Een man en een vrouw hadden samen een kind gekregen, maar na twee jaar had het kind nog geen woord gezegd. Maar na twee jaar zei het kind opeens: "Opa, opa!", dus die ouders ontzettend blij dat het kind eindelijk z'n eerste woordje had gezegd. Maar de volgende dag belt oma op dat opa overleden is. Na twee weken zegt het kind opeens z'n tweede woordje: "Oma, oma!". Maar de volgende dag belt de dokter op dat oma dood is. Dus die ouders vinden het toch wel raar dat het alweer na het woordje van hun kind gebeurd. Na twee weken zegt het kind: "Papa, papa", dus die papa helemaal overstuur, komt pas heel laat in slaap, omdat ie bang is de volgende ochtend dood te gaan. Maar hij word toch gewoon weer wakker en begint rustig aan z'n ontbijtje, niks aan de hand. Dus hij gaat de hond uitlaten ligt de melkboer daar dood op de stoep!
Een eekhoorn, een haas en een schildpad zitten met z'n drieen in een cafe. Ze vervelen zich te pletter. Uiteindelijk zegt de schildpad:,, Zal ik mijn kaarten thuis gaan halen?'' De eekhoorn en de haas vinden het best, dan hebben ze in elk geval wat te doen. De schildpad gaat op weg. Maar tegen sluitingstijd is de schildpad nog niet terug! De eekhoorn vraagt aan de haas:,,Zullen we maar wat gaan drinken?'' Horen ze een boze stem bij de deur:,,Als jullie dat doen ga ik mijn kaarten NIET halen!'
De grootste stakingen uit de Belgische geschiedenis
De grootste stakingen uit de Belgische geschiedenis
De algemene staking van maandag staat in het teken van het protest tegen de besparingsmaatregelen van de regering. Vooral de pensioenmaatregelen zijn fel omstreden. Bij eerdere nationale stakingen waren de motieven soms heel anders. Een beknopt overzicht van de meest ophefmakende stakingen sinds het ontstaan van België.
18 maart 1886: Een herdenking van de Parijse Commune in Luik groeit uit tot de eerste algemene staking in België. De regering reageert met strenge repressie, en verscheidene stakers worden gedood. Toch boekt de arbeidersbeweging een eerste succes: de stakingsgolf leidt tot de invoering van een beperkte sociale wetgeving
12 april 1893: Het parlement wijst het algemeen stemrecht af, waarop de Belgisch Werkliedenpartij (BWP) het land platlegt. Honderdduizenden mensen nemen deel, en opnieuw vallen doden. Een week later wordt bij wijze van compromis het algemeen meervoudig stemrecht ingevoerd, waarmee de staking tot een eind komt.
14 april 1902: De BWP maakt opnieuw een punt van de invoering van het enkelvoudig algemeen stemrecht. Op de eerste dag van de staking leggen 300.000 mensen het werk neer. Maar opnieuw vallen doden, en de BWP beëindigt zonder succes de actie op 20 april. Ook in april 1913 wordt nogmaals met dezelfde eis gestaakt, maar het is pas in 1919, na de oorlog, dat het enkelvoudig stemrecht wordt ingevoerd.
2 juni 1936: Antwerpese havenarbeiders eisen de invoering van een minimumloon en het recht op betaalde vakantie. De volgende weken breidt de staking uit, tot in heel het land meer dan een half miljoen werknemers deelnemen. Op 24 juni stemt premier Paul van Zeeland in met een minimumloon van 32 frank per dag, en zes dagen betaalde vakantie per jaar.
1950: De koningskwestie legt het land meermaals lam. Dat begint al in maart. maar in juli ontspoort de situatie na de terugkeer van koning Leopold III. Een half miljoen mensen staakt, en op 30 juni worden in Grâce-Berleur vier mensen doodgeschoten door de politie. Pas als koning Boudewijn aantreedt, keert de rust terug.
Juli 1955: het ACV eist een vijfdaagse werkweek. Vanaf 9 juli weigert een deel van de werknemers nog op zaterdag te werken. Een principeakkoord maakt een einde aan de acties, maar toch duurt het nog tien jaar voordat de eis wordt ingewilligd.
December 1960: De eenheidswet van november zet kwaad bloed. zowel de openbare diensten als de privésector pikt de plannen voor economische expansie, sociale vooruitgang en financieel herstel van premier Gaston Eyskens niet. Hoewel de grootste vakbond, het ACV, niet deelnam aan de stakingen, leggen uiteindelijk naar schatting 1 miljoen mensen het werk neer. In januari 1961 wordt de wet toch goedgekeurd.
8 februari 1982: De besparingsplannen van de regering Martens krijgen vooral in Wallonië tegenkanting. Na de devaluatie van de frank, twee weken later, blijft het nog enige tijd onrustig.
November-December 1982: Twee stakingen richten zich tegen de werkgevers, die in ruil voor 80.000 nieuwe banen een looninlevering eisen.
September 1983: Het spoorwegpersoneel in Charleroi trekt een stakingsgolf op gang, uit protest tegen de begroting die voor 1984 was opgesteld. Daarin werden openbare diensten fel geviseerd. Tot een echte algemene staking komt het net niet, nadat de vakbondstop en de regering in extremis een akkoord bereiken
Mei 1986: De besparingsplannen van de regering Martens zetten het overheidspersoneel toe aan meermaals het werk neer te leggen. Op 31 mei komt het tot een algemene staking, waarbij 250.000 mensen op straat komen bij de ABVV-betoging in Brussel.
15 november 1993: Om de Europese begrotingsnormen te halen moet België hard saneren. Een loonstop en een aanpassing van de index vallen voor de bonden niet te verteren. Een eerste staking wordt breed opgevolgd. Er komen nieuwe onderhandelingen, maar die leveren weinig op. Op 26 november komt het tot een tweede staking. Maar door onenigheid tussen de vakbonden draait een derde actiedag op een fiasco uit. Eind december keurt het parlement de licht aangepaste plannen van de regering Dehaene goed.
28 oktober 2005: Het Generatiepact van de regering Verhofstadt wil komaf maken met de uitwassing van de brugpensioenregeling. Drie weken nadat het ABVV al alleen actie voerde, besluit ook het gemeenschappelijk vakbondsfront het werk neer te leggen. Maar dat mag niet baten: het Generatiepact is bijna ongewijzigd goedgekeurd in december.
22 december 2011: Een plotse wijziging in het pensioenstelsel doet de bonden in de publieke sector tot actie overgaan. Vooral bij het openbaar vervoer is de actie goed merkbaar. Er wordt al vrij snel gesproken over een algemene staking op 30 januari.
Twee mannen zitten in een café. Haalt opeens één van hen een heel klein pianootje, een fret en een muis te voorschijn. De muis zet zich achter de piano en begint te spelen, de fret zet een prachtig lied in. De andere man valt bijna van zijn stoel van verbazing. "Maar... maar... dit is GEWELDIG! Hier kun je heel veel geld mee verdienen, waarom ga je er niet mee naar een televisiestudio?" "Heb ik al gedaan," antwoordt de andere man, "maar ze vonden het niet wat. Tja weet je, die fret zingt ook niet echt... de muis is een buikspreker!"
De zoon van een man is 16 geworden. Hij krijgt van zijn vader 50 gulden om naar hoeren te gaan. Onderweg komt hij zijn zus tegen; 'Broertje, wat ben je van plan te doen¿' Zegt de broer; 'ik heb 50 gulden van vader gekregen om naar hoertjes te gaan'. Geef maar die 50 piek aan mij, dan kan je met mij neuken. Dat is ook goed,zegt de broer. Na neuken zegt zus "jij bent beter dan vader". Zegt de broer: 'Dat zegt moeder ook na neuken'
Een dokter ontvangt een patient die een wat vreemde hoge stem heeft. En deze vertelt over zijn klacht: “Kunt u misschien iets doen aan mijn rare hoge stem?” “Geen idee,” zegt de dokter, “dat moeten we even onderzoeken. Kleedt u zich even uit.” De als een muis pratende man trekt zijn broek uit en direct roept de dokter al: “Ja geen wonder, zie dat eens... u bent geschapen als een olifant. Dat geval trekt aan zwaar aan uw middenrif en daar krijg u een hele hoge stem van!” De begrijpt het probleem en vraagt: “Is er nog wel iets aan te doen?” De dokter knikt en zegt “ik moet u helaas wel opereren. Er moet gewoon een stuk tussenuit.” “Ja het is niet anders,” antwoord de man, “jammer want ik heb met dit ding wel succes bij de dames... maar alleen zolang ik mijn mond dicht houd!". De dokter opereert de man een paar dagen later en haalt er een aanzienlijk stuk tussenuit. Twee maanden is de man weer terug bij de dokter. Met mooie donkere zware stem zegt hij: “Ik heb nu een mooie stem, maar ik had eerder toch meer succes bij de vrouwtjes. Ik wil graag dat stuk er weer terug in laten zetten. Kan dat??” De dokter antwoord snel; “Nee nee dat gaat niet lukken, het stuk heb ik weggegooid!”... met een hele hoge stem!
Een man komt bij de pastoor om te biechten. "Vergeef me vader ik heb gezondigd.....Ik heb gisteren mijn vrouw genomen." Pastoor: "Was dat tegen haar zin dan?" "Nee hoor! Maar wel op zijn hondjes." "O ja, en dat was tegen haar zin?" "Nou nee, maar ze zat net met haar hoofd in het vriesvak." "Oeh koud! En dat was zeker tegen haar zin?...." "Nee, ook niet...." "Ja! Wat zeurt u dan!!??? U hebt dus helemaal niet gezondigd....Jullie komen de hemel heus wel in!!!" "Gelukkig maar ...pffff.....maar de Albert Heijn komen we vast nooit meer in!"
Jantje heeft een broertje gekregen en vraagt aan zijn vader: "Pap, waar komen baby's vandaan?" Nou zegt zijn vader , die komen van de ooievaar. "jah lekker is dat!!" zegt jantje "de wereld vol mooie wijfen .. en jij moet net weer neuken met een ooievaar?"
Een Belg huurt een kano en peddelt het water op. Midden op de plas kiept zijn kano om. De kano komt niet meer overeind. De man komt niet meer boven. Enkele omstanders springen in het water en halen de bewusteloze Belg naar de kant. Ze beginnen te beademen en te reanimeren. De politie komt erbij. Ze kijken in zijn binnenzak. Daar zitten een Belgisch paspoort en drie zwemdiploma's in. Als de Belg bijkomt, vraagt een agent: "Kon je jezelf nou niet redden? Je hebt verdorie drie zwemdiploma's!" "Aw?l," zegt de Belg, "maar ik wist niet dat die hier ook geldig waren."
Een prinses komt een kikker in het bos tegen. Vraagt de prinses; als ik jou nou een kus geef, verander jij dan in een prins? Welnee, zegt de kikker, dat is mijn broer. Mij moet je eerst pijpen!
Er komt een vrouw bij de dokter en zegt: "Ik heb een man streep bij mijn poes". Zegt de dokter: "Doe je broek en je slipje maar even uit". De vrouw kleedt zich uit en de dokter bekijkt het. Zegt de dokter ineens: "Mag ik u wat vragen"? "Ja" zegt de vrouw. "Wat voor beroep heeft u man eigenlijk"? Waarop de vrouw antwoordt: "Bouwvakker". "Nou", zegt de dokter "Als jij je nu eens weer beft, laat hem dan zijn potlood achter zijn oor vandaan halen".
Een man rijdt in zijn Ferrari over een landelijk weggetje
en ziet plots een klein gezellig cafeetje,
met enkele Mercedessen, Porsche's, BMW's en Ferrari's voor de deur.
Gezellig denkt de man en wipt even binnen.
Hij stapt binnen en tot zijn grote verbazing merkt hij dat er geen
mens te zien is in het cafe.
Hij bestelt een whisky en vraagt aan de bloedmooie cafebazin
waar al de mensen van die mooie wagens daarbuiten zijn.
Oh zegt ze, die zijn allemaal van mijn zoon.
De man bekijkt de dame eens goed en vraagt zich af
Hoe dat mogelijk is en hoe zo'n jong ding met deze auto's kan rijden.
Hoe kan dat vraagt de man. Waarop de waardin antwoord,
mijn zoon wint deze auto's met een weddenschap.
Ondertussen komt het bazeken van amper 7 jaar binnengesloft.
Denkt de man : "dit is de moment" "Awel baaske, met U zou ik ook wel eens willen wedden voor zo'n mooie auto." "OK", zegt de kleine, "maar al wat ik doe moet jij exact kunnen nadoen,
of ge zijd Uwen auto ook kwijt." Als't dat maar is, denkt de man. De weddenschap begint.
