Komt een man thuis met een grote bos bloemen en geeft die aan zijn vrouw. "Oh", zegt ze, "dan moet ik zeker weer met mijn benen wijd." "Hoezo", zegt de man, "heb je geen vaas dan?"
Er was eens een oud konijn. Zijn naam was Hakkel. Dat woonde in de dierenwinkel. Het zat in een houten hok, want niemand wou hem kopen. De andere dieren lachtte hem weleens uit. Dat was wel zielig voor het konijn. Hij kon er toch niets aan doen, dat hij gekke oren had? Op een dag zagen een groepje jongens het konijn. Zij schaterden het uit, en kochten de hamster, naast hem 'Dat is dan 4 gulden,' zei de mevrouw bij de kassa. 'En als het geen probleem is, neem dat konijn dan ook mee!' De leider van het groepje stapte naar voren. 'A: hij is lelijk. B: Te zwak en C: 25 gulden voor zo'n lelijk beest? Mooi niet!' 'Jammer,' zei de mevrouw achter de kassa. 'Ach, nou ja. Veel plezier, dag!'Trouwens, ik was het bijna vergeten. Hij werd afgemaakt!' De hamster stak zijn tong uit naar Hakkel, het konijn. Maar Hakkel wou niet dood. Hij wou niet afgemaakt worden. Wat moest hij doen?
Die nacht kon Hakkel niet slapen. Opeens hoorde hij een ander knaagdier ergens keihard op bijten. Het was zijn kleine jong, Huppel. 'Psst, vader,' vroeg Huppel. 'Ben je daar.' 'Zekers zoon,' zei Hakkel. 'Kom je alsjeblieftf terug naar het bos', pa?' smeekte Huppel. 'Ssst,' zei Hakkel, 'er komt iemand aan.' Huppel kroop weg. De man die langs kwam schopte tegen het hok van Hakkel, en liep weg. 'Kom, pa!' zei Huppel. 'Nee, ik ben oud,' zei Hakkel. 'Ik heb mijn leven al gehad.' 'Je bent mijn pa!' zei Huppel. Opeens kwam er weer een man aan. Het was de directeur. 'Warempel, Dat konijn. Waar is ie.' Net toen de directeur Hakkel wou vastpakken, beet Huppel hem keihard! 'Snel,' zei Huppel. 'Rennen.' Huppel en Hakkel renden weg. Na een tijdje waren ze bekaf. 'Laten we even uitrusten,' zei Hakkel. Ze dronken wat. Maar opeens zagen ze de directeur achter ze aankwam. Ze begonnen weer te rennen. Maar de directeur struikelde over en wortel van een boom, en viel dood neer.' Toen Huppel en Hakkel terug waren bij hun oude hol, zagen ze een vrouwtjes konijn. Het was de moeder van Huppel. Haas. Hakkel en Haas kregen nog drie jongen. Wortel, Stronk, en Bunny. Bunny en Stronk waren twee meisjes, Wortel was een jongen. Wortel ging als eerste het hol uit. Opeens zag hij een mens. Hij was bang. Hij werd meegenomen. Tot zijn jongen: Kras en Part hem vonden. De nieuwe directeur wou niet nog een konijn verliezen, dus liet het bewaken. Maar die sliep Kras en Part knaagden het slot open. En Kras kon het niet laten. Hij maakte de brutels van de bewaker aan het slot van Wortels hok vast. En toen hij wakker werd van het lawaai dat Kras en Part maakte, bleef hij haken. Zo was het een koud kunstje om heelhuids terug te keren. Dat bewijst maar weer dat konijnen slimme dieren zijn.
Darius ademde moeizaam, en met elke ademhaling voelde hij een steek in zijn zij. Zout zweet gleed van zijn voorhoofd in zijn ogen, en wreef het eruit mijn zijn rechterhand. Dat was een fout die hem meteen duur kwam te staan. Alger, zijn leraar in vechtkunst, had Darius geroepen tot de spar ring, om Darius wat dingen bij te leren. Maar inhouden deed Algar nooit, en gebruikte altijd elke opening. Een trap in de zij van Darius herinnerde hem aan de belangrijkste les die Algar hem tot nu toe had geleerd, altijd op je verdediging letten. Zijn ademhaling was nu nog moeizamer geworden, en zijn armen en benen voelde als lood. Maar hij dwong zijn armen omhoog, één arm ten hoogte van zijn gezicht, en de ander voor zijn middenrif. Zijn vuisten gebald, zijn knieën een beetje gebogen en zijn benen uit elkaar, Darius stond stevig en gevechtsklaar. “Misschien moeten we maar stoppen, je bent al vermoeid en we zijn al een aardige tijd bezig” zei Algar met zijn eeuwige rustige stem, met een lichte arrogantie “trouwens, het is belangrijk om te rusten en te reflecteren.” Algar haalde een hand door zijn haar, en Darius maakte dankbaar gebruik van de opening. Hij schoot naar voren, en sloeg met een hoek naar Algar zijn hoofd. Algar blokkeerde de hoek door zijn linker arm omhoog te doen, en in de binnekant van Darius zijn elleboog te planten. Met zijn rechtervuist stootte Algar Darius op zijn borst. Darius was teleurgesteld dat hij weer niet meester Algar kon raken, hij werd nooit beter wat hij ook deedhoe hard hij ook trainde. Darius hoorde Algar nog roepen om een brancard voor hij zijn bewustzijn verloor. Darius werd wakker door de discussie tussen Algar en Ann. Ann is de verpleegster van de dojo waar Darius vechtkunst studeert, een dojo opgericht door meester Amalrik. Ann, een gezette vrouw in de 50 met lang zilver haar, begreep nooit waarom sommige studenten hun best leken te doen om in de ziekenboeg te komen. Ze noemde Darius een vaste inwoner van de ziekenboeg omdat hij er zo vaak lag. “Hoe komt het dat elke keer dat jij weer les geeft, Darius wordt binnengebracht in mijn ziekenboeg als een dood vogeltje.”Schreeuwde Ann tegen Algar, die geen weerwoord had. “Ik lap hem op voor zijn gezondheid, zodat hij kan genieten van zijn jeugd. Niet zodat hij over een paar dagen weer bij me terug komt. Waarom let jij niet op of hij vermoeid is, en waarom in hemelsnaam hou je niet gewoon in” Ann zette haar handen op haar heup, en keek Algar streng aan. Algar, die met zijn verschijning, bruine haviksogen, zwart haar en een sterke kaaklijn, altijd indruk maakte en de grootste meesters in de vechtkunst uitdaagde zonder een moment angst Maar nu keek nu zo nerveus als een jochie die met vuile schoenen de schone keuken van zijn moeder was binnengelopen. Algar hoeste in zijn hand, zodat hij een moment langer had om na te denken wat hou zou zeggen. ” Zo is de jeugd nou eenmaal, hij traint hard en dat ga ik niet belonen door hem niks te laten doen, dus geef ik hem wat extra spartijd. En misschien ben ik wel wat te hard geweest tijdens het sparren.” Algar klonk nerveus toen hij zag dat hij Ann hem kwaad bleef aankijken ”Maar als twee strijders vechten in de ring, is het een schande om je terug te houden, die jongen verdient dat ik volluit ga.””ERUIT!!”schreeuwde Ann “Jij vechtlustige gek! Verlaat de ziekenboeg! Eruit! Eruit! Eruit!” Nadat Ann Algar uit haar ziekenboeg had gejaagd, richten ze haar aandacht op Darius. De jongen vechtkunst beoefenaar voelde dat hij nu de gene was die een preek zou krijgen.
Na een preek die eeuwig leek te duren, en bij Darius goed de les inprente hoe gevaarlijk het was voor hem om te ver te gaan tijdens trainen, mocht Darius terug naar zijn kamer om daar verder uit te rusten. Net toen Darius opstond uit zijn ziekenbed om zijn trainingspak weer aan te trekken, zag Ann zijn rug en ontplofte. Darius had gisteren wat technieken geoefend bij de beek, in de buurt van wat rotsen, en was gevallen. De val was pijnlijk geweest en had een paar lelijke wonden achter gelaten op zijn rug. Darius durfde niet naar Ann te gaan omdat hij bang was voor haar reactie. Darius verwachte weer een preek, maar in plaats daarvan zei Ann dat ze wel wat beters had te doen, en riep Sophia om Darius zijn wonden te verbinden, en ging naar buiten. Sophia, de kleindochter van meester Amalrik, was de leerling van Zuster Ann en ongeveer even oud als Darius. Vroeger, voordat Darius een student werd van de dojo, speelde ze vaak samen. Darius had haar weinig gezien sinds hij begon te trainen bij de dojo, omdat veel van zijn tijd opging aan trainen, en ze tot nu toe alleen de allerjongste van de dojo had behandeld. Hij was verbaasd over hoe mooi ze was geworden. Haar fijne gezicht, bruine haar en bruine ogen verlichte meteen van zijn pijn, voordat het bij hem doordrong dat hij nog in zijn onderbroek stond. Darius ging snel zitten op een kruk, zodat Sophia zijn wonden kon verzorgen.Hij was te verlegen om iets te zeggen. Tijd ging voorbij zonder dat beide iets zeiden. Zeg dan wat sukkel dacht Darius bij zichzelf. Toen Sophia klaar was met zijn wonden verbrak ze de stilte “Ik heb je een paar keer zien trainen” zei ze in een lieve stem die Darius verlegenheid z’n verlegenheid niet hielp. Ze bespioneert me, waarom? Dacht Darius. “Je bent al erg sterk, en zelfs mijn grootvader en Algar zijn onder de indruk van je, dus waarom doe je zelf dit aan, waarom train je toch zo hard, waarom train jezelf kapot?” Toen Darius zich omdraaide zag hij dat Sophia huilde. “Waarom ben je me nooit komen opzoeken?” Zei Sophia door haar tranen door ”Waarom is vechten zo belangrijk voor je?” Darius wist niet wat hij moest doen toen Sophia verder huilde, maar uiteindelijk besloot hij haar te vertellen waarom hij bij de dojo is gegaan. “Weet je nog, jaren geleden, toen we naar het strand gingen als kinderen” zei Darius. Sophia knikte, onzeker waar het verhaal geen zou gaan. “Toen werd je gepest door een paar jongens, en ik probeerde je te beschermen Weet je dat nog?”vroeg Darius. “Ja”zei Sophia “Je kreeg toen zand in je onderbroek.” “jaaaa” antwoorde Darius die liever die kleine detail liever vergat. “Ik heb toen gezworen dat ik sterk genoeg zou worden om je tegen alles te beschermen, en zorgen dat je nooit meer zou huilen. Maar zelfs daarin heb ik gefaald” Darius stond op en trok zijn trainingspak aan. Sophia was verbaasd over de reden van Darius, en ze voelde zich vreemd genoeg erg blij erdoor. “Maar op een dag”zei Darius opeens toen hij zijn pak aanhad “zal ik de man zijn die ervoor zorg dat je nooit meer zou huilen, en je altijd laat lachen.” Sophia antwoorde hem met een glimlach nadat ze haar tranen had weggeveegd “Kom me binnenkort eens opzoeken okee?, Misschien kunnen we dan weer naar het strand?”vroeg Sophia “natuurlijk” Antwoorde Darius met een glimlach. “En bedankt dat je hebt gezegd dat je grootvader en Algar onder de indruk zijn” Sophia keek de jonge krijger na toen hij wegliep, en zag hoe breed zijn schouder waren geworden.
Twee dagen later stond Darius weer tegenover Algar in de sparring. Het was een zware trainingssessie geweest, en Darius had zichzelf voorgenomen dat als het hem vandaag zou lukken Algar te raken , hij Sophia zou vragen om uit te gaan. Zweet droop weer van Darius zijn voorhoofd naar zijn ogen, en hij begon het zweet uit zijn ogen te wrijven. Meteen maakte Algar gebruik van de opening en stootte met een hoek naar Darius zijn hoofd. Ann, die meekeek vanaf de zijlijn wou net schreeuwen naar Algar of die soms te stom was om rustig aan te doen, tot ze zag dat Darius bukte. Hij bukte onder de hoek van Algar door en stootte hem recht in zijn middenrif. Algar zette een stap achteruit, en glimlachte. “Goed gedaan Darius. Heel goed gedaan”zei hij voordat hij zijn aandacht richten aan de rest van de klas. “Dat is dus wat ik bedoelde met altijd op je verdediging letten, en nu douchen, de training is voorbij. “schreeuwde Algar. Darius glunderde door zijn prestatie en keek om zich heen. De wereld leek opeens een stuk groter, met heel veel mogelijkheden. Darius zag Sophia die hem een speciale glimlach schonk, die Darius het gevoel dat zijn dag niet meer stuk kan
er waren drie mannen op de strand.de ene zegt:we gaan met ze drieen onze broeken uittrekken en dan rennen in ons naakie.de eerste man doet zen broek uit en rent in zijn naakie maar de hadden hem geflesht dus zij pakte de broek en rende weg en hij had dus geen broek meer onm aan te doen.....
Er komt een oude man van 83 jaar bij de spermabank. Met trillende stemzegt hij: "Ik wil graag een donatie doen." "Wat zegt u?" vraagt de receptioniste. "Dat ik graag wil doneren." Het meisje durft de man niet te weigeren, neemt hem mee naar een kamertje, zet een leuk pornofilmpje op, geeft hem een jampotje en doet het gordijn dicht. Alle collega's komen nieuwsgierig bij het gordijn staan luisteren. Ze horen gekreun: "Hmmmpfh, hunmmmpffh". En nog eens gekreun: "Hmmmpfh,hunmmmpffh". En dan opeens: "Nou nou." Iedereen stuift meteen weer weg. Het gordijntje gaat open, en het oude mannetje komt naar buiten lopen.Zegt hij tegen de receptioniste: "Ik heb het met mijn linkerhand geprobeerd, ik heb het met mijn rechterhand geprobeerd maar ik krijg dat klerepotje niet open!"
Weet u waarom de meeste kleuters gehecht zijn aan hun speelgoedbeer en in dit dier een vriendje herkennen met wie zij hun geheimpjes kunnen delen?
Nee?
Ik wel, al gebied de eerlijkheid me te vertellen dat deze kennis bij toeval mijn pad kruiste.
Ga in gedachten mee naar een gebied, ongeveer zeventig keer groter dan Nederland, waar koning Winter negen maanden per jaar zijn kille scepter zwaait.
In die ruige wildernis bewegen beren zich vrij en banjeren van her naar der. Ooit heb ik iemand horen beweren dat hij er twee zag die een broodje stonden te smeren, zelf verwijs ik dat naar het rijk der fabelen om de eenvoudige reden dat ze erg schuw zijn, de beren, niet het brood.
Een ontmoeting met een beer is vrijwel uitgesloten daar ze in de regel mensen uit de weg gaan. Uitgezond als in het voorjaar de berin moeder is geworden en men te dicht in de buurt van het jong komt. Gebeurt dat, dan komt ze aangesneld.
Vanwaar dit gedrag?
Tot op heden was er niemand die deze vraag met goed fatsoen kon beantwoorden. Degenen die een dergelijke ontmoeting hebben ondergaan, zijn van schrik naar het hiernamaals vertrokken.
Dat is niet verwonderlijk. Stel je voor, een kolos, ongeveer drie meter hoog, tussen de 400 tot 600 kilogram wegend, die rennend op je af komt.
In dat gebied, onbewoond en rijk aan grondstoffen, was een belangrijke nikkel-ader ontdekt.
Lieden met dollartekens in hun ogen waren de mening toegedaan dit metaal bovengronds te halen.
Voor degenen onder u die geen technische opleiding hebben genoten, nikkel is een non ferro metaal dat vrijwel alleen wordt toegepast om te worden gemengd (gelegeerd) met andere metalen om de eigenschappen van het oorspronkelijke materiaal in positieve zin te beïnvloeden. Een simpel voorbeeld, ooit heeft u wel eens een steek- of ringsleutel gebruikt waarop stond, chroom-nikkel-vanadium.
De grootste nikkelverwerkingsgigant ter wereld, de INCO, had daar een smelterij en raffinaderij gebouwd, waar ik als dieselmonteur werkzaam was.
Met John, een autotochtone collega, waren we die bewuste dag met de servicetruck op weg naar een gestrande bulldozer waarvan de motor het had begeven.
Bij aankomst zagen we de enorme geelgekleurde machine tussen de bomen staan, maar konden vanwege de bodemgesteldheid niet met de truck dichterbij komen en genoodzaakt de ongeveer tweehonderd resterende meters per voet te overbruggen.
Halverwege hoorde ik John zeggen, ‘Dutch, rennen, een grizz.’
Kijkend over mijn linkerschouder zag ik een enorme grizzlybeer op ons afkomen.
Een verdere aansporing had ik niet nodig en moet op dat moment de honderd meter naar de bulldozer in recordtijd hebben afgelegd.
Achter me hoorde ik John hijgend en puffend volgen.
De, op ooghoogte, stalen rupsbanden van de grote machine vormden geen enkel beletsel en ik hopte er in sneltreinvaart bovenop.
Me omkerend stak ik John de helpende hand toe en ……zag hem languit liggen.
Een bovengrondse boomwortel was hem noodlottig geworden. Vanuit zijn liggende positie keek hij in angstige verbijstering naar me op.
‘John komop,’ kon ik met schorre stem uitbrengen.
Inmiddels was hij half en half opgekrabbeld, maar te laat, het dier stond dicht achter hem.
Het beeld dat ik nu beschrijf zal voor eeuwig op mijn netvlies gegrift blijven.
John, zich oprichtend, zijn gezicht vertrokken in grauwe doodangst, achter hem de enorme berin met haar uitstrekkende klauw John’s schouder grijpend, daarbij zacht gromde waarop John vervolgens in katzwijm viel.
Mogelijk was het zinsbegoocheling, maar ik meende in dat dierlijk geluid het engelse woord ”kijk” te horen omdat ze daarna een machtige poot naar achteren stak en uit haar rugplooien een levend wezentje tevoorschijn toverde, dat een klein, spartelend beertje bleek te zijn.
Omdat John niet aanspreekbaar was keerde de berin zich naar mij. Staande op de manshoge stalen rupsband keek ik in een paar intelligente, vriendelijke ogen. Tot mijn verbazing hoorde ik mezelf zeggen, ‘een mooie baby,’ alsof deze woorden me door een hogere intelligentie werden ingegeven.
Blijkbaar viel die opmerking in goede aarde want de trotse moeder beaamde dat door te knikken, tegelijkertijd haar tanden ontblotend in een vriendelijke grimas. Daarna keerde ze zich om en verdween waggelend uit beeld.
Kijkend naar haar kleiner wordende rug drong het op dat moment tot me door dat beren in wezen lieve dieren zijn die van kleine wezentjes houden.
Volgens mij krijgen mensenkinderen onbewust die wetenschap bij hun geboorte mee.
Mogelijk zijn er onder u enkelen die dit waargebeurde verhaal betitelen als “kul” met het argument “beren niet kunnen praten.”
Die mensen wil ik het volgende voorhouden: als u voor zoete koek slikt wat tijdens politieke verkiezingscampagnes door de betreffende kandidaten wordt uitgekraamd moet u op zijn minst de overtuiging huldigen dat beren kunnen praten.
Bent u desondanks niet overtuigd?
Vraag het aan de eerste de beste kleuter die u tegenkomt, want een volkswijsheid zegt, ‘kleine kinderen en dronkaards spreken de waarheid.’
Wilt u weten hoe het John is vergaan?
Het gebeuren heeft hem lichamelijk, maar vooral geestelijk een zware slag toegebracht.
Vertoevend in een gesloten inrichting was hij een week of drie niet aanspreekbaar. Inmiddels ligt hij daar niet meer op de intensive care maar verblijft in een eenpersoons appartement dat dag en nacht onder bewaking staat. Het laatste dat ik heb gehoord is dat hij steun heeft gevonden bij een nazaat van de beroemde Bruintje Beer. Jammer genoeg geen levend exemplaar maar uit een speelgoedzaak.
Heel lang geleden, toen de aarde nog niet zo lang bestond en de bomen altijd groen waren, ging een man op weg naar het noorden. De middagzon scheen op zijn rug en hij trok over bergen en rivieren, door bossen en woestijnen, tot hij in een prachtig sprookjesland kwam.
Het was ongelooflijk, daar kwam de zon maar een heel klein stukje boven de horizon en ging hij heel vroeg weer onder, maar onder zijn stralen werd de wereld in allerlei kleuren gezet. De bomen hadden de meeste kleuren. Ze waren niet altijd groen, zoals bij hem thuis in het zuiden, nee, ze schitterden in verschillende kleuren geel, rood en bruin. In de verte staken de bergen er boven uit, die blauw waren met toppen wit van de sneeuw.
Toen de man na enige tijd terugging naar het zuiden en aan de mensen uit zijn dorp vertelde wat hij gezien had, wilde niemand hem geloven.
"Dat is een sprookje," zeiden ze tegen hem en ze lachten hem uit. "De bomen zijn toch nooit geel, rood en bruin."
"En toch is het waar. Ik heb het met mijn eigen ogen gezien," zei de man. "Als jullie me niet geloven, ga dan zelf kijken." Maar de dorpsbewoners waren gemeen, en zeiden: "Als je wilt dat wij je geloven, ga dan zelf nog een keer en neem dan een tak van zo'n rode, gele en bruine boom mee."
"Dat zal ik doen," zei de man en hij ging opnieuw de lange weg naar het noorden.
Er was een hele tijd voorbijgegaan, en de man was nog altijd niet terug. De mensen waren hem al bijna vergeten. Maar op een dag werden ze aan hem herinnerd. In het dorp kwam een prachtige gekleurde vogel aanvliegen die in zijn snavel een tak met gele, rode en bruine kleuren had. De vogel wierp de tak in een boom en op hetzelfde ogenblik werd de boom helemaal geel, rood en bruin.
De gekleurde vogel was de man die naar het noorden was gegaan. Toen de mensen allemaal kwamen kijken, krijste hij, alsof hij hen uitlachte en hij vloog weg. Maar de tak met de herfstbladeren liet hij liggen. Vanaf die tijd verloren de bomen in de herfst gele, rode en bruine blaadjes.
Bij het opmaken van de bedden vindt het kamermeisje een condoom in bed. De vrouw komt op datzelfde moment de kamer binnen en ziet het verbaasde gezicht van het meisje. "Doen jullie dat hier in Oostenrijk nooit?''Jawel, maar niet zo lang totdat de huid eraf gaat."
Het verhaal speelt af in een klein dorp vlakbij England. Waar een oude gemene vrouw samen met zijn zoon Alex het dorpshoofd is. Ze hebben het leven van de dorpelingen te zuur gemaakt , door hun gemene wetten waaraan niemand zich wilt houden. Een van het ergste wet die ze hebben gesteld is dat er wordt gefeest als iemand dood gaat. Dit omdat percilla (het gemeen heks) vindt dat de mens na het dood rust vindt, en dat we dan niet moeten rouwen! de teweede wet waar alle dorpelingen een hekel aan hebben is dat ze een derde deel van hun jaarlijks oogst aan haar moeten geven. De mensen durven niet haar tegen te spreken ze weten dat ze kwade krachten bezit.
Behalve de jonge mooie boerenmeisje lavendel met haar groot mooie ogen, die de hart heeft verovert van Alex de gemene zoon van Percilla. Lavendel woont in een gezellig boerenhuisje samen met haar oud lief oma. Die haar bijna dagelijks overhaalt om met Alex te trouwen, kind mij lief klein mooie lavendeltje als je met hem gaat trouwen kan je de touwtjes in je eigen handen nemen, mij kind dan zal alles weer net als vroeger worden, ons gezellig dorpje. Dit soort gesprekken eindigden meestal door een verdrietige lavendel die weg rende naar het rivier aan eind van hun dorp. Waar haar geliefde Jhon altijd in de avond op haar zat te wachten. Ze huilde dan en vertelde hem voor de zoveelste keren dat haar oma hem heel graag mocht, maar dat ze wou dat ze met Alex ging trouwen voor een gelukkig leven van alle dorpelingen. Oma weet donders goed waarom Alex met mij wilt trouwen, alleen doordat ik veel grond heb geerfd van mij ouders. Jhon en zij keken samen dan naar de rustige rivier en droomden over hun toekomst samen. Jhon was een mooie zelfstandige jongen, die na het dood van zijn ouders alleen woonde in zijn klein hutje. Hij verdiende geld door dagelijks klusjes te doen voor iedereen,en iedereen te gaan helpen, meestal mocht hij dan gewoon bij iemand gaan eten, iedereen wist dat hij een goed hartig jongen was, vol leven.
De leven van Lavendel verandert op de dag dat haar om zegt dat ze met Jhon mag trouwen en dat ze dan zo snel mogenlijk heel ver moeten gaan om aan een nieuwe leven te beginnen. Lavendel is zo blij dat ze snel naar het rivier gaat om alles aan Jhon te vertellen. Intussen komt Percilla dit te weten, en gaat ze naar het huis van Lavendel en geeft oma de gif. Als Lavendel helemaal blij terrug komt, in haar hoofd planning van dat ze samen met oma en Jhon gaan vertrekken, heel ver weg, ziet ze dat haar oma op het bed ligt, heel koud en paars aangelopen. Oma , wat is er gebeurt, liefff oma vertel me nou. Lavendel roept om hulp. Maar oma roept haar bijzig, en geeft haar een gouden ketting met een ronde ringetje. Hier mij mooie Lavendel , vul dit ketting en de tovenarij zal verbreken. Oma wie heeft dit gedaan???? Percilla ! mij lief mooie Lavendel , dit zijn de laatste woorden van oma. Opeens is Alex samen met zijn moeder er. Mij mooie meisje, nu ben je voor mij , wie gaat er voor jou zorgen nu je oma dood is? Laat me met rust huilt Lavendel. Maak je klaar voor het feest , voor je oma's dood Lavendel, en morgen trouw je met mij Alex schreeuwt Percilla gemeen.
Die avond op het feest van haar oma's dood ziet Lavendel dat de kust veilig is nadat ze Alex een verdovingsgif heeft gegeven. Ze grijpt haar kans en rent weg naar de rivier waar haar geliefde Jhon op haar rustig zit te wachten. Ze vertelt alles aan hem, over haar oma over de gouden ketting die de tovenarij verbreekt als je het ring die daar in hang vult. Op het moment dat ze samen weg willen, komt Percilla met zijn zoon eraan, en wilt Lavendel mee nemen. Lavendel en Jhon smeken ze om hun met rust te laten. Als Lavendel helemaal is vastbesloten dat ze nooit met Alex gaat trouwen, en enigste met wie ze gaat is haar lief Jhon, wordt ze in een groot gouden mooie vogel omgetoverd met die groot mooie ogen die van Lavendel, en Jhon wordt meegenomen naar Percillas's gevangenis. En nu mij lief vogeltje schreeuwt Percilla gemeen, je zult tot volgende jaar percies op deze dag een mooie gouden vogeltje blijven, en die lief Jhon van jou wordt op hetzelfde opgehangen voordat de zon zal opkomen, en dan zal de tovenarij worden verbreekt nadat jou geliefde dood is, en jij zult dan de bruid van mij zoon Alex zijn.!!!!! Nee schreeuwt Lavendel als haar geliefde wordt meegenomen. Nee huilt maar ze kan verder niets doen ze is maar een gouden vogeltje.
Zo gaan de maanden voorbij. Lavendel het vogeltje vliegt elk avond naar haar geliefde toe met lekkernijen die ze pakt uit de huisjes , en ze huilen dan tot diep in de avonden. Inmiddels heeft Percilla overal het bericht verspreid dat Jhon Lavendel heeft vermoord, door haar bezettingen. Niemand durft haar tegen te spreken, maar iedereen weet dat het niet zo kan zijn, de lieve klusjes jongen van het dorp kan niet zo een gemeen streek uithalen. De dorpelingen hebben ook het mooie gouden vogeltje ontdekt, die elk ochtend heel mooie zingt boven de toren van de gevangenis. Die ogen van het vogeltje hebben iets die van Lavendel zeggen alle dorpsvrouwen, heel stiekem fluisteren ze dat , zodat Percilla hun niet betrapt.
En zo breekt de laatste dag aan. Jhon en zijn lief vogeltje weten nog niet wat oma precies bedoelde met het vullen van ketting ringetje. mij liefste Lavendel je moet altijd goed op jezelf gaan letten, en je weet dat ik na mij dood altijd bij je zal zijn. Ze huilen die dag zoveel dat te tranen zelfs opdrogen. Opeens valt er een traan langs de rand van het ring en het ringetje begint te glimmen. Ze kijken vol bewondering aan, maar dit gebeurt niet meer voor de tweede keer tot hun groot teleurstelling. De avond gaat zo voorbij , ze huilen en spreken elkaar lief woordjes toe. Ze beloven elkaar eeuwig trouw.
