Varkensbout," en dat mannetje zei: "Nu, dat zal het zijn en blijven." En als hij dan bij het paleis gekomen is, en zei, dat hij appels heeft, zodat de prinses daar gezond van kon worden, dan hebben ze hem niet binnen willen laten en ze hebben gezegd, d'r was al zo iemand geweest en die hüd hen voor de gek gehouden. Maar Sijmen hield aan, en hij zei: hij had wel wis en drie appelen, en ze moesten hem maar binnenlaten. Eindelijk geloofden ze hem dan, en ze voerden hem naar de koning. Maar als het deksel van de mand gaat, dan is 't alleen maar varkensbout. En toen is de koning wel verschrikkelijk boos geworden, zodat hij Sijmen z'n paleis uit liet slaan met een zweep. En toen Sijmen thuis kwam, heeft hij ook weer verteld, hoe het hem gegaan is. En toen kwam 't jongste jong, en daar hebben ze altijd domme Hans tegen gezegd, en hij vroeg aan de vader, of hij nu met die appelen mocht gaan. "Nou," zei de oude, "daar zou jij pas een jongen voor zijn, wat zou jij dan wel willen doen!" Maar de jongen liet zich niet afschrikken en zei: "Ik wil, vader, ik wil ook gaan." "Ga toch weg, domme jongen, wacht jij maar eerst eens tot je wijzer bent geworden," zei de vader en draaide hem z'n rug toe. Maar Hans trok hem achter aan zijn kiel: "Ik wil, vader, ik wil ook gaan." "Nou, voor mijn part, ga jij maar, je zult wel weer terugkomen ook," gaf de oude boer nijdig ten antwoord. Maar die jongen was nu dolblij en hij sprong van plezier. "Ja, doe nu maar als een dwaas, je wordt elke dag dommer," zei de oude vader weer. Maar dat kon Hans niets schelen en hij liet zich in zijn vreugde niet storen. Maar omdat het nu juist nacht was, dacht hij, hij moest maar tot morgen wachten, want vandaag kwam hij toch niet meer aan 't hof. 's Nachts in bed kon hij geen oog dicht doen. En als hij even insluimerde, droomde hij van mooie jonkvrouwen, van paleizen, goud en zilver en al dat soort dingen, 's Morgens vroeg ging hij op weg, en vlak daarop ontmoette dat kleine ijzige mannetje hem en vroeg hem wat hij daar in z'n mand had. En Hans gaf meteen ten antwoord, dat het appelen waren en dat de prinses er zich gezond aan kon eten. "Nu," zei het mannetje, "dat zal het zijn en blijven." Maar aan 't hof hebben ze Hans beslist niet willen binnenlaten, want er waren er al twee geweest van dat slag, en ze hadden allebei gezegd dat ze appels kwamen brengen, en de één, die had kikkerdril en de ander varkensbout. Maar die Hans hield aldoor aan, hij had vast geen kikkerdril, maar de prachtigste appelen, die in 't hele koninkrijk groeiden. En toen hij zo fatsoenlijk gesproken had, toen dacht de poortwachter, hij kon niet liegen, en hij liet hem binnen, en ze hadden ook gelijk gehad, want, toen Hans z'n mand voor de koning openmaakte, toen lagen daar goudgele appelen in. Daar verheugde de koning zich over, en hij liet meteen z'n dochter halen en nu wacht hij af in angst en vreze, of er bericht gebracht wordt, of die appels hun werking hebben gedaan. Maar het duurt niet lang, of hij krijgt een bericht, en wat denk je wie dat kwam vertellen? De dochter zelf kwam het zeggen. Zodra ze van die vruchten gegeten had, is ze gezond en wel d'r bed uitgesprongen. Wat de koning blij was, dat kan ik niet beschrijven. Maar nu heeft hij de dochter aan Hans niet tot vrouw willen geven, en hij zei, Hans moest eerst een schip maken, dat nog beter voer over het droge land dan over het water. Nu, die voorwaarde nam Hans aan,,en hij ging naar huis en vertelde wat er met hem gebeurd was. De vader zond Ule naar 't bos, om een boot te maken. Hij werkte er hard aan, en floot erbij, 's Middags toen de zon op 't hoogst was, komt daar datzelfde ijzige mannetje en vraagt hem, wat of hij daar aan 't maken is. En Ule antwoordt hem: "een houten vaat." En dat ijzige mannetje zei: "Goed, dat zal dan zo zijn en zo blijven," 's Avonds dacht Ule dat hij een flink schip had gemaakt, maar toen ze er in wilden gaan zitten, toen was het allemaal hout. En de volgende dag ging Sijmen naar het bos, maar hem ging het net zo als Ule. De derde dag kwam de domme Hans. Hij gaat vlijtig aan 't werk, het hele bos weergalmt van z'n krachtige slagen, en hij zingt erbij en fluit heel vrolijk. En dan komt datzelfde mannetje weer 's middags, als 't net op 't heetst van de dag is, en hij vraagt wat hij aan 't maken is. "Een bootje, dat op 't droge land nog beter gaat dan