De kleine gaat naar zijn moeder en kust haar op de mond.
De man springt recht en doet juist hetzelde.
De kleine gaat naar zijn moeder en begint die over haar borsten te wrijven,
innig te zoenen en glipt met zijn handje in haar slipje. Wat een leuke weddenschap denkt de man,
wanneer de kleine klaar is springt de man ongeduldig op,
vliegt naar de cafebazin en doet precies alle dingen
zoals de kleine het voordeed.
De man is door het dolle heen van extase en denkt,
amaai dat is hier binnen, hé. De kleine staat recht en zegt, nu nog de derde proef,
3 hoeren zitten in n cafe en hadden al behoorlijk wat alcohol achter de kiezen. zecht de 1e hoer ik kan 1 biljartbal in mn kut stoppen en plopt zo 1 bal in dr doos. zecht de 2e hoer aaa dat is makkelijk ik stop er zelfs 2 ballen in, en "plop" zo 2 ballen in dr doos. En de 3e hoer moet zo hard laggen dat ze over der krukje heen zakt.
Een Engelsman, Hollander en een Belg rijden in de mist op de A16. De Engelsman ziet op den duur niets en staat op z’n remmen. De Hollander rijdt vol op de Engelsman en de belg op de Hollander. De Hollander stapt uit z’n auto en zegt tegen de Engelsman; “Sorry”. De Engelsman verschuldigd zich ook en zegt;”I’m sorry too”. De belg, die zich ook wil verontschuldigen zegt daarop “I’m sorry three”.
Er was eens een herder die schapen hoedde. De afspraak was dat hij voor elk lam dat geboren werd vijftien penningen zou beuren, maar dat voor elk schaap dat zoek raakte vijftien penningen zouden worden afgetrokken.
Op een nacht kwam er een man bij hem - hij woonde in het bos, waar hij een mooie hut gebouwd had - die hem vroeg of hij bij hem kon blijven overnachten. "Kom," dacht de herder, "laat me dat nu eens vijftien penningen kosten!" en hij slachtte een lekker mals lam en bereidde een waar feestmaal voor de reiziger. Daarna legden ze zich ter ruste.
De volgende morgen sprak de reiziger tot de herder: "Ga eens naar de schaapskooi je schapen bekijken!" Hij repte zich derwaarts en zag dat de kooi vol stond met schapen. En in het midden van de kudde prijkte een reusachtig rood lam! De vreemdeling zei: "Geef alle schapen rustig aan je baas, maar zorg dat je dat rode schaap niet kwijt raakt. Dat moet je houden!"
Zijn baas gaf hem vijftien penningen per stuk voor z'n schapen, en toen hij de thuisreis aanvaardde liep het rode lam hem braaf achterna. Onderweg stapte hij in een herberg af om daar de nacht door te brengen. Het herbergiersgezin bestond uit man, vrouw en één dochter - meer kinderen hadden ze niet.
De volgende morgen vroeg gingen de man en de vrouw naar de droogoven. Het meisje zei, terwijl ze op het rode lam wees: "Van die vacht zou je mooie handschoenen kunnen maken!" Maar toen ze er een pluk van wilde afknippen bleven haar handen aan het schaap vastzitten.
Ze begon hartverscheurend te huilen, en het duurde dan ook niet lang of haar vader kwam uit de droogoven gesneld en sloeg het lam met een roe. Doch ook de roe bleef aan het schaap vastzitten, en de man aan de roe.
Nu trad de vrouw naar buiten met een bezem in de aanslag. Ze haalde uit naar het rode schaap, doch tot haar onaangename verrassing bleef de bezem aan het schaap kleven en zij weer aan de bezemsteel!
Nu wilde het geval dat de koning een dochter had, die altijd treurig was en nooit lachte. De koning had bekend laten maken dat hij de man die zijn dochter aan het lachen kon brengen de helft van zijn rijk plus zijn dochter tot vrouw zou geven.
De herder ging erheen met zijn schaap - waaraan dus het complete herbergiersgezin bungelde - en de koningsdochter moest zo lachen dat de tranen haar over de konen biggelden.
De herder kreeg de prinses tot vrouw, en ook nog de helft van het koninkrijk. Hij bevrijdde het vastgekleefde gezinnetje, en ze leefden nog lang en gelukkig - misschien zelfs wel tot op de huidige dag...
Er was een rivier en boven die rivier daar vloog een vliegje, maar in die rivier daar zwom een zalm en die zalm die dacht: "als dat vliegje nou naar beneden vliegt, dan eet ik mooi dat vliegje op". Maar langs de kant daar stond een beer en die beer die dacht:"als dat vliegje nou naar beneden vliegt, en die zalm die pakt dat vliegje, dan eet ik mooi die zalm op". Maar langs de kant daar stond een jager en die jager die dacht: "als dat vliegje nou naar beneden vliegt, die zalm die pakt dat vliegje, en die beer die pakt die zalm, dan knal ik mooi die beer dood". Maar achter die Jager daar zat een muis en die muis zag dat de jager net gegeten had en nog wat kruimels op zijn schouder had liggen en die muis die dacht: "als dat vliegje nou naar beneden vliegt en die zalm die pakt dat vliegje, die beer die pakt die zalm en die jager knalt die beer dood, dan vallen die kruimels en dan pak ik mooi die kruimels". Maar achter die muis daar zat een poes en die poes die dacht: "als dat vliegje nou naar beneden vliegt en die zalm die pakt dat vliegje, die beer die pakt die zalm, die jager knalt die beer dood,en die muis die pakt die kruimels, dan pak ik mooi die muis". Dus het vliegje vliegt inderdaad naar beneden en die zalm die pakt dat vliegje, de beer die pakt de zalm, de jager knalt de beer dood, de muis pakt de kruimels, en de poes springt mis en flikkert in het water. Wat is nou de moraal van dit verhaal?
Komt een man bij de dokter: Dokter, dokter, ik ben denk ik een beetje oversexed . Oh, we zullen het even testen. De dokter laat een plaatje van een blote man zien en de man zegt direkt: blote man, blote man, blote man. Dan laat de dokter een plaatje van een blote vrouw zien, zegt de man direkt: blote vrouw, blote vrouw, blote vrouw. Dan zegt de dokter dat hij denkt dat die man wel erg oversexed is. Zegt de man tegen de dokter: Wie is hier nou oversexed, jij laat al die vieze plaatjes zien!!!!
Camilia zette haar Converse tas op haar tafeltje in het lokaal. Ze haalde at de lolly op en gooide het stokje weg. Net toen ze ging zitten kwam hij binnen. Laurens. Knap, lang, humoristisch en lief. Het bewijs dat de perfecte jongen bestond. Soms keek Laurens zo lang naar Camilia dat ze even dacht dat hij haar wel zag zitten maar als ze dan naar hem keek en glimlachte draaide hij zijn hoofd weg en ging er een steek door Camilia's hart. De les was begonnen en Camilia zat zoals gewoonlijk alleen. Laurens zat aan de andere kant van de klas en hield een briefje in de lucht en gaf het aan zijn beste vriend. Hij gaf het door aan Sherly, zij gaf het door aan Neiro. Neiro las even wat er op stond en liet dat aan Gwen lezen, Gwen gaf het verder aan Mik die gaf het weer aan Marcel, Marcel aan Johanna en Johanna gaf het aan Camilia. Camilia opende het briefje en ze begon te stralen! 'Kom je na school naar het parkje, ik wil je spreken. Groetjes Laurens.' Camilia keek naar Laurens die naar haar keek en ze knikte waarop hij glimlachte.
Zoals afgesproken ging Camilia na school naar het park. Er zaten kriebels in haar buik en haar hart bonkte in haar keel. Daar zat hij, op het bankje bij de rozenstruiken en de fontijn. Een paar vlinders vlogen speels door de lucht en Camilia ging naast Laurens zitten op het bankje. 'Het Camil.' 'Hey.' zei ze voorzichtig. 'Je bent hier omdat ik je iets wil vertellen. Ik vindt je erg lief, en aantrekkelijk, en grappig. Wil je verkering?' 'Ja, niets liever dan dat!' Laurens kwam dichter bij haar en kuste haar.
Na een half jaar zijn ze nog steeds bij elkaar. Camilia heeft via Laurens vrienden gemaakt en ze zijn zielsgelukkig met elkaar. Maar op een dag zijn ze bij Laures thuis. Zijn ouders en broers zijn weg en ze zijn helemaal alleen. Samen kijken ze een horrorfilm. Een meisje in de film verstopt zich in de kast en buiten hoort ze hoe haar vriendinnen worden vermoord. Plots word er op de deur geklopt bij Laurens thuis. 'Oeh!'zegt Laurens spottend die de angst in Camilia's ogen las. 'Pas maar op het is de moordenaar met de gele truc.' Laurens deed open en Camilia keek naar buiten waar ze een gele truc zag staan. Net als de man in de horror film had. Laurens zag het. 'Als je zo bang bent dan ga je maar onder de tafel zitten oke? ik maak die griezel voor mijn lieve vrouwtje af.' De man aan de deur zag er gestoord uit maar er gebeurde niks. Volgens Camilia tenminste. De deur ging dicht maar ze hoorde geen Laurens die haar riep. Opeens kreeg ze een sms. Het nummen was onbekend. 0000. Camilia opende het smsje en las het. 'Lieve, lieve Camilia. Jouw vrees was niet voor niets. De man in de gele truc is een moordenaar. je moet vluchten. Ik help je, ookal ben ik niet zichtbaar. Voor jou zal ik verschijnen als je me naam zegt. Vooreewig en altijd weet je nog?' Camilia snikte en zei zacht zijn naam. Niet lang daarna verscheen het gedaante van Laurens. 'Hij staat buiten, hij zit in zijn gele truc. Doe de gordijnen dicht en ga via de achterdeur naar buiten.' Camilia deed wat Laurens zei. Ze pakte haar schoenen en sloot de grodijnen. Zo snel als ze kon ging ze via de achterdeur weg en belde de politie. Ze hoorde de politie voorom aankomen en de man uit de gele truc stond met ze te praten. 'Doe het niet!!' Krijste Camilia. Meteen stapte de man in de truc en overreed de agent. Hij stapte uit zijn truc en liep naar Camilia. Ze rende en rende maar de man was sneller. Hij stak haar met een mes en schreef met haar bloed op het raam: 'Er was een man, hij belde aan. Zette een stap. Jongen dood. Zette weer een stap, agent dood, weer een stap en het meisje is dood.' Hij legde de lijken van Laurens en Camilia tegen het raam. Hun gezichten waren verminkt en ze lagen in elkaars armen.
Een ontslagen ambtenaar meldt zich voor zijn eerste werkdag bij de supermarkt. De manager begroet hem joviaal, geeft hem een bezem en zegt: "Jouw eerste taak is om de vloeren aan te vegen." De ex-ambtenaar kijkt de manager verbaasd aan en stamelt: "Maar ? ik was hierv??r een hoge ambtenaar." ?Oh sorry, dat wist ik echt niet?, zegt de manager, ?Geef mij die bezem maar ? dan doe ik het even voor!?
Op een goede dag kwam een kameeldrijver met drie prachtige grote kamelen langs een dorpje in de bergen. De eigenaar van de kamelen had veel kostbare goederen bij zich: goud en zilver uit de landen aan de andere zijde van de woestijn, koralen opgedoken uit de Middellandse Zee en parels uit het Oosten. De toegang tot het dorp was versperd door een dichte cactushaag. Daarom bond de kameleneigenaar de beesten vast aan een stok in de grond en ging alleen door een kleine opening in de haag het dorp in. Daar werd hij verwelkomd door een man die sieraden maakte voor de plaatselijke bevolking.
De mannen bekeken elkaars spullen en onderhandelden over ruilen. Terwijl zij zo druk bezig waren was de echtgenote van de sieradenmaker een kijkje gaan nemen bij de kamelen. Deze dieren uit de woestijn met hun ongewone voorkomen waren in het bergdorpje een zeldzaam verschijnsel. Toen zij zag dat de kamelen de vruchten van de cactusplanten aan het vreten waren rende zij naar haar echtgenoot om hem te waarschuwen. Deze was verstoord over het feit dat de onderhandelingen over de ruil werden verbroken. Hij excuseerde zich bij zijn gast en liep met zijn vrouw naar de kamelen. Hij wees de grootste aan en zei: "Deze grote heet De Meester, die daar is De Meesteres en de kleine heet Mohammed." En terwijl hij zich tot de aldus heilig verklaarde kamelen wendde zei hij: "Doet u te goed aan de vruchten, want u hebt ze zelf geschapen."
