Moeder: "Waar ga je naar toe?" Karel: "Naar het bos." "Alleen?" "Nee, ik neem mijn vriendin mee." "Denk eraan dat je niet op de natte grond gaat liggen hoor." "Ik heb toch al gezegd dat ik mijn vriendin meeneem"
Er was eens een heel stout jongetje. Dat jongetje was ook wel eens aardig, maar hij kon het niet nalaten om kattenkwaad uit te halen. Hoeveel ruiten hij al niet met voetballen op straat had gebroken - daar zou je een heel glazen paleis van kunnen maken. En hoeveel potten jam hij al niet had leeggelikt - daar zou je een hele jamfabriek mee kunnen beginnen. En hij klom altijd in bomen en scheurde altijd zijn kleren en op school strooide hij niespoeder in de brillenkoker van de meester en hij was nooit op tijd voor het eten thuis en 's morgens kreeg je 'm zijn bed niet uit en hij deed alles wat jongetjes niet mogen doen.
En het ergste was, dat hij zo'n brutale mond had. Als je tegen hem zei: dat hij toch eigenlijk een heel stout jongetje was, dan haalde hij zijn schouders op en antwoordde: "Nou, en wat zou dat? Je hebt stoute jongetjes en Brave Hendriken. Laat mij dan maar een stout jongetje zijn." En als je dan zei dat het toch niet nodig was om zó héél verschrikkelijk erg ontzettend ongelooflijk stout te zijn, dan stak hij alleen zijn tong maar uit en trok een lange neus tegen je.
Zijn vader en moeder vonden het natuurlijk niet leuk dat hij zo stout was. Zijn vader moest steeds maar gebroken ruiten betalen en zijn moeder nieuwe potten jam kopen. Nu was dat niet zo heel verschrikkelijk, omdat vader een Directeur was van Iets en dus veel geld verdiende, maar toch wilden ze graag dat hun jongetje eens een klein beetje minder stout zou worden. Toen de Sinterklaastijd naderde, zeiden ze dus tegen het jongetje: "Kun je nu eindelijk niet eens wat zoeter zijn? Je weet heel goed dat Sint Nicolaas verleden jaar ook al zo verdrietig over je was... Hij zei toen dat je dit jaar beter je best moest doen, want anders zou hij je misschien wel in de zak laten stoppen!"
"Poeh," zei het jongetje, "ik laat me toch niet bang maken, hoor!" En hij holde hard de straat op en schopte tegen een keisteen, die daardoor natuurlijk juist door de spiegelruit van de banketbakker vloog. Het jongetje kreeg geen enkele avond iets in zijn schoen. Maar hij zei dat hij dat niet erg vond, want er waren zoveel zoete jongetjes die bang voor hem waren, dat ze al hun snoepgoed met hem deelden. En toen kwam Sinterklaasavond.
Vader en moeder en het jongetje zaten te wachten tot Sint Nicolaas zou komen. Want komen zou hij zeker. Hij kwam toch overal! En ja hoor, opeens werd er hard gebeld. Vader ging opendoen en Sint Nicolaas en Zwarte Piet kwamen de kamer binnen.
"Even kijken," zei Sint Nicolaas terwijl hij zijn bril opzette en in het Grote Boek keek, "ah, juist, nu weet ik het weer, hier woont dat hele stoute jongetje. Zozo..." en hij keek over zijn brillenglazen naar het jongetje. Het stoute jongetje keek brutaal terug, maar zijn tong durfde hij toch niet uit te steken.
"Piet," vervolgde Sint Nicolaas tegen Zwarte Piet, "dit jongetje is onverbeterlijk. Wat ik niet allemaal over hem gehoord heb, sinds ik weer in Nederland ben!"
"Dus geen cadeautje, Sinterklaas?" vroeg Zwarte Piet.
