NIEUW: Blog reclamevrij maken?



Image and video hosting by TinyPic

Foto
Gastenboek
  • fijne maandag en een goede start van de nieuwe week
  • Aangename nieuwe week blogmaatje
  • Spring nog efkes binnen met avondgroetjes.
  • fijn Pinksteren weekend
  • Avond groetjes

    Druk oponderstaande knop om een berichtje achter te laten in mijn gastenboek

    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Laatste commentaren
  • Hallo Lana, (paolo)
        op DRINGEND!!!!!!!!!
  • Groetjes uit het zonnige Koekelare. (Hok Decru Raf)
        op Mooie grote en kleine vrachtschepen 16
  • zondaggroetjes ... (meeuw)
        op Mooie grote en kleine vrachtschepen 16
  • Fijne Pinksterdag vanwege DEWESTHOEK (Annie & Rogier)
        op Mooie grote en kleine vrachtschepen 16
  • Hallo Lana, (paolo)
        op Mooie grote en kleine vrachtschepen 16
  • Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Laatste commentaren
  • Hallo Lana, (paolo)
        op DRINGEND!!!!!!!!!
  • Groetjes uit het zonnige Koekelare. (Hok Decru Raf)
        op Mooie grote en kleine vrachtschepen 16
  • zondaggroetjes ... (meeuw)
        op Mooie grote en kleine vrachtschepen 16
  • Fijne Pinksterdag vanwege DEWESTHOEK (Annie & Rogier)
        op Mooie grote en kleine vrachtschepen 16
  • Hallo Lana, (paolo)
        op Mooie grote en kleine vrachtschepen 16
  • Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Rondvraag / Poll
    Zou u niet met lana een nachtje in bed willen liggen
    Ja ik wil
    Nee ik wil niet
    Even over nadenken
    Durf jij u bekent maken: ja
    Durf jij u bekent maken :nee
    Bekijk resultaat

       
    Beoordeel dit blog
      Zeer goed
      Goed
      Voldoende
      Nog wat bijwerken
      Nog veel werk aan
     
    Archief per maand
  • 05-2013
  • 04-2013
  • 03-2013
  • 02-2013
  • 01-2013
  • 12-2012
  • 11-2012
  • 10-2012
  • 09-2012
  • 08-2012
  • 07-2012
  • 06-2012
  • 05-2012
  • 04-2012
  • 03-2012
  • 02-2012
  • 01-2012
  • 12-2011
  • 11-2011
  • 10-2011
  • 09-2011
  • 08-2011
  • 07-2011
  • 06-2011
  • 05-2011
  • 04-2011
  • 03-2011
  • 02-2011
  • 01-2011
  • 12-2010
  • 11-2010
  • 10-2010
  • 09-2010
  • 08-2010
  • 07-2010
  • 06-2010
  • 05-2010
  • 04-2010
  • 03-2010
  • 07-2002
  • 11--0001
    Foto
    Foto
    Blog als favoriet !
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    De klinge een dorpje aan de grens
    lana










    .

    .
    29-02-2012
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.De gierige dame
    De gierige dame



    In het begin van de zestiende eeuw woonde in Enkhuizen, vlak bij zee, een gierige dame. Ze bezat een brouwerij en had 'in het veld' nog tachtig morgen land liggen. Zij eiste dat de pacht altijd op tijd zou worden betaald.

    Nu gebeurde het eens dat zij, in de tijd van het pacht betalen, ernstig ziek was geworden. Een van de boeren was toch naar haar huis gekomen met een zak met geld.

    "Daar hebt je goed aan gedaan," zo liet ze hem weten en haar dienstbode Katrijn moest haar de zak aanreiken, opdat zij alles nauwkeurig kon natellen. Zij knikte tevreden toen alles er was en schreef een ontvangstbewijs voor de pachter.

    Na enkele dagen voelde zij dat de ziekte een verkeerde wending ging nemen.

    Vol angst voor haar bezit riep zij haar meid bij zich en zei: "Katrijn, het is met me gedaan. Ik voel dat ik zal sterven. Je moet nog één ding voor me doen en me zweren dat je het ten uitvoer zal brengen. Als ik dood ben, moet je mijn geld onder het kussen in mijn kist leggen."

    De dienstbode beloofde alles keurig te volbrengen en zwoer dat zij het aan niemand zou zeggen. Toen haar meesteres was gestorven, legde zij de avond voor de begrafenis het geld onder haar kussen en ging de volgende dag met de treurende familie mee naar de Pancraskerk om haar de laatste eer te bewijzen.

    Toen de familie na de begrafenis voor het maal in het huis bijeenzat, vroegen zij met belangstelling wat zij zouden erven. Een van de oudsten zocht de kasten na om het geld er uit te halen en tot zijn grote verwondering vond hij geen enkele stuiver. "Dat kan haast niet," zei hij tegen de anderen, "ik weet dat een pachter haar nog geen week geleden een flinke som heeft betaald. Dat geld kan nog niet weg zijn."

    "Ja," verzekerde een ander, "ik heb met mijn eigen ogen de kwitantie gezien, die zij heeft afgegeven: het was vijfentwintig goudgulden."

    "De dienstbode zal er wel meer van weten," merkte iemand grimmig op en men besloot Katrijn binnen te roepen en aan een verhoor te onderwerpen.

    De dienstbode riep schreiend uit dat zij nergens van wist. Maar de familie geloofde haar niet en een van hen liep naar de schout om zijn hulp in te roepen. Toen Katrijn de schout zag komen, viel zij vol angst op de knieën en bekende onder tranen, dat zij het geld, op last van haar meesteres, onder het kussen in de kist had verborgen.

    "Wat een dwaasheid," riep de oudste uit en omdat hij ook door de hebzucht was aangegrepen, vroeg hij aan de schout verlof het lijk terstond te mogen opgraven.

    "De kuil is pas vol met zand gegooid," zei hij, "het opgraven geeft nu nog geen ongemak. En u zult het toch wel met mij eens zijn: het is eeuwig zonde om dat goede geld daar te laten. Het komt ons toe en u weet, heer schout, dat wij van onze kant zeker genegen zijn om de stad goed te gedenken."

    De schout stemde toe en ging met de familie mee naar de kerk. Vol spanning maakte men het graf open en toen men de kist gevonden had, opende het oudste familielid het deksel met een ijzer. Doch vol afgrijzen sprong hij uit de kuil en wees zijn familieleden op het afzichtelijk schouwspel. Het deksel was er half afgegleden en men kon in het duister het lichaam van de vrouw heel goed onderscheiden. Men zag ook kronkelende slangen en hagedissen die zich met hun glanzende lijven rond de armen en benen van de vrouw geslingerd hadden. Ook uit haar mond kropen zij bij tientallen, terwijl uit de kist langzaam zwaveldampen opstegen, die alles nog gruwelijker maakten dan het al was.

    Aan geld werd niet meer gedacht. Men vluchtte vol schrik weg uit de kerk en de schout, die met enkele mannen meegegaan was, keek hen hoofdschuddend na. Hij liet het graf dichtgooien en besprak de zaak op het rechthuis met zijn medebestuurders. En zij kwamen tot het besluit dat zij aan de burgers een voorbeeld moesten stellen: zij moesten hen op duidelijke wijze waarschuwen tegen de gevolgen van de gierigheid. Vandaar die grafzerk in de Pancraskerk te Enkhuizen waarop nog net te zien is hoe een persoon door slangen omslingerd wordt.



     

    29-02-2012 om 23:15 geschreven door Felix1  

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 5/5 - (1 Stemmen)
    » Reageer (0)
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.De zus van Lana


     Een hoer komt aan bij Jantje en zegt: 30 gulden op de grond 60 gulden op het aanrecht en 90 gulden op het bed. Jantje zegt: Oke 90 gulden Hoer zegt: Dan gaan we op het bed Jantje zegt: Nee, 3 keer op de grond!

     

    29-02-2012 om 00:00 geschreven door Felix1  

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 0/5 - (0 Stemmen)
    » Reageer (0)
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Overleven

    Overleven

     

    Een vrouw van middelbare leeftijd heeft een hartaanval,

    en wordt opgenomen in een hospitaal.

    Op de operatietafel heeft ze een bijna-dood ervaring.

    Ze ziet God en vraagt of haar moment gekomen is.

    God zegt van neen, want ze zal nog 30 jaar leven.

    Om dit goede nieuws te vieren besluit ze in de kliniek te blijven,

    en zich wat te laten bijwerken:

    facelift, liposuctie borstvergroting, buik weg smelting,

    rimpelverwijdering, permanente mondcontouren,

    andere haarkleur, je weet wel, de klassieke bewerkingen.

    Ze verlaat de kliniek en wordt ter plaatse doodgereden door

    een aanstormende ambulance van de 100.

    Bij aankomst in de hemel vindt ze God en berispt hem:

    "Gij zei dat ik nog 30 jaar te gaan had!"

    God antwoordt: "Sorry mevrouw, maar ik had u niet herkend".

    29-02-2012 om 00:00 geschreven door Felix1  

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 5/5 - (1 Stemmen)
    » Reageer (0)
    28-02-2012
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Mijn eerste zoen

    Mijn eerste zoen



    Ik was al verliefd op hem toen hij nog verkering had met zijn ex. Ik had het hem alleen nooit gezegd. Niet alleen was ik super verlegen, maar ook was ik bang dat als ik hem zei wat ik voelde, dat hij geen vrienden meer wilde zijn. Ik had nog nooit een vriendje gehad, dus ik wist ook niet hoe ik dit aan moest pakken.

    Toby was al zeker 3 jaar mijn beste vriend. Toen het uit ging met zijn ex, was hij natuurlijk er kapot van. Ik steunde hem, als een normale vriendin.

    Maar op gegeven moment was Toby weer toe aan een relatie. Ondanks wat ik voor hem voelde, hielp ik hem bij het zoeken van een meisje. Zelfs mijn beste vriendin (toen der tijd) probeerde ik aan hem te koppelen. Ik onderdrukte het gevoel dat IK liever zijn vriendin wilde zijn.

    Maar goed. Er was niemand geschikt voor hem, bleek. Hij had nog wel een vage date gehad met een meisje die hij op internet had ontmoet. Daar was hij mee naar de bioscoop geweest. Nadat ze hadden gezoend, zei het meisje dat ze geen zin had in een relatie met Toby. Weer was Toby gebroken. Gelukkig duurde het deze keer niet zo lang, als toen bij zijn ex.

    Na een tijdje kon ik het niet meer voor me houden dat ik Toby leuk vond.

    Ik msnde veel met Toby. Op een avond hadden we het over ontgroenen (de eerste zoen). Hij wist dat ik nog nooit gezoend had, daarom zei hij voor de grap dat Wilko, een nogal maffe vriend van hem, wel een geschikt persoon was om mij te ontgroenen. Ik nam het te serieus en zei dat ik liever door Toby ontgroent wilde worden. Toby dacht dat ik een grapje maakte en vroeg aan me waarom hij dan beter zou zijn dan Wilko. Ik zei dat hij ervaring had en dat ik me beter op me gemak voelde bij hem. Hij ging hier niet verder meer op in die avond.

    Dagen later hadden we het weer over ontgroenen, omdat ik er over begon. Ik daagde Toby uit. Ik zei tegen hem dat hij me niet durfde te zoenen. Hij voelde zich hierdoor uitgedaagd en zei tegen mij dat we de volgende dag zouden zoenen.

    Dus liepen we de volgende dag in de pauze een rondje met z'n tweeën. Ik was erg nerveus. Toby wilde het wel achter een geluidswand doen (je weet wel, zo'n berg dat het geluid van de snelweg tegenhoudt). Dus we kropen er achter. Ik ging tegen met mijn rug tegen de houten wand staan. Toby kwam voor me staan en wilde beginnen met zoenen. Ik durfde het plots niet meer en wende me af. Ik moest lachen van de zenuwen. Toby stond verdwaasd tegen de houten wand te staren. Hij vroeg me waar ik last van had. Ik zei dat ik te nerveus was om met hem te zoenen.

    Hij was zo lief voor me, want hij besloot het rustig aan te doen met me. Hij ging voor me staan en zei dat hij me nog niet ging zoenen. Toen deed hij de rits open van mijn jas en zette me weer terug tegen de wand. Vervolgens deed hij ook de rits van zijn eigen jas los en ging voor me staan. Zijn handen gingen richting mijn buik. Heel voorzichtig begon hij te wrijven.
    Toen ging hij heel voorzichtig naar voren en begon mijn wangen te kussen. Daarna mijn nek. Ik kuste hem ook vaagjes, maar ik was nog steeds te gespannen. Ondertussen wreef hij met zijn handen over mijn middel. Ik raakte hem nu ook aan bij zijn middel.

    Na een paar minuten was ik gewend aan zijn aanraking. Toby merkte dat ik wat meer ontspande en kwam met zijn gezicht naar voren. Eerst kuste hij mijn lippen. Ik kuste terug. Toen vroeg hij mij of ik klaar was om te zoenen. Ik wilde het wel proberen.

    Zijn mond ging open. Ik deed hem na. En toen zoende we de aller-lekkerste zoen die ik me ooit kon voorstellen. Het was kort, maar zeer aangenaam. Ik moest wel een beetje wennen nog, omdat ik nog nooit eerder gezoend had. Maar ik had het snel door. Toby vond het blijkbaar ook fijn. We zoende zeker nog tien minuten door.

    Toen de pauze bijna voorbij was, en we dus moesten stoppen, zei Toby: "Nu heb ik je dus ontgroent". Ik moest lachen en was zo gelukkig, want ik had gezoend met de jongen die ik leuk vond.

    Een paar maanden na deze gebeurtenis kregen we verkering. Dat was twee en een half jaar geleden. En ik ben nog steeds zeer gelukkig met de jongen die mij ontgroende!

    28-02-2012 om 21:25 geschreven door Felix1  

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 5/5 - (2 Stemmen)
    » Reageer (0)
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.De zus van Lana

     Komt jan-modaal bij de hoeren, belt aan en een madam doet open, hij vraagt wat kost een zeg maar lekker wipje?? Onder de 100 kom je niet klaar is het antwoord. Nou zegt Jan heeft u nog wat goedkopers?? Jawel hier om de hoek zit een ouder hoertje daar kun je voor 50 gulden terecht en krijg je nog wat te drinken ook!! Dus Jan op weg, hij komt bij het adres om de hoek en er doet een wat ouder hoertje open, maar Jan vindt het er allemaal best wel lekker uitzien en zegt, ja ik ben hierheen gestuurd want je kon hier voor vijftig gulden even lekker wippen en ook nog wat te drinken erbij krijgen...... Ja dat klopt zegt de hoer, maar 1 ding ik heb geen klitoris meer......... Oohhh da's niet erg zegt jan doe dan maar berenburg!!

    28-02-2012 om 00:00 geschreven door Felix1  

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 0/5 - (0 Stemmen)
    » Reageer (0)
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Melk drinken

    Melk drinken

    Vandaag is het de eerste schooldag. Er komt een jongen en zegt;: "Juf ik heet Mike." Er komt een andere jongen, hetzelfde als de eerste jongen en zegt: "Juf ik heet Michel." Er komt een andere jongen die ook hetzelfde is als de eerste en tweede jongen en hij zegt met een basse stem: "Juf ik heet Maaikel." Juf zegt: "Zijn jullie een drieling?" "Ja", zegt Maaikel. Juf vraagt: "Waarom is je stem bas en de anderen fijn?" "Want mijn moeder had alleen twee borsten met melk en ik moest bij mijn vader melk drinken."

    28-02-2012 om 00:00 geschreven door Felix1  

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 0/5 - (0 Stemmen)
    » Reageer (0)
    27-02-2012
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Het wolvenmeisje

    HET WOLVENMEISJE



    In het dorpje Bergen hoor je elke avond om precies tien uur een wolf janken. Niemand in het dorp weet hoe dat gekomen is. En wat het verhaal er achter is. Al vele mensen gingen die jankende wolf zoeken maar nog niemand heeft hem echt gevonden. En wat ook gek was vonden de mensen in het dorp dat alle zoekende mensen levend terug kwamen. Maar een oud vrouwtje dat ver van het dorp woont, weet wat het verhaal achter de wolf is. En dat is zo:

    ‘Frederiekje, kom nu terug’ riep een vrouwe stem hard over haar erf, in het plaatsje Bergen. ‘Nee, ik kom nooit meer terug want jij wilt niet geloven dat ik met wolven kan praten’. ‘Maar Frederiekje dat kan niemand en jij ook niet’. ‘O ja dat kan wel, ik weet toch zelf wel of ik met wolven kan praten’ zei Frederiekje boos en ze liep verder weg van d’r boerderij. ‘Kom terug’ schreeuwde haar moeder en ze rende achter haar aan. Toen ze bij haar was gekomen pakte ze haar stevig vast bij haar schouder. ‘Jij kunt niet met wolven praten en ik ook niet’ zei ze met een luide stem tegen haar dochter. ‘Dat kan ik wel’ zei haar dochter terug en ze barste in huilen uit. ‘Dus jij wilt zeggen dat jij een wolf hier kunt laten staan, vlak voor mijn neus’. ‘Ja, moeder, dan kan ik’ zei Frederiekje overtuigend en ze hield op met huilen. ‘Doe maar’ zei haar moeder die rond keek of vele ogen naar haar keken. En in een keer begon haar dochter te huilen als een wolf en daar schrok haar moeder zo van dat ze haar snel los liet.

    ‘Maar maar’ zei ze stotterend, ‘dat is net zo echt als een huilende wolf’. Nadat Frederiekje een paar minuten had gehuild in verdere stilte hield ze in een keer op. Na een paar minuten diepe stilte begonnen de bomen in de verte te schudden. ‘Is het gelukt’ zei Frederiekjes moeder in stilte die naar de schuddende bomen keek. ‘JA, moeder’ zei haar dochter dreigend. De schuddende bomen kwamen steeds dichter bij Frederiekje en haar moeder, maar vlak voor het erf hield het op. ‘Ik heb mijn vriend geroepen’ zei Frederiekje met een zombie stem. ‘Wat zeg je?’ schreeuwde haar moeder huilend. ‘Heb jij een wolven vriend?’. ‘Ja, moeder’ zei Frederiekje ‘daarom mag ik van hem ook geen mensen vrienden en vriendinnetjes hebben’.’Wat, bepaalt hij jouw leven’ zei haar moeder. ‘Ja’ zei Frederiekje ‘nadat hij mijn leven had gered had wel, ja’. ‘Wanneer had hij jouw leven gered’ zei haar moeder die zocht naar de wolf in het bos aan d’r erf. ‘Een paar weken geleden toen ik terug naar huis liep viel een stom jongetje mijn aan. Hij pestte me vanwege mijn sproeten en ander domme dingen. Ik durfde niks terug te doen want hij was een kop groter als mij. Maar in een keer stond mijn vriend, de wolf, voor mijn en viel de jongen aan en ik rende van angst hard weg. Toen ik ver weg van die plek was en uitrustte stond in een keer mijn vriend, de wolf, weer voor mij. Ik verstijfde van angst maar deed zelf niks. Hij begon te huilen maar even later hoorde ik in het huilen een stem en die zei het volgende. ‘’Ik heb jouw gered omdat jij het wolvenmeisje kan worden’’. ‘Wat’ zei ik in het huilen van een wolf zonder het te weten. ’Wij de wolven hebben bepaald dat jij het Wolvenmeisje kan worden als jij dat wilt’. ’En dat zal dan inhouden dat jij onze vriend wordt. ‘Waar slaat dat nou op’, zei ik. ‘Heel simpel dat jij spullen van mensen jat voor ons ~ en wij jou beschermen’. ’Nou bedankt voor het helpen, maar’ en ik wilde hard weg rennen’. Maar de wolf pakte mijn schouder vast met zijn poot en gek genoeg was ik niet bang. ’Heb jij vrienden of vriendinnetjes? zei hij vragend. ’Nee, zei ik en ik voelde de tranen aankomen’. ‘Waarom niet?’ zei de wolf.’Zij pesten mij allemaal’. ’En wil jij vrienden hebben?’ zei de wolf. ’JA. ’Hebben wij jou gepest?’ zei de wolf. ’Nee’. ’Dus wil jij onze vrienden worden. Na een paar minuten de stile met het gehijg van de wolf te hebben gehoord zei ik: ‘JA’. ’En sinds dien steel ik spullen en zijn zij mijn vrienden geworden’. ’Dus jij hebt de spullen uit de kiosk gestolen en de andere inbraken gepleegd’ zei haar moeder. ‘JA’ zei Frederiekje beslissend. ‘En je wilt toch niet zeggen dat die jongen die jouw pest Fransje van de buren is. De jongen die dood gevonden is’. ’Ja’ zei Frederiekje weer. ’Maar dat is vreselijk’ zei haar moeder en ze zakte huilend door haar knieën. ‘Het hoefde niet zo ver te komen als jij mij gewoon maar accepteerde’. ’Maar…..maar’ zei haar moeder. ’Je hoeft niet te ontkennen hoor, want ik heb de liniaal slagen nog op mijn rug staan’. ‘Het spijt me’ zei haar moeder en ze begon nog meer te huilen. ‘Nee moeder’ zei Frederiekje: ‘dat is nu te laat’.’Ik ga nu met mijn vriend, de wolf, weg’.’Maar je bent mijn dochter’ zei haar moeder. Nu niet meer’ zei Frederiekje en ze rende weg. En sinds dien huilde Frederiekje s’avonds met haar vrienden de wolven. En haar moeder woont in een huisje ver van het dorp alleen die dit verhaal als enige weet.

    27-02-2012 om 19:54 geschreven door Felix1  

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 0/5 - (0 Stemmen)
    » Reageer (0)
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.De zus van Lana


     Dochtertje van 6 tegen haar vader in de badkamer: "Papa, wat is dat voor ding, daar onder aan je buik, met al dat haar?" Vader, verbouwereerd: "Eh, dat is een vogel." "Nou, papa, dan mag je wel oppassen dat hij niet in je lul pikt."

    27-02-2012 om 00:00 geschreven door Felix1  

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 0/5 - (0 Stemmen)
    » Reageer (0)
    26-02-2012
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Tes, het stille meisje

    Tes, het stille meisje



    Tess was een 10-jarig meisje dat erg verlegen was. Ze begon nooit uit zichzelf ergens over. En als ze haar iets vroegen was het altijd zo kort mogelijk. En zo veel mogelijk ja en nee. Tess ouders moesten altijd werken. Ze kreeg niet veel aandacht. En had geen huisdier waar ze mee kon spelen. Ze speelde veel met haar knuffels en poppen. Daar werd ze op school veel mee gepest. Niemand speelde daar meer met barbies en al helemaal niet met knuffels en poppen. Haar ouders kwamen altijd laat thuis. Ze at bijna altijd kant en klaar maaltijden. En op zondag patat. Zaterdag was de enig dag dat haar ouders vrij hadden maar dan hadden ze geen hele dag vrij, o nee! Alleen die middag vanaf 1 uur. En die dag moesten ze natuurlijk naar de winkel om het een en ander te kopen.

    Het was een maandagmorgen. Tess kwam het schoolplein oplopen. Een paar jongens ui groep acht kwamen aanlopen. Hé, daar hebben we Tess die zo stil is bij de les. Je speelt nog met knuffels, hé? Baby, baby, baby Tess is een baby. De jongens liepen lachend weg. Tess werd verdrietig. Zo ging het nou elke dag. De bel ging. Tess hing haar jas op en liep de klas in. Ze ging naast Mieke zitten. Precies het tegenovergestelde van Tess. Ze werd in de klas de kwek -kampioen genoemd. Vandaag, begon het met rekenen. Niet bepaald haar leukste vak.

    Het was middag. Tess zat voor zich uit te staren. Ze verveelde zich. Dan maar weer voor de honderdste keer één van mams boeken lezen. Dat waren er niet veel en ze had zelf geen boeken. Laat ik Het Achterhuis van Anna Frank maar weer gaan lezen. Ze kon het boek haast dromen. Maar ze vond het zo mooi en elke keer bij hoofdstuk 13 tot en met 14 pinkte ze een traantje weg. Opeens hoorde ze een deur. Wie was dat? De deur ging open. Mamma! Haar moeder zag er erg moe uit. Ziek, zei haar moeder. Mam, je moet naar de dokter en wel nu! Ze was stomverbaasd over zichzelf. Was zij nou dat stille meisje? Je hebt gelijk. Ik ben de hele week al ziek.

    Toen moeder van de dokter thuis was, vroeg Tess meteen hoe het was. Morgen moet ik bloedprikken. Uit het bloedonderzoek is gekomen dat ze de ziekte van Pfeiffer had. Het gaat alleen voorbij door rusten. Ze moest rusten. De dagen gingen voorbij. Tess ging steeds meer van haar moeder houden. Tess veranderde. Opeens interesseerde haar hele andere dingen.

    Toen de moeder beter was, riep ze Tess bij zich. Tess, ik heb besloten om te stoppen met werken. O mam ga je echt stoppen? O wat fijn!

    Zo veranderde het hele leven van Tess, het stille meisje. Ze was geen stil meisje meer. Ze durfde veel meer. Veel meer! Ze ging op een clubje. Ook daar maakte ze vriendinnen (en haar buurmeisje) Het hele leven veranderde. Ze werd niet meer gepest. Zo leefde Tess nog lang en de rest van haar leven heel gelukki

    26-02-2012 om 20:48 geschreven door Felix1  

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 5/5 - (4 Stemmen)
    » Reageer (0)
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.De zus van Lana

    "Papa, heb jij twee piemels?" "Nee natuurlijk niet, jongen, hoe kom je daar nou bij." "Nou, die je gister aan de buurvrouw liet zien, was veel groter."

    26-02-2012 om 00:00 geschreven door Felix1  

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 0/5 - (0 Stemmen)
    » Reageer (0)
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Waar komt een baby vandaan?

    Waar komt een baby vandaan?

    een zoontje vraagt aan zijn moeder waar komen baby's vandaan? ma: ja nu moet ik wel eerlijk wezen, baby's komen van de ooievaar! zoontje: maar wie neukt er nou met een ooievaar??

    26-02-2012 om 00:00 geschreven door Felix1  

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 0/5 - (0 Stemmen)
    » Reageer (0)
    25-02-2012
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.In de boksring...

    In de boksring...

    Wat denk je,' vraagt de bokser tussen twee ronden in aan zijn trainer, 'kan ik nog winnen ?' 'Zwaai maar flink met je vuisten voor zijn neus heen en weer, dan krijgt hij misschien longontsteking.'

    25-02-2012 om 00:00 geschreven door Felix1  

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 0/5 - (0 Stemmen)
    » Reageer (0)
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.De zus van Lana




    Omdraaien

    Er is een boer, die een zoon heeft. De jongen is vandaag 19 jaar geworden, maar omdat hij nog nooit van zijn leven een meisje heeft gehad, zegt zijn vader: "Nou jongen, omdat jij vandaag 19 jaar bent geworden, ga ik een meisje voor je regelen." Zo gezegd, zo gedaan, de jongen gaat 's avonds naar zijn bed toe, trekt zn schoenen uit, zet ze netjes onder de kast, vervolgens draait hij zich om en schrikt zich helemaal dood, staat daar een naakte vrouw voor zn neus...!
    De jongen doet van schrik een stap achteruit. De vrouw komt dichterbij en hij doet nog een stap achteruit.. als de vrouw heel dichtbij is, doet hij nog een grote stap achteruit, waarbij hij uit het raam valt, precies in de giertank die onder zijn raam staat. Hij begint heel hard te roepen: "Pa! Ik zit in de shit!" Zijn vader hoort dat en roept terug: "Dan moet je haar omdraaien!"

    25-02-2012 om 00:00 geschreven door Felix1  

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 5/5 - (1 Stemmen)
    » Reageer (0)
    24-02-2012
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Amor en Psyche

    Amor en Psyche



    Er waren eens in een stad een koning en een koningin. Zij hadden een drietal opvallend knappe dochters. De oudste twee waren zeer aantrekkelijk, maar men meende toch dat menselijke complimenten wel volstonden om hen te roemen. Maar het jongste meisje! Dat was zo buitengewoon, zo buitensporig mooi dat mensentaal tekortschoot om het uit te drukken of zelfs maar naar behoren te prijzen.Vele burgers en hordes mensen van buiten drongen door het gerucht van het fenomenale schouwspel belangstellend en in dichte drommen samen. Haar ongenaakbare schoonheid dwong bewondering af: men bracht de rechterhand aan de mond, waarbij de wijsvinger op de gestrekte duim rustte, en vereerde haar in eerbiedige aanbidding alsof zij Venus in eigen persoon was.

    Tot naburige steden en aangrenzende streken was het gerucht al doorgedrongen: de godin die in de blauwe diepten der baren was geboren en op het schuim van bruisende golven was grootgebracht verleende nu wijd en zijd haar hemelse genade en vertoefde te midden van de scharen der mensen. Of het was niet de zee, maar de aarde waaraan uit nieuw zaad van hemelse druppels een tweede Venus in maagdelijke bloesem was ontsproten.

    Zo verbreidde deze opvatting zich met de dag onmetelijk ver, zo verspreidde zich haar faam al over de nabijgelegen eilanden en een aardig stuk vasteland en de meeste provincies. Vele stervelingen stroomden na lange landreizen en peilloze tochten over zee tezamen voor dit idool van de eeuw. Niemand voer naar Paphos, niemand naar Cnidon of zelfs maar naar Cythera om Venus te aanschouwen. Haar feesten werden opgeschort, haar tempels ontsierd, haar divans vertrapt, haar ceremoniën verwaarloosd. Haar standbeelden bleven onbekranst, haar altaren verweesd en besmeurd met koude as. Alle gebeden richtte men tot het mëisje. Men trachtte de macht van de grote godin te verzoenen in een mensengelaat, Als het meisje 's ochtends naar buiten kwam, eerde men de naam van de afwezige Venus met offers en feestmalen, en wanneer zij door de straten schreed bewezen tallozen haar alle eer met bloemen, zowel in kransen als los.

    Deze ongepaste overdracht van hemelse ereblijken op de cultus van een mensenkind deed de echte Venus in wilde woede ontsteken. In tomeloze verontwaardiging schudde zij het hoofd en luid tierend sprak zij als volgt bij zichzelf.

    "Ziehier de oermoeder der natuur, ziehier het eerste beginsel der elementen, ziehier de voedster van heel de wereld: ik, Venus! Met een sterfelijk meisje moet ik de verering van mijn majesteit delen, zó word ik behandeld! Mijn naam van hemelse oorsprong wordt door het aardse slijk gehaald. Jawel hoor, ik moet verdragen dat mijn aanbidding gezamenlijk bezit wordt, ik moet de onzekerheid van plaatsvervangende verering dulden, en een meisje dat gedoemd is te sterven gaat mijn evenbeeld onder de mensen brengen!

    Niets heeft het mij opgeleverd dat die herder wiens rechtvaardigheid en trouw genade vonden bij de grote Jupiter mij vanwege mijn fenomenale schoonheid boven machtige godinnen heeft verkozen. Maar wie dat wicht ook is, zij zal er geen plezier van hebben dat zij zich mijn eerbewijzen heeft toegeëigend. Ik zal zorgen dat die wederrechtelijke schoonheid haar berouwen zal."

    En onmiddellijk riep zij haar zoon, de gevleugelde, die nogal een wildebras is en zich met zijn slechte karakter niets van de publieke moraal aantrekt, maar gewapend met fakkels en pijlen 's nachts door andermans huizen struint, overal huwelijken kapotmaakt, ongestraft de ergste streken uithaalt en nooit eens iets doet wat deugt. De jongen was door aangeboren bandeloosheid al brutaal, maar zij hitste hem ook verbaal nog op, bracht hem naar de bewuste stad, liet hem Psyche zien dat was de naam van het meisje en deed hem het hele verhaal van hun concurrentie in schoonheid uit de doeken.

    "Ik smeek je," riep ze tandenknarsend en verongelijkt briesend, "bij de banden van moederliefde, bij de zalige wonden van jouw pijl, bij de honingzoete brandplekken van jouw vuur, bezorg je moeder haar wraak, maar dan ook totaal. Straf die arrogante schoonheid streng en zorg gewillig voor dit ene, enkele ding: laat dat kind in brandende liefde raken voor een vent van het allerlaagste allooi, een man die in aanzien en welvaart en ook nog eens in welzijn door het lot is verdoemd, voor zo'n absolute nul dat zijn ellende op de hele wereld geen vergelijk kent." Zo sprak zij en zoende daarbij haar zoon met hete kussen, lang en innig, en begaf zich naar de dichtstbijzijnde inham van de zee. Met haar rozenvoetjes betrad zij het wateroppervlak van de deinende baren en zie: meteen zat zij hoog en droog op de kolken. Zij hoefde maar het begin van een wens te hebben, of meteen, alsof het een lang gegeven bevel was, had haar maritieme gevolg er al voor gezorgd.

    De dochters van Nereus waren erbij, zingend in koor, en de ruige Portunus met zijn groenblauwe baard, en Salacia, de armen vol vis, en de kleine dolfijnenmenner Palaemon. Ook dartelden overal op zee scharen Tritons, de een zachtjes blazend op een galmende schelp, een ander in de weer met een zijden doek tegen de brandende boze zon, nog een ander met een spiegel in de hand pal voor de ogen van zijn meesteres, en weer anderen paarsgewijs zwemmend onder de wagen. Dat was de vloot die Venus op haar tocht Oceaanwaarts begeleidde.

    Psyche plukte intussen met al haar stralende schoonheid geen enkele vrucht van haar charmes. Bekeken en geprezen werd zij door allen, maar niemand, geen koning of prins, nog geen man uit het volk wilde met haar trouwen en kwam met een aanzoek. Haar goddelijke verschijning oogstte wel alom bewondering, maar het was de bewondering die men heeft voor een kunstig gepolijst standbeeld.

    Haar twee oudere zusters,wier bescheidener schoonheid niet wereldwijd het gesprek van de dag was geworden, waren allang met een koninklijke partij verloofd en hadden een prachtig huwelijk in de wacht gesleept. Maar Psyche zat thuis als ongetrouwd meisje om haar eenzame verlatenheid te treuren. Ziek van leden en gewond in de ziel voelde zij haat voor haar eigen schoonheid, hoe geliefd die over heel de wereld ook was.

    Zo kwam het dat de arme vader van het onfortuinlijke meisje een vermoeden kreeg dat er hemelse haat in het spel was. Uit angst voor de toorn der goden consulteerde hij het aloude orakel van de Milesische god, en smeekte die hoogverheven macht met gebeden en offers om een huwelijk en een man voor het uit de gratie geraakte meisje.

    Apollo mag dan Grieks en Ionisch zijn, ter wille van de schrijver van dit Milesische verhaal orakelde hij in het Latijn:

    "O koning, zet uw dochter op een hoge rots,
    getooid als bruidje dat ten grave gaat.
    En hoop niet op een echtgenoot van vlees en bloed:
    verwacht een wreed en woedend slangenmonster.
    Hoog in de lucht vliegt het rond, een algehele plaag,
    te vuur en te zwaard bekampt het alle dingen.
    Ook Jupiter is bang, het doet de goden beven,
    het wekt zelfs huiver bij de duistere Styx."

    De koning was ooit een gelukkig man, maar na deze orakeltaal ging hij met tegenzin en triest gestemd terug naar huis, waar hij de instructies van de onheilspellende godsspraak aan zijn echtgenote ontvouwde. Dat werd treuren, wenen, jammeren, heel wat dagen lang.

    Maar de afschuwelijke voltrekking van het genadeloze orakeI was ophanden en de attributen voor de doodsbruiloft van het ongelukkige meisje werden al opgesteld. Het schijnseI van de fakkel werd zwakker door zware roetige asafzetting, de klanken van de huwelijksfluit gingen over op de klagelijke Lydische toonsoort, de blijde bruiloftszangen liepen uit op een beklemmend gehuil, het bruidje in spe wiste zich de tranen uit de ogen met haar eigen sluier. Zo was het huis eraan toe, en heeI de stad zuchtte mee om dat droeve lot. Als passend blijk van publieke rouw werden dadelijk alle lopende zaken opgeschort.

    Maar de plicht gehoor te geven aan de hemelse vermaningen noodde de arme Psyche tot de voor haar beschikte straf. Zo werden de plechtigheden van haar doodshuwelijk in diepe droefenis voltrokken. Heel het volk liep mee in de stoet van een Ievend lijk, en in tranen nam Psyche deel aan de processie, niet die van haar bruiloft maar van haar uitvaart. En toen haar ouders, bedrukt en verslagen door het grote ongeluk, aarzelden de onzegbare daad te volbrengen, kregen zij enige bemoedigende woorden van hun eigen dochter.

    "Waarom uw arme oude dag gekweld door langdurig geween? Waarom uw levensadem, of beter gezegd de mijne, uitgeput met aanhoudend jammergeschrei? Waarom met nutteloze tranen die voor mij zo eerbiedwaardige gelaten ontsierd? Waarom uw ogen, en daarin de mijne, verwond? Waarom dat grijze haar uitgerukt? Waarom die borst, die heilige boezem, met slagen overladen? Dit wordt dan uw speciale beloning voor mijn uitzonderlijke schoonheid. Het is een nekslag van de verfoeilijke Afgunst, dat voelt u nu het te laat is. Toen hele landen en volkeren ons met goddelijke ereblijken huldigden, toen ze mij als uit één mond tot nieuwe Venus uitriepen, ja toen had u moeten treuren en huilen, toen had u om mij moeten rouwen alsof ik al dood en begraven was. Nu voel ik het, nu zie ik het, enkel en alleen de naam Venus heeft mij de das omgedaan. Neem mij mee en zet mij op de rots waar het orakel mij voor aanwees. Ik kan niet wachten op die fijne bruitoft, ik kan niet wachten mijn edele echtgenoot te zien! Wat stel ik nog uit? Wat deins ik nog terug voor hem die komt, voor hem die geboren is tot onheil van de hele wereld?"

    Na deze verklaring deed het meisje er het zwijgen toe. Met inmiddels ferme tred voegde zij zich bij de optocht van de mensen die haar begeleidden. De tocht ging naar de voorgeschreven rots in de steile bergen, waar men het meisje op de hoogste top plaatste en vervolgens en masse verliet. De bruiloftsfakkels, waarmee haar weg was bijgelicht, liet men door eigen tranen gedoofd achter en met gebogen hoofd aanvaardde men de tocht huiswaarts.

    Haar arme ouders waren gebroken door die grote ramp. Zij sloten zich op in huis, hulden zich er in de schemer en gaven zich over aan eeuwige nacht.

    Maar terwijl Psyche bang en bevend bovenop die rots haar tranen de vrije loop liet, stak een milde bries op van een zoetjes blazende Zefier. Die wekte een gewapper in haar kleed, ter linker- en ter rechterzijde, en zorgde voor een opwaaiend jurkje en tilde haar lichtjes opwaarts. Met zijn bedaarde adem voerde hij haar langs de hoge rotswanden geleidelijk mee naar beneden tot aan een dal in de diepte, waar hij haar zachtjes in de schoot van een bloeiende weide te rusten legde.

    Psyche lag daar heerlijk in dat prille, grasrijke gebied, op haar bedje van bedauwd groen. Nu haar grote zielsberoering was gekalmeerd, viel zij in een zoete slaap. Zodra zij door voldoende rust verkwikt was, stond zij kalm gestemd weer op.

    Een dicht woud zag zij, van rijzige en stevige bomen, en een glinsterende bron zag zij, van glashelder water. Midden in het middelpunt van het woud, nabij de vloeijng van de bron, lag een paleis, dat niet door mensenhand maar met godenkunst was gebouwd. Meteen als je binnentrad besefte je dat wat je zag het stralende, fraaie verblijf van een godheid was: een hoog cassetteplafond, kunstig gesneden uit citrushout en ivoor, geschraagd door gulden zuilen; alle wanden overdekt met zilveren reliëfwerk van roofdieren en dat soort wild het sprong al bij binnenkomst in het oog. Wat een geweldig man, nee, halfgod of zelfs god, om met grote techniek en raffinement alle zilver zo te laten verwilderen! En dan de vloeren! Die waren met fijn geslepen kostbare steentjes ingelegd en vertoonden vaksgewijs allerlei taferelen. Twee, nee driewerf gelukkig zij wier voeten op edelstenen en juwelen treden!