Adam en Eva besluiten op dag 6 in het paradijs een strandwandeling te maken. Tegen de middag gaan ze onder een palmboom liggen rusten. Als Adam zo naast Eva ligt en hij haar goddelijke lichaam bewondert, kan een reactie niet uitblijven. Adam begint avances naar Eva te maken. Eva blijft hier ook niet koel onder en al gauw worden de vijgenbladeren afgeworpen en volgt er een vurig liefdesspel, waarbij de vonken er vanafvliegen. Tegen zonsondergang zijn beiden volledig bevredigd en uitgeput. Dan stelt Eva voor om naar het paradijs-restaurant te gaan voor een hapje eten. Meteen als Eva opstaat voelt ze alle liefdessappen langs haar benen glijden en ze zegt dan ook tegen Adam: "Wacht even, dan loop ik de zee in om me af te spoelen." Zo gezegd, zo gedaan. Eva loopt het water in en staat tot aan haar navel in het water, de benen enigszins gespreid en zich van geen kwaad bewust ongegeneerd haar kruis te soppen. Plots kijkt ze op en daar God met grote boze stappen over het water aan komen lopen. Bij Eva aangekomen, vraagt God: "Waar ben jij in MIJNnaam mee bezig?" Eva: "Ik ben mijn muts aan het soppen, want Adam en ik hebben de hele middag liggen vrijen op het strand." God: "Da's mooi klote, want ik heb net de vissen geschapen en hoe krijg ik nou ooit die lucht weer van die beesten af?
Een boer is met zijn knecht op het land als hij tot aan zijnenkels in de blubber zakt."Ga mijn laarzen halen", zegt de boer. Als de knecht bij de boerderij is komt hij de twee bloedmooiedochters van de boer tegen."He, wat doe jij nou hier", vragen de meiden."Ik mag van de boer met jullie allebei naar bed," zegt hij."Daar geloven we niks van," zeggen de meiden."Oh nee? Wacht maar dan vraag ik het hem," zegt de knecht.En hij roept keihard naar de boer op het land :"Moest ik er nou 1 pakken of 2 ?" De boer schreeuwt terug : "Allebei natuurlijk!"
Een man verbaasde zich al sinds zijn jeugd over de dingen die de mensen elkaar vertelden over de hemel en de hel. Zo hoorde hij hen zeggen dat de hemel een goede plaats was en de hel een slecht oord. De hemel zat barstensvol engelen en heiligen, terwijl de hel overbevolkt was met duivels, kwade geesten en gemene lieden. De man wist niet goed wat hij hiermee moest. Volgens hem kon je slechts een oordeel over deze twee oorden hebben als je ze met eigen ogen had gezien.
Op een nacht werd hij gewekt door een engel die hem vroeg: "Ben je er nog altijd zo op gebrand om het verschil tussen hemel en hel te weten?" - "Ja," antwoordde de man, "ik wil niets liever weten dan waar ik terechtkom als ik doodga."
Hierop nam de engel hem bij de hand en samen vlogen ze door een dichte, eindeloze duisternis tot ze bij een gesloten poort aankwamen. De engel duwde de zware deur open en zei: "Dit is de hel. Houd je ogen goed open en zorg er voor dat je geen detail mist."
De man was zeer verbaasd. Er was, zoals hij verwachtte, geen duivel te zien in de hel, noch saters met bokkenpoten of eeuwige vuren waarin mensen brandden. Al wat hij zag was een gigantische zaal vol eettafels en elke tafel was volgeladen met de verrukkelijkste gerechten, schalen met het sappigste fruit, hoog opgestapelde taarten, de beste wijnen en de zachtste kazen. Zo ver hij kon zien zag hij mensen aan deze beladen feesttafels zitten. In eerste instantie benijdde hij hen, tot zijn blik op hun armen viel. Toen pas merkte hij op dat hun armen vanaf hun schouders veranderd waren in vorken. En deze vorken waren zo lang dat, hoezeer de feestgangers er ook hun best voor deden, ze niet in staat waren het voedsel naar hun mond te brengen. Hun vruchteloze pogingen waren zo frustrerend dat ze paars zagen van woede, haat en honger.
De engel nam de man opnieuw bij de hand en leidde hem naar buiten. Voor de tweede keer vlogen ze door een dichte, koude duisternis, tot ze bij een andere poort aankwamen. De engel stopte, zwaaide de deur open en riep: "Mag ik je met vreugde presenteren: de hemel!"
In eerste instantie raakte de man in grote verwarring, want de hemel zag er exact hetzelfde uit als de hel! Het was precies dezelfde gigantische ruimte, en ook hier stonden lange eettafels, volgeladen met de meest exquise gerechten uit alle delen van de wereld. Zelfs de feestgangers zagen er identiek uit: ook bij hen waren de armen veranderd in onhandige, lange vorken. Even dacht de man dat de engel een flauwe grap met hem uithaalde, totdat hij nog eens goed keek en het verschil opmerkte. De mensen in de hemel waren niet kwaad of hongerig, integendeel, ze lachten allemaal en waren goed doorvoed. Want deze mensen gebruikten allemaal hun lange gevorkte armen om hun buren te voeden. Ze werkten samen, ze hielpen elkaar en deelden het fantastische eten, zodat ze allemaal in gelijke mate aten, dronken en plezier hadden.
Loopt een oud mannetje op de Amsterdamse wallen. Vraagt een hoer:"Hee opa, zullen we het nog eens proberen?" Zegt opa:"Nee meid,dat gaat niet meer" Zegt die hoer:"Kom kom,we gaan het gewoon proberen." Hij naar binnen,en gaat er op als een jonge vent,wel 5X achter elkaar. "Pff, zegt die hoer,je zei nog wel dat het niet meer ging." Zegt opa:"Ja,dat kan nog wel,maar betalen niet meer.
Komt een rechercheur op z'n werk, chagrijnig als de nete. Een collega spreekt hem aan: 'Je voelt je niet goed he? Heb ik een tip voor je, ik heb namelijk hetzelfde gehad. Toen heb ik een week vrijgenomen en me lekker door m'n vrouw laten verwennen. De rechercheur neemt een week vrij. Hij komt na een week weer terug, vrolijk en opgewekt. De collega van de tip komt naar hem toe: 'Het heeft geholpen zo te zien?' 'Zeker, zegt de rechercheur,'en ik moet zeggen dat je ontzettend leuk woont'..
Zegt de ene bejaarde tegen de andere: "Ik snap er niks van. Ik heb m'n gehoorapparaat ingedaan, maar ik hoor bijna niks." Zegt de ander: "Laat mij eens even naar je oor kijken, dan. Aha, ik zie het al: d'r zit een zetpil in je oor!" "Ai," zegt de andere, "dan ben ik bang dat ik ook wel weet, waar m'n gehoorapparaat gebleven is."
Er was eens een oude man die veel wist, een wijsgeer was hij, en hij ging een reis maken, die hem in vele landen zou brengen. Hij had al enige tijd rondgetrokken, toen hij onverwacht ziek werd. Verder reizen kon hij niet en hij vond onderdak bij een weduwe en haar zoon.
De weduwe was armer dan arm, maar ze verpleegde de wijsgeer met veel liefde en al gauw kwam de zieke weer op krachten. Eer hij afscheid nam, keek de oude man in de armelijke hut om zich heen en zei: "Ik heb naar u geluisterd als u bad; ik weet waarvoor u bang bent. U kunt uw zoon het nodige niet geven."
"Daar zegt u een waar woord," zei de weduwe. "Ik ben zo arm, dat ik 's nachts wakker lig van de zorg om Abdoellah. Hoe moet ik hem blijven geven wat hij nodig heeft, terwijl er al haast niet voldoende is voor één?"
"Geef hem mij dan mee," zei de wijsgeer. "Hij zal mij vergezellen op mijn reizen en ik zal voor hem zorgen alsof hij mijn eigen zoon was. Op die manier zal ik mijn dankbaarheid tonen voor uw goede zorgen, die u tijdens mijn ziekte aan mij hebt besteed."
Van een zware last bevrijd bedankte de weduwe de oude man met tranen in de ogen en daarna kuste ze haar enige zoon vol genegenheid. "Ik zal hier op je wachten, als je weer thuiskomt," zei ze. "Gedraag je goed, Abdoellah."
De twee liepen weg en ze bleef op de drempel staan en keek hen na, tot ze uit het gezicht waren verdwenen.
De oude man en de jonge Abdoellah trokken heinde en ver, over heuvels en door dalen, door dicht bevolkte steden en over stormachtige vlakten, door streken waar de boomgaarden in bloei stonden en langs de zandstranden van eindeloze zeeën.
De jongen vroeg onderweg nooit om eten of drinken, hij luisterde gretig naar wat de oude man wist te vertellen over de mensen die ze ontmoetten en over de plaatsen waar ze uitrustten. Vaak gebeurde het dat de jongen nauwelijks meer op zijn benen kon staan en dan wilden zijn gedachten wel eens afdwalen. Als het zo ver was, gaf de oude man hem zijn beste zorgen en wachtte tot hij in staat was verder te gaan. Maar als Abdoellah hem dan voor zijn liefderijke verpleging bedankte, zei de wijsgeer: "Dank, mijn zoon, wordt het best in daden uitgedrukt. En de kans daartoe komt - wees maar niet bang."
En zo betraden ze op zekere dag een dorre vlakte, ingesloten door statige rotsen. De jongen liep vlak achter de oude man, die diep doordrong in de ravijnen, die als een doolhof het gesteente binnen kronkelden. Alleen de adelaar die hoog in de lucht stond, zag hen verdwijnen.
"We zijn aan het eind van onze tocht gekomen, m'n zoon," zei de bejaarde man, toen ze een plek bereikt hadden waar de rotsen een halve kring vormden. "Met mijn gebeden en bezweringen zal ik trachten een van die rotsen open te doen gaan. Er zal in het beste geval niet meer dan een spleet ontstaan, waardoor alleen een kind zoals jij zich naar binnen kan wringen. Als je eenmaal binnen bent, zul je je bevinden in de ruimte, waar een van de grootste schatten die ooit op aarde bijeengebracht zijn, ligt te wachten. Als dit vooruitzicht je evenwel schrik mocht aanjagen, vertrekken we ogenblikkelijk uit dit oord en ik zal je je weigering niet kwalijk nemen."
Abdoellah bezwoer de oude man dat hij moedig was en dit graag voor hem zou doen en daarna legde de wijze in het midden van de halve kring een vuurtje aan en wierp wat kruiden op de vlammen, kruiden die hij altijd in een buidel bij zich droeg. Op hetzelfde ogenblik steeg er een wolk van geurende rook op in de lucht en maakte de omgeving wazig en de jongen hoorde de man bezweringen prevelen, waarvan hij niets begreep. De rook nam een gele kleur aan, werd vervolgens groen en ten slotte donkerrood, donkerder nog dan de mantel van de tovenaar. En opeens was de rook weer verdwenen, als door een onzichtbare hand weggeslagen. En in de rotswand voor Abdoellah gaapte plotseling een lange zwarte spleet.
"Als je straks binnen bent, Abdoellah," zei de oude man, "laatje dan niet in verrukking brengen door watje om je heen ziet, al zouden de edelstenen nog zo prachtig zijn. Denk alleen aan de twaalfarmige kandelaar van doodgewoon ijzer, die je naast een van de deuren op de vloer zult zien staan. Breng me die, zodra je hem gevonden hebt."
De jongen beloofde plechtig aan het verzoek van de oude man te zullen voldoen en nadat hij een brandende toorts had gekregen, wrong hij zich door de nauwe spleet in de rotswand. Hij kwam terecht in een lange gewelfde gang, die hij aanvankelijk op handen en voeten moest doorkruipen en bereikte een kleine ijzeren deur. Nadat hij de zware smeedijzeren kruk had omgedraaid, zwaaide de deur traag open in de roestige scharnieren en zijn toorts waaide bijna uit in de tocht, die hem in het gezicht sloeg.
Stomverbaasd keek Abdoellah om zich heen. Het was alsof hij was verplaatst in het paleis zelf van de koning van de geesten, die deze dorre landstreek regeerden.
Hij bevond zich in een grot met een gewelf, veel ruimer en veel fraaier beschilderd dan de moskee-koepel in de hoofdstad, waar hij woonde. De grauwe steen was verfraaid met fresco's in kleuren zo schoon en helder, dat de jongen zich afvroeg of de schilder misschien juist zijn penselen had neergelegd. Een van de partijen stelde een ruiter voor, die met zijn lange speer een ever doorstak; een andere twee boogschutters die hun pijlen richtten op een leeuw en een leeuwin en de schoonheid van een naburige rozentuin temperde de wreedheid van de jacht. Abdoellah meende de geur van de ontluikende bloesems te kunnen ruiken, zo fraai waren ze geschilderd!