"Cadeautje?" vroeg Sint Nicolaas. "Hoe haal je 't in je hoofd, Piet. Is het niet juist," vroeg hij toen aan Vader en Moeder, "dat dit jongetje dit jaar nóg meer ruiten heeft gebroken en nóg meer potten jam heeft leeggelikt dan verleden jaar? En dat hij de schoenen van zijn schoolmeester, die de arme man uitgetrokken had omdat zijn voeten zo'n pijn deden, zomaar heeft verstopt, zodat de meester op zijn sokken naar huis moest? En... ach, ik kan wel blijven doorgaan."
"Het spijt ons," knikten vader en moeder, "het is allemaal waar."
"En heb jij geen spijt?" vroeg Sint Nicolaas aan het jongetje.
"Je hebt stoute jongetjes en Brave Hendriken," zei het jongetje, "en ik wil geen Brave Hendrik zijn."
"Nog steeds even brutaal," zei Sint Nicolaas. "Piet, stop hem in de zak!" Het jongetje probeerde nog weg te lopen, maar Zwarte Piet pakte hem meteen beet en stopte hem in de zak. "Zo, dan gaan we maar weer," zei Sint Nicolaas. "Maar ons jongetje dan?" vroegen vader en moeder. Sint Nicolaas en Zwarte Piet waren echter de kamer en het huis al uit.
Nu moet je weten dat Sint Nicolaas stoute kinderen nooit heel lang in de zak laat zitten. Na een half uurtje of zo vindt hij het wel genoeg, dan doet hij de zak open en laat de kinderen beterschap beloven, voor hij ze naar huis stuurt. En dikwijls geeft hij ze dan nog een cadeautje ook. Maar toevallig was het jongetje één van de laatste kinderen die hij had bezocht. En de volgende dag ging hij terug naar Spanje, want hij had haast dit jaar.
Pas toen ze weer thuis in Spanje waren, zei Sint Nicolaas tegen zijn knecht: "Zeg, Piet, herinner ik me dat nou goed? Hadden wij niet een heel stout jongetje in de zak gestopt?"
"Ja, baas," zei Piet.
"Maar hebben we dat jongetje ook weer uit die zak gehaald?"
"Nee, baas, dat ben ik helemaal vergeten," zei Piet.
"O, domme Piet, we laten kinderen toch nooit lang in zo'n zak zitten." En Sint Nicolaas maakte haastig de zak open - en ja hoor, daar lag het stoute jongetje... heerlijk te slapen.
"Word eens wakker! En kom er maar gauw uit!" zei Sint Nicolaas. Het jongetje werd wakker en zei: "Zijn we dan al in Spanje? O ja, ik voel het, het is hier veel warmer. En hangen hier de sinaasappelen nu echt aan de bomen?" En het jongetje sprong de zak uit en begon te dansen van plezier omdat hij in Spanje was.
Sint Nicolaas ging op een stoel zitten, streek een keer of tien door zijn baard en zuchtte: "Wat moeten we nu met zó'n jongetje beginnen, Piet. Hoe moet je zó'n jongetje nu bestraffen. We zullen hem maar gauw met een vliegtuig naar huis sturen."
"O, nee, Sint Nicolaas!" riep het jongetje. "Mag ik alstublieft een weekje blijven? Het is hier zo lekker warm en ik heb zo'n trek in sinaasappelen!"
"Zo'n stout jongetje als jij? O nee," zei Sint Nicolaas.
"Dan zal ik heus en echt nóóit meer zo'n stout jongetje zijn. Wel een beetje stout, een heel klein beetje stout, maar meer ook niet. Ik beloof het."
"Hum," zei Sint Nicolaas. "Tja, als je dat echt belooft... Vooruit dan maar." Hij liet Zwarte Piet een telegram naar de vader en moeder van het jongetje sturen en het jongetje mocht een hele week bij Sint Nicolaas logeren en zijn witte schimmel verzorgen en net zoveel sinaasappelen eten als hij maar lustte. En toen het jongetje weer in Nederland terug was, werd hij werkelijk een aardig, helemaal niet zo stout jongetje. En als de andere jongens hem vroegen wat hij voor zijn Sinterklaas gekregen had, dan zei hij: "Het mooiste cadeau dat je denken kunt. Ik heb een hele week lang bij Sint Nicolaas zélf gelogeerd. Wat zeg je me daarvan?"