    Ook de andere delen van het uitermate ruim aangelegde paleis waren van onschatbare waarde: hele wanden van massief goud, die fonkelden van eigen glans, zodat het huis zijn eigen daglicht schiep, al liet de zon het afweten; slaapkamers, zuilengalerij, ja zelfs de poort stond er blinkend bij. En de rest van de praal ging met de pracht van het huis al even goed samen. Het leek waarachtig gebouwd voor de grote Jupiter, een hemels paleis waarin hij onder de mensen kon verkeren.

    Aangelokt door alle pracht van dit gebouw kwam Psyche naderbij, vatte een weinig moed en stapte over de drempel. Zij was nieuwsgierig naar al dat moois en onderwierp al spoedig alles aan een nader onderzoek. Aan de andere kant van het gebouw ontdekte zij loodsen van hoogwaardige makelij, tot de nok toe gevuld met schatten. Er is niets wat daar niet was! Maar behalve bewondering voor die grote rijkdommen wekte het vooral verbazing dat dit schathuis van de hele wereld door geen ketting, geen slot, geen wachter was afgegrendeld.

    Terwijl zij dit alles met groot genoegen bekeek deed zich aan haar een stem voor zonder bijbehorend lichaam. "Waarom staat u zo versteld van die rijkdommen, mevrouw?" vroeg de stem. "Alles is van u! Begeeft u zich dus naar de slaapkamer, komt u op bed wat bij van de vermoeidheid en neemt u desgewenst een bad. Wij, van wie u nu de stemmen hoort, zijn uw dienaressen, wij zullen u heel goed verzorgen. En bent u eenmaal opgefrist, dan wordt u onverwijld een vorstelijk maal geserveerd."

    Psyche voelde de zegening van de goddelijke voorzienigheid en gaf gehoor aan wat de gedaanteloze stem haar zei. Met eerst wat slaap en dan een bad waste zij haar vermoeienis weg. Ineens zag ze vlak in de buurt een half ronde verhoging staan. Uit het eetgerei maakte ze op dat die was bestemd om haar te laven en met plezier ging ze aanliggen.

    Aanstonds werden haar wijn van nectarkwaliteit en allerhande spijzen voorgezet, dienbIaden vol, maar zonder dat iemand bediende; er was enkel een beweging van de lucht. Zij kon niemand zien maar hoorde woorden opklinken, en ze had alleen stemmen als dienaressen. Na het overvloedige banket kwam er iemand binnen, die onzichtbaar een lied zong. Een ander bespeelde een lier, die al evenmin te zien was. Daarna werd haar oor getroffen door de strakke melodie van meerstemmig gezang; er viel geen mens te bekennen maar het was onmiskenbaar een koor. Toen die geneugten voorbij waren noodde de avond Psyche zich ter ruste te leggen.

    Diep in de nacht bereikten zachte geIuiden haar oren. Daarop begon zij in haar totale verlatenheid te vrezen voor haar maagdelijkheid, en zij beefde en huiverde en voelde grotere angst voor het onbekende dan voor wat voor kwaad dan ook. Daar was dan haar onbekende echtgenoot... Hij had het bed al bestegen en Psyche tot zijn vrouw gemaakt en was voor de dageraad alweer snel vertrokken. De stemmen waren voor de deur aan het wachten en ontfermden zich dadelijk over het jonge bruidje en haar verloren maagdelijke staat.

    Aldus verliepen de dingen geruime tijd, en zoals dat nu eenmaal gaat werd haar nieuwe ervaring door gewenning tot iets aangenaams. Het onzichtbare stemgeluid was haar daarbij tot troost in de eenzaamheid.

    Intussen kwijnden haar ouders weg in onvermoeibare rouw en treurnis. Omdat het verhaal zich steeds verder verbreidde kwamen haar oudere zusters alles te weten. In allerijl verlieten zij treurend en rouwend hun eigen huis en haard, en togen om het snelst op weg. om hun ouders te zien en te troosten.

    Diezelfde nacht richtte de echtgenoot het woord tot zijn Psyche (want hij mocht dan niet zichtbaar zijn, hij was daarom niet minder tastbaar en hoorbaar).

    "Psyche," zei hij, "mijn allerliefste, dierbare vrouw, de wrede Fortuna heeft een dodelijk gevaar voor jou in petto, waar je naar mijn mening heel erg goed voor moet uitkijken. Je zusters zijn ontzet bij de gedachte dat je dood bent en zoeken een spoor van jou. Binnen de kortste keren staan zij daar bij die rots. Mocht je soms enigerlei geweeklaag van hen opvangen, geef dan geen antwoord, nee, kijk niet eens hun kant op. Anders bezorg je mij heel veel pijn en jezelf een wisse dood!"

    Zij knikte en zegde plechtig toe te doen zoals haar echtgenoot wenste. Maar hij was nog niet met nacht en al verdwenen of ze deed de hele dag niet anders dan huilen en jammeren, het arme kind. Nu was zij echt totaal verloren, zei ze telkens bij zichzelf. In een gouden kooi zat ze, verstoken van alle menselijk contact, en nu mocht ze niet eens haar eigen zusters, die om haar treurden, moed inspreken of hen zelfs maar zien. Zonder bad of eten, zonder enigerlei versterkende Iafenis begaf zij zich, uitbundig wenend, richting slaap.

    Het duurde maar even of haar echtgenoot legde zich bij haar in bed, vroeger dan anders. Zij was zelfs op dat moment nog aan het huilen, en hij omheIsde haar.

    "Is dat nu wat je mij beloofde, lieve Psyche?" vroeg hij verwijtend. "Wat mag ik als echtgenoot van jou verwachten? Wat mag ik hopen? Dag en nacht en zelfs in de echtelijke omarming ga jij maar door jezelf te kwellen. Toe dan maar, doe als je wilt, geef maar gehoor aan je hartenwens, al komt die je duur te staan. Maar bedenk wel hoe ernstig ik je heb gewaarschuwd, wanneer je spijt krijgt en het te laat is!"

    Toen kreeg zij met smeekbeden en zelfmoorddreigementen van haar man gedaan dat hij instemde met haar wensen, dat zij haar zusters mocht zien, hun rouw mocht verzachten, hen mocht spreken van aangezicht tot aangezicht. Zo willigde hij de smeekbeden van zijn bruidje in en stond haar bovendien nog toe hun alle goud of juwelen te schenken die zij maar wilde. Maar hij waarschuwde haar bij herhaling en joeg haar telkens schrik aan: zij moest zich niet door haar zusters met hun verderfelijke ideeën laten bepraten! Zij mocht niet trachten uit te vinden hoe haar man eruitzag, anders zou zij door die heiligschennende nieuwsgierigheid nog te pletter storten vanaf de toppen van haar rijkdom en voortaan zijn omhelzingen moeten missen.

    Zij zegde haar echtgenoot dank en voelde zich al wat vrolijker. "Liever sterf ik honderd doden," sprak zij, "dan dat ik verstoken blijf van dit zalige huwelijk met jou! Want ik houd van jou, ik houd zo vreselijk veel van jou, wie je ook bent, evenveel als van mijn leven, ik stel jou zelfs boven de grote Cupido! Maar vervul alsjeblieft, ook deze ene wens: zeg aan je dienaar Zefier dat hij mijn zusters via eenzelfde soort vervoer hierheen brengt."

    En zij bedekte hem met overtuigende zoenen, overstelpte hem met strelende woorden, omstrengelde hem in een stevige omarming, en dikte haar vleierijen nog wat aan met "Schatje van me!" en "Manlief!" en "Zoete ziel van je Psyche!".

    Door de dwingende kracht van haar liefdesgefluister zwichtte haar echtgenoot tegen zijn zin en zegde alles toe. De dageraad was al ophanden toen hij uit de armen van zijn vrouw verdween.

    Intussen hadden haar zusters navraag gedaan naar de rots en de precieze locatie waar Psyche was achtergelaten, en in haast kwamen zij daar aan. Zij huilden zich de ogen uit het hoofd en sloegen zich op de borst, totdat hun stroom van jammerkreten op de rotsen en klippen weergalmde. Daarna gingen zij hun arme zuster bij name roepen, totdat hun doordringend, klagelijk stemgeluid neergolfde van de hellingen en Psyche buiten zichzelf en trillend het huis kwam uitgerend.

    "Vanwaar dat zielige geweeklaag?" vroeg zij. "Jullie kwellen jezelf voor niets. Jullie rouwen om mij, maar hier ben ik! Stop dus met die rouwkreten, droog nu eindelijk jullie wangen, die langdurig nat van tranen zijn. De vrouw die jullie bejammerden kunnen jullie nu omhelzen!"

    Toen riep zij Zefier en herinnerde hem aan haar echtgenoots opdracht. Zonder dralen gaf hij gehoor aan het bevel en vervoerde de zusters terstond met een uiterst mild briesje schadevrij naar onderen. Het trio viel elkaar in de armen en zoende elkaar gretig, genietend van het samenzijn, en de reeds gestelpte tranen maakten door alle vreugde hun rentree.

    "Maar kom toch.ook naar ons huis!" zei Psyche. "Treed binnen onder ons dak en laat jullie bekommerde ziel op adem komen met jullie eigen Psyche."

    Zo heette zij hen welkom, toonde hun de grote weelde van het gouden huis en gaf hun de talrijke schare gedienstige stemmen te horen. Zij bereidde hun een vorstelijk onthaal met een schitterend bad en de heerlijkheden van een bovenmenselijk maal. Die waarlijk hemelse schatten brachten de zusters in hun volle overdaad de verzadiging en de gevolgen bleven niet uit: diep vanbinnen ging in hen de afgunst knagen. Zo bleef een van beiden tamelijk gedetailleerde, nieuwsgierige vragen stellen: wie was toch de eigenaar van dat hemelse goed? En wie was dan haar echtgenoot en wat voor man was dat?

    Psyche echter schond het echtelijk gebod op generlei wijze, maar hield het vast in de diepten van haar hart. Ter plekke verzon zij dat hij een jongeman was, een knappe vent, die juist de schaduw van een donzig baardje op de wangen had en meestentijds aan het jagen was langs berg en dal. En om te voorkomen dat ze haar stille pIan per ongetuk zou verraden als het gesprek nog werd voortgezet, overlaadde ze hen met goudwerk en zwaar bezette halssnoeren, riep dadelijk Zefier erbij en droeg hen over voor de retourvlucht.

    Die werd dadelijk uitgevoerd, waarna de voortreffelijke zusters huiswaarts togen. Groen en geel van almaar verergerende afgunst deden zij in samenspraak langdurig hun bektag bij elkaar.

    "Kijk nu eens, blinde, wrede, gemene Fortuna!" begon een van beiden ten slotte. "Is dit nu wat u wilde? Moeten wij, dochters van twee en dezelfde ouders, een zo verschilIend lot dragen? Wij, de twee oudsten, zijn als slavinnen aan buitenlandse echtgenoten uitgeleverd en slijten daar onze dagen, verstoten uit huis en vaderland, ver van onze ouders, ballingen gelijk. Maar die jongste, die laatste vrucht van een uitgeputte moederschoot, die heeft dus al die rijkdom en een god als man gekregen? Zij weet die overdaad aan bezittingen niet eens goed te gebruiken! Heb je gezien, zuster, hoeveel kostbare halssnoeren er in huis liggen? En al die glanzende kleren en fonkelende edelstenen? En al dat goud, waar men her en der de voet op zet? Als zij dan ook nog een echtgenoot heeft die zo knap is als zij beweert, dan moet zij wel de gelukkigste vrouw ter wereld zijn.

    Maar als hun contacten verder gaan en hun genegenheid aan sterkte wint, zal haar goddelijke eega haar wellicht nog tot godin maken... Verdomd, dat is het, zo deed ze, zo liep ze erbij! Ze steekt de neus in de wind met het air van een godin terwijl ze maar een vrouw is, en ze heeft stemmen als slavinnen en commandeert zelfs winden. Maar ik? Ik zit heel zielig met een man opgescheept die, om te beginnen, ouder is dan mijn vader, en daarbij nog kaler dan een pompoen en kleiner van stuk dan een willekeurig jochie. En heel het huis houdt hij met grendels en kettingen potdicht."

    "Nou, dan ik," nam de ander het over. "Ik kan het doen met een man die is geknakt en kromgetrokken van de jicht en die daardoor slechts zelden mijn Venus met een bezoekje vereert. Meestal mag ik zijn misvormde, verkalkte vingers masseren en mijn tere handjes branden aan muffige kompressen en viezige verbandjes en groezelige pleisters. Ik heb niet de positie van toegewijde echtgenote, maar de bezwaarlijke rol van verpleegster.

    Jij moet zelf maar zien, zuster, hoe geduldig, of liever hoe slaafs (ik maak van mijn hart geen moordkuil) jij die toestand nog verdraagt, ik kan het in elk geval niet meer aanzien dat zo'n gelukkig lot een meisje te beurt is gevallen dat het niet verdient. Bedenk nog maar eens hoe hooghartig en arrogant zij ons behandelde, hoe zij met dat gesnoef en dat mateloos gepraal als dikdoener door de mand viel. Van al die rijkdommen wierp zij ons met de grootste moeite wat kleinigheidjes toe en al dadelijk was onze aanwezigheid haar tot last en liet zij ons afvoeren, wegwaaien, wegblazen. Zo waar als ik vrouw ben en ademhaal, ik gooi haar van die torenhoge rijkdom af!

    Als onze vernederende behandeling ook jou heeft gestoken, wat heel normaal zou zijn, laat ons dan samen een plan in elkaar timmeren. De spullen die wij bij ons hebben moeten we niet aan onze ouders of enig ander laten zien, nee, we weten niet eens dat zij nog in leven is! Het is al erg genoeg dat we dingen hebben gezien die we liever niet hadden gezien, laat staan dat we bij haar ouders en alle volkeren haar geluk gaan rondbazuinen. In stilte rijk maakt niet gelukkig! Zij zal merken dat wij geen bedienden maar haar oudere zusters zijn.

    Laten wij nu maar weer naar onze mannen gaan en de nette armoe van ons huis opzoeken. Dan kunnen wij de zaak eens lang en grondig overdenken en keren wij des te sterker terug voor de bestraffing van haar hovaardij."

    Dit slechte plan beviel de twee slechte vrouwen opperbest. Zij verstopten al hun kostbare geschenken, en zich aan de haren trekkend en de wangen openkrabbend - hun verdiende loon! - hervatten zij hun geveinsd gejammer. Zo joegen zij ook hun ouders schrik aan en reten bij hen de wond van het verdriet weer open. Met van waanzin opgeblazen koppen haastten ze zich naar huis, terwijl ze een misdadige list, ja, naastenmoord jegens hun onschuldige zuster beraamden.

    Intussen praatte Psyche's echtgenoot opnieuw tijdens nachtelijke gesprekken op haar in. "Zie je nu wat voor groot gevaar je loopt?" vroeg hij. "Fortuna schermutselt al op afstand, en als jij niet ruim van tevoren en terdege op je tellen past, slaat zij straks van dichtbij toe. Die trouweloze teven zetten alles op alles om jou een hinderlaag te leggen. Het komt erop neer dat zij jou willen overhalen tot inspectie van mijn gezicht, maar ik heb je al vaak gezegd: zie je dat eenmaal, dan zie je het niet meer.

    Welaan, als straks die vreselijke vampiers met hun perverse suggesties komen (en komen zullen zij, dat weet ik zeker), ga met hen dan helemaal niet in gesprek. En als jij dat met je eenvoudige naïviteit en fijngevoelige natuur niet verdraagt, laat dan tenminste je echtgenoot overal buiten: niets aanhoren, niets beantwoorden! Want binnenkort... krijgen wij gezinsuitbreiding en jouw nog kinderlijke schoot zal ons weldra zelf een kindje dragen. Als jij nu onze geheimen in stilte bewaart, zal het goddelijk zijn, maar sterfelijk als je ze prijsgeeft."

    Het nieuws deed Psyche bloeien van blijdschap. Zij klapte in de handen bij het troostrijke idee van een goddelijk nageslacht, zij voelde grote trots over een toekomstig liefdeskind en verheugde zich op de roemvolle titel "moeder". Vol spanning telde zij de dagen die erbij kwamen en de maanden die vergleden. In haar onervarenheid en onwetendheid van haar last verwonderde zij zich dat van zo'n klein prikje zo'n grote dikke buik kan komen.

    Maar onderwijl kwamen die monsters, die afgrijselijke Furiën, de adem bezwangerd van venijn, alweer in onheilige haast aanzeilen. Toen sprak de man van komen en gaan zijn Psyche wederom vermanend toe.

    "Dit is de laatste dag," zei hij. "De toestand wordt kritiek. Je eigen sekse is op jou gebeten, je eigen bloed heeft het op jou gemunt: zij hebben de wapenen al opgepakt, hun kamp al opgebroken, de linies opgesteld, de klaroenen doen schallen. Jouw snode zusters hebben het zwaard al getrokken en op je keel gericht. Ach, mijn lieve, zoete Psyche, wat een rampen staan ons te wachten! Ontferm je toch over jezelf en over mij! Verlos door heilige zelfbeheersing je huis en echtgenoot, jezelf en dat kleintje van ons van de droefenis van dreigende ondergang! Die gewetenloze vrouwspersonen hebben met hun moordende haat de bloedband met voeten getreden en jij mag hen geen zusters meer noemen. Zie hen niet aan, hoor hen niet aan, wanneer zij gelijk Sirenen over de klip reiken en de rotswanden laten weergalmen met hun stemmen des doods!"

    Psyche's antwoord werd deels gesmoord in tranenrijk gesnik. "Al langer ben je volgens mij aan het kijken," zei ze, "hoe zwaar mijn trouw en discretie nu werkelijk wegen, maar ook nu zal mijn vastberadenheid jouw goedkeuring kunnen wegdragen. Ik vraag je alleen onze Zefier opnieuw opdracht te geven zich te kwijten van zijn taak en mij, als ik dan jouw geheiligde gestalte niet aanschouwen mag, althans mijn gezusters voor ogen te voeren. Bij je kaneelgeurige, alom golvende lokken, bij je zachte,.gladde, op de mijne gelijkende wangen, bij je börst die gloeit van een vuur waar ik geen weet van heb, en zo waar als ik hoop je gezicht tenminste in dit kleintje te herkennen: laat je vermurwen door de vrome gebeden van een bange smekelinge! Gun mij het genoegen van een zusterlijke omhelzing en verkwik de ziel van jouw toegedane, toegewijde Psyche met blijdschap. Jouw gezicht, daar zal ik niet langer naar vragen en zelfs het nachtelijk duister kan mij niet deren, want ik heb jou, jij bent mijn licht!"

    Betoverd door die woorden en zachte liefkozingen wiste haar eega haar tranen met zijn haren af en stemde toe. En nog voor het eerste licht van de nienwgeboren dag was hij vertrokken.

    Het eendrachtig samenspannende zusterpaar toog zonder hun ouders ook maar te zien rechtstreeks vanaf het schip in vliegende vaart richting rots. Zonder zelfs maar af te wachten of de wind die hen zou dragen wel present was, sprongen zij met onbezonnen overmoed de diepte in. Maar Zefier bleef het koninklijk besluit indachtig, ving hen (zij het met tegenzin) op in de schoot van zijn luchtige bries en deponeerde hen op de grond. Zonder dralen marcheerden zij dadelijk het huis binnen en omhelsden hun prooi. "Zusters" noemden zij zich leugenachtig, en met een vrolijk gezicht verhulden zij het bedrog dat in hun hart lag opgepot.

    "Psyche, je bent geen kleintje meer zoals vroeger," vleiden zij haar. "Je wordt zelfs moeder! Besef je hoeveel goeds je voor ons in die buidel draagt? O, wat een geluksvogels zijn wij, wat een vreugde zal het zijn dat gouden kind groot te brengen! Als hij zijn ouders in schoonheid gelijkt, zoals het hoort, dan komt er een heuse Cupido ter wereld!"

    Zo wisten zij met geveinsde gevoelens geleidelijk het hart van hun zuster te enteren. Meteen bood Psyche hun een stoel om bij te komen van de reis en liet zij hen verzorgen met een stomend bubbelbad; vervolgens gaf zij hun een schitterend onthaal in de eetzaal met van die speciale, verrukkelijke gerechten, inclusief sappige worsten! Zij gebood citerspel, en er was getokkel. Fluitspel moest er komen, en het weerklonk. Koorzang wilde zij, en een gekwinketeer ving aan. Er viel geen mens te bekennen, maar al die geluiden streelden de zinnen van het gehoor met de zoetste melodieën.

    Maar de slechtheid van die misdadige vrouwen werd zelfs door dat honingzoet gezang niet verzacht of afgezwakt. Zij leidden het gesprek in de door hen gewenste richting, die van de valstrik, en probeerden haar onopvallend uit te horen: die man van haar, wat was dat eigenlijk voor iemand? Uit wat voor familie kwam hij en wat was zijn achtergrond? In haar overmaat aan eenvoud vergat Psyche haar eerdere relaas en zoog een nieuw verhaal uit de duim: haar man kwam uit de buurprovincie en dreef een handelsonderneming, een zaak waarin veel geld omging. Hij was van middelbare leeftijd, met hier en daar een toefje grijs in het haar. Zij liet het gesprek geen moment langer duren maar overlaadde hen wederom met de fraaiste geschenken en zond hen met hun windvervoer retour.

    Reeds onderweg op de vleugels van Zefiers kalme bries begonnen zij samen te kijven. "Nou, zus, wat moeten wij zeggen van die monsterlijke leugen van die domme meid? Eerst was het een jongen die zijn eerste dons tot baardje kweekt, nu een man van middelbare leeftijd met een blinkend witte haardos! Wat is dat voor een man, die in een luttele spanne tijds zo razendsnel verouderd is. Er is maar één antwoord, zusterlief: die slechte vrouw liegt alles bij elkaar, ofwel zij weet niet hoe haar echtgenoot eruitziet. Hoe dit ook zij, zij moet zo spoedig mogelijk uit die rijkdommen worden ontzet. Kent zij het gezicht van haar man niet, dan heeft zij stellig een god gehuwd en brengt die zwangerschap ons nog een god! In alle geval, wordt zij ooit - wat de hemel verhoede - bekend als moeder van een godenzoon, dan maak ik dadelijk een strop en knoop me op. Maar goed, laat ons intussen naar onze ouders terugkeren en de kern van dit gesprek gaan omwerken tot een kleurrijk web van listen."

    Ontvlamd door dit plan brachten zij hun ouders een vluchtig bezoek, waarna zij heel de nacht doorwaakten en doorwoelden, de sekreten, om bij dageraad weer naar de rots te vliegen. En vandaar ging de vlucht met de gebruikelijke hulp van de wind in volle vaart naar beneden. Met toegeknepen ogen persten zij tranen te voorschijn en richtten listig het woord tot hun zus.

    "Jij zit daar maar blij en gelukkig te wezen," spraken zij, "in totale onwetendheid van de narigheid waarin je verkeert en zonder zorgen om het gevaar dat je loopt. Maar wij brengen om jouw belangen slapeloze nachten door en worden door jouw ellende vreselijk gekweld. Wij zijn namelijk achter de waarheid gekomen, en als bondgenoten in je leed en lot kunnen wij jou die niet onthouden: een kolossale slang die in tal van knopen en krullen kronkelt, de nek bloedensvol schadelijk vergif, de muil afgrondelijk opengesperd, legt zich 's nachts in het verborgene naast jou ter ruste. Denk nu dan eens terug aan de pythische orakelspreuk, die proclamatie dat je was voorbestemd voor een huwelijk met een grimmig monster! Veel boeren en jagers uit de omtrek en tal van buren hebben hem 's avond na het eten terug zien keren en zien zwemmen in de ondiepten van de rivier hier vlakbij. Niet lang meer zal hij jou nog vleiend en vriendelijk vetmesten, zo beweren zij allen, maar zodra je zwangerschap voldragen is en je dikke buik een rijkere vrucht draagt, vreet hij je op!

    Je moet natuurlijk helemaal zelf weten of je wilt luisteren naar je zusters, die bezorgd zijn om jouw heil, en na ontsnapping aan de dood met ons in veiligheid wilt leven, dan wel je graf wilt vinden in de ingewanden van dat gruwelijke monster. Misschien heb je wel plezier in de klinkende eenzaamheid van deze negorij, in die vunzige, riskante, heimelijke liefdescontacten en de omhelzingen van een gifslang. Nu goed, dan hebben wij tenminste onze dure zusterplicht gedaan."

    Ach, arme Psyche... In haar naïviteit en teerhartigheid was zij geschokt en ontzet over die bikkelharde woorden. Zij trad de grenzen van haar verstand te buiten, raakte alle gedachten aan de vermaningen van haar echtgenoot en haar eigen beloften volledig bijster en stortte zich in een poel van ellende. Trillend, lijkbleek, met falende stem wist zij hortend en stotend nog iets uit te brengen.

    "O mijn lieve, alterliefste zusters," zei ze tot hen, "jullie houden de familietrouw hoog, zoals dat hoort, en ook de mensen die tegen jullie dat soort dingen vertellen lijken mij geen leugens te verzinnen. Want inderdaad, nog nooit heb ik mijn mans gezicht gezien, ik weet niet eens van welke streek hij is. Ik hoor alleen 's nachts zo half-en-half zijn stem en moet een echtgenoot verduren van onduidelijke status, een ronduit lichtschuw wezen. Dus als jullie zeggen dat hij een beest is, klopt dat wel en heb ik alle reden het met jullie eens te zijn. Hij doet er altijd alles aan mij af te schrikken hem te zien en dreigt mij met groot onheil als ik nieuwsgierig ben naar zijn gelaat. Indien jullie nu jullie zuster in nood een helpende hand kunnen reiken, schiet dan nu te hulp! Nalatigheid na voorzorg maakt alle goeds weer ongedaan."

    Nu was het hek van de dam, en hadden die criminele vrouwspersonen rechtstreeks toegang tot hun zusters hart. Zij gaven alle heimelijke machinaties op en met het getrokken zwaard van bedrog marcheerden zij het bange brein van het argeloze meisje binnen.

    "Onze bloedbanden," zo begon een van beiden, "dwingen ons terwille van jouw leven aan alle gevaar voorbij te zien. Er is maar één weg die leidt naar het heil. Wij hebben daar lang en breed over nagedacht en wij zullen jou die weg nu wijzen. Neem een vlijmscherp mes, slijp het nog wat bij door het over je zachte hand te strijken en verberg het ongemerkt aan de kant van het bed waar jij altijd ligt. Neem ook een geschikte lamp, vul hem met olie, zodat hij een helder licht verspreidt, en stop hem ergens weg in een afgesloten potje. Maar zorg dat van al dit materiaal absoluut niets te zien is! Wanneer hij dan met slepend spoor is komen aanglijden en in bed is gekropen zoals gewoonlijk, en als hij in zijn volle lengte ligt en in een eerste zware slaap geraakt en zijn adem een diepe sluimering gaat verraden, glip dan uit bed, trippel lichtjes als een vogeltje op blote voetjes naar de lamp en bevrijd die uit zijn nare, donkere gevangenis. Laat je raden door zijn licht en grijp je kans voor een roemrijke daad: neem het tweesnijdend wapen moedig op, hef eerst je rechterhand en hak dan zo hard je kunt die kwade slang de kop van zijn romp! Wij zullen jou met raad en daad bijstaan: zodra jij je leven hebt gered door hem te doden, staan wij gespannen paraat om al die schatten heel snel samen met jou weg te halen. Dan arrangeren wij voor jou een wenselijk huwelijk, een verbintenis tussen mens en mens."

    Door deze woordenbrand vatte het toch al gloeiend gemoed van hun zusje volop vlam. Terstond lieten zij haar in de steek: de grond werd hun te heet onder de voeten. Op de vertrouwde waaiing van de gevleugelde bries belandden zij weer bovenop de rots, vanwaar zij ijlings op de vlucht sloegen, schielijk scheep gingen, verdwenen.

    Psyche bleef alleen achter (alhoewel een vrouw in de greep van vijandige furiën eigenlijk niet alleen is). In haar treurnis deinde zij gelijk de branding van de zee. Haar plan stond vast, zij wist precies wat zij wilde, maar als zij de hand richting wandaad bewoog was dat plan weer niet zo zeker en ging zij wankelen. Zij werd verscheurd door een veelheid aan emoties vanwege haar dilemma: gehaastheid en uitstel, durf en angst, wanhoop en woede, en het ergst van alles, in een en hetzelfde lijf haatte zij het beest, maar hield zij van de man. Maar de avond voerde de nacht reeds met zich mee en in allerijl trof zij de voorbereidingen voor de onzegbare misdaad.

    De nacht kwam, en haar echtgenoot kwam, en na wat eerste venerische schermutselingen verzonk hij in een diepe slaap. Psyche was van nature fragiel van lichaam en ziel, maar nu kwamen er door de wreedheid van het Lot grote krachten in haar los. Zij pakte de lamp te voorschijn, greep het mes en nam in haar durf de andere sekse aan. Toen liet zij haar licht schijnen over het bed en alle geheimen kwamen bloot te liggen... En wat zag zij? Het allerliefste, allerzoetste dier dat er bestaat, niemand minder dan Cupido, de mooie god, die er heel mooi bij lag.

    Bij die aanblik ging zelfs het lamplicht harder branden van plezier en kreeg het mes berouw van zijn heiligschennende scherpte. En dan Psyche! Door die prachtige aanblik raakte zij verschrikt, verlamd. Krachteloos en krijtwit viel zij in onmacht trillend op de knieën en poogde het wapen te verbergen, ja, in haar eigen borst. En dat had zij beslist ook gedaan als het wapen haar niet uit schrik voor zo'n vreselijk delict uit de roekeloze handen was geglipt en weggevlogen. Uitgeput, onmachtig staarde zij steeds weer naar de schoonheid van zijn goddelijk gelaat, en zo kreeg zij weer de geest.

    Wat zag zij precies? Op zijn gulden hoofd lag een weelderige haardos gedrenkt in ambrozijn, en langs de roomblanke nek en rozige wangen dwarrelden lokken in fraaie verstrengeling, voorwaarts dan wel achterwaarts golvend: hun flitsende glans bracht zelfs het lamplicht aan het flikkeren. Op de schouders van de gevleugelde god blonken blanke dauwfrisse veertjes, en hoewel zijn vleugels stillagen, waren op de punten wat kleine, fijne pluimpjes zwierig wuivend rusteloos aan het wapperen. En de rest van zijn lijf was glad en glanzend. Echt, Venus hoefde van zo'n zoon geen spijt te hebben! Voor de poten van het bed lagen zijn boog, zijn pijlkoker en pijlen, genadige wapens van de grote god.

    Psyche, onverzadigbaar en daarbij tamelijk nieuwsgierig, onderwierp deze voorwerpen aan een nader onderzoek. Zij betastte en bewonderde de wapens van haar echtgenoot, nam een pijl uit de koker en testte de punt met het topje van haar duim. Maar haar hand trilde nog altijd, zij duwde wat te hard en prikte te diep. Kleine dropjes rozig bloed parelden op de huid te voorschijn... Zo werd Psyche zonder het te beseffen door eigen toedoen verliefd op de Liefde.

    Nu brandde zij alsmaar meer van begeerte naar Cupido, boog zich gulzig over hem heen, met open mond, en gaf hem schielijk een serie begerige, brutale kussen, hoewel zij bevreesd was voor de diepte van zijn slaap. Maar bij alle opwinding over zoveel moois, bij alle verwarring in haar gewonde hart, liet de lamp (uit vuig verraad of boze afgunst of doordat hij ook zelf dolgraag zo'n lichaam wilde beroeren en op zijn manier zoenen) vanaf de punt van zijn vlam een gloeiend hete druppel olie bobbelen op de rechterschouder van de god. - Hé, durfal, roekeloze lamp, waardeloze dienaar van de Liefde! Niemand minder dan de heerser over alle vuur bezorg jij een brandwond! En dat terwijl een minnaar jou toch als eerste heeft uitgevonden om zelfs 's nachts nog langer te kunnen genieten van zijn geliefde.

    Aangebrand sprong de god overeind en zag zijn vertrouwen beschaamd, ja met voeten getreden. Terstond vloog hij weg van de kussen en omhelzingen van zijn arme, arme eega. Maar dadelijk toen hij oprees, klampte Psyche zich met beide handen vast aan zijn rechterbeen. Als zielig aanhangsel op zijn opwaartse vlucht, als bungelende reisgenote en laatste volgelinge in de regionen der wolken raakte zij ten slotte vermoeid en viel terug op de grond. De goddelijke minnaar liet haar evenwel niet in de steek nu zij daar op de aarde lag, maar vloog een naburige cipres in en richtte vanaf de hoge top tot haar het woord.

    "Ach, Psyche, mijn naïeve kind," sprak hij hevig ontdaan. "Ik dacht net aan de geboden van mijn moeder Venus, aan haar bevel om jou in vuur en vlam te zetten voor een arme sloeber van het laagste allooi en vast te zetten in een miserabel huwelijk. In plaats daarvan ben ikzelf als minnaar komen aanwaaien. Dat was lichtzinnig van mij, ik weet het. Ik, de grote geweldige boogschutter, heb mijzelf met mijn eigen wapen verwond en jou tot mijn vrouw gemaakt, en wat was het gevolg? Jij zag in mij een beest en wilde met een zwaard mijn kop afhakken, dit hoofd met die ogen die jou zo beminnen! Dat was nu waar jij altijd voor moest uitkijken, ik heb het je keer op keer gezegd, ik heb jou voor je eigen bestwil gewaarschuwd. Die voortreffelijke raadgeefsters van je zal ik op korte termijn de straf bezorgen voor hun verderfelijke adviezen. Jou bestraf ik slechts met mijn vertrek." En met die laatste woorden schoot hij op zijn vleugels de hoogte in.

    Psyche, plat op de grond gelegen, keek de vlucht van haar echtgenoot na zo ver haar bIikken reikten en kwelde zichzelf met bittere jammerklachten. Maar zodra haar echtgenoot op het rappe geroei van zijn vleugels geheel in het luchtruim was opgegaan, ging zij naar de rand van een naburige rivier en stortte zich de diepte in... Maar de milde vaart had stellig respect voor de god die zelfs water in lichterlaai kan zetten en vreesde ook voor zichzelf. Dadelijk voerde hij haar mee in zijn schuldeloze stroom en zette haar af op een dicht begraasde oever.

    Net op dat moment was daar Pan, de landelijke god. Bij de overhangende rand van de waterweg zat hij innig omarmd met Echo, de berggodin, die hij allerlei wijsjes leerde na te zingen. Vlak bij de oever doolden geitjes dartelend rond en gaven de rivier een knipbeurt. De bokspotige god zag de aangeslagen, afgepeigerde Psyche en op vriendelijke toon - hij was op een of andere manier op de hoogte van haar lot - riep hij haar bij zich. In zachte bewoordingen begon hij haar te kalmeren.

    "Zeg, meisjelief," zei hij, "ik ben maar een man van het land, een simpele herder, maar bij de gratie van mijn gevorderde leeftijd kan ik bogen op een veelheid aan ervaringen. Als ik het bij het juiste eind heb (wijzen spreken hier veeleer van 'voorspellende gaven'), als ik afga op je wankele en ongewoon trillende tred, op die bovenmatige bleekheid van je gezicht en dat aanhoudende zuchten, en, meer nog, op die droef staande ogen van jou, ja, dan lijd je aan een overdosis liefde! Luister daarom naar mij en probeer niet nog eens om met een sprong in het diepe of via een andere methode jezelf om het leven te brengen. Maak een eind aan je rouw, laat je treurnis varen, en richt liever gebeden tot Cupido, de grootste onder de goden, en breng hem alle eer. Hij is een luxepaardje, een verwende jongen, dus probeer zijn gunsten te winnen met vleiende volgzaamheid."

    Op deze woorden van de herdersgod zei Psyche niets terug, maar boog slechts eerbiedig voor zijn heilbrengende macht en ging haars weegs. Nadat zij met moeizame tred een aardig eind had afgelegd, nam zij een onbekende route en arriveerde rond de avondschemer bij een stad. Het was de stad waar de echtgenoot van een van haar zusters als koning heerste. Zodra Psyche daarachter kwam, vroeg zij om haar zuster het bericht te brengen dat zij er was. Weldra werd zij ontvangen en volgden er uitvoerige wederzijdse omhelzingen en begroetingen over en weer. Toen informeerde haar zuster naar de redenen van haar komst.

    "Weet je nog van jullie advies," begon Psyche, "hoe jullie mij ertoe overhaalden het beest, dat onder het pseudoniem 'echtgenoot' met mij sliep, met een tweesnijdend mes te doden, voordat hij mijn arme lijf in zijn gulzige muil zou verzwelgen? Welnu, zodra ik mijn medeplichtige, de lamp, conform jullie raad bij zijn gezicht hield en hem aankeek, zag ik een prachtig, ronduit goddelijk tafereel: het was de zoon van Venus, Cupido in eigen persoon, die daar in een kalme slaap verzonken lag. Maar bij al mijn opwinding over zoveel goeds en moois was ik verward over de overmacht aan genot, onmachtig ervan te genieten, en door een ongelukkig toeval spatte de lamp wat gloeiend hete olie op zijn schouder. Door de pijn schoot hij dadelijk wakker en zag mij daar zo staan, met vuur en zwaard bewapend.

    'Jij kunt vertrekken,' sprak hij. 'Vanwege deze gruwelijke misdaad moet je terstond mijn bed verlaten, en neem al het jouwe met je mee. Ik zal met je zuster - en hij noemde de naam waaronder jij bekendstaat - officieel en plechtig in het huwelijk treden.' En dadelijk gaf hij Zefier opdracht mij het paleisterrein af te blazen?"

    Psyche was nog niet uitgesproken, maar haar zus was al in de greep van uitzinnige lust en giftige afgunst. Zij verzon ter plekke een leugen om haar man te bedriegen (ze had "iets vernomen over de dood van haar ouders"), ging dadelijk aan boord en zette aanstonds koers naar de rots. Er woei weliswaar een andere wind, maar zij was gretig en door hoop verblind.

    "Neem mij aan, Cupido!" riep zij uit. "Ik ben voor jou een waardige echtgenote. En jij, Zefier, vang je meesteres op." En met een enorme sprong gooide zij zichzelf de diepte in. De beoogde plaats kon zij evenwel niet bereiken, zelfs als dode niet. Haar ledematen kletterden op de keiharde rotsen en sloegen te pletter, haar ingewanden werden - volkomen terecht - kapotgescheurd en leverden een welkom maal voor vogels en beesten op. Zo liet zij het leven.

    De tweede wraakuitoefening volgde kort daarna, toen Psyche haar omzwerving had hervat en in een andere stad arriveerde, waar haar andere zuster onder soortgelijke omstandigheden woonachtig was. Die liet zich al evenzeer meeslepen door het zusterlijk bedrog, wilde door een misdadig huwelijk haar zusters rivale worden, snelde richting rots en kwam met eenzelfde doodsmak ten val.

    Terwijl Psyche zich richtte op haar zoektocht naar Cupido en langs alle volkeren ging, lag hij door de lampwond te kermen van de pijn in zijn moeders kamer. Toen dook die sneeuwwitte vogel, de zeemeeuw, die met zijn vleugels over het wateroppervlak scheert, ijlings naar onderen, tot de diepste diepten van de oceaan. Daar vervoegde hij zich bij Venus, die daar juist aan het baden en poedelen was. Haar zoon had brandwonden opgelopen, zo beduidde hij haar, leed vreselijke pijn door die wond en begon al te wanhopen aan herstel. En bij de mensen was er alom sprake van geruchten en harde kritiek op heel de familie Venus, die inmiddels een slechte naam had: zoonlief zat enkel in de bergen voor louche pleziertjes, en moeder zelf deed niets anders dan een beetje in zee zwemmen. Zo was er nergens meer genoegen, nergens plezier, nergens charmes, maar alles was grijs, grof, grauw. Geen fijne bruiloften, geen prettige vriendschap, geen lieve kinderen, maar alleen, een gore bende en het smoezelig gerommel van vunzig gevrij.

    Dit soort taal tjilpte die praatzieke, vrij nieuwsgierige vogel in Venus' oren, waarin hij de reputatie van haar zoon aan flarden scheurde.

    Venus werd ronduit woedend. "Dus die beste, brave zoon van mij heeft een meisje!" gilde zij meteen. "Vooruit, jij bent mijn enige trouwe dienaar, zeg op: hoe heet dat kind dat mijn argeloze kleine jongen heeft verleid? Is het een van het nimfenvolkje, of een van de Horae of hoort zij tot mijn eigen personeel, de Gratiën?"