Hij kon er zijn ogen alleen van losmaken, doordat hij erg kreeg in een tafereel dat een edel gevleugeld ros voorstelde, de zon tegemoet vliegend, met daarnaast een al even schitterende afbeelding van een groot aantal onbekende wezens, half vogel half hond, geflankeerd door leeuwen met adelaars vleugels. Deze laatste waren door een meesterhand in de rots gehouwen uit eerbied voor de machtige Simoerga, de gevleugelde beschermer van de Perzische helden.
Het tapijt dat een kudde steenbokken afbeeldde, een rotswand opvluchtend, voelde eindeloos zacht aan onder de voeten van de jongen. Het was een kostbaar werkstuk; als het in stukken zou zijn gesneden en verdeeld onder een compagnie soldaten, zouden die soldaten de man minstens twintigduizend zilveren dirham voor hun stuk hebben gekregen. Rondom langs de wanden stonden cederhouten kisten met de deksels opengeslagen. Sommige waren gevuld met zoveel parels en goud, dat zelfs de vloer ermee bezaaid lag; andere waren volgestapeld met zilveren bokalen. Abdoellahs ogen verslonden dit alles: de robijnen, smaragden en saffieren waarmee de schatkisten waren ingelegd en de wonderbaarlijk mooie afbeeldingen van zwanen, eekhoorns, hanen, tijgers en lammeren, waarmee goudsmeden de zijkanten hadden verfraaid.
Borden en schalen glansden de warme schoonheid van goud uit; ze waren in het midden en aan de randen versierd met kruipende en kronkelende draken uit de mythologie. Het schijnsel van de toorts versprong van de ene kist naar de andere en gleed langs de buikige vormen van kruiken met zonderling gemodelleerde tuiten en nog zonderlinger gedraaide oren; de dicht opéénstaande juwelen van armbanden, broches, oorringen en vingerringen flonkerden weergaloos prachtig in het flakkerend licht.
Abdoellah bukte zich over een kist die vol zat met diamanten en kon zich niet langer beheersen. Hij zette de toorts in de hals van een van de urnen die vlak bij hem stonden, begroef beide handen in de glinsterende massa stenen en trok ze terug, waarbij hij de diamanten door zijn vingers liet glijden. Een aantal van de grootste hield hij vast en hij verstopte ze in zijn hemd en wankelde met duizelend hoofd door een klein deurtje naar buiten.
Het minder grote vertrek waar hij zich daarna bevond, had de wapenkamer kunnen zijn van een god van de jacht uit de Oudheid; de wanden waren dicht behangen met zwaarden, schilden, degens, speren en bogen. Gevesten waren ingelegd met goud en zilver of met lapis lazuli en andere kostelijke stenen en al deze voorwerpen waren zo mooi, dat Abdoellah ook nu de verleiding niet kon weerstaan er een paar te nemen, die hij aan de gordel om zijn middel hing.
Hierna liep Abdoellah door naar een derde kamer. Daar lagen bergen gouden munten, glanzend en nieuw alsof ze zo uit de munt van de sjah kwamen, overal in het rond en de jongen schepte ze met handen vol tegelijk op en liet ze in de halsopening van zijn hemd glijden, tot er niet een meer bij kon. Pas toen zijn knieën knikten onder de last van zijn buit, begon hij om zich heen te kijken, zoekend naar de twaalfarmige kandelaar die hij beloofd had voor zijn beschermer te zullen halen.
Het werd moeizaam zoeken, maar ten slotte vond Abdoellah de kandelaar in een donker hoekje bij een deur, die een buitendeur bleek te zijn. Hij deed een greep naar de kandelaar, maar op hetzelfde ogenblik weergalmde er een dof bulderen door de grotten en de urnen en beelden wankelden op hun standers. De jongen schrok hevig en besloot niet verder te gaan; hij keerde op zijn schreden terug. Even later merkte hij evenwel grondig verdwaald te zijn; hij raakte in paniek en trachtte ten slotte met zijn nagels de ruwe stenen muur open te krabben om een opening te vinden waardoor hij kon ontsnappen.
Zweetdruppels stonden Abdoellah op het voorhoofd, toen het tot hem doorgedrongen was, dat de grot nu een graf was geworden en dat hij te midden van alle schatten van honger zou omkomen. Hij zag in, dat dit zijn straf was voor zijn ondankbaarheid jegens de oude man en het berouwde hem bitter, dat hij zijn weldoener niet gehoorzaamd had.
Hij viel op zijn knieën neer en liet het hoofd op de grond vallen en vurig bad hij Allah hem voor de gruwelijke dood te bewaren. Van nieuwe moed vervuld stond hij op en tastte de weg in tegenovergestelde richting af in de hoop daar een ontsnappingskans te vinden. Lange tijd dwaalde hij door de grotten en gangen, maar het baatte hem niet. Zijn toorts was geleidelijk opgebrand en ging onverwacht uit, waarna hij zich in volslagen duisternis bevond.
Van zijn laatste hoop beroofd wendde Abdoellah de blik opwaarts en daar zag hij hoog boven zich, haast tegen het dak van de grot, een smalle strook licht. Hij putte zijn laatste krachten uit om zo hoog te klimmen en zijn hart klopte fel bij de gedachte dat het geluk hem misschien toch niet geheel in de steek had gelaten.
Er viel een zware last van hem af bij de ontdekking, dat het vale schijnsel afkomstig was van daglicht; het viel de grot binnen door een enge spleet, juist zo breed dat hij zich erdoor kon wringen.
De spleet ging schuil tussen dicht opéénstaande doornstruiken en zelfs de scherpste blik zou hem niet ontdekt hebben. Abdoellah rekte zijn armen uit en zoog diep de frisse lucht in. Ogenblikkelijk vergat hij de gruwelijke dood, waaraan hij maar nauwelijks was ontsnapt. Hij vergat ook zijn gebeden en al wat hij een ogenblik tevoren beloofd had. Het leek uit zijn geheugen weggevaagd te zijn. En terwijl hij om zich heen keek, zoekend naar de oude filosoof, bedacht hij al wat hij tegen hem moest zeggen om de rijke buit te verklaren, die hij bij zich droeg. Erger nog, hij begon op middelen te zinnen om zich te ontdoen van zijn eerbiedwaardige metgezel en dat zo spoedig mogelijk. Met alle diamanten en gouden munten, waarmee hij zijn zakken en hemd had volgestopt, was hij ten slotte rijk genoeg om zichzelf te kunnen redden.
Zijn weldoener was overigens nergens te bekennen; hij leek spoorloos te zijn verdwenen. Opgelucht liep Abdoellah weg zonder te weten waar hij zou aankomen. Tot zijn grote verrassing stond hij evenwel na enkele mijlen te hebben gelopen voor het huisje van zijn moeder; hij had gemeend daarvan minstens zeven rivieren en zeven landen verwijderd te zijn.
De oude vrouw kreeg tranen van geluk in de ogen bij het weerzien met haar zoon. Zodra ze haar ontroering enigszins te boven was, vroeg ze evenwel waar de oude man was gebleven. Abdoellah vertelde haar uitvoerig wat er zich had afgespeeld en beter dan zijn woorden overtuigden de gouden munten en diamanten zijn moeder, dat hij de waarheid sprak. De arme weduwe verloor alle zelfbeheersing bij de aanblik van zoveel rijkdommen en raakte niet uitgepraat over het wonderbaarlijke verhaal en de zonderlinge verdwijning van de oude man.
"Ach jongen," zei ze enige tijd later, "die brave man heeft vast en zeker je moed en bekwaamheid op de proef willen stellen. Hij heeft gewacht hoe je je taak zou vervullen en toen hij je ongedeerd uit de rots naar buiten zag komen, heeft hij zich schuilgehouden. Die kostbaarheden zullen je beloning zijn voor je trouwe diensten op die lange reis."
Daarna begonnen moeder en zoon toekomstplannen te maken. Maar terwijl ze nog overleg pleegden, verdwenen de kostbaarheden opeens als sneeuw in de middagzon. Wat er overbleef was de ijzeren kandelaar, het enige voorwerp dat Abdoellah had mogen halen.
Abdoellah wierp zich met een schreeuw van vernedering en spijt op de grond, want het was hem duidelijk dat de oude man hem hiermee zijn tweede afstraffing toediende.
Wroeging nestelde zich in zijn hart over de wijze, waarop hij zijn weldoener had bejegend.
Toen Abdoellah was opgestaan, gaf hij de twaalfarmige kandelaar de ereplaats midden in de kamer, zodat het een blijvende herinnering aan zijn ondankbaarheid zou zijn. Peinzend bleef hij ernaar kijken. En de uren verstreken en de schaduwen werden langer en de schemering kroop de kamer binnen.
De jongen zocht een kaars, zette hem in de kandelaar en stak hem aan, zodat zijn moeder licht zou hebben voor het bereiden van het avondmaal. Ze dachten evenwel aan geen eten meer, toen ze elkaar plotseling in angst beet grepen: de kaarsvlam was veranderd in een oude man zo mager, dat hij enkel botten was binnen zijn huid. Het haar hing hem verward over het voorhoofd en zijn lange baard reikte tot aan zijn middel. Zijn ogen boorden zich diep in die van Abdoellah en de jongen voelde een rilling langs zijn rug lopen.
Op hetzelfde ogenblik begreep Abdoellah, dat de verschijning een derwisj was, een heilige die zijn leven aan gebed en meditatie had gewijd. Als aan de vloer genageld staarden moeder en zoon naar de gedaante, die onder hun ogen de armen spreidde en als een tol om zijn eigen as begon te wervelen. De derwisj hield in vervoering de ogen gesloten en begon steeds sneller te wentelen en ten slotte vloog er een gouden munt uit zijn hand, die aan de voeten van Abdoellah neerviel. De derwisj verdween en de kaarsvlam straalde even stil als een olielamp in de gewijde ruimte van een moskee.
Abdoellah bukte zich om de gouden munt aan zijn voeten op te rapen. De volgende dag was hij niet in staat aan iets anders te denken dan aan de gebeurtenis van de vorige avond. "Die kandelaar heeft twaalf armen," overwoog hij telkens weer." Wat zou er wel gebeuren als ik er twaalf kaarsen in laat branden?" Hij kon de gedachte niet van zich afzetten en wachtte vol ongeduld op het vallen van de avond.
Nauwelijks werden de schaduwen langer of hij ontstak de pitten van twaalf gloednieuwe kaarsen en zowaar - uit de vlammen ontstonden twaalf derwisjen, die als druppels water op elkaar leken. Zonder dralen begonnen ze te draaien en te wervelen als zilveren tollen en na verloop van een uur wierp elk van hen een glinsterend goudstuk voor Abdoellah's voeten neer. Daarna verdwenen ze spoorloos.
Elke avond ontstak de jongen de twaalf kaarsen en elke avond deed zich hetzelfde voor en hij had de twaalf goudstukken maar voor het oprapen. Ze waren toereikend om hem en zijn moeder een gemakkelijk bestaan te verschaffen, maar de verdwenen goudstukken en diamanten zouden zo oneindig veel meer waard zijn geweest.
Abdoellah was zijn berouw, zijn beloften en goede voornemens al spoedig vergeten. Hij begon aan de oude filosoof te denken, met wie hij twee jaar lang door de wereld had getrokken. Hij deed dat overigens niet omdat hij zijn ondankbaarheid goed wilde maken. Nee, wat hem door de gedachten speelde was, dat hij de ijzeren kandelaar die hem toch niet rijk zou maken, aan de oude man kon brengen, die hem zo graag had willen hebben. In zijn blijdschap bij het ontvangen van de kandelaar zou hij Abdoellah stellig vergiffenis schenken. En waarschijnlijk zou hij wel willen zeggen, hoe Abdoellah de edelstenen en goudstukken terug zou kunnen krijgen, die na zijn thuiskomst zo verleidelijk op de keukentafel hadden geglinsterd.
Abdoellah bond dan ook de kandelaar op zijn rug en ging op weg naar de grote stad die de oude man eens als zijn woonplaats had genoemd. Toen hij na een tocht van vele dagen zijn doel bereikte, hoefde hij niet lang naar de woning van de oude man te zoeken. Elk kind in de stad wist waar hij woonde en toen Abdoellah de aangeduide plek naderde, begreep hij dadelijk waarom. Zelfs uit de verte deed de woning meer aan een vorstelijk paleis dan aan de stulp van een oude wijsgeer denken en toen hij voor de poort stond, zag hij dat het een paleis was.