in water en als hij klaar was dan zou de prinses z'n vrouw worden." "Nou," zei het ijzige mannetje, "dan moet het maar zo zijn en blijven." En 's avonds, als de zon haast onder is gegaan, dan is Hans ook klaar met z'n bootje en 't schip en alles. Hij gaat er in zitten en roeit naar de residentie. Maar dat bootje is zo snel gelopen als de wind. De koning heeft het uit de verte gezien; maar hij wou z'n dochter nog niet aan Hans geven, en hij droeg hem op; hij moest nog eerst honderd hazen hoeden van 's morgens vroeg tot 's avonds laat, en als er eentje wegraakte, dan kreeg hij z'n dochter niet. Hans is daar tevreden mee, en meteen de volgende dag gaat hij met z'n kudde naar de wei en past duchtig op, dat er geen één wegloopt. D'r zijn nog niet veel uren verlopen of daar komt de meid van 't slot en zegt tegen Hans, vlug een haas, hij moet haar meteen een haas meegeven, want ze hebben visite gekregen. Maar Hans had meteen begrepen waar de schoen wrong en hij zegt, d'r was er geen, en de koning moest z'n visite maar morgen hazepeper geven. Maar de meid bleef maar aanhouden en tenslotte begon ze er nog over te kibbelen. Toen zei Hans: als de prinses zelf kwam, dan wilde hij wel een haas geven. Dat heeft de meid in 't paleis gezegd en de prinses is er dan ook zelf op afgegaan. Maar intussen is datzelfde mannetje weer bij Hans gekomen en hij vraagt Hans wat of hij doet. "Jawel, hij moest dan honderd hazen hoeden, zodat hem er geen eentje wegliep, en dan mocht hij de prinses trouwen en zou koning zijn." "Goed," zei het mannetje, "daar heb je een fluitje, en als er eentje wegloopt, fluit dan maar, dan komt hij terug." En toen de prinses weer wegging, gaf Hans haar toch de haas in haar schortje mee. Maar toen ze een honderd pas weg was, toen floot Hans, en de haas sprong weg uit haar schortje en hisch, hasch, was hij weer bij de kudde. En toen 't avond was geworden, toen floot de hazenherder nog eens en kijkt, of ze er allemaal zijn, en drijft ze naar 't paleis. De koning was wel heel verbaasd, dat Hans in staat bleek om honderd hazen te hoeden en dat er geeneen van weggelopen is. Maar toch wil hij hem zijn dochter nog niet geven, en hij zegt, hij moest hem nu nog veren brengen uit de staart van de vogel Grijp. Meteen gaat Hans op weg en loopt rechttoe rechtaan, 's Avonds komt hij bij een slot, en daar vroeg hij om onderdak voor de nacht, want verder waren daar geen herbergen in de buurt, maar de slotheer staat 't hem met vreugde toe en vraagt hem waar hij naar toe moet. Hans antwoordt: "Naar de vogel Grijp." "Zo, naar de vogel Grijp; maar men zegt dat die altijd alles weet, en ik heb de sleutel van mijn ijzeren geldkist verloren; je kon hem best eens vragen – als je zo goed wilt zijn – waar die gebleven is." "Zeker," zei Hans, "dat zal ik doen." Maar 's morgens is hij weggegaan en onderweg komt hij weer langs een slot, en daar overnacht hij ook weer. En als de mensen gehoord hebben, dat hij naar de vogel Grijp moet, dan vertellen ze hem, er is daar in huis een dochter, en die is ziek, en ze hebben al alle middelen gebruikt, maar er is geen dat helpt, en of hij zo goed wil zijn en dat aan de vogel Grijp vragen: wat die dochter weer gezond zou kunnen maken. Hans zei, dat wou hij graag doen, en hij reist weer verder. Nu komt hij bij een groot water, en inplaats van een veer was er een man, en die moet iedereen over 't water heen dragen. De man heeft aan Hans gevraagd waar de reis wel heen ging. "Naar de vogel Grijp," zei Hans. "Nu als je bij hem komt," zegt dan de man, "vraagt hem dan eens waarom ik iedereen over het water moet brengen." Toen zegt Hans: "Wel zeker, dat zal ik doen." En de man heeft 'm op z'n schouders genomen en overgedragen. Eindelijk komt Hans dan bij het huis van de vogel Grijp, maar daar is alleen de vrouw thuis, en de vogel Grijp zelf niet. Nu vraagt 'm de vrouw, wat hij wil. Toen vertelde Hans haar alles; dat hij veren halen moest uit de staart van vogel Grijp, en dan hebben ze in het slot de sleutel verloren van de geldkist, en hij moest de vogel Grijp vragen, waar die sleutel was, en dan was er in een ander slot een dochter ziek, en hij moest weten wat die dochter weer beter kon maken en dan was er niet ver hier vandaan een water, en 'n man daarbij, die de mensen erover heen moest dragen. Toen zei de vrouw: "Ja, hoor nu eens, mijn goede vriend, geen Christenmens kan praten met de vogel Grijp, want hij eet ze allemaal op, maar als hij weer naar huis komt, ga dan onder 't bed liggen en 's nachts, als hij heel vast slaapt, dan kun je naar boven komen en 'm veren uit z'n staart trekken, en wat die dingen betreft, die je moet weten, die zal ik 'm zelf wel vragen." Hans is daar allemaal best mee tevreden en kroop onder 't bed. 