    Het babbelzieke beestje deed er niet het zwijgen toe. "Ik weet het niet; mevrouw," zei het. "Maar volgens mij gaat het om een meisje dat, als ik het wel heb, Psyche heet. Ze zeggen dat hij smoorverliefd is."

    "Psyche!" krijste Venus verontwaardigd. "Die meid, die met mijn schoonheid koketteert, met mijn naam concurreert! Houdt hij werkelijk van háár?! Wat denkt die deugniet wel! Dat ik een koppelaarster ben? Dat ik hem op dat meisje wees ter nadere kennismaking?"

    Met dergelijk misbaar dook zij ijlings uit zee en zocht dadelijk haar gulden slaapkamer op. Daar trof zij haar patiëntje, precies zoals zij had gehoord, en reeds bij de deur begon zij op luide toon tegen hem te tieren.

    "Het is fraai," riep ze uit, "en het past ook echt bij onze familie en jouw keurige karakter! Eerst lap je de bevelen van je moeder, nee, je meesteres, aan je laars en weiger je mijn vijandin te kwellen met een minderwaardig soort liefde. En dan sluit je haar ook nog eens zwoel en ontijdig in de armen, een jongen van jouw leeftijd! En nu moet ik mijn vijandin zeker als schoondochter dulden. Jij denkt zeker, losboI, lelijke verleider, dat je de enige bent die wat verwekt, dat ik de leeftijd niet meer heb om kinderen te krijgen. Laat mij je dan vertellen dat ik een andere zoon zal baren, een die veel beter is dan jij. Sterker nog, om de schoffering des te harder te laten aankomen, zal ik een van mijn huisslaafjes adopteren en hem die vleugels van jou schenken en die vlammen en die boog en ook die pijlen en al mijn spullen, die je niet voor dergelijk gebruik van mij had gekregen. Want uit je vaders bezit is helemaal niets naar jouw uitrusting gegaan.

    Nee, als kleine jonger groeide je al op voor galg en rad! Je handjes zitten los en talloze malen heb jij je meerderen zonder enig respect ervan langs gegeven. Je bloedeigen moeder, mijzelf hoogstpersoonlijk, zet je elke dag te kijk, ontaarde zoon! Je hebt mij al zo vaak toegetakeld en je veracht me, als was ik een weduwe, en zonder een spoor van angst voor je stiefvader, die heldhaffige, stoere oorlogvoerder. Geen wonder, want je speelt hem telkens weer meisjes in handen, zodat hij mij kan kwetsen met maîtresses... Wacht maar, ik zal zorgen dat jou dit speIletje zal berouwen, dat je huwelijk nog een zure en bittere nasmaak krijgt!

    Ik ben voor schut gezet, wat moet ik doen? Waar kan ik heen? Op welke manier kan ik dat reptiel bedwingen? Moet ik hulp zoeken bij mijn vijandin Matigheid, die ik omwille van het bandeloze gedrag van mijn zoontje zo vaak heb gekrenkt? Ik huiver bij de gedachte aan een gesprek met die lompe, onverzorgde vrouw! Toch is zoete wraak niet te versmaden, ongeacht de bron. Haar en niemand anders moet ik gebruiken om die losbol eens duchtig de les te lezen. Zij pakt zijn pijlkoker maar af, zij breekt zijn pijlen maar, zij haalt de pees maar van zijn boog en de vlam van zijn fakkel, ja, zij pakt zijn lichaam maar aan met zwaardere middelen. Mijn vernedering beschouw ik pas gewroken als zij zijn haar, dat ik met mijn eigen handen vaak heb opgeborsteld tot een gulden glans, heeft weggeschoren, als zij zijn vleugels, die ik met de nectar van mijn schoot heb bevochtigd, heeft gekortwiekt!"

    Zo sprak zij en ze stormde ziedend en in een waas van venerische gal de deur uit. Meteen vervoegden zich Ceres en Juno bij haar, en toen zij haar zo zagen met gezwollen gelaat, vroegen zij waarom zij de wenkbrauwen zo fronste en de grote schoonheid van haar fonkelogen tenietdeed.

    "Jullie komen als geroepen!" antwoordde zij. "Mijn hart staat in brand en jullie kunnen mooi mijn wens in vervulling doen gaan! Zet alle krachten in, mag ik jullie bidden, om Psyche, die voortvluchtige, weggelopen slavin van mij op te sporen. Het schandaal van mijn huis en de daden van mijn niet nader te noemen zoon zijn jullie stellig niet ontgaan."

    Zij waren inderdaad niet onbekend met de feiten en trachtten Venus' razende woede te bedaren. "Wat heeft uw zoon gedaan, mevrouw," vroegen zij, "dat u zijn pleziertjes zo hardnekkig dwarsboomt en het meisje van zijn liefde evengoed in het verderf wilt storten? Alstublieft, wat is er nu misdadig aan wanneer hij graag een aardig meisje toelacht? Beseft u soms niet dat hij van het mannelijk geslacht is, een jongeman nog wel, of bent u misschien vergeten hoeveel jaar hij al is? Zeker, hij ziet er nog prima uit, maar is hij daarom in uw ogen altijd kind? U bent een moeder en daarbij een flinke vrouw, en toch blijft u het gedrag van uw zoon nieuwsgierig in de gaten houden? U blijft hem zijn losbandigheid verwijten en zijn liefjes bekritiseren? Uw eigen kunsten en heerlijkheden keurt u af zodra het om uw knappe zoon gaat? Wie van de goden, wie van de mensen kan verdragen dat u links en rechts begeerten onder de volkeren zaait, maar affaires in uw eigen huis een affront vindt en uitbant, en uw werkplaats van vrouwelijke zwakten sluit?"

    Zo bracht angst voor Cupido's pijlen de godinnen ertoe hem op innemende wijze te verdedigen en hem zelfs in zijn afwezigheid naar de mond te praten. Maar Venus was verontwaardigd dat haar grieven niet au sérieux genomen werden. Zij keerde hun de rug toe en stapte met snelle pas weg, de andere kant op, richting zee.

    Intussen doolde Psyche allerwegen rond. Dag en nacht was zij op zoek naar sporen van haar man, rusteloos en des te meer erop gebrand hem, hoe kwaad hij ook was, te sussen met vrouwelijke lieve woordjes of ten minste met onderdanige beden mild te stemmen. En toen zij ergens op een hoge bergtop een tempel zag, sprak zij: "Misschien dat daar mijn meester woonachtig is!" en zette dadelijk de pas erin. Die pas was wel danig aangeslagen van de doorlopende inspanningen, maar putte weer kracht uit hoop en verlangen. Met ferme pas bewandelde zij de hoge bergrug, naderde het heiligdom en trad er binnen.

    Korenaren zag zij, op een hoop of geplooid tot kransen, en ook zag zij gerstaren. Er lagen sikkels en allerlei oogstgereedschap, maar alles kriskras door elkaar, een ordeloos geheel, zoals landarbeiders het in de zomerdag uit handen laten vallen. Psyche haalde alle spullen zorgvuldig uit elkaar en legde ze in nette stapeltjes apart. Zij dacht natuurlijk dat zij het heiligdom en de rituelen van geen enkele god mocht verwaarlozen maar hun aller welwillend medelijden moest vergaren.

    Terwijl zij zo nauwgezet en ijverig in de weer was, kreeg de weldoende Ceres haar in de gaten.

    "Wat zullen we nu hebben?" riep zij meteen van verre. "Ach, arme Psyche! Overal ter wereld zoekt Venus verwoed naar een spoor van jou, zij is des duivels! Zij wil je uitgeleverd zien voor de zwaarste straf en eist met al haar goddelijke krachten wraak. En jij bent hier gewoon aan het zorgen voor mijn spullen en denkt nog aan iets anders dan aan je redding?"

    Toen viel Psyche haar voor de voeten, bevochtigde die met een rijke tranenvloed, veegde de vloer met haar haren en vroeg de godin in omstandige beden om genade.

    "Bij uw vruchtbrengende rechterhand smeek ik u, bij de vreugdevolle ceremoniën van uw oogst, bij de stille geheimen van uw manden en bij de gevleugelde vluchten van uw drakenbedienden, en bij de voren in Sicilische bodem, de wagen die Proserpina schaakte, de aarde die haar vasthield, haar nederdaling naar een lichtloze bruiloft en haar lichtrijke ontdekking en opgang, en alle andere mysteriën die het heiligdom in het Attische Eleusis stilzwijgend bewaart: sta de ziel van de arme Psyche, uw smekelinge, bij! Vergun dat ik bij deze graanopslag schuil, desnoods maar een paar daagjes, totdat de wilde woede van die machtige godin allengs bedaart. Of althans totdat mijn krachten, die door al het lange zwoegen zijn opgebruikt, na een rustpauze weer wat hersteld zijn."

    Ceres gaf haar ten antwoord: "Je tranenrijke beden ontroeren mij diep en ik wil niets liever dan jou te hulp komen. Maar een familielid, met wie ik tevens oude vriendschapsbanden onderhoud, een beste godin bovendien, kan ik niet voor het hoofd stoten. Verlaat daarom terstond dit pand, en prijs je gelukkig dat je hier niet vastgehouden wordt en gevangen blijft."

    Onverhoopt afgewezgn en met dubbele droefenis geslagen keerde Psyche op haar schreden terug. Ergens beneden in een vallei, in een schemerig woud, ontwaarde zij een kunstig gebouwde tempel. Aangezien zij zelfs de minste of geringste hoop op een beter leven niet wilde opgeven maar van iedere god de genade wilde beproeven, trad zij op de gewijde deuren toe.

    Kostbare geschenken zag zij, en met goud beletterde stroken stof, die aan boomtakken en op deuren waren opgehangen. Daarop stond, onder dankbetuiging voor de bewezen dienst, de naam van de godin vermeld aan wie zij waren gewijd. Psyche knielde, omarmde het nog lauwwarme altaar, veegde haar tranen weg en uitte een dringende bede.

    "O zuster en eega van de grote Jupiter, of u woonachtig bent in het aloude heiligdom op Samos, dat zich als enige beroemt op uw geboorte en kinderlijk gekrijt en vroegste opvoeding, of dat u het gewijde gebied frequenteert van het hoge Carthago, hetwelk u vereert als meisje dat op de rug van een leeuw langs de hemel rijdt, of dat u bij de oevers van de Inachus, die u inmiddels Bruid van de Donderaar en Koningin der Goden noemt, de fameuze muren der Argiven beschermt, u die door heel het oosten als Jukbrengster wordt vereerd en in heel het westen geldt als Lichtbrengster: weest u voor mij in mijn diepe ellende Juno de Redster. Ik heb zovele inspanningen moeten verduren dat ik ben uitgeput. Bevrijd u mij van de angst voor het dreigende gevaar. Want ik weet niet beter of u pleegt uit eigen beweging zwangere vrouwen in nood te hulp te komen!"

    Toen zij op die manier haar smeekbeden afstak, manifesteerde Juno zich ineens in de verheven waardigheid van heel haar goddelijke macht. "Heus, ik zou het graag willen," sprak zij. "Maar tegen de wil van mijn schoondochter Venus, die ik altijd als een dochter heb liefgehad, kan ik jou niet helpen; ik zou mij schamen. En daarnaast is er het wettelijk verbod om andermans voortvluchtige slaven te ontvangen tegen de zin van hun meesters; dat belet mij."

    Ook deze schipbreuk van haar lot joeg Psyche grote schrik aan. Nu zij niet bij machte bleek nader tot haar gevleugelde echtgenoot te komen, liet zij alle hoop varen en ging bij zichzelf te rade.

    "Wat kan ik in al mijn ellende nog voor andere hulpbronnen aanboren? Zelfs godinnen wilden voor mij stemmen, maar dat mocht niet baten! Waar kan ik mijn schreden nog heen richten, nu ik zo in de val zit? In wat voor huis, wat voor duisternis kan ik mij verbergen en voor Venus' onvermijdbare ogen schuilen? Vooruit, verman je nu eindelijk en zeg je laatste sprankje ijdele hoop vaarwel; geef jezelf maar aan bij je meesteres en verzacht haar woeste aanvallen door een bescheiden houding, zo laat als die komt. Wie weet, misschien tref je zelfs degene naar wie je al zo lang op zoek bent daar in zijn moeders huis aan!"

    Aldus bereid tot een gehoorzaamheid met onduidelijke afloop, of beter: tot een wisse dood, overdacht zij bij zichzelf hoe zij haar smeekbede zou gaan beginnen.

    Venus op haar beurt had aardse onderzoeksmiddelen afgezworen en begaf zich richting hemel. Zij liet de wagen inspannen die goudsmid Vulcanus met verfijnd vakmanschap kunstig voor haar had vervaardigd en nog voor hun eerste huwelijkse ervaringen als bruidsgeschenk had aangeboden. Juist door wat de schavende vijl had weggeslepen glansde de wagen, juist door het verlies aan goud was hij zo kostbaar. Van de vele duiven die bij de slaapkamer van hun meesteres op stal stonden kwamen er vier witte naar voren. Met blij getrippel draaiden zij hun kleurige nekjes en zetten zich onder het juwelen juk, tilden hun meesteres op en vlogen vrolijk omhoog. De godenwagen werd voorafgegaan door dartel kwetterende mussen, en ook andere zalig zingende, met zoete wijsjes heerlijk tjilpende vogels verkondigden de komst van de godin. Wolken weken uiteen, de Hemel opende zich voor zijn dochter, de hoogste ether ontving met vreugde de godin, en Venus' zangerig gevolg had niets te vrezen van naderende adelaars of roofzuchtige valken.

    Vervolgens richtte zij haar schreden dadelijk naar Jupiters koninklijke burcht, alwaar zij op hoge toon verklaarde dat zij dringend de hulp nodig had van Mercurius, de omroepende god. En Jupiters donkerkleurige wenkbrauw schudde niet van nee. Onmiddellijk raakte zij in jubelstemming en verliet de hemel met nu ook Mercurius in haar gevolg. Tot hem richtte zij in volle ernst de onderstaande woorden.

    "Arcadische broeder, je weet natuurlijk wel dat je zuster Venus nimmer iets heeft verricht in afwezigheid van Mercurius, en het ontgaat jou stellig niet hoe lange tijd ik al niet bij machte ben die weggelopen slavin te vinden. Er rest mij niets dan middels jouw meldingen publiekelijk een premie voor de eerlijke vinder uit te loven. Zorg dus dat je mijn opdracht snel ten uitvoer brengt en haar signalement in alle helderheid kenbaar maakt, zodat niemand straks bij een aanklacht wegens wederrechtelijke achterhouding zich kan verdedigen met het excuus dat hij nergens van wist."

    En met die woorden stelde zij hem een formulier ter hand, met daarop Psyche's naam en nadere details. Zodra dat gedaan was, ging zij dadelijk weer op huis aan.

    Mercurius liet niet na haar te gehoorzamen. Want hij rende onder alle volkeren van hot naar her en kweet zich van de hem opgedragen taak door de navolgende proclamatie.

    "Al wie in staat is de voortvluchtige koningsdochter, tevens slavin van Venus, genaamd Psyche, van haar vlucht te weerhouden, dan wel aan te wijzen waar zij zich verborgen houdt, vervoege zich achter het keerpunt van Murtia bij de heraut Mercurius. Te dien plaatse kan hij van Venus zelve de beloning voor zijn inlichtingen tegemoet zien: zeven zwoele zoenen, plus een waarlijk honingzoete bonus van tongstrelende kwaliteit."

    Aldus Mercurius' verkondiging. Zo'n prachtige premie prikkelde vele stervelingen tot begeerte en wedijver, en dit nu maakte bij Psyche aan werkelijk alle aarzeling een einde. Zij trad nabij de deur van haar meesteres, waar een lid van Venus' huispersoneel, Gewoonte geheten, haar tegemoetkwam en terstond op maximaal volume toe begon te schreeuwen.

    "Zo, slavin van niets!" riep zij. "Begin je eindelijk te beseffen dat je een meesteres hebt? Of speel je zoals zo vaak weer schaamteloos dat je 'niet begrijpt' hoeveel problemen wij hebben gehad met die zoektochten naar jou? Goed dat je juist mij in handen bent gevallen en midden in Orcus' klauwen zit bekneld. Nu zul je op staande voet gestraft worden voor je vreselijke arrogantie!"

    Ze greep Psyche brutaal bij de haren en trok haar mee zonder dat zij enig verzet bood. Zodra Venus haar binnengebracht en voor haar ogen gevoerd zag, hief zij een hoongelach aan, zoals mensen die in een roes van razernij raken, en schudde haar hoofd en krabde aan haar rechteroor. "Zo!" zei ze, "dus jij neemt eindelijk eens de moeite je schoonmoeder goedendag te komen zeggen? Of kom je meer op ziekenbezoek bij je man, die hier vanwege die verwonding door jou in kritieke toestand ligt? Nu, wees maar gerust, ik zal jou ontvangen zoals een goede schoondochter verdient." En meteen riep zij: "Waar zijn mijn slavinnen Zorg en Droefenis?"

    Zodra die binnengeroepen waren, droeg zij het meisje aan hen over om haar te martelen. Zij gaven gevolg aan de orders van hun meesteres en gaven de arme Psyche er verschrikkelijk van langs met de zweep en andere folterwerktuigen, waarna zij haar bij hun meesteres voorgeleidden. Opnieuw barstte Venus in lachen uit.

    "Kijk nu toch!" grinnikte zij. "Zij wil ons medelijden wekken met dat mooie b&

    24-02-2012 om 20:10 geschreven door Felix1  

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 1/5 - (2 Stemmen)
    » Reageer (0)
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Snelle auto kado

    Snelle auto kado

    Bij thuiskomst kreeg een man de volle lading van zijn vrouw. Hij was stom genoeg zijn trouwdag vergeten. Erg kwaad riep zijn vrouw tegen hem: "Als je echt van mij houd dan zorg je ervoor dat morgen iets op onze oprit staat dat van 0 naar 100 gaat in minder dan 4 seconden!!!"
    Maar gelukkig stond de ochtend na deze ruzie inderdaad een kado voor de vrouw op de oprit. Snel liep ze er naartoe en opende het...

    van haar man had ze gekregen een splinternieuwe.... badkamerweegschaal.
    (de man begreep niet waarom ze boos was, hij was zelfs sneller... slechts 2 seconden, en hij ging zelfs naar de 120)

    24-02-2012 om 00:00 geschreven door Felix1  

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 0/5 - (0 Stemmen)
    » Reageer (0)
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.De zus van Lana

    Omgedraaide sexuele voorlichting

    Op een avond zegt pa tegen zijn zoontje van 10 jaar: "Awel jongen gij zijt nu oud genoeg om te weten wat voor sex problemen in een huwelijk willen voorkomen. Wij gaan daar eens over praten." "Dat is goed Pa, vertel
    eens wat wilt gij weten?" zegt het jochie dan.

    24-02-2012 om 00:00 geschreven door Felix1  

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 1/5 - (1 Stemmen)
    » Reageer (0)
    23-02-2012
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.De meesterdief
    De meesterdief



    Eens op een dag zat voor een arm huisje een oude man met zijn vrouw; ze wilden na het werk een poosje rusten. Toen kwam er opeens een karos langs, een prachtige karos, met vier zwarte paarden bespannen, en daar kwam een rijk gekleed man uit. De boer stond op, ging naar de heer toe, en vroeg, wat hij wilde en waarmee hij hem kon dienen. De vreemde gaf de oude man een hand en zei: "Ik wil niets anders, dan eens een gewoon, landelijk maal gebruiken. Maak aardappelen klaar zoals jullie die altijd eten, en dan wil ik bij jullie aan tafel gaan zitten en ze graag eten." De boer glimlachte en zei: "U bent een graaf of een vorst of mogelijk een hertog, voorname heren hebben wel van die invallen; maar aan uw wens zal worden voldaan." De vrouw ging naar de keuken en begon aardappels te wassen en te raspen, en ze wilde daar koeken van maken zoals de boeren die eten. Terwijl zij dat stond klaar te maken, zei de boer tegen de vreemdeling: "Komt u intussen met mij naar de tuin, want daar moet ik nog een poos bezig zijn." Hij had in de tuin gaten gegraven en wilde daar nu bomen inzetten. "Hebt u geen kinderen," vroeg de vreemdeling, "die u bij uw werk zouden kunnen helpen?" "Nee," antwoordde de boer, "ik heb wel een zoon gehad," voegde hij erbij, "maar die is al lang geleden de vrije wereld ingegaan. Het was eigenlijk een bedorven kind, verstandig en slim, maar hij wou niet leren en hij zat vol streken; tenslotte liep hij bij ons weg, en daarna heb ik niets meer van hem gehoord." De oude man nam een boompje, zette het in een plantgat en zette er een staak naast: en toen hij er de aarde ingeschoffeld had en aangestampt, bond hij de stam van onderen, van boven en in het midden met stro vast aan de staak. "Maar zegt u mij eens," sprak de heer, "waarom bindt u zo'n kromme, knoestige boom, die daar in de hoek bijna tot de bodem is gebogen, niet aan zo'n staak als deze, zodat hij flink recht kan groeien?" De oude zei met een glimlach: "Mijnheer, u spreekt naar dat u begrijpt; ik kan wel zien dat u u nooit met tuinieren hebt afgegeven. Die boom daar is oud en kromgegroeid, die kan niemand meer in orde maken. Bomen moet men leiden, zolang ze nog jong zijn." "Dat is dan net zo als met uw zoon," zei de vreemdeling, "als u hem had opgevoed, toen hij nog jong was, dan zou hij niet zijn weggelopen; hij zal nu ook oud en knoestig geworden zijn." "Dat kan," zei de oude man, "het is al zo lang geleden dat hij wegliep, hij zal wel veranderd zijn." "Zou u hem nog herkennen als hij eens voor u stond?" vroeg de vreemdeling. "Aan z'n gezicht niet waarschijnlijk," antwoordde de boer, "maar hij heeft een teken, een moedervlek op z'n schouder, het ziet eruit als een boon." Toen hij dat gezegd had, trok de vreemdeling zijn pak uit, ontblootte de schouder en toonde de boer de vlek. "Here mijn God!" riep de oude: "dan ben je waarlijk mijn zoon!" en de liefde tot zijn kind ontwaakte hem in 't hart. "Maar," voegde hij erbij, "hoe kun jij nu mijn zoon zijn; ben je zo'n groot heer geworden en leef je in rijkdom en overvloed? Langs welke paden ben je dan gegaan?" "Ach vader," hernam de zoon, "de jonge boom was aan geen staak gebonden en hij is krom gegroeid, en nu is hij te oud: recht wordt hij nooit meer. Hoe ik aan dat alles kom? Ik ben een dief geworden. Maar u moet niet schrikken. Ik ben een meesterdief. Voor mij bestaat er slot noch grendel, wat mijn begeerte opwekt, dat is het mijne. Geloof niet dat ik steel als een doodgewone dief; ik neem alleen van de overvloed van de rijkdom. Arme mensen zijn veilig voor me; ik geef hun liever iets, dan hen iets af te nemen. En wat ik zonder moeite, zonder list en zonder handigheid kan krijgen, dat roer ik niet eens aan." "Ach m'n jongen," zei de vader, "prettig kan ik het toch niet vinden; een dief blijft een dief; ik zegje, dat loopt nooit goed af." Hij bracht hem naar de moeder, en toen ze hoorde dat het haar jongen was, schreide ze van blijdschap, maar toen hij haar zei dat hij de meesterdief was geworden, stroomden er twee beken van tranen over haar gezicht. Eindelijk zei ze: "Al is hij dan een dief geworden, het is toch m'n jongen; en ik heb hem dan toch nog eens gezien."
    Ze gingen aan tafel, en zo at hij met z'n ouders nog eens de eenvoudige kost, die hij zo lang niet meer gegeten had. De vader zei: "Als onze heer, de graaf daar in 't slot, hoort, wie je bent en wat je doet, dan neemt hij je niet in de arm en wiegt je heen en weer, zoals hij deed toen hij je boven het doopvont hield, maar dan laat hij je schommelen aan het galgentouw." "Weest u niet bezorgd, vader, hij zal me niets doen, want ik versta mijn vak. Vandaag ga ik nog zelf naar hem toe." Toen de avond kwam, ging de meesterdief in de karos zitten en reed naar het slot. De graaf ontving hem zeer beleefd, want hij hield hem voor een voornaam heer. Maar toen de vreemde zijn naam noemde en ook te kennen gaf wie hij was, verbleekte de graaf en zweeg een hele poos. Eindelijk sprak hij: "Je bent mijn petekind. Daarom zal ik genade voor recht laten gelden en je goed behandelen. Je beroemt je erop, een meesterdief te zijn. Dan zal ik je kundigheid eens op de proef stellen, maar als je de proef niet tot een goed einde brengt, moet je maar bruiloft houden met de dochter van de touwslager, en de muziek daarbij is het gekras van de raven!" "Heer graaf," antwoordde de meesterdief, "bedenkt u drie proefstukken, zo zwaar als u maar wilt, en als ik aan de opdracht niet voldoe, doet u dan met me wat u wilt." De graaf dacht enkele ogenblikken na, dan sprak hij: "Wel, in de eerste plaats moet je me m'n eigen paard uit de stal stelen, in de tweede plaats moet je mij en m'n vrouw, als we ingeslapen zijn, het onderlaken wegstelen zonder dat we het merken, en daarbij de trouwring van mijn vrouws vinger halen, in de derde en laatste plaats moet je me de dominee met de koster uit de kerk wegstelen. Prent het je allemaal goed in, want 't kan je de kop kosten."
    De meester ging naar de dichtst bijgelegen stad. Daar kocht hij van een oude boerenvrouw de kleren die zij aanhad en trok ze zelf aan. Hij maakte z'n gezicht bruin en verfde er nog rimpels in, zodat geen mens hem herkend zou hebben. Tenslotte vulde hij een vaatje met Hongaarse wijn, waar een stevige slaapdrank door was gemengd. Het vaatje legde hij op een draagmand die hij op z'n rug nam, en hij ging met langzame schommelgang naar het slot van de graaf. Het was al donker toen hij er aankwam; hij ging in de binnenplaats zitten op een steen, en begon te hoesten als een oude vrouw die vol op de borst is, en wreef zich in z'n handen alsof hij 't koud had. Voor de deur van de paardenstal lagen soldaten om een vuur, één van hen had de vrouw gezien en riep haar toe: "Kom maar hier, ouwe moeder, en warm je wat bij ons. Je hebt toch geen nachtverblijf en je neemt 't wel waar je het vindt." Het oudje kwam aangetrippeld, vroeg haar te helpen om de draagmand van haar rug te nemen, en ze ging bij hen om 't vuur zitten. "Wat heb je daar in dat vaatje, oud karkas?" vroeg er één. "Een goeie slok wijn," antwoordde ze, "ik leef van een handeltje, voor geld en goeie woorden geef ik jullie graag een glas." "Geef maar eens hier," zei de soldaat, en toen hij een glas geproefd had, riep hij:,,Óf die wijn goed is! Ik drink liever nog een glas meer," en hij liet zich nog eens inschenken en alle anderen volgden zijn voorbeeld. "Hé, kameraad!" riep één van hen de anderen toe, die in de stal zaten, "hier is een oud moedertje met wijn; zo oud als ze zelf is, neem ook een slok, dat warmt je maag nog beter dan ons vuur." De oude droeg het vaatje naar de stal. Eén van hen zat op 't bewuste paard, dat gezadeld was, de ander hield het toom in de hand en de derde had de staart vast. Ze schonk in, zoveel er verlangd werd, tot de voorraad op was. Het duurde niet lang, of de ene viel 't toom uit de hand, hij ging liggen en begon te snurken. De ander liet de staart los, ging liggen en snurkte nog harder. De man die op 't zadel zat, bleef wel zitten, maar z'n hoofd boog op de hals van 't paard; hij sliep en blies met zijn mond als een blaasbalg. Buiten waren de soldaten al lang ingeslapen, ze lagen op de grond en bewogen niet, ze leken wel van steen. Toen de meesterdief zag dat het gelukt was, gaf hij de man die 't toom had gehouden, een touw in z'n hand, en aan de andere die de staart had vastgehouden een bundeltje stro, maar wat moest hij beginnen met de man die op de rug van 't paard zat? Er afgooien wilde hij niet, hij had wakker kunnen worden en gaan schreeuwen. Maar hij wist wel raad. Hij maakte de zadelriem los; knoopte een paar touwen die in lussen aan de muur hingen, aan 't zadel, en trok de slapende ruiter met zadel en al omhoog, dan slingerde hij de touwen weer om de krukken en maakte ze vast. Het paard had hij al van de ketting losgemaakt, maar als hij over 't stenen pad van de binnenplaats gereden was, dan had je het hoefgeklik in 't slot kunnen horen. Dus omwikkelde hij de hoeven eerst nog met oude lappen, leidde het dier dan voorzichtig naar buiten, wierp zich toen in 't zadel en joeg voort.
    Toen de dag was aangebroken, begaf de meesterdief zich bovenop 't gestolen paard naar het slot. De graaf was net opgestaan en keek uit het venster. "Goedemorgen, heer graaf!" riep hij hem toe, "hier is het paard, dat ik uit de stal heb gehaald. Kijk nu maar eens hoe heerlijk uw soldaten daar liggen te slapen, en als u in de stal wilt gaan, zult u zien, hoe gemakkelijk het zich de bewakers zelf hebben gemaakt." Nu moest de graaf lachen. Dan zei hij: "Ja, dat is je nu één keer goed gelukt, maar een tweede keer zal het niet zo goed aflopen. En ik waarschuw je: betrap ik je als dief, dan behandel ik je ook als dief!" Toen de gravin 's avonds naar bed was gegaan, hield ze de hand met de trouwring vast gesloten en de graaf zei: "Alle deuren zijn afgesloten en overal zijn de grendels voor, ik zal wakker blijven en de dief afwachten; maar als hij door het raam komt, dan schiet ik hem neer." Maar de meesterdief ging, toen het donker geworden was, naar buiten waar de galg stond, hij sneed een arme zondaar die daar hing, de strik los en droeg hem op zijn rug naar 't slot. Daar zette hij een ladder voor de slaapkamer, nam de dode boven op z'n schouders en begon de ladder op te gaan. Toen hij zo hoog gekomen was, dat het hoofd van de dode voor het venster kwam, vuurde de graaf, die in bed lag te loeren, zijn pistool op hem af: meteen liet de meester de arme zondaar naar beneden vallen, sprong zelf van de ladder af en verstopte zich in een hoek. Door de maan was de nacht zo helder, dat de meester duidelijk kon zien, hoe de graaf uit het venster kwam, langs de ladder naar beneden ging en de dode man de tuin indroeg. Daar begon hij een kuil te graven, waarin hij hem verbergen wilde. "Nu," dacht de dief, "nu is het gunstige ogenblik gekomen." Stil sloop hij uit zijn schuilhoek, klom de ladder op en was in 't slaapvertrek van de gravin. "Lieve vrouw," begon hij en hij wist de stem van de graaf voortreffelijk na te bootsen, "de dief is dood, maar hij is toch mijn petekind en was meer een schelm dan een booswicht; ik wil hem niet aan openbare schande prijsgeven, en met de ouders heb ik ook medelijden. Ik wil hem, voor de dag aanbreekt, zelf in de tuin begraven, zodat de zaak niet uitlekt. Geef me nu het onderlaken, dan kan ik hem daar in wikkelen, en hem niet zo maar onder de grond stoppen of hij een hond was." De gravin maakte het laken los en gaf het hem. "Weetje wat," zei de dief verder, "ik heb een aanvechting van grootmoedigheid: geef me ook nog je trouwring; de man heeft er zijn leven voor gewaagd, laat hem die nu in het graf meenemen." Ze wilde de graaf niet tegenspreken, en hoewel ze het niet graag deed, trok ze toch de ring van haar vinger en gaf die aan hem. De dief maakte dat hij wegkwam met allebei de stukken, en kwam zonder ongelukken thuis, vóór de graaf in de tuin met het doodgraverswerk klaar was.
    Wat trok de graaf een lang gezicht, toen de volgende morgen de meesterdief in eigen persoon kwam aanzetten, en hem het laken en de ring ter hand stelde. "Is dat hekserij?" zei hij tegen hem: "wie heeft je uit het graf gehaald, waar ik je zelf in had gelegd, en wie heeft je weer levend gemaakt?" "Mij hebt u niet begraven," zei de dief, "maar een arme zondaar van de galg," en hij vertelde tot in bijzonderheden, hoe alles gebeurd was; en de graaf moest wel toegeven, dat hij een knappe en slimme dief was. "Maar je bent nog niet klaar!" voegde hij erbij, "je hebt nog een derde opgave op te lossen; en als je die je niet lukt, helpt al het andere geen zier." De meester glimlachte slechts, maar hij zei niets.
    Toen het nacht was geworden, kwam hij met een lange zak op zijn rug, een bundeltje onder zijn arm en een lantaarn in de hand naar de dorpskerk. In de zak had hij kreeften, in de bundel korte kaarsen. Hij ging op het kerkhof zitten, haalde een kreeft te voorschijn en plakte die een kaars op z'n rug, dan stak hij het lichtje aan, zette de kreeft op de grond en liet hem kruipen. Nu haalde hij een tweede kreeft uit de zak, deed er hetzelfde mee en deed zo met alle kreeften, tot de laatste er ook voor gebruikt was. Daarop trok hij een lang zwart gewaad aan, dat er uitzag als een monnikspij, en plakte een grijze baard aan zijn kin. Toen hij eindelijk helemaal onherkenbaar was, nam hij de zak waar de kreeften in gezeten hadden, ging naar de kerk en klom op de kansel. De torenklonk sloeg juist twaalf; toen de laatste slag weggestorven was, riep hij met luide stem: "Luister, jullie zondige mensen; het einde van de dingen is gekomen, de jongste dag is nabij: hoor mij, hoor mij! Wie met mij in de hemel wil komen, die moet in deze zak kruipen. Ik ben Petrus, ik sluit en ik open de poort van de hemel. Zie, buiten op de doodsakker wandelen de overledenen, en rapen hun gebeenten bijeen. Kom, kom, en kruip in deze zak, de wereld vergaat." Het geschreeuw weerklonk door het hele dorp. De dominee en de koster, die vlakbij de kerk woonden, hadden het 't eerst vernomen en toen ze de lichtjes zagen, die op 't kerkhof bewogen, zagen ze dat er wel wat ongewoons aan de hand was, en ze gingen de kerk binnen. Een poos luisterden ze naar de preek, dan stootte de koster de dominee aan en sprak: "Het zou nog zo kwaad niet zijn, als we van deze gelegenheid gebruik maakten en samen vóór de jongste dag op een gemakkelijke wijze in de hemel kwamen." "Eigenlijk," zei de dominee daarop, "zijn mijn gedachten ook in die richting gegaan, als u zin hebt, laten we dan op weg gaan." "Ja," antwoordde de koster, "maar dominee, u hebt voorrang, ik kom wel achteraan." Dus ging de dominee vooraan en klom op de kansel, waar de meester de zak openhield. De dominee kroop er 't eerst in, en dan de koster. Meteen bond de meester de zak stijf dicht, pakte hem dan bij 't boveneind en sjouwde hen de trap van de kansel af, en zo dikwijls de koppen der beiden domoren op de treden sloegen, riep hij: "Nu gaan we al over de bergen." Op dezelfde manier sleepte hij hen het dorp door, en als ze door de plassen kwamen zei hij: "Nu gaat 't door de regenwolken," en toen hij ze eindelijk de trappen van het slot optrok, riep hij: "Nu zijn we dan aan de hemelse trappen en we zijn al gauw in 't voorportaal." Toen hij boven was aangekomen, schoof hij de zak in de duiventil, de duiven fladderden geschrokken omhoog en hij zei: "Hoort u hoe de engelen zich klapwiekend verheugen?" Toen schoof hij er de grendel voor en ging weg.
    De volgende morgen ging hij naar de graaf en berichtte hem dat hij ook het derde werkstuk had voltooid, en dat hij de dominee en de koster uit de kerk had weggehaald. "Maar waar heb je ze dan gelaten?" vroeg de graaf. "Wel, ze liggen in een zak bovenin de duiventil en ze denken, dat ze in de hemel zijn." De graaf klom zelf naar de schuur en overtuigde zich van de waarheid van zijn woorden. Hij bevrijdde de dominee en de koster uit hun gevangenis en zei: "Je bent een aartsdief, en je hebt het gewonnen. Ditmaal kom je er zonder kleerscheuren af, maar je maakt dat je van mijn land verdwijnt. Want als je je hier ooit laat betrappen, dan kan je opklimmen tot de galg: reken maar!" De meesterdief nam toen afscheid van zijn ouders, ging de wijde wereld in, en geen mens heeft ooit meer wat van hem gehoord.



     

    23-02-2012 om 21:45 geschreven door Felix1  

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 5/5 - (1 Stemmen)
    » Reageer (0)
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Een rakket lanceren

    Een rakket lanceren

    Een groep blonde blondjes gaan een raket lanceren. “En,” vraagt een verslaggever, “waar gaat de reis naar toe?” “Nou,” zegt een blond blondje, “wij gaan naar de zon.” “Naar de zon?” vraagt de reporter, “maar daar is het toch veel te heet. Bent u niet bang dat de raket zal smelten?” “Nee,” zegt het blonde blondje, “wij zijn niet blond, hoor. We gaan natuurlijk ’s nachts!”

    23-02-2012 om 00:00 geschreven door Felix1  

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 0/5 - (0 Stemmen)
    » Reageer (0)
    22-02-2012
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.De legende van de Zweedse Luciadag
    De legende van de Zweedse Luciadag



    Ze bewoonde een burcht - of beter gezegd, een versterkte boerenhoeve - aan de smalle monding van de inham van het Vannernmeer, dat diep het land insnijdt.
    Over die monding had Vrouwe Rangela een brug gebouwd die kon worden opgehaald, zoals bij een kasteel. Bij de brug had zij een sterke wacht gezet.

    Voor de reizigers, die in staat waren tolgelden te betalen lieten de wachters de brug zakken. Voor anderen, die uit armoede of om andere redenen niet konden betalen, bleef de brug omhoog staan. Omdat er geen veerpont was moesten de reizigers dan een flinke omweg langs de oever van de inham maken.
    Deze manier van Vrouwe Rangela om tol te heffen riep veel verontwaardiging op. Waarschijnlijk zouden haar buren, een aantal trotse boeren, allang een einde aan haar praktijken hebben gemaakt als Vrouwe Rangela niet een machtige vriend en beschermer had in de persoon van Heer Eskil van Börtsholm, die op een kasteel woonde dat grensde aan het bezit van Vrouwe Rangela.

    Het kasteel van Heer Eskil was versterkt met muren en torens en hijzelf was zo rijk dat zijn landerijen samen een heel district vormden. Hij reed door het land met een gevolg van zestig gewapende dienaren en was door de koning als vertrouwensman en adviseur gekozen. Hij was niet alleen een goede vriend van Vrouwe Rangela, maar het was haar ook gelukt hem tot haar schoonzoon te maken.

    Onder die omstandigheden was het begrijpelijk dat niemand de gierige vrouw een strobreed in de weg durfde te leggen. Jaar na jaar ging dit door, tot er iets gebeurde dat Vrouwe Rangela ongerust maakte. Haar arme dochter stierf onverwacht en Vrouwe Rangela begreep dat een jonge man als Heer Eskil met acht minderjarige kinderen en een bijna vorstelijke hofhouding wel gauw zou hertrouwen. Als die nieuwe echtgenote Vrouwe Rangela niet zou mogen, kon dat haar veel last geven. Het was haast nog belangrijker een goede verstandhouding met de vrouw van heer Eskil te hebben dan met hemzelf. Ten slotte was heer Eskil, die veel grote verantwoordelijkheden had, veel op reis. Bij zulke gelegenheden was het de vrouw des huizes die alles op het kasteel regelde.

    Vrouwe Rangela overdacht het één en ander grondig en toen de begrafenis goed en wel voorbij was, reed ze naar Börtsholm en zocht heer Eskil op. Ze herinnerde hem aan zijn acht kinderen en wat die nodig hadden, aan zijn vele bedienden, die gekleed en gevoed moesten worden en aan de grote feesten, waarop koningen en prinsen werden uitgenodigd. Ze sprak over de grote kudden, zijn landbouwgrond, de jachtterreinen, zijn bijenkorven, de hopvelden, de viswateren, kortom over alles waarvoor zijn vrouw gezorgd had. Ze riep een afschuwelijk beeld op van alles waarvoor hij, na het sterven van zijn vrouw, alleen zou staan.