De ergste dag breekt aan. Jhon wordt meegenomen met de bewakers naar buiten, waar alle dorpelingen heel droevig bij staan. Lavendel zit op de hoogste toren , en zingt het liedje die haar geliefde Jhon altijd van haar wou horen. Die ze samen hadden gezongen laat in de avonden, en die na het betovering alleen werdt geluisterd door Jhon, hij had de moed niet meer om mee te zingen. Op het laatst moment voordat Jhon wordt opgehangen, vraagt Percilla of er iemand is die iets nog moet zeggen. Lavendel durft het niet , maar ze vliegt met haar laatste gevoel heel snel naar Jhon toe. Iedereen kijkt verbaasd naar het mooie gouden vogeltje die komt aanvliegen. Lavendel pakt met haar vleugels de ketting uit haar hals en doet die in de nek van haar geliefde Jhon, ze pakt het gouden ringetje, voordat Percilla die weet wat Lavendel van plan is iets kan doen, huilt Lavendel de mooie vogeltje de tranen in de ring. Opeens regent het heel hard, en dan schijnt de zon. De dorpelingen kunnen niet geloven wat ze zien, het vuur onder Jhon is geblust, en hij heeft Lavendel in zijn armen.
De dorpelingen rennen achter Percilla en Alex die proberen weg te glippen. Ze worden gepakt en achter de tralies gegooid in een onbewoond eiland.
Dit is de gelukkigste dag van alle dorpelingen , ze benoemen Lavendel en Jhon tot hun dorpshoofd. En die dag gaan Jhon en Lavendel trouwen, en het eerst wat ze doen is wat in geen jaren iemand had gedurfd. Ze verbranden het wettenboek van de oude heks Percilla.
En nu was alles net als vroeger het ouden gezellig boerendorpje , en er heerste geen enige angst. En op de plaats waar Jhon bijna werdt opgehangen hadden de dorpsgenoten samen een standbeeld gemaakt van het mooie gouden vogeltje. En het aller opvallendst van het vogeltje was de mooie grote ogen die van Lavendel.
Een zakenman komt op de laatste dag van zijn zakenreis in frankrijk erachter dat hij nog niks voor zijn vrouw heeft gekocht. Hij denkt in mijn hotelkamer hangt een bordje met een mooie franse spreuk erop dat jat ik gewoon. Eenmaal thuis geeft hij het aan zijn vrouw maar die spreekt geen woord frans. Dus de volgende dag laat ze het vertalen en toen stond er op: "Heren, wilt u uw lul niet aan de gordijnen afvegen."
Oude vrouw in de kerk Een oud vrouwtje zit op een alledaagse zondag in de kerk. Dan vraagt de priester: "Al degenen die deze week sex hebben gehad, moeten nu naar voren komen." Het oude vrouwtje, die slechthorend is, heeft het uiteraard niet gehoord en dus vraagt ze het de man naast haar? Deze heeft zelf een gehoorprobleem: "De priester zei, al degenen die een hostie willen moeten naar voren komen." Het vrouwtje strompelt naar voren en de priester roept: "Maar mevrouw, op uw leeftijd!? Schaamt u zoch niet??" "Het is niet dat ik geen tanden meer heb, dat ik er niet op kan zuigen é!"
In een Turkmeens dorp leefde een vrouw die geen stuiver bezat. Ze had alleen een zoon. Hij heette Mirali, een mooie muzikale naam. De moeder van Mirali verdiende het brood met spinnen en wol kammen, wassen en naaien.
Mirali groeide intussen op tot een stevige jongen en de dag kwam dat zijn moeder tegen hem zei: "Ik heb geen kracht meer om te werken, Mirali. Nu is het jouw beurt om uit werken te gaan."
"Niets liever!" zei Mirali en hij ging op werk uit. Overal vroeg hij of men hem kon gebruiken. Overal was het antwoord: neen. Tenslotte ging hij naar een rijke Bey. Een Bey is een edelman, maar hoeft daarom nog geen edele man te zijn, zoals al gauw zal blijken uit het vervolg van dit verhaal.
De Bey nam Mirali in dienst. De eerste werkdag ging voorbij zonder dat er aan Mirali ook maar de geringste arbeid werd opgedragen. De tweede werkdag ging voorbij op dezelfde manier. En ook de derde werkdag ging voorbij zonder dat Mirali iets hoefde te doen voor de Bey.
"Waarom ben ik dan bij de Bey?" vroeg Mirali zich af. Hij vroeg het ook aan de Bey zelf. "Hang ik er hier maar bij?"
"Hoe kom je erbij?" zei de Bey. "Morgen gaan we ergens heen, jij en ik, wij allebei en wat je doen moet op de plaats waar we heengaan, breng ik je daar wel bij!"
De volgende dag gaf de Bey aan Mirali bevel een os te slachten en te villen. Dan liet hij hem vier ruime zakken en twee kamelen halen. Op de ene kameel laadde hij de ossenhuid en de vier zakken. Op de andere kameel nam de Bey zelf plaats. Ze reden een heel eind de woestijn in en hielden eindelijk halt aan de voet van een steile berg. De Bey gaf Mirali het bevel de zakken en de ossenhuid van de kameel te nemen en op de grond te leggen.
"Ga jij nu zelf op de ossenhuid liggen," beval de Bey vervolgens.
Mirali begreep niet wat daarvan de bedoeling kon zijn, maar hij deed wat de Bey hem bevolen had. De Bey kwam nu naderbij en wikkelde Mirali in de ossenhuid, die hij ook nog rondom vastsjorde met stevige touwen.
Hij liet Mirali zo ingewikkeld liggen en verstopte zichzelf achter een rotsblok. Het duurde niet lang of er kwamen twee enorme roofvogels aangevlogen. Met hun sterke snavels namen ze de verse ossenhuid van de grond en vlogen ermee naar de top van de berg. Daar scheurden ze met hun klauwen de ossenhuid open. Bij het zien van een mens binnenin schrokken ze geweldig en vlogen rauw krijsend weg; alleen de lege ossenhuid namen ze mee.
Mirali krabbelde overeind en keek om zich heen. De Bey was intussen van achter zijn rotsblok te voorschijn gekomen. Mirali zag hem onderaan de berg staan en hoorde hoe hij schreeuwde: "Sta daar niet doelloos rond te kijken, jongen! Gooi liever de edelstenen omlaag, die om je heen voor het oprapen liggen!"
Mirali keek eens goed en nu zag hij dat hij midden tussen de meest zeldzame edelstenen stond: diamanten, robijnen, saffieren, grote en schitterende stenen waarbinnen de zon vonken schoot.
Mirali deed wat de Bey van hem verlangde en begon handenvol edelstenen omlaag te gooien. Zodra ze de grond raakten, liep de Bey naar de edelstenen toe en griste ze van de grond.
Mirali ging ijverig door met gooien tot hem iets te binnen schoot. "Heer Bey!" riep hij omlaag. "Hoe kom ik straks weer op de begane grond?"
"Gooi eerst nog een paar handenvol edelstenen omlaag en ik zal het je zeggen!" riep de rapende Bey.
Mirali gehoorzaamde; de Bey vulde de zakken tot er niets meer bij kon en riep toen met een valse schaterlach omhoog: "Beste jongen, nu heb je toch ervaren dat je er niet zomaar bijhing toen je uit werken bij de Bey ging! Net zoals alle bedienden die je zijn voorgegaan, heb je nu je plicht gedaan. En daarna... kijk om je heen en ontdek wat voor gezelschap je hebt! Het zijn de botten van mijn bedienden die voor mij een fortuin verdienden!"
Zonder verder nog omhoog te kijken of te roepen reed de Bey weg. Mirali stond moederziel alleen op de berg. Hij zocht een plek waar hij de afdaling zou kunnen beginnen, maar vond niets dan diepe afgronden en gapende ravijnen.
Tussen de edelstenen verspreid lagen de botten van mensen.
Plotseling hoorde Mirali boven zijn hoofd een hevig geruis. Een geweldige adelaar wilde zich op hem storten en hem verscheuren met zijn klauwen. Mirali was echter sneller! Hij greep snel de klauwen van de adelaar met zijn handen. De adelaar krijste, vloog omhoog en opzij, schudde zich wild heen en weer, maar Mirali raakte hij niet kwijt. De jongen bleef zich stevig vasthouden. Door het gewicht van de jongen werd de adelaar langzaam naar de grond getrokken. Zo belandde Mirali veilig op de begane grond en ontsnapte hij aan het wrede lot dat alle andere bedienden van de Bey had getroffen.
Opnieuw ging hij naar de bazaar om zich te verhuren als bediende. Weer werd hij in dienst genomen door dezelfde Bey, want hij had van Mirali zo weinig nota genomen toen hij bij hem in dienst was, dat hij hem nu weer in dienst nam zonder hem te herkennen.
Kort daarop gaf de Bey zijn nieuwe dienaar het bevel een os te slachten en te villen; daarna moesten er twee kamelen en twee zakken worden gehaald. Weer reden ze - de Bey en Mirali - naar de voet van de berg met edelstenen en weer moest Mirali zich in de ossenhuid wikkelen en stond de Bey al klaar om hem vast te snoeren met touwen.
"Ik begrijp niet wat u bedoelt," zei Mirali. "Ik ben niet al te bij! Kunt u het me niet eerst voordoen?"
"Daar hoef je niet bij voor te zijn," zei de Bey. "Wat is eenvoudiger dan dit?"
Hij spreidde de ossenhuid voor zich op de grond en wikkelde zich erin. Dadelijk snoerde Mirali de touwen rond de ingewikkelde Bey en maakte zich snel uit de voeten.
Twee roofvogels doken omlaag en grepen de ossenhuid met hun klauwen. Ze vlogen ermee naar de bergtop. Daar begonnen ze het pak open te scheuren, maar toen ze ontdekten dat binnenin een mens verborgen zat, vlogen ze rauw krijsend weg.
De Bey krabbelde overeind en keek om zich heen.
"Hola, Bey! De tijd gaat voorbij! Sta niet te treuzelen en gooi een paar blinkende steentjes naar mij!" riep Mirali omhoog.
Pas nu herkende de Bey zijn stem en begreep hij wie hem door list naar de bergtop had laten dragen.
Trillend van woede en angst riep de Bey: "Hoe ben jij van de berg afgekomen?"
"Ik zal het u uitleggen als u eerst met gulle hand edelstenen strooit!" was het antwoord van Mirali.
De Bey wist niet hoe snel hij moest gehoorzamen. Mirali raapte alle edelstenen die rondom hem vielen, hij vulde de zakken en laadde de zakken op de kamelen. Voor hij wegreed riep hij omhoog: "Als u omlaag wilt, Bey, roep dan niet mijn hulp in, maar de hulp van uw andere dienaren. Ze liggen om u heen. U heeft mij niet meer nodig! U heeft daar dienaren genoeg bij u!"
En Mirali reed als een rijk man terug naar zijn moeder.
De Bey bleef achter op de bergtop om het lot van zijn dienaren te delen. Hij strompelde over de bergtop heen en weer en hij riep om hulp. Maar zijn dienaren hoorden hem niet.
Op het naaktstrand in Zandvoort krijgt een meisje een bij in haar gleuf. In paniek loopt ze rond: "Er is een bij in mijn gleuf gevlogen!" Omstanders brengen het meisje bij een dokter. Ze gaat op de behandeltafel liggen en de dokter kijkt bij haar naar binnen. "Ik zie die bij zitten," zegt de dokter, "maar hij zit te ver weg. Ik krijg hem er met de hand niet uit. Maar ik weet er wel wat op. Ik smeer wel wat honing op mijn pik. Die schuif ik dan voorzichtig naar binnen, en zodra die bij op mijn pik gaat zitten, haal ik m er wer uit." Dus de dokter smeert honing op zijn pik en schuift m voorzichtig bij het meisje naar binnen. Maar de dokter begint zijn pik steeds heftiger op en neer te bewegen. "Dokter," roept het meisje, "wat doet u nu?" "Geen nood," roept de dokter, "ik schiet die bij dadelijk dood."
Aan de rand van de Belgische stad Oostende, vlak achter de duinen, had eens de visser Andreas zijn huis. Hij leefde er tevreden, want de zee gaf hem genoeg voor zichzelf en zijn gezin, en hoewel hij niet veel om geld gaf, kon hij toch af en toe een zilverstuk verdienen.
Misschien zou hij in rust en vrede de oude dag hebben bereikt, maar het noodlot wilde het anders. Andreas zou een merkwaardige geschiedenis meemaken, die hem tot zijn laatste dag zou bijblijven.
Aan het begin van het vissersseizoen vaarde Andreas tevergeefs de zee op en tevergeefs zocht hij ook zijn geluk dichtbij de kust, maar zijn netten bleven leeg en niet een enkel visje raakte erin verstrikt. Het leek, alsof hij door het ongeluk werd achtervolgd.
En was het daar nog maar bij gebleven! Na enige maanden stierven plotseling zijn vrouw en zijn vier kinderen...
De arme man wist in zijn wanhoop niet, waar hij het zoeken moest. Doelloos liep hij rond, en sprak met niemand een woord. Het liefst zat hij nu alleen in de duinen en tuurde naar de golven.
Aan de vooravond van Andreasdag zat hij, bij het invallen van de schemering, weer op zijn lievelingsplekje aan de rand van de zee. Hij kon zijn blik niet van de branding afwenden, die met haar schuimkoppen keer op keer het land aanviel.
Daar zag hij in de verte kleine, blauwachtige vlammetjes. Ze dangten en sprongen in het rond, en de visser wreef zijn ogen uit. Maar het was geen gezichtsbedrog! De vlammen dansten nog steeds op de waterspiegel. Plotseling herinnerde hij zich de woorden van zijn buren, die dikwijls over blauwachtige vlammen hadden gesproken. Ze beweerden, dat er een schat in zee was, op de plek waar ze zich vertoonden.
Waartoe dient al het geluk van de wereld, en leven in overvloed, als mijn lieve vrouw en kinderen niet meer bij mij zijn, dacht de visser. Laat iemand anders zijn geluk maar beproeven...
Plotseling werd hij uit zijn overpeinzingen opgeschrikt door een zware stem, die hem zei: "Wees niet zo ondankbaar."
Geschrokken draaide Andreas zich om. Voor hem stond een bleke lange man, die buitenissig was gekleed en hoge laarzen droeg. Een zwarte hoed met brede rand bedekte zijn gezicht voor het grootste deel. Zijn ogen brandden als gloeiende kolen, en het leek Andreas, alsof ze hem door merg en been gingen.
"Vrees niet," zei de lange man. "Ik ben een geest, en omdat we beiden Andreas heten, heeft jouw lot mijn medelijden opgewekt. Ik ben dus gekomen, om je te helpen."
"Mij mankeert niets. Ik kan goed rondkomen en heb niets van je nodig," antwoordde de visser, terwijl hij snel een kruis sloeg.
De lange lachte: "Ik zeg je toch, dat je voor mij niet bang hoeft te zijn, ik ben immers geen boze geest. Kijk, hier is een toverring. Steek die om middernacht aan je vinger en loop dan rechtstreeks de zee in, tot de plaats, waar de blauwe vlammen branden. Wat er ook mag gebeuren en wat je onderweg ook tegenkomt, laat je niet afleiden, maar ga op zoek naar potten, die met de onderkant naar boven zijn geplaatst. De middelste pot til je op en je neemt, wat zich daaronder bevindt. Het is van jou! Maar denk erom, laat je niet op een dwaalspoor brengen en haast je naar de kust terug!"
Voor de visser zich goed realiseerde wat hij zojuist had gehoord, was de lange verschijning plotseling verdwenen, alsof de aarde hem verzwolgen had. Alleen de schitterende ring herinnerde nog aan zijn aanwezigheid. De visser vertrouwde de vreemde ring echter niet. En toen in Oostende het middernachtelijk uur sloeg, sliep hij als een roos en had de vreemde gebeurtenis allang uit zijn gedachten gezet.
Maar het duurde niet lang, of het ging steeds slechter met Andreas. Hij werd ziek en lag vele dagen en weken in bed. En toen hij eindelijk weer gezond was, brandde zijn huis af en er bleef hem niets over als een hoopje as.
Platzak en zonder middelen van bestaan maakte hij zich bittere verwijten, dat hij de toverring had weggeworpen en de raad van de geest niet had opgevolgd.
Toen er een vol jaar verstreken was, begaf hij zich bij het invallen van de duisternis naar de zee, in de hoop dat alles zich zou herhalen wat hier precies een jaar geleden was gebeurd.
En kijk! Weer zag hij op de zeespiegel de blauwachtige vlammetjes, weer kwam de lange geest om Andreas een ring te overhandigen en weer nodigde hij de visser uit, de omgekeerde potten te gaan zoeken.
Dit keer gehoorzaamde de visser. Hoewel de zee stormachtig was, stak hij de toverring aan zijn vinger en ging het water in, direkt nadat de klokken het middernachtelijk uur hadden geslagen.
Maar hij werd niet nat, omdat de zee zich voor hem opende, en zo kwam hij met droge voeten bij een groene weide, waar een prachtig huis stond.
Onderweg ontmoette hij verschillende jongens en meisjes, die hij nog kende uit zijn jeugd. Ze lachten hem vriendelijk toe. Plotseling werd hij zich ervan bewust, dat ze lang geleden verdronken waren, en niet meer tot de levenden behoorden.
Daarom zocht Andreas liever de drie potten, waarover de geest gesproken had. Maar op het moment, dat hij ze vlak bij de weide ontdekte, ging de deur van het prachtige huis open en op de drempel stond zijn vrouw met de kinderen.
Verheugd liepen ze hem tegemoet, maar de visser herinnerde zich net op tijd de waarschuwende woorden van de geest, en in plaats van zijn vrouw in zijn armen te sluiten, draaide hij zich snel om en liep naar de potten.
Toen hij de middelste pot had opgetild, zag hij een leren buidel. Hij aarzelde niet en liep, met de buidel over de schouder, vlug de kust tegemoet.
Het was werkelijk de hoogste tijd. De jongens en meisjes en zijn vrouw liepen hem handenwringend en huilend achterna. Hun boze stemmen werden door de stormachtige zee overspoeld, en de golven kropen al begerig om zijn voeten, om hem voor altijd gevangen te houden.
Andreas rende buiten adem de kust tegemoet, maar hij struikelde en het scheen, of het water hem toch nog zou grijpen. Maar het liep goed af. Nauwelijks had hij de duinen bereikt, of hij rustte lang uit op de plaats, waar hij altijd zo graag zat.
Hier opende hij de leren buidel en bekeek nieuwsgierig de inhoud. Maar op hetzelfde ogenblik sloot hij zijn ogen weer, toen hij de verblindende schittering zag van goud en edelstenen.
Sindsdien lachte het geluk de visser weer toe. Hij kocht in Oostende een groot huis, trouwde een aardige en mooie vrouw en leefde met haar gelukkigen tevreden, en alles, wat hij ondernam, gelukte hem.
Andreas vergat zijn weldoener, de lange geest, niet.
Elk jaar ging hij aan de vooravond van Andreasdag de duinen in en hoopte, zijn weldoener tenminste één keer te kunnen bedanken.
Maar noch de geest, noch de blauwe vlammen lieten zich ooit weer zien.
Een paartje ligt in het gras en kijkt belangstellend toe hoe een koe en een stier voor nakomelingenschap zorgen. 'Zeg,' fluistert de jongeman, 'mag ik ook een keertje?' 'Voor mijn part,' antwoord het meisje. 'De boer zal er niets op tegen hebben denk ik.'
In het oude land van Juda ging De Droogte rond, met holle ogen en verbitterd, tussen verschrompelde distels en verdord gras. 't Was in de zomer. De zon scheen op schaduwloze bergruggen, de minste windkoelte dreef dichte wolken kalkstof op uit het witgrauwe veld, de kudden stonden bijeen in de dalen bij de uitgedroogde beken.
De Droogte ging rond en inspecteerde de watervoorraad. Ze dwaalde naar Salomons vijvers en zag zuchtend, dat ze nog een massa water tussen hun rotsige oevers bewaarden. Daarop ging ze naar de beroemde bron van David bij Bethlehem en vond ook daar water. Toen liep ze met slepende tred langs de grote landweg, die van Bethlehem naar Jeruzalem leidt.
Toen ze ongeveer halfweg gekomen was, zag zij de Bron der Wijzen, die daar dicht aan de weg ligt en zij merkte spoedig, dat die bijna uitgedroogd was. De Droogte zette zich op de rand van de put, die uit één grote, uitgeholde steen bestaat, en keek naar beneden in de bron. De blanke waterspiegel, die anders heel dicht bij de opening lag, was nu diep omlaag gezonken en slik en modder van de bodem maakten hem onrein en troebel.
Toen de bron het bruin verbrande gezicht van De Droogte zag afgebeeld op haar doffe waterspiegel, begon zij te golven van angst.
"Ik zou wel eens willen weten, wanneer het met jou gedaan kan zijn," zei De Droogte. "Je zult wel geen waterader kunnen vinden daar in de diepte, die je nieuw leven kan komen brengen. En van regen kan er, Goddank, in de eerste twee, drie maanden nog geen sprake zijn."
"Je kunt gerust wezen," zuchtte de bron, "niemand kan me helpen. Daar zou minstens een bronaar uit het Paradijs voor nodig zijn."
"Dan zal ik je niet verlaten, voor alles voorbij is," zei De Droogte.
Ze zag dat de oude bron haar einde tegemoet ging en nu wilde ze het genoegen hebben haar druppel voor druppel te zien sterven. Ze zette zich behaaglijk op de rand van de put en verheugde zich als zij de bron in de diepte hoorde zuchten. Zij had er ook veel plezier in te zien hoe dorstige reizigers naar de put kwamen, de aker lieten neerdalen en die optrokken met een paar modderige droppels van de bodem.
Zo ging de hele dag voorbij en toen de schemering viel, keek De Droogte weer in de put. Er blonk nog wat water in de diepte. "Ik blijf hier vannacht," riep ze. "Haast je maar niet. Als het zo licht is, dat ik je weer zien kan, ben ik er zeker van, dat het met je gedaan is."
De Droogte ging op het dak over de put zitten, terwijl de hete nacht, die nog akeliger en pijnlijker was dan de dag, neerdaalde over het land van Juda. Honden en jakhalzen huilden zonder ophouden en dorstige koeien en ezels antwoordden hen vanuit hun warme stallen. Toen eindelijk de wind opstak, bracht hij geen koelte, maar was heet en verstikkend, als de hijgende adem van een groot slapend monster.
Maar de sterren lichtten met haar allerliefelijkste glans en een kleine, blinkende maansikkel spreidde haar mooi groenblauw licht over de grijze heuvels. En in dat licht zag De Droogte een karavaan aankomen en de heuvel optrekken, waar de Bron der Wijzen lag.
De Droogte zat op het lage dak te kijken en verheugde zich opnieuw in al de dorst, die naar de bron kwam en daar geen druppel water vinden zou om gelest te worden. Daar kwamen zoveel dieren en kameelleiders aan, dat zij de bron wel hadden kunnen leegdrinken, al was die ook helemaal vol geweest. Plotseling kreeg zij de indruk, dat er iets wonderlijks, iets spookachtigs was aan die karavaan, die daar kwam aanzetten in de nacht.
Alle kamelen kwamen eerst te voorschijn op een heuvel, die scherp tegen de horizon afstak; het was alsof zij uit de hemel kwamen. Zij schenen ook groter dan gewone kamelen en droegen al te gemakkelijk de reusachtige lasten waarmee zij beladen waren.
Maar toch kon ze niets anders denken dan dat het werkelijkheid was. Zij zag ze immers heel duidelijk. Ze kon zelfs ook zien, dat de eerste drie dieren dromedarissen waren met grauw glanzend vel en dat ze rijk opgetuigd waren, gezadeld met mooie matten met franje en bereden door schone voorname ruiters.
De hele optocht hield stil bij de bron. De dromedarissen legden zich neer op het veld met drie onwillige, schokkende bewegingen, en hun ruiters stegen af. De pakkamelen bleven staan en naarmate ze dichter bij elkaar kwamen, schenen ze een onafzienbaar bos te vormen van lange halzen en bulten en wonderlijk opeengestapelde pakken.
De drie ruiters kwamen snel op De Droogte toe en begroetten haar door de handen op de borst te leggen. Zij zag, dat zij glanzend witte gewaden droegen en reusachtige tulbanden, waarop bovenaan een helder glinsterende ster bevestigd was, die straalde alsof zij direct van de hemel genomen was.
"Wij komen uit een ver land," zei een van de vreemdelingen, "en wij verzoeken u ons te zeggen of dit werkelijk de Bron der Wijzen is."
"Zo wordt zij vandaag nog genoemd," zei De Droogte, "maar morgen is het geen bron meer. Zij zal vannacht sterven."
"Dat kan ik begrijpen, omdat ik u hier zie," zei de man; "maar is dit niet een van de heilige bronnen, die nooit uitdrogen? En van waar heeft zij haar naam?"
"Ik weet dat ze heilig is," zei De Droogte; "maar wat kan haar dat helpen? De drie wijzen zijn in het Paradijs."
De drie reizigers zagen elkaar aan. "Kent u werkelijk de geschiedenis van de oude bron?" vroegen ze.
"Ik ken de geschiedenis van alle putten en beken en stromen," zei De Droogte trots.
"Doe ons dan het genoegen en vertel ons die," vroegen de vreemdelingen.
En ze zetten zich neer om de oude vijandin van alles wat groeit en luisterden. De Droogte kuchte even en kroop op de rand van de put, als een sagenverteller op zijn hoge stoel en begon haar verhaal:
"In Gabes, in Medië, een stad die aan de grenzen van de woestijn ligt en waar ik mij daarom gaarne ophoud, leefden voor vele jaren drie mannen, die beroemd waren om hun wijsheid. Zij waren heel arm, wat een ongewoon verschijnsel was, want in Gabes werd kennis hoog in ere gehouden en goed betaald. Maar door deze mannen kon dit haast niet anders, want een van hen was buitengewoon oud, de tweede was melaats en de derde was een neger, pikzwart en met dikke lippen. De mensen vonden de eerste al te oud om hun wat te kunnen leren, de tweede ontweken ze uit vrees voor besmetting en naar de derde wilden zij niet luisteren, omdat ze meenden te weten, dat nooit enige wijsheid uit Ethiopië gekomen was.
De drie wijzen sloten zich intussen in hun ongeluk bij elkaar aan. Zij bedelden overdag bij dezelfde tempelpoort en sliepen 's nachts op hetzelfde dak. Op die wijze hadden zij tenminste gelegenheid zich de tijd te korten door het gezamenlijk onderzoeken van al het wonderbare, dat zij bij dingen en mensen opmerkten.
Op een nacht dat ze, zij aan zij, sliepen op een dak, dat dicht begroeid was met rode bedwelmende papavers, werd de oudste van hen wakker en nauwelijks had hij een blik om zich heen geworpen, of hij wekte de beide anderen.
'Gezegend zij onze armoede, die ons noodzaakt in de open lucht te slapen,' sprak hij tot hen. 'Ontwaakt en heft uw ogen op naar de hemel.'"
"Nu," zei De Droogte met een wat zachter stem, "dit was een nacht, die niemand, die hem gezien heeft, ooit kan vergeten. Het heelal was zo licht, dat de hemel, die meestal op een vast gewelf gelijkt, diep en doorschijnend en vol golven scheen als een zee. Het licht stroomde er heen en weer en men zag de sterren drijven op ongelijke diepten, sommige midden in de lichtgolven, andere op hun oppervlakte.
Maar zo ver mogelijk en zo hoog mogelijk zagen de drie mannen een zwakke duisternis en dat duistere vloog door de ruimte als een bal en kwam al dichter bij en naarmate de bal naderde, begon hij te lichten. Maar hij lichtte zoals rozen - God late ze alle verdorren wanneer ze pas uit de knop komen. Hij werd al groter en het donkere hulsel er om heen sprong langzamerhand en het licht barstte naar buiten in vier heldere bladeren aan de kanten. Eindelijk, toen hij zo ver naar beneden was gekomen als de dichtstbijzijnde ster, hield hij stil. Toen bogen de donkere stukken geheel opzij en er wikkelde zich het ene blad na het andere los van een prachtig stralend rozenkleurig licht, tot hij eindelijk geheel klaar was en straalde als de schoonste onder de sterren.
Toen de arme mannen dat zagen, zei hun wijsheid hun, dat op dit uur op aarde een machtige Koning geboren werd, een wiens macht die van Cyrus en Alexander te boven zou gaan. En ze zeiden tot elkaar: 'Laat ons naar de vader en de moeder van de Pasgeborene gaan en hun zeggen wat we zoeven gezien hebben. Misschien dat ze ons dan belonen met een zak munten of met een gouden armband.'