Vijftig man stonden bij de poort op wacht en elke wacht hield een stok met gouden appel in de hand. Bedienden verdrongen elkaar in de gangen en zalen en toen Abdoellah alle praal en luister in het paleis aanschouwde, bleef hij staan waar hij stond en durfde geen stap meer te doen.
"De mensen wie ik de weg heb gevraagd, hebben me allemaal voor de gek gehouden," dacht hij mistroostig. "Dit is het paleis van een vorst, niet de woning van een arme oude man."
Terwijl hij daar stond en niet wist wat hij moest doen, kwam er een fraai geklede lakei naar buiten, die voor hem boog en zei: "Vrede zij u, Abdoellah. Wilt u me volgen, mijn heer en meester verwacht u."
De man ging hem voor door een doolhof van zalen en gangen en op zeker ogenblik werd Abdoellah gehuld in een geur van rozen zo sterk, dat zijn hoofd ervan duizelde. Hij bevond zich in de liefelijkste tuin die hij ooit had aanschouwd en in het midden ervan stond een zomerverblijf. De vormen van de marmeren bogen aan de zuilengang waren niet minder fraai dan het mooiste en kunstzinnigste wat de edelsmeden van de padisjah afleverden.
Ten slotte verscheen Abdoellah voor de wijsgeer, die op een tapijtje zat. Overweldigd door alle pracht en schoonheid om hem heen viel Abdoellah op de knieën en kwam tot zichzelf. Met een handgebaar gaf de oude man hem evenwel te kennen dat hij mocht opstaan. Abdoellah kwam overeind en maakte haastig het touw los waarmee hij de ijzeren kandelaar op zijn rug had gebonden. Zodra hij daarmee klaar was, zei hij, "Eindelijk kan ik mijn last aan uw voeten leggen, mijn heer en weldoener, en daarmee uw hartenwens vervullen! Talrijk waren de hindernissen die ik had te overwinnen, eer ik u vond, maar dit ogenblik is een duizendvoudige beloning voor alle gevaren die ik heb doorstaan, o Kroon van alle Wijzen! Ik voel me gedragen door een gouden wolk van geluk, al schrijnt het stof in de wonden aan mijn pijnlijke voeten en al is mijn lichaam uitgeput door verlies van krachten. Want ik heb gedaan wat ik kon om de taak te vervullen, die me door u was opgelegd: hier is de ijzeren kandelaar!"
"Liegen doe je voortreffelijk," antwoordde de wijsgeer. "Meen niet, dat je mij kunt bedotten met je fluwelen tong. Ik lees je geheimste gedachten alsof je een opengeslagen boek was. Als je zou weten wat die kandelaar werkelijk waard is, zou je hem nooit zijn komen brengen. Maar ik zal je iets laten zien, beste jongen, waarvan je ogen uit je hoofd zullen springen."
Na deze woorden zette de wijze een brandende kaars in elke houder en even later wervelden de twaalf derwisjen in de vlammen. De oude man liet hen evenwel niet lang door dansen. Hij greep een stevige knuppel en gaf elke derwisj achtereenvolgens een zware slag. Abdoellah kon een schreeuw nauwelijks bedwingen en greep zich aan de schouder van de lakei vast, want hij wankelde op zijn benen. Wat zagen zijn verbijsterde ogen? Ze zagen de twaalf baardige mannen met een kletterend rinkelend geluid tegen de grond slaan, waar ze veranderden in twaalf glinsterende hopen goudstukken, diamanten en andere edelstenen.
"Zo moetje ze behandelen," zei de filosoof. "Maar de reden waarom ik de kandelaar wilde hebben is, dat het een herinnering is aan mijn leermeester, de grootste wijze die ooit geleefd heeft en die de kandelaar eigenhandig maakte." De oude man gaf de lakei een wenk en de bediende reikte Abdoellah een ring met twaalf reusachtige sleutels aan.
Abdoellah volgde de lakei naar een afgelegen vleugel van het paleis. Daar opende hij twaalf deuren van zwaar cederhout en in de kamers erachter trof hij telkens talrijke kostbaarheden aan. Het duurde niet lang of hij was bezeten van hebzucht, een kwalijker en grover hebzucht dan die, waardoor hij geplaagd was toen hij de schat in de geheime grot ontdekte.
"Als die oude man zo rijk is, heeft hij de kandelaar niet nodig," dacht hij. "Als ik die baardige derwisjen elke avond kon laten dansen, zou ik de goudstukken op de vloer tot de laatste oprapen, reken maar!"
Hij werd woedend op zichzelf bij de gedachte, dat hij de kandelaar zo lichtvaardig had weggegeven zonder de werkelijke waarde ervan te kennen.
De oude man ontving Abdoellah bij zijn terugkomst met een vriendelijke lach, alsof hij de trouweloosheid van de jongen en zijn eigen berisping al vergeten was. Hij bood hem een maaltijd en dranken aan en onderhield zich tot laat op de avond met hem. Hij liet Abdoellah nog enkele dagen in zijn paleis blijven en gaf hem veel kostbare geschenken.
Toen Abdoellah ten slotte afscheid kwam nemen, ging de oude man met hem wandelen onder de lommerrijke tamarisken en zei tegen hem, "Ik heb de indruk datje na al wat er gebeurd is, eindelijk bevrijd bent van je inhaligheid en je ondank. Voor je van hier vertrekt, zou ik je een heel bijzonder geschenk willen geven. Morgenvroeg zal een van de volbloeden uit mijn stallen bij de paleispoort voor je gezadeld staan. Aanvaard het als een geschenk en ontzie je voeten. Neem ook de slaaf van me aan, die de twee met goud en edelstenen beladen kamelen naar je huis zal begeleiden. En deze edelstenen mag je zelf kiezen uit mijn rijke voorraden."
Woorden van dank vloeiden over de lippen van de jongen met de welsprekendheid, die alleen de hebzucht kan ingeven. De oude man liet hem overigens niet uitspreken, maar drong erop aan dat hij een goede nachtrust zou nemen. Abdoellah ging dan ook slapen, maar zijn gedachten warrelden om de schatten, die hij de volgende morgen zou krijgen.
Terwijl hij op zijn slaapstede lag te woelen, begon hij weer aan de twaalfarmige kandelaar te denken, die zo'n groot wonder kon verrichten. "Die heb ik nu zo lang in mijn bezit gehad, daarvoor heb ik nu zoveel angst uitgestaan in die grot. Als ik er niet geweest was, zou de oude man hem nooit in handen hebben gekregen. En waarom zou zo'n grote kostbaarheid dan in zijn bezit moeten blijven? Wat zijn twee armzalige kameelladingen goud en edelstenen vergeleken bij die kandelaar? Ik doe hem toch niet tekort, als ik de kandelaar mee terug neem?"
Abdoellah beschikte nog over de bos sleutels, die toegang tot de schatkamers van de oude man gaven. Vroeg in de ochtend maakte hij er gebruik van om de grootste schatkamer te openen, waarin de ijzeren kandelaar een plaats had gekregen. Hij verborg de kandelaar onderin de zak vol edelstenen, die hij van de oude man mocht meenemen en zette de zak op de rug van een van de twee kamelen, die buiten stonden te wachten. Abdoellah nam met een lach afscheid van zijn gastheer, sprong te paard en reed snel weg, gevolgd door de slaaf met de kamelen.
Dagen later bereikte Abdoellah veilig en wel zijn huis. Hij begroette zijn moeder die naar buiten was gekomen, vluchtig en ging naar binnen - hij dacht alleen aan de schatten die hij bij zich had. Hij had geen oog af van de slaaf, die de zakken van de kamelen tilde. En zodra hij alleen in zijn kamer was, haalde hij de kandelaar te voorschijn. Het duurde even eer alle kaarsen brandden, want zijn handen trilden van ongeduld.
Op zeker ogenblik begonnen de derwisjen evenwel toch aan hun werveldans. Abdoellah klemde een stevige stok in zijn rechterhand en begon ze een voor een af te ranselen. Hij sloeg zo hard toe, dat hij zweetdruppels op zijn voorhoofd kreeg.
"Inspanning wordt beloond en hoe meer kracht ik gebruik, hoe groter de hopen kostbaarheden zullen worden," dacht hij.
Helaas! De derwisjen veranderden niet in goudstukken en kostbare stenen: ze trokken een voor een een stok te voorschijn van onder hun gewaad, niet minder stevig dan de knuppel van Abdoellah. Ze vielen hem woedend aan en sloegen hem bijna dood. Plotseling waren ze verdwenen alsof ze in rook waren opgegaan en wat ze hadden meegenomen waren de zakken en de kostbare geschenken van de oude man, ook de twee kamelen en de slaaf en zelfs de ijzeren kandelaar zelf met de twaalf kaarsen.
Diep ongelukkig liet Abdoellah zich op de grond vallen. Door zijn inhaligheid en ondankbaarheid had hij alles verspeeld. Hij bleef voortaan bij zijn moeder thuis en ze waren weer even arm als ze altijd waren geweest.
Een man in de woestijn heeft ontzettende zin om eens met iemand naar bed te gaan, maar er is helemaal niemand in de woestijn. Dus na een paar dagen ziet hij een kameel staan, maar toch waagt hij het erop. Toen hij er bijna was loopt de kameel weg. "shit" denkt hij en loopt weer verder. Na een paar dagen ziet hij dezelfde kameel weer en loopt er weer naar toe. Weer net als hij er bijna was, loopt de kameel weg. Dit gebeurd nog een paar keer en na een paar weken ziet hij een beeldschoon blondje met autopech. De man loopt er heel stoer naar toe en zegt: "Kan ik je helpen?" "Ja, je kunt me helpen met m'n auto." De man maakt de auto en het blondje zegt dat ze alles zou doen om hem terug te betalen. "Nou," zegt de man, als dat zo is, zou je dan misschien even die kameel in de verte willen vasthouden?"
Wordt er om drie uur vannacht bij ons aangebeld. Mijn vrouw doet open, staat er een hijger op de stoep. "Wat mot dat?", vraagt mijn vrouw. Zegt de man: "Ja sorry, mijn telefoon is kapot."
Lang geleden leefde er een leeuw die drie raadsleden had: een wolf, een jakhals en een raaf. Koning leeuw regeerde en jaagde, zijn raadsleden adviseerden hem en aten alles wat de leeuw hen gaf. Allemaal waren ze tevreden.
Op een dag kwam een kameel aan in het koninkrijk. Koning leeuw had nog nooit zo'n dier gezien en was nogal nieuwsgierig. "Wie ben je en wat zoek je hier vreemdeling?" vroeg de leeuw. "Ik ben een kameel en ik zoek bescherming," was het antwoord. De leeuw vond hem wel aardig en zei: "Blijf bij ons als een gast. Je zal hier veilig zijn." De kameel aanvaardde de uitnodiging met plezier en bleef van toen af aan bij de leeuw. Hij was er zeer tevreden. Hij had weiden om te grazen, water om te drinken en bescherming van de sterke koning.
Maar op een dag werd de leeuw verslagen door een olifant. Gewond lag hij op de grond, hij kon zich niet meer bewegen en dus ook niet meer jagen. De raadsleden die van de leeuw afhankelijk waren voor hun voedsel, kregen honger. "Wat zullen we doen?" vroegen ze elkaar. "We zullen nooit zelf kunnen jagen," gaapte de luie wolf. "Laten we de kameel opeten," stelde de jakhals voor. "De koning zal dat nooit goedvinden," zei de wolf, "de kameel was zijn gast." - "Laat mij hem ompraten," zei de raaf en vloog naar de koning.
"Oh, machtige heerser," sprak hij, "we zijn bezorgd om u. U eet en drinkt niets en we zijn bang dat u zo zal sterven van zwakheid." - "Je hebt gelijk," antwoordde de leeuw, "maar wat kan ik doen als ik zelf niet kan jagen?" - "Waarom zou je moeten jagen als een goed maal vlakbij is?" kraaide de raaf. "Jij denkt zeker aan mijn vriend de kameel, verrader," sprak de leeuw boos. "Wil je dat ik mijn erewoord breek?" - "U zult het niet hoeven te breken, u zult zien dat de kameel zelf zal komen om zijn eigen vlees te geven. Dan bent u vrij om hem op te eten," antwoordde de kraai. "Nou, goed dan," murmelde de leeuw.