    Heer Eskil luisterde met gepaste eerbied naar zijn schoonmoeder, maar ook met onrust. Hij was bang dat dit allemaal inhield dat Vrouwe Rangela zichzelf als hoofd van de huishouding op Börtsholm kwam aanbieden. Hij moest zichzelf toegeven dat hij deze oude vrouw met haar onderkin, haar scherpe, gebogen neus en harde, boerse stem geen prettig gezelschap zou vinden. "Beste Eskil," ging Vrouwe Rangela verder, "ik weet datje nu een erg voordelig huwelijk zou kunnen sluiten, maar ik weet ook dat je rijk genoeg bent om niet met een bruidsschat en een mogelijke erfenis rekening te hoeven houden. Het belang van de kinderen gaat voor en daarom stel ik je voor een van de jonge nichtjes van mijn dochter als haar opvolgster te kiezen."

    Heer Eskils gezicht klaarde op toen hij hoorde dat het om een jong familielid ging. Zijn schoonmoeder probeerde hem met kracht ervan te overtuigen dat hij met Vrouwe Lucia, de dochter van broer Sten Folkesson, moest trouwen. Ze werd deze winter op St. Luciadag achttien jaar. Ze werd opgevoed bij de vrome vrouwen in het klooster van Risabergen. Ze had er niet alleen goede manieren en devotie geleerd, maar ze was door het vervullen van allerlei taken ook erop voorbereid een grote huishouding te leiden.

    "Als haar jeugd en armoede geen bezwaar zijn, moet je haar kiezen," zei Vrouwe Rangela.
    "Ik weet dat mijn dochter haar de zorg over haar kinderen zonder meer had durven toevertrouwen. Ze zal in vrede rusten als je haar nichtje trouwt."

    Heer Eskil, die nooit tijd had over zijn eigen zaken na te denken, was Vrouwe Rangela dankbaar voor haar goed advies. Hij vroeg wel een paar weken bedenktijd, maar gaf haar al de volgende dag volmacht voor hem te onderhandelen. En zo snel als in verband met de voorbereidingen voor de trouwerij en de goede smaak mogelijk was, werd de bruiloft gevierd. De jonge vrouw deed een paar maanden nadat ze achttien jaar was geworden haar intocht op Börtsholm.

    Toen Vrouwe Rangela zich bedacht hoeveel reden haar nichtje had haar dankbaar te zijn, voelde ze zich nog veiliger dan toen haar eigen dochter de teugels in handen had op Börtsholm. In haar optimisme verhoogde ze het bruggegeld nog wat en ze verbood de buren streng de reizigers met een bootje over te zetten. Iedereen die langskwam, zou tol moeten betalen.

    Toen Vrouwe Lucia een aantal maanden op Börtsholm woonde kwam er eens een groep zieke pelgrims langs, die op weg waren naar de Heilige Drieëenheidsbron bij Sökra. Ze vroegen of ze over de brug mochten gaan. Ze waren gewend dat de mensen die ze tegenkwamen hen hielpen. Het gebeurde vaker dat ze geld kregen, dan dat ze het moesten uitgeven.

    De brugwachters van Vrouwe Rangela hadden strenge bevelen gekregen niemand zó maar door te laten en zeker niet dit soort reizigers. Ze verdacht hen ervan helemaal niet zo ziek te zijn als ze voorgaven, maar uit luiheid zo door het land te trekken.

    Toen hun de vrije doorgang geweigerd werd, begonnen de zieken te jammeren. De verlamden en mismaakten toonden hun gebreken en vroegen hoe iemand zo hard kon zijn. Hun tocht zou hierdoor een dag langer duren. De blinden zonken op hun knieën en de vrienden en familieleden van de zieken die hen vergezelden op hun tocht, keerden hun zakken om, om de wachtposten te laten zien dat ze werkelijk geen geld hadden.

    Maar de wachters lieten zich niet vermurwen en de wanhoop van de armen groeide steeds meer. Op dat moment kwam de kasteelvrouw van Börtsholm met haar stiefkinderen aanroeien. Toen ze had begrepen wat de moeilijkheid was, riep ze uit: "Maar hier kunnen we gemakkelijk iets aan doen. De kinderen brengen een bezoek aan grootmoeder Rangela en intussen zet ik deze zieken over in mijn boot."

    De wachters en ook de kinderen die wisten dat er met Vrouwe Rangela niet viel te spotten, als haar dierbare tolgeld in het geding was, probeerden de jonge vrouw met blikken en gebaren te waarschuwen. Maar ze merkte het niet. Of wilde ze het niet begrijpen? Ze was in alles het tegengestelde van haar tante. Ze had al sinds haar jeugd de heiligverklaarde Siciliaanse maagd Lucia liefgehad en vereerd. Zij was haar beschermheilige en voorbeeld geworden. Daardoor was haar hele wezen met licht en warmte doortrokken geraakt. Over haar uiterlijk lag iets lichts, iets doorschijnends, bijna te teer om aan te raken. Met veel vriendelijke woorden zette zij de zieken over. Ze werd overladen met goede wensen en zegeningen, die als ze even zwaar als waardevol waren geweest, haar boot onmiddellijk zouden hebben doen zinken.

    Na deze gebeurtenis begon Vrouwe Rangela te vermoeden dat ze van haar nichtje weinig steun had te verwachten. Ze had er spijt van dat ze ervoor gezorgd had dat zij met heer Eskil was getrouwd. Ze besloot dat vóór het meisje haar belangen nog meer zou schaden, ze uit haar hoge positie verdreven zou moeten worden.

    Ze liet niets van haar boze opzet merken en bezocht haar nichtje vaak op Börtsholm. Ze probeerde wel tweedracht tussen de jonge vrouw en de bedienden te zaaien, maar tot haar verbazing mislukte dat helemaal. Voor een deel kwam dat doordat Vrouwe Lucia ondanks haar jeugd haar huishouding goed leidde. De werkelijke reden was echter, dat de kinderen en bedienden geloofden dat de nieuwe huismoeder een machtige, hemelse bescherming genoot, waardoor zij die haar kwaad wensten, gestraft zouden worden en degenen die haar trouw dienden, voorspoed zouden genieten. Vrouwe Rangela merkte dat ze op deze manier niets bereikte, maar wilde de hoop nog niet opgeven en eerst ook heer Eskil nog op de proef stellen. Deze zomer was hij meestal aan het hof in verband met moeizame en inspannende onderhandelingen. Als hij af en toe een paar dagen thuiskwam, bracht hij zijn tijd voornamelijk met de jachtopzichters en de voormannen door. Aan de vrouwelijke bewoners van Börtsholm schonk hij alleen maar terloops aandacht en zelfs als Vrouwe Rangela op bezoek kwam, trok hij zich terug. Ze kreeg nooit de kans hem onder vier ogen te spreken. Op een mooie zomerdag zat heer Eskil in zijn kamer met zijn stalmeester te praten. Plotseling klonk er in het kasteel een luid geschreeuw. Hij onderbrak het gesprek en haastte zich naar buiten om te zien wat er aan de hand was. Daar zag hij zijn schoonmoeder, Vrouwe Rangela, die buiten de poort te paard zat en harder krijste dan een uil.

    "Je arme kinderen, heer Eskil!"

    schreeuwde ze, "ze zijn in levensgevaar. Vanmorgen kwamen ze naar mijn strand roeien, maar op weg naar huis moeten ze water in hun boot hebben gekregen. Ik kon vanuit mijn huis zien dat ze het moeilijk hadden en ben hierheen gereden om je te waarschuwen. Ook al is je vrouw mijn eigen nichtje, ik vind het onverantwoord dat zij ze in een dergelijke oude boot het water op laat gaan. Het is een stiefmoederstreek!"

    Heer Eskil stelde haastig een paar vragen en snelde toen met zijn stalmeester naar het botenhuis. Maar nog voor ze daar waren aangekomen, zagen ze op het steile pad naar het meer Vrouwe Lucia aankomen met alle kinderen. De jonge kasteelvrouw was dit keer niet meegegaan met haar kinderen, maar naar huis gegaan om te werken. Maar alsof ze een waarschuwing van haar hemelse beschermers had gekregen, was ze plotseling naar buiten gegaan om naar hen te kijken. Ze had gemerkt dat ze met hun armen zwaaiden en om hulp riepen. Ze was snel in haar eigen boot naar hen toegeroeid en op het laatste moment was het haar gelukt de kinderen uit het zinkende vaartuig in haar eigen boot te krijgen.

    Toen Vrouwe Lucia en haar stiefkinderen het pad opkwamen waren ze druk in gesprek. Ze vroeg de kinderen hoe het ongeluk toch had kunnen gebeuren. Ze waren zo verdiept in hun gesprek dat ze heer Eskil met Vrouwe Rangela niet zagen. Hij was ongerust geraakt over wat Vrouwe Rangela had gezegd over een stiefmoederstreek. Hij gaf zijn stalmeester een teken en ze verborgen zich achter één van de wilde rozenstruiken, die bijna de hele heuvel, waar Börtsholm op lag, overdekten.

    Hij hoorde hoe de kinderen Vrouwe Lucia uitlegden dat ze in een goede boot waren uitgevaren, maar dat hun boot verwisseld was met een oude, slechte boot, toen ze bij Vrouwe Rangela te gast waren. Ze hadden het pas gemerkt toen ze al op het meer waren en er aan alle kanten water de boot instroomde. Ze zouden zeker verdronken zijn als hun lieve moeder niet zo snel te hulp was gekomen.

    Het leek alsof Vrouwe Lucia iets begon te begrijpen, want ze bleef doodsbleek midden op het steile pad staan. Er sprongen tranen in haar ogen en ze drukte haar handen tegen haar hart. De kinderen drongen om haar heen om haar te troosten. Ze riepen dat ze toch allemaal heelhuids aan het gevaar waren ontsnapt, maar ze bleef onbeweeglijk en machteloos staan.

    Toen vouwden de twee oudste kinderen, twee sterke jongens van veertien en vijftien, hun handen in elkaar en droegen haar het steile pad op. De jongeren volgden lachend en klapten in hun handen. Terwijl de kleine stoet zo in triomf tussen de rozen door naar Börtsholm trok, stond heer Eskil in gedachten zijn vrouw en kinderen na te kijken. De jonge vrouw zag er zo lief en stralend uit, dat hij wilde dat zijn leeftijd en waardigheid hem zouden hebben toegestaan haar in zijn armen te nemen en naar het kasteel te dragen.

    Misschien bedacht heer Eskil op dat ogenblik ook hoeveel moeite zijn werkzaamheden voor het vorstenhuis hem kostten en hoe weinig bevredigend dat werk eigenlijk was. Wellicht wachtten hem thuis veel meer vrede en vreugde. Hij sloot zich die dag niet meer op in zijn kamer, maar praatte met zijn vrouw en keek naar zijn spelende kinderen.

    Vrouwe Rangela zag het met lede ogen aan. Zodra ze fatsoenshalve kon, verliet ze haastig Börtsholm. Omdat niemand haar echt durfde te verdenken, werd de vriendschappelijke band niet verbroken en kon ze haar pogingen voortzetten om de jonge kasteelvrouw van haar hoge positie te beroven. Het leek alsof het onberispelijke gedrag en het goede hart van Vrouwe Lucia en de hemelse bescherming die ze genoot, alle aanvallen deden afketsen. Maar in de herfst deed tot Vrouwe Rangela"s blijdschap haar nichtje iets, dat heer Eskil wel moest afkeuren.

    Dat jaar was de oogst op Börtsholm overvloediger geweest dan ooit. Ook de jacht en de visvangst hadden tweemaal zoveel opgebracht als anders. De bijenkorven liepen bijna over van was en honing en de hop was goed opgekomen. De koeien gaven overvloedig melk, de wol van de schapen werd net zo lang als het gras en de varkens vraten zich zo vet, dat ze zich nauwelijks konden bewegen. Iedereen die op het kasteel woonde zag de gezegende opbrengsten en men beweerde al gauw dat het door de aanwezigheid van de jonge Vrouwe Lucia werd veroorzaakt.

    Terwijl men nu op Börtsholm druk bezig was de rijke oogst te verwerken, verscheen er een grote groep mensen die in nood verkeerden. Zij kwamen van de oostelijke en noord-oostelijke oever van het grote Vannernmeer. Onder veel tranen vertelden ze dat de hele streek door een vijandelijk leger was geteisterd. Brandend, plunderend en moordend hadden de soldaten rondgetrokken. Zij waren zo wreed geweest dat ze zelfs het koren op de velden in brand hadden gestoken en alle vee hadden meegenomen. De mensen die het overleefd hadden, gingen de winter zonder voedsel en dak boven hun hoofd tegemoet. Sommigen waren gaan bedelen, anderen verborgen zich in het bos en weer anderen zwierven moedeloos tussen de afgebrande woningen rond, treurend over wat verloren was gegaan.

    Toen Vrouwe Lucia deze verhalen hoorde, werd de aanblik van alle levensmiddelen die zich in Börtsholm opstapelden, haar te veel. Ten slotte werd de gedachte aan al die hongerende mensen aan de overkant van het meer haar te machtig. Ze kon geen hap meer naar binnen krijgen. Telkens opnieuw moest ze denken aan de verhalen, die ze in het klooster over heilige mannen en vrouwen had horen voorlezen. Die hadden zich tot op het blote lijf ontkleed om hen die het nodig hadden te helpen. En bovenal herinnerde ze zich haar eigen beschermheilige, Lucia van Syracuse, die in haar barmhartigheid zó ver was gegaan dat ze voor een heidense jongen, die haar liefhad om haar mooie ogen, haar ogen had uitgestoken en die aan hem had gegeven. Ze wilde hem genezen van zijn liefde voor haar, daar zij als christen hem nooit zou kunnen trouwen. De jonge vrouw werd door deze herinneringen bang en gepijnigd. Ze verachtte zichzelf omdat ze zoveel over de ellende van anderen kon aanhoren, zonder pogingen te doen te helpen. Op het moment dat die gedachten haar het meest kwelden, kwam er een bericht van heer Eskil dat hij voor de koning op reis naar Noorwegen moest en niet vóór Kerstmis thuis verwachtte te zijn. Maar dan zou hij niet alleen met zijn eigen gevolg van zestig man komen, maar ook nog met een groot aantal vrienden en familieleden. Hij verzocht Vrouwe Lucia zich voor te bereiden op een groot en langdurig feest.

    Diezelfde dag nog deed Vrouwe Lucia een poging om de gevoelens van wroeging en zelfverachting te bezweren. Ze droeg haar ondergeschikten op alle levensmiddelen die op Börtsholm lagen opgeslagen naar het strand te brengen. Daar werd de hele wintervoorraad op pramen en schuiten geladen tot grote verbazing van alle kasteelbewoners.

    Toen de kelders en voorraadkamers helemaal leeg waren, ging Vrouwe Lucia met haar kinderen en dienaren aan boord van een goed uitgerust schip. Op het kasteel liet ze alleen een paar oude wachtposten achter. Ze liet zich met al haar bezittingen voortroeien over het grote, schijnbaar onbegrensde meer, dat voor haar lag.

    Over die reis van Vrouwe Lucia bestaan nog steeds allerlei oude sagen en verhalen. Zo wordt er verteld dat de westoever van het Vannernmeer, waar de vijand het meest had geplunderd, bij haar aankomst bijna volledig uitgestorven was. Vrouwe Lucia was daar erg teleurgesteld langsgevaren, speurend naar een levensteken. Maar er was geen rook omhooggekringeld, er had geen haan gekraaid en geen koe geloeid.

    Toch woonde er in één gemeente nog een oude geestelijke, die heer Kolbjörn genoemd werd. Hij was achtergebleven toen zijn gemeenteleden uit hun verwoeste boerderijen en huizen vluchtten. Zijn pastorie en de kerk waren vol mensen die bij de gevechten gewond waren geraakt. Hij was bij hen gebleven, had hun wonden verzorgd en had het voedsel dat hij nog had onder hen verdeeld, zonder zichzelf een ogenblik rust of een maaltijd te gunnen. Daardoor was hij zo uitgeput dat hij meer dood dan levend was.

    Toen had, op één van de donkerste herfstdagen, toen er donkere wolken boven het meer hingen en het water met zware golven kwam aanrollen, heer Kolbjörn geprobeerd de kerkklok te luiden om Gods zegen over zijn zieken af te smeken. Voor het lezen van de mis had hij geen kracht meer gehad.

    Nauwelijks hadden de eerste klanken geklonken of er was een kleine vloot schepen en pramen naar het land komen roeien. Uit één van de scheepjes was een jonge vrouw gestapt met een door licht omstraald gezicht. Voor haar uit liepen acht kinderen en achter haar liep een lange rij knechten die flinke hoeveelheden levensmiddelen droegen, waaronder gebraden kalveren en schapen, broodkoeken op lange stokken, kruiken met dranken en zakken meel. De hulp was als een wonder net op tijd gekomen.

    Niet ver van de kerk van heer Kolbjörn had op een landtong, die het meer inliep en Saxudden heette, sinds onheuglijke tijden een boerderij gestaan. Die was nu platgebrand en geplunderd, maar de eigenaar, een man van zeventig, hield zoveel van de boerderij dat hij de ruïne niet wilde verlaten. Zijn oude vrouw, een kleinzoon en een kleindochter waren bij hem gebleven. Ze hadden van de visvangst geleefd, maar de stroom had hun vistuig vernield en nu zaten ze op de puinhopen en dachten van honger te zullen sterven. Terwijl ze lagen te wachten dacht de man plotseling aan zijn hond, die, de hongerdood nabij, in de buurt lag. Hij nam een pook en met inspanning van zijn laatste krachten sloeg hij naar de hond om hem weg te jagen. Hij wilde niet dat het dier zou sterven door omstandigheden waaraan het geen schuld had. Bij de klap huilde de hond luid en liep weg. De hele nacht zwierf hij jankend rond. Het geluid droeg ver over het meer. Nog voor het dag was, roeide Vrouwe Lucia, door het gejank geleid, naar de oever en bracht hulp en redding. Nog verder weg lag een huisje met een muur eromheen. Er woonden een paar vrome vrouwen, die God hadden beloofd het huis nooit te verlaten. De vijandelijke soldaten hadden zoveel eerbied voor hun vroomheid gehad, dat ze hen noch het huis kwaad hadden gedaan. Wel hadden ze hen van hun wintervoorraad beroofd. Het enige wat ze hadden mogen houden, was een duiventil vol duiven. Ze hadden de duiven één voor één geslacht tot er nog maar één over was. Die duif was heel tam en de vrouwen hielden zoveel van het dier dat ze hun leven niet ten koste van hem wilde verlengen. Ze openden de kooi en lieten de duif wegvliegen. Eerst vloog de witte duif hoog de lucht in en toen daalde het dier en ging op het dak zitten.

    Toen Vrouwe Lucia langs het strand roeide zag ze de duif en begreep dat er mensen in de buurt moesten zijn. Ze ging aan land en gaf de vrome vrouwen zoveel voedsel, dat ze de winter konden doorkomen.

    Nog verder naar het zuiden had bij de oever van het Vannernmeer een klein handelsstadje gelegen, dat nu platgebrand en geplunderd was. Alleen de lange steigers waar vroeger de schepen aanlegden, waren nog onbeschadigd. Onder die steigers had zich, terwijl de plundering gaande was, Lasse de winkelier met zijn vrouw verstopt. Temidden van het geweld was daar hun kind geboren. Maar daarna was de moeder zo ziek geworden dat ze niet hadden kunnen vluchten. Ze leefden nu in diepe ellende en iedere dag opnieuw smeekte de vrouw haar man toch aan zichzelf te denken en haar alleen te laten, maar hij weigerde.

    Toen verliet ze op een nacht hun schuilplaats om zich met haar kind te verdrinken. Ze dacht dat haar man als zij dood waren wel zou vluchten en het er levend vanaf zou brengen. Maar het kind begon heel hard te huilen toen het het koude water voelde en de man werd wakker. Hij bracht hen beiden aan land, maar het kind was zo geschrokken dat het de hele nacht huilde. Het geluid droeg ver over het water en trok de aandacht van de helpers die zoekend op het meer voeren.

    Vrouwe Lucia roeide langs de oever van het Vannernmeer zolang ze nog voorraad had. Op die tocht was ze gelukkiger dan ooit tevoren, want er is niets vreselijkers dan werkeloos te moeten toezien als anderen verdriet hebben en in nood zitten. Te kunnen helpen, al is het nog zo weinig, geeft geluk en rust. Ze voelde zich nog steeds opgelucht en blij toen ze op Börtsholm aankwam de avond voor Luciadag. Ze was gelukkig en zich van geen gevaar bewust. Tijdens het avondmaal dat uit een paar bekers melk bestond, sprak ze met haar reisgenoten over de heerlijke tocht die ze hadden gemaakt. Ze waren het erover eens dat ze nog nooit zo"n bevredigende tijd hadden doorgemaakt.
    "Maar nu krijgen we een drukke tijd," ging ze verder, "morgen kunnen we St. Luciadag niet zoals anders met een feestmaal vieren. We moeten flink aanpakken en brouwen, bakken en slachten, zodat we klaar zijn voor het kerstfeest als heer Eskil thuis komt."

    Ze zei het zonder angst want ze wist immers dat haar stallen en schuren vol goede gaven van God waren, al waren die op dit moment nog niet klaar om de mensen als voedsel te kunnen dienen.

    Hoe gelukkig de tocht ook was geweest, alle reizigers waren uitgeput en gingen vroeg slapen. Maar nog maar net had Vrouwe Lucia de ogen gesloten of buiten het kasteel klonk paardegetrappel, wapengekletter en een luid geschreeuw. De poort zwaaide knarsend open en op de stenen binnenplaats klonken haastige voetstappen. Ze begreep dat heer Eskil met al zijn ruiters was thuisgekomen. Vrouwe Lucia sprong haastig uit haar bed om hem tegemoet te gaan.

    Nadat ze haar kleding snel in orde had gebracht, haastte ze zich naar de overloop om van daaruit een trap naar de binnenplaats af te dalen. Maar ze kwam niet verder dan de eerste trede, want midden op de trap stond heer Eskil die op weg was naar haar kamer.

    Een fakkeldrager liep voor hem uit en bij het onzekere licht dacht Vrouwe Lucia grote woede op zijn gezicht te zien. Even hoopte ze nog dat zijn gezicht door het rode, flakkerende licht zo donker en dreigend leek. Maar toen ze zag hoe de kinderen en dienstmeiden met bedrukte gezichten en neergeslagen ogen terugdeinsden, moest ze wel geloven dat haar man woedend was thuisgekomen. Terwijl Vrouwe Lucia boven aan de trap stond en op hem neerkeek, zag hij haar plotseling ook en angstig zag ze dat hij zijn gezicht tot een geforceerde glimlach vertrok.

    "Word ik nu door mijn mooie vrouw met een maaltijd welkom geheten?" vroeg hij sarcastisch. "Je zorgen zijn vergeefs, want mijn mannen en ik hebben al bij uw tante, Vrouwe Rangela, gegeten. Maar morgen," voegde hij er aan toe, terwijl hij bijna zijn zelfbeheersing verloor, "morgen verwachten we dat je ons een grootse maaltijd voorzet, een maaltijd dit huis waardig. En vergeet niet," riep hij, terwijl hij met zijn vuist op de trapleuning sloeg, "me bij het eerste gekraai van de haan mijn morgendrank te laten brengen."

    De jonge vrouw kon geen woord uitbrengen. Net als de vorige zomer, toen ze voor het eerst het vermoeden kreeg dat Vrouwe Rangela haar zwart probeerde te maken, bleef ze staan, sloeg de handen tegen het hart en kreeg tranen in haar ogen. Ze begreep onmiddellijk dat het Vrouwe Rangela was, die haar man vroegtijdig had teruggeroepen en hem had verteld wat Vrouwe Lucia met zijn bezittingen had gedaan.

    Heer Eskil liep nog een paar treden verder omhoog en zonder zich iets van de angst van zijn vrouw aan te trekken, boog hij zich naar haar toe en zei met dreigende stem: "Bij het kruis van Onze Heer, Vrouwe Lucia! Onthoud één ding goed, als die maaltijd mij niet bevalt, zul je je dat levenslang berouwen!" Hij legde zijn hand nadrukkelijk op de schouder van zijn vrouw en duwde haar voor zich uit de slaapkamer in.

    Terwijl ze daar naar binnen ging, vielen Vrouwe Lucia de schellen van de ogen. Ze begreep dat ze onbezonnen en eigenmachtig had gehandeld en dat heer Eskil reden had om boos te zijn. Had ze niet zonder overleg over zijn eigendom beschikt? Toen ze alleen waren, probeerde ze hem dat vol berouw te zeggen, en ze wilde vergeving voor haar onnadenkend gedrag vragen. Maar hij liet haar niet uitspreken. "Ga nu slapen, Vrouwe Lucia, en denk er aan: sta niet voor de gewone tijd op! Als de morgendrank en de maaltijd mij niet bevallen, zou het kunnen zijn dat je al je krachten nodig hebt bij wat er dan zal gebeuren."

    Met dat antwoord, dat haar angst nog vergrootte, moest ze het doen. Ze deed die nacht geen oog dicht. Hoe meer ze nadacht over wat haar man had gezegd, hoe meer ze begreep dat hij erg dreigende woorden had gesproken. Hij zou haar zeker niet veroordelen voordat hij met eigen ogen gezien had, dat ze gedaan had wat Vrouwe Rangela had beweerd. Maar als ze hem niet zo kon onthalen als hij dat wilde, dan was het duidelijk dat haar een vreselijke straf wachtte. Misschien zou ze onwaardig bevonden worden nog langer zijn vrouw te zijn en teruggestuurd worden naar haar ouders. Uit zijn laatste woorden maakte ze op dat hij haar bovendien als een dievegge tussen de paarden spitsroeden zou laten lopen.

    Toen ze er van overtuigd was, dat dat zijn bedoeling was, én dat was ook zo, want Vrouwe Rangela had heer Eskil tot een verschrikkelijke woede opgestookt, begon Vrouwe Lucia te beven en te klappertanden van angst. Ze dacht dat ze van angst zou sterven. Ze begreep dat ze de nacht moest gebruiken om een oplossing te vinden, maar haar angst verlamde haar, zodat ze onbeweeglijk bleef liggen. Hoe is het mogelijk om morgenvroeg mijn man en zijn zestig volgelingen al een maaltijd voor te zetten? dacht ze in haar wanhoop. Ik kan net zo goed hier stil blijven liggen wachten tot mijn straf komt. Het enige wat ze kon doen was onophoudelijk en vurig tot de heilige Lucia van Syracuse bidden.

    "Oh, heilige Lucia, mijn lieve beschermende moeder," bad ze, "morgen is het de dag waarop u dood werd gemarteld en bent binnengaan in het Hemelse Paradijs! Weet u nog hoe donker, koud en hard het is om op aarde te leven? Kom vannacht hier en neem mij mee! Sluit mijn ogen voorde eeuwige slaap! U weet dat dit mijn enige uitweg is om aan schande en ontering te ontkomen."

    Terwijl ze zo de hulp van de heilige Lucia inriep, verstreken de uren en naderde de gevreesde morgen. Veel vroeger dan ze verwachtte klonk het eerste gekraai van de haan en liepen de knechten die voor het vee zorgden over de binnenplaats. De paarden maakten lawaai terwijl ze gingen staan in hun stallen.

    "Dadelijk wordt heer Eskil ook wakker en zal hij me zeggen zijn morgendrank te halen. Ik zal moeten bekennen dat ik dwaas heb gehandeld en bier noch wijn voor hem heb."

    Haar beschermheilige, de heilige Lucia, kon haar lijden niet langer aanzien. Ze besefte dat Vrouwe Lucia alleen door haar al te grote barmhartigheid had gefaald. Haar lichaam, dat honderden jaren in de kleine grafkamer van de catacomben van Syracuse had gerust, kwam tot leven. Ze kleedde zich in een gewaad van sterrenlicht en werd weer even mooi als vroeger. Ze ging terug naar de wereld, waarin ze vroeger had geleden en liefde had gegeven.

    Enkele ogenblikken later zag de verbaasde wachter op de toren van de poort van Börtsholm ver in het zuiden een lichtflits. Als een kogel sneed het vuur door de nacht, sneller dan een mens ooit kan volgen. Het kwam regelrecht op Börtsholm af, vloog de wachtpost rakelings voorbij en verdween. Op die vurige bol - ten minste dat meende de wachter - bevond zich een jong meisje.

    Ze stond op de bol, had haar armen hoog geheven en danste op het lichtende voertuig.

    Bijna op hetzelfde moment zag Vrouwe Lucia, die van angst niet kon slapen, een schijnsel door een spleet in de deur dringen. En toen de deur een oogwenk daarna openging kwam er tot haar verbazing en blijdschap een schone maagd binnen. Ze was gekleed in een gewaad zo blinkend wit als sterrenlicht. Haar lange, zwarte haar was bij elkaar gebonden met een rank van een plant. Er zaten geen gewone bladeren en bloemen aan, maar fonkelende sterren. De hele kamer werd erdoor verlicht. Maar toch vond Vrouwe Lucia dat het schijnsel vergeleken met de lieve ogen van de vreemdelinge in het niet zonk. Haar ogen glansden helderder dan iets anders op de aarde. Ze straalden hemelse liefde en barmhartigheid uit.

    In haar hand had de onverwachte verschijning een grote koperen kan, waaruit de zoete geur van edel druivensap opsteeg. Ze zweefde door de kamer op heer Eskil af, schonk een beetje wijn in een kom en bood hem die aan.

    Heer Eskil, die goed had geslapen, werd wakker toen het licht dat ze uitstraalde, op zijn ogen viel. Hij bracht de kom naar zijn lippen. Slaperig als hij was, merkte hij niet meer van het wonder dan dat de wijn heerlijk smaakte. Hij dronk de kom tot op de bodem leeg.
    Deze wijn kon niets anders zijn dan de edele Malvasier, de trots van Sicilië en de koning der wijnen. Maar nauwelijks had de ridder de kom geleegd, of hij sliep weer in. Op datzelfde ogenblik zweefde de mooie heilige maagd de kamer uit en liet Vrouwe Lucia vol verbazing en met nieuwe hoop achter. In de donkere, koude wintermorgen zweefde de lichtende helpster door de sombere zalen van het Zweedse kasteel en bood alle slapende soldaten de verrukkelijke wijn uit het Zuiden aan. En zij die hem dronken, dachten dat ze een godendrank proefden. Ze vielen ook dadelijk weer in slaap en droomden over streken waar het voortdurend zomer was en waar de zon altijd scheen. Maar Vrouwe Lucia merkte dat alle angst en machteloosheid die ze die nacht had gevoeld van haar afgleed, ook toen het wonder voorbij was. Ze kleedde zich haastig aan en riep al haar bedienden en beval ze aan het werk te gaan. Die hele lange wintermorgen werkten ze allemaal aan heer Eskils welkomstmaaltijd. Jonge kalveren, varkens, ganzen en kippen verloren in korte tijd het leven. Er werd deeg gekneed en te gisten gezet en er werden grote vuren onder de braadspitten gestookt. Er werd kool gestoofd en men schilde rapen en bakte honingkoeken.

    De tafel in de feestzaal werd gedekt en er werden kostbare waskaarsen uit voorraadkisten opgediept. Op de banken werden blauwe kussens en kleden gelegd.

    Terwijl al die voorbereidingen werden getroffen sliepen heer Eskil en zijn mannen door.

    Toen hij eindelijk wakker werd zag hij aan de stand van de zon dat het al middag was. Niet alleen dat hij zo lang geslapen had verbaasde hem, maar ook dat de ergernis van de vorige avond was verdwenen. Hij had zijn vrouw tijdens zijn ochtendsluimering gezien. Haar gedrag was vol tederheid en liefde geweest. Hij verwonderde zich over het feit dat hij van plan was geweest haar hard te straffen.

    Misschien is het allemaal niet zo erg als Vrouwe Rangela me heeft verteld, dacht hij. Ik kan haar natuurlijk niet als vrouw houden als ze inderdaad mijn bezittingen heeft weggegeven, maar haar eenvoudig naar haar ouders terugsturen is misschien voldoende straf.

    Toen hij zijn kamer uitkwam, brachten zijn kinderen hem naar de feestzaal. Zijn mannen zaten op de banken al ongeduldig op hem te wachten. Ze wilden graag beginnen en de tafel voor hen boog door onder de heerlijkste gerechten. Vrouwe Lucia nam zonder een spoor van angst naast haar man plaats. Ze was echter nog niet helemaal gerust, hoewel ze in alle haast een maaltijd hadden kunnen bereiden, hadden ze bier noch wijn kunnen brouwen. Ze was onzeker of heer Eskil een maal zonder iets te drinken voldoende zou vinden.

    Maar toen zag ze op de tafel vóór haar de grote koperen kan staan die de heilige maagd had gedragen. Die was tot aan de rand gevuld met geurige wijn. Opnieuw voelde ze zich dankbaar voor de bescherming van de barmhartige heilige en bood heer Eskil de wijn aan. Ze vertelde hoe ze eraan was gekomen en hij luisterde vol verwondering ernaar.

    Toen heer Eskil een paar keer van de wijn had geproefd, die ditmaal geen slaapverwekkende uitwerking had, vatte Vrouwe Lucia moed en vertelde hem over haar tocht. Eerst zat hij ernstig te luisteren maar toen ze over de geestelijke heer Kolbjörn vertelde, riep hij uit: "Heer Kolbjörn is één van mijn beste vrienden, Vrouwe Lucia, ik ben blij dat je hem kon helpen." En even later bleek ook dat de boer op Saxudden een metgezel van heer Eskil op vele veldtochten was geweest. Eén van de vrome vrouwen was bovendien een familielid van hem. En Lasse - de winkelier uit het handelsstadje - leverde hem vaak lakens en wapens uit het buitenland. Vóór Vrouwe Lucia klaar was met haar verhaal was heer Eskil niet alleen bereid haar alles te vergeven maar was hij ook zielsdankbaar dat zij zoveel van zijn vrienden had kunnen helpen. Maar de angst die Vrouwe Lucia die nacht had doorstaan kwam terug en ze zei, terwijl ze haar tranen nauwelijks kon bedwingen:

    "Lieve Heer en Meester, ik vind dat ik verkeerd heb gehandeld, toen ik zonder toestemming te vragen uw bezittingen weggaf. Maar ik smeek u, denk aan mijn onervarenheid en vergeef me."

    Toen Vrouwe Lucia dat had gezegd en heer Eskil eraan dacht dat zijn vrouw zo vroom was dat een hemelbewoonster haar aardse lichaam had aangenomen om haar te helpen en dat hij, die toch als een wijs man gold, wiens inzichten hoog werden geacht, haar zó had gewantrouwd, schaamde hij zich diep. Hij sloeg zijn ogen neer en kon geen woord uitbrengen.

    Maar toen Vrouwe Lucia hem daar zwijgend en met gebogen hoofd zag zitten werd ze bang. Ze zou het liefst huilend van haar plaats zijn opgestaan om weg te lopen. Op dat ogenblik kwam de barmhartige heilige Lucia, zonder dat iemand haar zag, de zaal binnen en sloop naar de jonge vrouw toe. Ze fluisterde haar in het oor wat ze moest zeggen. Het was juist datgene wat Vrouwe Lucia eigenlijk aldoor graag had willen zeggen. Door haar verlegenheid had ze dat nooit gedurfd.

    "Ik wil u graag nog één ding vragen, mijn lieve heer en meester," zei ze, "wilt u niet wat meer thuis blijven? Ik zou dan nooit in de verleiding komen tegen uw wil te handelen. Ik zou u ook alle liefde die ik voor u voel kunnen laten blijken, zodat zich niemand meer tussen ons kan dringen."

    Iedereen voelde dat heer Eskil aangenaam getroffen werd door die woorden. Hij rechtte zijn rug en het grote geluk dat hij voelde opwellen, overstraalde zijn schaamte.

    Juist wilde hij zijn vrouw een liefdevol antwoord geven toen één van de opzichters van Vrouwe Rangela de zaal binnenstormde. Gejaagd vertelde hij dat Vrouwe Rangela die morgen erg vroeg naar Börtsholm was vertrokken om de bestraffing van Vrouwe Lucia bij te wonen. Onderweg was ze een paar boeren tegengekomen die haar al een tijd haatten vanwege haar tolgelden.

    Toen ze zagen dat ze slechts vergezeld werd door één knecht, hadden ze die op de vlucht gejaagd. Daarna hadden ze Vrouwe Rangela van haar paard gesleurd en vermoord.

    De opzichters van Vrouwe Rangela waren uitgereden om de moordenaars te grijpen en ze vroegen of ook heer Eskil mannen eropuit wilde sturen om hen te helpen. Heer Eskil stond op en zei luid en streng: "Het is wellicht het meest hoffelijk als ik eerst mijn vrouw zou antwoorden, maar eerst wil ik met Vrouwe Rangela afrekenen. Wat mij betreft mag haar dood ongewroken blijven. Ik zal mijn dienaren voor haar niet eropuit sturen, want ik ben er zeker van dat ze haar verdiende loon heeft ontvangen."

    Toen hij dat had gezegd, wendde hij zich tot Vrouwe Lucia en zijn stem klonk zo teder dat velen nauwelijks konden geloven dat het dezelfde heer Eskil was, die zojuist had gesproken. "Ik wil mijn lieve vrouw zeggen dat ik haar graag vergeef en dat ik hoop dat ze mij mijn woede wil vergeven. Over haar wens het volgende: Ik zal de koning vragen een andere raadsman te kiezen, want ik wil twee edele vrouwen gaan dienen. De ene is mijn vrouw en de andere de heilige Lucia van Syracuse, voor wie ik in alle kerken en kapellen op mijn bezit, altaren zal oprichten. Ik zal haar bidden dat wij die in de koude van het Noorden wonen, vroom mogen blijven en de ster van barmhartigheid zullen blijven volgen. Als in mijn jeugd op dertien december 's morgens vroeg de koude en duisternis nog over Varmland lagen, kwam de heilige Lucia van Syracuse alle huizen die tussen de Noorse rotsen en de Gullspangsalv lagen, binnen. Ook toen droeg ze, zoals alleen kinderogen konden zien, een gewaad dat van wit sterrenlicht gemaakt leek. In haar hand had ze een krans van oplichtende bloemen en nog altijd wekte ze de slapenden met een warme geurige drank uit haar koperen kan.

    Géén gebeurtenis was mij dierbaarder dan wanneer de deur openging en zij het donker van mijn kamer binnenkwam. Ik zou willen dat ze altijd de boerderijen van Varmland zal blijven bezoeken. Want zij is het licht dat de duisternis bedwingt, zij is de legende die de vergetelheid overwint en zij is de warmte van het hart die koude, ijzige landen midden in de winter liefelijk en zonnig maakt.



     

    22-02-2012 om 21:40 geschreven door Felix1  

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 0/5 - (0 Stemmen)
    » Reageer (0)
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.De zus van Lana


    Woef woef

    Op het ziekenhuis is er juist een vrouw aan het bevallen.
    Eerst komt het kopje van de baby tevoorschijn, het ziet geel.
    De dokter vraagt: "Heb je het ooit met een chinees gedaan?"
    Waarop de dame zegt: "Ja ene keer." Dokter:"Van ene keer kan het komen eh!" Dan komen de borstkas en de armen tevoorschijn, ze zien bruin. Weer dezelfde situatie, "Heb je het ooit met een neger gedaan?" "Ja ene keer" "Ah van ene keer kant komen eh!" Dan komt de rest van de baby, rood. "Heb je het ooit met een indiaan gedaan?" "Ja ene keer" "Ah van ene keer kan't komen eh" De baby is er uit en dokter klopt op het ruggetje om te zien of het weent en inderdaad het weent. de vrouw zegt: "Ah heb ik geluk, ik dacht dat het ging blaffen!!"

    22-02-2012 om 00:00 geschreven door Felix1  

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 5/5 - (1 Stemmen)
    » Reageer (0)
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.De zonden van de Paters


     

    De zonden van de Paters

    4 paters van een en dezelfde gemeente gaan tegelijkertijd dood en komen dus ook tegelijkertijd aan bij de Poort van Petrus, de entree naar de hemel.De 4 paters sluiten keuring aan de rij die voor deze poort staat. Als de eerste pater eindelijk aan de beurt is, vraagt Petrus: "En mijn zoon, heeft u in uw leven gezondigd?" Waarop de eerste pater antwoord: "Nou, als je het echt moet weten, ik heb de Paus met mijn rechterhand afgetrokken!"