Ze namen hun lange wandelstaven op en begaven zich op weg. Ze gingen de stad door en de stadspoort uit. Maar daar waren ze een ogenblik in de war, want nu breidde zich voor hen uit de grote droge, lieflijke woestijn, die de mensen verafschuwen. Toen zagen ze, hoe de nieuwe ster een smalle streep licht over het woestijnzand wierp en zij gingen getroost voort met de ster als wegwijzer.
Zij gingen de hele nacht voort over de witte zandvlakte en onder de hele tocht spraken ze over de jonge pasgeboren Koning, die ze zouden vinden, slapend in een wieg en spelend met edelgesteenten. Zij verkortten de uren van de nacht door er over te spreken, hoe zij tot zijn vader, de koning, zouden gaan en tot zijn moeder, de koningin, en hun zeggen, dat de hemel hun zoon kracht en macht en schoonheid en geluk voorspelde, groter dan die van Salomo.
Ze verhieven er zich op, dat God hen geroepen had om de ster te zien. Zij zeiden, dat de ouders van de jonggeborene hen niet met minder dan twintig zakken goud konden belonen. Misschien zouden zij zelfs wel zoveel geven, dat zij de pijn van de armoede niet meer behoefden te dragen."
"Ik lag op de loer in de woestijn als een leeuw," zei De Droogte, "en wilde me op deze reizigers werpen met alle ellende van de dood, maar ze ontkwamen mij. De ster leidde hen de hele nacht en tegen de morgen, toen het licht werd en de andere sterren verbleekten, bleef deze hardnekkig staan en lichtte over de woestijn, tot ze hen geleid had naar een oase, waar zij een bron en vruchtdragende bomen vonden. Daar rustten zij de gehele dag en eerst tegen de nacht, toen ze het sterrenlicht over het woestijnzand zagen, gingen zij verder."
"Voor een mens," ging De Droogte voort, "was het een heerlijke wandeling. De ster leidde hen zo, dat ze honger noch dorst behoefden te lijden. Zij bracht hen voorbij de scherpe distels. Zij ontweken het diepe losse stuifzand, zij ontweken de scherpe zonneschijn en de hete woestijnstorm. De drie wijzen zeiden aanhoudend tegen elkaar: 'God beschermt ons en zegent onze gang; wij zijn Zijn gezanten.'"
"Maar zo langzamerhand kreeg ik toch macht over hen," ging De Droogte voort. "Het hart van die sterrenreizigers veranderde in een woestijn, even droog als die waar ze doortrokken. Zij werden vol onvruchtbare trots en verwoestende gierigheid. 'Wij zijn Godsgezanten,' herhaalden de drie Wijzen. 'De vader van de pasgeboren Koning beloont ons niet te hoog, als hij ons een karavaan schenkt, beladen met goud.' Eindelijk leidde een ster hen over de beroemde Jordaan en de heuvels van Jeruzalem op. En op een nacht bleef die staan boven de stad Bethlehem, die tussen de groene olijven op een heuvel lag te schitteren.
De drie Wijzen zagen rond naar een paleis en vestingtorens en muren en al zulke dingen, die bij een koningsstad horen; maar zij zagen niets. En wat erger was, het sterrenlicht leidde hen niet eens de stad in, maar bleef staan bij een grot aan de kant van de weg. Daar gleed het zachte licht naar binnen door een opening en toonde de drie wandelaars een kindje, dat op moeders schoot rustig lag te slapen.
Maar hoewel nu de drie Wijzen zagen, dat het sterrenlicht het hoofdje van het kind omstraalde als een kroon, bleven zij buiten de grot staan. Zij gingen niet naar binnen om de kleine eer en een koninkrijk te voorspellen. Zij wendden zich af zonder hun tegenwoordigheid te verraden, en zij vluchtten van het kind weg en liepen terug naar de heuvel.
'Zijn wij uitgegaan naar bedelaars, die even arm zijn als wij?' zeiden ze. 'Heeft God ons hierheen geleid, opdat wij met Hem zouden spotten, en eer en aanzien voorspellen aan de zoon van een schaapherder? Dat kind brengt het nooit verder dan dat hij zijn kudde hoeden zal hier in het dal.'"
De Droogte hield op en knikte bevestigend haar toehoorders toe. "Heb ik geen gelijk?" scheen zij te vragen. "Er is iets, dat droger is dan woestijnzand, maar niets is onvruchtbaarder dan het mensenhart."
"De drie Wijzen hadden niet lang gelopen, toen het hun voorkwam, dat zij verdwaald waren en de ster niet goed gevolgd hadden," ging De Droogte voort. "En zij zagen omhoog om de ster te vinden en de rechte weg. Maar toen was de ster, die zij heel uit het oosten gevolgd hadden, van de heuvel verdwenen." De drie vreemdelingen maakten een heftige beweging en op hun gezichten lag een uitdrukking van diepe smart.
"Wat nu gebeurde," ging de spreekster voort, "is van het standpunt van een mens uit gezien, misschien gelukkig. Dit is zeker, dat de drie mannen, toen zij de ster niet meer zagen, begrepen dat zij tegen God gezondigd hadden. En hun geschiedde," vertelde De Droogte bevend verder, "zoals het veld in de herfst, als de sterke regens beginnen. Zij beefden van schrik als voor donder en bliksem, hun ziel werd week en ootmoed ontsproot in hun hart als groen gras. Drie dagen en drie nachten dwaalden zij door het land om het kind te vinden, dat zij moesten aanbidden. Maar de ster vertoonde zich niet aan hen. Zij verdwaalden steeds verder en voelden de grootste smart en wanhoop. In de derde nacht kwamen zij aan deze bron om te drinken. En toen had God hun de zonde vergeven, zodat, toen ze zich over het water bogen, zij daar in de diepte het spiegelbeeld zagen van de ster, die hen uit het oosten hierheen geleid had.
En onmiddellijk zagen zij die ook aan de hemel en zij leidde hen opnieuw naar de grot in Bethlehem. En zij knielden voor het kind en zeiden: 'Wij brengen U gouden schalen met wierook en kostbare kruiden. U zult de grootste koning worden, die op aarde geleefd heeft, van haar schepping af tot haar ondergang toe.' Toen legde het kind zijn hand op hun gebogen hoofden, en toen zij opgestaan waren, had het hun geschenken gegeven groter dan een koning ze geven kon. Want de oude bedelaar was jong geworden, de melaatse was gezond. En men zegt, dat zij zo heerlijk waren om aan te zien, dat zij heentrokken en koning werden - ieder in zijn eigen land."
De Droogte hield op met vertellen en de drie vreemdelingen prezen haar: "U hebt goed verteld," zeiden zij. "Maar het verwondert mij," zei de ene, "dat de drie Wijzen niets voor de bron deden, die hun de ster toonde. Zouden ze zulk een weldaad geheel vergeten?"
"Moet zulk een bron niet altijd blijven bestaan?" zei de tweede vreemdeling, "om de mensen te herinneren, dat het geluk, dat verloren wordt op de bergen van de hoogmoed, teruggevonden kan worden in het dal van de nederigheid?"
"Zijn de overledenen dan erger dan de levenden?" zei de derde. "Sterft de dankbaarheid bij hen, die leven in het Paradijs?"
Maar toen zij dit zeiden, sprong De Droogte op met een kreet. Zij had de vreemdelingen herkend, ze begreep wie die reizigers waren. En zij vluchtte als een razende om niet behoeven te zien hoe de drie Wijzen hun dienaren riepen en hun kamelen naar de bron leidden, allen beladen met waterzakken, en de arme, stervende bron vulden met water, dat zij uit het Paradijs gehaald hadden.
Er stort een vliegtuig neer, in de Egyptische woestijn, met daarin een Nederlander, een Belg en een grote neger. Ze kunnen niets doen want alles is kapot maar water hebben ze genoeg om te kunnen overleven voor een paar weken.
Na een week beginnen ze toch wel heel erge honger te krijgen. De Nederlander pakt een groot mes, hakt zijn hand eraf, deelt het in drieën en geeft ieder een stuk. Iedereen laat het zich goed smaken en zit helemaal vol.
Weer een week later krijgen ze weer heel erge honger. De Belg pakt het mes, snijdt een stuk van z'n billen eraf en geeft ieder een stuk.
Iedereen eet weer vorstelijk en ze kunnen er weer een week mee vooruit. Weer een week heeft iedereen weer honger. De grote neger staat op en maakt zijn broek los. Hij trekt zijn boxer naar beneden en er komt een enorme piemel te voorschijn.
De Belg en de Nederlander beginnen al te watertanden waarop de grote neger zegt: "Nee nee jongens, vandaag eten we pap!"
Ik voelde me zo rot! Mijn vriendje had het juist uitgemaakt omdat zijn ouders het niet goed vonden (hij was namelijk 5jaar ouder als mij). En ik lag nu in mijn bed zakdoeken vol te snotteren en mij vol te proppen met alles dat eetbaar en zoet was. Deze periode duurde niet lang, ik stond al snel weer bij mijn beste vriendin voor de deur. Deze beste vriendin was namelijk wel de stiefzus van mijn ex vriendje. Op dit moment was ze wel bij haar mama (het was bij haar papa dat mijn ex vriendje woont). Dagen kropen voorbij en ik voelde me nog altijd rot omdat ik en m'n vriendje uit elkaar waren. Ik wist niet hoe hij zich erbij voelde, want ik had sinds de breuk niks meer van hem gehoord. Ik durfde hem ook niet meer bellen of opzoeken, want zijn mama en de papa van mijn beste vriendin (dus zijn stiefpapa) wouden dat ik een tijdje niet meer langs kwam.
Vandaag kwam mijn beste vriendin slapen (die stiefzus van mijn ex weet je nog). We lagen samen een film te kijken tot ze opeens zei: ik moet je iets vertellen. Ze vertelde mij dat ze in haar bed lag en dat haar stiefbroer (dus mijn ex vriendje) bij haar in bed kroop en haar overal begon te knuffelen. Zij had natuurlijk zo snel mogelijk gezegd dat hij beter weg kon gaan. Toen mijn beste vriendin me dit vertelde begon ik te rillen over heel mijn lichaam! Het was al erg genoeg voor mij dat hij al terug met andere meisjes lag te knuffulen maar dan nog wel met mijn beste vriendin, zijn stiefzus en dan is mijn beste vriendin ook nog is 5jaar jonger als hem!
Sindsdien ben ik zo kwaad op hem omdat mijn beste vriendin dacht aan zelfmoord door dit voorval. Toch ben ik nog steeds zeer droevig omdat we ooit uit elkaar zijn gegaan. Soms vraag ik mij af waarom ik nu altijd zo'n dingen meemaak en er mensen rondlopen dat veel minder problemen hebben als ik. Ik vraag mij af of het nu aan mij ligt of het gewoon het lot is.
Daar zat ik dan,alweer aleen op het schoolplein niemand die met mij speelde.Het was begonnen toen er in Irak oorlog kwam en ik hier in Nederland kwam wonen ik kwam in groep 7 terecht .op een Nederlandse school met Nederlandse leraren en Nederlandse kinderen ,alle kinderen waren blank.Ik was bang ik kende de taal best goed maar ik zij geen woord . In de pauze zat ik op een bankje,er kwam een meisje naar me toe gelopen , ze had rood haar een brilletje en heel veel sproetjes ik vond haar wel grappig.Ze zij:wil je mee doen? Waarop er andere kinderen naar ons toe gekwamen lopen en ze boos tegen haar praatten .Ze zeiden ja hoor heb je het wijs neusje ook weer en zie je het niet of zo ze is anders ,niet zoals wij . Waarop ze weer weg liep. Na schooltijd wou ik naar huis gaan .maar ze hielden me tegen .Ze bogonnen me uitteschelden voor vieze neger en nog meer dingen die ik niet wou horen..... Ze liepen bijna allemaal weg behalve het meisje .Ik dacht gelukkig zij staat aan mijn kant maar nee hoor zij deed er nog een schepje boven op en begon grappen te maken over turken .En ik was niet eens Turks. Ik dacht als je dit moest doen om erbij te horen....... De volgende dag kwam er een nieuw meisje in de groep mijn juf stelde haar voor ze heette anne,ze was gehandicapt en zat in een rolstoel zij moest naast mij ziiten. Ik dacht aan wat er die vorige dag was gebeurd. Toen de juf even weg was deed ik iets waar ik nog steeds spijt van heb. Ik bogon HAAR uiteteschelden dat had ik nooit mogen doen. Toen begonnen de andere mij weer uit te schelden wat ik dus verdiend had. En opeens riep het meisje heel hard stop en zeiden dat ze mij met rust moesten laten. Dat maakte indruk . Na schooltijd bood ik haar mijn exuses aan ze zei dat ze het wel snapte en het gewend was vanaf toen waren we vriendinnen.Tot dat ze naar een paar maanden niet meer op school kwam . Het ging niet goed met haar .Ik bezoekte haar zo vaak ik kon op in het ziekenhuis tot dat niet meer mocht ze had rust nodig zei de zuster. Een paar dagen later kwam mijn moeder huilend de kamer in ,mijn moeder huilen,dat had ik nog nooit gezien aan haar gezicht zag ik het al ze zei aleen maar het is beeter zo anne is nu in een veel betere wereld. vanaf toen was geen dag meer normaal ik dacht altijd aan haar .Vanaf die tijd was ik op school niet meer bij de les .Ik bleef zitten ik mocht niet mee naar groep 8. En ik vond het niet eens erg. Ik kwam in een leuke groep waar het zusje van anne ook in zat met haar kon ik goed opschieten en we troosten elkaar.Niet dat ik geen verdriet om anne meer had hoor maar het ging beter met mij.louise (zo heette anne s zusje) was mij beste vriendin we dachten nog vaak aan anne maar veel verdriet hadden we niet meer we wisten allebij dat het beter zo was wandt ze had de laatste tijd zoveel pijn. Louise was dan wel mijn beste maar ook mijn enige vriendin de rest moest niets van mij hebben. Toen aan het midden van hhet jaar kreeg ik een schokkend bericht Louise bleef waarschijnlijk zitten ik wou niet nog een keer mijn beste vriendin kwijt raken,dus deed ik iets waar ik ook nog steeds spijt van heb. ik maakte mijn toetsen zo slecht mogelijk. De een naar de andere onvoldoen kreeg ik mee naar huis .Mijn moeder wist er natuurlijk niks van tot dat aan het eind van het jaar mijn moeder op school moest komen. Ik bleef weer zitten. Ik vond het niet erg nu bleef ik teminste bij LOUISE in de klas zitten en ik wist allang dat ik bleef zitten dat was mijn bedoeling. Toen de juf ging zeggen of we allemaal doorgingen zij ze alleen mijn naam . Ik dacht dat ze het was vergeten. Totdat bleek dat ik het verkeerd begrepen had. Louise zou mischien een klas oversalaan .Ik vertelde het mijn juf maar zij dacht dat het een smoesje was.mijn moeder wou mij ook niet geloven.Dus nu zit ik weer in mijn nieuwe klas alleen op het schoolplein Het is de eerste dag. Maar hier willen alle kinderen met mij spelen.Ik ben helemaal verbaasd maar ik zie Louise nog elke dag dus. Ik ben blij met mijn nieuwe klas ik heb allemaal vriendinnen. Het is hier te gek en het gaat super goed.En ik was blij wandt ik ging naar de middelbaare en Louise was blijven zitten zelfs zij was daar blij mee. IK heb nu echt een super klas!!!!!!!! en een super leven!!!!!!!!!!!!Ik ben een wonderkind er gebeurd van alles niet alles is even leuk zoals dat met anne en louise maar wat ik net al zij .HET GAAT SUPER!!!!!!
twee jongentjes lopen tegen elkaar op te scheppen de een zegt ik heb mijn moeder zwanger gemaakt zegt de ander hoe heb je dat gedaan dan zegt de een weer ik heb de pil omgeruilt voor asprientjes
toen beer op een morgen een wandeling maake, zag hij bij het meer drie eieren liggen hij keek om zich heen er was niemand te zien hallooo riep hij luid van wie zijn die eieren hij wachte en wachtte er kwam geen antwoord ik laat jullie hier niet alleen zei beer voorzichtig raapte hij de eieren op. onderweg naar huis kwam hij egel tegen ha die beer wat heb je daar bij je trots liet beer hem de eieren zien die heb ik gevonden ik ga op ze passen egel schudde zijn kop dat wordt niks zei hij daar heb je toch echt een nest voor nodig goed dan bouw ik dat even zei beer hij legde de ieren in zijn hol plukte wat gras en maakte een nest een nest alleen is niet genoeg je moet er ook op gaan zitten zei egel zal ik je voordoen hoe het moet neeee riep beer jij prikt te veel ik ben zacht en warm precies zoals het hoort egel zuchte ik ga naar huis voorzichtig ging beer op het nest liggen al snel viel hij in slaap hij werd wakker toen er iets in zijn buik prikte verschrikt sprong hij op drie kleine kuikentjes keken hem aan ze piepenten zachtjes egel brulde beer egel kwam meteen aangerend tja zei hij kalmpjes dat komt er nou van wat moet ik doen vroeg beer wanhopig gewoon ze beschermen en voor ze zorgen voor ze zorgen? ik? maar hoe dan?! eten geven, leren zwemmen, ging egel verder ,zwemmen? ja maar ... egel , kan jij dat niet doen nee hoor riep egel ik moet naar huis ik heb het veel te druk! beer keek naar de kuikens ze staarden hem hoopvol aan hij dacht diep na en vroeg willen jullie wat honing of een paar bramen misschien de kuikentjes zeiden niets wat nou? dacht beer ze willen niet eten wat zei egel liep nog meer oja leren zwemmen op een drafje liep hij naar het meer en met een grote sprong was hij in het water de kuikentjes bleven luid piepend op de kant staan. egel! brulde beer ze willen niet zwemmen egel kwam meteen aangerend je doet veel te wild daar schrikken ze van neem ze maar liever op je rug goed goed bromde beer voorzichtig zwom hij het meer op een voor een plonsden de kuikens in het water ze bleven dicht naarst hem peddelen ha lachte beer trots dat hebben ze van mij geleerd mooi hoor zei egel nu moet je ze wat te eten geven beer klom op een steen en keek strak in het water zijn poot schoot uit en ... hij had een vis te pakken vlug zwommen de kuikentjes weg ze hebben geen honger zei beer teleurgesteld egel moest lachen die vis is ook veel te groot steek je kop maar eens in het water dan zul je wel zien wat er gebeurd! beer haalde diep adem en dook de kuikentjes deden hem na hun snaveltjes gingen snel open en dicht.. en jah hoor ze aten! beer was diep onder de indruk dag in dag uit zorgde beer voor zijn kuikens s'ochtend maakten ze hem wakker en s' avonds bracht hij ze naar bed hij speelde met ze beschermde ze maar op een dag kwamen ze voor hem staan ze klapperden met hun vleugels egel riep beer daar kwam egel al aan weet jij waarom ze dat doen vroeg beer ze willen dat jij ze leert vliegen dat doen jonge ganzen eenmaal beer schudde zijn kop dat kan ik evht niet egel wreefde langs zijn neus ach dat lukt best we gaan het gewoon proberen hij nam beer mee naar een hoge heuvel nu moet je hier naar beneden rennen en flink met je voorpoten wapperen beer rende wild zwaaiend met zijn poten de gansjes hobbelden achter hem aan vlieg nou toch eens hijgde beer maar hoe hard hij ook rende het lukte niet wat nu ze dachten allebei heel diep na en opeens bromde beer ik weet iets beer nam de drie gansjes in zijn armen en klom in een hogen boom hij kneep zijn ogen stijf dicht telde tot drie en sprong egel hield zijn adem in met een geweldige plons kwam beer in het water terecht de gansjes schrokken ze fladderden wild... en ze vlogen luid snaterend maakten ze een grote boog in de lucht. egel sloeg beer op zijn schouder ik ben trots op je! dat hebben ze allemaal van jouw geleerd beer liet zich in het gras vallen dat noot meer mompelde hij nooit meer naast hem ritselde iets een stemmetje eiepte zo nu zijn wij aan de beurt
Er was onweer op komst. Snel liep Inge verder. Als ze zich zou haasten zou ze nog juist op tijd zijn. Hopelijk haalde ze haar trein nog. Ze zou voor 2 weken bij haar tante gaan logeren, die ze nog nooit had gezien. Ze hoopte dat het mee zou vallen, want er deden duistere roddels de ronde over haar tante Imelda. Het station kwam in zicht. Even later zat Inge in de trein. Ze verveelde zich. Tante Imelda zou haar komen afhalen aan het station. 2 uren later hoorde ze een stem van de luidsprekers van de trein:`We zijn zonet aangekomen in het donkerwoud. We hopen dat u een aangename reis gehad heeft.´ Inge pakte haar bagage en stapte uit de trein. Ze keek rond maar er was geen mens te bespeuren. Plotseling voelde ze dat er iemand op haar schouder tikte.�Jij bent dus Inge.� Inge draaide zich om en keek recht in het gezicht van een kleine ronde vrouw met grijze haren. Ze was niet meer van de jongste, dat was duidelijk te zien aan de rimpels in haar gezicht. In haar ogen die zo zwart als roet waren, schuilde een mysterieuze blik. De vrouw zei: “Ik ben Imelda, je tante. Volg mij maar.� Zonder iets te zeggen liep Inge achter de vrouw aan. 20 minuten later stonden ze voor een huis dat er maar verlaten bij lag. De grote tuin moest er ooit eens prachtig uitgezien hebben, maar op dit moment leek hij meer op een jungle. Het huis lag midden in het bos. Imelda liep naar de voordeur en haalde een grote sleutel uit haar schort waarmee ze de voordeur opende. Inge liep haar tante achterna het huis in. Imelda zei tegen haar:�Volg mij maar naar je kamer.� Ze liep de grote marmere trap op, die midden in de hal lag. Even later stonden ze in een piepklein kamertje met een bed en een kast. Het zag er niet bepaald gezellig uit. Imelda zei tegen Inge: “Kom laten we iets eten.� Ze gingen naar beneden en zetten zich in de grote keuken aan tafel die al voor 2 personen gedekt was. Het avondeten bestond uit bloedworst. Iets wat Inge absoluut niet graag at was bloedworst! Toen ze haar bord had leeg gegeten stond ze op van tafel en zei ze tegen haar tante dat ze maar eens vroeg naar bed ging. Imelda knikte en zei voor de rest niets. Toen Inge in haar bed lag hoorde ze een raar geluid. Zo een geluid had ze nog nooit gehoord. Nu wist ze het zeker, ze hoorde iemand schreeuwen?! Voorzichtig stapte ze uit haar bed. BONK!!! Ergens in het huis viel er een deur in het slot. Inge opende de deur van haar kamer en liep naar beneden. Er was niets verdachts te zien. De volgende morgen vertelde Inge over de rare geluiden aan haar tante. Imelda zei: �Haha, dat heb je je zeker ingebeeld� In de namiddag was Imelda naar de stad en was Inge alleen thuis. Ze verveelde zich. Op eens kreeg ze een idee. In zo een groot oud huis moest er toch iets te beleven zijn? Ze zou eens kijken wat voor kamers er nog allemaal in het huis waren. Even later stond Inge voor een grote deur, maar die bleek op slot te zijn. De tweede deur was niet op slot. Inge ging naar binnen. Wat was dit? De kamer was wit geschilderd en in het midden stond een stalen tafel. Waarvoor zou die wel dienen? Voor de rest was er in de kamer niets, behalve nog een andere deur. Zo een deur had Inge nog nooit gezien. De deur was uit hout en er waren prachtige figuren in gekerfd. Inge probeerde de deur te openen, maar dat lukte niet meteen, de deur zat vast. Na 5 minuten had ze de deur dan toch open gekregen. Achter de deur lagen trappen, die waarschijnlijk naar een kelder lijden. Ze volgde de trappen en uiteindelijk kwam ze uit in een ruimte die vol stond met kasten. Ze opende een kast. De inhoud ervan zou ze nooit meer vergeten. Glazen potten…met mensenhoofden erin!! Op eens hoorde ze een stem achter haar: “Die kast had je beter niet geopend!� Imelda stond achter haar met een groot mes in haar hand. Ze sprong op Inge toe en dode haar met een steek recht in het hart. Op de dag van vandaag spookt de geest van Inge nog altijd door het huis, tot er iemand komt, die haar hoofd uit een van de glazen potten bevrijd
Twee jaar later stierf koning Uther Pendragon. Omdat de edelen niet wisten wie ze als opvolger moesten kiezen, vroegen ze Merlijn om raad. Ze beloofden hem dat ze zich aan zijn beslissing zouden houden. Hij verzocht hun op kerstdag bij elkaar te komen in de St. Stephenskerk in Londen. Daar kregen ze te horen dat ze na de mis naar het kerkhof moesten gaan, waar op geheimzinnige wijze een grote steen was verschenen. Boven op de steen stond een groot aambeeld waarin een stalen zwaard was gestoken. Toen ze naar het wonderlijke tafereel liepen, lazen ze een inschrift op het gevest van het zwaard. De tekst luidde dat alleen degene die het zwaard eruit kon trekken, koning mocht worden. De ridders vonden dat een uitstekende oplossing en deden om beurten hun uiterste best om het zwaard los te rukken. Het lukte hun geen van allen. Teleurgesteld gingen ze weer naar huis. De troon was nog steeds onbezet. Er verstreken heel wat jaren voordat Sir Hector naar Londen kwam met zijn zoon Sir Kay en zijn pleegzoon Arthur. Sir Kay zou voor het eerst van zijn leven deelnemen aan een toernooi. Toen hij op het veld aankwam, ontdekte hij tot zijn spijt dat hij zijn zwaard was vergeten. Arthur bood aan het thuis te gaan halen. Het huis was echter op slot. Omdat hij per se een zwaard voor zijn broer wilde meenemen, liep hij het kerkhof op. Hij had vaak horen vertellen over het zwaard dat daar in het aambeeld vastzat. Met groot gemak trok hij het stalen wapen eruit.
Arthur tot koning uitgeroepen
Toen hij het vermaarde zwaard met een zekere onverschilligheid aan Sir Kay gaf, zag Sir Hector dat. Eerst was hij stomverbaasd, maar vervolgens vroeg hij aan Arthur hoe hij aan dat zwaard kwam. "Het zat in het aambeeld op het kerkhof," antwoordde Arthur. "Ik had haast en trok het eruit." Sir Hector kon nauwelijks geloven wat hij hoorde, en ging snel naar de andere ridders om te vertellen wat er was gebeurd. Samen met Arthur gingen ze naar het kerkhof en waren er getuige van dat hij het zwaard eerst in het aambeeld terugstak en het er vervolgens weer uithaalde. Toen waren ze ervan overtuigd dat hij koning moest worden. Meteen begonnen ze te roepen en te juichen van blijdschap en hun lawaai was tot ver buiten het kerkhof te horen. Maar nauwelijks had Arthur de troon bestegen of er werden geruchten over zijn raadselachtige geboorte verspreid. Sommigen verklaarden dat Merlijn hun alles kon wijsmaken over de afkomst van de jonge koning; ze waren ervan overtuigd dat Arthur niet de zoon van Uther Pendragon en Yguerne was, maar op een mysterieuze manier uit de diepten van de zee naar boven was gehaald, op de top van een golf, en op het strand vlak voor de voeten van de tovenaar was geworpen. Daarom koesterden velen wantrouwen jegens de koning en wilden ze hem in het begin niet gehoorzamen. Dit wantrouwen was louter op jaloezie gebaseerd. Wie Arthur zag, besefte meteen dat hij van koninklijke afkomst was, zo mooi was zijn lichaam, zo openhartig zijn gezicht. Tot degenen die hun jaloezie lieten blijken, behoorden enkele familieleden van de koning, met name zijn vier neven, Gawain, Gaheris, Agravaine en Gareth. Arthur moest wel oorlog tegen hen gaan voeren, ook al stond hem dat mateloos tegen. Gawain was zijn grootste vijand; elke ochtend van tien tot twaalf uur en elke middag van drie tot zes uur was hij op een wonderlijke manier veel sterker dan de rest van de dag. Daarom raadde Merlijn Arthur aan gebruik te maken van de uren waarin Gawain niet over zijn volle kracht beschikte. Arthur volgde de raad op en versloeg zijn neef.