Waarom de vrouwen van Brussel hun mannen op de rug dragen
Waarom de vrouwen van Brussel hun mannen op de rug dragen
In de tijd van de kruistochten trok menig ridder, vorst of koning uit de Europese landen met zijn gewapend volk naar het Heilige Land. De ongelovigen hadden daar de stad Jeruzalem veroverd, en dus was het de plicht van ieder goed Christen, met het zwaard te hulp te snellen.
Diezelfde situatie deed zich ook in Brussel voor. Iedereen, die maar een wapen kon dragen, stelde zich onder het vaandel van heer Godfried van Bouillon, en onder fanfareklanken en klokgelui verlieten de mannen Brussel.
Maar de fanfareklanken waren spoedig verstomd; droefheid en rouw deden in de straten hun intrede. Weken en maanden gingen voorbij, maar van de kruistocht werd taal noch teken meer vernomen. Dat was de reden, dat het dagelijks gelach en gekijf van de vrouwen bij de bron niet meer was te horen. In plaats daarvan klonk er achter de gesloten vensters steeds vaker gezucht en geweeklaag.
Een heel jaar lang bleven de vrouwen in Brussel verstoken van elk levensteken van hun mannen en geliefden. Grauw en gerimpeld werden hun gezichten, hun trotse gang veranderde in de slepende tred van een oude vrouw en weldra was er niet veel meer over van de mooie vrouwen, die eens van hun mannen afscheid hadden genomen.
Op een dag, om precies te zijn op de 28e januari, verscheen aan de Leuvense poort een onbekende ruiter op een met schuim bedekt paard. Zijn harnas zat onder het stof en stinkende modder, daarom behoefde geen fanfare zijn komst te melden. De burgeressen, rijk en arm, dienstmeisjes en boerinnen, de vrouw van de rechter en van de smid, het liefje van de wachtpost, kortom, alle vrouwen en meisjes die alleen in de stad waren achtergebleven, kwamen toelopen om naar de boodschap van de onbekende ruiter te luisteren.
En deze boodschap klonk de vrouwen als hemelse muziek in de oren: "Jeruzalem werd door de mannen van Brussel veroverd, en de dapperste onder hen, heer Godfried, werd daar tot heerser uitgeroepen. Maar dat is nog niet alles. Heer burgemeester Shayes Iaat bekend maken, dat hij met zijn dappere mannen tegen zonsondergang terugkeert. Ze hebben Leuven al bereikt..."
Misschien wilde de ruiter nog iets zeggen, misschien ook niet. Vast staat echter, dat hij niet meer aan het woord kwam. De vrouwen begonnen door elkaar heen te gillen en te schreeuwen. Ze liepen onmiddellijk naar de poort, gingen op de grond zitten en staarden in de verte naar Leuven, waar hun mannen vandaan zouden komen.
Gelukkig hoefden ze in het gure januariweer niet lang te wachten, of zouden ze plotseling geen last meer van de kou hebben gehad? Maar deze dag kwamen hun geliefden werkelijk naar huis, en de vreugde kende geen grenzen.
Denk nu niet, dat de vrouwen hun mannen op de plaats lieten staan. Welnee! Ze namen hun mannen op de rug, droegen ze door de stegen en straten naar huis, regelrecht naar bed!
En pas de volgende dag begon de viering van de succesvolle kruistocht, die gelijk een hele maand duurde. Toernooien, wedstrijden en feestmaaltijden vonden er plaats.
Maar dat is nog niet alles. Het belangrijkste van deze hele geschiedenis is, dat het sinds die 28e januari weer een plezier was om naar de Brusselse vrouwen te kijken. Misschien is daardoor de gewoonte ontstaan, dat de vrouwen van Brussel ieder jaar op deze dag hun mannen op de rug nemen en rechtstreeks naar bed dragen, precies zoals het vele, vele jaren eerder was gebeurd.