    "'Oh oh dat is een zware zonde!" zegt Petrus. "Maar ik weet raad: ga daar naar het Heilige Beekje, was je rechterhand goed schoon en je mag naar binnen. De eerste pater wast zijn rechterhand en mag vervolgens naar binnen wandelen.

    De tweede pater wordt eveneens de vraag gesteld door Petrus: "En mijn zoon, hebt u dan ook gezondigd?"
    "Nou, eigenlijk wel. Ik heb de Paus met mijn linkerhand afgetrokken!" "Oh oh dat is nog erger!" roept Petrus. "Maar ook voor jou geldt: was je linkerhand in het Heilige Beekje en je mag naar binnen". Ook de tweede pater volgt dit op en wandelt vervolgens naar binnen.

    De vierde pater heeft de 2 gesprekken meegeluisterd en duwt hard de pater voor hem aan de kant met de mededeling richting Petrus: "Mag ik alvast mijn mond gaan spoelen voordat hij er met zijn reet in gaat zitten?!"

    22-02-2012 om 00:00 geschreven door Felix1  

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 0/5 - (0 Stemmen)
    » Reageer (0)
    21-02-2012
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.De Bron der Wijzen

    De Bron der Wijzen



    In het oude land van Juda ging De Droogte rond, met holle ogen en verbitterd, tussen verschrompelde distels en verdord gras. 't Was in de zomer. De zon scheen op schaduwloze bergruggen, de minste windkoelte dreef dichte wolken kalkstof op uit het witgrauwe veld, de kudden stonden bijeen in de dalen bij de uitgedroogde beken.

    De Droogte ging rond en inspecteerde de watervoorraad. Ze dwaalde naar Salomons vijvers en zag zuchtend, dat ze nog een massa water tussen hun rotsige oevers bewaarden. Daarop ging ze naar de beroemde bron van David bij Bethlehem en vond ook daar water. Toen liep ze met slepende tred langs de grote landweg, die van Bethlehem naar Jeruzalem leidt.

    Toen ze ongeveer halfweg gekomen was, zag zij de Bron der Wijzen, die daar dicht aan de weg ligt en zij merkte spoedig, dat die bijna uitgedroogd was. De Droogte zette zich op de rand van de put, die uit één grote, uitgeholde steen bestaat, en keek naar beneden in de bron. De blanke waterspiegel, die anders heel dicht bij de opening lag, was nu diep omlaag gezonken en slik en modder van de bodem maakten hem onrein en troebel.

    Toen de bron het bruin verbrande gezicht van De Droogte zag afgebeeld op haar doffe waterspiegel, begon zij te golven van angst.

    "Ik zou wel eens willen weten, wanneer het met jou gedaan kan zijn," zei De Droogte. "Je zult wel geen waterader kunnen vinden daar in de diepte, die je nieuw leven kan komen brengen. En van regen kan er, Goddank, in de eerste twee, drie maanden nog geen sprake zijn."

    "Je kunt gerust wezen," zuchtte de bron, "niemand kan me helpen. Daar zou minstens een bronaar uit het Paradijs voor nodig zijn."

    "Dan zal ik je niet verlaten, voor alles voorbij is," zei De Droogte.

    Ze zag dat de oude bron haar einde tegemoet ging en nu wilde ze het genoegen hebben haar druppel voor druppel te zien sterven. Ze zette zich behaaglijk op de rand van de put en verheugde zich als zij de bron in de diepte hoorde zuchten. Zij had er ook veel plezier in te zien hoe dorstige reizigers naar de put kwamen, de aker lieten neerdalen en die optrokken met een paar modderige droppels van de bodem.

    Zo ging de hele dag voorbij en toen de schemering viel, keek De Droogte weer in de put. Er blonk nog wat water in de diepte. "Ik blijf hier vannacht," riep ze. "Haast je maar niet. Als het zo licht is, dat ik je weer zien kan, ben ik er zeker van, dat het met je gedaan is."

    De Droogte ging op het dak over de put zitten, terwijl de hete nacht, die nog akeliger en pijnlijker was dan de dag, neerdaalde over het land van Juda. Honden en jakhalzen huilden zonder ophouden en dorstige koeien en ezels antwoordden hen vanuit hun warme stallen. Toen eindelijk de wind opstak, bracht hij geen koelte, maar was heet en verstikkend, als de hijgende adem van een groot slapend monster.

    Maar de sterren lichtten met haar allerliefelijkste glans en een kleine, blinkende maansikkel spreidde haar mooi groenblauw licht over de grijze heuvels. En in dat licht zag De Droogte een karavaan aankomen en de heuvel optrekken, waar de Bron der Wijzen lag.

    De Droogte zat op het lage dak te kijken en verheugde zich opnieuw in al de dorst, die naar de bron kwam en daar geen druppel water vinden zou om gelest te worden. Daar kwamen zoveel dieren en kameelleiders aan, dat zij de bron wel hadden kunnen leegdrinken, al was die ook helemaal vol geweest. Plotseling kreeg zij de indruk, dat er iets wonderlijks, iets spookachtigs was aan die karavaan, die daar kwam aanzetten in de nacht.

    Alle kamelen kwamen eerst te voorschijn op een heuvel, die scherp tegen de horizon afstak; het was alsof zij uit de hemel kwamen. Zij schenen ook groter dan gewone kamelen en droegen al te gemakkelijk de reusachtige lasten waarmee zij beladen waren.

    Maar toch kon ze niets anders denken dan dat het werkelijkheid was. Zij zag ze immers heel duidelijk. Ze kon zelfs ook zien, dat de eerste drie dieren dromedarissen waren met grauw glanzend vel en dat ze rijk opgetuigd waren, gezadeld met mooie matten met franje en bereden door schone voorname ruiters.

    De hele optocht hield stil bij de bron. De dromedarissen legden zich neer op het veld met drie onwillige, schokkende bewegingen, en hun ruiters stegen af. De pakkamelen bleven staan en naarmate ze dichter bij elkaar kwamen, schenen ze een onafzienbaar bos te vormen van lange halzen en bulten en wonderlijk opeengestapelde pakken.

    De drie ruiters kwamen snel op De Droogte toe en begroetten haar door de handen op de borst te leggen. Zij zag, dat zij glanzend witte gewaden droegen en reusachtige tulbanden, waarop bovenaan een helder glinsterende ster bevestigd was, die straalde alsof zij direct van de hemel genomen was.

    "Wij komen uit een ver land," zei een van de vreemdelingen, "en wij verzoeken u ons te zeggen of dit werkelijk de Bron der Wijzen is."

    "Zo wordt zij vandaag nog genoemd," zei De Droogte, "maar morgen is het geen bron meer. Zij zal vannacht sterven."

    "Dat kan ik begrijpen, omdat ik u hier zie," zei de man; "maar is dit niet een van de heilige bronnen, die nooit uitdrogen? En van waar heeft zij haar naam?"

    "Ik weet dat ze heilig is," zei De Droogte; "maar wat kan haar dat helpen? De drie wijzen zijn in het Paradijs."

    De drie reizigers zagen elkaar aan. "Kent u werkelijk de geschiedenis van de oude bron?" vroegen ze.

    "Ik ken de geschiedenis van alle putten en beken en stromen," zei De Droogte trots.

    "Doe ons dan het genoegen en vertel ons die," vroegen de vreemdelingen.

    En ze zetten zich neer om de oude vijandin van alles wat groeit en luisterden. De Droogte kuchte even en kroop op de rand van de put, als een sagenverteller op zijn hoge stoel en begon haar verhaal:

    "In Gabes, in Medië, een stad die aan de grenzen van de woestijn ligt en waar ik mij daarom gaarne ophoud, leefden voor vele jaren drie mannen, die beroemd waren om hun wijsheid. Zij waren heel arm, wat een ongewoon verschijnsel was, want in Gabes werd kennis hoog in ere gehouden en goed betaald. Maar door deze mannen kon dit haast niet anders, want een van hen was buitengewoon oud, de tweede was melaats en de derde was een neger, pikzwart en met dikke lippen. De mensen vonden de eerste al te oud om hun wat te kunnen leren, de tweede ontweken ze uit vrees voor besmetting en naar de derde wilden zij niet luisteren, omdat ze meenden te weten, dat nooit enige wijsheid uit Ethiopië gekomen was.

    De drie wijzen sloten zich intussen in hun ongeluk bij elkaar aan. Zij bedelden overdag bij dezelfde tempelpoort en sliepen 's nachts op hetzelfde dak. Op die wijze hadden zij tenminste gelegenheid zich de tijd te korten door het gezamenlijk onderzoeken van al het wonderbare, dat zij bij dingen en mensen opmerkten.

    Op een nacht dat ze, zij aan zij, sliepen op een dak, dat dicht begroeid was met rode bedwelmende papavers, werd de oudste van hen wakker en nauwelijks had hij een blik om zich heen geworpen, of hij wekte de beide anderen.

    'Gezegend zij onze armoede, die ons noodzaakt in de open lucht te slapen,' sprak hij tot hen. 'Ontwaakt en heft uw ogen op naar de hemel.'"

    "Nu," zei De Droogte met een wat zachter stem, "dit was een nacht, die niemand, die hem gezien heeft, ooit kan vergeten. Het heelal was zo licht, dat de hemel, die meestal op een vast gewelf gelijkt, diep en doorschijnend en vol golven scheen als een zee. Het licht stroomde er heen en weer en men zag de sterren drijven op ongelijke diepten, sommige midden in de lichtgolven, andere op hun oppervlakte.

    Maar zo ver mogelijk en zo hoog mogelijk zagen de drie mannen een zwakke duisternis en dat duistere vloog door de ruimte als een bal en kwam al dichter bij en naarmate de bal naderde, begon hij te lichten. Maar hij lichtte zoals rozen - God late ze alle verdorren wanneer ze pas uit de knop komen. Hij werd al groter en het donkere hulsel er om heen sprong langzamerhand en het licht barstte naar buiten in vier heldere bladeren aan de kanten. Eindelijk, toen hij zo ver naar beneden was gekomen als de dichtstbijzijnde ster, hield hij stil. Toen bogen de donkere stukken geheel opzij en er wikkelde zich het ene blad na het andere los van een prachtig stralend rozenkleurig licht, tot hij eindelijk geheel klaar was en straalde als de schoonste onder de sterren.

    Toen de arme mannen dat zagen, zei hun wijsheid hun, dat op dit uur op aarde een machtige Koning geboren werd, een wiens macht die van Cyrus en Alexander te boven zou gaan. En ze zeiden tot elkaar: 'Laat ons naar de vader en de moeder van de Pasgeborene gaan en hun zeggen wat we zoeven gezien hebben. Misschien dat ze ons dan belonen met een zak munten of met een gouden armband.'

    Ze namen hun lange wandelstaven op en begaven zich op weg. Ze gingen de stad door en de stadspoort uit. Maar daar waren ze een ogenblik in de war, want nu breidde zich voor hen uit de grote droge, lieflijke woestijn, die de mensen verafschuwen. Toen zagen ze, hoe de nieuwe ster een smalle streep licht over het woestijnzand wierp en zij gingen getroost voort met de ster als wegwijzer.

    Zij gingen de hele nacht voort over de witte zandvlakte en onder de hele tocht spraken ze over de jonge pasgeboren Koning, die ze zouden vinden, slapend in een wieg en spelend met edelgesteenten. Zij verkortten de uren van de nacht door er over te spreken, hoe zij tot zijn vader, de koning, zouden gaan en tot zijn moeder, de koningin, en hun zeggen, dat de hemel hun zoon kracht en macht en schoonheid en geluk voorspelde, groter dan die van Salomo.

    Ze verhieven er zich op, dat God hen geroepen had om de ster te zien. Zij zeiden, dat de ouders van de jonggeborene hen niet met minder dan twintig zakken goud konden belonen. Misschien zouden zij zelfs wel zoveel geven, dat zij de pijn van de armoede niet meer behoefden te dragen."

    "Ik lag op de loer in de woestijn als een leeuw," zei De Droogte, "en wilde me op deze reizigers werpen met alle ellende van de dood, maar ze ontkwamen mij. De ster leidde hen de hele nacht en tegen de morgen, toen het licht werd en de andere sterren verbleekten, bleef deze hardnekkig staan en lichtte over de woestijn, tot ze hen geleid had naar een oase, waar zij een bron en vruchtdragende bomen vonden. Daar rustten zij de gehele dag en eerst tegen de nacht, toen ze het sterrenlicht over het woestijnzand zagen, gingen zij verder."

    "Voor een mens," ging De Droogte voort, "was het een heerlijke wandeling. De ster leidde hen zo, dat ze honger noch dorst behoefden te lijden. Zij bracht hen voorbij de scherpe distels. Zij ontweken het diepe losse stuifzand, zij ontweken de scherpe zonneschijn en de hete woestijnstorm. De drie wijzen zeiden aanhoudend tegen elkaar: 'God beschermt ons en zegent onze gang; wij zijn Zijn gezanten.'"

    "Maar zo langzamerhand kreeg ik toch macht over hen," ging De Droogte voort. "Het hart van die sterrenreizigers veranderde in een woestijn, even droog als die waar ze doortrokken. Zij werden vol onvruchtbare trots en verwoestende gierigheid. 'Wij zijn Godsgezanten,' herhaalden de drie Wijzen. 'De vader van de pasgeboren Koning beloont ons niet te hoog, als hij ons een karavaan schenkt, beladen met goud.' Eindelijk leidde een ster hen over de beroemde Jordaan en de heuvels van Jeruzalem op. En op een nacht bleef die staan boven de stad Bethlehem, die tussen de groene olijven op een heuvel lag te schitteren.

    De drie Wijzen zagen rond naar een paleis en vestingtorens en muren en al zulke dingen, die bij een koningsstad horen; maar zij zagen niets. En wat erger was, het sterrenlicht leidde hen niet eens de stad in, maar bleef staan bij een grot aan de kant van de weg. Daar gleed het zachte licht naar binnen door een opening en toonde de drie wandelaars een kindje, dat op moeders schoot rustig lag te slapen.

    Maar hoewel nu de drie Wijzen zagen, dat het sterrenlicht het hoofdje van het kind omstraalde als een kroon, bleven zij buiten de grot staan. Zij gingen niet naar binnen om de kleine eer en een koninkrijk te voorspellen. Zij wendden zich af zonder hun tegenwoordigheid te verraden, en zij vluchtten van het kind weg en liepen terug naar de heuvel.

    'Zijn wij uitgegaan naar bedelaars, die even arm zijn als wij?' zeiden ze. 'Heeft God ons hierheen geleid, opdat wij met Hem zouden spotten, en eer en aanzien voorspellen aan de zoon van een schaapherder? Dat kind brengt het nooit verder dan dat hij zijn kudde hoeden zal hier in het dal.'"

    De Droogte hield op en knikte bevestigend haar toehoorders toe. "Heb ik geen gelijk?" scheen zij te vragen. "Er is iets, dat droger is dan woestijnzand, maar niets is onvruchtbaarder dan het mensenhart."

    "De drie Wijzen hadden niet lang gelopen, toen het hun voorkwam, dat zij verdwaald waren en de ster niet goed gevolgd hadden," ging De Droogte voort. "En zij zagen omhoog om de ster te vinden en de rechte weg. Maar toen was de ster, die zij heel uit het oosten gevolgd hadden, van de heuvel verdwenen." De drie vreemdelingen maakten een heftige beweging en op hun gezichten lag een uitdrukking van diepe smart.

    "Wat nu gebeurde," ging de spreekster voort, "is van het standpunt van een mens uit gezien, misschien gelukkig. Dit is zeker, dat de drie mannen, toen zij de ster niet meer zagen, begrepen dat zij tegen God gezondigd hadden. En hun geschiedde," vertelde De Droogte bevend verder, "zoals het veld in de herfst, als de sterke regens beginnen. Zij beefden van schrik als voor donder en bliksem, hun ziel werd week en ootmoed ontsproot in hun hart als groen gras. Drie dagen en drie nachten dwaalden zij door het land om het kind te vinden, dat zij moesten aanbidden. Maar de ster vertoonde zich niet aan hen. Zij verdwaalden steeds verder en voelden de grootste smart en wanhoop. In de derde nacht kwamen zij aan deze bron om te drinken. En toen had God hun de zonde vergeven, zodat, toen ze zich over het water bogen, zij daar in de diepte het spiegelbeeld zagen van de ster, die hen uit het oosten hierheen geleid had.

    En onmiddellijk zagen zij die ook aan de hemel en zij leidde hen opnieuw naar de grot in Bethlehem. En zij knielden voor het kind en zeiden: 'Wij brengen U gouden schalen met wierook en kostbare kruiden. U zult de grootste koning worden, die op aarde geleefd heeft, van haar schepping af tot haar ondergang toe.' Toen legde het kind zijn hand op hun gebogen hoofden, en toen zij opgestaan waren, had het hun geschenken gegeven groter dan een koning ze geven kon. Want de oude bedelaar was jong geworden, de melaatse was gezond. En men zegt, dat zij zo heerlijk waren om aan te zien, dat zij heentrokken en koning werden - ieder in zijn eigen land."

    De Droogte hield op met vertellen en de drie vreemdelingen prezen haar: "U hebt goed verteld," zeiden zij. "Maar het verwondert mij," zei de ene, "dat de drie Wijzen niets voor de bron deden, die hun de ster toonde. Zouden ze zulk een weldaad geheel vergeten?"

    "Moet zulk een bron niet altijd blijven bestaan?" zei de tweede vreemdeling, "om de mensen te herinneren, dat het geluk, dat verloren wordt op de bergen van de hoogmoed, teruggevonden kan worden in het dal van de nederigheid?"

    "Zijn de overledenen dan erger dan de levenden?" zei de derde. "Sterft de dankbaarheid bij hen, die leven in het Paradijs?"

    Maar toen zij dit zeiden, sprong De Droogte op met een kreet. Zij had de vreemdelingen herkend, ze begreep wie die reizigers waren. En zij vluchtte als een razende om niet behoeven te zien hoe de drie Wijzen hun dienaren riepen en hun kamelen naar de bron leidden, allen beladen met waterzakken, en de arme, stervende bron vulden met water, dat zij uit het Paradijs gehaald hadden.

    21-02-2012 om 21:48 geschreven door Felix1  

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 0/5 - (0 Stemmen)
    » Reageer (0)
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.De Brievenbus

    De Brievenbus

    De verpleger in het ziekenhuis was bezig een 90-jarige dame te wassen.
    Zullen we de brievenbus ook maar even wassen, mevrouw?"
    "Laat maar," zei de oude vrouw,ik heb al 30 jaar geen post meer gehad!"

    21-02-2012 om 00:00 geschreven door Felix1  

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 0/5 - (0 Stemmen)
    » Reageer (0)
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.De zus van Lana

    Aapje

    Een vrachtwagen chauffeur ziet plotseling een lifter en pikt die op. De lifter had een aapje bij zich. "Leuk aapje, kan hij ook kunstjes doen?" "Ja", antwoordt de lifter, "als je twee keer op z'n kopje tikt begint ie je te pijpen. Kijk maar." Mooi, denkt die chauffeur, "mag ik dat aapje niet een week lenen van je?" "Is goed", zegt de man. Onderweg tikt de chauffeur twee keer op het kopje van het aapje en ja hoor, het aapje begint te pijpen. Even later komt ie een andere lifter tegen en neemt die mee. "Wat een geinig aapje." Waarop de chauffeur zegt: "Dat is nog niet alles." "Oh?", zegt de man. "Ja, als je op zijn kopje tikt begint ie je te pijpen. Kijk maar.", zegt de chauffeur. "Wil jij ook een keer?" Waarop de lifter antwoordt: "Zolang je mij maar niet
    op mijn kop tikt, vindt ik alles best."

    21-02-2012 om 00:00 geschreven door Felix1  

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 2/5 - (1 Stemmen)
    » Reageer (0)
    20-02-2012
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Bloemetjespannenkoeken

    Bloemetjespannenkoeken




    Vandaag, dacht de prinses, ga ik pannenkoeken bakken. Ze wist precies hoe dat moest. Eerst moest je beslag maken van eieren, bloem en melk. Dat moet je heel goed door elkaar roeren en dan moet je dat bakken in een pannenkoekenpan.
    De prinses pakte een kom om het beslag in te maken. Ze maakte alle keukenkastjes open op zoek naar een geschikte kom. Daar zag ze hem, een gouden schaal waar haar hoofd wel twee keer in paste. Die moest groot genoeg zijn.

    Ze zette de schaal op het aanrecht, pakte twee eieren en deed ze in de schaal. Met een gouden garde sloeg ze ze kapot en roerde ze in stukken. Nu liep ze met de schaal naar de hofkoe en vroeg haar melk in de schaal te doen. De koe was echter niet zo hoffelijk als zij hoorde te zijn en keek de prinses al herkauwend aan. Achter de koe zag de prinses wel een melkbus staan. Daarin zat de melk. Ze maakte van haar handen een kommetje en schepte melk van de bus in haar schaal. Nu nog bloem.

    De prinses liep naar de bloementuin en plukte alle bloemetjes af. Dat was dat. Het zag er fleurig uit. Waarom waren de pannenkoeken van de hofkok altijd alleen maar gelig-bruingevlekt? De prinses zocht een pannenkoekenpan en goot er een dikke laag beslag in. En nu bakken maar!

    Al snel begon het naar roosjes, tulpjes en madeliefjes te ruiken in de keuken. De koningin rook het ook en was benieuwd wie daar zo lekker stond te koken. Ze gooide de keukendeur open. Net op dat moment gooide de prinses een pannenkoek in de lucht, precies zoals ze de hofkok had zien doen. Maar haar pannenkoek bleef een beetje plakken. Een deel van de koek schoot los en kwam precies in het gezicht van de koningin. Die zag er nu kleurrijk uit en rook heerlijk. Mmmm zei de koningin ‘bloemetjeskoeken’.

    Nee! riep de prinses dat zijn geen bloemetjeskoeken maar pannenkoeken. ‘Wat een rare pannenkoeken!’ vond de koningin ‘Nee, hoor. Dat zijn echt bloemetjeskoeken.’ ‘Nietes.’ zei de prinses. ‘Welles.’ zei de koningin. ‘Nietes!’ ‘Welles!’ ‘Niet!’ ‘Zullen we er eentje opeten?’ stelde toen de koningin voor. Dat was een goed plan. Ze pakten twee borden en de bus met poedersuiker.

    De prinses bakte twee..en toen bedacht ze dat het bloemetjespannenkoeken waren. Deze keer lukte het omhoog gooien heel goed. De koningin ving ze beide met een bord op. Ze gingen tegenover elkaar aan de keukentafel zitten en schudden zo hard met de poedersuiker, dat ze elkaar al snel niet meer konden zien. Al hoestend en proestend wapperden ze de poedersuiker aan de kant. Toen ze eindelijk weer wat zagen barsten ze in lachen uit. De koningin was helemaal wit! Net als de prinses trouwens. Alleen rond de ogen was nog wat huid te zien. De neusgaten zagen eruit als donkere diepe holten.

    Op de bloemetjespannenkoeken lag bij beiden een bergje poedersuiker. Dat duwden ze plat en rolden de pannenkoek op. Met beide handen pakten ze de pannenkoek vervolgens op en brachten die naar het grote zwarte gat, dat hun mond geworden was.

    In de pannenkoek zaten wel wat harde stukjes, maar met poedersuiker smaakten ze best lekker…Tot de hofkok binnen kwam, en de hoftuinman en de hofboer…’Wie heeft er , uche uche, aan de poedersuiker gezeten?’ begon de hofkok. ‘Wie heeft er alle bloemetjes geplukt?’ vervolgde de hoftuinman. ‘En wie heeft er met zijn vieze handen in de melkbus gezeten?’ eindigde de hofboer.

    ‘Eh, nou, de poedersuiker moest op de panne..’ ‘Bloemetjeskoeken’ onderbrak de koningin de prinses. ‘.. op de bloemetjespannenkoeken.’ ging de prinses verder. ‘En de bloem en de melk had ik nodig om ze te bakken. En ik heb trouwens ook nog eieren gebruikt. Willen jullie ook een bloemetjespannenkoek?’ eindigde ze. Het rook er zo fleurig en zoet en ze waren zo nieuwsgierig dat alles was vergeven en ze zich aan tafel zetten voor een bloemetjespannenkoek. De prinses sloeg aan het bakken en de koningin dook de kelder in om twee extra bussen poedersuiker te halen.

    In een mistige keuken zaten vervolgens vijf witte gestalten bloemetjespannenkoeken in zwarte gaten te stoppen. Niemand wist meer wie wie was en na vijf bloemetjespannenkoeken en minstens tien poedersuikerbussen zaten er vijf witte ronde tonnetjes. De koningin plofte op haar zachte hemelbed, de prinses viel in de hangmat in de tuin en de hofwerkers zochten een plekje in de hooiberg, een bloembed en de keukentafel om even te slapen.

    Snel kwamen de hofkabouters alles opruimen en toen iedereen weer bijgekomen was hoefde er alleen nog maar nieuwe poedersuiker worden gehaald.

    20-02-2012 om 22:10 geschreven door Felix1  

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 0/5 - (0 Stemmen)
    » Reageer (0)
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.De zus van Lana


    Hoer met de grootste kut

    Een hoer heeft een mededeling hangen , ik heb de grootste kut ter wereld. Een man maakt een wip en eenmaal buiten merkt ie dat ie zijn dure "Parker" pen kwijt is. Hij terug en vertelt het en de hoer zegt stap maar even naarbinnen. Hij zoeken en zoeken en op een gegeven moment komt ie een Arabier tegen en zegt ik zoek mijn pen. Zegt de Arabier dat kun je wel schudden want ik zoek al drie weken mijn kameel.

    20-02-2012 om 00:00 geschreven door Felix1  

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 0/5 - (0 Stemmen)
    » Reageer (0)
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Waar vindt je de meeste vis ?

    Waar vindt je de meeste vis ?
    Tussen kop en staart.

    20-02-2012 om 00:00 geschreven door Felix1  

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 2/5 - (1 Stemmen)
    » Reageer (0)
    19-02-2012
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen. Een Carnavalsverhaal

     Een Carnavalsverhaal

     http://www.dewereldvanwiepje.nl/website/wp-content/uploads/blogtekening-carnaval.jpg

    aalst carnaval 2012 liedjes toerenpoeper ilse uytersprot - YouTube


    Mieke is al heel vroeg wakker want vandaag vieren ze op school carnaval.
    Ze heeft heel lang nagedacht over hoe ze verkleed zal gaan. Eerst wilde ze als danseresje. Daarna dacht ze dat een prinsesje veel leuker zou zijn. Maar ze gaat vandaag verkleed als zeerover.
    Haar nichtje Margje heeft het bedacht.
    'Dan zijn we twee zeerovers,' zei Margje. 'Dat is hartstikke spannend'.
    Mamma heeft haar kleren al klaargelegd. Een zwarte broek met allemaal gekleurde lapjes erop. Een gestreept T-shirt, een rode doek voor op haar hoofd en een zwarte lapje om voor haar ene oog te doen.
    Ze trekt gauw de spullen aan en gaat naar Wouter.
    Die is al wakker en speelt met zijn lego.
    'Waarom heb jij een zwart oog?' vraagt hij.
    'Ik ben een zeerover,' zegt Mieke. 'Voor de carnaval op school.'
    'Dat wil ik ook.'
    'Jij zit nog niet in de kleutergroep,' zegt Mieke.
    'Ik wil het ook.'
    'Dat kan niet.'
    Wouter gooit een legoblokje naar Mieke. 'Stomme zeerover!' roept hij en hij begint te huilen.
    'Huilebalk!' roept Mieke.
    'Ik ben geen balk', roept Wouter. 'Ik ben een zeerover.'
    Mamma komt kijken. 'Wat is hier aan de hand?'
    Mieke vertelt dat Wouter boos is omdat hij niet mee mag naar school.
    'Dat kan wel hoor,' zegt mamma. 'Vanmiddag mogen alle vaders en moeders komen kijken naar het carnaval op school. En dan mag Wouter ook mee.'
    'Hoi hoi hoi!' roept Wouter en hij danst door de kamer.
    'Kom, zegt mamma, 'dan gaan we ontbijten.'
    Mieke rent naar beneden. Ze wil heel vlug eten en dan naar school. Naar het carnaval!.
     
    Margje komt haar ophalen.
    Als twee echte zeerovers stappen ze door de straat.
    Ineens horen ze achter zich een stem. Het is Frankje die ook bij hen in de groep zit. 'Stomme zeerovers!' roept hij boos.
    Mieke en Margje kijken om en … daar staat nog een zeerover.
    'Leuk,' zegt Mieke, 'nou zijn er drie zeerovers.'
    'Stom,' zegt Frankje. 'Meisjes kunnen geen zeerovers zijn.'
    'Wel waar,' roept Margje. 'Je hebt ook meisjeszeerovers.'
    'Niet waar. Meisjes zijn slap!'
    Frankje geeft Mieke een harde zet. Die valt op de grond en begint te huilen,
    Nu wordt Margje heel erg boos. Ze geeft Frankje een duw en die valt ook op de grond.
    Margje gaat meteen boven op hem zitten en roept: 'Geef je over, stomme zeerover!'
    Mieke lacht en huilt nu tegelijk. 'Dat rijmt,' zegt ze.
    Margje roept nog een keer: 'Geef je over, stomme zeerover!' Ze hopst een paar keer op en neer boven op Frankje.
    'Au au!' schreeuwt hij.
    'Nou?' vraagt Margje. 'Zijn we die zeerovers of niet?'
    'Ja ja,' zegt Frankje, want hij vindt Margje wel een beetje zwaar worden.
    Even later stormen drie zeerovers de school in. Er is geen kind te zien maar er zijn wel een heleboel clowns, beren, boeven, danseresjes, koks en boeren en boerinnen.
    De juffies en meesters zijn ook allemaal verkleed. Juffie Marian is ineens een oude heks. Ze heeft een puntneus en op haar hoofd draagt ze een rode pruik en een heksenhoed.
    In de groep van Mieke gaan ze toneelstukjes bedenken voor het feest van vanmiddag. En ze leren een nieuw liedje over carnaval.
     

     

    Vandaag zijn alle kinderen thuis gebleven,

    Vandaag zijn wij een school vol dolle pret.

    Er wordt vandaag hier ook geen les gegeven,

    De hele school wordt op z'n kop gezet.

    Vandaag zijn er wel tien mooie prinsessen,

    Zes beren, twaalf rovers en een kok.

    En kijk eens naar die lieve prinsessen

    En de meester in een rare rode rok.

     

    Vandaag gaan we keten met z'n allen,

    Vandaag wordt het een heel groot beestenfeest.

    We gaan vandaag lekker carnavallen

    En zingen morgen: 'Het is mooi geweest.'


    's Middags is het zover. De grote zaal van de school is prachtig versierd met ballonnen en slingers.
    De kinderen en de meesters en de juffen springen in het rond.
    De vaders en moeders zijn nu ook verkleed op school.
    De vader van Mieke heeft een gekke jas aan en een grote strik in zijn haar. Haar moeder heeft twee konijne-oren op haar hoofd.
    Wouter zit op de arm van pappa. Hij ziet eruit als een gevaarlijke zeerover. Maar de zeerover is helemaal niet gevaarlijk. Hij kijkt een beetje bang.
    Hij ziet al die verklede kinderen en de meesters en juffen die zo raar doen.
    Dan begint zeerover Wouter ineens hard te huilen.
    Hij stopt zijn hoofd onder de grond de grote strik van pappa.
    Juffie Marian komt naar hem toe. 'Ben je bang, Wouter?' vraagt ze.
    Wouter kijkt op en ziet het gezicht van een heks.
    Nu moet hij nog veel harder huilen.
    'Dat is juffie Marian,' zegt mamma.
    'Ga weg, stomme heks!' roept Wouter.
    Juffie Marian doet haar neus af en haalt de hoed en de pruik van haar hoofd.
    'Zie je wel,' zegt pappa.
    De directeur van de school komt ook even kijken.
    Hij heeft een rare jurk aan en een hoedje op.
    'Dat is meester Harm,' zegt mamma lachend.
    Wouter kijkt weer en meester Harm trekt een gekke bek. Nu moet Wouter ook lachen.
    Ze springen en hossen en zingen wel tien keer het carnavalslied. Zelfs Wouter danst mee op de arm van pappa. Als ze na het feest naar huis lopen, zingt Wouter het lied nog een keer.
     

    'We gaan kalevallen, we gaan kalevallen.

    Het is mooi geweest. Ik ben een groot beest.'

    19-02-2012 om 21:32 geschreven door Felix1  

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 0/5 - (0 Stemmen)
    » Reageer (0)
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.De man, de vrouw en het voetbal

    De man, de vrouw en het voetbal

    Driemaal heb ik, toen ik van de voetbalwedstrijd thuiskwam, van onder het bed van mijn vrouw een man te voorschijn gehaald.' 'Nu ga je zeker niet meer voetballen ?' 'Wel degelijk. Ik heb alleen even de poten onder het bed uit gezaagd.'

    19-02-2012 om 00:00 geschreven door Felix1  

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 0/5 - (0 Stemmen)
    » Reageer (0)
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.De zus van Lana



    Schrale lippen

    Zitten twee kerels aan de bar te pilsen. Komt er ineens een bloed lekker wijf binnen. Helemaal alleen. Die kerels helemaal wild, lopen naar haar toe, gaan bij haar zitten en bieden haar een pure wodka aan. Zij pakt het glas. En in een keer, hop tik weg. Die kerels zijn verbijsterd, maar bieden haar er nog 1 aan. En weer, hop tik weg. En zo gaat dat een aardig tijdje door, en dat mokkel... kachel lam natuurlijk. Zo lam dat ze met die twee kerels naar een hotel in de buurt gaat en daar een flink potje gaat liggen douwen.
    Zitten die twee kerels de volgende dag weer in hetzelfde cafe. Komt in een keer dat mokkel binnen, maar ze herkent de twee mannen niet meer. Vraagt de barman: "U wilt zeker weer een wodkaatje?" "Nou nee," zeg het mokkeltje, "daar krijg ik een beetje schrale schaamlippen van!"

    19-02-2012 om 00:00 geschreven door Felix1  

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 0/5 - (0 Stemmen)
    » Reageer (0)
    18-02-2012
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.De heuvels zijn groen.

    De heuvels zijn groen.



    In het westen van Ierland, in het stadje Murach, daar woonde een kat. Haar naam was Bridin en ze woonde op een boerderij. De boerderij was van Sean O’Kelly en zijn vrouw Kate. Bridin leefde daar heel gelukkig en tevreden. Zij hoefde er alleen maar voor te zorgen dat er op de boerderij geen muizen of ratten waren. Haar baasje en zijn vrouw waren zo blij met haar, dat ze vaak wat extra melk kreeg en soms een stukje verse makreel bij haar avondeten. Er was veel waar Bridin van hield, zoals lekker bij het vuur zitten als het buiten koud was of onder de tafel liggen en luisteren naar Sean en Kate, die hun dochter, kleine Kate, hielpen bij het maken van haar huiswerk. Bridin keek naar Sean en Kate, die ‘s avonds laat nog zaten te praten en een beetje uit te rusten van het harde werken. O, ze zag niets liever dan dat!
    Wat was het een prima dag geweest, de dag dat de vriendelijke kat haar baasje en bazinnetje ontmoette. En dat zouden wij ook vinden!

    Het was op een mooie zomerdag, dat Bridin aan het jagen was aan de voet van de grote berg. Opeens zag zij een vogel, die op een tak van een doornstruik stond. "Dat is een lekker hapje" dacht Bridin en sloop in de richting van de vogel. Ze maakte zich klaar voor een grote sprong. Net toen haar poten zich wilden strekken voor de afzet, hoorde de vogel haar en vloog weg. Arme Bridin, ze viel pardoes midden in de doornstruik! O, mijn buik, riep ze
    Ha, ha, ha, daar klonk een harde lach van achter een hek. Ze keek om zich heen. Een zwarte kat zat een stukje verderop naar haar avontuur te kijken. Hij kwam naar Bridin toe en hielp haar uit de doornstruik te komen.
    "Heel, heel hartelijk bedankt", zei Bridin terwijl ze stiekem naar de aardige grote kat keek. Hij begon ondertussen de dorens uit Bridin’s vacht te halen.
    "Doe ik je pijn?", vroeg hij vriendelijk.
    "Nee hoor, helemaal niet, maar waarom lachte je mij uit?
    "Omdat," antwoordde de grote zwarte kat, "mij gisteren precies hetzelfde gebeurde en ook met dezelfde vogel".
    "Ik denk dat het een hele slimme vogel is".

    Bridin en de zwarte kat gingen gezellig naast elkaar zitten.
    "Wat een schatje" dacht Bridin.
    De zwarte kat rekte zich eens lekker uit en ging in het gras liggen.
    "Hoe heet jij? " vroeg hij aan Bridin.
    "Vriendelijke Bridin" antwoordde ze met een grote glimlach.
    "En wat is jouw naam?"
    "Davy Mac Zwart" was zijn antwoord.
    "Woon je hier in de buurt?"
    "Ja, hoor, ik ben de belangrijkste kat van het grote huis aan het park."
    "En waar woon je zelf?"
    "Bridin lachte verlegen. "Ik woon op de boerderij ernaast, wij zijn dus buren."
    Davy keek verliefd naar Bridin.
    "Ben je getrouwd?"
    "Nee, ik ben nog alleen."
    "Ik ben ook niet getrouwd" zei Davy.
    Plotseling voegde hij daar aan toe: "maar ik zou je heel graag wat beter leren kennen!"

    Hij had het gezegd zonder er bij na te denken."O, maar ik zou jou ook beter willen leren kennen." riep Bridin vrolijk.
    "Ik breng je wel even naar huis" opperde Davy en samen liepen ze, poot in poot, de heuvel af op weg naar Bridin’s huis.
    "Deze kat is voor mij" dacht Bridin, "waarom wist ik helemaal niet dat er zo’n aardige kat naast mij woonde?"
    Ze zwegen samen tot aan het tuinhek van de boerderij. Toen keek Davy in Bridin’s ogen.
    "Zie ik je morgen weer?"
    "Ja, graag, zelfde tijd, zelfde plaats."
    "Fijn!"

    Vanaf die tijd zagen Bridin en Davy elkaar elke dag. Ze leerden elkaar heel goed kennen en al snel werden ze tot over hun oren verliefd. En natuurlijk werden er al plannen voor de trouwerij gemaakt. Er was alleen een probleem volgens Bridin: in welk huis zouden ze gaan wonen als ze getrouwd waren?
    "Dat is een moeilijke vraag" vond Davy, "want ik mag dan wel overdag in jouw huis komen, maar ik denk niet dat jouw baasje een tweede kat wil."
    Om hier over te denken gingen ze even bij het hek zitten.
    "Ik weet het! " riep Bridin, "eerst gaan we trouwen en daarna slapen wij allebei in de stal van de boerderij."
    "Ga verder" zei Davy
    "Elke ochtend ga ik alleen naar mijn huis om mijn werk te doen en jij gaat naar jouw huis. Zo hoeft niemand wat te merken en blijven we ons werk goed doen."

    Bridin trouwde met Davy op een mooie dag in April. Er was een groot feest met genoeg melk om
    te drinken en heerlijke cakes om te eten. Er was vlees, spek, verse vis en vis uit blik. Overal speelden muzikanten op fluiten en er was zelfs een beroemde "snorrer" die Paide de geweldige heette. Deze Paide was een hele deftige kat uit Perzië en wereldberoemd.

    Niet lang na de trouwerij merkte Sean, het baasje van Bridin, dat de twee katten getrouwd waren. Elke morgen zag hij Bridin met ontbijt voor twee in haar bek de deur uit lopen.
    "Het baasje begrijpt het wel, "zei Bridin tegen Davy, "je mag nu elke ochtend ook in de keuken komen."
    Sean, Kate en kleine Kate waren net zo aardig tegen Davy als tegen Bridin. Om iedereen tevreden te houden, nam Davy zijn neef, Muris de gestippelde, in dienst. Muris zou voortaan in het grote huis gaan werken.