Sir Pellinore
Toen Arthur zijn vijanden had verslagen, regeerde hij op een verstandige manier over het land. Merlijn stond hem vaak bij met wijze raad. Arthur spande zich in om onrecht te herstellen en streefde naar orde en veiligheid. Sinds de dood van Uther Pendragon was het land ten prooi gevallen aan wanorde, chaos en plundering. Maar de nieuwe koning liet blijken dat hij de touwtjes strak in handen had, zodat het volk veel respect voor hem had en de ridders hem graag hielpen. Uiteraard maakte Arthur wel eens een fout, zoals eens met Sir Pellinore. Op onterechte gronden meende hij Sir Pellinore te moeten verslaan en hij deed een plotselinge uitval naar hem. Zijn zwaard miste echter zijn doel en brak. Arthur was nu in feite ongewapend en Sir Pellinore had hem zonder meer kunnen doden. Maar Merlijn kwam tussenbeide met zijn toverkunsten. Hij liet Sir Pellinore diep in slaap vallen en bracht Arthur weg naar een veilige plaats. Arthur had veel verdriet om het verlies van zijn toverzwaard, want hij wist niet hoe hij aan een soortgelijk zwaard kon komen. Toen hij eens aan een meer stond te peinzen wat hij zou doen, zag hij een witte arm uit het water omhoogkomen. De hand hield een zwaard vast dat met juwelen bezet was. Als betoverd staarde Arthur naar het zwaard, totdat de Vrouw van het Meer verscheen en hem vertelde dat hij het mocht gebruiken. Ze zei: "U herinnert zich hoe lang geleden, op een zomeravond, een arm omhoogkwam uit de diepte van het meer, gehuld in wit fluweel, mystiek en wonderlijk. De arm hield het zwaard vast. En u herinnert zich hoe ik erheen liep en het aannam en het sindsdien droeg, als een vorst."
Excalibur
Arthur was erg blij met haar aanbod. Hij holde het meer in en pakte het zwaard, dat Excalibur werd genoemd. De Vrouw van het Meer vertelde hem dat het wapen toverkracht bezat en dat hij niet gewond of gedood kon worden zolang hij de schede in bezit had. Arthur keerde naar zijn paleis terug. Daar vernam hij dat de Saksen weer zijn land waren binnengevallen. Meteen trok hij ten strijde tegen de invallers en behaalde vele overwinningen. Kort daarna hoorde hij ook dat Leodegraunce, koning van Schotland, werd bedreigd door zijn broer Ryance, koning van Ierland. Ryance had het plan opgevat een mantel te laten maken van de baarden van koningen; hij had er nog maar één nodig om de mantel te voltooien. Arthur was verontwaardigd over de bloeddorst van de Ierse koning en ging Leodegraunce snel helpen. Tijdens het gevecht met het Ierse leger doodde Arthur Ryance met zijn toverzwaard en pakte hij ook zijn mantel af, die hij in triomf met zich meevoerde.
Arthur trouwt met Guinevere
Overladen met roem ging Arthur naar het hof van koning Leodegraunce. Hij werd daar verliefd op Guinevere, de mooie dochter van de koning. Zodra zij de Engelse koning zag, vond ze hem de mooiste en dapperste koning ter wereld en ze stemde meteen toe in een huwelijk met hem. Merlijn besloot echter dat Arthur eerst nog een veldtocht moest houden. Dus trok Arthur erop uit en meer dan ooit was hij erop gericht roem voor zijn mooie bruid te oogsten. Na de oorlog konden ze met elkaar trouwen. Het huwelijk werd met veel pracht en praal voltrokken en gevierd. Als geschenk kreeg hij van Guinevere de Ronde Tafel die eens voor zijn eigen vader was gemaakt. Toen reisde hij met zijn bruid naar Camelot (Winchester), waar hij de totale bevolking voor een groot feest tijdens Pinksteren uitnodigde. Dat was het einde van de eerste regeringsperiode van Arthur en begon de tweede periode, die het bekendst is geworden.
Ridders van de Ronde Tafel
Toen Arthur eens in Camelot was, kreeg hij het idee een ridderorde te stichten. De ridders die daartoe behoorden, moesten hem trouw zweren en zouden aan de tafel zitten die Guinevere hem had gegeven. Ze zouden de ridders van de Ronde Tafel worden genoemd. Speciaal voor deze orde liet hij een prachtig kasteel bouwen met een eetzaal die bij uitstek geschikt was om de Ronde Tafel in te zetten. Om de tafel werden de stoelen voor de ridders geplaatst. Het is niet zeker hoeveel zetels er waren. Waarschijnlijk waren het er twaalf, maar er wordt ook wel eens gezegd dat het er honderden waren. Hoe dan ook, de zetels waren zeer gewild. De ridders die een plaats wisten te bemachtigen, waren daar zo trots op dat ze een speciaal devies op hun schild lieten zetten om aan te geven welke eer ze hadden verworven. Toen de bouw van de zaal voltooid was, werd de Ronde Tafel op haar plaats gezet. In de muur waren twaalf nissen aangebracht waarin grote standbeelden stonden van de twaalf ridders die Arthur al had overwonnen. In de hand van elk standbeeld zat een kaars; Merlijn voorspelde dat ze zouden branden tot de Heilige Graal verscheen. Toen Arthur de zaal binnenschreed, was hij zeer tevreden. Hij zei tegen Merlijn: "Kijk, de zaal is klaar, de tafel is er en de stoelen staan eromheen. Vertel me nu welke ridders het waard zijn om aan deze tafel te zitten." Merlijn begon namen te noemen totdat alle stoelen op twee na bezet waren. Er werd een groot banket gehouden en het selecte gezelschap zat enthousiast rondom de tafel. Hun gedachten wijdden ze uitsluitend aan het verrichten van dappere en edele daden, want ze wilden allemaal graag de Heilige Graal zien. Toen de ridders na het banket opstonden, zagen ze dat hun naam met gouden letters in de zitting van hun stoel geschreven stond. Op één van de lege stoelen was geschreven: "Gevaarlijke zetel." De ridders vroegen verbaasd aan Merlijn wat dat kon betekenen. Merlijn vertelde dat die zetel was gereserveerd voor een ridder die volkomen zuiver was. Als er iemand met een zondig geweten op plaatsnam, zou de aarde splijten en hem verzwelgen.
Lancelot du Lac
De ridders van de Ronde Tafel werden overal beroemd vanwege hun dappere en edele daden. Sir Lancelot du Lac was het meest geliefd bij de bevolking. Chrestien de Troyes, Geoffrey de Ligny, Robert de Borron en Walter Map hebben allemaal over deze moedige ridder geschreven. Ook Malory heeft zijn stof hoofdzakelijk ontleend aan de gedichten die over Lancelot gaan. De kinderjaren van Lancelot zijn zeer interessant. Men zegt dat hij de zoon was van koning Ban en Helen. Het koninklijk paar moest uit hun belegerde kasteel in Brittannië vluchten toen hun zoon nog een kind was. Ze waren echter nog niet ver of hun kasteel bleek in brand te zijn gestoken. De aanblik van de vlammenzee was te veel voor Ban en hij viel dood neer. Helen" wilde haar man hulp bieden en legde haar kind bij een meer in het gras. Maar toen ze het weer wilde oppakken, zag ze het in de armen van Vivian, de Vrouw van het Meer, die met Lancelot onder de golven verdween. Wanhopig van angst begon Helen luid te schreeuwen. Maar dat hielp niet, want de fee verdween snel uit het zicht. Helen, die nu man en kind verloren had, trok zich bedroefd in een klooster terug. Lancelot werd met zijn twee neven, Lyonel en Bohort, opgevoed in het paleis van de Vrouw van het Meer. Daar bleef hij tot zijn achttiende jaar. Toen bracht de fee hem zelf naar het hof en stelde hem voor aan de koning. Arthur was onder de indruk van zijn verschijning en behandelde hem meteen als vriend. Lancelot kreeg een ereplaats aan de Ronde Tafel. De andere ridders begroetten hem ook enthousiast; hij was hun meerdere in schoonheid en moed.
Lancelot en Guinevere
Ondanks dit goede begin van zijn leven aan het hof zou Lancelot veel droefheid en verdriet ervaren. Want zodra hij koningin Guinevere zag, werd hij mateloos verliefd op haar. De koningin was wel dol op de ridder, die zich vaak voor haar inzette, en ze verleende hem veel gunsten. Maar haar gevoelens voor hem werden zo intens dat ze hem zelfs zover kreeg dat hij zijn vriend en koning geregeld verried. Lancelot werd verscheurd door hartstocht enerzijds en trouw anderzijds. Daardoor voelde hij zich diep ongelukkig en leed hij onder aanvallen van waanzin, waarin hij jarenlang doelloos rondzwierf. Als de aanvallen voorbij waren, keerde hij terug naar het hof, waar hij dan met nog meer kracht dan voorheen dappere daden verrichtte. In elk gevecht had hij succes, want hij vocht voor gerechtigheid. Daarnaast bleef hij zich inzetten voor de koningin, al waren er heel wat vrouwen die haar plaats probeerden in te nemen. Er zijn dichters die Guinevere willen vrijpleiten. Ze zeggen dat er twee Guineveres waren; de ene was lieflijk en zuiver en verdiende ieders respect, maar moest boeten voor de andere, die zondig en slecht was. Alle dichters zijn het er wel over eens dat Lancelot onwankelbaar was in zijn trouw aan de koningin. Hoewel het hele hof op de hoogte was van de liefde van Guinevere voor Lancelot, was Arthur te zuiver van ziel om ook maar enige verdenking te koesteren. Pas na geruime tijd kon het geheim niet langer verborgen blijven en kreeg hij door wat er gaande was. Het deed hem veel verdriet en hij stuurde zijn vrouw weg. Zij ging met haar minnaar in Joyeuse Garde (Berwick) wonen, een kasteel dat Lancelot met zijn lans had veroverd om Guinevere een plezier te doen. Toen Arthur eenmaal inzag dat hij zijn vrouw ten onrechte om haar gedrag had veroordeeld, nam hij haar weer in genade aan en ook Lancelot mocht weer aan het hof verschijnen. Daar bleef hij haar liefhebben en dienen. Toen hij op een dag hoorde dat Guinevere gevangen was genomen door Meleagans, ging hij snel achter haar aan om haar te bevrijden. Hij wist in welke richting ze was ontvoerd, want ze had als tekens een kam en een ring laten vallen. Onderweg kreeg hij met pech te kampen. Zijn paard werd hem door een toverkracht afgepakt, zodat hij op een kar verder moest rijden. Dat was voor een ridder een bijzonder ongepaste manier van reizen, want edelen die bepaalde misdaden hadden begaan werden als straf op een kar rondgereden. Mensen uit het volk kregen in zulke gevallen zweepslagen. Lancelot wilde echter per se Guinevere helpen en dus kon het hem niet schelen hoe hij bij haar kwam. Hij bereikte uiteindelijk het kasteel waar ze gevangen werd gehouden. Hij versloeg zijn vijanden en wilde Guinevere bevrijden. Tot zijn grote verbazing wilde ze helaas niets van hem weten, want ze was verontwaardigd dat hij op een kar naar haar toe was gekomen. De situatie was ondraaglijk voor Lancelot. Hij vluchtte en doolde als een waanzinnige rond. Zelfs in zijn slaap kwam hij niet tot rust.
Na enige tijd besefte de koningin dat ze niet juist had gereageerd. Ze gaf drieëntwintig ridders opdracht hem te gaan zoeken. Het duurde twee jaar voordat ze hem eindelijk vonden. Intussen had een mooie, vrome vrouw medelijden met de ongelukkige Lancelot gekregen. Toen ze zag dat hij met zijn leed voldoende had geboet voor zijn zonden, bracht ze hem naar de kamer waar de Heilige Graal werd bewaard. Daar kwam toen een heilige man die de Heilige Graal ontdekte en met behulp van de Graal Sir Lancelot geheel genas.
Gareth en Lynette
Toen Lancelot eenmaal van zijn waanzin was genezen, keerde hij terug naar Camelot. Hij werd er enthousiast verwelkomd door Arthur, Guinevere en alle ridders. Lancelot maakte Sir Gareth tot ridder, want om zijn moeder een plezier te doen had hij zijn ware naam verborgen gehouden en een jaar lang als kok gewerkt. De kersverse ridder ging meteen met de mooie Lynette op weg om haar gevangen zuster te bevrijden. Lynette hield hem echter voor een eenvoudige keukenhulp en beledigde hem op allerlei manieren. Hij verdroeg het allemaal en versloeg haar vijanden dapper. Dat maakte zoveel indruk op haar dat ze hem ging bewonderen en hem uitnodigde naast haar te komen rijden. Nederig vroeg ze of hij haar gedrag wilde vergeven. "Heer ridder," zei ze, "ik had gehoord dat u knecht was. Ik schaam me dat ik u zo heb behandeld, zo kwaad heb toegesproken, zo adellijk als ik ben. Ik dacht dat Arthur boos op mij was. Vergeef me, u hebt mij steeds vriendelijk geantwoord."
Huwelijk van Gareth en Lynette
Gareth schonk haar graag vergeving, want ook al was ze koppig en trots, hij was wel veel van haar gaan houden. Toen hij eenmaal naast haar reed, werd hij nog dapperder in het gevecht. Toen hij heel wat ridders had verslagen en haar zuster had bevrijd, beloofde Lynette hem dat ze met hem zou trouwen zodra hij tot de Ronde Tafel was toegelaten. Gareth haastte zich terug naar het hof van Arthur en vroeg hem die eer te gunnen. Dat wilde Arthur wel doen, want met zijn dappere optreden had hij intussen de nodige roem vergaard. Gareth ging dit meteen aan Lynette vertellen, waarna ze in het huwelijk traden.
Geraint en Enid
Omstreeks diezelfde tijd was Geraint, een broer van Gareth, ook lid van de Ronde Tafel geworden. Ook hij verrichtte vele dappere daden en trouwde vervolgens met de fee Enid, de enige dochter van een oude ridder die door omstandigheden tot armoede was geraakt. Geraint bevrijdde de ridder van zijn onderdrukkers en gaf hem zijn bezittingen terug. Geraint ging met zijn vrouw in zijn afgelegen kasteel wonen. Hij hield zich nog uitsluitend bezig met de hartewensen van zijn vrouwen schoof al zijn hogere verlangens opzij. Enid vond dat op het laatst niet prettig meer. Hij wilde alleen maar plezier maken en verwaarloosde zijn plichten en eergevoel. Toen hij op een dag eerder in slaap viel dan zij, begon ze haar hart te luchten en eindigde met de verklaring dat ze stellig een onwaardige vrouw was, anders zou Geraint niet alles voor haar opofferen. Toen Geraint wakker werd van haar stem, had hij het eerste deel van haar betoog net gemist, maar hij zag wel haar tranen en hoorde haar de woorden "onwaardige vrouw" uitspreken. Daaruit concludeerde hij dat ze niet meer van hem hield en dat er een andere man in het spel was. Kwaad stond Geraint (in Duitse en Franse boeken ook Erek genoemd) van zijn bed op en gaf zijn vrouw het bevel armoedige kleren aan te trekken en hem zwijgend door de wereld te volgen. Hij gaf zijn dienaar het bevel zijn paard te zadelen en ook dat van zijn vrouw Enid. Hij zei dat hij de hele wereld wilde gaan verkennen. Direct daarop gingen ze op weg. Ze wilde de man dienen van wie zij zielsveel hield, en deed dus precies wat hij zei. Ze zag hem onderweg het geheel alleen opnemen tegen ridders die hem uitdaagden, en zelf zijn wonden verbinden. Ze had geen flauw idee waarom hij zo koel tegenover haar deed, en doorstond al zijn grillen zo onbewogen dat hij op het laatst zijn vergissing inzag. Hij bekende haar dat hij haar ten onrechte van schandelijk gedrag had verdacht, en gaf haar weer het respect dat haar toekwam. Enid was toen zielsgelukkig en ze brachten de rest van hun huwelijksjaren in volmaakte wederzijdse liefde en trouw door, totdat Geraint sneuvelde tijdens één van de vele gevechten die hij voor de koning leverde.
Sir Galahad
Eens zaten de ridders met Pinksteren aan een feestmaaltijd in Camelot, toen een bedroefde vrouw de zaal binnenkwam. Ze liep op Lancelot af en vroeg hem met haar mee te gaan naar het bos in de buurt. Toen hij vroeg waarom ze dat wilde, zei ze dat daar een jonge strijder was die door hem tot ridder geslagen wilde worden. Sir Lancelot wilde haar wel helpen en ging dus met haar mee naar het bos. Daar trof hij de jongeman aan, die haar bevrijd bleek te hebben, en sloeg hem tot ridder. Vanwege zijn voorbeeldige levensloop werd de ridder later bekend als Sir Galahad de Reine. Sommigen zeggen dat hij de zoon van Lancelot was, maar anderen menen dat hij niet uit een sterveling geboren was. Zodra Lancelot in de feestzaal was teruggekeerd, hoorde hij dat er een wonder was gebeurd. Alle aanwezigen snelden naar de oever van de rivier. Het gerucht bleek te kloppen, want ze zagen een zware steen op het water drijven. Toen ze goed keken, zagen ze dat een kostbaar wapen in de steen was gestoken. Toen de steen op de oever was geland, dromden de ridders eromheen en lazen op het wapen een waarschuwende tekst; alleen een ridder die een volkomen zuiver geweten had, mocht proberen het uit de steen te trekken, ieder ander zou een zware straf riskeren. De ridders wendden zich bescheiden af, want ze hadden allemaal wel een zonde, hoe klein ook, op hun geweten. Ze keerden terug naar de zaal en zagen daar al gauw een oude man binnenkomen, die door Galahad werd begeleid. Galahad, die nog in onschuld leefde en geen vrees kende, ging op de "Gevaarlijke Zetel" zitten. In angstige spanning wachtten de ridders af wat er ging gebeuren. Maar opeens zagen ze zijn naam in gouden letters op de stoel verschijnen. Dat was het teken dat hem de eer ten deel viel. Ze begonnen uitgelaten te juichen tot de plafond balken ervan trilden. Aan zijn zijde droeg Galahad een lege schede. Toen ze hem om een verklaring vroegen, zei hij dat voorspeld was dat hij een toverwapen zou krijgen. Het verband met het wapen in de zware steen was gauw gelegd. Ze namen de ridder mee naar de rivier en wezen hem het geheimzinnige wapen. Toen hij het pakte, gaf het meteen mee en hij kreeg het er zonder moeite uit. Hij stopte het in de lege schede, het bleek precies te passen. Toen alle ridders die avond na de maaltijd aan de Ronde Tafel zaten, hoorden ze een langdurig rollende donder en voelden hoe het paleis op zijn grondvesten schudde. De prachtige kaarsen die in de handen van de twaalf standbeelden zaten, doofden onverwacht en daar kwam de Heilige Graal aan op een schitterende straal van hemels licht. De gewijde schaal, die bedekt was met wit fluweel en door onzichtbare handen werd gedragen, gleed door de grote zaal. Een heerlijke geur vervulde het enorme gebouw. Sprakeloos van ontzag en vervoering keken de ridders naar dit prachtige schouwspel, totdat de Graal weer verdween, even snel en mysterieus als hij was gekomen. De spanning onder de ridders vloeide weg en er ging een diepe zucht door het gezelschap. Toen ze weer op hun bord keken, zagen ze daar hun favoriete gerechten op liggen. Geen van de ridders wilde als eerste de stilte verbreken. Roerloos wachtten allen totdat de kaarsen weer helder brandden. Daarop dankten ze hardop voor de genade die hun ten deel was gevallen. Op dat moment sprong Lancelot onverwacht op en deed de gelofte dat hij de Heilige Graal zou gaan zoeken. Hij zou geen rust hebben voordat hij de schaal zonder sluier had gezien. Alle ridders begonnen nu te roepen dat ook zij die gelofte wilden afleggen. Arthur vroeg toen of iemand de Graal ooit zonder sluier had gezien. Niemand kon dat bevestigen. Het stemde hem wel bedroefd dat hij al zijn trouwe ridders zolang zou moeten missen, maar hij wist ook dat ze zich aan hun gelofte moesten houden. Dus gaf hij zijn zegen en verzocht hun te vertrekken. Er hing een sombere sfeer in de zaal toen de ridders opstonden. Het kostte hun veel moeite Arthur goedenacht te wensen, want ze beseften dat ze nooit meer in deze samenstelling aan een feestmaal zouden deelnemen. Dat nam niet weg dat ze zich bij hun besluit wilden houden.
De zoektocht naar de Heilige Graal
De volgende ochtend gingen ze op weg. Sommigen vertrokken alleen, anderen zochten een reisgenoot. Zo verspreidden ze zich over de wereld om dappere daden te verrichten uit naam van rechtvaardigheid en zuiverheid. Het is echter niet bekend of iemand anders dan Parzival en Galahad ooit de Graal heeft gezien. Sommigen zeggen dat Lancelot hem heeft gezien, zwak, door een sluier. Anderen beweren dat zelfs Parzival dat niet is gelukt. Alleen Sir Galahad zou het visioen hebben gekregen, en wel toen hij na jarenlang bidden en vasten overleed en zijn ziel naar de hemel ging. Na vele jaren van vergeefs zoeken gingen de meeste ridders inzien dat ze de aanblik van de ongesluierde schaal kennelijk niet waard waren. Daarom keerden ze terug naar Camelot, waar de koningin een groot feestmaal voor hen bereidde. Tijdens de maaltijd gebeurde er iets vreselijks. Eén van de gasten viel dood van zijn stoel. Blijkbaar zat er vergif in zijn drank. Geschrokken sprongen de ridders op en sommigen riepen dat de koningin schuldig was aan moord, want de gedode ridder had naast haar gezeten. "U moet bekennen of in een tweegevecht uw onschuld bewijzen!" riepen ze. De koningin wist zich geen raad en stemde in een gevecht toe. Koortsachtig zocht ze een ridder die haar kon verdedigen. Arthur kwam niet in aanmerking, want hij was haar echtgenoot en mocht haar niet op het terrein van Camelot verdedigen. Helaas bood zich geen enkele ridder aan om voor Guinevere te vechten. Het scheelde niet veel of ze was tot de brandstapel veroordeeld. Gelukkig verscheen Lancelot in vermomming en hij bracht de aanklagers ertoe hun beschuldiging in te trekken. Aan het hof van Arthur werd elk jaar een toernooi gehouden. De winnaar kreeg een kostbaar juweel als prijs. Deze juwelen, die alom vermaard waren, had de koning op een heel bijzondere manier in bezit gekregen. Toen hij als jongen eens in Lyonesse zwierf, had hij de beenderen van twee overleden koningen gevonden. Zij zouden elkaar hebben vermoord. Omdat ze broers van elkaar waren, was de moord zo weerzinwekkend dat niemand hen durfde begraven. Hun wapenrusting was al gaan roesten, maar er lag ook een kroon met diamanten, die Arthur op zijn hoofd zette. Toen hoorde hij een profetische stern zeggen dat hij eens koning zou zijn. Arthur schrok, maar was ook blij om wat hij hoorde. Hij bewaarde de kostbare kroon zorgvuldig en toen de voorspelling was uitgekomen deelde hij de juwelen op toernooien als prijs uit.
Lancelots bedrevenheid in het toernooi
Lancelot had aan al deze ridderspelen deelgenomen en telkens de prijs gewonnen. Alleen zijn naam was eigenlijk al voldoende om de overwinnaar vast te stellen. Er waren ridders die zijn succes toeschreven aan de roem die hij intussen had vergaard. Daarom verklaarde Lancelot daags voor het laatste toernooi dat het hem in wezen niets uitmaakte of hij won of niet. Toen reed hij naar Astolat en vroeg aan Elaine, de mooie vrouw die daar woonde, of ze zijn schild wilde bewaren en hem zolang een ander schild wilde geven. Elaine was op slag verliefd op Lancelot geworden en ging meteen op zijn verzoek in. Ze vroeg hem zelfs bedeesd of hij haar kleuren op het toernooi wilde dragen. Tot die tijd had Lancelot uitsluitend de kleuren gedragen die Guinevere hem had gegeven. Deze keer wilde hij echter zijn identiteit verborgen houden en daarom nam hij haar purperen, met parels bezette lint aan. Hij bond het aan zijn helm en stak een pen door de purperen zijde. Toen zei hij tegen Elaine: "Dame, uw lint dat u voor mij afsnijdt, wil ik nemen omdat ik van u houd. Zo heb ik mij nog nooit aan een vrouw gewijd, alleen die ene die mijn hart had veroverd." Ze gloeide van vreugde en trots toen ze Lancelot met haar kleuren zag, en keek hem na toen hij wegreed met Sir Lawaine, haar broer. Ze zuchtte diep en liep terug naar het kasteel. Intussen reed Lancelot, goed vermomd, naar het toernooiveld. Daar gebeurde precies wat hij had gehoopt. Niemand herkende hem en toch wierp hij alle ridders uit het zadel en won de prijs. Heel even leek het laatste gevecht hem noodlottig te worden, want hij werd zwaar gewond. Omdat hij zich zwak voelde worden en per se onbekend wilde blijven, wachtte hij niet tot de prijsuitreiking, maar reed meteen de stad uit.
Vlak buiten de poorten viel hij bewusteloos van zijn paard en hij werd naar de cel van een kluizenaar gebracht. Daar werd hij verpleegd en verzorgd door Elaine. Zij had gehoord dat er een ridder gewond was geraakt, en uit de beschrijving maakte ze op dat het Lancelot was. Daarop was ze hem meteen gaan zoeken.
Lancelot en Elaine
Elaine was erg gelukkig dat ze de gewonde Lancelot mocht verzorgen. Elke dag werd ze mooier en fijner om te zien. Maar na enige tijd was Sir Lancelot weer hersteld en wilde hij op het veld terugkeren. Hij vroeg zijn schild terug en nam afscheid van Elaine.
Zonder het te beseffen liet Elaine hem blijken dat ze van hem hield. Toen Lancelot dat merkte, trok er een schaduw over zijn gezicht, want hij wist hoe ongelukkig een mens kan zijn als liefde onbeantwoord blijft. Heel behoedzaam vertelde hij haar dat hij al van een ander hield, en ging toen van haar heen.
Elaine begon zwaar te lijden onder haar liefdesverdriet en verloor al haar kleur. Op het laatst werd duidelijk dat de "lelieblanke maagd van Astolat" spoedig zou sterven. Toen ze haar dood voelde naderen, dicteerde ze met gebroken hart een afscheidsbrief aan Lancelot en ze liet haar vader beloven dat hij de brief in haar hand zou stoppen als ze dood was. Ze verzocht ook opgebaard op een boot te worden gelegd. Omdat ze door Lancelot zelf begraven wilde worden, liet ze uit Camelot een schipper overkomen die niet kon praten.
Intussen had Gawain, die de diamant van het toernooi bij zich droeg, overal naar de winnaar gezocht. Toen hij in Astolat kwam voordat Lancelot genezen was, hoorde Gawain hoe de overwinnaar heette. In zijn onnadenkendheid vertelde hij die meteen aan Guinevere. Toen de koningin het vage gerucht hoorde dat Lancelot de kleuren van Elaine had gedragen en met haar zou trouwen, werd ze zo jaloers dat ze Lancelot bij zijn eerstvolgende bezoek heel koel ontving.
Lancelot begreep niets van haar houding en schonk haar nederig een halsketting, bezet met de schitterende diamanten die hij op toernooien had gewonnen. Guinevere greep het geschenk en wierp het door het raam, dat wegens de warmte openstond, in de stroom. Even glinsterden de diamanten en toen was alles weg.
De uitvaartboot
Lancelot schrok hevig van wat ze deed. Hij leunde vlug uit het venster en keek de juwelen na. Net op dat moment zag hij een boot die zachtjes stroomafwaarts dreef. De boot maakte een vreemde indruk op hem en hij bleef ernaar kijken. Opeens zag hij dat er een lijk op de boot lag. Even later herkende hij het gelaat van Elaine. Er ging een steek van pijn door zijn hart. De stomme schipper stopte bij de trappen van het paleis. Arthur gaf het bevel het lijk bij hem te brengen. Hij pakte de brief uit de verstijfde hand van de vrouwen las hem hardop voor aan de hovelingen die om hem heen stonden.
De koning was diep getroffen door het verhaal van Elaines liefde. Hij besloot haar laatste verzoek in te willigen en haar te laten begraven. Lancelot nam die taak bereidwillig op zich. Aan de aanwezigen vertelde hij wat er met hem en het meisje was gebeurd.
Zijn stem trilde toen hij over haar sterfbed vertelde en riep: "Arthur, mijn vorst, en allen die dit horen, weet dat ik diep bedroefd ben om de dood van deze mooie vrouw. Zij was trouwen goed en had lief met meer liefde dan alle vrouwen die ik ken. En toch, beminnen is nog niet bemind worden, niet op mijn leeftijd, al is jeugd nog zo aanlokkelijk! Ik zweer bij recht en ridderschap, dat ik geen aanleiding heb gegeven tot zulk een liefde. Mijn vrienden kunnen dat getuigen, haar broers en haar vader, die ook zelf wilde dat ik oprecht en bot zou zijn, ja, het gevoel in haar zou doven door wat mij vreemd is: onhoffelijkheid Ik deed mijn best, ik verliet haar zonder afscheid te nemen. Maar had ik geweten dat het zo zou aflopen, dan had ik iets beters geprobeerd, iets wat haar van zichzelf had bevrijd."