De raaf vloog weg naar zijn vrienden de raadsleden en smeedde een complot. Hij vertelde hen wat ze moesten zeggen en hoe ze het moesten zeggen. Toen vroegen ze de kameel om met hen mee te gaan op bezoek bij de koning.
Toen ze bij de koning waren aangekomen, nam de raaf als eerste het woord. "Oh, allermachtigste koning," vleide hij: "Ik zie dat u zal sterven van zwakheid als u niets eet. Maar wij, uw dienaars, geven onze levens voor u. Eet mij en wordt weer sterk." Nog voor de raaf uitgesproken was riep de jakhals: "Nee, machtige koning, de raaf heeft maar weinig vlees onder zijn veren en het zal u niet smaken, neem mijn vlees." Nog voor de jakhals was uitgesproken huilde de wolf: "Nee, waardevolste koning, de jakhals is niet schoon, zijn vlees zal u schaden, eet mij toch."
Maar toen begonnen de raaf en de jakhals door elkaar te schreeuwen. "Nee, nee, neem het wolvenvlees ook niet, het zal u geen goed doen."
De kameel had staan luisteren en dacht: "Dit is mijn kans om de koning mijn dankbaarheid te tonen, maar hij zal het nooit goed vinden." Zodoende sprak de kameel tegen de koning: "Oh, heerser, als u geen wolvenvlees, ravenvlees of jakhalsvlees kunt eten, neem dan mijn vlees."
Toen spraken de wolf, de raaf en de jakhals als één stem: "Ja koning, neem hem als maaltijd," en ze sprongen allemaal op de kameel en verscheurden hem.
Dom blondje Een blondje komt een café binnen en vraagt: "Waar is de WC?" Zegt de ober: "Die is verstopt". De Belg: "Oh, dat geeft niet, dan zoek ik hem wel".
Een rijke man en een rijke vrouw wonen in een dure villa met werkelijk alles erop en eraan. Na een paar jaar gelukkig gewoond te hebben, komen ze in geldnood. De man komt met een idee. "Als jij nou eens leert koken", zegt hij tegen zijn vrouw, "dan kunnen we de kok ontslaan." De vrouw kijkt haar man verontwaardigd aan en antwoordt: "Weet je wat, als jij eens leert neuken, dan kunnen we de tuinman ontslaan!"
Jantje komt naar de school met een abnormaal geladen boekentas. De boekentas staat bol, volledig opgevuld en Jantje houdt de boekentas stevig vast met beide armpjes. De meester zegt;" Maar Jante, zo' n volle boekentas en die zo vasthouden, en ge moest toch niet zoveel boeken meebrengen bij mijn weten !" Jantje : "nee, meester nee," , de meester , "wel Jantje ,wat zit er in uw boekentas?" Jantje ; " niks meester ,niks" de meester :" alle Jantje, doe die boekentas open ! " Jantje luistert en opent zijn boekentas en ... Floep, daar springt een kat uit !! "Wel Jantje"zegt de meester , "wat heeft dat te betekenen?" "Wel meester, de behanger is bij ons thuis en die zei tegen ons mama, als die kleine naar 't school is pak ik uw poes !!!
Nu vlieden zij weg van het Deense strand Naar verre landen en kusten. Wij willen in het heerlijke Griekenland Bij diepblauwe wateren rusten.
Daar buigt de citroenstruik, zo rijk bedeeld, Haar goudgele vruchten ter aarde, De distel groeit naast het marmeren beeld, Waarom zich eens Hellas vergaarde.
Nu dwaalt de herder door het eenzame land, Zo vol van legenden en sagen. Hoor, hij vertelt van de vriendschapsband. Een gebruik uit vroegere dagen.
Ons huis had lemen muren, maar de deurposten bestonden uit gecanneleerde marmeren zuilen, die op de plaats waar het huis werd gebouwd gevonden waren. Het dak raakte bijna de aarde; nu was het donkerbruin en lelijk, maar toen het gelegd werd waren het bloeiende oleanders en frisse lauriertakken die van achter de bergen gehaald waren. Het was nauw om ons huis, de wanden der rotsen rezen steil omhoog, naakt en zwart. Om hun top hingen dikwijls wolken, net witte, levende gedaanten; nooit hoorde ik hier een zangvogel, nooit dansten hier mannen op de tonen van de doedelzak, maar de plaats was van oudsher heilig. De naam zelf herinnerde daaraan, ze heet immers Delphi! De sombere bergen waren alle met sneeuw bedekt. De hoogste top, die het langst blonk in de rode avondzon, was de Parnassos, de beek vlak bij ons huis ontsprong daar en was ook eenmaal heilig. Nu maakt het muildier met zijn poten het heldere water troebel, maar verderop wordt de stroom weer helder. Wat kan ik mij elk plekje goed herinneren en die heilige, diepe eenzaamheid. In de hut werd het vuur aangestoken en als de hete as hoog lag te gloeien werd het brood erin gebakken. Lag de sneeuw buiten rondom de hut, zodat zij bijna helemaal schuil ging, dan leek mijn moeder het vrolijkst, dan hield ze mijn hoofd tussen haar handen, ze kuste mijn voorhoofd en zong de liedjes die ze anders nooit zong want de Turken, onze meesters, hielden er niet van. En zij zong: "Op de top van de Olympos, in het lage dennenwoud, was een oud hert gezeten, zijn ogen stonden vol tranen; rode, ja, groene en blauwe tranen weende het, en een reebok kwam voorbij: "Wat scheelt je toch, dat je zo weent, dat je rode, groene, ja, blauwe tranen weent!" - "De Turk is in onze stad gekomen, hij heeft wilde honden bij zich voor de jacht, een geweldige hoop!" - "Ik jaag ze over de eilanden!" zei de jonge reebok, "ik jaag ze over de eilanden in de diepe zee!" Maar voor het avond werd, was de reebok dood en vóór de nacht inviel, was het hert gejaagd en geschoten!"
Wanneer mijn moeder zo zong werden haar ogen vochtig en hing er een traan in haar lange wimpers, maar zij verborg die traan en wentelde ons zwarte brood in de as. Toen balde ik mijn vuist en zei: "Wij zullen de Turk doodslaan!" Maar zij herhaalde uit het liedje: "Ik jaag ze over de eilanden in de diepe zee! Maar voor het avond werd, was de reebok dood, en voor de nacht inviel, was het hert gejaagd en geschoten!"
Verscheidene dagen en nachten hadden we alleen in onze hut doorgebracht. Toen kwam mijn vader: ik wist dat hij voor mij mosselschelpen uit de baai van Lepanto of ook wel een mes, scherp en blinkend, meebracht. Maar deze keer bracht hij een kind mee, een klein, naakt meisje, dat hij onder zijn pels van lamsvellen hield; zij was in een huid gerold en alles wat ze had toen ze, losgewikkeld, in mijn moeders schoot lag, waren drie zilveren munten, gebonden in haar zwarte haar. Vader vertelde van de Turken die de ouders van het kind hadden gedood. Hij vertelde ons zoveel dat ik er de hele nacht van droomde; mijn vader was gewond en moeder verbond zijn arm. De wond was diep, het dikke schaapsvel was stijf van het gestolde bloed. Het meisje moest mijn zusje zijn, wat was ze mooi en haar ogen stonden zo helder - mijn moeders ogen waren zeker niet zachter dan de hare. Anastasia, zoals ze werd genoemd, moest mijn zuster worden, want haar vader had een heilig verbond met de mijne gesloten, naar een oud gebruik dat we nog steeds in ere houden: ze hadden in hun jeugd broederschap gesloten en het mooiste en zedigste meisje uit de hele streek gekozen om hen in die vriendschapsband in te wijden; ik hoorde dikwijls van dit mooie, zeldzame gebruik vertellen. Nu was het kleine meisje mijn zuster; ze zat op mijn schoot, ik bracht haar bloemen en veren van vogels. Wij dronken samen van het water van de Parnassos, wij sliepen, ons hoofd tegen elkaar, onder het laurierdak van de hut, terwijl mijn moeder nog heel wat winters zong van de rode, de groene en de blauwe tranen; maar ik begreep nog niet dat het mijn eigen volk was, wiens duizendvoudige zorgen zich in deze tranen spiegelden.
Op een dag kwamen er drie Frankische mannen, anders dan wij gekleed; zij hadden hun bed en tent op paarden, en meer dan twintig Turken, allen met sabels en geweren, vergezelden hen, want zij waren vrienden van de pasja en hadden brieven van hem. Zij kwamen alleen maar om onze bergen te zien, om in sneeuw en mist de Parnassos te bestijgen en de wonderlijke, zwarte, steile rotsen te bekijken rondom onze hut. Ons huis kon hen niet bergen en ze konden niet tegen de rook die onder de zoldering door de lage deur een uitweg zocht; daarom sloegen zij hun tenten op op de nauwe, open ruimte bij onze hut. Ze braadden lammeren en vogels en schonken zoete, koppige wijnen, maar de Turken mochten daar niet van drinken.
Toen ze verder trokken vergezelde ik hen een eind en mijn zusje Anastasia hing, in een geitevel genaaid, op mijn rug. Een van de Frankische heren plaatste mij tegen een rots en tekende mij en mijn zusje uit, zo levend als wij daar stonden, wij zagen eruit alsof wij één waren. Daar had ik nooit over nagedacht, maar Anastasia en ik waren dan toch één, altijd lag ze op mijn schoot of hing op mijn rug, en als ik droomde verscheen ze mij in de droom.
Twee nachten later kregen we in onze hut bezoek van andere mensen. Ze waren gewapend met messen en geweren; het waren Albanezen, brutaal volk, naar mijn moeder vertelde; ze bleven maar kort bij ons, mijn zuster Anastasia zat op de schoot van een van hen en toen hij weg was had zij nog maar twee en geen drie zilveren munten in het haar. Ze deden tabak in papiertjes en rookten, en de oudste sprak over de weg die ze zouden nemen en was er niet zeker van: "Spuug ik naar boven," zei hij, "dan komt het op mijn gezicht neer, spuug ik naar beneden, dan valt het in mijn baard." Maar één weg moesten ze toch kiezen. Ze gingen op pad en mijn vader vergezelde hen. Kort daarna hoorden wij schieten; opnieuw hoorden we een knal; er kwamen soldaten in ons huis, ze namen mijn moeder, mij en Anastasia mee. Wij hadden rovers onderdak verschaft, zeiden ze, mijn vader had hen vergezeld, daarom moesten we weg; ik zag de lijken van de rovers, ik zag mijn vaders lijk, en ik huilde tot ik insliep. Toen ik ontwaakte waren wij in een gevangenis, maar de kamer was niet armoediger dan die in onze eigen hut en ik kreeg uien en harsige wijn, die ze uit een geteerde zak schonken: beter hadden we het thuis niet.
Hoelang we gevangen zaten weet ik niet, maar er verliepen heel wat dagen en nachten. Toen wij eruit kwamen was het ons heilig Paasfeest en ik droeg Anastasia op mijn rug, want mijn moeder was ziek. Zij kon alleen maar heel langzaam lopen en het duurde lang voor wij de zee bereikten, bij de baai van Lepanto. Wij traden een kerk binnen die vol was met schitterende schilderijen op gouden achtergrond; engelen waren het, o zo mooi, maar ik vond toch dat onze Anastasia net zo mooi was. Midden in de kerk stond een kist vol rozen, dat was de Here Jezus die daar lag als prachtige bloemen, zei mijn moeder, en de geestelijke verkondigde: "Christus is opgestaan!" Alle mensen kusten elkaar, ieder hield een brandende kaars in de hand, ik zelf kreeg er een, de kleine Anastasia ook een; de doedelzakken speelden, de mannen dansten hand in hand de kerk uit en buiten braadden de vrouwen het paaslam. Wij werden uitgenodigd het feest mee te vieren; ik zat bij het vuur en een jongen, ouder dan ik, sloeg zijn arm om mijn hals, kuste mij en zei: "Christus is opgestaan!" Zo was onze eerste ontmoeting, van Aphtanides en mij.
Mijn moeder kon visnetten knopen, dat bezorgde haar daar aan de baai een goede verdienste en wij bleven lang aan zee, aan die heerlijke zee die smaakte als tranen en met haar kleuren herinnerde aan de tranen van het hert, nu eens was ze rood, dan weer groen, en dan weer blauw.