    Na een jaar kregen Bridin en Davy een zoontje, een gezonde jongen van wel zeven ons. Zijn ouders waren gek op hem en verzorgden hem als een prinsje. Ze noemden hem kleine Davy. Vanaf de eerste dag dat hij zijn ogen opendeed wisten zijn ouders al dat hij een heel bijzonder katje was. Als hij in de tuin rond het huis liep, gingen zijn ogen dan weer richting bergen dan weer richting zee.

    Op een koude winteravond lagen Davy en zijn ouders onder de keukentafel. Sean zat in zijn stoel voor het vuur. Kate zat tegenover hem, ook lekker dicht bij het vuur. Op een andere stoel zat Nora, de zus van Sean. Zij was net terug van een vakantie naar New York.
    "En Nora, "vroeg Kate, "hoe is het leven daar in die grote stad? "
    "O, Kate, jullie zouden het bijna niet geloven als ik het vertelde. Twee auto’s voor elk huis, vlees en vis bij elke maaltijd. De familie waar ik voor werkte had twee katten. Elke zaterdag werden zij naar een speciale kattensalon gebracht waar ze gewassen en gekamd werden.
    " Nee," zei Sean, "dat kan ik bijna niet geloven. Zoiets heb ik nog nooit gehoord. Wat een wonder dat land!"

    Die nacht dacht kleine Davy nog lang na over wat hij gehoord had. Dat is een land waar ik graag naar toe wil! Restjes eten en melk op elke tafel, muizen en ratten in elke schuur en steeg, nieuwe schoenen van muizenleer, grote nieuwe jassen van rattenleer en een salon om mijn vacht mooi te maken. O ja, New York, ik kom er aan!
    Kleine Davy viel diep in slaap en droomde die nacht van het poezenparadijs New York. Een week later zat Davy met zijn ouders na het eten in de schuur. Pap en mam waren in een goed humeur.
    "Dit is mijn kans" dacht Davy.
    "Ik ga emigreren naar New York!"
    Zijn vader en moeder keken elkaar verschrikt aan.
    "Kijk, zei Davy, ik ben nu twee jaar en dus volwassen."
    "Dat is waar," antwoordde zijn vader, "maar New York is een grote, gevaarlijke stad. Ikzelf zou het erg fijn vinden om altijd bekende katten om me heen te hebben. In de grote stad kun je erg alleen zijn. En er zijn misschien ook geen jonge poezen om mee te trouwen!"
    Na een lange tijd nadenken vonden pap en mam het toch goed dat Davy ging emigreren, maar hij moest wel af en toe terugkomen.
    "En geen grapjes, ik verwacht elke week een brief van je," zei Bridin streng.
    "Ik zal heel vaak schrijven, mam, en als het kan wat geld sturen."

    Vroeg in de morgen, op 1 juli, liep kleine Davy de weg af naar de kade van Tralee, een klein havenplaatsje in het westen van Ierland. Hij had gehoord dat daar een boot lag die, met een lading poedermelk aan boord, naar New York zou varen. De kapitein zou zeker een kat willen huren, die er voor zou zorgen dat er geen muizen of ratten aan de pakken melkpoeder zouden knagen. Toen Davy bij de haven aankwam, liep hij de hele kade af tot hij bij de boot kwam.
    "Wat een mooie boot!" dacht hij.
    De werkmannen waren bezig de lading aan boord te hijsen. Davy had zich een beetje verstopt om ongestoord naar alles wat er gebeurde op de boot te kijken. Hij hoopte eigenlijk de scheepskat te zien, zodat hij hem wat in zijn oor kon fluisteren.

    s'Avonds was de boot helemaal volgeladen. Net toen Davy de hoop al had opgegeven, zag hij een oude, grote grijze kat uit het ruim van de boot komen.
    "Ben jij de baas op deze boot?" vroeg Davy.
    De grote grijze kat keek zijn kant op.
    "Ik ben de baas van alle katten op deze boot!" antwoordde hij trots.
    "Heb je voor mij misschien een baantje?" vroeg Davy. "Ik ben namelijk op weg naar New York."
    De grote grijze kat keek sluw naar Davy.
    "Heb je een beetje ervaring?"
    "Ervaring!?! Ik moest mijn geboorteplaats uit omdat ik alle muizen en ratten daar gedood had."
    De grote kat lachte spottend.
    "Het maakt ook niet uit. Kom aan boord. Je moet het toch eens leren."

    Opgelucht sprong Davy aan boord
    "Mijn naam is Grijsjas" zei de grote kat.
    "En ik heet Davy Mac Zwart. Ik ben op weg naar New York."
    "Naar New York? Heb je al eerder in een grote stad gewoond?" vroeg Grijsjas.
    "Ik ben in Tralee geweest!" zei Davy trots.
    Grijsjas barstte in lachen uit.
    "In Tralee! Dat is wel een heel klein plaatsje vergeleken met New York."
    Davy besloot verder te zwijgen.
    "Goed, laten we gaan." zei Grijsjas, "Jouw taak zal zijn het bewaken van de hut van de kapitein. En zorg ervoor dat er geen muizen of ratten van onder het bed ontsnappen. Dat gebeurde wel bij de vorige kat die op wacht stond.
    "En wat is er toen met die kat gebeurd?" vroeg Davy.
    Grijsjas keek zwijgend over de rand van de boot.
    "De arme jongen is opgegeten door de vissen."
    Daar schrok Davy wel even van.
    "Ik zal heel goed opletten en geen oog dichtdoen totdat ik weer op het vasteland ben," zei hij tegen Grijsjas.
    "Dat idee had ik ook, zei Grijsjas, toen ik voor de eerste keer hier aan boord kwam. Ik sliep met een open en een gesloten oog. De ratten en muizen dachten daardoor dat ik altijd wakker was."
    Daarna liet Grijsjas de hele boot zien aan Davy en vertelde hem alles over het werk.
    "Je krijgt drie keer per dag je eten. Een van de katten, die in de keuken werkt zal het je geven."
    Na dit gezegd te hebben, nam Grijsjas afscheid van Davy.

    Davy deed geen oog dicht de eerste nacht dat hij dienst had omdat de kapitein en zijn officieren de hele nacht aan het drinken waren. Ze hielden een feestje omdat ze de volgende ochtend zouden vertrekken. En wat een lawaai maakten ze! En daarbij zeiden ze hele lelijke woorden.
    "O, als mijn moeder zou horen dat ik die woorden zei, dan zou ze mijn mond wassen met zeep,"dacht Davy.

    De volgende morgen voer de boot inderdaad op de oceaan. Davy voelde het schudden en bewegen van de boot, maar gelukkig werd hij niet zeeziek. Net toen hij een hap van zijn eten wilde nemen zag hij een muis in de richting van de hut van de kapitein rennen. Hij liet de muis wat dichter bij de deur komen. Plots gaf hij een harde schreeuw.
    "Stop! Wie ben jij en waar ga je naar toe? "
    De muis stopte en keek hooghartig naar Davy.
    "Waarom wind je je zo op? Als je beleefd mijn naam vraagt zal ik je die ook zeggen" zei de muis op zijn achterpoten staand.
    Davy nam een sprong en ging over de muis heen staan.
    "Ik vraag het je nog een keer! " zei hij boos.
    "Okay, doe maar rustig! Ik heet Flits."
    "Rare naam " zei Davy schamper lachend.
    "Mijn oom, Rapido, noemde mij altijd zo."
    "Rapido? zei Davy, "waar heb ik die naam eerder gehoord? "
    "Rapido is de snelste muis van heel Spanje. Hij heeft mij Spanje uitgezet omdat ik net zo snel als hij ben. Er kan hier maar een muis de snelste zijn, zei hij op een morgen een jaar geleden en dus ben ik hier."
    "Wat een raar verhaal" dacht Davy
    "En hoe heet je zelf?" vroeg Flits
    "Davy Mac Zwart."
    "Ha, ha, ha, Mac Zwart, wat een goede naam voor een zwarte kat."
    "Zal ik je wat vertellen?" zei Davy nijdig, "Ik ben een woeste kat, die sneller is dan iedere kat op deze aardbol. Ik had een oom, die in hetzelfde huis werkte als Ronnie Delany."
    "Wie was Ronnie Delany in vredesnaam?" vroeg Flits.
    "Ronnie Delany won een gouden medaille op de Olympische Spelen in Australië. Als je tijd hebt, zal ik je het hele verhaal vertellen."
    "Schiet dan maar op, want ik heb honger."
    "Nou, zoals ik al zei, mijn oom, draver Mac Zwart, werkte in hetzelfde huis waar Ronnie Delany woonde. Als hij trainde voor de Olympische Spelen rende mijn oom naast hem op de baan, drie uur per dag. Dus toen Ronnie steeds sneller ging rennen, ging mijn oom ook steeds sneller rennen. Totdat Ronnie op een dag zijn billen aan het vuur brandde en hij niet meer van mijn oom kon winnen. Drie minuten en vijftig seconden was de snelste tijd van mijn oom over een kilometer. Ik deed over dezelfde kilometer drie seconden minder."

    De muis was erg onder de indruk van het verhaal van Davy.
    "Nou, als jij de snelste kat van de wereld bent en ik de snelste muis en wij zitten op dezelfde boot, dan hebben wij een probleem! JIJ moet het eten bewaken en IK heb altijd honger. "
    "Hmmm," zei Davy in gedachten, "dat is zo." Er was een kans dat de muis de waarheid sprak. De muis dacht precies hetzelfde over de kat.
    "Ik doe je een voorstel." zei Flits na een paar seconden. "Ik zal in mijn hol onder de trap blijven als jij mij kleine stukjes kaas, brood en lekkere cake brengt en alles wat je nog meer tegenkomt van eten tijdens de acht dagen dat we op deze boot zullen zijn."
    Davy zei niet direct dat hij het daar mee eens was.
    "Okay, op een voorwaarde, dat jij mij waarschuwt als een andere kat of muis binnen tien meter van de kapiteinshut komt."
    "Prima! " zei Flits.

    Nadat Davy Flits zijn eerste maaltijd had gebracht, strekte hij zich eens goed uit en ging er lekker bij liggen. Alles was prima geregeld! Hij kon heerlijk ongestoord slapen, zonder op de ratten en muizen te hoeven letten.
    De boot was al zeven dagen en zeven nachten aan het varen. Davy had heerlijk te eten en af en toe nam hij zelfs een slok uit de fles van de kapitein als die aan dek was. In de fles zat lekkere rum. Flits, de muis, was net zo tevreden, want Davy bracht hem elke dag heerlijke maaltijden in zijn hol onder de trap. De matroos blies op de scheepstoeter. Voor het eerst sinds de boot de kade van Tralee had verlaten, rende Flits uit zijn holletje onder de trap, vreselijk opgewonden. Hij moest Davy vertellen dat de boot de haven van New York had bereikt! Maar helaas, Davy lag uitgestrekt voor de deur van de hut hard te snurken. Het was duidelijk voor Flits, hij was dronken! De deur van de hut stond open. Flits keek naar binnen en wat zag hij liggen op een bord midden op de tafel: een kaascake!
    "O, God." dacht Flits en het water liep hem in zijn bek. Davy heeft mij helemaal geen stuk van die cake te eten gegeven! Hij heeft zijn belofte gebroken!

    Flits keek eens om zich heen of er niemand in de buurt was. Hij dacht dat hij niemand zag. Voorzichtig liep hij om de kat heen, zo stil als een zacht briesje. Daarna klom hij langs een tafelpoot omhoog. O, die heerlijke kaaslucht! Hij snoof de lucht op. Toen hij de eerste hap genomen had, kon hij niet meer stoppen en moest hij nog een hap nemen en nog een. Flits zat zo te smullen van de cake, dat hij helemaal vergat dat hij op de tafel van de kapitein zat.
    "WAT IS DAT!?!"
    Het was de kapitein, die in de deuropening verscheen. Toen Flits dat hoorde, sprong hij snel van de tafel en rende de deur uit. Hij rende voor zijn leven. De kapitein rende achter hem aan en probeerde hem te pakken met de dekbezem. Maar zo vlug als een flits was Flits terug in zijn holletje onder de trap. Toen dacht de kapitein ineens aan de kat, die zijn hut zou bewaken.

    Arme Davy lag nog steeds kompleet uitgestrekt in de deuropening, terwijl hij luid snurkte. Hij had ook veel te veel gedronken! De kapitein zag hem zo liggen en werd erg kwaad. Die luie kat had zijn hut moeten bewaken. Hij trok zijn linkervoet op en gaf arme Davy een harde trap met zijn schoen. Davy vloog door de lucht en zijn kop raakte de traptree met een klap. Snel pakte de kapitein Davy stevig in zijn nekvel en gooide hem op het dek. De kop van Davy was helemaal door elkaar geschud en zijn rug deed pijn door de trap die de kapitein hem gegeven had. Hij kon niet staan en zeker niet rennen. Hij hoorde de zware voetstappen van de kapitein de trap af gaan. En hij hoorde de golven tegen de boot slaan.
    "O, hij gaat mij in de zee gooien en ik kan niet zwemmen! "
    Hij zag het lelijke hoofd van de kapitein boven aan de trap verschijnen.
    "En dat de vissen van je mogen smullen!" zei de kapitein, terwijl hij Davy optilde en met een zwaai in het water gooide. Davy rilde toen zijn lijf het koude water raakte. Hij ging gelijk kopje onder.
    "Dit is het einde van het leven van Davy Mac Zwart,"dacht hij.

    18-02-2012 om 21:36 geschreven door Felix1  

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 0/5 - (0 Stemmen)
    » Reageer (0)
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Plassen

    Plassen
     
    In het voetbalstadion: Jantje zit op de schouders van zijn vader te schreeuwen: "Buitenspel!" "Vrije trap!" "Penalty!" Andere toeschouwers zijn stomverbaasd dat zo'n kleine jongen zoveel verstand van voetbal heeft. Plotseling tilt de vader Jantje ruw van zijn schouders en geeft hem een klap voor zijn broek. Verontwaardigd merkt zijn buurman op: "Wat moet dat? Waarom slaat U dat kind?" "Alle voetbaltermen kan hij zeggen," is het boze antwoord, "maar niet gewoon 'ik moet plassen'!"

    18-02-2012 om 00:00 geschreven door Felix1  

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 0/5 - (0 Stemmen)
    » Reageer (0)
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.De zus van Lana

    De Nonnen in het park

    Er lopen 's avonds laat 2 nonnen in het park. Plotseling worden ze door 2 mannen de bosjes ingetrokken, en die mannen beginnen die nonnen uit te kleden en te verkrachten.

    De 1e non zegt: "Heer, vergeef het hun want hij weet niet wat hij doet!". De 2e non zegt "Hmmm... die van mij wel!"

    18-02-2012 om 00:00 geschreven door Felix1  

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 3/5 - (2 Stemmen)
    » Reageer (0)
    17-02-2012
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.De kaarsendans
    De kaarsendans



    Het gordijn ging open. Uit de zaal klonk een vrolijk "Aaah!" en iedereen klapte in de handen. Van links en rechts achter de schermen kwamen ze aangegleden, de rij glimlachende jongens en meisjes, met in elke hand een brandende kaars. Langzaam, voetje voor voetje, schoven ze verder op de maat van de muziek. De vlammetjes bogen naar links en rechts, mee met de beweging van wiegende heupen.

    Yasemin stond derde in de rij. De kaarsen in haar handen bibberden, de vlammetjes flakkerden. Voetje voor voetje schuifelde ze verder, tot ze bijna in een kring stond. En toen gebeurde het. Ze wist niet precies hoe. Ze probeerde de kaars nog te pakken maar die viel en rolde tegen het gordijn. Het kleine vlammetje likte aan de rand van het rode fluweel en in een wip schoten de vlammen de hoogte in. Overal was er vuur en de mensen gilden en stormden naar de uitgang. Alleen Yasemin bleef staan. Ze kon zich niet bewegen en keek met grote ogen naar de knetterende vlammen die hoger en hoger boven haar uitgroeiden.

    "Yasemin, eet nou toch eens! Je zit daar maar te dromen en ik heb nog een hoop werk." Yasemin schrok op. Ze zag de tafel voor zich, de boterham in haar hand en mama’s ongeduldige gezicht. Die schudde nog eens het hoofd.

    "Wat scheelt er Yasemin? Het is Çocuk Bayrami vandaag, weet je wel? Je hoort blij te zijn..." Yasemin knikte. Dat het feest was, wist ze wel: het grote Turkse kinderfeest. Maar vandaag zou ze voor het eerst meedoen aan de kaarsendans, de gayda çırak. Het was de lievelingsdans van de mensen en bijna elk meisje en elke jongen wilde hem ooit eens dansen. Hij kwam helemaal aan het einde van de feestvoorstelling en duurde erg lang. Daarom was ze zo zenuwachtig. Stel je voor dat het echt gebeurde. Dat de kaars echt uit haar hand viel en brand veroorzaakte. Of dat ze met de kaars te dicht tegen het meisje voor haar kwam, of dat haar eigen hoofddoek vuur vatte zonder dat ze het merkte. Dat kon best. Of - en nu schrok ze helemaal - dat de vlammetjes uitdoofden omdat ze zich te vlug omdraaide bij het dansen. Dat zou pas vreselijk zijn! De meisjes zouden haar uitlachen, de juf zou boos zijn. Papa zou ontgoocheld zeggen dat ze nog niet groot genoeg was om de kaarsendans te doen.

    Mama schudde haar bij de arm. "Yasemin, ik vroeg je wat. Is er iets mis met je? Kind toch..." - "Nee nee," zei Yasemin. "Er is niets aan de hand. Ik ben alleen zo zenuwachtig voor straks." Mama lachte. "Ja," zei ze, "dat kan ik me best voorstellen. Zo voelde ik me ook toen ik de eerste keer meedanste. Maar het wordt prachtig, dat zul je zien. Ruim jij de tafel af, ik ga je kleren strijken."

    "Je zult er beeldig uitzien," zei mama even later terwijl ze de brede, rode rok met gouden biezen over de kapstok hing. Daar werd Yasemin weer vrolijk van. Het waren ook zulke mooie kleren die ze straks zou dragen. Op de rok kwam een prachtige, witte blouse met brede mouwen en roze en groene geborduurde bloemen. Een lichtgroene kanten sjaal kwam om haar middel en haar hoofddoek was roze met kleine, witte zijden bloempjes. Haar schoenen stonden op de kast: rode zijden muiltjes. Geen schoenen waarmee je zomaar elke dag naar school kon.

    "Ik kan niet meer wachten," zei Yasemin. "Het kinderfeest is het fijnste wat er is. Wie heeft het uitgevonden?"

    "Dat weet je toch nog wel, Yasemin," zei mama, "Atatürk natuurlijk."

    "Ja ja, maar waarom?" vroeg Yasemin weer. "Vertel het me eens."

    "Wel," zei mama, "toen Turkije in 1922, na veel oorlogen eindelijk weer één groot land werd, heeft Atatürk ook aan de kinderen gedacht. "De kinderen zijn de volwassenen van morgen," zei hij. "Ze zijn de toekomst van ons land en daarom verdienen ze extra aandacht." En sindsdien wordt elk jaar, op 23 april, Çocuk Bayrami gevierd. Daar mag je best trots op zijn."

    Dat was Yasemin ook. Zeker die avond toen ze met haar mooie kleren aan achter de schermen van de zaal stond te wachten tot het hun beurt was om op te treden. Iedereen zag er schitterend uit. De zaal zat vol. Papa en mama zaten op de vierde rij, had ze gezien. Oom Senol was er ook, en de burgemeester en nog een heleboel mensen die ze niet kende. Het podium was versierd met witte en rode bloemen en de Turkse en Belgische vlag hingen netjes naast elkaar. In het midden was met grote letters "En büyük Atatürk" op het doek gespeld. Het betekende zoveel als "Leve Atatürk - hij is de grootste".

    De juf deelde de kaarsen uit. "Let op," zei ze. "Lachen, heel mooi en sierlijk dansen. En laat je kaars niet uitdoven." Nu werd ze toch weer bang. Stel je voor... Maar daar ging het gordijn open, de mensen riepen "Aaah!" en klapten in de handen.

    Heel langzaam ging het, voetje voor voetje, op de maat van de muziek. Nu kwamen de jongens en meisjes bij elkaar. Dan schoven ze langs elkaar heen in andere rijen. Yasemin hield de schaaltjes met de kaarsen stevig vast. Voorzichtig... en stilletjes ronddraaien... Het lukt. Nu moesten ze de kaarsen in een cirkel op de grond zetten en met de handen tegen elkaar verder dansen. Dan weer de kaarsen oppakken, vooruit schuiven, draaien, opzij... Het duurde heel erg lang, maar de vlammetjes bleven vrolijk meewiegen. Yasemin voelde zich steeds blijer worden. Ik kan het echt, dacht ze. Ik dans de kaarsendans en ik ben mooi en iedereen is mooi en gelukkig.

    De rij jongens en meisjes schoof in elkaar, schuifelde langzaam achteruit tot ze één voor één achter de schermen verdwenen.

    Uit de zaal kwam luid applaus, achter het decor klapte de juf uitbundig mee in de handen. "Jullie hebben het prachtig gedaan," zei ze. "Hier is een kleine beloning." Ze kregen allemaal een grote blauwe doos, vol met chocolade in goudkleurige papiertjes. Een kwartier later zei papa met zijn arm om Yasemins schouders tegen de familie en vrienden: "Hebben jullie het gezien? Mijn dochter danste de gayda çırak en hij is nog nooit zo mooi gedanst als vanavond." Yasemin lachte. Nu was het pas echt feest!



     

    17-02-2012 om 19:52 geschreven door Felix1  

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 0/5 - (0 Stemmen)
    » Reageer (0)
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Van der Sar

    Van der Sar

    Staat een klein jongetje met een grote muts bij van der Sar achter de goal en vraagt hem of ze na de wedstrijd even penalty's kunnen gaan schieten. Daar heeft Sar geen zin in, maar de week erna vraagt dat jochie weer of ze penalty's gaan schieten. Weer weigert Sar. Je voelt hem al aankomen dat dat nog een half seizoen zo doorgaat, totdat Sar er helemaal van gestoord wordt. Uiteindelijk vindt hij het goed, dus na de wedstrijd gaan ze nog even voor een vol stadion penalty's schieten. Sar staat klaar, jochie staat klaar, de scheids is ook nog gebleven. Hij wil op zijn fluitje blazen, maar dan rent dat jochie naar de kleedkamer en komt met een emmer water terug. Hij doet zijn muts af, stopt die in het water, zet hem weer op, neemt een aanloop en knalt die bal snoeihard tegen het net achter Sar. Sar snapt effe niet wat hij ervan moet denken: jochie van 8 passeert de keeper van AJAX ��n! Dus Sar wil revanche, jochie vindt het best, pakt weer zijn muts, stopt hem in het water, zet hem op, neemt een aanloop en weer knalt hij hem ongenadig hard in. Afijn, dat gaat nog een tijdje zo door want Sar houdt niet van verliezen, maar het is iedere keer raak. Verslagen vraagt hij het jochie uiteindelijk toch maar hoe dat zit. "Nou," zegt het jochie, "mijn vader zegt altijd: als de muts maar goed nat is, gaat hij er altijd in!"

    17-02-2012 om 00:00 geschreven door Felix1  

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 0/5 - (0 Stemmen)
    » Reageer (0)
    16-02-2012
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.De maaltijd in hemel en hel
    De maaltijd in hemel en hel



    Een man verbaasde zich al sinds zijn jeugd over de dingen die de mensen elkaar vertelden over de hemel en de hel. Zo hoorde hij hen zeggen dat de hemel een goede plaats was en de hel een slecht oord. De hemel zat barstensvol engelen en heiligen, terwijl de hel overbevolkt was met duivels, kwade geesten en gemene lieden. De man wist niet goed wat hij hiermee moest. Volgens hem kon je slechts een oordeel over deze twee oorden hebben als je ze met eigen ogen had gezien.

    Op een nacht werd hij gewekt door een engel die hem vroeg: "Ben je er nog altijd zo op gebrand om het verschil tussen hemel en hel te weten?" - "Ja," antwoordde de man, "ik wil niets liever weten dan waar ik terechtkom als ik doodga."

    Hierop nam de engel hem bij de hand en samen vlogen ze door een dichte, eindeloze duisternis tot ze bij een gesloten poort aankwamen. De engel duwde de zware deur open en zei: "Dit is de hel. Houd je ogen goed open en zorg er voor dat je geen detail mist."

    De man was zeer verbaasd. Er was, zoals hij verwachtte, geen duivel te zien in de hel, noch saters met bokkenpoten of eeuwige vuren waarin mensen brandden. Al wat hij zag was een gigantische zaal vol eettafels en elke tafel was volgeladen met de verrukkelijkste gerechten, schalen met het sappigste fruit, hoog opgestapelde taarten, de beste wijnen en de zachtste kazen. Zo ver hij kon zien zag hij mensen aan deze beladen feesttafels zitten. In eerste instantie benijdde hij hen, tot zijn blik op hun armen viel. Toen pas merkte hij op dat hun armen vanaf hun schouders veranderd waren in vorken. En deze vorken waren zo lang dat, hoezeer de feestgangers er ook hun best voor deden, ze niet in staat waren het voedsel naar hun mond te brengen. Hun vruchteloze pogingen waren zo frustrerend dat ze paars zagen van woede, haat en honger.

    De engel nam de man opnieuw bij de hand en leidde hem naar buiten. Voor de tweede keer vlogen ze door een dichte, koude duisternis, tot ze bij een andere poort aankwamen. De engel stopte, zwaaide de deur open en riep: "Mag ik je met vreugde presenteren: de hemel!"

    In eerste instantie raakte de man in grote verwarring, want de hemel zag er exact hetzelfde uit als de hel! Het was precies dezelfde gigantische ruimte, en ook hier stonden lange eettafels, volgeladen met de meest exquise gerechten uit alle delen van de wereld. Zelfs de feestgangers zagen er identiek uit: ook bij hen waren de armen veranderd in onhandige, lange vorken. Even dacht de man dat de engel een flauwe grap met hem uithaalde, totdat hij nog eens goed keek en het verschil opmerkte. De mensen in de hemel waren niet kwaad of hongerig, integendeel, ze lachten allemaal en waren goed doorvoed. Want deze mensen gebruikten allemaal hun lange gevorkte armen om hun buren te voeden. Ze werkten samen, ze hielpen elkaar en deelden het fantastische eten, zodat ze allemaal in gelijke mate aten, dronken en plezier hadden.



     


    16-02-2012 om 21:21 geschreven door Felix1  

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 0/5 - (0 Stemmen)
    » Reageer (0)
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Een wens doen

    Een wens doen

    Man en vrouw zijn beiden zestig jaar oud. Ze vieren hun zilveren bruiloft. Op het feest verscheen opeens uit het niets een goede fee. De fee zei, "Jullie mogen een wens doen, je mag wensen wat je maar wilt."
    "Dan wens ik een wereldreis want dat heb ik al altijd willen doen", zegt het oude vrouwtje.
    "Geen probleem" zegt de fee en zwaait met haar toverstokje en het oude vrouwtje had opeens twee handen vol met vliegtickets. Toen vroeg de fee "Wat is uw wens meneer?". De man denkt goed na en zegt "Ik wil een vrouw die dertig jaar jonger is dan ik."
    De fee zwaait met haar toverstokje en de man werd negentig...

    16-02-2012 om 00:00 geschreven door Felix1  

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 0/5 - (0 Stemmen)
    » Reageer (0)
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.De zus van Lana




    Gemiddeld inkomen

    Wat is het gemiddeld inkomen van een dom blondje?
    14cm.

    16-02-2012 om 00:00 geschreven door Felix1  

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 1/5 - (1 Stemmen)
    » Reageer (0)
    15-02-2012
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Luchtpost voor dieren
    Luchtpost voor dieren



    Op één januari dan sturen de mensen
    elkaar mooie kaarten met groeten en wensen,
    maar ook alle dieren, 't is werkelijk waar,
    die wensen elkander Gelukkig Nieuwjaar:

    De vink schrijft een brief
    aan haar zoetelief
    en Kareltje Mus
    stuurt een brief aan zijn zus
    en twee jonge roeken
    een brief aan hun moeke.
    Dat alles gaat dan met de luchtpost mee
    naar Overflakkee, of naar Heiligerlee.

    De luchtpost staat klaar. Over veertien seconden
    vertrekt hij naar Kaapstad of Zutfen of Londen.
    Die post is een pikzwarte kraai moet je weten,
    hij roept: Kra, kra, kra! Hebt u niets vergeten?
    Heeft soms het konijn
    nog een brief voor Berlijn?

    En jullie, fazanten,
    een kaart voor je tante?
    Een brief naar je ome
    in Brussel of Rome?
    Geen brieven meer verder, dan zal ik maar gaan.
    Maar net als hij weg wil, daar komt iemand aan...

    't Is Simon Kabouter, hij roept erg geschrokken:
    Gelukkig, de post is nog net niet vertrokken!
    Er liggen nog dertig brieven in 't rond
    van allerlei dieren, daarginds op de grond:

    Een brief van de muis
    aan haar ouderlijk huis,
    een brief van twee mollen
    aan iemand in Zwolle,
    een brief van de spin
    aan zijn hele gezin,
    een brief van de specht en een brief van de sijs,
    een brief voor Zaltbommel en een voor Parijs.

    Oke, zegt de kraai, stop het maar in mijn tas.
    Dan gaat hij vertrekken, dan geeft hij vol gas
    en dan krijgt ieder dier (het hindert niet waar)
    een brief in zijn bus met: Gelukkig Nieuwjaar!



     

    15-02-2012 om 21:53 geschreven door Felix1  

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 3/5 - (2 Stemmen)
    » Reageer (0)
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Aan het vissen...

    Aan het vissen...

    Er zat eens een vrouwtje te vissen. Een man zegt: Waarom bent u aan het vissen? De vrouw antwoord: "ik heb mijn toffee in het water laten valllen" Zegt de man beleefd: "ik wil u wel een nieuwe geven" De vrouw: "Nee, sorry, mijn kunstgebit zat er nog aan!"

    15-02-2012 om 00:00 geschreven door Felix1  

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 0/5 - (0 Stemmen)
    » Reageer (0)
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.De zus van Lana




    Vodde ouwe rommel

    Er rijdt een voddenman op een bakfiets langs de grachten in Amsterdam schreeuwend: "Vodde ouwe rommel, vodde ouwe rommel." Opeens gaat er vierhoog ergens een raam open en een vrouwtje schreeuwt: "Hé voddenman kun je even bovenkomen?" "Tuurlijk mevrouwtje, ik kom eraan." Bovengekomen ziet hij daar toch een lekker stuk in een negligé staan dat aan hem vraagt: "Zeg voddenman je moet het me maar niet kwalijk nemen hoor, maar m'n man zit nou al drie maanden in de bajes en ik wil ook wel eens wat. Zou U misschien zo vriendelijk willen zijn?"
    Ze is nog nog niet uitgesproken of de voddenman heeft z'n broek al op z'n enkels hangen en naait het stuk met gigantische oerdriften over de leuning van de balustrade. Klaargekomen zegt het vrouwttje: "He, he, dat was lekker, dat had ik echt nodig. Hier voddenman dit is voor U", en ze stopt hem een envelop in zijn hand. Beneden op de bakfiets rijdt de voddenman weer schreeuwend verder. "Vodde ouwe rommel, vodde ouwe rommel." Maar als hij de envelop open maakt, ziet hij er honderd euro in zitten en verder rijdend schreeuwt hij: "Neuken, neuken."

    15-02-2012 om 00:00 geschreven door Felix1  

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 0/5 - (0 Stemmen)
    » Reageer (0)
    14-02-2012
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Wie het hoogst gooit..

    Wie het hoogst gooit..

    Smith en Jantje spelen het spelletje ganzenbord. Opeens gooit Jantje de dobbelsteen tegen het plafond. 'Waarom doe je dat,'vraagt Smith waarop Jantje antwoord: ''Wie het hoogst gooit mag beginnen,''

    14-02-2012 om 00:00 geschreven door Felix1  

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 0/5 - (0 Stemmen)
    » Reageer (0)
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.De zus van Lana




    Jantje en de melkboer

    Jantje wordt 's nachts wakker en gaat wat water halen om op te drinken. Als hij terug naar boven loopt, om weer naar bed te gaan, hoort hij gekreun uit de slaapkamer van zijn ouders. Hij besluit om even te kijken en hij ziet zijn vader op zijn moeder zitten en denkt: "Ha leuk! Paardje rijden..." Hij vraagt aan zijn vader of hij mee mag doen. Vol verbazing zegt zijn vader, die allang blij is dat hij geen vragen meer moet beantwoorden: "Ja is goed joh." Even later begint plots Jantjes moeder te kreunen en Jantje zegt tegen zijn vader: "Nou moet je oppassen, want op dit moment vliegen ik en de melkboer er meestal af!"

    14-02-2012 om 00:00 geschreven door Felix1  

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 2/5 - (2 Stemmen)
    » Reageer (0)
    13-02-2012
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Ontmoet in de nacht

    Ontmoet in de nacht



    Het verhaal gaat over een 14-jarig meisje, en ze heet Angelina. Haar moeder en stiefvader waren veel te streng voor haar. Angelina besloot op een dag rond 1 uur waneer haar vader en moeder uit eten gingen naar buiten te gaan om graffity de spuiten. Ze kwam bij een treinrails. Wat zal ik spuiten?, vroeg Angelina zich af. Ik heb het! Ik spuit Angel. Als ze klaar is met de A staat er ineens iemand achter haar. Ze schrikt zich dood, haar benen lijken wel 2 bakstenen. Wat ben je nou aan het doen man!!!, zegt de jongen en duwd haar op de grond. Auww, zegt ze. Waneer de jongen dichterbij komt zegt hij:Ow sorry ik wist niet dat je en meisje was'en trok haar weer omhoog. Ja nou en!!, zegt ze. Meisjes mogen toch ook wel graffity spuiten? Of niet soms.
    Maar rond dit uur is het veel te gevaarlijk voor meisjes, zegt de jongen. Dus??? Nou ga naar huis en kom hier niet terug, er lopen polities rond en anders ben je erbij. Ik ga hier niet weg voor jou, zegt Angelina.
    Dan moet je hetzelf maar weten, zegt de jongen. En opeens horen ze geritsel in de bosjes. Waneer ze zich omdraaien komt er ineens een bloeddorstige hond tevoorschijn. Pak ze, roepen 2 agenten.
    Ze rennen zo hard ze kunnen en draien een bocht om. De honden zijn ineens spoorloss verdwenen. Nou dat scheelde niks, zegt Angelina. Hoe heet je trouwens? vraagt de jongen. Ik heet Angelina. Mooie naam zegt hij, en glimlacht een beetje verlegen. Ik heet Rodney. Angelina krijgt vlinders in haar buik. Ze zijn bij een fontein en gaan op de rand zitten. Ze praten een beetje met elkaar. Rodney is 15 en zit in de derde klas. Angelina zit in de tweede dus dat scheelt niet veel. Dan zijn ze een tijdje stil en zitten dicht op elkaar. Angelina heeft dat niet in de gaten. Ze kijken elkaar aan, Rodney pakt Angelina's hand vast zoent haar. Ze voelt zich heel warm van binnen. En dan horen ze een stem die zegt: Sta stil! Ze schikken zich dood en Angelina valt in de fontein met water en is kletsnat. Rodney helpt haar overeind. Ze kunnen geen kant op en moeten mee naar het politiebureau. Ze geven hun adres. Rodney vertelt dat hij niet meer thuis woont en geeft een ander andres op. Dat liegt hij. Ze zitten in de cel en wachten maar af. De polities zijn even weg. Dan zegt Angelina: Het spijt me, dit is allemaal mijn schuld. Ach onzin, het is niet jouw schuld, zegt Rodney. Dan zijn ze even stil. Dan pakt Rodney weer haar hand vast en zoent haar. Waneer de agenten terug zijn stoppen ze meteen. Angelina heeft het ijskoud en is moe. Ze krijgen een deken. Ze slaan de deken om zich heen, Rodney slaat een arm om Angelina's arm heen. Ze valt na een paar minuten in slaap in Rodney's armen. Dan worden ze wakker. Het is kwart over 6. Ze horen stemmen, dat weet ze het al. Pa en ma zijn er. Ze komen naar binnen en kijken woedend naar haar op. Dan gaat ze mee met haar vader en moeder. Ze heeft niet eens afscheidt kunnen nemen van Rodney. Als ze thuis is schreewt haar stiefvader: Hoe haal je het in je hoofd om zo laat nog buiten te lopen? Het is veel te gevaarlijk!!! Voor straf kijk je een maand geen televisie.
    Als haar stiefvader naar zijn werk gaat zegt haar moeder: Ik wil dat je dit nooit meer doet, maar gelukkig ben je ongedeerd. Angelina kijkt vreemd op en knikt ja. Ze had verwacht dat ze zou lopen schreeuwen. Dan gaat Angelina na school naar het winkelcentrum en ziet daar opeens Rodney lopen. Ze gaan naar elkaar toe en omhelsen elkaar. En hoe is het nou afgelopen, vraagt Rodney. Van mijn vader mocht ik een maand geen televisie kijken en mijn moeder zei dat ik het nooit meer mocht doen en was blij dat ik ongedeerd was. Rodney kijkt ook vreemd op. Zo zijn vaders en moeders nou eenmaal, zegt hij. Ze lopen verder en praten een beetje. Als ze thuis komt gaat ze wat eten. Angelina belt haar vriendin op en verteld het hele verhaal. En nu hebben Rodney en ik dus verkering, ik vind hem zo leuk! No way!, zegt Jessy haar vriendin. Ja het is echt waar. Ik ga donderdag weer naar hem toe, ik heb zijn adres. Nou veel plezier, zegt Jessy, doei!!! En ze hangen op. Angelina heeft een foto van Rodney en ligt op haar bed, dan valt ze stilletjes in slaap.

    13-02-2012 om 21:30 geschreven door Felix1  

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 0/5 - (0 Stemmen)
    » Reageer (0)
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.De zus van Lana*

    Zitten er twee oude mannetjes aan de maas bij de nieuwe Erasmus-brug, zegt de ene tegen de andere: ik heb pas die nieuwe pil geprobeerd, viagra heet die geloof ik, die werkte goed joh! Slikken en binnen twee minuten had ik de grootste totempaal die ik ooit gezien heb. Zozo, zegt dat andere oude mannetje dat wil ik wel eens zien. Zegt nr.1 : ik heb er nog wel eentje voor je, hier probeer maar. Het tweede mannetje pakt het pilletje, maar door de opwinding laat hij het pilletje in de Maas vallen. Nou, zegt nr.2 dat werkt zeker goed zeg, kijk de brug gaat open!

    13-02-2012 om 00:00 geschreven door Felix1  

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 0/5 - (0 Stemmen)
    » Reageer (0)
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Mam, je wordt dik:

    Mam, je wordt dik:

    Een hoogzwangere vrouw stapt uit de douche als ze haar drie jarige zoontje ziet staan. “Je wordt dik mam.” vertelt hij haar. “Ja dat weet ik, maar er groeit ook een kindje in mijn buik.” Waarop het jongetje vraagt: “En wat groeit er dan in je kont?”

    13-02-2012 om 00:00 geschreven door Felix1  

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 0/5 - (0 Stemmen)
    » Reageer (0)
    12-02-2012
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.De Verjongingskuur

    De Verjongingskuur



    In de tijd dat Onze Lieve Heer nog op aarde rondliep, kwam hij ‘s avonds met Sint Pieter eens bij een smid en kreeg daar onderdak voor de nacht. Nu gebeurde het, dat een arme bedelaar, door ouderdom en gebreken gebogen, ook in dat huis kwam en een aalmoes vroeg van de smid. Toen kreeg Sint Pieter medelijden en zei: "Mijn heer en meester, als het U behaagt, genees hem dan toch van zijn kwaal, zodat hij zijn eigen brood kan verdienen." Zachtmoedig sprak Onze Heer: "Smid, leen mij de voorhamer en leg een flink vuur aan, dan zal ik die oude ziekelijke man voor deze keer verjongen." De smid was graag bereid, Sint Pieter trok aan de blaasbalg, en toen het vuur aangloeide en vonkte, groot en hoog, nam Onze Heer het oude mannetje, schoof hem op het vuur, middenin de gloed, en hij gloeide erin als een tak rozen en hij loofde God met luide stem. Daarna ging Onze Heer naar de dooftrog, stopte het gloeiende mannetje erin, zodat het water over zijn hoofd sloeg, en nadat hij hem heerlijk en fris had afgekoeld, gaf hij hem de zegen. En kijk, dadelijk sprong het mannetje eruit, fris, recht van lijf en leden, gezond, en als een jongeman van twintig jaar. De smid die erbij had gestaan en precies had afgekeken hoe het ging, nodigde hen allen uit voor het avondbrood. Maar nu had hij een oude, halfblinde kromgegroeide schoonmoeder, en die ging bij de nieuwbakken jongeling navraag doen, en vroeg of het vuur hard gebrand had. Hij had zich nooit heerlijker gevoeld, had hij geantwoord; hij had in de vuurhaard gezeten als in koele dauw.