Gekweld door berouw over wat hij onwetend had misdaan, verliet Lancelot het hof van Arthur en begon te zwerven. Hij keerde er net op tijd terug om Guinevere te kunnen redden van weer een valse beschuldiging. Hij was verontwaardigd over de manier waarop ze was behandeld, en nam haar mee naar Joyeuse Garde. Daar zwoer hij dat hij haar zou verdedigen, als het moest zelfs tegen de koning. Dat wekte Arthurs woede; jaloerse hovelingen hadden hem al tegen zijn vrouw opgezet en Lancelots verklaring deed de deur dicht. De koning sloeg het beleg voor het kasteel waarin Lancelot en zijn vrouw zich ophielden. Arthur daagde Lancelot geregeld uit om met hem te vechten, maar de ridder weigerde dat telkens.
Daarmee was het probleem niet opgelost. Het werd steeds groter, totdat de paus zelf tussenbeide kwam en gezanten naar Engeland stuurde die de zaak onderzochten. Lancelot was ervan overtuigd dat Guinevere voortaan met alle respect zou worden behandeld en gaf haar weer aan de koning. Hij zelf trok zich terug op het landgoed van zijn vader in Brittannië.
De woede van Arthur jegens Lancelot was echter nog niet bekoeld. Hij liet Guinevere achter onder de hoede van zijn neef Mordred en ging met een groot leger naar Brittannië.
Het verraad van Mordred
Arthur was nog niet vertrokken of Mordred ging tot verraderlijk gedrag over. Hij legde meteen beslag op de troon. Omdat hij wel wist dat niemand hem zou tegenspreken, verklaarde hij in het openbaar dat Arthur was verslagen, en hij zette Guinevere onder druk om met hem te trouwen.
De koningin weigerde verbitterd op zijn avances in te gaan. Uit wraak zette hij haar in de gevangenis en hij liet haar pas weer vrij toen ze beloofde te doen wat hij wilde. Daarop vroeg ze toestemming om naar Londen te gaan, waar ze een bruidskleed zou kopen.
Guinevere had echter heel andere plannen. Zodra ze in Londen aankwam, liet ze zich in de Tower opsluiten en stuurde ze Arthur het bericht dat ze in gevaar was. De koning liet de belegering van Lancelots kasteel meteen over aan zijn mannen. Hij stak de zee over en kwam het leger van Mordred bij Dover tegen.
Mordred was erg boos omdat hij in zijn plannen werd gedwarsboomd, en verzamelde zijn leger. Na enige besprekingen werd bepaald dat Arthur en Mordred ieder met een gelijk aantal ridders zouden verschijnen om de vredesvoorwaarden vast te stellen. Ze hadden afgesproken dat ze geen wapens zouden trekken. Alles zou goed zijn afgelopen als er niet een adder in het gras was verschenen. Toen één van de ridders de slang zag, greep hij zijn zwaard om het te doden, en die onverwachte beweging ontketende één van de bloedigste gevechten die in de middeleeuwse literatuur zijn beschreven.
Het gevecht van Arthur en Mordred
Aan beide kanten vochten de ridders uitzonderlijk dapper, totdat er bijna niemand meer leefde. Toen kwam Arthur Mordred tegen. Hun ogen spoten vuur op het moment dat ze elkaar in de dodelijke strijd ontmoetten. "Eén van ons moet sterven," mompelde Mordred. "Dat ben jij," antwoordde de koning. Hoewel hij uitgeput was, lukte het hem zijn tegenstander een fatale klap te geven. Maar toen Mordred op de grond viel, hakte hij krachtig op de koning in, die ernstig geraakt werd en stervend in elkaar zakte.
Zo viel koning Arthur onder het geweld van zijn verraderlijke neef. Hij zou overigens niet gesneuveld zijn als zijn toverschede niet was gestolen door zijn zuster Morgana, de elf, die dus eigenlijk de dood van de koning veroorzaakte. Het slagveld bood een verschrikkelijke aanblik. Overal lagen lijken van ridders en de kreten van stervende krijgers verscheurden de lucht. Mordreds mannen waren tot de laatste toe gedood. Van het leger van Arthur was alleen Sir Bedivere aan de dood ontsnapt. Toen hij zag dat zijn meester op sterven lag, knielde hij snel naast hem neer en hield het bijna niet meer uit van verdriet.
Arthur gaf hem het bevel het zwaard Excalibur op te pakken en het zo ver mogelijk in het meer te gooien. Dan moest hij terugkomen en vertellen wat hij had gezien. De ridder vond het jammer zo"n kostbaar zwaard weg te gooien. Dus verborg hij het tot twee keer toe. Maar de stervende vorst kwam daar telkens achter en bezwoer Sir Bedivere tenslotte dat hij het moest weggooien.
Op het moment dat het toverzwaard het water raakte, zag Sir Bedivere een hand uit de diepte omhoogkomen. De hand greep het wapen, zwaaide er drie keer mee en verdween toen onder water. Verbaasd rende hij naar Arthur. Hij verklaarde dat hij zijn ogen had gesloten om de juwelen in het heft niet meer te hoeven zien en het zwaard toen van zich af had geworpen. "Met beide handen wierp ik het, maar toen ik weer keek, zag ik een arm, gehuld in wit fluweel, mystiek en vreemd, die het wapen pakte en rondzwaaide, drie keer, en het toen onder water dompelde."
Toen Arthur dat hoorde, was hij zichtbaar opgelucht. Hij vertelde Sir Bedivere nog dat Merlijn had gezegd dat hij niet zou sterven. Daarop beval hij de ridder hem in een boot te leggen, die geheel met zwarte doeken bekleed zou zijn. Deze boot zou hij vinden door toedoen van de elf Morgana, de koningin van Northgallis en de koningin van de Westerlanden. Sir Bedivere kon geen woord uitbrengen van verdriet en deed vlug wat Arthur hem gezegd had. Hij vond de boot, legde de koning erin en vertrouwde hem toe aan de drie vorstinnen. Bedivere vroeg Arthur toestemming hem te begeleiden, want hij zag dat hij niet lang meer zou leven. Dat vond Arthur echter niet goed, want hij moest alleen naar het eiland Avalon gaan. Hij hoopte dat zijn wond daar zou genezen en dat hij eens bij zijn volk zou terugkeren.
Arthur in Avalon
De onheilspellende, zwarte boot stak van wal, beladen met een last die men nooit meer zou zien. Toch zagen de mensen nog lang naar zijn terugkeer uit; per slot van rekening had hij zelf gezegd dat hij hoopte terug te komen. Niemand durfde te zeggen of hij leefde of dood was. Maar over het algemeen hield men het erop dat hij eeuwige jeugd en zaligheid genoot op het fabeleiland Avalon, vanwaar hij zou terugkeren als de mensen hem nodig hadden. Dat werd in Engeland zo algemeen geloofd dat toen Philips van Spanje met Maria trouwde, hij plechtig moest beloven dat hij de kroon aan Arthur zou teruggeven als deze hem zou komen opeisen.
Andere romans en gedichten vertellen dat Arthur in de boot naar Glastonbury werd gebracht, waar zijn overblijfselen in een graf werden gelegd. Guinevere trok zich terug in het nonnenklooster in Almesbury. Daar kreeg ze eens bezoek van Lancelot, die tot zijn spijt te laat was gekomen om de koning te redden of zich met hem te verzoenen. Dat deed de ridder veel verdriet, want hij had nog steeds veel respect voor de koning.
Vervolgens trok Lancelot zich in een kluizenaarscel terug en hield zich zes jaar lang bezig met boete doen en bidden. Daar kreeg hij een visioen dat Guinevere was overleden. Geschrokken ging hij naar Almesbury en vernam dat ze inderdaad niet meer in leven was. Met veel eerbied en respect zette Lancelot haar bij in de kapel van Glastonbury, naast het graf van Arthur. Daarop trok hij zich weer terug in zijn cel.
Zes weken later ging de gekwelde ziel van deze beroemde held in vrede heen. Hij was volledig uitgeput van het waken en vasten. Op het moment dat hij stierf, zag de priester die bij hem waakte hoe engelen zijn ziel opnamen en hem naar de hemel droegen. Daar werd de ziel door een koor van engelen begroet.
Het lichaam van Lancelot werd aan de voeten van Arthur begraven. Sommigen zeggen echter dat hij een graf kreeg in Joyeuse Garde, waar hij en de koningin zoveel gelukkige uren met elkaar hadden doorgebracht.
Het volk was diep bedroefd om zijn dood.
Sir Ector de Moris vertolkte de gevoelens van alle ridders toen hij zong: "Sir Lancelot, u was het hoofd van alle ridders en nu durf ik te zeggen dat u, die daar ligt, nooit geëvenaard zult worden door enige ridder hier op aarde. U was de dapperste ridder die ooit een schild voerde. U was de trouwste vriend voor uw vriend die ooit een paard besteeg. U was de trouwste minnaar onder de mensen die ooit een vrouw beminde. U was de zachtmoedigste mens die ooit een zwaard hanteerde. U was de goedhartigste mens die ooit met ridders streed. U was de vriendelijkste man die ooit in een zaal tussen vrouwen aan een maaltijd aanzat. En u was de moedigste ridder voor uw doodsvijand die ooit de speer deed rusten."
De vlo, de sprinkhaan en de ganzesprong wilden eens zien wie van hen het hoogst kon springen. En toen inviteerden zij de hele wereld en wie er verder wilde komen om naar dat fraaie schouwspel te kijken; het waren drie keurige sprongenmakers toen zij in de zaal bijeengekomen waren. "Ja, ik geef mijn dochter aan hem, die "t hoogst springt," zei de koning. "Want het staat zo armoedig wanneer de optredenden voor niets moeten springen!" Het eerst trad de vlo aan. Die had zulke fijne manieren. Hij groette beleefd naar alle kanten, want hij had jonkvrouwebloed in de aderen en was gewend alleen maar met mensen om te gaan, en dat maakt heel wat uit. Toen kwam de sprinkhaan. Die was zeker wel wat logger maar onberispelijk in zijn optreden, gekleed in groen uniform, dat was aangeboren; bovendien beweerde dit personage dat hij uit een zéér oude familie stamde uit het land van Egypte en dat hij in deze streken in hoog aanzien stond. Hij was zojuist van het veld opgeraapt en in een kaartenhuis met drie verdiepingen gezet, helemaal uit "heren" opgebouwd, met de gekleurde kanten naar binnen, maar deuren en vensters aan de buitenzijde waren van "vrouwen" en wel van "hartenvrouwen", waarvan men het lijf had uitgesneden. "Ik zing zo prachtig," zei dit personage, "dat zestien inheemse krekels, die van jongsaf hebben gepiept en toch geen kaartenhuis gekregen, van ergernis nog magerder geworden zijn dan ze al waren, alleen door mij te horen!" De vlo en de sprinkhaan hadden nu allebei verkondigd wie ze waren en bevestigden op deze wijze hun aanspraken op een huwelijk met de prinses. De ganzensprong zei niets, maar men zei van hem dat hij des te meer dacht, en toen de hofhond aan hem snuffelde stond dit dier er beslist voor in dat hij van goede familie was; de oude hofraad, die drie orden had gekregen als beloning voor zijn zwijgzaamheid, verzekerde dat hij wist dat de ganzensprong de kunst van voorspellen verstond; men kon aan zijn rug zien of er een zachte of een strenge winter zou komen, en dat kan men niet eens zien aan de rug van de man, die de almanak schrijft. "Ja, ik zeg maar niets!" zei de oude koning, "maar ik denk er "t mijne van!" Nu kwam het eropaan te springen. De vlo sprong zó hoog dat niemand hem kon zien en toen beweerde ze dat hij helemaal niet gesprongen had, dat was gemeen! De sprinkhaan sprong slechts half zo hoog, maar hij sprong de koning midden in het gezicht, en toen zei de koning dat het afschuwelijk was. De ganzensprong stond lang stil en bedacht zich; ten slotte geloofde men dat hij helemaal niet springen kon. "Als hij maar niet wat gekregen heeft!" zei de hofhond en snuffelde weer aan hem: rutsch!, daar wipte hij met een schuin sprongetje in de schoot van de prinses, die op een laag, gouden bankje gezeten was. Toen zei de koning: "De hoogste sprong is tot mijn dochter op te springen, want dat is het fijne van de zaak, maar om op zo iets te komen, daar moet men een goede kop voor hebben! Dat heeft de ganzensprong getoond. Dié heeft hersens!" En zó kreeg hij de prinses. "Ik sprong toch "t hoogst!" zei de vlo. "Maar dat doet er niet toe! Laat haar maar trouwen met dat ganzengeraamte met pin en pek! Ik sprong toch "t hoogst, maar omvang moet je hebben in deze wereld wanneer je gezien wilt worden!" En toen ging de vlo in vreemde krijgsdienst waar hij, naar men zegt, gesneuveld is.De sprinkhaan ging buiten in de greppel zitten en dacht erover na, hoe het eigenlijk wel toeging in de wereld, en toen zei hij: "Omvang moet je hebben! Omvang moet je hebben!" en zong zijn eigen, bedroefd wijsje. En daaraan hebben wij deze vertelling ontleend, die best leugen zou kunnen zijn, zelfs wanneer ze gedrukt was.
Er zit een vrouw in bus hokje. Er komt een man aangelopen, maar hij blijft buiten het hokje staan. De vrouw zegt: "Waarom kom je niet op het bankje zitten in het hokje?" De man: "Dadelijk komt de bus en die rijdt het bushokje omver." Dus die vrouw denkt: "Ik ga ook maar eens buiten het hokje staan, misschien is het wel waar wat ie zegt." Eén minuut later komt de bus en rijdt het hele bushokje omver. De vrouw tegen de man: "Ben jij een waarzegger?" "Inderdaad." "Kun je mij dat ook leren?" "Kom maar mee, dan leer ik het je. Ga eerst maar eens op je knieën zitten." De vrouw doet het, maar snapt er nog niks van. "Zo maak nu mijn broek maar eens open." De vrouw: "Ja ja, en dan moet ik je zeker gaan pijpen." De man: "Aha, je leert het al aardig."
Toen de beroemde heerser en legeraanvoerder Julius Caesar zich met zijn legioen inscheepte op weg naar Brittannië, liet hij vele van zijn vrienden en volgelingen achter in de provincies op het vasteland, om de veroverde gebieden te verdedigen.
Onder hen was de moedige Salvius Brabo, die zich in Gent vestigde, en naar hem begon men dit gebied na verloop van tijd Brabant te noemen.
Net als Caesar wilde ook Brabo Rome's roem en macht vergroten door het veroveren van belangrijke gebieden in het barbaarse land. Daarom zat hij iedere dag in het zadel, en kende slaap noch ontbering.
Op zekere dag verliet hij met zijn gewapend gevolg de stad Gent en vervolgde zijn weg door kale vlakten en dichtbegroeide heidevelden. De westenwind zorgde zoals gewoonlijk voor mist en laaghangende wolken, en toen het ook nog langdurig begon te regenen, werden de wegen voor de paarden haast onbegaanbaar. Slechts met de grootste moeite konden zij zich uit de drassige bodem bevrijden.
Toen gaf Brabo het bevel: "Afstijgen."
Zelf ging hij op verkenning uit in de naaste omgeving, die dicht met riet was begroeid, en bij zijn terugkomst zei hij: "Er moet hier ergens een rivier of beek zijn, we moeten een doorgang zien te vinden."
"Ja heer, hier stroomt de Schelde en ook de doorgang is hier niet ver vandaan," vertelde een der mannen.
"Welnu, breng ons erheen, dan kunnen we onze weg vervolgen," beval Brabo.
"Graag heer, maar de doorwaadbare plaats wordt bewaakt door de verschrikkelijke reus Draon Antigonus. Vanuit zijn toren aan de oever van de rivier kan hij alles overzien en ontdekt iedereen, die de overkant wil bereiken. Hiervoor moet een zware tol worden betaald, iedereen die de rivier wil oversteken slaat hij de hand af."
"En laten jullie je dat allemaal welgevallen?" vroeg Brabo verontwaardigd, "probeert er dan niemand met de reus te strijden?"
"Zulke waaghalzen zijn er inderdaad geweest, maar de reus heeft ze allen gedood en hun hoofd in de Schelde geworpen," antwoordde de man.
Salvius Brabo bedacht zich geen moment: "Ik zal met de reus mijn krachten meten, en dan zullen we zien wie er zal overwinnen."
Al spoedig kwamen de Romeinen bij een grote stenen toren," en precies op deze plek stroomde de rivier en ook de doorwaadbare plaats was goed te zien. Voor ze echter de nabije oever konden bereiken, weerklonk uit de toren zo'n oorverdovend spektakel, dat het leek alsof de rotsen zich in tweeën zouden splijten.
En daar verscheen Draon Antigonus, zijn zwaard dreigend omhooggeheven. Draon Antigonus was werkelijk reuzegroot, zo groot zelfs, dat de paarden hem niet verder dan tot zijn middel reikten. En toen hij begon te spreken, dreunde het de mannen in de oren. "Jullie willen zeker naar de overkant? Leg dan maar een voor een je hand op het hakblok, zodat ik ze kan afslaan, want dat is de tol die voor de overtocht betaald moet worden. Of is er soms iemand die met mij wil vechten?"
In plaats van te antwoorden trok Salvius Brabo zijn zwaard, gaf zijn paard de sporen en reed het monster tegemoet. Met verschrikkelijke kracht wilde de reus toeslaan, maar Brabo's paard sprong op het laatste nippertje opzij en het zwaard boorde zich diep in de aarde. Onmiddellijk greep de Romein in; voordat Antigonus besefte;wat er gebeurde, lag zijn rechterhand afgeslagen in het gras. De reus schreeuwde het uit van pijn en de toren sidderde op zijn grondvesten. Maar de reus herstelde zich snel; hij probeerde met zijn linkerhand het zwaard uit de aarde te trekken en boog zich daarbij diep voorover.
En weer was de Romein hem te vlug af. Hij greep het wapen met beide handen en trof de reus met zo'n geweldige slag op zijn nek, dat het reuzenhoofd met een wijde boog de Schelde invloog.
Nu was de weg vrij. Maar nog voordat ze de rivier waren doorgetrokken, wierp Salvius Brabo de afgeslagen hand van de reus in de Schelde en riep: "Daar, waar deze hand het water van de Schelde zal bereiken, daar zal de grens van Brabant zijn."
En zo had Salvius Brabo de grenzen vergroot en het land bevrijd van nood en ellende.
Maar daarmee is ons verhaal nog niet ten einde.
Salvius Brabo ging naar Julius Caesar in Brittannië en bracht verslag uit van zijn strijd met de reus. Na zijn woorden te hebben aangehoord, sprak Caesar: "Keer met je gevolg naar deze plek terug en bouw daar een stad, waarover jij moet gaan regeren. Ikzelf zal er voor zorgen, dat het een bloeiende en beroemde stad zal worden."
Brabo liet zich dit geen tweemaal zeggen. Nog in hetzelfde jaar schoten rondom de stenen toren aan de Schelde de huizen als paddenstoelen uit de grond, en steeds meer kwamen er bij.
Dankzij de vele voorrechten en privileges die Brabo van Caesar ontving, werd het al gauw een stad van grote betekenis, die in niets onder hoefde te doen voor de steden van het oude Romeinse Rijk.
Hoe ze genoemd werd? Antwerpen! Van het woord hand-werpen. Nog altijd herinnert de naam van de stad aan Brabo's strijd met de reus Draon Antigonus.
En toen de inwoners van Antwerpen hun stad, na vele eeuwen, een wapen gaven, werd daarop de afgeslagen hand van de reus Draon Antigonus afgebeeld.
Komt een man bij de dokter en verteld hem dat hij al klaarkomt als hij een vies woord hoort. Zet de dokter dat is ook kut voor u. Zegt de man "dokter,dokter, DOEKJE!!!"
Er was eens een arme vrouw en die kreeg een zoontje, en daar hij met de helm geboren was, werd hem voorspeld, dat hij op zijn veertiende jaar de dochter van de koning tot vrouw zou krijgen. Nu gebeurde het, dat de koning kort daarop door het dorp kwam, en niemand wist dat het de koning was. En toen hij aan de mensen vroeg, wat voor nieuws ze te vertellen hadden, antwoordden zij: "Er is een paar dagen geleden een kind met de helm geboren: alles wat zo iemand doet, daarin slaagt hij. Er is hier ook voorspeld, dat hij met veertien jaar trouwen zal met de dochter van de koning." De koning die een kwaad hart had en boos was over die voorspelling, ging naar de ouders toe, deed heel vriendelijk en zei: "Jullie zijn zó arm; geef mij dit kind, dan zal ik ervoor zorgen." Eerst weigerden zij het. Maar toen de vreemdeling veel geld bood en zij dachten: "Het is een gelukskind, het zal toch goed terecht komen," toen stemden ze tenslotte toe én gaven het kind aan hem.
De koning stopte het kind in een doos, en reed ermee weg, tot hij aan een diep water kwam. Daar gooide hij de doos in en dacht: "Van die onverwachte vrijer heb ik mijn dochter afgeholpen." Maar de doos zonk niet, maar dreef als een scheepje, ja, er drong niet eens een druppel water in. Zo dreef het tot op twee mijl van het paleis van de koning, en daar was een molen, en ‘t bleef tegen het rad steken. Een molenaarsjongen die er gelukkig juist bij stond en de doos zag, haalde hem met een haak naar zich toe en dacht dat er wel een grote schat in zou zitten. Maar toen hij de doos opendeed, lag er een mooi jongetje in, dat heel flink en aardig was. Hij bracht het bij de molenaar; en omdat deze geen kinderen had, waren hij en zijn vrouw heel blij en zeiden: "Het is een geschenk van God." Ze zorgden goed voor de kleine vondeling en hij groeide op tot een eerlijk man.
Nu gebeurde het, dat de koning eens bij een onweer in de molen kwam schuilen en aan de molenaar vroeg, of die grote jongen hun zoon was. "Neen," zeiden ze, "het is een vondeling; veertien jaar geleden is hij in een doos tegen ‘t molenrad aangedreven, en onze knecht heeft hem uit het water gehaald." Toen begreep de koning, dat dit niemand anders was dan het gelukskind, dat hij in ‘t water had gegooid en hij zei: "Beste mensen, zou deze jongen niet een brief van mij aan de koningin willen bezorgen; ik wil hem als loon twee goudstukken geven." "Zoals de koning het gebiedt," zeiden de molenaar en zijn vrouw en ze bevalen de jongen om zich gereed te maken. Toen schreef de koning een brief aan de koningin en daarin stond: "Zodra deze knaap met deze brief bij u komt, moet hij onmiddellijk gedood en begraven worden, nog voor ik zelf terug ben."
De jongen ging met de brief op pad. Maar hij verdwaalde en kwam ‘s avonds in een groot bos. In de duisternis zag hij een lichtje, ging er op af en kwam bij een huisje. Toen hij binnenkwam, zat er een oude vrouw heel alleen bij ‘t vuur. Ze schrok, toen ze de jongen zag, en zei: "Waar kom jij vandaan? En waar wil je heen?" "Ik kom van de molen," zei hij, "en ik moet naar de koningin, een brief brengen. Ik ben verdwaald in ‘t bos, daarom wou ik hier graag overnachten." "Arme jongen," sprak de vrouw, "je bent in een rovershol terecht gekomen en als ze straks thuiskomen, dan maken ze je dood." "Laat komen wie wil," zei de jongen, "ik ben toch niet bang; maar zo moe ben ik, dat ik geen stap meer kan doen," en hij ging op een bank liggen en sliep meteen. Kort daarop kwamen de rovers thuis en vroegen boos, wat dat voor een vreemde jongen was. "Ach," zei de oude, "dat is een onschuldig kind. Hij was verdwaald in ‘t bos, en uit barmhartigheid heb ik hem opgenomen; hij moet een brief aan de koningin brengen." De rovers verbraken het zegel en lazen de brief. En daar stond in, dat de jongen zodra hij aankwam, moest worden gedood. Toen kregen de onbarmhartige rovers zelfs medelijden, en de rovershoofdman verscheurde de brief en hij schreef een andere: en daar stond in, dat zodra de jongen aankwam hij dadelijk trouwen moest met de prinses. Dus lieten ze hem rustig tot de volgende morgen liggen, en toen hij wakker werd, gaven ze de brief aan hem, en wezen hem de goede weg. Maar toen de koningin de brief gelezen had, deed ze wat er in stond, liet een schitterend bruiloftsfeest aanrichten, en de prinses trouwde met het gelukskind; en omdat de jongen knap was en vriendelijk, leefde ze heel vrolijk en tevreden met hem. Na een poos kwam de koning weer in het paleis terug en zag dat de voorspelling toch was uitgekomen en het gelukskind getrouwd was met zijn eigen dochter! "Hoe is dat in zijn werk gegaan!" riep hij, "Ik had in mijn brief toch heel iets anders bevolen?" De koningin toonde hem de brief, en zei dat hij zelf maar zien moest, wat erin stond. De koning las de brief en begreep dat die verwisseld was. Hij vroeg zijn schoonzoon, hoe het met die brief was afgelopen, die hij hem meegegeven had; en waarom hij een andere brief had meegebracht. "Ik weet van niets," zei hij, "die moet ‘s nachts verwisseld zijn, toen ik in het bos heb geslapen." Woedend zei de koning: "Zo makkelijk kom je daar niet af. Wie mijn dochter hebben wil, moet eerst de drie gouden haren halen, die de duivel op zijn kop heeft, in de hel; en dan pas kun je mijn dochter krijgen." Zo hoopte de koning hem voorgoed kwijt te zijn. Maar het gelukskind antwoordde: "Die gouden haren zal ik wel halen; voor de duivel ben ik niet bang." En hij nam afscheid en ging op reis.
De weg voerde naar een grote stad. De poortwachter vroeg hem wat zijn vak was en wat hij wist. "Ik weet alles," antwoordde het gelukskind. "Als je alles weet, treft dat goed," zei de wachter, "en dan kun je ons een plezier doen als je eens vertelt, hoe het komt dat de fontein op de markt, die vroeger wijn spoot, nu verdroogd is, zodat er niet eens meer water uitkomt.""Dat zul je wel merken," antwoordde hij, "wacht maar, tot ik terugkom." Toen ging hij verder en reisde naar een andere stad; daar vroeg de poortwachter ook, wat zijn vak was en wat hij wist. "Ik weet alles," antwoordde hij. "Als je alles weet," zei hij, "treft dat goed, dan kun je me meteen eens zeggen, waarom de boom in onze stad die altijd gouden appelen droeg, nu niet eens meer bladeren heeft." "Dat zul je wel merken," antwoordde hij, "wacht maar, tot ik terugkom." Toen ging hij verder en kwam bij een groot water, en daar moest hij over. De veerman vroeg weer, wat zijn vak was en wat hij wist. "Ik weet alles," antwoordde hij. "Als je alles weet," zei de veerman, "treft dat goed, dan kun je me een plezier doen en me vertellen, waarom ik altijd heen en weer moet varen en nooit wordt afgelost." "Dat zul je wel merken," antwoordde hij, "wacht maar, tot ik terugkom." Hij ging het water over en daar was de poort van de hel. Het was er zwart en roetig, en de duivel was niet thuis, maar zijn grootmoeder zat er wel. "Wat wou je?" vroeg ze hem, maar ze zag er niet kwaadaardig uit. "Ik wou graag drie gouden haren van de kop van de duivel hebben," antwoordde hij, "anders ben ik mijn vrouw kwijt." "Je vraagt wel veel," zei ze, "als de duivel thuiskomt en hij vindt je, dan krijg je op je kop; maar je bevalt me wel, ik zal eens zien, wat ik voor je doen kan." Ze veranderde hem in een mier. "Kruip in de plooien van mijn rok," zei ze, "dan ben je veilig." "Ja," zei hij, "alles goed en wel, maar ik wou ook nog wat anders weten; waarom een fontein die eerst wijn spoot, nu droog is, zodat hij niet eens water geeft; waarom een boom die eerst gouden appelen droeg, nu niet eens meer loof krijgt, en waarom de veerman altijd heen en weer moet varen en nooit eens wordt afgelost." "Moeilijke vragen zijn dat," zei ze, "maar hou je nu maar stil, en let op wat de duivel zegt, als ik hem zijn drie gouden haren uittrek."