Aphtanides kon een boot sturen en ik zat met mijn kleine Anastasia in de boot, die zich bewoog op het water als een wolk in de lucht; en wanneer dan de zon onderging werden de bergen donkerder blauw, de ene bergketen keek boven de ander uit en het verst weg stond de Parnassos met zijn sneeuw. In de avondzon straalde de top als een gloeiend ijzer. Het leek wel alsof het licht van binnenuit kwam, want het straalde nog lange tijd door in de blauwe, glanzende lucht, lang nadat de zon was ondergegaan; de witte zeevogels sloegen met hun vleugels in de waterspiegel, maar overigens was het hier zo stil als bij Delphi tussen de zwarte rotsen. Ik lag op mijn rug in de boot, Anastasia zat op mijn borst en de sterren boven ons schitterden nog helderder dan de lampen in onze kerk; het waren dezelfde sterren en zij stonden precies op dezelfde plaats boven mij als wanneer ik bij Delphi buiten onze hut zat. Ik dacht ten slotte dat ik werkelijk nog daar was! Daar klonk een plomp in het water en de boot schommelde hevig! Ik schreeuwde luid, want Anastasia was in het water gevallen, maar Aphtanides was óók snel en dadelijk haalde hij haar op en legde haar in mijn armen; wij ontkleedden haar, wrongen het water uit haar goed en kleedden haar toen weer aan. Hetzelfde deed Aphtanides met zijn eigen kleren, en we bleven op het water tot het goed weer droog was, en niemand wist van onze angst om ons klein pleegzusje, aan wier leven Aphtanides nu ook deel had.
Het werd zomer. De zon brandde zo hevig dat de loofbomen verdorden; ik dacht aan onze koele bergen, aan het frisse water daar in de hoogte; mijn moeder verlangde er ook naar terug en op een avond.gingen we weer op de terugweg. Wat was het stil en rustig! We liepen door de hoge tijm die nog altijd geurde, al had de zon hun bladeren verdord; geen herder ontmoetten wij op onze weg, geen hut kwamen wij voorbij: alles was stil en eenzaam, alleen sterren die verschoten vertelden dat er leven daarboven in de hemel was; ik weet niet of de heldere, blauwe lucht zelf licht gaf of dat het de stralen van de sterren waren. Wij zagen goed de omtrek van de bergen; mijn moeder maakte vuur, stoofde de uien die ze meegebracht had en ik en mijn zusje sliepen in de tijm zonder vrees voor de gemene Smidraki* die vuur spuugt, en zeker zonder angst voor de wolf en de jakhals; want mijn moeder zat bij ons en dat was voor mij genoeg.
Wij naderden ons oude huis, maar de hut was in puin gevallen, er moest een nieuwe worden gebouwd. Een paar vrouwen hielpen mijn moeder en in korte tijd waren de muren weer opgetrokken en was er een nieuw dak van oleander gelegd. Mijn moeder vlocht van huid en bast heel wat hulzen voor flessen, ik hoedde de kleine kudde van de pope, Anastasia en de kleine schildpadden waren mijn speelkameraden.
Op een dag kregen we bezoek van die beste Aphtanides, hij verlangde zo erg naar ons, zei hij, en hij bleef twee hele dagen bij ons.
Na verloop van een maand kwam hij terug en vertelde ons dat hij met een schip naar Patras en Korfoe moest; van ons moest hij eerst afscheid nemen en hij bracht een grote vis mee voor moeder. Hij wist zoveel te vertellen, niet alleen van de vissers daar bij de van Lepanto, maar ook van koningen en helden die eens in Griekenland hadden geheerst, zoals nu de Turken.
Ik heb gezien hoe de rozenstruik knop schoot en ik heb die knop na verloop van Ii; en en weken tot een bloem zien ontluiken; die knop werd bloem, vóór ik erover na ging denken hoe groot, mooi en blozend ze was: zo ging het ook met Anastasia. Zij was een mooi, volwassen meisje, ik een potige kerel. De wolvenvellen op mijn moeders en Anastasia's bed had ik zelf gevild en het dier zelf geschoten. Jaren waren verlopen.
Daar kwam op een avond Aphtanides, slank als een riet, sterk en bruin; hij kuste ons allen en wist heel wat te vertellen van de grote zee; van de vestingwerken van Malta en van de eigenaardige begraafplaatsen in Egypte; het klonk wonderlijk, als een van de legenden van de pope; ik keek met enige eerbied naar hem op.
"Wat weet jij veel!" zei ik, "wat kan jij vertellen!"
"Jij hebt mij toch zelf eens iets heel moois verteld!" zei hij. "Je hebt mij verteld wat ik nooit heb kunnen vergeten, dat mooie, oude gebruik van de vriendschapsband, dat gebruik dat ik nu met goede moed wens na te komen! Broeder, laten wij beiden, net als jouw en Anastasia's vader, naar de kerk gaan, het schoonste en zedigste meisje is Anastasia, onze zuster, zij zal onze band wijden! Geen volk heeft een eerbiedwaardiger gebruik dan wij Grieken!"
Anastasia bloosde als een fris rozenblad, mijn moeder kuste Aphtanides.
Een uur gaans van onze hut, daar waar de naakte rotsen aarde dragen en enkele bomen schaduw geven, lag de oude kerk; een zilveren lamp hing voor het altaar.
Ik had mijn beste kleren aan: het witte rokje viel in rijke plooien van de heupen neer, de rode trui zat nauw en strak, er was zilver in de kwast op mijn fez; in mijn gordel staken een mes en pistolen. Aphtanides was in het blauw gekleed, zoals Griekse matrozen gewoonlijk, een zilveren medaille met een afbeelding van de moeder Gods hing op zijn borst, zijn sjerp was kostbaar, zoals slechts rijke heren dragen kunnen. Iedereen kon duidelijk zien dat wij beiden op weg waren naar een plechtigheid. Wij traden het eenzame kerkje binnen waar de avondzon door de deur naar binnen scheen op de brandende lamp en de bonte schilderingen met gouden achtergrond. Wij knielden op de treden van het altaar en Anastasia ging voor ons staan. Een lang, wit gewaad hing los en luchtig om haar schouders; haar blanke hals en borst waren bedekt met een ketting van oude en nieuwe munten, ze vormden een heel grote kraag; haar zwarte haar was boven op het hoofd opgestoken in één grote wrong die werd samengehouden door een klein mutsje van zilveren en gouden munten, in oude tempels gevonden; mooier uitgedost was geen meisje in Griekenland. Haar gezicht straalde, haar ogen waren als sterren.
Alle drie deden wij stil ons gebed; en zij vroeg ons: "Willen jullie vrienden zijn in leven en dood?" Wij antwoordden: "Ja." - "Willen jullie ieder voor zich, wat er ook gebeurt, niet vergeten dat je broeder een deel van jezelf is, dat zijn geheim het jouwe is, en zijn geluk het jouwe? Opoffering, uithoudingsvermogen, alles bezit ik voor hem, als ware het voor mij zelf!" Wij herhaalden ons 'ja' en zij legde onze handen in elkaar, kuste ons op het voorhoofd en wij baden opnieuw in stilte. Toen trad de pope naar voren uit de deur bij het altaar, zegende ons alle drie en een gezang van de andere heilige monniken klonk achter de altaarwand. De eeuwige vriendschapsband was gesloten.
Toen wij opstonden zag ik mijn moeder bij de deur van de kerk innig bewogen huilen. Wat was het vrolijk in ons hutje en bij Delphi's bronnen! De avond vóór Aphtanides weg moest zaten hij en ik, in gedachten verzonken, op de helling van de rots, zijn arm had hij om mij geslagen, ik mijn arm om zijn hals, wij spraken over Griekenlands nood, over mannen op wie men vertrouwen kon; iedere gedachte stond ons helder voor de geest. Toen greep ik zijn hand: "Eén ding moet je nog weten! Eén ding dat tot op dit ogenblik alleen God en ik weten! Mijn hele ziel is liefde! Het is een liefde sterker dan de liefde voor mijn moeder en voor jou!"
"En wie heb je dan lief?" vroeg Aphtanides, en hij bloosde tot in zijn hals.
"Ik heb Anastasia lief!" zei ik. Zijn hand sidderde in de mijne en hij werd bleek als een lijk; ik zag het, ik begreep het. Ik geloof dat ook mijn hand beefde, ik boog mij tot hem over, kuste zijn voorhoofd en fluisterde: "Ik heb het haar nooit gezegd! Zij heeft mij misschien niet eens lief! Broeder, bedenk dat ik haar dagelijks zag, zij is naast mij opgegroeid, ze is met mijn ziel samengegroeid!"
"En ze zal van jou zijn!" zei hij, "van jou! Ik kan je niet voor liegen en wil dat ook niet: ik heb haar ook lief! Maar morgen ga ik weg. Over een jaar zien we elkaar terug, dan zijn jullie getrouwd. Ik heb wat geld, dat is van jou! Jij mag het hebben, jij moet het hebben!"
Stil wandelden wij door de bergen; het was al laat op de avond toen wij voor mijn moeders hut stonden.
Anastasia lichtte ons met de lamp bij toen wij binnentraden, mijn moeder was er niet. Anastasia keek wonderlijk-weemoedig naar Aphtanides: "Morgen ga je van ons vandaan!" zei ze, "wat ben ik daarover bedroefd!"
"Ben je bedroefd daarover," zei hij, en het kwam me voor dat er in die woorden een smart lag zo groot als de mijne; ik kon niets zeggen, maar hij nam haar hand en zei: "Onze broeder daar heeft je lief, houd jij ook van hem? Uit zijn zwijgen blijkt zijn liefde!"
Anastasia sidderde en barstte in tranen uit, toen zag ik alleen haar, dacht alleen maar aan haar; mijn arm sloeg ik om haar heen en zei: "Ja, ik heb je lief!" Toen drukte zij haar lippen op de mijne, haar handen rustten om mijn hals; maar de lamp was op de grond gevallen, het was duister om ons heen, zo duister als in het hart van die beste, arme Aphtanides.
Voor de dag aanbrak stond hij op, kuste ons allen tot afscheid en verdween. Mijn moeder had hij al zijn geld gegeven om het ons te schenken. Anastasia was mijn bruid en enkele dagen daarna mijn vrouw.
* Smidraki = Naar een Grieks volksgeloof een monster, geboren uit een ongeopende schapenbuik, die op het veld geworpen wordt.
Een man moet dringend naar het toilet in een chic restaurant. Helaas zijn alle deuren bezet. De maitre d'hotel, een begrijpend man, stelt daarom voor om de damestoiletten te gebruiken. Maar, zegt hij, een goeie raad: aan de linkerkant van de muur staat een reeks knoppen
met de vermelding WW, WL, PW en ATV. Gelieve deze in geen geval te gebruiken want ze zijn exclusief gereserveerd voor de dames.
Beloofd, beloofd, dankuwel. En de man verdwijnt door de deur.
Eens zijn dringendste behoeften voldaan,
gaat zijn aandacht toch naar de geheimzinnige knoppen.
En zijn nieuwsgierigheid haalt het.
Hij drukt op de knop WW en voelt onmiddellijk een straal WARM WATER
die zijn achterwerk streelt. Mijn God, denkt hij, de vrouwen worden hier nogal verwend. Hij drukt op de knop WL en een stroom WARME LUCHT veegt zijn achterste droog. Wow, wow, prachtig ! En ondertussen heeft hij reeds op de knop WP gedrukt. Luttele seconden daarna parfumeert een WOLK POEDER zijn billen.
Wonderbaarlijk ! denkt hij en verrukt drukt hij ook op de laatste knop ATV...
Hij wordt wakker in een hospitaalbed. Verward en beduusd belt hij om de verpleegster. Wat is er toch gebeurd ? vraagt hij. Wel, u was in de toiletten van restaurant GRAND CHIC,
en u heeft op de verboden knoppen geduwd.
Maar allee, elke knop bezorgde me zeer aangename gewaarwordingen... Ja, ja, dat is waar, maar de laatste, met de letters ATV,
Jantje moet van zijn vader boodschappen doen. " Jantje, loop niet langs de hoertjesstraat! " zei vader. Jantje kreeg 5 euro mee. Hij liep langs de hoertjesstraat en zag een lekkerding. Hij gaf 5 euro. De vrouw gaf jantje een zoen op zijn mond. Even later weer thuis zei Jantje: " Ben me geld verloren ". Hij kreeg 20 euro mee. Daarmee mocht hij de string van de vrouw zien. Hij ging weer naar huis. " Ben me geld verloren! " zei Jantje en hij kreeg 50 euro mee. Daarmee mocht hij de vrouw naakt zien. Toen als laatste keer naar huis: " Ben me geld verloren! " zei Jantje. " Dit is de laatste keer! " zei papa en gaf hem 100 euro mee. Jantje ging met de vrouw naar de bosjes. Een uur later werd vader ongerust. Hij ging langs de hoertjesstraat kijken. Hij zag een paar billetjes achter de struik. ' Aha,' dacht vader, ' dat zijn Jantjes billen! ' hij gaf hem een harde klap tegen zijn kont. " Bedankt pap! Hij zit erin! "
Stelling: "Het is nutteloos dat een student blokt". Gegeven: een student blokt Te bewijzen: het is nutteloos: Bewijs: a) hoe meer je leert, hoe meer je weet; b) hoe meer je weet, hoe meer je vergeet; c) hoe meer je vergeet, hoe dommer je wordt
Besluit: Hoe meer je leert, hoe dommer je wordt. Dus: studeren is nutteloos, wat te bewijzen was.