    Wat de jonkman gezegd had, klonk de ganse nacht in de oren van de oude vrouw, en toen de Heer ‘s morgens de dorpsstraat was afgegaan, en de smid hartelijk had bedankt, dacht de smid, dat hij die oude schoonmoeder ook wel eens zo jong zou kunnen maken, hij had immers alles precies bekeken en het was eigenlijk zijn vak. Hij vroeg haar dus, of ze wel weer als een achttienjarig meisje in de wereld rond zou willen springen. En ze zei: "Dolgraag," want met de jonge man was het ook zo gemakkelijk gegaan. Dus maakte de smid een heel groot vuur, legde er het oude mens in, zodat ze zich heen en weer kromde en moord en brand schreeuwde. "Hou je toch stil, wat schreeuw je en krom je je, ik zal nog eens terdege blazen." En hij trok opnieuw aan de blaasbalg, tot al haar schamele kleren brandden. Het oude mens schreeuwde zonder ophouden, en de smid dacht: "Niets zonder moeite," hij nam haar eruit en dompelde haar in de dooftrog. Toen schreeuwde ze zo gruwelijk, dat boven in huis de vrouw van de smid en haar schoondochter het hoorden; ze liepen beiden de trappen af en zagen het oude mens huilend en schreeuwend in de trog liggen, haar gezicht vol rimpels en vouwen, en verder vormeloos. En daar zijn die twee, die allebei een kind zouden krijgen, zo van geschrokken, dat er nog diezelfde nacht twee jongens werden geboren, en die waren niet geschapen als mensen, maar als apen, en ze liepen meteen het bos in; en van hen stammen alle apen af.

    12-02-2012 om 22:01 geschreven door Felix1  

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 0/5 - (0 Stemmen)
    » Reageer (0)
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Ouders een avondje weg

    Ouders een avondje weg

    Ze zei "kom je vanavond, er is niemand thuis!?".
    Waaaw, te gek.
    Dus ik ging, belde aan, .. en inderdaad, er was niemand thuis.

    12-02-2012 om 00:00 geschreven door Felix1  

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 0/5 - (0 Stemmen)
    » Reageer (0)
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.De zus van Lana

    Een verlamde man laat zich door zijn trouwe butler James naar de hoeren rijden. James helpt de man mee naar binnen. De hoer gaat op bed liggen. James kleedt de man uit en legt hem boven op de hoer. James steekt de penis van de man bij de hoer naar binnen. En James pakt de man bij zijn heupen en beweegt hem op en neer. Het is een zwaar karwei, en James begint te hijgen, te puffen en te steunen. Verstoord kijkt de man achterom en vraagt: "Zeg James, hoe zit dat: neuk jij of neuk ik?"

    12-02-2012 om 00:00 geschreven door Felix1  

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 0/5 - (0 Stemmen)
    » Reageer (0)
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Slingerende geit

    Slingerende geit

    Een boer ging met een geit met de trein mee. De boer vroeg of de geit mee kon in de trein. De conducteur zij nee. De boer zegt ooooh dat maakt niks uit want dan hang ik hem wel achter de trein.Onderweg keek de conducteur naar buiten en zag de geit van links naar rechts slingeren en loopt eens naar de boer en zegt
    uw geit slingert van links naar rechts
    . De boer zegt
    ooh nee, die kijkt waar hij het beste kan inhalen.

    12-02-2012 om 00:00 geschreven door Felix1  

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 0/5 - (0 Stemmen)
    » Reageer (0)
    11-02-2012
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.De Vos en het paard

    De Vos en het paard



    Er was eens een boer, en die had een trouw paard; het was oud geworden en kon geen dienst meer doen, en toen wilde zijn meester hem niets meer te eten geven en zei: "Ik kan je weliswaar niet meer gebruiken, maar ik meen het goed met je; als je je nog eens zó sterk toont, dat je me een leeuw hier brengt, dan zal ik je houden; maar verdwijn nu maar uit mijn stal." En daarmee joeg hij hem het veld in. Het paard voelde zich treurig en ging naar het bos, om wat beschutting te zoeken tegen de kou. Toen kwam hij een vos tegen en die zei: "Waarom laat je je hoofd zo hangen en loop je zo eenzaam rond?" "Och," zei het paard, "gierigheid en trouw wonen nu eenmaal niet samen; mijn meester is vergeten, hoe ik hem gediend heb al die jaren lang, en nu ik niet meer voor de ploeg kan, wil hij me geen voer meer geven en heeft me weggejaagd." "Zonder enige troost?" vroeg de vos. "Een schrale troost. Hij zei, als ik zo sterk was, dat ik hem nog een leeuw kon brengen, dan zou hij me houden. Maar hij weet ook wel, dat ik dat niet kan." Nu zei de vos: "Hoor eens, ik zal je helpen. Ga maar liggen, strek je uit en verroer je niet, doe alsof je dood was." Het paard deed wat de vos hem zei. Maar de vos ging naar de leeuw die zijn hol niet ver daarvandaan had en hij zei: "Daar buiten ligt een dood paard; kom toch eens kijken, het is een stevig maal." De leeuw ging dadelijk mee, en toen ze bij het paard stonden, zei de vos: "Hier is het geen rustig plekje voor je, weetje wat? Ik zal hem met zijn staart aan je vastbinden, dan kan je het naar je hol slepen en ongestoord opeten." Dat vond de leeuw een goede raad, hij ging staan, zodat de vos het paard aan hem vast zou binden, en daarom stond hij heel stil. Maar de vos bond de leeuw de paardestaart stijf om zijn poten, en snoerde het zo secuur en stevig vast, dat het niet los te trekken was. En toen hij dit naar zijn zin klaargespeeld had, klopte hij het paard op de schouder en zei: "Trek maar, schimmel, trekken!" Daar sprong het paard opeens overeind, en sleepte de leeuw achter zich aan. De leeuw begon te brullen, zodat alle vogels in het bos van schrik opvlogen, maar ‘t paard liet hem maar brullen, en trok en sleepte hem het land over tot zijn meesters voordeur. Toen de meester dat zag, werd hij vriendelijker en zei tegen het paard: "Nu kun je bij me blijven, je zult het goed hebben!" en hij gaf hem heerlijk voer tot aan zijn dood.

    11-02-2012 om 21:43 geschreven door Felix1  

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 0/5 - (0 Stemmen)
    » Reageer (0)
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.De zus van Lana*

    Op een dag is Pietje zo geil als een bok. Hij kijkt in zijn portemene en ziet dat hij 100 piek heeft. Hij gaat naar het dichts bijzijnde bordeel en vraagt wat de hoofdhoer voor 100 piek heeft. Kom maar even mee, zegt de hoofdhoer. Pietje wordt in een kamer gezet met allemaal kippen. De hoofdhoer zegt dat hij het met de kippen mag doen voor 100 piek. Nou beter dan niets, denkt Pietje, dus hij doet het. Als hij klaar is bedenkt hij dat het eigenlijk wel lekker was. Dus een week later is Pietje weer hartstikke geil en kijkt in zijn portemene en heeft 200 piek. Yes, denkt hij, nog lekkerder. Hij gaat weer naar her bordeel en vraagt aan de hoofdhoer wat ze voor 200 piek heeft. De hoofdhoer neemt hem mee naar een kamertje met een bank waar nog een man op zit. Voor de bank hangt een groot gordijn. Hij gaat naast de man zitten en het gordijn gaat open. Hij ziet hoe 2 meisjes elkaar aan het uitkleden zijn en elkaar aan het vingeren zijn. Wat een goeie show, zegt hij tegen de man die n! aast hem zit. Ach, dit is nog niets, zegt de man. Vorige week zag je hoe een man een paar kippen aan het neuken was!

    11-02-2012 om 00:00 geschreven door Felix1  

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 0/5 - (0 Stemmen)
    » Reageer (0)
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Bananen

    Bananen
    2 bananen zijn aan het graven.
    Zegt de ene tegen de andere:
    "Ik stop

    want mijn rug wordt krom!"

    11-02-2012 om 00:00 geschreven door Felix1  

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 0/5 - (0 Stemmen)
    » Reageer (0)
    10-02-2012
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Vrijer Roland

    Vrijer Roland



    Er was eens een vrouw, die een echte heks was. Ze had twee dochters, de ene lelijk en naar, en daar hield ze veel van, omdat ze haar eigen dochter was, en de andere lief en mooi, en die haatte ze, omdat ze haar stiefdochter was. Eens had de stiefdochter een mooi schortje, dat ‘t andere meisje bijzonder aardig vond, zodat ze er jaloers op was, en ze zei tegen haar moeder, ze zou en ze moest dat schortje hebben. "Stil maar, kind," zei de oude, "je zult ‘t hebben ook. Je stiefzuster had al veel eerder dood moeten zijn; vannacht, als ze slaapt zal ik binnen komen en dan gaat ‘t kopaf! Nu moet jij zorgen dat je achteraan ligt in bed, en dan moet je haar flink naar voren schuiven." Met ‘t arme meisje was ‘t dus gedaan – maar nu had ze juist in de buurt gestaan en alles gehoord. Ze mocht de hele dag ‘t huis niet uit, en toen ‘t tijd was om te gaan slapen, moest ze het eerst ‘t bed in, zodat ze achteraan lag; maar toen ze ingeslapen was, schoof ze de andere zachtjes naar de voorkant en nam zelf de plaats achterin, ‘s Nachts kwam de oude vrouw aangeslepen, een bijl in haar rechterhand. Met haar linkerhand voelde ze eerst of er iemand vooraan lag, toen nam ze de bijl in beide handen, zwaaide, en sloeg haar eigen kind het hoofd af. De heks ging de kamer weer uit, en toen stond het meisje op en vluchtte naar haar vrijer, die Roland heette; ze klopte aan zijn deur. Toen hij opendeed, sprak ze tot hem: "Roland, luister eens: we moeten dadelijk vluchten, mijn stiefmoeder heeft me willen doden, maar inplaats daarvan heeft ze haar eigen kind gedood. Als het dag wordt en ze ziet wat er gebeurd is, dan zijn wij verloren." "Dan raad ik je aan," zei Roland, "dat je nog haar toverstaf haalt, want anders kunnen we ons niet redden, als ze ons gaat achtervolgen!" Het meisje ging de toverstok nog halen, en ze nam het hoofd van de dode, en druppelde drie bloeddruppels op de aarde, één voor het bed, één in de keuken, en één op de trap. Toen vluchtte ze, met haar vrijer.
    ‘s Morgens stond de oude heks op, riep haar dochter en wilde haar het schortje geven. Maar ze kwam niet. Toen riep ze: "waar ben je!" "Wel, hier op de trap, aan ‘t vegen," antwoordde de ene bloeddruppel. De oude vrouw ging de kamer uit, maar ze zag niemand op de trap en riep nog eens: "Waar ben je?" "Wel, hier in de keuken, om me te warmen!" riep de tweede bloeddruppel. Ze ging de keuken in, maar ze zag weer niemand. Toen riep ze nog eens: "Waar ben je?" "Wel, hier in bed, om te slapen!" riep de derde bloeddruppel. Zij ging de kamer in en naar het bed. En wat zag ze daar? Haar eigen kind, badend in haar bloed – en wie ze zelf ‘t hoofd had afgeslagen.
    De heks werd nu woedend; ze sprong naar ‘t venster, en omdat ze ver in de wereld kon zien, kreeg ze haar stiefdochter in ‘t oog, die met haar vrijer Roland voortsnelde. "Dat helpt jullie niets!" riep ze, "al ben je nog zo ver, je zult mij niet ontlopen!" Ze trok haar mijlslaarzen aan, elke stap was een uur gaans – en zo duurde het niet lang of ze had hen beide ingehaald. Maar toen het meisje de oude aan zag komen stappen, veranderde ze Roland in een meer, en zichzelf in een eend, die op het meer zwom. De heks ging aan de oever staan, ze wierp broodkruimels en deed alle pogingen om de eend naar zich toe te lokken; maar de eend liet zich niet vangen, en de oude heks moest ‘s avonds onverrichter zake weer naar huis. Nu nam het meisje weer haar natuurlijke gestalte aan en haar minaar ook, en zo gingen ze de hele nacht doorlopen tot de dag weer aanbrak. Toen veranderde het meisje in een mooie bloem, midden in een doornhaag, en de vrijer in een vioolspeler. Het duurde niet lang of de heks kwam aangestapt, en zei tegen de speelman: "Lieve speelman, mag ik die mooie bloem plukken?" "Jazeker," antwoordde hij, "dan zal ik erbij spelen." Toen ze nu vlug naar de haag ging en de bloem wou plukken, – want ze wist wel wie die bloem was – begon hij te spelen; en of ze nu wilde of niet, ze moest dansen, want het was een toverdans. Hoe sneller hij speelde, hoe heftiger ze springen moest, en de dorens scheurden haar de kleren van ‘t lijf, staken haar tot ze wonden kreeg en, omdat hij niet ophield, moest ze zolang dansen, tot ze er dood bij neerviel.
    Toen ze dus bevrijd waren, sprak Roland: "Nu ga ik naar je vader, en zullen we de bruiloft afspreken." "Dan blijf ik zolang hier," zei het meisje, "om op je te wachten, en ik zal me in een rode rots veranderen, zodat niemand me herkent." Roland ging toen weg, en ‘t meisje stond als een rode rots op ‘t land, en wachtte op haar vrijer. Maar toen Roland thuis kwam, raakte hij verstrikt in de listen van een ander meisje, zodat hij de eerste vergat. Lang bleef zij zoals een rots staan, maar toen hij in ‘t geheel niet terugkwam, werd ze treurig; ze veranderde zich in een bloem en dacht: "Er zal wel eens iemand langs komen en op mij trappen." Nu gebeurde het dat er een schaapherder op het veld was, hij hoedde de schapen en zag de bloem, en omdat het zo’n mooie bloem was, plukte hij haar af, nam haar mee en legde haar in zijn kast. Van toen af ging het in het huis van de schaapherder wonderlijk toe. Als hij ‘s morgens opstond, was alle werk al gedaan: de kamer geveegd, tafel en stoelen gladgewreven, vuur in de haard aangelegd en de ketel was boven het vuur gehangen; ‘s middags als hij thuis kwam, was de tafel gedekt en een goed maal opgedist. Hij kon niet begrijpen hoe dat kon, want hij zag nooit iemand in huis, en er kon zich ook niemand verstoppen in zijn kleine hutje. Wel vond hij de goede verzorging prettig, maar tenslotte werd het hem toch angstig te moede, en hij ging naar een wijze oude vrouw om raad. De wijze vrouw sprak: "Dat moet toverij zijn; let ‘s morgens goed op, als het nog heel vroeg is, misschien beweegt er dan iets in de kamer, en wanneer je iets ziet, wat het ook is, gooi er gauw een witte doek over, dat breekt de betovering." De schaapherder deed als hem gezegd was, en de volgende morgen, bij het eerste morgenkrieken, zag hij dat de kast openging en de bloem eruit kwam. Vlug sprong hij op en gooide er een witte doek over. Meteen was de tovergestalte verdwenen, en stond er een mooi meisje voor hem; zij erkende dat zij de bloem was geweest, en dat ze zijn huishouding tot nu toe had gedaan. Ze vertelde hem, wat haar gebeurd was en daar ze hem goed beviel, vroeg hij of ze niet met hem trouwen wilde; maar ze antwoordde: "nee," want ze wilde haar Roland, al had hij haar verlaten, toch trouw blijven; maar ze beloofde, niet weg te gaan, maar voortaan voor hem de huishouding te doen. Nu naderde de tijd, dat Roland bruiloft zou vieren, en toen werd, naar oud gebruik, in het land omgeroepen, dat alle jonge meisjes moesten komen om ter ere van ‘t bruidspaar te zingen. Toen het trouwe meisje daarvan hoorde, werd ze bedroefd, ze dacht dat haar hart zou breken. En toen het haar beurt was om te zingen, deed ze een stap achteruit, want ze kon niet. Maar toen was ze alleen over, en ze moest wel. Ze begon te zingen en toen die stem klonk, sprong Roland op en riep: "Die stem ken ik, zij is mijn bruid, en een andere wil ik niet tot vrouw." Alles wat hij had vergeten, alles wat hem uit de zin was gegaan, dat was opeens weer ontsproten in zijn hart. Toen hield het trouwe meisje bruiloft met haar Roland, haar leed was ten einde en nu begon haar geluk.

    10-02-2012 om 21:33 geschreven door Felix1  

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 0/5 - (0 Stemmen)
    » Reageer (0)
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Raadsel 10

    Raadsel 11

    Waarom is een dom blondje uitzinnig als ze een puzzel in 2 maanden af heeft gekregen?
    Omdat op de doos staat "van 3 tot 5 jaar".

    10-02-2012 om 00:00 geschreven door Felix1  

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 0/5 - (0 Stemmen)
    » Reageer (0)
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.De zus van Lana

    Dat ene jongetje tegen dat andere jongetje. Hij zegt: "Mijn moeder is zwanger, en dat heb ik gedaan." Zegt-ie: "Hoe heb je dat voor elkaar gekregen?" Hij zegt: "Nou, ik heb d'r pil geruild voor aspirientjes."

    10-02-2012 om 00:00 geschreven door Felix1  

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 0/5 - (0 Stemmen)
    » Reageer (0)
    09-02-2012
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Vrouw Trui

    Vrouw Trui



    Er was eens een klein meisje; ze was koppig en eigenwijs en als haar ouders haar wat zeiden, deed ze precies het omgekeerde; hoe kon ‘t haar nu goed gaan? Op een keer zei ze tegen haar ouders: "Ik heb zoveel van vrouw Trui gehoord, daar wil ik eens naar toe. De mensen zeggen, dat het bij haar zo raar toegaat, en ze vertellen dat er zoveel vreemde dingen bij haar in huis zijn, ik ben toch zo nieuwsgierig!"

    De ouders verboden het haar streng, ze zeiden: "Vrouw Trui is een slecht mens, en ze doet allerlei kwaad, en als je het toch doet, ben je ons kind niet meer." Maar het meisje stoorde zich niet aan dat verbod van haar ouders, en ze ging toch naar vrouw Trui.

    Ze kwam in haar huis en vrouw Trui zei: "Waarom ben je zo bleek?" "O," riep ze en ze beefde over haar hele lijfje: "ik ben zo geschrokken van wat ik gezien heb!" "Wat heb je dan gezien?"

    "Ik zag op de stoep een zwarte man." "Dat was een kolensjouwer." "Toen zag ik een groene man." "Dat was een jager." "En toen zag ik een bloedrode man." "Dat was een slager." "O vrouw Trui, het liep me ijskoud over mijn rug: ik keek door ‘t venster en ik zag u niet, maar ik zag de duivel met een hoofd als vuur!" "Oho!" lachte ze, "dan heb je de heks in haar beste tooi gezien; en ik heb al lang op jou gewacht, en ik heb naar je verlangd: jij zult me warmen."

    En ze veranderde het meisje in een houtblok en gooide haar in ‘t vuur. Toen ze goed brandde, ging ze er bij zitten, warmde zich en zei: "Nu gloeit het!"

    09-02-2012 om 22:09 geschreven door Felix1  

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 0/5 - (0 Stemmen)
    » Reageer (0)
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Raadsel 8

    Wat heeft 50 tanden en houdt een verschrikkelijk monster tegen?
    Mijn gulp.

    09-02-2012 om 00:00 geschreven door Felix1  

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 0/5 - (0 Stemmen)
    » Reageer (0)
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.De zus van Lana

    Er is een man die alles al heeft, maar hij is binnenkort weer jarig en moet toch een kado krijgen van zijn vrouw. "Weet je wat ik nou wel leuk zou vinden?" zegt de man aan het ontbijt: "Een mooie, nette, Nederlandssprekende papegaai." Zijn vrouw kijkt in de krant naar de advertenties en ziet dat er een papegaai aangeboden wordt. Ze gaat naar het adres, gaat naar binnen: blijkt het een sexclub te zijn. Ze wil al weer weglopen, als de barman roept: "Niet meteen weer weglopen! U kwam zeker voor die papegaai. Kijk, daar staat 'ie! En nou weet ik wel wat u verwacht van een papegaai in deze tent, maar dat is echt niet waar. Het is een keurige papegaai: hij praat heel netjes, zegt geen lelijke woorden, vloekt niet..." "Als dat waar is..." zegt de vrouw: "Wat moet 'ie kosten?" "Drieduizend gulden." De vrouw betaalt. Als ze de kooi met de papegaai wil meenemen, zegt de barman: "Even wachten mevrouw, u moet wel even een doek over die kooi doen, want anders verdomt 'ie het straks om nog! te praten." Dus de vrouw doet een doek over de kooi, zet 'm in de auto en rijdt naar huis. Thuis zet ze de kooi met de papegaai neer en haalt de doek er weer van af. De papegaai kijkt wantrouwend in het rond. Zegt: "Nieuw behangetje. Andere vloerbedekking..." Later op de dag komen er een paar dames om een partijtje te bridgen. De papegaai zegt: "Zo, nieuwe meiden." Om half zes komt de echtgenoot thuis. De papegaai kijkt 'm aan en zegt: "Ha, eindelijk een bekend gezicht."

    09-02-2012 om 00:00 geschreven door Felix1  

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 0/5 - (0 Stemmen)
    » Reageer (0)
    08-02-2012
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.De Verstandige boerendochter

    De Verstandige boerendochter



    Er was eens een arme boer. Hij had geen land, alleen maar een klein hutje, en een enige dochter, en toen zei die dochter: "We moesten de koning om een stukje bouwland vragen." De koning die van hun armoe had gehoord, gaf er hun een stukje wei bij, en dat spitten zij en haar vader om en daar wilden ze een beetje koren en wat veldvruchten zaaien. Toen ze de akker bijna hadden omgespit vonden ze in de aarde een sleutel van zuiver goud. "Kijk," zei de vader tegen het meisje: "omdat onze koning zo genadig voor ons geweest is en ons die akker heeft gegeven, moesten we hem daarvoor die sleutel geven." Maar daar wilde de dochter niet op ingaan en ze zei: "Vader, als we de sleutel hebben en niet het slot dat erbij hoort, dan moeten we dat slot liever eerst opzoeken en anders onze mond houden." Maar hij wou dat niet toegeven, en hij nam de sleutel, bracht hem naar de koning en vertelde, hoe hij die in de akker gevonden had, en of hij het als een teken van dankbaarheid van hem wou aannemen. De koning nam de sleutel en vroeg of hij niets méér gevonden had. "Nee," zei de boer. Maar de koning zei, nu moest hij ook het slot meebrengen. De boer zei: nee, dat hadden ze niet gevonden; maar dat baatte hem evenveel, alsof hij ‘t tegen de wind had gezegd: hij werd in de kerker gezet, en moest zo lang zitten, tot hij het slot erbij geven zou. De knechts moesten hem elke dag water en brood brengen, zoals je dat in de gevangenis krijgt; en toen hoorden ze dat de man aldoor maar riep: "Och, had ik maar naar mijn dochter geluisterd! Och, och, och, had ik toch maar naar mijn dochter geluisterd!" En de knechts kwamen bij de koning en vertelden, hoe die gevangene steeds maar riep, och, och, had ik toch maar naar mijn dochter geluisterd! en dat hij niet eten of drinken wou. Hij beval de knechts de gevangene bij hem te brengen, en nu vroeg de koning hem, waarom hij aan een stuk doorriep, had ik maar naar mijn dochter geluisterd! "Wat heeft je dochter dan gezegd?" "Ja, die heeft gezegd, ik moest die sleutel niet brengen, want dan moest ik ook het slot hebben!" "Heb je dan zo’n slimme dochter, laat ze dan eens hier komen!" En zo moest zij bij de koning komen, en die vroeg of ze dan zo slim was, en hij zei, hij wou haar een raadsel opgeven, als ze dat raden kon, dan wou hij wel met haar trouwen. Ze zei dadelijk: "Ja," dat zou ze wel raden. Toen zei de koning: "Dan moet je bij me komen: gekleed en toch niet gekleed, niet op het paard en niet op de wagen, niet op ‘t pad en niet buiten ‘t pad, en als je dat kunt, zal ik je trouwen." En ze ging weg en ze kleedde zich poedelnaakt uit, dus dan was ze niet gekleed en ze deed een groot visnet om en dan was ze gekleed, en ze huurde een ezel en ze bond de ezel het visnet aan zijn staart, zodat hij haar voort moest slepen, dat was niet op het paard en op de wagen, en de ezel moest haar over ‘t karrespoor slepen, zodat ze alleen met haar grote teen de grond raakte, dus dat was niet op het pad en niet buiten het pad. En toen ze zo aan kwam rijden, zei de koning, ze had het raadsel opgelost, en alle voorwaarden waren vervuld. Hij liet haar vader vrij, hij nam haar bij zich als zijn vrouw, en hij liet zijn hele koninklijke bezittingen aan haar goede zorgen over.
    Nu waren er al weer enige jaren voorbij, toen de koning eens naar een parade ging, en toen gebeurde het, dat boeren met hun karren voor het slot stilhielden, want ze hadden hout verkocht, sommigen hadden ossen voor de kar en anderen paarden. Nu was er een boer en die had drie paarden en daarvan kreeg er één een veulentje, en dat veulentje liep weg en ging precies tussen twee ossen liggen, die voor een kar stonden. De boeren liepen te hoop en begonnen te twisten, te smijten en te gooien, en de osseboer wou het veulentje houden en zei dat het van de ossen was, en de andere zei: nee, het was van een paard van hem, dus ‘t veulen was ook van hem. De ruzie kwam voor de koning, en die deed deze uitspraak: waar het veulentje gelegen had, moest het blijven, en zo kreeg de osseboer het, van wie het natuurlijk niet was. En de boer ging weg, huilend en jammerend over dat veulentje. Maar nu had hij horen zeggen dat de koningin zo aardig en genadig was, omdat ze toch ook maar van arme boerenafkomst was, en hij ging naar haar toe en vroeg haar, of zij hem niet helpen kon, zodat hij z’n veulentje weer terug kreeg. Ze zei: "ja, als je belooft, dat je me niet verraden zult, dan zal ik ‘t je zeggen. Morgenvroeg gaat de koning naar de wachtparade. Stel je dan midden op straat op, waar hij langs komt, neem een groot visnet mee en doe alsof je vist, en vis dan steeds door en schud het net nu en dan uit, alsof het vol was," en ze gaf hem ook ‘t antwoord op, dat hij zeggen moest als de koning hem wat vroeg. Zo stond de boer de volgende dag op straat en viste op het droge. De koning kwam erlangs, zag het en stuurde er z’n loper heen om te vragen wat die dwaas van plan was. Toen antwoordde hij: "Ik ben aan ‘t vissen." De loper vroeg hoe hij vissen kon, er was immers geen water. De boer zei: "Zo goed als twee ossen een veulentje kunnen krijgen, zo goed kan ik op ‘t droge vissen." De loper bracht de boodschap aan de koning over, en die liet de boer bij zich komen en zei hem: dat heb je ook niet van jezelf, en van wie hij dat had: hij moest het maar meteen bekennen. Dat wou de boer niet doen en hij zei maar: genadige hemel, hij had ‘t helemaal van zichzelf. Maar toen legden ze hem op een bundel stro en sloegen en knuppelden hem zo lang, tot hij bekende dat de koningin hem geholpen had. De koning kwam thuis en zei tegen zijn vrouw: "Waarom doe je zo vals: ik wil je niet meer tot vrouw hebben, je tijd is om, ga maar weer terug vandaar je gekomen bent: een boerderijtje." Maar één ding stond hij haar toch toe: ze mocht het beste en liefste meenemen wat ze wist, en dat zou haar afscheid zijn. Ze zei: "ja lieve man, als je het zo beveelt, dan wil ik het ook doen" en ze viel hem om de hals en kuste hem en zei, van hem wilde ze afscheid nemen. Ze liet dan een sterke slaapdrank komen om hem een afscheidsdronk toe te drinken: de koning nam een flinke teug, maar zij nipte maar even. Toen viel hij spoedig in een diepe slaap, en toen ze dat zag, riep ze een lakei. Ze nam een mooi wit linnen laken en wikkelde hem daarin, en de lakeien moesten hem in een wagen voor de deur dragen, en ze reed met hem naar haar vaders huisje. Daar legde ze hem in haar bedstee en hij sliep een dag en een nacht door. Hij werd wakker en keek om zich heen en zei: "Ach, God, waar ben ik," en hij riep zijn knecht, maar er was niemand. Tenslotte kwam zijn vrouw aan het bed en zei: "Lieve man en koning, u hebt mij bevolen dat ik het liefste en het beste uit het slot mee moest nemen, en nu heb ik niets, dat beter en liever is, dan uzelf, en daarom nam ik u mee." De koning sprongen de tranen in de ogen en hij zei: "Lieve vrouw, u bent de mijne en ik ben de uwe" en hij nam haar weer met zich mee naar ‘t paleis en liet zich opnieuw met haar in de echt verbinden, en ze zullen wel tot heden ten dage nog in leven zijn.

    08-02-2012 om 22:02 geschreven door Felix1  

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 0/5 - (0 Stemmen)
    » Reageer (0)
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Raadsel 7

    Raadsel 7

    Waarom gaat een dom blondje als ze het koud heeft in een hoekje zitten?
    Omdat het daar 90 graden is.

    08-02-2012 om 00:00 geschreven door Felix1  

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 0/5 - (0 Stemmen)
    » Reageer (0)
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.De zus van Lana

    kutje auw, kutje rood

    Er komt een turkse vrouw bij de dokter en zegt : kutje auw, kutje rood.
    de dokter begreep het en gaf haar pillen en de turkse vrouw moest over een week terug komen voor controle.
    Na een week komt de vrouw weer terug en zegt: kutje auw, kutje rood.
    de dokter geeft haar andere pillen en de vrouw moest weer over een week terug komen.
    Dan komt ze over een week weer terug en zegt: kutje auw kutje rood.
    de dokter geeft haar zalf en zegt : je moet dit over je kut smeren, maar pas op als je het inneemt ga je dood.
    Een week later komt de vrouw huilend bij de dokter en schreeuwt : kutje auw, kutje rood, Ali likken, Ali dood!!!

    08-02-2012 om 00:00 geschreven door Felix1  

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 0/5 - (0 Stemmen)
    » Reageer (0)
    07-02-2012
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Een jongen


    Een jongen

    File:Christiaan Andriessen - Een jongen op straat aangevallen door een slagersjongen met een hakmes.jpg

    een mooie jongen, leefde lang geleden in een mooi kasteel in het bos. hij was een jaar of 16. zijn moeder was vorig jaar gestorven. de jongen had het er nog moeilijk mee. maar zijn vader blijkbaar niet. die was alweer getrouwt. de vrouw waarmee hij getrouwt was, was een heks. zij en haar zoon trokken nog geen twee maanden geleden in. maar ze commandeerde de jongen alsof ze er al jaren woonde en zij de koningin was. oke zijn vader was dan misschien wel de koning, maar hij was een prins geen slaafje. haar zoon, drek, had wel een prinsenleven.

    op een dag nadat de jongen uitgescholden was door de gemene stiefmoeder. rende hij naar buiten. het bos in. dat was de enigste plek waar hij zich veilig voelde.
    hij ging zitten op een boom en kalmeerde een beetje. hij werd verstoort door een vrolijke melodie, gezang. het kwam van diep in het bos. nieuwsgierig liep hij naar het geluid toe.
    diep in het bos vond hij een meisje. ze was ongeveer net zo oud als hem. ze was mooi. haar lange zwarte haar danste in de wind, terwijl ze stond te wassen. ze zong een vrolijke melodie. de vogels deden mee. een traan viel in het water. hij wilde dichterbij gaan, maar durfde niet. toen zag het meisje hem. ze veegde haar tranen weg en keek hem met woedende ogen aan.
    'wie ben jij?', snauwde ze
    'ik ben jason'
    'de prins?', ze boog voor hem.
    'nee, nee alsjeblieft nee'
    'het spijt mij, dat ik in uw bos was heer', ze liep weg.
    'nee! stop!', riep hij.
    'wat?'
    'het is mijn bos niet. iedereen mag ervan genieten. alsjeblieft ga door. je zang was zo mooi'
    verlegen keek ze hem aan. hij lachte naar haar. ze begon heel voorzichtig te neuriën. hij knikte naar haar om haar aan te moedigen. ze begon haar lied weer van te voren.
    'love can hurt, love can fly so high', zong ze.
    hij liep naar haar toe. hij hield zijn hand uit. ze legde de haare erin. hij trok haar tegen zich aan. ze ging door met zingen. ze danste samen op de maat van haar zang. ze praatte en danste uren lang. tot het donker was, toen moest ze gaan. hij ook.
    hij rende gauw naar huis. bang voor wat er zou gaan komen.
    thuis werd hij opgewacht door zijn vader. hij werd helemaal uitgehoord over waar hij was geweest. waarom hij er vandoor was gegaan. en waarom hij inees zou blij was. maar hij zei niets.

    dagen gingen voorbij, elke dag kwam hij het meisje weer tegen. elke dag danste ze en praatte ze.
    twee jaar lang ging het zo. uiteindelijk toen de jongen 18 was had hij de moed, hij kocht een ring. in het bos wachtte hij op haar. ze kwam aanlopen met een verlegen lachje.
    hun ogen kruiste en ze vielen elkaar in de armen.
    'ik wilde je iets vragen', zei hij
    'ík jou ook, maar jij mag eerst'
    'elke dag van deze afgelopen twee jaren waren hemels, jij bent hemels Elaiza. ik wil voor altijd bij je blijven, van je houden, je beschermen. wil je de mijne zijn?', hij opende het doosje met de ring. tranen sprongen in Elaiza's ogen.
    'dat wilde ik jou ook zeggen', zei ze, ook zij opende een doosje met een ring erin. ze pringen elkaar in de armen en zoende. die zelfde nacht glipte ze weg uit hun huizen. ze hadden hun belangrijkste spullen gepakt. ze liepen samen naar de vrijheid. zonder verschrikkelijke stiefmoeders, zonder klusjes. een leven vol liefde.
    ze bouwde samen een bestaan op in een bos. ze werden door niemand gestoort en hadden de tijd van hun leven.
    ze leefde samen met hun kinderen nog lang en gelukkig.

    07-02-2012 om 22:34 geschreven door Felix1  

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 0/5 - (0 Stemmen)
    » Reageer (0)
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Raadsel 6

    Raadsel 6
     
    Waarom gaat een dom blondje vrijdagavond altijd langs het raam naar buiten?
    Omdat het weekend voor de deur staat.

    07-02-2012 om 00:00 geschreven door Felix1  

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 0/5 - (0 Stemmen)
    » Reageer (0)
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.De zus van Lana

    Zwangerschap Een man en een vrouw willen graag kinderen maar het lukt niet. Ze besluiten een afspraak te maken met de dokter. De dokter kan hen echter ook niet helpen maar beweert een goede collega te hebben in Amerika die hen absoluut kan helpen. Zodoende stapt het stel op een vliegtuig richting Amerika. De dokter ter plekke hoort het verhaal aan en vraagt ze "Doe het eens hier ter plekke" Na het gebeuren te hebben aanschouwt zegt de dokter dat hij al begrijpt wat er aan de hand is. Hij krabbelt wat op een briefje en geeft dit aan het stel. "Zeker weten dat na een half jaar een zwangerschap is bereikt" Aangekomen in Nederland gaat het stel met het briefje naar een lokale apotheker. "Wij willen graag Thieotreol" "Pardon?" Zegt de apotheker "dat hebben we niet!, Laat mij dat briefje eens lezen" Hij opent het briefje en leest het voor: "Try the other hole"

    07-02-2012 om 00:00 geschreven door Felix1  

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 0/5 - (0 Stemmen)
    » Reageer (0)
    06-02-2012
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.De trotse schildpad
    De trotse schildpad



    Toen hij nog klein was leek hij een heel gewone schildpad. Met zijn ouders leefde hij in een hol onder de dikke muur, die gebouwd was rondom het landgoed van een edelman in de Delta. Er waren ook nog twee broers en een zusje maar die hadden helemaal geen avontuurlijke aard. Ze maakten korte wandelingetjes, op zoek naar een krop sla en verder vonden ze het heerlijk om te slapen. Ze trokken daarbij hun kopjes in om vooral niet gestoord te worden door gesprekken of andere geluiden.

    Waarom onze schildpad zo verschillend was van zijn familieleden, kan ik je niet vertellen. Wel weet ik dat hij op zijn vijftiende verjaardag besloot een grote tocht te gaan maken. Zijn moeder beschouwde hem toen nog steeds als een klein kind en z'n grootvader deed of hij net uit het ei was gekropen! Maar de kleine schildpad wilde de wereld in. Wat was er als je verder liep dan de slabedden? En misschien zelfs verder dan de wijngaard? Hij wist dat het niet de gewoonte was zoiets met de familie te bespreken. Zij zouden hoogstens geërgerd knorren en opnieuw inslapen, want zij hadden hem herhaaldelijk verteld dat daar Niets te vinden was. Hij zou verloren gaan, vergeten worden, zelfs door zijn eigen familie!

    Het eerste wat de schildpad ondervond, toen hij probeerde te ontdekken hoe het Niets voorbij de wijngaard er uit zag, was een onverwachte bons op zijn schild. Hij keek schichtig naar boven om te zien waar die vandaan kwam en daar zag hij, op een boomtak, een aap. Hij zat op een granaatappel te zuigen en telkens vloog er een pit tussen zijn scherpe tandjes uit.

    "O, neem me niet kwalijk!" riep de aap, "ik wist helemaal niet dat je leefde, ik dacht dat je een steen was."

    Als je er juist zo trots op bent dat je je een bijzondere schildpad voelt, is het een vreselijke gewaarwording voor een steen aangezien te worden! Met een stem, dol" van ergernis, zei de schildpad: "Het spijt mij buitengewoon te horen dat u zó kortzichtig bent."

    "Dank u, maar dat ben ik niét," riep de aap.

    "Dan begrijp ik niet hoe u een schildpad, en niet een slapende maar een lopende schildpad, voor een steen aanziet!"

    "Ach, als ik langdurig naar u gekeken had zou ik u hebben zien bewegen, maar voordat ik u hoorde spreken heb ik altijd gedacht dat schildpadden stenen waren."

    "Merkwaardig dom, zelfs voor een aap," mopperde de schildpad gebelgd. Hij was te beledigd om beleefd te kunnen blijven.

    "Och, niet zo dom, een heel gewone fout die iedereen kan maken," antwoordde de aap rustig. "Tenslotte kunt u niet in bomen klimmen of heel hard lopen zoals een gazelle. Van óns standpunt uit gezien bent u werkelijk zoiets als een steen, begrijpt u wel? Niet dat ik onaangenaam tegen u wil zijn, hoor."

    Toen zag de aap dat over de neus van de schildpad een dikke traan rolde en hij veranderde vlug van onderwerp: "Waar gaat u eigenlijk naar toe?"

    "Nergens heen," antwoordde de schildpad met trillende stem. "Hoc zou ik ergens heengaan?" En hij draaide zich om en waggelde langzaam weg, terwijl hij moeizaam probeerde zijn waardigheid op te houden. Maar zodra hij uit het gezicht van de aap was, trok hij zijn kopje verdrietig naar binnen en huilde bittere tranen. "Ik kan niet hard lopen... ik kan niet vliegen... ik kan niet klimmen... een steen, dat ben ik. En een steen die flink honger heeft, dat is nog erger! Wie zal geloven dat ik vanochtend nog dacht een groot avontuur te zullen beleven? Ik ga niet naar huis. Zo onbeduidend ben ik dat ze niet eens zullen merken of ik er ben of niet!"