Met het vallen van de avond kwam de duivel thuis. Nauwelijks was hij binnengekomen of hij merkte dat de lucht niet zuiver was. "Ik ruik, ik ruik mensenvlees," zei hij, "het is hier niet pluis." Toen keek hij in alle hoeken en zocht maar hij kon niets vinden. Zijn grootmoeder voer tegen hem uit. "Pas is alles geveegd," zei ze, "en netjes opgeknapt, en nu haal jij alles weer overhoop, altijd ruik jij maar mensenvlees! Ga nu zitten en eet je avondbrood." Toen hij gegeten en gedronken had, was hij moe; hij ging bij zijn grootje op de grond zitten, legde zijn hoofd in haar schoot en zei, dat ze hem maar eens wat moest vlooien. Het duurde niet lang, of hij sluimerde in, begon te blazen en te snurken. Toen pakte het oudje een gouden haar, trok die uit en legde hem naast zich neer. "Au!" schreeuwde de duivel, "wat bezielt je?" "Ik heb zo zwaar gedroomd," antwoordde de grootmoeder, "toen heb ik je zeker aan je haar getrokken." "Wat had je dan gedroomd?" vroeg de duivel. "Ik droomde, dat een fontein die eerst wijn spoot, nu niets meer geeft, zelfs geen water, waardoor zou dat komen?" "Ja, als ze dat wisten," zei de duivel, "er zit een pad onder een steen in de fontein; als ze die doodslaan dan komt de wijn wel weer terug!" Het grootje ging hem weer vlooien, tot hij insliep en snurkte dat het daverde. Toen trok ze hem een tweede haar uit. "Au! wat doe je toch?" de duivel werd woedend. "Wees maar niet boos," antwoordde z’n grootje, "ik deed het in mijn droom." "Wat heb je nou weer gedroomd?" vroeg hij. "Ik droomde: in een koninkrijk stond een vruchtboom en die droeg altijd gouden appelen, en toen kwam er ineens niets meer aan, zelfs geen loof. Hoe zou dat toch komen?" "Ja, als ze dat eens wisten," grijnsde de duivel, "aan de wortel knaagt een muis, laten ze die doden, dan komen de gouden appelen vanzelf weer terug; maar doen ze het niet, dan verdort de hele boom. Maar laat me nu verder met rust met je gedroom, als je me nog eens in mijn slaap stoort, krijg je een draai om je oren." De grootmoeder suste hem en begon hem weer te vlooien; hij sliep weer in en snurkte. Toen nam ze de derde gouden haar beet en trok die uit. De duivel sprong op, schreeuwde en wilde haar slaan, maar ze kalmeerde hem nog eens en sprak: "Wat doe je tegen boze dromen?" "Wat droomde je dan nu weer?" vroeg hij, want nieuwsgierig was hij toch. "Ik heb gedroomd van een veerman. Hij beklaagde zich dat hij altijd maar heen en weer moest varen, en nooit werd afgelost. Hoe komt dat toch?" "Die domkop!" antwoordde de duivel, "als er iemand komt om over te zetten, laat hij hem dan de boom geven, dan moet de ander hem overzetten en is hij immers vrij?" Daar de grootmoeder hem zijn drie gouden haren had uitgetrokken en antwoord op de drie vragen gekregen had, liet ze de oude draak met rust en hij sliep tot de dag aanbrak.
Toen de duivel weg was gegaan, haalde het oudje de mier uit de plooien van haar rok, en gaf het gelukskind weer zijn mensengedaante. "Daar heb je de drie gouden haren," sprak ze, "en wat de duivel op je drie vragen gezegd heeft, zul je wel gehoord hebben." "Ja," antwoordde hij, "ik heb het gehoord en ik zal het onthouden." "Dan ben je dus geholpen," zei ze, "en nu kan je weer weg." Hij bedankte het oudje voor haar hulp in de nood, ging de hel uit en was tevreden dat hem alles zo goed was gelukt. Toen hij bij de veerman kwam, moest hij hem het beloofde antwoord geven. "Eerst moet je me overzetten," zei het gelukskind, "dan zal ik je zeggen, hoe je verlost wordt." En toen hij aan de overkant weer op de oever stond, gaf hij hem de raad van de duivel. "Als er weer iemand komt die overgezet wil worden, geef hem dan je boom in de hand." Hij reisde verder en kwam in de stad, waar de kale boom stond en waar de poortwachter het antwoord wilde hebben. Toen sprak hij, zoals hij van de duivel had gehoord: "Dood de muis, die aan de wortel knaagt, dan zal de boom weer gouden appelen dragen." De poortwachter bedankte hem en gaf hem tot beloning twee ezels, met goud beladen. Tenslotte kwam hij in de stad, waar de fontein verstopt was. Hij vertelde aan de poortwachter, wat de duivel had gezegd: "Er zit onder in de fontein onder een steen een pad. Die moet je vinden en dood maken; dan komt de wijn wel weer." De poortwachter bedankte hem en gaf hem ook twee ezels met goud beladen. Eindelijk kwam het gelukskind weer thuis bij zijn vrouw, die heel blij was, toen ze hem weerzag en hoorde, hoe goed alles was geslaagd. Hij bracht de koning, waar hij om was uitgestuurd: de drie gouden haren van de duivel; en toen de koning de vier met goud beladen ezels zag, was hij zeer verheugd en sprak: "Nu zijn alle voorwaarden vervuld, nu mag je mijn dochter hebben. Maar lieve schoonzoon, zeg nu eens, waar heb je al dat goud vandaan? Dat zijn schatten!" "Ik ben over een water gevaren," antwoordde hij, "en daar heb ik het meegenomen, het ligt aan ‘t strand net als zand." "Kan ik daar ook wat gaan halen?" sprak de koning en de begeerte straalde z’n ogen uit. "Zoveel u wilt," antwoordde hij, "er is een veerman, die zet u over, en dan kunt u uw zakken vullen." De hebzuchtige koning ging meteen op reis en toen hij bij ‘t water kwam, wenkte hij de veerman, hij moest hem overzetten. De veerman kwam en liet hem instappen, maar aan de andere oever gaf hij hem de boom in de hand en sprong weg. De koning was nu veerman geworden tot straf voor zijn zonden. "Zet hij nog over?" "Nu, zou iemand hem de boom hebben afgenomen?"
Een koppel komt juist terug uit de tropen en wil een slang en een stinkdier het land binnen smokkelen. "Dat is niet mogelijk", zegt de vrouw. "Jawel", zegt de man, "ik doe de slang rond mijn middel zoals een broekriem en gij steekt dat stinkdier in uw slipje." "Ja, maar", zegt die vrouw, "gaat dat niet stinken?" "Daar kan dat dier wel tegen hoor."
Er was eens een domme en gewichtig doende raaf, die ver, ver boven de zee vloog. Hij vloog en vloog, verder en verder en toen hij vermoeid werd, begon hij naar land uit te kijken. Maar er was geen land te zien. Tenslotte was hij zo moe, dat hij zich juist nog zwevende boven het watervlak kon houden. Toen er plotseling vlak voor hem een grote walvis opdook, raakte hij zo in de war, dat hij recht in diens bek vloog.
Gedurende een ogenblik werd het donker om hem heen. Het ruiste en klokte en juist toen hij dacht te moeten sterven, tuimelde hij een huis binnen, een waarlijk prachtig huis, waarin het licht en warm was. Op een bank zat een jonge vrouw en hield zich bezig met een brandende lamp. Zij stond op en ontving de raaf vriendelijk, terwijl ze zei: "Jij bent mij welkom als gast. Alleen moet je mij één ding beloven: Jij mag nooit aan mijn lamp komen."
De raaf, die zich gelukkig voelde dat hij nog in leven was, haastte zich haar te verzekeren, dat hij de lamp nooit zou aanraken. En vervolgens ging hij op de bank zitten en hield niet op zich erover te verwonderen, dat het in het kleine huis zo fijn en schoon was. Het was een huis van walvisbeenderen, gebouwd als de woningen der mensen en alles daarbij was ingericht zoals de mensen dit gewoon zijn te doen.
Maar de jonge vrouw was zonderling onrustig. Zij zat nooit lang stil. Met korte tussenpozen stond zij van de bank op en verdween door de deur. Het duurde steeds maar een ogenblik of zij kwam weer binnen. Maar dadelijk was zij weer weg.
"Wat is het, dat je zo onrustig maakt?" vroeg de raaf.
"Het leven," antwoordde het jonge meisje, "het leven en mijn ademhalen."
Maar dit antwoord begreep de raaf helemaal niet. Nadat hij wat gekalmeerd was en er ook geen angst meer op hem drukte, begon hij nieuwsgierig te worden. "Hoe komt het toch, dat ik die lamp niet mag aanraken?" dacht hij. En telkens wanneer het meisje naar buiten sloop en hij alleen bleef, kreeg hij steeds groter zin om zijn belofte te breken en naar de lamp toe te gaan om er een heel klein beetje aan te pikken. Tenslotte kon hij zijn nieuwsgierigheid niet meer bedwingen. En toen het meisje wederom de deur uitsloop, sprong hij op en pikte aan de pit van de lamp. Op hetzelfde ogenblik tuimelde het meisje voorover door de deuropening, viel op de vloer en bleef daar liggen, terwijl de lamp uitdoofde.
Te laat kreeg de raaf berouw over wat hij gedaan had. Hij wankelde in de zwarte duisternis rond en het mooie, lichte huis was er niet meer. Hij stikte bijna. Hij dwaalde tussen spek en bloed rond en zo heet werd het daar binnen, dat zijn veren afvielen. Half verstikt waggelde hij in de buik van de walvis rond en pas nu begreep hij wat er was gebeurd: het jonge meisje was de ziel van de vrouwelijke walvis. En zij sloop de deur uit de vrije lucht in, steeds wanneer de walvis wilde ademen. En haar hart was een lamp met een grote en rustige vlam.
De raaf had uit louter nieuwsgierigheid aan het hart van het jonge meisje gepikt. En daardoor was zij gestorven. Hij wist niet, dat het fijne en schone ook breekbaar is en licht te verstoren, want zelf was hij dom en taai. En hij streed nu in het donker en in bloed voor zijn leven. Alles wat voorheen mooi en rein was, was nu lelijk en stinkend.
Tenslotte gelukte het hem langs dezelfde weg naar buiten te sluipen als hij was binnengekomen. En daar zat hij nu, een halfnaakte raaf, besmeurd en vervuild op de rug van een dode walvis.
Daar bleef hij dan zitten. En hij leefde van aas, terwijl wind en golven vrij spel met hem hadden. Zijn vleugels waren door hitte en bloed onbruikbaar geworden. Vliegen kon hij dus niet meer.
Een storm dreef hem eindelijk aan land. En de mensen zagen het walviskadaver en voeren in hun boten erheen om vlees en spek te bergen. Toen de raaf hen zag, veranderde hij zich ogenblikkelijk in een man, in een kleine, lelijke, vervuilde en gekwetste man, die boven op de walvis stond.
Hij zei er natuurlijk niets van, dat hij uit louter nieuwsgierigheid een hart had beroerd en iets fijns en schoons vernietigd had. Hij kletste maar triomfantelijk weg: "Ik heb de walvis gedood! Ik heb de walvis gedood!"
Vader en dochter lopen door de stad. Zegt dochter tegen vader: Kijk pap die bh kost maar 5 gulden. o zegt vader... ja daar kun je ze niet voor laten hangen.
Het begint met een liefdesavontuur en het eindigt met een woord van afscheid
Het begint met een liefdesavontuur en het eindigt met een woord van afscheid
In dit verhaal gaat het om de tragische liefde tussen een jonge ridder en een non. Hij had haar lief, en dacht dag en nacht aan haar. Haar stem achtervolgde hem, zijn ziel was één met de hare, als twee klokken die tegelijkertijd beieren.
Aangezien zij in het klooster woonde, was het hem zelfs niet toegestaan openlijk zijn verlangen uit te spreken en haar lief te hebben op afstand. Het onvervulde liefdesverlangen heeft voor sommigen een hele bijzondere bekoring, maar zelfs dat was voor de ridder niet weggelegd.
"Ach liefste! Jij, die zo ver van mij vandaan woont, denk jij aan mij zoals ik aan jou? Ik heb je lief. Ik zal je nooit kunnen zeggen lieveling, dat ik van je houd. Tussen ons bevinden zich grote landen zonder wegen. Ik herinner me nog alles van je. Je moet niet denken dat ik je vergeten ben. Je bent als de zon in mijn leven, en ik ben de zonnebloem die zich naar het licht wendt. Maar het is nu al zo lang geleden dat de zon heeft geschenen. Ik weet niet of jij mij nog liefhebt. Vaak denk ik dat je me vergeten bent. Hoe kan dit ook anders, jij die in een andere wereld leeft, waar ik nooit zal kunnen komen?" Dit zijn woorden van een wanhopige minnaar, die hoopt zijn geliefde voor zich te winnen. Maar deze ridder was zonder enige hoop.
Al zong Gertrudes naam dag en nacht in hem, hij kon zijn armen nooit naar haar uitstrekken, en hij was veroordeeld eenzaam te blijven. Er is altijd een grote zomerdag in het leven van alle geliefden, een dag die eindeloos lang schijnt te duren, al hoort men de tijd voorbij tikken. Maar zelfs deze ene dag had hij niet genoten. Andere liefdes kende hij niet. Hij moest zijn leed helemaal alleen dragen, en haar naam fluisterde hij slechts wanneer hij ver uit de buurt van mensen was. "Gertrude!" Hij haalde zich echter uit eerbied voor haar keuze nooit haar beeld voor de geest.
Zij woonde in het klooster, en zij diende Maria, de Moeder der Smarten. Zij bad elke dag vurig tot haar, geheel verzonken, zoals alleen zij kunnen die gewend zijn aan voortdurend en volhardend bidden.
Zal alleen hij, verteerd door vuur en vlam ooit gelouterd voor u staan? Zal alleen hij in uw hemel gaan die gebroken tot u kwam?
Nooit kwam haar iets ter ore over zijn hopeloze liefde voor haar. Hij dwaalde rusteloos langs akkers en wegen, terwijl zij zich volledig wijdde aan de dienst van de Heer. "Wat zal er met mij gebeuren?" zo vroeg hij zich af. "Waarom moet ik zo lijden?"
Iemand die zo denkt, vindt niet gemakkelijk troost in het leven. Troost is er voor de man die zegt: "Het lot brengt mij zware slagen toe, maar ik zal er niet voor buigen, en terugslaan." De ridder werd echter onophoudelijk geteisterd door zijn verdriet; in golven van pijn beukte zijn machtige liefde over hem heen, en het maakte hem zwak en weerloos. En de storm nam niet af in kracht.
De dag kwam dat hij bang werd van zichzelf. Zo scherp stak de pijn in zijn wezen dat hij besefte dat hij er een ander mens door was geworden. Af en toe zadelde hij zijn paard en ontvluchtte hij zijn kille, eenzame burcht. "Hoe krijg ik ooit mijn rust weer terug?" dacht hij, als hij als een dolleman over de weg reed. "O! Dat ik uitgerekend deze vrouw moet beminnen, die ik niet beminnen mag. Ik ben nog jong en ik verlang ernaar van iemand te houden. Als zij nog in de wereld zou staan, als zij haar gelofte niet had afgelegd... ik zou met haar in de bloeiende geurende wei liggen, waar het gras zo hoog is, dat het met gemak twee geliefden verbergen kan. Of zij zou met mij door het bos dwalen, tot achter de hoge stammen van de bomen, tot waar het kreupelhout het dichtst is. Ik voel aan het bonzen van mijn hart, dat daar mooie muziek te horen is... die ik nooit zal kunnen beluisteren." Al te lang kon hij deze gedachten niet verdragen. Op een van zulke wildemanstochten bedacht hij een plan. Hij kon Gertrude weliswaar niet de beker van zijn liefde overhandigen, waaruit zij kon drinken en zich verzadigen, maar wel kon hij haar klooster bedenken. En zo vond zijn liefde een manier om zich zonder woorden te uiten. Hij was een dappere ridder die vele schatten had vergaard, en hij gaf ze stuk voor stuk weg aan het klooster. Hierdoor kwam het klooster tot grote rijkdom. Kostbare edelstenen, saffieren, karbonkelen, jaspissen, onyxen, al deze wonderbaarlijke stenen met hun diepe schittering schonk hij de kerk.
Hij gaf opdrachten aan schilders - hij betaalde ze in goud om Jezus' heilig leven op het doek vast te leggen. De doeken lieten de Heer aan het kruis zien, of Jezus omgeven door zijn discipelen. Ook heiligen werden afgebeeld, zoals Christophorus, groot van gestalte en van geloof, die met een kind op de armen door het woeste water waadde om het veilig naar de overkant te brengen. Men zag ook de Heilige Moeder Gods met het kindeke Jezus op haar schoot.
Het klooster kreeg groot aanzien in de streek. De vrome nonnen deelden van hun overvloed met de armen en zij gaven volop aalmoezen. Al snel was er weinig armoede meer in de streek. De ridder zag dat zijn rijkdommen stilletjes aan verminderden, en nog steeds werd hij door zijn liefde gekweld. Al deze jaren, dat hij het klooster had bedacht, waren in de gapende afgrond van de tijd verzonken, nu kwam er een andere tijd aan. Wat moest hij beginnen, als hij geen schatten meer brengen kon?
Hij trok ten strijde, en zijn buit was groot, want hij vocht in vele landen. Wonderlijk mooie spullen kwamen in zijn bezit. Hij zond ze allemaal naar het klooster. Hij veroverde kransen van goud, zilveren bekers met edelstenen bezet, tafels van citroen - en van rozenhout, marmeren beelden, geheimzinnig fonkelend glaswerk, dat van binnenuit vlamde, parels van welke de waarde niet te schatten was.
Maar alles wat hij zond, was overgoten met een glans die niet van enige stof afkomstig was. Het goud en zilver wat er blonk waren de liefkozingen en fluisteringen van een oprecht minnaar, die geen andere woorden had.
Maar zijn krachten namen langzamerhand af. De armen van de ridder voelden minder hard en gespierd aan en na een zware tocht voelde hij zich moe. Hij zond minder en minder goederen naar het klooster en op een dag merkte hij tot zijn schrik dat hij arm was geworden. Al zijn geld en goed had hij verspeeld, en hoewel hij de ouderdom al in zijn botten voelde kruipen, bleef zijn liefde even brandend als in zijn jeugd. Dag in dag uit zat hij voor zich uit te staren, en hij zag zijn ongeluk zonder ophouden in de ogen. "O Gertrude!" zo peinsde hij, "mijn hele leven heb ik je gediend, en nooit heb ik mijn liefde voor je kunnen uitspreken. Ik ben nu verder van je verwijderd dan ooit. De dag dat ik je heb ontmoet, is een dag die voor mij een zegen en een vloek tegelijkertijd is. Wat moet ik zonder jou beginnen? Waarom heb ik mijn jeugd verloren? Kon ik nog maar eenmaal jong zijn, en opnieuw beginnen.
Voor elk mens komt de tijd dat hij op zijn leven terugkijkt. Gelukkig zijn zij die zich hun kindertijd en jeugd herinneren, en hoe zij gegroeid zijn tot volwassenheid en ouderdom. Maar ik! Wee mij! Ik heb steeds gehandeld als een jonge man en nooit aan iets anders gedacht dan aan de toekomst. Mijn hele leven lang heb ik gehoopt, tegen beter weten in. Ik leefde in een droom! Ja, al de tijd dat ik haar heb liefgehad, was ik alleen maar bezig met de dag van morgen. De volgende dag was voor mij steeds aanlokkelijker dan die van vandaag en nu... heb ik geen toekomst meer!"
Iedere dag reed hij uit, maar hij kwam zelden nog met schatten thuis. Hij was eenzaam, en fluisterde urenlang tegen zijn Gertrude, terwijl hij met zijn paard de bossen doorkruiste. "Zul je niet denken, dat ik je vergeten ben? Nu zul je geloven dat mijn liefde een einde heeft, als de bloei van bloesem, die kort en uitbundig leeft. Liefste! Er is niets eenvoudigers en toch geheimzinniger dan trouw. Mijn leven is aan het jouwe gebonden. God alleen weet hoe ik lijd. Zullen je zusters niet vragen: 'Is de ridder gestorven, omdat we niets meer van hem horen of zien?' Zul je misschien aan de poortwachters gaan vragen: 'Wanneer hebben jullie voor het laatst zijn wilde stofwolk op de weg zien waaien?' Zul je om mij huilen, denkend dat ik gestorven ben? Maar nee, het is je niet toegestaan om te huilen om een man die je heeft liefgehad. Je mag alleen voor hem bidden. Gertrude, mijn zuster Gertrude!"
Hij keek op toen hij een vreemd schrapend geluid hoorde, en een schrikwekkende gedaante met hoorns op zijn kop en harige poten in plaats van benen stond voor hem. De ridder herkende hem in een oogopslag en sloeg zijn handen voor het gezicht. Was hij dan al zo diep gezonken? "Ridder!" zo begon de duivel, "waarom bent u bang van mij? Bent u niet van God verlaten geweest, zolang u heeft geleefd? U heeft nog meer geleden dan Job, ja ik kan met de hand op mijn hart verklaren dat ik er niet veel heb gekend die ongelukkiger waren dan u. Maar - zo vraag ik u weet u wel zeker dat u deze pijn moet doorstaan? Heeft u nooit over uw redding nagedacht?" De ridder deinsde terug.
"Wat wilt u van mij, u, die altijd, de vele jaren dat ik bezeten ben van mijn liefde, op de achtergrond hebt toegekeken, en die nu in volle glorie voor mij verschijnt. Waarom bent u niet eerder gekomen, als het toch uw voornemen was?" "Ik wacht altijd het goede ogenblik af. De mensen aanvaarden mijn hulp pas als ze radeloos genoeg zijn. Dan kom ik in hun leven, en... en neem wat me toekomt. Wat ik te bieden heb, is veel, en wat ik vraag, is weinig, maar voor mij genoeg."
"Ik weet wat u vraagt," zei de ridder somber, "al weet ik nog niet precies wat u er dit keer voor wilt geven. Maar geloof maar niet dat mijn ziel voor mij niet kostbaar is. Dat is toch wat u eist, mijn ziel, in ruil voor geld en goud? Door u verspelen wij de hemel."
"Maar edele ridder, u moet zich niet om het hiernamaals bekommeren! Denk aan uw Gertrude. U houdt van haar. Ik begrijp niet dat u nog aan iets anders denkt. Hoe kunt u dit doen?"
"Ik kan het ook niet!" gaf de ridder radeloos toe. "U weet net zo goed als ik dat er voor mij maar één rijkdom is op de aarde en in de hemel, en dat is mijn liefde voor Gertrude!" "Als dat waar is, als er maar één rijkdom is op de aarde en in de hemel, en ik kan u die geven, waarom wilt u dan uw ziel niet afstaan, die voor u immers geen rijkdom is? Hoor wat ik u bieden kan! Schatten en schatten, zoveel u wilt, goud en zilver en diamant, alles wat voor geld te koop is. Geen uur zal voorbijgaan of u kunt Gertrude bewijzen dat u nog aan haar denkt. Geen zorgen meer omdat uw armen krachteloos worden. Ouderdom bestaat niet meer voor u, u leeft voor uw liefde, en Gertrude zal u onophoudelijk prijzen in haar gebeden. Hoelang zal dit duren? Zeven volle jaren. En bedenk dat zeven jaren voor u de eeuwigheid zijn. Wat heeft u er immers zonder mij van te verwachten? Niets! Kom ridder, bezegel mijn contract met uw bloed, en u kunt weer leven zoals vroeger."
"Ga weg van mij, Satan, je maakt het me onverdraaglijk moeilijk. Waarom wilt u dat ik u toebehoor? Zoek rijkere zielen, zie, ik smeek het u! Als zij het wist, ze zou het nooit toestaan!" "Als zij het wist? Maar ridder, nu drijft u de spot met uzelf en met mij. Zij zal het immers nooit te weten komen. Zeven jaren lang zal ze denken dat u al uw geschenken in de strijd verworven hebt. Doe niet zo dwaas."
De ridder had geen weerstand meer en boog het hoofd, ten teken van onderwerping. De duivel nam het zware perkament uit zijn kleed, en legde het de arme minnaar voor. Hij tekende met zijn bloed.
"Tot ziens, ridder van mij!" De duivel verdween spoorslags. Zeven jaren lang scheen het of de ridder geen leed kende. Iedere dag scheen de zon voor hem. Hij zond het klooster geschenken, rijker dan ooit. De dagen, alle bodes van het geluk, snelden de ridder voorbij. Niemand wist dat hij een verbond met de duivel had gesloten. Gertrude bad voor hem tot de Heilige Moeder Gods, zonder te beseffen wat voor een grote zonde hij op zijn geweten had, en hoe de arme gulle gever Gods genade meer nodig had dan enige andere sterveling.
En zo verdwenen de eerste zes jaren aan de horizon het zevende begon aan de meedogenloze wedloop. De ridder die de kransen van krokus en sneeuwklok zag opbloeien, hield van schrik zijn adem in.
Toen de zeven jaren om waren, wist de ridder dat hij de zwaarste tocht van zijn leven moest aanvaarden. Eeuwige verdoemenis wachtte hem en hij ging naar het klooster om nog eenmaal de vrouw te zien voor wie hij zijn ziel had gegeven. Men langzame pas liep hij tot aan het klooster, en daar zag hij Gertrude. Het was hem niet toegestaan op haar af te gaan, en hij mocht zijn hand niet op haar hart leggen. Zij glimlachte tegen hem, maar deze glimlach was er niet een van aardse liefde. Zou ze weten dat hij haar beminde? Weten vrouwen het ook als het niet met woorden wordt gezegd? Ze nam een beker en vulde die vol met wijn.
"Vaarwel," zei ze. Hij dronk haar toe, maar antwoordde niet. Hij durfde haar geen ogenblik aan te kijken. Hij wierp zich op zijn paard en reed weg. Zijn ziel snikte: "vaarwel! Vaarwel!" Gertrude boog zich voor het altaar neer, en bad vurig. Hoe wist ze dat hij haar voorspraak nu meer dan ooit nodig had? Haar woorden gingen recht naar de hemel. Rijdend, rijden over het wijde veld, kwam de ridder bij de plek waar de duivel op hem wachtte "Hier ben ik," zei hij ademloos, "neem mijn ziel." De duivel zag hem duister aan.
De macht van de liefde
"Ik kan uw ziel niet nemen," antwoordde hij bitter, zichtbaar ontstemd om de schat die hem ontging, "alles en iedereen spant samen om u te redden. Ben ik niet de arme Lucifer, en weet ik niet uit eigen ervaring hoe sterk de hemelse machten zijn? Wee mij, ik heb u verloren door de macht van Gertrudes gebed." Hij verborg zijn gezicht in de mantel.
De ridder begon een nieuw leven. Hij kwam tot zichzelf, en hij zag zijn zonden uit het verleden onder ogen. Hij zond geen schatten meer naar het klooster waar Gertrude leefde, maar hij werd monnik, en hij leidde evenals zijn zuster een vroom leven van vasten en gebed.
Deze tragische liefdesgeschiedenis bleef echter voortleven in de harten van de mensen. Telkens als iemand een zware tocht moest gaan ondernemen, vulde men een beker met wijn en men sprak het droevige woord met zijn sombere klank: "Vaarwel!" En dan proostte men en wenste de reiziger het "heil van Sint-Gertruiminnen" (of Sint-Geertenminnen). Dit deed men ter herinnering aan de aardse liefde van de ridder en aan de liefde voor God van de non Gertrude, die dankzij de macht van het gebed de arme ziel van de ridder had gered uit de klauwen van de duivel.
Alles ingepakt vraagt mam. Ja,waar is Samantha vraagt Deborah. In haar kamer zegt mam. Gaat ze niet mee vraagt Deborah. Ik denk van niet zegt mam. En Jessy...vraagt Deborah. Nee ook niet zegt mam.Oke,dan ben ik lekker alleen zegt Deborah lachend.Ja,he zegt mam.Wie gaat er vraagt pap.Ik zeggen Deborah en Jayden. Ga jij ook vraagt Deborah.Euhm had niet gedacht zegt haar broertje.Jouw hinderlijke aap zegt Deborah.Watt??zegt Jayden.Hou je mond zegt Deborah en stapt in de camper.Nou ik ook zegt Jayden.Waar is mam vraagt Jayden.In de keuken zegt pap snel.
Mamaaa roept Deborah akelig.Ja,schat vraagt mam bezorgt.Ikke wil overgeven zegt Deborah.Ooooh,liefje stop even roept mam bezorgd.Watt is er vraagt pap.O,lief onze Deborah wilt overgeven zegt moeder bezorgt.O,oke dan stop ik meteen zegt pap.Deze camper is wel hoog en groot hoor zegt jayden. Kom Deborah zegt moeder snel. Deborah rent naar buiten en geeft meteen over.O,ben je ziek vraagt pap. Ik denk van wel zegt Deborah zacht. O,dan moet je wel de hele tijd liggen. Dit word slechste vakantie ooit gilt Deborah.Nee,liefje dat word het niet zegt mam.Maaaaam roept Jayden bang.Zie je niet dat ik bezig ben met je zus zegt moeder boos.Maar mam je worstjes branden af zucht Jayden.Wa....watt vraagt moeder bezorgd.Je worstjes branden af gilt Jayden.Aaaah gilt moeder en rent de camper in.O,Deborah laten we maar vertrekken zegt vader.Deborah en vader stappen de camper in.