's Avonds komt de vogel Grijp thuis en terwijl hij de kamer inkomt zegt hij: "Vrouw, 't riekt hier naar Christenvlees." "Ja," zegt de vrouw, "d'r is er vandaag eentje geweest, maar hij is weer weg," en dan zei de vogel Grijp niets meer. Middenin de nacht, toen de vogel Grijp vreselijk aan het snurken was, kruipt Hans naar boven en rukt 'm een veer uit zijn staart. Meteen schreeuwt de vogel Grijp het uit en zegt: "Vrouw, 't ruikt naar Christenvlees, en dan, ik heb me aan m'n staart bezeerd." Nu zegt de vrouw: "Je hebt zeker gedroomd, en ik heb je vandaag immers al gezegd, dat er hier een Christenmens geweest is, maar hij is weer vort. En die heeft me van allerlei verteld. Ze hebben in een slot de sleutel van de geldkist verloren en kunnen 'm nergens vinden. "O die dwazen," zegt de vogel Grijp, "de sleutel is in de houtschuur achter de deur onder de stapel." "En dan heeft hij ook nog verteld, in 't slot is er een dochter ziek, en ze weten geen middel om haar weer beter te maken." "O die dwazen," zegt de vogel Grijp, "onder de keldertrap heeft een pad een nest gemaakt van haar haar, en als ze dit haar weer terug heeft, is ze weer gezond als 'n vis." "En dan heeft hij nog verteld, ergens in de buurt is een water en een man staat erin, en die moet iedereen over 't water dragen." "O, die dwaas!" zegt de vogel Grijp, "als hij er nou maar eens een midden in 't water liet vallen, dan hoefde hij er geen een meer over te dragen." 's Morgens vroeg is de vogel Grijp opgestaan en 't huis uitgegaan. Toen kwam Hans van onder 't bed te voorschijn, en hij had prachtige veren; en hij had goed gehoord, wat de vogel Grijp gezegd had van de sleutel en de dochter en de man. Maar de vrouw van de vogel Grijp heeft 'm alles nog eens precies verteld – zodat hij 't niet vergeten zou – en toen is hij weer naar huis gegaan. Eerst kwam hij bij de man in het water, en die vroeg hem meteen wat of de vogel Grijp gezegd had; en toen zei Hans, hij moest hem eerst eens over zetten, en dan zou hij het zeggen. En de man draagt hem van de ene kant naar de andere. Als hij daar goed en wel staat, dan zegt Hans tegen hem, hij moest nu maar eerst eens iemand op zijn plaats midden in het water zetten, dan hoefde hij niemand meer over te dragen. Toen heeft die man 'm hartelijk bedankt, en hij wou hem tot dank nog eens heen en terug overzetten. Toen zei Hans nee, hij wou 'm die moeite besparen, en hij was juist best over hem tevreden, en toen liep hij verder. En toen kwam hij bij het slot, waar die dochter zo ziek was, en hij nam haar op z'n schouder, want lopen kon ze niet meer – en hij liep de keldertrap af met haar en hij haalde het paddennest van onder de onderste tree te voorschijn en hij gaf het de dochter in haar hand, en meteen sprong ze van zijn schouder en vóór hem de keldertrap weer omhoog en ze was meteen weer helemaal beter. Nu hadden haar vader en haar moeder daar heel veel plezier van en ze gaven Hans allemaal moois van goud en van zilver, en wat hij maar hebben wou, dat wilden ze hem geven. En toen Hans bij het volgende slot is aangeland, is hij meteen naar de houtschuur gegaan en achter de deur onder de houtstapel heeft hij de sleutel inderdaad gevonden en die naar de slotheer gebracht. Nu die was ook niet weinig verheugd, en hij heeft Hans tot beloning een heleboel van het goud gegeven, dat in de kist lag, en ook nog andere dingen, koeien en schapen en geiten. En toen Hans met dat alles bij de koning kwam, met geld en met goud en met zilver en met koeien en met schapen en met geiten, toen vroeg de koning hem, waar hij dat allemaal vandaan had. Toen zei Hans: de vogel Grijp gaf je, zoveel je hebben wou. Nu, denkt de koning, dat kon hij ook best gebruiken en hij ging op weg naar de vogel Grijp, maar toen hij bij het water gekomen is, toen was hij juist de eerste, die na Hans daar was aangekomen; en de man zette hem midden in het water en ging weg; en de koning verdronk. Maar Hans is toen met de prinses getrouwd en koning geworden.