    Zijn zusje zag hem toen zij die avond een paar slablaadjes ging halen. Ze dacht dat hij sliep en klopte daarom op zijn schild, om hem te vertellen dat het tijd was om te eten. Hij zuchtte diep dus zij wist nu dat hij niét sliep. Maar hij stak zijn kop niet naar buiten, want hij wilde niet met haar praten. Zij kon alleen het zachte gebrom onder zijn schild horen: "Laat me alleen! Ik ben een steen en stenen eten niet!"

    "Je bent geen steen," riep ze vrolijk, "je bent een schildpad."

    "Dat is precies hetzelfde."

    Zo bleef hij daar liggen. Hij wilde niet bewegen, niet eten, tweeëntwintig dagen lang. Zijn moeder dacht dat haar kleine zoon op een verkeerde tijd aan zijn winterslaap begon. En zijn vader beweerde dat hij gewoon een boze bui had. Maar zijn zusje, dat altijd veel van hem gehouden had, zat ernstig na te denken hoe ze hem kon helpen. En het was de aap die de oplossing bracht. Hij pakte de eerste van de rijpe vijgen en mikte die vlak voor het kopje van de schildpad. De fijne geur drong tot onder het schild en moest wel zijn onwillige neus bereiken.

    "Een vijg," mompelde de schildpad, "o, wat jammer dat ik een steen ben! Een steen kan geen vijgen eten. Maar," ging hij verbaasd verder, "als een steen geen vijgen kan eten waarom maakt de lekkere geur van een vijg hem dan zo hongerig?" Voorzichtig keek hij onder zijn schild door. De vijg was zo rijp dat hij in tweeën gevallen was. En dat vond onze schildpad juist het lekkerst! Zijn kopje kwam steeds meer naar voren, zijn bek ging open, het sap gleed door zijn keel en het smaakte verrukkelijk!

    "Ik zei je toch al dat je geen steen geworden was," zei z'n zusje opgelucht, "ben je nu blij dat je toch een schildpad bent? Niets is immers zo heerlijk als een verse vijg?"

    "Weet je het zeker?"

    "Heel zeker. De aap heeft het mij verteld. Hij zei: de allereerste vijg heb ik aan hem gegeven omdat geen ander dier daar zoveel van houdt! Ben je nu niet blij dat je een schildpad bent?" vroeg ze dringend.

    Hij"beet nog drie stukjes van de vijg en kauwde er heel langzaam op. Toen keek hij naar zijn zusje en zei: "Heel erg blij!"

    Een tijdlang was hij zo vervuld van het feit dat hij toch een gewone schildpad was, dat hij aan niets anders dacht. Maar op een morgen drong ineens tot hem door: nu heb ik nog niet ontdekt wat het Niets is, voorbij de wijngaard.

    De volgende dag kroop hij heel vroeg tussen zijn familieleden uit. En, met zijn kopje zoveel mogelijk naar voren gestrekt zodat hij alles waarlangs hij ging goed kon overzien, begon hij zijn grote avontuur. Toen hij het slabed passeerde trok hij vlug een paar stukjes uit het frisse, groene blad. Je voelt je veel moediger als je een gevulde maag hebt, dacht de schildpad.

    Eigenlijk was hij er helemaal niet zeker van dat het Niets de moeite van het bekijken waard zou zijn, maar hij hoopte vurig dat het niet heel lang en glibberig was, zoals Iss-oo de slang. Of heel vlug en zacht, als Ma-oo, de kat, die hem een keer met haar harige poot had willen omkeren!

    Het was vermoeiend, ook een beetje vervelend, dat lopen door de wijngaard. Soms schuurde zijn buik onverwacht over een harde brok aarde, dan weer zwaaide hij met alle vier zijn pootjes door de lucht, voordat hij verder kon. Het was nog geen druiventijd en dat was jammer want de schildpad was er dol op. Maar de kleine groene uitlopers, die op de grond lagen, waren heerlijk om op te knabbelen.

    Hij wist dat het Niets pas voorbij de wijngaard begon. En hij was heel verbaasd dat het daar glad en wit was en moeilijk begaanbaar. Eindelijk lukte het en na een lange tocht besloot hij een slaapje te doen voordat hij verder ging.

    Toen hij wakker werd hoorde hij twee mensen met elkaar spreken. De ene was de eigenaar van het landgoed, de ander een Aziaat, een man met een lange baard, die zorgvuldig gekruld en geparfumeerd was.

    De man met de baard liet een zacht lachje horen en antwoordde: "Wanneer mijn meester, de koning van Babylon, wil wekten wat de goden van hem verlangen, wendt hij zich niet tot de heilige priesters, maar hij raadpleegt de schildpad!"

    Nu lachten de beide mannen en wandelden langzaam naar het landhuis. Maar de schildpad lachte niet. Hij voelde zich met cle minuut belangrijker worden, hij barstte bijna van trots!

    Zo snel mogelijk keerde hij terug naar huis. Over het witte Niets (jullie begrijpen natuurlijk wel dat dit de witstenen tuinpaden waren), over de ongelijke grond van de wijngaard en langs de slabedden. Zo'n haast had hij dat er niet eens tijd overbleef om een groen blaadje af te trekken.

    De familie sliep, zoals altijd. Luidkeels begon hij te roepen, zodat ze allemaal wakker werden: "Luister, domme bloedverwanten! Ontwaak en huldig mij! Ik ben wijzer dan alle andere dieren, ik ben zelfs wijzer dan de mens. Ik ken iemand die koning is in zijn eigen land. Als hij de wil der goden wenst te weten, vraagt hij raad aan een schildpad! Vijftien jaar geleden ben ik in uw midden gekomen. Jullie hadden mij vragen kunnen stellen en zouden heel wat wijzer zijn geworden door mijn antwoorden. Maar jullie, dwazen, waren te dom om het geluk te beseffen toen ik gelegd was. En het nog grotere geluk toen ik mij verwaardigde uitgebroed te willen worden in jullie familie!" Buiten adem wachtte hij op hun uitroepen van eerbied en vreugde.

    Maar moeder schildpad zei bezorgd: "Heb jij hoofdpijn? Je hebt vast te lang in de zon gezeten."

    En vader schildpad opperde: "Indigestie! Dat is het wat jij hebt opgedaan, terwijl je je weer eens volpropte, gulzigaard!"

    Zijn oude grootvader, die juist bij hen was komen wonen, siste angstig en viel weer in slaap. En zijn twee broers staarden hem zwijgend aan. Toen sliep de ene dadelijk verder en de ander knorde ongemakkelijk en trok zijn kop naar binnen. Het meest ontdaan was de schildpad echter toen hij naar zijn zusje keek, zij... giechelde! Hij probeerde haar boos tot de orde te roepen, maar ze was nog zo klein en zij hadden altijd veel van elkaar gehouden. Toen trachtte hij haar uit te leggen hoe wijs hij was, in gewichtige woorden die hij zelf niet eens goed begreep. Hij toonde zich heel erg beledigd. Maar ach, alle familieleden keerden zich af van die lastpost, behalve zijn moeder, die liet hem galbessen eten vanwege zijn overladen maag, en zijn zusje, dat dacht dat hij alleen maar leuk wilde zijn.

    Intussen werd onze schildpad steeds trotser. Op het laatst was het hem onmogelijk nog langer te leven bij die domme, slapende familie! Nee, veel liever ging hij op zoek naar de vreemdeling, die een schildpad tenminste naar waarde wist te schatten!

    Dit keer moest hij langer lopen, want het eerste Niets was verdwenen. Hij kroop verder en verder en ontdekte gelukkig de plek waar de vreemde planten groeiden. Toen hij een tuinman hoorde aankomen, kroop hij vlug onder een laaghangende heester. Hij wist veel te goed dat schildpadden door een tuinman niet erg gewaardeerd worden.

    Achter de tuinman liepen twee bedienden die een grote, biezen mand niet een deksel erop tussen hen in droegen. De tuinman zei, zowel tegen hen als tegen zichzelf: "Hij mag dan de koning van Babyion zijn, maar hij blijft een vreemdeling. En vreemdelingen weten nu eenmaal veel minder van planten dan wij. Voor deze hier heb ik gezorgd sinds zij een stekje waren of zaad. En nu worden ze naar een vreemdeling gestuurd die ze vast laat verdrogen of half verdrinken!"

    Nog steeds mopperend begon hij enkele planten uit te graven en in de mand te zetten,

    "Koning van Babylon," herhaalde de schildpad in zichzelf, "deze planten gaan dus in de mand en die mand is voor de koning van Babylon en die gelooft in de wijsheid van een schildpad". Babylon, het klinkt heel ver weg, zelfs voor iemand die zo hard kan lopen als ik. Maar als ik in die mand ga zitten heb ik een heerlijk rustige reis! En als ik onderweg honger krijg, dan kan ik die planten redden van de verwaarlozing in dat vreemde land."

    Toen de tuinman even niet keek, kroop de schildpad stilletjes in de biezen mand, zocht een gemakkelijk plaatsje tussen al het groen en viel in slaap. Het was een geluk voor hem dat hij tot een familie behoorde die gewend was veel te slapen, anders zou hij de nu volgende drie en zestig dagen heel vervelend hebben gevonden. Als hij wakker was hield hij zich bezig met het geluk dat hem zeker te wachten stond. Hij zou een eigen huis krijgen en de bedienden van de koning zouden hem al zijn lievelingskostjes brengen... en natuurlijk ook nieuwe dingen die zijn eetlust zouden prikkelen. En zijn roem zou alle schildpadden in de hele wereld bereiken, zodat het zijn eigen familie zeker ter ore zou komen. Zelfs zijn zusje zou dan begrijpen hoe jammer het was dat zij haar broer niet gewaardeerd had toen zij de kans nog had. O, ze zou verdrietig zijn. Het was zelfs mogelijk dat zij nooit meer om iets zou giechelen!

    Hij vroeg zich af welke vraag de koning hem het eerst zou stellen. Wat vragen koningen eigenlijk? Een ogenblik twijfelde hij aan zijn eigen wijsheid, maar tegelijkertijd voelde hij zich weer zo trots dat hij aan niets twijfelde. En op dat ogenblik werd de grote, biezen mand de ontvangstzaal van de koning van Babylon binnengedragen.

    De koning, die door niemand een aardige man werd gevonden, was juist in gesprek met de opperdienaar van de martelkamer. Zo mogelijk was die nog minder aardig dan de koning. Hij overdacht net of de man die beschuldigd was van moord gekookt moest worden in een reusachtige pot vol pekel of alleen maar geworpen in een diepe kuil met slangen.

    De koning had nooit enige belangstelling voor planten gehad en zou het vorstelijke geschenk uit Egypte waarschijnlijk hebben laten wegbrengen, zonder het zelfs maar te bekijken, als hij niet ineens de schildpad had ontdekt. Met angstige oogjes en vooruitgestoken kop staarde het dier hem aan.

    "Een schildpad!" riep de koning verbaasd, "precies wat ik nodig heb. Wie in twijfel verkeert raadplege de schildpad!" Zijn stem schalde door de zaal.

    Onze schildpad die zijn kop introk van ontzag, toen hij de koning van Babylon zag wiens krullende baard nog langer was dan in Egypte en wiens nagels aan handen en voeten bloedrood geverfd waren en gekromd als klauwen, herstelde zich vlug. Heel stil zat hij op het podium, recht voor de koninklijke troon en wachtte op de vragen die de koning hem zou stellen. Zo gespannen en nieuwsgierig zat hij daar dat hij niet eens merkte hoe de koning een roodgloeiende staaf van een komfoor lichtte, dat een slaaf had binnengebracht. En toen die staaf het schild in vijf stukken spleet, was het een zegen dat dit ook meteen de dood van onze schildpad betekende. Zo heeft hij nooit ontdekt dat een van de vreemde gewoonten van de Aziaten was: bij een moeilijk besluit een schildpad met een gloeiende staaf te bestrijken en dan te zien in hoeveel stukken het schild brak. Bij een oneven getal luidt het antwoord 'nee', bij een even getal 'ja'. Een gewoonte die wreed is en ook heel erg dom.

    De koning van Babylon dacht dat dit het einde van de schildpad was en hieruit blijkt dat hij heel dom was. Want een ander woord voor "einde" is "begin". Ze betekenen precies hetzelfde, alleen in verschillende richting.

    Drie dagen nadat de schildpad had geleerd dat valse hoogmoed dezelfde nare gevolgen kan hebben als valse nederigheid (die ook hetzelfde betekenen, in verschillende richting) keek moeder schildpad haar man nadenkend aan en zei: "Ik geloof dat ik nu maar eens een ei ga leggen!"



     

    06-02-2012 om 22:07 geschreven door Felix1  

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 0/5 - (0 Stemmen)
    » Reageer (0)
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Raadsel 5

    Raadsel 5

    Wie acteert meestal met een open dakje?
    Leonardo di cabrio.

    06-02-2012 om 00:00 geschreven door Felix1  

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 0/5 - (0 Stemmen)
    » Reageer (0)
    05-02-2012
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.De zoete pap

    De zoete pap



    Er was eens een arm vroom meisje dat alleen met haar moeder leefde en ze hadden niets meer te eten. Toen ging het kind naar het bos en daar zag ze een oude vrouw die al wist wat het meisje nodig had en ze gaf haar een pannetje en als ze daar tegen zei:

    "Potje, kook!"

    dan kookte het heerlijke zoete gerstepap, en als ze zei:

    "Potje, stop!"

    dan hield het weer op met koken.

    Het meisje bracht het pannetje naar haar moeder en nu was de armoede en de honger voorbij en ze aten zoete pap zo vaak ze wilden.

    Toen op een keer het meisje was uitgegaan, zei de moeder:

    "Potje, kook!"

    en het kookte en ze at tot ze genoeg had, maar nu wilde ze dat het pannetje weer ophield, maar ze wist het woord niet meer. Dus kookte het door, en de pap kwam over de rand en het kookte steeds maar door. De keuken vol pap en het hele huis vol pap, en het huis ernaast vol pap en de straat vol pap, alsof het de hele wereld wilde verzadigen. En er heerste de grootste nood en niemand wist raad. Eindelijk, toen er nog maar een enkel huis over was, kwam het meisje thuis en zei:

    "Potje, stop!"

    en toen hield het op met koken en wie naderhand weer de stad in wilde, moest zich door de pap heen eten.

    05-02-2012 om 22:03 geschreven door Felix1  

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 0/5 - (0 Stemmen)
    » Reageer (0)
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Raadsel 4

    Raadsel 4
    Wie is groen en plakt?
    Kermit de sticker.

    05-02-2012 om 00:00 geschreven door Felix1  

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 0/5 - (0 Stemmen)
    » Reageer (0)
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.De zus van Lana

    De belasting maatschappij

    Er gaan 2 mensen naar de belasting maatschappij de ene heeft altijd netjes zijn belasting betaald de ander heeft nog nooit belasting betaald dus die ene die nog nooit belasting heeft betaald moet zich melden bij een gymzaal dus hij is helemaal bang natuurlijk en die gast die altijd zijn belasting heeft betaald vroeg of die andere man om hem te vertellen hoe ut was dus die man gaat naar de gymzaal . Staat er een gigantisch lekker wijf en die zegt ik ben lotje en als je me te pakken krijgt mag je me neuken zonder kapotje dus die man rennen.
    Evenlater komt hij weer bij de man die op hem staat te wachten hoe het gegaan was en vraagt de man zegt die ander der stond daar een lekker wijf genaamd lotje en als ik haar te pakken kreeg mocht ik haar neuken zonder kapotje dus die man die altijd zijn belasting betaald heeft, betaald ook zijn belasting niet meer en ook hij moest zich het jaar daarop melden in de gymzaal staat daar een grote neger en die zegt: :Ik ben Willem Bol en als ik je te pakken krijg neuk ik je in je hol nou ik kan je verzekeren die gast heeft ook gerend.

    05-02-2012 om 00:00 geschreven door Felix1  

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 0/5 - (0 Stemmen)
    » Reageer (0)
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.HET CHOCOVROUWTJE


    HET CHOCOVROUWTJE



    Er was eens heel lang geleden een koning en een koningin die dolgraag een kindeje wouden.Op de koningin haar verjaardag bracht een fee hun wens in vervulling,de koningin verwachte een kind.

    Ongeveer negen maanden later werd de baby geboren,maar het was niet één baby maar het waren er twee!De koningin wou dan ook bijzondere namen voor de kinderen,daarom noemden ze ze HANS EN GRIETJE.

    Maar tien jaar later heerste er een enorme hongersnoot in het land;zelf de koning en koningin hadden bijna niets te eten.

    Op een avond,toen Hans en Grietje al sliepen,waren de koning en de koningin onder elkaar bezich.
    De koning stelde daarbij voor dat ze de volgende ochtend naar het bos zouden gaan en Hans en Grietje daar achter te laten.Maar de koningin was er tegen.-Dat kunnen we niet doen!!!!! het zijn tenslotte onze kinderen!!!!!!!!!
    Maar de koning overtuigde haar en de volgende ochtend liepen ze door het bos.
    -Jullie blijven hier,ik en jullie moeder gaan op zoek naar bessen.
    De koning gaf Hans en Grietje elk een chocopot.
    En zo bleven hans en grietje alleen achter in het bos.

    De volgende ochtend besloten ze verder te gaan.Maar ze gingen alsmaar dieper het bos in...

    Op een gegeven moment zagen Hans en grietje een huisje staan in de verte.
    Ze renden er naar toe.
    Maar toen ze aankwamen stonden ze aan de grond genageld.
    Het huisje was gemaakt van choco!!
    Hans en Grietje konden zich niet meer bedwingen en propten zich vol met choco.
    -Kniebel knabel knuisje,wie knabelt er aan mijn CHOCOHUISJE!?
    Een oud vrouwtje stak haar hoofd door het raam.
    -Eh,s-sorry mevrouw maar we zijn verdwaald en hebben honger.zei hans tegen het vrouwtje.
    Het vrouwte had medelij en liet ze binnen,daar konden ze proeven van een heerlijke maaltijd en een lekker zacht bed.

    De volgende ochtend werd grietje wakker,ze draaide zich om om te kijken of hans al wakker was,maar...hij was weg!!
    grietje rende de kamer uit.
    De oude vrouw zat aan tafel met een kom aardappelen voor haar.-Waar bleef je zo lang!Je moest al lang begonnen zijn met de aardappelen!!Riep de vrouw.
    -w-waar is mijn broer.
    vroeg grietje verdrietig.
    De(eerst vrouw maar nu heks)heks wees naar een kooi die buiten stond.
    -daar is je broer!en nu aan het werk!!
    Zo werkte grietje een week voor de heks,ze moest koken,strijken,afwassen,enz.

    Op een dag zat Hans voor zich uit te staren,het was bloed heet.op eens zag hij iets van de tralies druipen.
    Was dat chocola?!
    Hans had door dat de tralies van chocolade was gemaakt!net toen grietje naar buiten kwam met eten voor haar broer,at hans de tralies op en konden ontsnappen,aar de heks zat al snel achter ze aan.-Hier verstop je in die struik daar!juist voor de put!
    hans en grietje verstopten zich in de struiken,want hans had een geweldig plan bedacht.Het was de bedoeling dat de heks in de put zou lopen,en dat gebeurde.snel smeten hans en grietje allemaal takken op de pu en staken ze in brand(hoe dat bleef eeuwen lang een raatsel)en liepen verder(natuurlijk hebben ze de brand gedooft voor geen bosbrand te voorkomen).

    Ondertussen was hun moeder hun aan het zoeken in het bos.
    -Mama!Riep grietje.
    -Hans!grietje!
    hans,grietje en hun moeder keerden terug naar het kasteel en leefden nog lang en gelukkig.

    05-02-2012 om 00:00 geschreven door Felix1  

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 0/5 - (0 Stemmen)
    » Reageer (0)
    04-02-2012
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Mieke voert de vogels

     Mieke voert de vogels



    Mieke gaat logeren. Ze mag een nachtje bij oma en opa slapen. Ze staat thuis in de gang te wachten. In haar ene hand heeft ze een rood koffertje. In de andere hand houdt ze Beri, haar beer, vast. Ze is al helemaal aangekleed.
    Ze heeft een warme muts op, een dikke sjaal om en twee heerlijke zachte wanten aan.
    'Zo, jij bent lekker warm ingepakt!' zegt vader tegen Mieke. 'Ik zie alleen nog maar twee ogen, een neus en een mond! Zullen we dan maar gaan?'
    Even later zit Mieke bij vader achterop de fiets. O, wat is het koud buiten! Mieke slaat haar armen om vader heen. Haar handen met de zachte wollen wanten steekt ze diep in vaders zakken. Dat is nog eens warm!
    Met haar wang tegen zijn jas gedrukt, voelt Mieke vader trappen.
    'Win-ter-win-ter,' zingt ze op de maat van vaders trappen, 'win-ter-win-ter-win-ter.....
    Mieke kijkt naar de hoge bomen langs de weg. Hun kale takken steken de grijze lucht in.
    'Pap,' vraagt Mieke, 'hebben bomen het niet koud?'

    'Nee hoor,' zegt vader, 'bomen zijn van hout en hebben het nooit koud!' De koude wind blaast in Miekes gezicht. Nou, zij voelt het wel!
    'Ik zie het huis van opa en oma!' roept vader uit. 'We zijn er al.' Met een reuzenzwaai tilt vader Mieke van de fiets. 'Pap, mag ik aanbellen?' vraagt Mieke. 'Jij mag aanbellen, ik til je wel op!'
    Tring...klinkt de bel. Er komt al iemand aanlopen. Oma doet open. 'Daar zijn jullie al!' roept oma uit en bukt zich om Mieke een kusje te geven. 'Kind,' zegt oma verschrikt, 'wat een koude neus heb jij, kom gauw binnen!'
    In de kamer is het warm. Mieke kijkt rond. 'Waar is opa?' vraagt ze.
    'Opa is in de schuur bezig,' zegt oma. 'Je mag wel even gaan kijken, maar houd je warme muts op, 't is zo koud buiten!'
    'Gr, groe, gr, groe,' klinkt het uit de schuur. Mieke trekt de schuurdeur open. 'Gr, groe, gr, groe...,' doet de zaag.
    'He, daar hebben we onze Miek!' roept opa uit. 'Jij komt me zeker helpen!' Mieke knikt. 'Wat maakt u opa?' vraagt Mieke.
    'Een vogelhuisje Mieke.' zegt opa.
    'Een vogelhuisje?' vraagt Mieke verbaasd. 'Gaan ze daar dan in wonen?'
    'Nee gekkie,'zegt opa, 'geen huisje om in te wonen, maar om in te eten. Een eethuisje! Het is buiten zo koud. De vogels vinden bijna geen eten. Alles is bevroren. Nu moeten wij ze maar wat eten geven, vind je niet?'
    'Wacht,' zegt opa, 'als jij het huisje vasthoudt, dan timmer ik er de laatste spijkers in.'
    Klop, klop, klop. Het huisje is klaar. Het ziet er prachtig uit. Samen brengen ze het naar buiten.
    'Nu het eten nog,' zegt opa. Mieke strooit broodkruimels in het huisje. Opa hangt een snoer met pinda's aan de spijkers. Even later zitten ze binnen rond de tafel. Ze kijken naar het huisje. Zouden de vogels komen?
    'Ik zie er al eentje!' roept opa.
    'Ach,' zegt oma, 'dat is Breedstreep! Kijk maar, Breedstreep heeft een heel brede zwarte streep voorop zijn gele lijfje. Het is net een stropdas!'
    Mieke kan de brede streep goed zien. Vooral als Breedstreep ondersteboven aan de pinda's hangt! Breedstreep tikt met zijn scherpe snavel op de pindadoppen. 'Nu zal Rafeltje ook wel gauw komen,' zegt oma. 'Rafeltje is het vrouwtje van Breedstreep. Het hele jaar wonen ze al bij ons in de tuin. In de lente hadden ze wel tien kleintjes!'
    Mieke kijkt of ze Rafeltje kan vinden. En dan ineens ziet ze nog zo'n vogeltje als Breedstreep in de appelboom.
    'Ja,' zegt oma blij, 'dat is Rafeltje!'
    Er komen nog veel meer vogels. Op de grond pikt een zwarte vogel in een appel. Naast het huisje vechten twee vogels om een korstje brood. Maar als het donker wordt, zijn alle vogels weg.
    Mieke gaat slapen. Ze ligt in bed. Oma stopt haar in. 'Waar zijn de vogels nu?' vraagt Mieke. 'De vogels,' zegt oma, 'zitten nu in de bomen of misschien wel onder de dakpannen van ons huis.' 'Hebben ze het dan niet koud?' vraagt Mieke. 'Nee,' zegt oma, 'ze hebben hun verenpak en ze hebben ook nog een vol buikje. Ze komen de nacht wel door hoor! Ga maar lekker slapen Miek.'
    En weet je waar Mieke 's nachts van droomde? Ze droomde dat ze op een tak van de appelboom zat. In haar hand had ze voer. En weet je wie uit haar hand aten? Breedstreep en Rafeltje!

    04-02-2012 om 22:28 geschreven door Felix1  

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 0/5 - (0 Stemmen)
    » Reageer (0)
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Raadsel 3

    Raadsel 3

    Wat is de overeenkomst tussen een vrouw en een tornado?
    Als ze komen zijn ze fel en hevig en als ze gaan nemen ze je huis en je auto mee.

    04-02-2012 om 00:00 geschreven door Felix1  

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 0/5 - (0 Stemmen)
    » Reageer (0)
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.De zus van Lana

    Een man komt vroeger dan gebruikelijk thuis uit zijn werk. Er is niemand in de kamer. Loopt de man naar boven. Ligt zijn vrouw in de slaapkamer op bed: spiernaakt, te zweten en te hijgen. "Mien," roept de man uit: "Wat ben jij nou aan het doen?" "O Henk," zegt de vrouw: "Ik denk dat ik een hartaanval krijg." "Ik ga meteen hulp halen," zegt de man en loopt snel weer naar beneden. Hij pakt de telefoon op om 06-11 te draaien, komt zijn zoontje huilend naast hem staan. "Waarom sta jij nou zo te huilen?" vraagt de man aan zijn zoontje. "Ik ben zo geschrokken," zegt het zoontje. "Waarvan dan?" vraagt de man. Zegt het zoontje: "D'r staat een blote vent in de slaapkamerkast." De man rent weer naar boven en gooit de kastdeur open. En daar staat zijn beste gabber Piet in zijn blootje. "Piet! Fijne vriend ben jij!", roept Henk uit: "Mijn vrouw ligt met een hartaanval, maak jij de kinderen aan het schrikken!"

    04-02-2012 om 00:00 geschreven door Felix1  

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 0/5 - (0 Stemmen)
    » Reageer (0)
    03-02-2012
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Winterverhaal


    Winterverhaal

    http://www.weer.nl/typo3temp/pics/7963c747dd.jpg

    Op een wintermorgen willen Varkentje en beer  naar buiten. Het is prachtig winterweer. Het sneeuwt zo mooi. Varkentje en Beer moeten wel wanten aan doen, een sjaal om en de jas goed dicht. Zo gaan ze op stap door de sneeuw.
    Zingend lopen Varkentje en Beer met een dikke jas naar buiten.

    Bij het weiland stoppen ze. Wie zien ze daar? Schaapje in het besneeuwde gras , ze schrikt wakker.  Sara het schaapje beweegt haar koppie.

    En zegt: wat komen jullie hier doen zo vroeg?

    “nou het sneeuwde zo mooi wil je met ons spelen, zeiden Varkentje en beer tegelijk. Varkentje en Beer blijven even staan, maar dan valt Sara het schaapje nog eventjes in slaap en is zo koud, gelukkig heeft ze een warme jas van wol.
    Varkentje en beer kijken sara het schaapje na. Dan lopen ze weer verder en roepen na: ´dag, ga maar lekker slapen hoor!”
    Overal waar Varkentje en Beer langs liepen was de aarde zo mooi met sneeuw, een heel dik pak lag er al en het sneeuwde nog steeds!!

    Kijk Beer, riep varkentje daar is Niek de koe. Niek is een een hele grote koe, hij is al wakker en loopt een beetje heen en weer, je kunt zien dat hij het koud heeft!

    Ha, Niek zegt Beer, ga je met ons mee naar in de sneeuw spelen?

    Nee, Nee zegt Niek das toch veel te koud, ik hoop dat de boer me gauw in de warme stal zet met lekker wat hooi!!!

    Misschien wil zijn hond wel met jullie spelen!!

    Waf waf, daar komt Bruin de hond van de boer al aangerend, waf waf, blaft hij. Zijn staart kwispelt heen en weer, Bruin de hond wil maar al te graag door de sneeuw rennen en met de vlokjes spelen.

    Varkentje en Beer zijn blij, samen met Bruin de hond gaan ze verder.


     Varkentje huppelt door de sneeuw en dan als hij goed kijkt ziet hij iets onder de sneeuw bewegen. Beer ziet het nu ook.
    ´joepie´ roepen ze tegelijk, met de armen in de lucht. Daar komt Evert aap onder de sneeuw vandaan.

    Waf waf, blaft bruin de hond, waf,waf. Evert aap rilt helemaal van de kou, hij was in slaap gevallen en toen hij wakker werd lag hij helemaal onder de sneeuw.

    Snel pakt Beer het aapje op, en houdt hem dicht tegen zijn dikke winterjas. Zo, blijf maar dicht tegen mij aan, dan wordt je weer lekker warm!!

     

    Nu lopen Varkentje, Beer met Evert aap en Bruin de hond,  samen richt het park, ze rusten even uit van het lopen en ze kijken naar de dwarrelende sneeuwvlokjes om het heen. Nergens zien ze vogels fladderen het is helemaal wit in de lucht.

     

    Ooh, kijk roept aap, daar is Zebra op haar schaatsen.

    Als je heel goed kijkt zie je in de verte Zebra schaatsen op de vijver.
     
     OP de vijver schaatst Zebra! Wat heeft zij een
    plezier! Ze schaats van hier naar daar, van daar naar hier, wat heeft ze een plezier!

    Morgen gaan we ook schaatsen zegt Beet tegen varkentje, Bruin de hond blaft, dan gaat hij ook weer mee!!


    Maar  Varkentje en Beer zien dat het al weer tijd is om naar huis te gaan. Samen
    wandelen  ze door de sneeuw  naar huis, aap rilt nog helemaal. Hij heeft het koud.

    Bruin de beer dribbelt om hen heen, hij vindt het heerlijk in de sneeuw.

    Als ze bijna thuis zijn zegt Beer:
    Wat ruikt het lekker!. Moeder heeft lekkere warme chocolademelk klaar!! Dat is nog
    eens een verassing.

    Alle vier drinken ze lekker van de warme chocolade melk. Evert aap knapt weer helemaal op, gelukkig maar lachen varkentje en Beer. Het is een
    prachtige winter dag en ook nog eens chocolademelk. Varkentje en Beer
    kijken elkaar aan en zijn super blij! Wat is sneeuw toch fijn!!

    03-02-2012 om 23:31 geschreven door Felix1  

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 0/5 - (0 Stemmen)
    » Reageer (0)
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Raadsel 2

    Raadsel 2

    Wie zijn de drie meest vieze mensen ter wereld?
    1> De kerstman want die hangt zijn ballen in de boom.
    2> De postbode want die gaat van gleuf naar gleuf om zijn hand erin te steken.
    3> Maar de meest vieze is Sinterklaas, want zijn zak hangt op zijn rug, hij heeft schimmel tussen zijn benen en hij vaart met een vervuilende stoomboot.

    03-02-2012 om 00:00 geschreven door Felix1  

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 0/5 - (0 Stemmen)
    » Reageer (0)
    02-02-2012
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Raadsel 1

    Raadsel 1

    Wat is het toppunt van een kleine penis?
    Met een stijve tegen de muur aan lopen en dan je neus breken.

    02-02-2012 om 00:00 geschreven door Felix1  

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 0/5 - (0 Stemmen)
    » Reageer (0)
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.De zus van Lana

    Poes is dood
    Er was eens een mongool en die wilde een keertje neuken, hij ging naar zijn moeder en hij vroeg of hij mocht neuken. zijn moeder zei: "maar je bent een mongool". Toen zei die mongool dat geeft toch niet, dus ze gingen naar de hoeren. De moeder van die mongool zij tegen zo'n hoertje mijn zoon wil een keertje neuken. Die hoer zei: "Voor honderd gulden doe ik alles". Dus ze gingen naar een kamertje. Die hoer deed haar bloesje uit,en die mongool vroeg: "Wat zijn dat?" Die hoer: "Dat zijn mijn tietjes." Die mongool vroeg: "Mag ik een keer ruiken?" "Dat ruikt lekker." Toen kwam hij bij haar poesje en hij vroeg: "Wat is dat?" Die hoer zei: "Dat is mijn poesje." En die mongool ging weer ruiken, hij zei: "Hoelang is dat beestje al dood?"

    02-02-2012 om 00:00 geschreven door Felix1  

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 0/5 - (0 Stemmen)
    » Reageer (0)
    01-02-2012
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Krekel de waarzegger
    Krekel de waarzegger



    Er was eens een man die Krekel heette. Hij had twee slechte eigenschappen. Ten eerste, hij werkte niet graag, en ten tweede, hij dronk graag veel borreltjes. Verder was Krekel de beste vent van de wereld. Je begrijpt dat hij zo arm was als Job en op den duur niet meer wist hoe hij rond moest komen. Hij besloot naar de stad te trekken en daar zijn geluk te beproeven. Zo gezegd, zo gedaan.

    Krekel had nog wat geld en dat moest eerst op. Onderweg bezocht hij alle herbergen, zodat hij zoetjesaan dronken werd en nog net zes centen op zak had toen hij in de stad aankwam. Hij ging een herberg binnen en kocht er voor zijn zes centen een groot glas jenever. De baas vertelde hem dat er in de buurt een rijke mevrouw woonde die een kostbare diamanten ring had verloren en een grote beloning uitloofde voor degeen die haar de ring zou terugbezorgen.

    Krekel trok zijn stoute schoenen aan en ging regelrecht naar de rijke mevrouw, bij wie hij zich uitgaf voor een waarzegger die alle verloren schatten bij hun eigenaar kon terugbrengen.

    "Zou je de ring kunnen vinden die ik verloren heb?" vroeg de vrouw. "Vast en zeker," antwoordde Krekel, "ik ga dadelijk aan het werk, maar u moet me hier drie dagen laten blijven en me goed te eten en te drinken geven. Als ik de ring na drie dagen niet heb gevonden, mag u zeggen dat ik een leugenaar en bedrieger ben en mij schandelijk wegjagen." - "Wees gerust," zei de vrouw, "het zal je aan niets ontbreken."

    De eerste dag liep Krekel overal rond, snuffelde in de tuin, keek onder de struiken, maar de ring was nergens te vinden. Toen een van de knechten hem zijn avondeten bracht, liet Krekel de moed zakken en zei: "Dat is er nu al één!" Een dag, bedoelde hij. Maar de knecht dacht dat het betekende: dat is nu al één dief. Hij liep naar zijn makkers, de twee andere knechten, en zei: "Mannen, we moeten oppassen. Die vreemde kerel weet zeker dat wij de ring hebben. Toen ik hem daarnet zijn avondeten bracht, bekeek hij mij en zei: dat is er nu al één!" Je begrijpt hoe die mannen schrokken. Van toen af gingen ze Krekel uit de weg.

    De volgende dag doorzocht Krekel de kamers en de zolder. Hij klom zelfs in de hanenbalken om te kijken of de ring daar soms was verborgen, maar het was tevergeefs; het juweel was niet te vinden. Moedeloos liet Krekel zich 's avonds in zijn stoel vallen en riep uit: "Dat zijn er nu al twee!" - waarmee hij twee dagen bedoelde. De tweede knecht, die hem net zijn avondeten bracht omdat de eerste hem niet meer onder ogen durfde komen, hoorde die woorden en denkend dat Krekel zeggen wou: dat zijn nu al twee dieven, liep hij geschrokken naar zijn kameraden en vertelde hen wat er was gebeurd. "Die kerel heeft alles ontdekt. Hij weet dat wij de ring gestolen hebben en zal alles aan mevrouw verraden. Dan zijn wij ons baantje kwijt en worden in de gevangenis gezet op de koop toe!" Ze overlegden en besloten alles aan de waarzegger te bekennen en hem de ring te geven.

    De volgende morgen vroeg gingen ze naar Krekel, vielen voor hem op de knieën, bekenden de dieven van de ring te zijn en smeekten hem hun vergrijp niet aan mevrouw te vertellen. Ze zouden hem de ring geven en bovendien hun hele spaarpot. Krekel was tevreden en zei: "Voor deze keer zal ik het erbij laten, maar pas op, deugnieten, voor een tweede keer."

    De slimmerik nam wat brood, kneedde het tot een bolletje en stopte de ring er in. Daarop ging hij naar de binnenplaats en gooide het bolletje voor de kalkoenen die daar liepen. 'Hap!' zei een grote, zwarte kalkoen en hij slikte het brood met de ring in. Krekel had goed opgelet welke vogel het was en liet mevrouw waarschuwen dat hij de dief van haar ring had ontdekt.

    "Heb je de dief gevonden!" riep mevrouw. "Mijn ring was dus gestolen! Als je mij het juweel bezorgt, krijg je onmiddellijk drie briefjes van honderd frank en de dief zijn verdiende straf." - "Ik zal u de dief aanwijzen, mevrouw," zei Krekel, "dan kunt u hem zelf de ring terug laten geven." Hij ging met haar naar de binnenplaats. "Kijk," zei hij, de zwarte kalkoen aanwijzend, "dat is de dief. U moet uw ring hier ergens verloren hebben en de kalkoen heeft hem opgepikt."

    De vogel werd gepakt en geslacht en inderdaad, in zijn maag vond men de ring. Je kunt je wel voorstellen hoe verbaasd iedereen was, vooral de knechten, die maar niet konden begrijpen hoe de ring in de maag van de kalkoen terecht was gekomen. "Je bent werkelijk een geleerd man," zei de vrouw tegen Krekel, "en zulke kunsten mag ik graag zien. Als je me nog een bewijs kunt geven van je bekwaamheid, schenk ik je in plaats van drie briefjes, vijf briefjes van honderd frank."

    Krekel wenste zich mijlen ver weg. Tot nog toe was alles goed gegaan, maar zou het zo blijven? Hij was allesbehalve op zijn gemak toen de vrouw met haar voorstel voor de dag kwam, maar durfde er niets van te laten merken en zei onvervaard: "Vraag maar, mevrouw, ik sta tot uw dienst."

    De vrouw ging weg en kwam een paar minuten later binnen met twee borden, die precies op elkaar pasten. Ze zette ze op tafel en zei: "Raad eens wat er tussen zit." De arme Krekel was zo verbouwereerd dat hij eerst geen woord kon uitbrengen. "Ach," zuchtte hij tenslotte, "nu hebben ze je toch te pakken, Krekeltje." - "Hoe is het in hemelsnaam mogelijk!" riep de verbaasde vrouw. "Je bent inderdaad een tovenaar." Ze pakte het bovenste bord en kijk, in het onderste zat een krekel.

    Krekel kreeg de beloofde vijfhonderd frank en ging er opgeruimd vandoor. Toch leek het hem geraden zich in het vervolg niet meer voor waarzegger uit te geven. Nu was alles opperbest gegaan, maar het was niet gezegd dat het altijd zo goed zou aflopen.



     

    01-02-2012 om 22:20 geschreven door Felix1  

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 0/5 - (0 Stemmen)
    » Reageer (0)
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Vergissingkje

    Vergissingkje

    Een paar wil een kind krijgen maar het wil maar niet lukken. Ze gaan naar vele dokters maar niemand kan hen helpen. Dan horen ze dat er een heel goede dokter in Amerika is, dus ze gaan naar Amerika. Eens bij de dokter zegt de dokter : "Undress and do it !" Een beetje beschaamd beginnen ze het te doen. Na een tijdje zegt de dokter : "I've found it." Hij schrijft iets op een papiertje en het paar vertrekt terug naar Belgie. Ze gaan direct naar een apotheker en zeggen : "Wij hebben tritheoterol nodig." De apotheek zegt : "Dat bestaat niet. Mag ik het papiertje eens zien?" De apotheker begint te lachen en zegt : "Er staat : try the other hole."

    01-02-2012 om 00:00 geschreven door Felix1  

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 1/5 - (2 Stemmen)
    » Reageer (0)


    T -->

    Blog tegen de regels? Meld het ons!
    Gratis blog op http://blog.seniorennet.be - SeniorenNet Blogs, eenvoudig, gratis en snel jouw eigen blog!