Liefje hoe is het met die worstjes vraagt vader.Af gebrand,je zult maar brood met kaas eten zegt moeder vanuit de keuken.O,jee zucht vader. Mama loopt naar Deborah en geeft haar een glaasje water en medicijn. Moeten me kleine schatjes een broodje met kaas. Jaaaa zeggen de twee.Voor mij eerst hoor mam omdat ik ziek bent zegt Deborah.Nee,ik had eerst gezegd schreeuwd Jayden.Hou je mond gebakken ei en ik krijg me broodje eerst. Hou jij je mond hete koffie en ik krijg me brood eerst. Gebakken ei en hete Koffie jullie moeten je mond dichthouden. Jayden en Deborah houden hun mond dicht en zeggen een tijdje niks totdat hun broodje af is. Smaakt het vraagt mam. Het is lekker zegt Jayden. Voor jou is alles lekker zolang het eetbaar is zegt Deborah. Ja natuurlijk zegt Jayden. En poep vond je een tijdje lekker he zegt Deborah lachend. Jij bent wel een plaagkop hoor zegt moeder lachend. Euhm,ja toch wel zegt Deborah. En hoe smaakt jou broodje Deborah vraagt pap.Heel lekker zegt Deborah.
(bij park Cessy) He is dit die park vraagt Jayden. Ja,en het is welvol met campers zegt Deborah. Kijk tussen die roze en gele parkeren wij want onze camper is paars lacht vader. Kunnen we hier parkeren meneer vraagt Jayden.Ja hier is vrij zeggen twee meneren. Pap ze willen dat we hier parkeren zegt Deborah. Als iedereen uitegestapt is maken ze kennis. Ik ben Christy stelt Christy een 16jarige meisje voor. O,euhm ik ben Deborah en ik word 16jr morgen. Leuk zegt een ander meisje naast Christy. Oh,euhm ik ben Joyce en ik ben 14jr en word volgend jaar 15. Oke zegt Deborah. Ik zie dat je een leuke broertje heb zegt Joyce.Ja,hij is 15 zegt Deborah.Jullie zijn tweelingen vraagt Christy. Nee,ik ben eerder geboren zegt Deborah.1jaar verschil dus vraagt Joyce.Ja zegt Deborah. Mag ik kennis met hem maken vraagt Joyce.Ja als je wil zegt Deborah.
Hoi ik ben Joyce letsen en ik ben 14 jaar en... Hey ik ben Jayden Urchel en ik ben 15jr en ik zit op de St.linten mulo school en me zus op de Hurbertmulo school. O,euhm wil je met me wandelen vraagt Joyce verlegen. Ja,ik wil zegt Jayden.Ga je niet meer voetballen vragen Freddie en Nick.Nee,`t hoeft niet meer zegt Jayden. O,god ik ga naar Christie zegt Freddie. Nu ben ik alleen denkt Nick. Wacht daar is een meisje alleen,ik ga kennis met haar maken zegt Nick.
Halo ik ben Nick snippers en ben 17jr en zit op de H.nmuloschool. O,ik ben Deborah Urchel en ben 15jr maar word morgen 16jr. O,oke leuk zegt Nick. Wil je chillen en chiller drinken vraagt Nick. Ja,hoor zegt Deborah.
Een meisje van 26 is nog steeds maagd, en haar moeder vindt dat het nu weleens tijd wordt voor een jongen. Die moeder gaat op zoek naar een leuke jongen, en vind de geschikte kandidaat. Haar dochter gaat met de jongen mee, en ze wordt ontmaagd. Haar moeder zat al vol spanning te wachten, en vraagt aan haar dochter: "en, was het voor hem ook de eerste keer?" "Ik geloof het wel moeder, want de plastic verpakking zat er nogomheen!!"
Er was eens in een land een grote plaag; het was een wild zwijn dat bij de boeren de akkers omwoelde, het vee doodde en de mensen met zijn slagtanden het lichaam openreet. De koning loofde een grote beloning uit voor ieder die het land van deze plaag bevrijden zou, maar het dier was zó groot en zó sterk, dat niemand dicht in de buurt durfde te komen van het bos waar het zich ophield. Uiteindelijk maakte de koning bekend dat degene die het dier ving of doodde, zijn enige dochter tot vrouw zou krijgen.
Nu leefden er in dat land twee broers, zoons van een arme boer. Zij meldden zich beiden aan om het waagstuk te ondernemen. De oudste die listig was en een groot verstand had, deed het uit hoogmoed, de jongste, die onschuldig en dom was volgde de stem van zijn hart. De koning zei: "Om meer kans te hebben het beest te vangen, moeten jullie ieder van een andere kant het bos ingaan." Toen ging de oudste van de westkant en de jongste van de oostkant het bos is. En toen de jongste een poos gelopen had, kwam er een klein mannetje naar hem toe, die een zwarte speer in de hand hield en zei: "Deze speer geef ik je, omdat je een onschuldig en goed hart hebt; hiermee kun je onbevreesd op het wilde zwijn afgaan zonder dat hij je kwaad kan doen." De jongen bedankte het mannetje, nam de speer over zijn schouder en ging verder. Het duurde niet lang, of hij zag het dier op hem afstormen. Maar hij hield de speer voor zich uit. In blinde woede rende het zwijn daar zo krachtig op in, dat zijn hart in tweeën gespleten werd. Toen nam de jongen het ondier op zijn schouders en ging terug om het naar de koning te brengen.
Toen hij aan de andere kant van het bos eruit ging, stond daar aan de ingang een huis, waar de mensen vrolijk dansten en wijn dronken. Daar was zijn oudste broer heen gegaan, hij had gedacht, dat het beest toch niet weg zou lopen, en hij wilde zich eerst wat moed indrinken. Toen hij nu zijn jongste broer zag naderen met de buit over zijn schouders, liet zijn jaloers en boosaardig hart hem niet met rust. Hij riep hem toe: "Kom toch binnen, beste broer, rust wat uit en drink een beker wijn." De jongste, die niets kwaads vermoedde, ging naar binnen, en vertelde hem van het vriendelijke mannetje, dat hem de speer had gegeven, waarmee hij het wilde zwijn had gedood. De oudste hield hem daar tot ‘s avonds. Toen gingen ze samen weg. Maar toen ze in de duisternis bij de brug over de beek kwamen, liet de oudste de jongste voorgaan, en toen hij er midden op was, gaf hij hem van achteren een klap zodat hij dood neerstortte. Hij begroef hem onder de brug, pakte het zwijn op en bracht het naar de koning met de bewering dat hij het had gedood. En toen kreeg hij van de koning de dochter tot vrouw. Toen de jongste broer maar niet terugkeerde, zei hij: "Het zwijn zal zijn lichaam wel hebben opengereten" en iedereen geloofde dat.
Maar daar er niets verborgen blijft voor God, zo zou ook deze misdaad aan het licht komen. Vele jaren later dreef een herder eens een kudde over de brug en zag in het zand van de beek een sneeuwwit botje liggen, en hij dacht, dat het wel een goed mondstuk zou kunnen zijn. Hij ging naar de beek, raapte het op en sneed er een mondstuk van voor zijn hoorn. Toen hij er voor ‘t eerst op wilde blazen, begon tot zijn grote verbazing het botje vanzelf te zingen:
"Lieve herder, hoor naar mij, U blaast op een botje van mij, Mijn broer heeft mij verslagen, Onder de brug begraven, Terwille van het wilde zwijn Om de man van de prinses te zijn."
"Wat een wonderlijk hoorntje," zei de herder, "dat vanzelf gaat zingen, dat moet ik naar de koning brengen." Toen hij ermee voor de koning stond, begon het botje weer te zingen. De koning begreep het en liet de aarde onder de brug omspitten, en toen kwam het hele geraamte van de vermoorde jongeling te voorschijn. De slechte broer kon de misdaad niet ontkennen; hij werd in een zak genaaid en levend verdronken. Het gebeente van de vermoorde echter werd op het kerkhof in een prachtig graf ter ruste gelegd.
Jef en Ina zoeken een appartement en Ina gaat iedere verdieping af en Jef kijkt of hij haar kan zien.1ste verdieping:Jef zegt:ik zie je heel goed Ina. 2de verdieping: Jef zegt: Ik zie je goed Ina. 3de verdieping: Jef zegt: Ik zie je nog Ina. 4de verdieping: Jef zegt: "Ik zie je VAAG,INA."
Er gaan een man en een vrouw vrijen. Het hondje dieper was ook in de kamer. Op een gegeven moment gooit het hondje een vaas van tafel. De vrouw zegt: "DIEPER!!!!" Later scheurt het hondje haar bh aan flarden. De vrouw zegt: "DIEPER!!!" Dan zegt die man: "Ja hallo, ik heb geen uitschuif lul!!"
Nienke liep samen met Fabian door het park."wat is het warm hè?"vroeg Nienke."ja zeker"zei Fabian."de hypotheker"grapte Nienke. Fabian moest lachen."hahaha die is goed!"Hee zullen we naar mijn oom gaan?"oké"Nienke trok Fabian mee naar de weg die volgens haar het kortst naar de antiekzaak was. toen ze er waren duwde Nienke de deur open en stapte naar binnen."Fabian! moet je zien!""wat is er?!""kom dan" Fabian ging naast Nienke staan en keek rond."wow, het is een grote gaos!!"Fabian rende tussen de spullen door. Nienke liep rustig langs de spullen die allemaal overhoop lagen."aaaaaaahhhhhhhh!!!!!" Nienke schrok op van de moordende gil die klonk."Fabian?"geen antwoord."geef eens antwoord!"weer niks."Fabian je maakt me bang!"Nienke rende naar de zolder die er ook was."waaah!"gilde ze. ook boven was het een grote rommel."Nienke?" Nienke keek naast haar Pierre keek haar aan. "weet je waar Fabian is?" Pierre zei niks maar wees achter Nienke. ze keek om en gaf een gil. tussen de troep zag ze Fabian."oh mijn god!!" riep ze geschrokken uit."Fabian!"ze ging bij hem zitten en tikte tegen zijn wang aan."zeg eens wat!""kom op" ze schudde hem door elkaar. maar wat ze ook deed er was geen beweging in hem te krijgen. ze keek weer naar de rommel om haar heen. ineens voelde ze dat er in haar hand geknepen werd. ze keek weer naar Fabian die zachtjes in haar hand kneep."nien?"hee gelukkig je bent er weer'." je heb me echt laten schrikken"zei Nienke. ze trok Fabian overeind."zeg wie gilde daar zo?"Fabian kreeg een kleur als een overrijpe tomaat."dat was ik". Nienke was verbaasd."Jezus jij kan gillen zeg" "ik dacht dat er nog iemand was". "niet dus"" trouwens hoe komt het dat het zo een gaos is?"dat is een lang verhaal”. .”wat dan?”vroeg Nienke."kom maar mee" Nienke en Fabian liepen achter Pierre aan."ik heb een raar verhaal gehoord over een of ander vreemde gebeurtenis"
ondertussen in het huis zaten Jeroen en Patricia op de bank."waar is iedereen?"vroeg Jeroen."geen idee"antwoordde Patricia die dicht tegen Jeroen aan zat."hoi"Joyce kwam de kamer binnen."zeg ik zoek Fabian hebben jullie hem misschien gezien?""nee hij is vast buiten met Nienke,hoezo?""ik heb zijn hulp nodig en het is behoorlijk dringend""bel hem anders"opperde Jeroen."oké"Joyce liep de kamer uit en liep naar het kantoor van Victor. ze ging op zijn bureaustoel zitten en draaide het nummer van Fabian z’n mobiel.
"Faab je mobiel gaat" zei Nienke. ze had gelijk. Fabian graaide zijn mobiel uit zijn jaszak."met Fabian"zei hij toen hij had opgenomen."hee Joyce! wat is er?""ik ... ik ben bang!!"zei Joyce."bang waarvoor?"vroeg Fabian die het niet helemaal begreep."ik word bedreigd"."Wat!door wie?"vroeg Fabian die er niks van begreep."ik weet het niet"zei Joyce."weet je wat?!, ik kom nu naar huis en dan leg je me alles uit okee?""okee"antwoordde Joyce en hing op.
"wat was er"vroeg nienke die het hele verhaal had gehoord."er is wat met Joyce ze lijkt heel bang""bang? voor wat?"Nienke bergreep er helemaal niks van."laat maar" zei Fabian ,die merkte dat ze er niks van snapte."ik merk dat er een probleem is?" Pierre die ook alles had gehoord keek op."ja sorry maar we moeten nu gaan" zei Fabian."oke,..dan zie ik jullie wel weer een andere keer!""is goed,doei!" Nienke en Fabian liepen de antiekzaak uit en fietste weer naar huis.thuis kwam Joyce bang op hun aflopen."gelukkig dat jullie konden komen!"zei Joyce."wat was er nou?"vroeg Fabian."kom mee"zei Joyce.ze renden achter Joyce aannaar de badkamer."kijk"Joyce wees op de spiegel waar met bloedrode letters"ik weet je te vinden" en daaronder"ik ga je vermoorden!!""wanneer stond dat er?"vroeg Fabian."vanmorgen" antwoordde Joyce ,die echt bang was.Fabian liep ernaartoe en reikte met zijn hand naar de spiegel.hij voelde."dit ljikt wel.. tomatensaus!""hu?Nienke en Joyce keke hem stomverbaasd aan."hoe kom je erbij?"vroeg Nienke."nou als het bloed was was het veel donkerder en dit is veel lichter"antwoordde Fabian."iemand probeerd je bang te maken.""nou dat is dan goed gelukt." zei Joyce ironisch.ineens verdwenen de letters."he hoe..hoe kan dat?"zei nienke.""komnien we gaan." zei Joyce en trok nienke mee en wilde de badkamer uitlopen toen Fabain een raar geluid maakte.ze draaide zich om."gaat het?"vroeg ze."nou! ik geloof dat ik wat zag!"zei Fabain.Joyce draaide zich om."'ja ho.." Joce stopte midden in haar zin toen ze Fabians angstige stem hoorde"."ehh..meiden?"begon hij."ik hoor je niet!! riep Joce plagerig."ik meen het!!!"kom op zeg je zei het zelf iemand probeerd me bang te maken"zei Joyce en lachte.ze rende de badkamer uit met nienke op haar hielen die het ook wel dom vond."waaahh!!ga weg!ga weg!"hoorde nienke en het volgende moment kwam Fabian luid gillend de badkamer uitgestormd."een geest!!"gilde hij.nienke liep de badkamer binnen. daar stond een geest.ze kwam op haar af."aaaaaahhhh!!!"de deur klapte achter haar dicht.
We maken tegenwoordig zoveel vrienden, maar wat zijn nu de echte? Zijn er eigenlijk wel echte vrienden?Liefde is gekoppeld aan een relatie, of familie, maar is liefde eindeloos? Kan liefde omslaan in haat?Dit artikel zet een en ander uiteen over mijn eigen ervaringen.
Liefde Wanneer je jong bent, droom je van de prins op het witte paard. Natuurlijk bestaat die niet, maar toch krijg je te maken met vlinders in je buik, of ook niet, maar kom je iemand tegen waar je de rest van je leven mee wilt delen. Dit noemt men liefde. Je krijgt samen kinderen en die kinderen zijn je grootste liefde, nooit zal er iemand aan ze komen, want jij staat als een ware tijgerin voor ze klaar.
Toch kan er iets gebeuren waardoor de liefde eindigt. In mijn geval gebeurde dat in mijn eerste huwelijk. Er was niets meer, niet zonder aanleiding, maar daar ga ik me niet verder over uitwijden. Door de breuk verandert er zoveel voor de kinderen. Zij denken dat ze partij moeten kiezen. Dat is natuurlijk helemaal niet nodig, maar toch gebeurt het in veel gevallen wel. Dan heb je nog de scheidende partijen. Wat zegt de een over de ander? Dat is voor kinderen heel confronterent. In de meeste gevallen kiezen zij voor de zwakste partij. Het liefst zien ze natuurlijk hun ouders weer samen, maar wanneer dit niet mogelijk blijkt, dan wordt er vaak naar de zwakste partij geluisterd. Het betekend dat de liefde van de kinderen naar de sterkste ouder in dit geval wegebt. Niet alle kinderen zitten zo in elkaar, natuurlijk zijn er ook relativerende bij, die snappen dat het heel veel beter is op deze manier.
Ouders blijven atijd van hun kinderen houden. En zullendan ook altijd weer voor ze klaar staan wanneer ze je nodig hebben. Toch schuilt hierin het gevaar dat er misbruik van je wordt gemaakt. Ook ik heb die ervaring. Het doet je dan ook weer extra veel verdriet wanneer je weer aan de kant wordt geschoven. Maar ondanks dat blijft de liefde voor je kinderen bestaan ook al is het op afstand. Ik heb me er bij neergelegd dat dit de realiteit is en het niet zal veranderen.
Ook een nieuwe relatie kan heel veel liefde doen voelen, maar in mijn geval is die van het ene moment op het andere omgeslagen in grote haat. Na me te hebbenopgelicht, geslagen, bedrogen en bedreigd, was die liefde ineens over.
Gelukkig is er altijd ruimte om de liefde weer te vinden. Het mooiste is wanneer je de vlinders weer in je buik voelt fladderen. En toch nog iemand te vinden waar je echt oud mee wilt worden. Een soulmate, een persoon die je gevoelens deelt, en ook een zelfde soort ervaring heeft als jij.
Vriendschap Ja wat is nu vriendschap? En heb je echte vrienden? Mijn antwoord is: nee! Wat zijn echte vrienden eigenlijk? Ik denk dat er nu een verschil gemaakt moet worden tussen vriendschap en liefde. Wanneer je echt van iemand houd dan ga je daar voor door het vuur. Laat je diegene nooit in de steek en sta je altijd achter diegene. Vrienden zullen altijd, als het erop aan komt voor zichzelf kiezen. Ook al doen ze nog zo aardig en belangstellend, er blijft in principe niemand over als er daadwerkelijk een beroep op hun vriendschap wordt gedaan. Er zijn diverse vriendensites. Ook daar heb ik vrienden, maar geen echte, ook al noemen ze zich wel graag zo. Wanneer je diverse conflicten in je relatie hebt gehad, dan haken de eerste vrienden al af. Na de scheiding blijft er nog maar een enkeling over. Wanneer je ook nog eens bent bedrogen in de volgende relatie en je berooid achterblijft, dan is er amper niemand meer. Dat heeft mij doen besluiten geen hechte vriendschappen te sluiten, en helemaal niet meer hechten aan iemand, behalve mijn echtgenoot, zodat het verdriet niet te groot is wanneer er iemand afhaakt.
Door de stress en ellendige tijd die ik heb gehad ben ik ziek geworden, juist op het moment dat het weer helemaal goed ging in mijn relatie. Het rustpunt, maakte me ziek, doordat mijn lichaam het nu eindelijk eens zat was. Ik heb geleerd dat ieder voor zich leeft en dat de wereld keihard is. Ik leg me er bij neer
Op een dag belt een man bij zijn buurvrouw aan. Hij zegt:"tegen de buurvrouw,buurtje ik zou best eens een keer met je naar bed willen, en daar heb ik best tweeduizend gulden voor over." de buurvrouw schrikt zich het apezuur over dit voorstel maar aan de andere kant bezien zitten ze deze maand wel erg krap bij kas. dus die tweeduizend piek zouden wel zeer goed van pas komen. "Nou goed dan" ,zei de buurvrouw "vooruit dan maar" en hun samen naar bed. s`Avonds komt haar man thuis van zijn werk en vraagt aan zijn vrouw, "schatje, is de buurman nog langs geweest vandaag?" De vrouw krijgt het spaans benauwd word helemaal rood tot achter haar oren en stamelt tegen haar man:" hhhoe weet jjij dddat nou?" nou zegt de man: "hij zou die tweeduizend piek terug brengen die ik hem vorige week heb geleend."
De eerste zeven jaren van mijn leven waren perfect, ik was gelukkig en had niet veel zorgen. Vanaf mijn 8e begonnen de problemen, ik werd gepest en vernederd door mijn klasgenoten. Ze vonden mij maar stom en lelijk en ik huilde gewoon waar ze bij waren, eigenlijk best stom als ik er nu over nadenk. Dit ging door totdat ik naar de eerste ging, daar werd alles anders. Ik werd nog wel een beetje gepest en voor dingen uitgemaakt. Ik kon er inmiddels al tegen, vanaf de 2e ging het super. Ik kreeg wat meer vrienden en ik wist ook veel beter hoe ik met jongens om moest gaan. Toch had ik heel veel problemen, ook al vertelde ik dat aan bijna niemand. Mijn zus wilde zelfmoord plegen, door de vele ruzies met mijn vader. Gelukkig was dit alles in de zomer voordat ik naar de 2e wel redelijk opgelost. Tot aan februari ging alles goed, ik was weer een beetje vrolijk en ik begon er met de dag leuker uit te zien. Totdat er in februari iets gebeurde, de stemming in het hele huis veranderde en iedereen kreeg weer ruzie met elkaar. Het was net als al die jaren vanaf mijn 8e. Mijn vader begon mijn zus weer te slaan en ik werd hier zo verdrietig van dat ik mijn eetlust verloor. Ik kon niks meer eten en werd met de dag bleker. Mijn mentor riep me bij zich en vroeg of er wat met me was. Ik antwoordde nee, want ik schaamde me ervoor. Zo ging het de rest van het schooljaar ook en mijn eetlust kwam niet terug. Mijn mentor begon zich nu echt zorgen om mij te maken en belde naar huis. Mijn schoolprestaties waren goed, want ik ben zonder enige onvoldoendes overgegaan. Ik snap nog steeds niet hoe ik dat heb gedaan. Mijn moeder zei tegen mijn mentor dat er niks mis was, soms wat problemen niks ergs. Maar het was wel erg, dat geruzie en geschreeuw kon ik niet verdragen. Het werd algauw zomervakantie en ik ging naar de 3e in september. De hele zomervakantie heb ik buiten doorgebracht, wandelen en winkelen. Toen het 3e schooljaar begon, ging het wel wat moeizaam met school maar ik sleepte me er doorheen. De ruzies hielden thuis niet op en ik ben uiteindelijk weggelopen, ik heb mijn spullen gepakt en ben er gewoon vandoor gegaan. Ik belandde ergens in een ander deel van de stad, ik had zoveel gelopen (had geen geld bij me)en ik was zo moe. Ik belde een hele goede vriend van me, die in de buurt woonde en ik mocht naar hem toe. Toen ik daar aankwam, was het zo rustig bij hem thuis. Ik stapte naar binnen en alles begon ineens te draaien. Ik hoorde hem zeggen: 'Wat ben je bleek..' Alles werd zwart voor mijn ogen en ik werd wakker op een bed. Ik was flauwgevallen van alle emotionele klappen die ik te verwerken had.Een aantal keren daarna ben ik ook nog flauwgevallen. Ik ben niet terug naar huis gegaan. Ik heb mijn ouders gebeld om te zeggen dat het goed gaat en dat ik veilig ben. Ook heb ik gezegd dat ze me me rust moesten laten, dat hebben ze vreemd genoeg ook gedaan.Ik ben daar een paar weken gebleven en ben vervolgens naar een andere vriend gegaan. Een man die ik al heel mijn leven ken en waar ik het heel goed mee kan vinden, hij kon tijdelijk voor mij zorgen (hij was ook mijn peetvader). Hij wist dat ik het heel moeilijk had en hij is als een soort vader voor mij. Hij maakte zich ook zorgen over mij als een vader, want ik viel nog steeds heel veel flauw. Mijn bleekheid verdween ook niet, hij is met me naar de dokter gegaan. Ik heb bloed geprikt en ik had bloedarmoede. Nu logeer ik nog steeds bij hem, ik ga wel naar school en mijn resultaten zijn ook zo slecht nog niet. Het is niet zeker of ik over ga, maar de kans is wel groot. Ik voel me een stuk beter en met mijn gezondheid gaat het ook beter.
Nu maar hopen dat de toekomst er beter uitziet voor me.
Jantje loopt met zijn vader langs een weiland, zien ze een stier op een koe zitten. Vraagt jantje aan zijn vader: "Wat doen die twee daar zo?" Antwoord zijn vader: "De stier duwt de koe naar de stal om samen gemolken te worden." Lopen ze verder zien ze een hengst op een merrie. Vraagt jantje aan zijn vader: "Wat doet die hengst op die merrie?" Zegt z'n vader: "Die hengst duwt de merrie naar de stal om samen haver te eten." Ze lopen zwijgend verder dan zegt jantje ineens: "Het is maar goed dat mama tegen het aanrecht stond anders had de postbode haar helemaal naar het post kantoor geduwd."
De vlam da eeuwig brandde Ankie en Piet staan tegenover elkaar. Met strakke ogen kijken ze elkaar aan. Hun handen gebundeld om elkaar. Ankie Legt haar hoofd op Piet's schouder. Ze kust hem bij zijn nek. Piet pakt haar bij haar middel en kust haar voorhoofd. ''Vaarwel Piet...'' Hoort hij Ankie snikkend. Langzaam laten ze los. Ankie kijkt hem nog voor een laatste keer in zijn prachtige ogen. Dan keert ze hem de rug en loopt naar de trap van het station, Piet hoort het klikken van haar hakken. Grotendeels was een teken dat ze er was, Kwam of ging. Maar dit keer was alles anders. Hij zal haar nooit meer zien...........Nooit.......
Vijftig jaar later, Piet woont alleen in zijn schuurtje bij Ziglersstraat, Vandaag zou zijn anonieme afspraakje komen. Hij mag wel tweeënzeventig zijn, Maar nog wel heeft charmes, Hij neemt een nipje van zijn thee. Hij kijkt recht in de hoek. Ankie's gezicht die staat er nog steeds, Waarom gooide hij die foto's van Ankie niet weg? Zijn vijftig jaar geleden verloofde. Wie moest verhuizen naar de andere kant van de wereld voor haar vaders baan. Hij droogt zijn tranen met een servet van zijn maaltijd op het aanrecht. De bel gaat, Piet maakt koers naar de deur, En opent het.
''Ankie....?'' Piet wrijft over zijn ogen, Was zij zijn anonieme aanbidster, Hij ziet haar marineblauwe ogen, En haar even roze lippen als toen. Hij kijkt later en ziet tot zijn verbazing leren schoenen met een hak. Ankie kijkt in de hoek van de huiskamer. ''Kon je me niet vergeten?'' Piet knikte beschaamd. Ankie maakte een knoopje van haar groene kasjmier vestje los. Hij zag het gouden hartje dat hing om haar hals, Hij gaf het haar toen ze verkering kregen. ''Ik jou ook niet.'' Zei ze met een zoete lach. Piet's mondhoeken krulden omhoog.
Het begint met een liefdesavontuur en het eindigt met een woord van afscheid, zoals elke geschiedenis: op deze regel bestaan geen uitzonderingen.
In dit verhaal gaat het om de tragische liefde tussen een jonge ridder en een non. Hij had haar lief, en dacht dag en nacht aan haar. Haar stem achtervolgde hem, zijn ziel was één met de hare, als twee klokken die tegelijkertijd beieren.
Aangezien zij in het klooster woonde, was het hem zelfs niet toegestaan openlijk zijn verlangen uit te spreken en haar lief te hebben op afstand. Het onvervulde liefdesverlangen heeft voor sommigen een hele bijzondere bekoring, maar zelfs dat was voor de ridder niet weggelegd.
"Ach liefste! Jij, die zo ver van mij vandaan woont, denk jij aan mij zoals ik aan jou? Ik heb je lief. Ik zal je nooit kunnen zeggen lieveling, dat ik van je houd. Tussen ons bevinden zich grote landen zonder wegen. Ik herinner me nog alles van je. Je moet niet denken dat ik je vergeten ben. Je bent als de zon in mijn leven, en ik ben de zonnebloem die zich naar het licht wendt. Maar het is nu al zo lang geleden dat de zon heeft geschenen. Ik weet niet of jij mij nog liefhebt. Vaak denk ik dat je me vergeten bent. Hoe kan dit ook anders, jij die in een andere wereld leeft, waar ik nooit zal kunnen komen?" Dit zijn woorden van een wanhopige minnaar, die hoopt zijn geliefde voor zich te winnen. Maar deze ridder was zonder enige hoop.
Al zong Gertrudes naam dag en nacht in hem, hij kon zijn armen nooit naar haar uitstrekken, en hij was veroordeeld eenzaam te blijven. Er is altijd een grote zomerdag in het leven van alle geliefden, een dag die eindeloos lang schijnt te duren, al hoort men de tijd voorbij tikken. Maar zelfs deze ene dag had hij niet genoten. Andere liefdes kende hij niet. Hij moest zijn leed helemaal alleen dragen, en haar naam fluisterde hij slechts wanneer hij ver uit de buurt van mensen was. "Gertrude!" Hij haalde zich echter uit eerbied voor haar keuze nooit haar beeld voor de geest.