Twee mannen zijn aan het golfen als er vlak naast de green een begrafenisstoet voorbij komt. Een van de twee mannen neemt zijn pet af en houdt deze op zijn hart. Als de stoet voorbij is zegt zijn vriend: 'Goh, dat vind ik een mooi gebaar van je'. 'Tja', antwoordt de ander, 'dat was wel het minste wat ik voor haar kon doen na twintig jaar huwelijk'.
"Dokter, ik zit met een probleem! Mijn man heeft namelijk een kleine piemelke en elke keer als ik bijna een orgasme krijg, dan floept hij er uit!" "Tja", zegt de dokter, "dat is erg lastig! Maar weet je wat? Neem je man morgen maar mee, dan zie ik jullie om half 11 wel hier." De volgende dag staan mevrouw en meneer bij de dokter. "Tja," zegt de dokter, nadat hij naar de kleine piemel van meneer heeft gekeken, "ik zie het al, daar is maar 1 oplossing voor : Bij mevrouw een metalen plaat in haar mieke en bij meneer een magneetje in zijn eikel."- Zo gezegd, zo gedaan. Enkele weken later komt mevrouw de dokter tegen in de supermarkt. "A wel", zegt de dokter, "en is het nog een beetje gelukt?" "Ja," zegt de mevrouw, "Geweldig, ik heb elke keer een orgasme, want hij
Rijd een taxi door de stad en word ineens aangehouden door een vrouw. De vrouw wil naar Sloten. Zijn ze halverwege kijkt die man eens in zijn spiegel en ziet dat die vrouw naakt is. Dus die man kijkt en die vrouw vraagt: "Kan je het zien?" "Nee, ik wou alleen weten hoe u wou gaan betalen." Dus de vrouw spreid haar benen en zegt: "Beantwoordt dit je vraag?" Waarop de taxichauffeur zegt: "Heb je niet kleiner?!"
Zitten een Belg, een Hollander en een Duitser aan de bar
Zitten een Belg, een Hollander en een Duitser aan de bar
Zitten een Belg, een Hollander en een Duitser aan de bar. Zegt de Duitser”Mijn vrouw heeft laatst een Ferrari gekocht, maar ze heeft geeneens een rijbewijs. Zegt de Hollander ” o, mijn vrouw heeft een zwembad in huis aan laten leggen, maar ze kan niet eens zwemmen. Zegt die Belg’o, dat is nog niks, mijn vrouw ging laatst op vakantie nam ze een hele doos condooms mee, maar ze heeft geeneens een lul”
Er zaten drie vlooien in een kut die zaten te kaarten. Opeens gooide een vlo de kaarten op tafel! Vroeg een ander: "Waarom doe je dat?" Ik geloof dat er een lul op m'n kaarten kijkt.
Een oud vrouwtje zit op een alledaagse zondag in de kerk. Dan vraagt de priester: "Al degenen die deze week sex hebben gehad, moeten nu naar voren komen." Het oude vrouwtje, die slechthorend is, heeft het uiteraard niet gehoord en dus vraagt ze het de man naast haar? Deze heeft zelf een gehoorprobleem: "De priester zei, al degenen die een hostie willen moeten naar voren komen." Het vrouwtje strompelt naar voren en de priester roept: "Maar mevrouw, op uw leeftijd!? Schaamt u zoch niet??" "Het is niet dat ik geen tanden meer heb, dat ik er niet op kan zuigen
Een man rijdt de grens over, maar ziet voor de grens een super lekkere vrouw staan en die vrouw staat te zwaaien, dus de man stopt en vraag aan de vrouw: 'wat is er?' De vrouw zegt: 'Mag ik alsjeblieft mee, ik doe echt alles voor je je mag me neuken, vingeren, ik wil je pijpen enz.. "dus de man zegt: 'is goed spring maar in me koffer'. Dus ze gaan de douane over, en het alarm van de detetiepoort begint te loeien.. De douane vraagt: 'Wat zit er in die koffer'? Waarop de man antwoord: 'Me naaimachine'.
Jantje komt thuis van de tennisles. Zijn witte broek is van onder tot boven vuil.Zijn moeder moppert:`Je ziet er uit als een big. Je weet toch wat een big is?`Ja, de zoon van een varken!`
Bij de dokter Er komt een vrouw bij de dokter. Vrouw: dokter, wilt u eens nakijken of het hier allemaal wel nog in orde is "vanonder" want ik ga voor de derde keer trouwen... Dokter: Ok mevrouw... Maar mevrouw, u bent nog maagd! Vrouw: Ja. wel, de eerste keer trouwde ik met een gyneacoloog en het enigste wat die kon doen is er naar kijken... De tweede keer met een psycholoog en die kon er alleen maar over praten... Maar nu ga ik trouwen met een advocaat, dus ik ben zeker dat ik genaaid wordt!
Een Belg loopt langs het strand. Als hij in het water een zwemmer in moeilijkheden ziet, springt hij er in en redt hem. De zwemmer zegt: "Hartelijk dank. Ik ben geen mens, maar een goede geest. U mag twee wensen doen." "Da's mooi," zegt de Belg, "dan wens ik als eerste een fles jenever die nooit opraakt." De geest geeft hem een fles jenever. De Belg drinkt er uit en als hij naar de fles kijkt, zit 'ie nog helemaal vol. "Dat is fantastisch!" roept de Belg uit: "Doe mij er nog maar zo een!"
Patat Jantje lust zo graag koude patatjes met mayonaise ... Op een dag mag hij met zijn ouders mee naar een groot trouwfeest waar het eten in buffetvorm wordt opgediend. Toevallig is zijn lievelingsgerecht er ook bij ... patatjes met mayonaise. Door een speelse houding (hoe zijn kinderen) stoot hij zijn bord van tafel. Jantje kruipt vlug onder de tafel en begint de gevallen patatjes op te rapen. Plots ziet hij een dame zitten, zonder slip, met haar benen gespreid . "Oei !", denkt Jantje, "Daar zit precies een hamsterke, en het steekt zijn tong uit. Dat diertje heeft zeker honger ?" Op het ogenblik dat Jantje een patatje naar het hamstertje toesteekt,laat de vrouw een dikke scheet ... "Sssssttt !", zegt Jantje, "Ge moet niet blazen ... het zijn koude patatjes!"
3 mannen zitten in de bar, zegt de ene tegen de ander: volgens mij gaat mijn vrouw vreemd met een dokter, er lagen allemaal dokter spullen, zegt de andere: volgens mij gaat mijn vrouw ook vreemd er lag een mes en andere dingen van slagers onder het bed.. die is met een slager naar bed geweest! zegt de 3e man: volgens mij is de mijne met een paard naar bed geweest..... want er lag een ruiter onder het bed toen ik binnen kwam!
Een Chileense mijnwerker komt boven de grond en zegt tegen zijn vrouw: "Ik heb twee maanden in de mijnen gezeten!" Zegt zijn vrouw: "Ik heb twee maanden aan de mijne gezeten!"
Ik loop langs een droge rivierbedding in Californië en het is een prachtige dag.De toekomst strekt zich uit vooruit, in de vallei, heuvels en bergen die me omringen.Het verleden is er ook, maar vandaag geef ik de voorkeur naar voren te lopen: om te leven "in het nu", en echt te zien alle goede dingen in de wereld.De lucht is warm en droog.Wollige wolken zweven hoog in de heldere blauwe lucht, en het zonlicht schittert en schijnt uit de huizen en auto's in de verte.Mensen lopen en rijden fietsen op het fietspad dat de rivier volgt.Ze praten en punt, en lachen samen, omdat ze geniet van de dag af van het werk.Wat een mooie en rustige tafereel maakt!
Mijn hart is opeens vol van vreugde als ik herinner me dat het New Year's Day.Een dag om opnieuw te starten en ik voel me overweldigende dankbaarheid voor het geschenk van het leven dat God mij heeft gegeven.Ik passeer door een man en zijn zoon, een peuter zittend op de "verheven" houten omheining van het pad, maar hield veilig in de armen van zijn vader.Zijn gezicht is een studie in pure blijdschap en verwondering, als hij kijkt uit over de mijl van zandige wassen, groene heuvels, en de torenhoge bergen van zijn nieuwe wereld.Het is het begin van een begin, en de tranen te verzamelen in mijn ogen met de kracht en de zoetheid van deze eenvoudige gedachte.Een man zit op een rots en kijkt in de verte.Hij ziet er verdrietig en verlaten, als de wind waait door en maakt de bladeren wapperen op de boom naast hem, in dit eenzame scène.Ik moet denken aan andere dag in het verleden, toen verdriet en wanhoop waren mijn enige metgezellen.Ik zeg een stil gebed voor hem, en diepe dank, aan God, voor mij.Dan loop ik door.
Een jong stel hurken naast een "fiets gebouwd voor twee", dat heeft gegooid is het keten.Terwijl ze opzoeken, ik grijns en zeg: "Gelukkig Nieuwjaar. Dammit!"Ze grijnzen en lachen, en wens ik hetzelfde.Het is een simpel ding, maar voor een ogenblikzijn wij uitgegroeid tot een met de wereld en een plotselinge vreugdevolle opwinding neemt mijn adem weg.Een oude vrouw leunt op een hek plaatsen, op zoek naar een andere keer.Zij lijkt niet gelukkig of verdrietig, gewoon kijkt naar het verleden, of misschien de toekomst.Ik vraag me af wat haar ouder worden, maar nog steeds mooie ogen hebben gezien, in de tijd die ze heeft doorgebracht in deze wereld.Waar is zij?Wat verbazingwekkende dingen heeft meegemaakt zij?Een leven lang legt verborgen achter haar ogen.Een gevoel van tijdloze rust stroomt door mij en alle angst voor wat de toekomst weg te brengen afvoeren.Ik dank haar met mijn gedachten, en verder gaan.
Ik ben bijna thuis.Ik loop door een stand van jonge bomen zwaaien in de wind.Een luide uitbarsting van vrolijke getjilp en tweeten barst van het kleine bosje, en ik kan het niet helpen, maar hardop lachen, bij de "vogel partij" aan de hand naast me.Terwijl ik naar huis te bereiken, ga naar binnen, en sluit de deur, zeg ik nog dank aan God voor de gave van "nu".Het heeft lang geduurd om het te vinden, en hoewel ik kan niet lijken te houden met mij, de hele tijd, ik weet hoe ik de deur weer open, wanneer de tijd rijp is.Ik weet dat wat het nieuwe jaar zal brengen, zal er vreugde, en genoeg schatten van "nu" om me te helpen door de moeilijke tijden die we allemaal onder ogen moeten zien.
Gaten in een gat Juffrouw: "Jongens, een raadseltje: hoe krijg ik 2 gaten in 1 gat?" Marietje, terwijl ze met haar duim en wijsvinger een ringetje maakt en dat om haar neus doet: "Kijk, juf, ik kan het!" Juf: "Goed zo!" Jantje: "En juf, weet u hoe je 6 gaatjes in 1 gat krijgt?" Juf: "Nee, jantje, hoe moet dat dan?" Jantje: "Dan moet u een blokfluit in uw poes stoppen!" Juf: "Jantje d'r uit! Die taal wil ik niet horen, en trouwens: een blokfluit heeft 10 gaatjes!" Jantje: "Maar ik kan toch niet weten dat u hem er helemaal in kunt stoppen?"
Er was eens een oud mevrouwtje hier bij ons in het straat ze was heel lelijk maar ze was een oude snoeper die nog wel een lekkere jonge brok lust. Op een dag mijn vader zat met een paar vrienden op café en hij ziet dat mevroutje binnenkomen met een papegaai op haar schouder. En dat mevrouwtje zegt : " wie kan raden welk dier er hier op mijn schouder zit die krijgt sex met mij. En een van m'n vader zijn vrienden zegt voor de grap : " ik weet het, een olifant !!!" En het mevrouwtje antwoord : " t' is niet helemaal juist maar toch mag je sex met je hebben