Zij woonde in het klooster, en zij diende Maria, de Moeder der Smarten. Zij bad elke dag vurig tot haar, geheel verzonken, zoals alleen zij kunnen die gewend zijn aan voortdurend en volhardend bidden.
Zal alleen hij, verteerd door vuur en vlam ooit gelouterd voor u staan? Zal alleen hij in uw hemel gaan die gebroken tot u kwam?
Nooit kwam haar iets ter ore over zijn hopeloze liefde voor haar. Hij dwaalde rusteloos langs akkers en wegen, terwijl zij zich volledig wijdde aan de dienst van de Heer. "Wat zal er met mij gebeuren?" zo vroeg hij zich af. "Waarom moet ik zo lijden?"
Iemand die zo denkt, vindt niet gemakkelijk troost in het leven. Troost is er voor de man die zegt: "Het lot brengt mij zware slagen toe, maar ik zal er niet voor buigen, en terugslaan." De ridder werd echter onophoudelijk geteisterd door zijn verdriet; in golven van pijn beukte zijn machtige liefde over hem heen, en het maakte hem zwak en weerloos. En de storm nam niet af in kracht.
De dag kwam dat hij bang werd van zichzelf. Zo scherp stak de pijn in zijn wezen dat hij besefte dat hij er een ander mens door was geworden. Af en toe zadelde hij zijn paard en ontvluchtte hij zijn kille, eenzame burcht. "Hoe krijg ik ooit mijn rust weer terug?" dacht hij, als hij als een dolleman over de weg reed. "O! Dat ik uitgerekend deze vrouw moet beminnen, die ik niet beminnen mag. Ik ben nog jong en ik verlang ernaar van iemand te houden. Als zij nog in de wereld zou staan, als zij haar gelofte niet had afgelegd... ik zou met haar in de bloeiende geurende wei liggen, waar het gras zo hoog is, dat het met gemak twee geliefden verbergen kan. Of zij zou met mij door het bos dwalen, tot achter de hoge stammen van de bomen, tot waar het kreupelhout het dichtst is. Ik voel aan het bonzen van mijn hart, dat daar mooie muziek te horen is... die ik nooit zal kunnen beluisteren." Al te lang kon hij deze gedachten niet verdragen. Op een van zulke wildemanstochten bedacht hij een plan. Hij kon Gertrude weliswaar niet de beker van zijn liefde overhandigen, waaruit zij kon drinken en zich verzadigen, maar wel kon hij haar klooster bedenken. En zo vond zijn liefde een manier om zich zonder woorden te uiten. Hij was een dappere ridder die vele schatten had vergaard, en hij gaf ze stuk voor stuk weg aan het klooster. Hierdoor kwam het klooster tot grote rijkdom. Kostbare edelstenen, saffieren, karbonkelen, jaspissen, onyxen, al deze wonderbaarlijke stenen met hun diepe schittering schonk hij de kerk.
Hij gaf opdrachten aan schilders - hij betaalde ze in goud om Jezus' heilig leven op het doek vast te leggen. De doeken lieten de Heer aan het kruis zien, of Jezus omgeven door zijn discipelen. Ook heiligen werden afgebeeld, zoals Christophorus, groot van gestalte en van geloof, die met een kind op de armen door het woeste water waadde om het veilig naar de overkant te brengen. Men zag ook de Heilige Moeder Gods met het kindeke Jezus op haar schoot.
Het klooster kreeg groot aanzien in de streek. De vrome nonnen deelden van hun overvloed met de armen en zij gaven volop aalmoezen. Al snel was er weinig armoede meer in de streek. De ridder zag dat zijn rijkdommen stilletjes aan verminderden, en nog steeds werd hij door zijn liefde gekweld. Al deze jaren, dat hij het klooster had bedacht, waren in de gapende afgrond van de tijd verzonken, nu kwam er een andere tijd aan. Wat moest hij beginnen, als hij geen schatten meer brengen kon?
Hij trok ten strijde, en zijn buit was groot, want hij vocht in vele landen. Wonderlijk mooie spullen kwamen in zijn bezit. Hij zond ze allemaal naar het klooster. Hij veroverde kransen van goud, zilveren bekers met edelstenen bezet, tafels van citroen - en van rozenhout, marmeren beelden, geheimzinnig fonkelend glaswerk, dat van binnenuit vlamde, parels van welke de waarde niet te schatten was.
Maar alles wat hij zond, was overgoten met een glans die niet van enige stof afkomstig was. Het goud en zilver wat er blonk waren de liefkozingen en fluisteringen van een oprecht minnaar, die geen andere woorden had.
Maar zijn krachten namen langzamerhand af. De armen van de ridder voelden minder hard en gespierd aan en na een zware tocht voelde hij zich moe. Hij zond minder en minder goederen naar het klooster en op een dag merkte hij tot zijn schrik dat hij arm was geworden. Al zijn geld en goed had hij verspeeld, en hoewel hij de ouderdom al in zijn botten voelde kruipen, bleef zijn liefde even brandend als in zijn jeugd. Dag in dag uit zat hij voor zich uit te staren, en hij zag zijn ongeluk zonder ophouden in de ogen. "O Gertrude!" zo peinsde hij, "mijn hele leven heb ik je gediend, en nooit heb ik mijn liefde voor je kunnen uitspreken. Ik ben nu verder van je verwijderd dan ooit. De dag dat ik je heb ontmoet, is een dag die voor mij een zegen en een vloek tegelijkertijd is. Wat moet ik zonder jou beginnen? Waarom heb ik mijn jeugd verloren? Kon ik nog maar eenmaal jong zijn, en opnieuw beginnen.
Voor elk mens komt de tijd dat hij op zijn leven terugkijkt. Gelukkig zijn zij die zich hun kindertijd en jeugd herinneren, en hoe zij gegroeid zijn tot volwassenheid en ouderdom. Maar ik! Wee mij! Ik heb steeds gehandeld als een jonge man en nooit aan iets anders gedacht dan aan de toekomst. Mijn hele leven lang heb ik gehoopt, tegen beter weten in. Ik leefde in een droom! Ja, al de tijd dat ik haar heb liefgehad, was ik alleen maar bezig met de dag van morgen. De volgende dag was voor mij steeds aanlokkelijker dan die van vandaag en nu... heb ik geen toekomst meer!"
Iedere dag reed hij uit, maar hij kwam zelden nog met schatten thuis. Hij was eenzaam, en fluisterde urenlang tegen zijn Gertrude, terwijl hij met zijn paard de bossen doorkruiste. "Zul je niet denken, dat ik je vergeten ben? Nu zul je geloven dat mijn liefde een einde heeft, als de bloei van bloesem, die kort en uitbundig leeft. Liefste! Er is niets eenvoudigers en toch geheimzinniger dan trouw. Mijn leven is aan het jouwe gebonden. God alleen weet hoe ik lijd. Zullen je zusters niet vragen: 'Is de ridder gestorven, omdat we niets meer van hem horen of zien?' Zul je misschien aan de poortwachters gaan vragen: 'Wanneer hebben jullie voor het laatst zijn wilde stofwolk op de weg zien waaien?' Zul je om mij huilen, denkend dat ik gestorven ben? Maar nee, het is je niet toegestaan om te huilen om een man die je heeft liefgehad. Je mag alleen voor hem bidden. Gertrude, mijn zuster Gertrude!"
Hij keek op toen hij een vreemd schrapend geluid hoorde, en een schrikwekkende gedaante met hoorns op zijn kop en harige poten in plaats van benen stond voor hem. De ridder herkende hem in een oogopslag en sloeg zijn handen voor het gezicht. Was hij dan al zo diep gezonken? "Ridder!" zo begon de duivel, "waarom bent u bang van mij? Bent u niet van God verlaten geweest, zolang u heeft geleefd? U heeft nog meer geleden dan Job, ja ik kan met de hand op mijn hart verklaren dat ik er niet veel heb gekend die ongelukkiger waren dan u. Maar - zo vraag ik u weet u wel zeker dat u deze pijn moet doorstaan? Heeft u nooit over uw redding nagedacht?" De ridder deinsde terug.
"Wat wilt u van mij, u, die altijd, de vele jaren dat ik bezeten ben van mijn liefde, op de achtergrond hebt toegekeken, en die nu in volle glorie voor mij verschijnt. Waarom bent u niet eerder gekomen, als het toch uw voornemen was?" "Ik wacht altijd het goede ogenblik af. De mensen aanvaarden mijn hulp pas als ze radeloos genoeg zijn. Dan kom ik in hun leven, en... en neem wat me toekomt. Wat ik te bieden heb, is veel, en wat ik vraag, is weinig, maar voor mij genoeg."
"Ik weet wat u vraagt," zei de ridder somber, "al weet ik nog niet precies wat u er dit keer voor wilt geven. Maar geloof maar niet dat mijn ziel voor mij niet kostbaar is. Dat is toch wat u eist, mijn ziel, in ruil voor geld en goud? Door u verspelen wij de hemel."
"Maar edele ridder, u moet zich niet om het hiernamaals bekommeren! Denk aan uw Gertrude. U houdt van haar. Ik begrijp niet dat u nog aan iets anders denkt. Hoe kunt u dit doen?"
"Ik kan het ook niet!" gaf de ridder radeloos toe. "U weet net zo goed als ik dat er voor mij maar één rijkdom is op de aarde en in de hemel, en dat is mijn liefde voor Gertrude!" "Als dat waar is, als er maar één rijkdom is op de aarde en in de hemel, en ik kan u die geven, waarom wilt u dan uw ziel niet afstaan, die voor u immers geen rijkdom is? Hoor wat ik u bieden kan! Schatten en schatten, zoveel u wilt, goud en zilver en diamant, alles wat voor geld te koop is. Geen uur zal voorbijgaan of u kunt Gertrude bewijzen dat u nog aan haar denkt. Geen zorgen meer omdat uw armen krachteloos worden. Ouderdom bestaat niet meer voor u, u leeft voor uw liefde, en Gertrude zal u onophoudelijk prijzen in haar gebeden. Hoelang zal dit duren? Zeven volle jaren. En bedenk dat zeven jaren voor u de eeuwigheid zijn. Wat heeft u er immers zonder mij van te verwachten? Niets! Kom ridder, bezegel mijn contract met uw bloed, en u kunt weer leven zoals vroeger."
"Ga weg van mij, Satan, je maakt het me onverdraaglijk moeilijk. Waarom wilt u dat ik u toebehoor? Zoek rijkere zielen, zie, ik smeek het u! Als zij het wist, ze zou het nooit toestaan!" "Als zij het wist? Maar ridder, nu drijft u de spot met uzelf en met mij. Zij zal het immers nooit te weten komen. Zeven jaren lang zal ze denken dat u al uw geschenken in de strijd verworven hebt. Doe niet zo dwaas."
De ridder had geen weerstand meer en boog het hoofd, ten teken van onderwerping. De duivel nam het zware perkament uit zijn kleed, en legde het de arme minnaar voor. Hij tekende met zijn bloed.
"Tot ziens, ridder van mij!" De duivel verdween spoorslags. Zeven jaren lang scheen het of de ridder geen leed kende. Iedere dag scheen de zon voor hem. Hij zond het klooster geschenken, rijker dan ooit. De dagen, alle bodes van het geluk, snelden de ridder voorbij. Niemand wist dat hij een verbond met de duivel had gesloten. Gertrude bad voor hem tot de Heilige Moeder Gods, zonder te beseffen wat voor een grote zonde hij op zijn geweten had, en hoe de arme gulle gever Gods genade meer nodig had dan enige andere sterveling.
En zo verdwenen de eerste zes jaren aan de horizon het zevende begon aan de meedogenloze wedloop. De ridder die de kransen van krokus en sneeuwklok zag opbloeien, hield van schrik zijn adem in.
Toen de zeven jaren om waren, wist de ridder dat hij de zwaarste tocht van zijn leven moest aanvaarden. Eeuwige verdoemenis wachtte hem en hij ging naar het klooster om nog eenmaal de vrouw te zien voor wie hij zijn ziel had gegeven. Men langzame pas liep hij tot aan het klooster, en daar zag hij Gertrude. Het was hem niet toegestaan op haar af te gaan, en hij mocht zijn hand niet op haar hart leggen. Zij glimlachte tegen hem, maar deze glimlach was er niet een van aardse liefde. Zou ze weten dat hij haar beminde? Weten vrouwen het ook als het niet met woorden wordt gezegd? Ze nam een beker en vulde die vol met wijn.
"Vaarwel," zei ze. Hij dronk haar toe, maar antwoordde niet. Hij durfde haar geen ogenblik aan te kijken. Hij wierp zich op zijn paard en reed weg. Zijn ziel snikte: "vaarwel! Vaarwel!" Gertrude boog zich voor het altaar neer, en bad vurig. Hoe wist ze dat hij haar voorspraak nu meer dan ooit nodig had? Haar woorden gingen recht naar de hemel. Rijdend, rijden over het wijde veld, kwam de ridder bij de plek waar de duivel op hem wachtte "Hier ben ik," zei hij ademloos, "neem mijn ziel." De duivel zag hem duister aan.
"Ik kan uw ziel niet nemen," antwoordde hij bitter, zichtbaar ontstemd om de schat die hem ontging, "alles en iedereen spant samen om u te redden. Ben ik niet de arme Lucifer, en weet ik niet uit eigen ervaring hoe sterk de hemelse machten zijn? Wee mij, ik heb u verloren door de macht van Gertrudes gebed." Hij verborg zijn gezicht in de mantel.
De ridder begon een nieuw leven. Hij kwam tot zichzelf, en hij zag zijn zonden uit het verleden onder ogen. Hij zond geen schatten meer naar het klooster waar Gertrude leefde, maar hij werd monnik, en hij leidde evenals zijn zuster een vroom leven van vasten en gebed.
Deze tragische liefdesgeschiedenis bleef echter voortleven in de harten van de mensen. Telkens als iemand een zware tocht moest gaan ondernemen, vulde men een beker met wijn en men sprak het droevige woord met zijn sombere klank: "Vaarwel!" En dan proostte men en wenste de reiziger het "heil van Sint-Gertruiminnen" (of Sint-Geertenminnen). Dit deed men ter herinnering aan de aardse liefde van de ridder en aan de liefde voor God van de non Gertrude, die dankzij de macht van het gebed de arme ziel van de ridder had gered uit de klauwen van de duivel.
Een jong stel gaat 's avonds laat naar een park waar meer verliefde paartjes komen. "Hmm, is het niet romantisch hier?", zucht het meisje, "hoor je al die krekels?" "Ja maar het zijn alleen geen krekels", zegt haar vriendje. "Het zijn ritssluitingen."
Vraagt Maria aan Suzanne: "Weet jij wat een penis is?" "Nee, ik zal het na school aan mijn vader vragen." Dus als Suzanne thuis komt vraagt ze aan der vader die eenzaam op de bank zit een krant te lezen: "Pap, wat is een PENIS?" Denkt d'r vader: ik zal maar eerlijk tegen mijn dochter wezen, dus laat hij zijn broek zakken en laat zijn penis zien. Zegt hij: "Kijk dit is een penis Suzanne." Dus de volgende dag op school vraagt Maria aan Suzanne: "Heb je het nog gevraagd?" "Ja." Maria: "Nou wat is het dan?" "Hetzelfde als een pik maar veel kleiner!!!"
Brood Een vader en moeder vinden dat de piemel van hun 8-jarig zoontje nogal aan de kleine kant blijft en besluiten met Jantje naar de dokter te gaan. Ze leggen hun vraag uit aan de dokter, waarop de dokter het mannetje onderzoekt. "Inderdaad," zegt de dokter, "hij is wat aan de kleine kant. Zorg er voor dat hij 's morgens veel geroosterd brood eet, dan komt alles goed." De volgende morgen staat de moeder vroeg op en begint als een bezetene brood te roosteren. Even later komt het mannetje naar beneden om te ontbijten. De moeder begroet haar zoontje, wijst naar de gigantische stapel geroosterde boterhammen en zegt: "De bovenste twee zijn voor jou, de rest is voor je vader."
Ren maar weg! Ze schreeuwde het hard. Te hard... Ik rende keihard naar huis. Niemand hielt me tegen. En dan kwam ik thuis en deed ik alsof er niks was. Ik werd gepest. Zo erg gepest en alles om me heen leek te vervagen. En ik viel. Ik viel neer op de grond. Ik voelde dat er iemand naar me kwam.. Me moeder. Maar ze zei doe niet zo flauw en sta op. Met al me kracht beweegde ik me voort. Ik zei dat ik maar ff naar buiten ging. Ik liep zwak en heel zwak naar buiten. Daar was Joey. Ik riep hem hij keek om en kwam naar me toe. Hij vroeg of het wel goed ging. Ik zei eigenlijk niet. Ik vertelde het hele verhaal: 'Ik word gepest. Uitgescholden en in elkaar getrapt. En niemand die me begrijpt' Dat kan ik me nog zo goed herinneren. Joey die was dan wel 16. En ik dan wel 12. Maar hij wist wat ik wou. En hij begreep me. Hij zei dat ik mee moest komen. En opeens alles werd zwart en ik veel. Ik dacht dat Joey me nooit wat zou flikken. Nou dat had ik verkeerd. Hij had me in elkaar getrapt kwam ik later achter. Er zat een briefje in me hand: Je word gepest. Door jezelf. Xx Secret. Ik dacht Xx secret? Wie is Secret. Ik keek om me heen Joey was weg. Maar Joey die schrijft veel te slordig om dit te schrijven. Alles deed pijn. Ik kon niet op staan. Toen ik wat bij gekomen was dacht ik na wat er was gebeurd. De Middelbare school! Ik had veel vrienden.. Maar iedereen is anders. En misschien had die Secret gelijk. Ik moet dus ook anders zijn. Ik wou opstaan. Maar ik merkte dat dat niet kon. Ik wou me been bewegen. Maar dat kon niet. Hij deed zoveel pijn. Met al me kracht ik me arm en het briefje goed in me zak ging ik zitten. Ik keek om me heen en dacht: "waar ben ik?" Ik hoor mezelf het nog zeggen Waar ben ik? Het was.. het was een plek met allemaal kleren. Ik besloot maar proberen op te staan. Het lukte. Ik keek naar me been er zat een grote wond in. Hee daar! Daar op de grond nog een briefje. Ik begreep er niks van. Een briefje? Er stond op dat niet alles leek wat het was. En opeens versnipperde het papiertje. Ik schrok me dood. En met de gedachte in me hoofd keek ik tussen de stapel kleren die voor me lag. Ik was wel buiten. Maar er was niks. Op 3 bomen ja 3 bomen 2 huizen 1 meertje na. Hier was ik nooit geweest. Ik zag op het meertje een bootje. Ik trok anders kleren aan wat hierin kon ik echt niet lopen. Ik zag een bord staan: De uitgang. Ik sprong het water in naar het bootje toe. Aangekomen op het bootje volgde ik een kleine zigzag kanaal. Opeens schrok ik. Het was gestopt. Er stond een fiets. Maar er was maar een smal pad. Tussen 2 muren. En nog geen meter ruimte. Ik dacht ik zie het einde niet dus pakt wel de fiets. Na 1 uur fietsen lag er wat te drinken voor me. Zonder enig erbij na denken dronk ik het HELEMAAL op. Wat bleek dat er vloeibare drugs in zat. Ik werd helemaal dronken. En stoned. Er zat vloeibare Wiet in? Ik wist het niet. Maar het was ook alchocol. Ik wist wel wat ik deed. Maar 1 ding moest ik doen. En dat was het einde vinden. Na 5 uur lopen en dwalen kwam ik bij me huis. Ik was weer helemaal nuchter. Met de grote vraag waar ben ik geweest? Ik liep naar binnen en me moeder zei: 'Huh? Je ging toch ff naar buiten. Of ben je iets vergeten?' Ik begreep het niet! Ik zei: 'Nee laatmaar' Maar die kleren had ik nog wel aan. En de wond ook. En het Briefje zat ook nog in me zak. De gedachte nog in me hoofd. Ik ging de volgende morgen weer naar school. En zag opeens nog een briefje liggen. Ik twijfelde. Zou ik hem pakken? Ik pakte hem op en er stond op The Secret. Ik ben het Joey. Ik begreep er niks meer van. Maar ik liep naar David toe die ik altijd al leuk vond. Maar hij mij niet. Opeens.. gebeurde er iets. Ik was veranderd. Ik wist niet of iedereen zoiets mij gemaakt heeft. Dat er van alles in 6 uur tijd is gebeurt. Maar de tijd niet verder ging. Maar als iedereen het heeft gehad.. zou ik zeggen het is eht beste! En praat er maar niet over. Want anders word je de raarste persoon ooit.
Verliefd paar Een verliefd paar wandelt voor het eerst naakt op het strand. Na een tijdje kijkt hij haar verliefd in de ogen: "Ik zie je graag", zegt hij. Zij zegt wat naar beneden kijkend: "Ik zie het!"
Op een dag komt Loeloe een jonge welp naar haar mama leeuw toe rennen. Hij Is heel bang en verteld mama leeuw dat hij papa nergens kan vinden!. Mama leeuw trekt helemaal wit aan van de schrik en ze gaan hem meteen zoeken...Maar waar zou die nou zijn??
Ze kijken overal maar ze kunnen hem nergens vinden, niet in het bos waar hij altijd tegen de boom ligt en ook niet in de struiken..
Loeloe begint te huilen met hele dikke tranen. Maar mama wordt daar boos om, kom op we gaan verder zoeken. Na een uur is er nog geen papa leeuw en mama leeuw vraagt om hulp, en ja hoor er is niemand die haar wil helpen omdat ze bang voor haar zijn. Daarna gaat ze naar de koning van alle dieren die bekend staat om zijn massa spieren : de aap. Iedereen komt bij elkaar om pappa leeuw te zoeken (de vis, nijlpaard, giraf en de olifant) Ze gaan 1 twee groepjes zoeken : mama leeuw, Loeloe, de aap. En de andere groep : Giraf, de olifant en de nijlpaard en de vogel.
Ze zoeken uren maar niemand kan hen vinden, maar opeens denkt Loeloe wat zie ik daar : Papa, papa waar was uw nouw iedereen zoekt uw, we waren zo bang. (Ondertussen is de aap de anderen aan het halen zodat ze niet langer hoeven te zoeken.) En papa leeuw legt het verhaal uit : Ik was zo moe en ik had het koud ik ben toen naar deze mooie waterfall gegaan om in de zon te gaan liggen, het spijt me dat ik jullie zo heb laten schrikken..Volgende keer zou ik zeggen waar ik naar toe ga.
Maar nu we toch allemaal hier zijn kunnen we ook wel met zijn alle in de zon liggen zegt Loeloe. En dat doen ze en 2 uur later gaat iedereen naar zijn holletje toe. Ook mama en papa leeuw en Loeloe ze vallen met alle in een diepen slaap en Loeloe ligt tussen mama en papa leeuw in...
In de tijd, dat de goden nog over het lot van de wereld beschikten, besloten zij, dat de eerste beroemde stad in het oude Griekse Attica moest ontstaan.
Daar regeerde toen koning Kekrops, half mens, half slang, want hij was uit de aarde geboren, maar zijn onderlichaam was dat van een reusachtige slang. Kekrops wilde Attica tot een beroemde en machtige staat maken en hij besloot rond de berg Acropolis een stad te bouwen, die in pracht en schoonheid haar weerga niet zou kennen.
De goden van de Olympus keken vanuit de hoogte met belangstelling en nieuwsgierigheid op het mensenwerk neer, en enkelen van hen koesterden een heimelijk verlangen, de stad aan zich te onderwerpen, om er heerser en beschermer van te kunnen worden.
Vooral de "aardschokker" Poseidon, de veroorzaker van de aardbevingen en tevens heerser over al het water in de wereld, was vastbesloten de stad zijn wil op te leggen, en misschien zou hij in dit voornemen ook geslaagd zijn, want de almachtige Zeus had zoveel andere zorgen, dat hij er niet op lette, wat zijn twistzieke broeder in zijn schild voerde.
Maar de tegenwerking kwam van een heel andere kant, niemand minder dan Zeus' dochter, de wijze, strijdbare en goddelijke jonkvrouw Athene, verzette zich tegen Poseidons plan. "Waarmee zou de koppige Poseidon de stad eigenlijk van nut kunnen zijn?" vroeg ze de andere goden. "Wil hij soms een springvloed sturen of een aardbeving te voorschijn roepen? En bovendien, jullie weten allemaal, dat hij veel te gauw driftig wordt."
Natuurlijk liet Poseidon dit niet op zich zitten. Nauwelijks had hij de woorden, die de godin met de mooie grote ogen had uitgesproken, vernomen, of hij sloeg zo woedend met zijn drietand, dat zijn paleis bijna in zee stortte en zijn dochters, de Nereiden, hun spel op het wateroppervlak staakten om het schuimende water niet in hun neus te krijgen.
Toen barstte de watergod pas goed los: "Athene weet, dat ik sinds mensenheugenis de vissers en zwemmers bescherm. En dat kan de nieuwe stad alleen maar ten goede komen. Immers, door de ligging aan zee kunnen de bewoners zich alleen maar met de visvangst bezig houden. Of wil je soms, meesteres van de uilen, met mij om de stad strijden?" brulde hij, met een stem als een donderslag. "Waarvoor heb jij je wijsheid dan wel nodig, die uit je vaders hoofd afkomstig is. Bij jouw geboorte moet zijn hoofd hem zoveel pijn gedaan hebben, dat hij je haastig de wereld in liet springen om van zijn afschuwelijke hoofdpijn verlost te worden."
Spot en bittere woorden vlogen over en weer, tot deze ruzie zelfs Zeus ter ore kwam. Deze bedacht zich niet lang, ontbood zijn broeder en dochter naar de Acropolis en met hen ook alle andere goden. Ook enige mensen nodigde hij uit, en koning Kekrops.
Toen sprak de almachtige heerser van de Olympus: "Ik wil niet langer allerlei toespelingen te horen krijgen over wie er op de stad aanspraak kan maken. Nu, broeder Poseidon en ook jij, lieve dochter, ik nodig jullie uit om Attica iets te schenken, wat voor haar bewoners het meest van nut zal zijn. Daarna zal koning Kekrops een rechterlijke uitspraak doen."
Poseidon verliet zijn wagen om aan land te gaan, hij hief zijn gouden drietand hoog boven zijn hoofd en sloeg ermee op de kale rotsen. Onmiddellijk begon er op deze plaats een indrukwekkende zoutwaterbron naar buiten te spuiten; maar nauwelijks waren de toeschouwers van hun verbazing bekomen, of de godin Athene schreed, gewapend met helm, rond schild en speer, naar dezelfde plaats. Ook zij raakte de rotsen met haar glinsterende wapens aan, en wat gebeurde er? Uit de stenen wand begon een olijfboom te groeien, en haar takken bogen tot bijna op de grond onder het gewicht van de zware vruchten.
Nadat mensen en goden de beide wonderen ademloos in ogenschouw hadden genomen, nam koning Kekrops het woord: "Het mag zeker een wonder worden genoemd, dat hier op de Acropolis zeewater uit de rotsen ontspringt," zei hij. "Maar heeft het voor ons nut? Met het blote oog kunnen we van hieruit de eindeloze zee zien, dus wat hebben we aan nog meer zout water?"
De koning pauzeerde even, schonk Athene een warme glimlach en vervolgde zijn toespraak: "Een boom daarentegen, die zulke rijke vruchten draagt, is een waarlijk kostbaar geschenk. De mensen in Attica zullen hem met blijdschap verder kweken, want de vruchten zullen u waardevolle olie schenken, en voor uw levensonderhoud en rijkdom zorgen. Ik zie de schaduwrijke olijfbomen al voor me, die zich van de berghellingen tot aan de oever van de zee zullen uitstrekken. Daarom behoort de stad Attica de godin Athene toe, en zo zal het volgens de wet ook gebeuren."
Toen Kekrops zijn wijze toespraak had beëindigd, spraken alle goden, behalve de woedende Poseidon en zijn gevolg, over de nieuwe stad, die voortaan aan Pallas Athene was gewijd en te harer ere ook Athene werd genoemd.
Kekrops liet de goddelijke beschermster de eerste tempel bouwen en zijn dochter tot priesteres uitroepen. Pallas Athene zorgde op haar beurt voor de opvoeding van Kekrops' zoon Erichthonia. Toen deze tot man was opgegroeid en zijn vader na diens dood als koning was opgevolgd, stelde hij, ter ere van de godin, het belangrijkste feest in van de Atheners, de Panathenaeën. De festiviteiten vonden steeds begin augustus in Athene plaats. Behalve ruiter-, turn-, muziek- en dichtkunstwedstrijden werd erbij het ochtendgloren een feeststoet gevormd. Deze stoet trok naar het standbeeld van de godin - een schepping van goud en ivoor - die op de Acropolis in Panathena stond.
In het bijzijn van allen kreeg het standbeeld een nieuw, rijk geborduurd hemd, dat pas bij het volgende feest verwisseld werd.