Gedichtje voor het slapengaan Worstje,worstje,gij aardig ding des werelds vrouwen lieveling Door u is een groot genot ontstaan dat op vader en zoon is overgegaan Zo gij,mijn worstje er niet moest zijn ware de wereld een dorre woestijn Had ik kou,of stond ik heet steeds mijn lief worstje waart gij gereed Toen ik na het legen van de jaren, in mij de drang kwam om te paren Heb ik menig vrouwtje,pas ontloken op mijn worstje vastgestoken Toen ik dan moe van al dat schieten nog even stil lag te genieten legde gij,moe van al dat stoten uw hoofdje op mijn kloten Eenmaal heeft een vrouwtje met durf bezeten mijn worstje in twee gebeten Dus mannen aller landen kies vrouwtjes zonder tanden
Er leefde eens een arme hennepteler. Zijn naam was Rihuana. Hij had een heel bazige vrouw: Ma Rihuana. Ze hadden twee kinderen gekregen en die waren als Hasj en Wietje gedoped. Wietje speelde met haar barbie-turaatjes en Hasj speelde met Stuff zijn hondje en Morfientje zijn kat.
Pa Rihuana en Ma Rihuana hadden problemen. Want zij hadden niets meer te eten.
"We moeten iets doen" zei Ma Rihuana. Pa Rihuana snoof eens diep, maar wist niets te zeggen. Ma Rihuana bedacht een boos plan. Ze zouden met z'n vieren een tripje gaan maken in het bos en dan zouden Pa Rihuana en Ma Rihuana Hasj en Wietje achterlaten. Maar slimme Hasj had alles gehoord en stak snel een mesje in zijn zak.
De volgende dag gingen ze met z'n allen een tripje maken in het bos waar de wind door de bomen blowde. 's Middags deden Hasj en Wietje een dutje en hun ouders gingen er met speed vandoor. Maar Hasj had met zijn mesje de lijntjes getrokken in de sneeuw dus konden ze makkelijk de weg terugvinden. Ze durfden echter niet goed naar hun huis te gaan, dus besloten ze naar Opium en Omium te gaan. Deze zaten vredig op de canape naar de LSD-speler te luisteren waaruit zojuist de hit klonk:
"Altijd rookt Kortjakje wiet, Midden in de week maar zondag's niet. Zondag neemt zij heroine met een snuifje cocaine Altijd rookt Kortjakje wiet Midden in de week maar zondag's niet"
Toen Opium en Omium hun kleinkinderen zagen, begroeten ze hen uitbundig. "High", riepen Opium en Omium. "High", riepen Hasj en Wietje terug terwijl ze een cracker aangeboden kregen. "Hoe gaat het", vroegen Hasj en Wietje beleefd. "Ach je weet hoe dat gaat hè, drug, drug, drug", antwoordde Omium. "Hebben jullie honger?", vroeg Opium. "Jaaaa", riepen Hasj en Wietje. "Laten we gaan chinezen". "Niet nodig" zei Omium, "ik coke wel".
De volgende dag werden Hasj en Wietje weer thuis gebracht. Pa Rihuana was blij maar Ma Rihuana niet. Toen ze later weer een tripje gingen maken in het bos, lette Ma Rihuana extra goed op Hasj zodat hij geen lijntjes kon trekken met zijn mesje. Toen ze weer achterbleven waren ze verdwaald. Plotseling hoorden ze een vogeltje dat floot: "Wiedewiedewied". Ze volgden het vogeltje en kwamen bij een huisje dat helemaal was gemaakt van coke. Zoveel coke hadden ze nog nooit bij elkaar gezien en begonnen dan ook meteen te snuiven. Maar terwijl ze bezig waren werden ze bespeed door een boze h-xtc die in het huisje woonde. "Sniffel, snuffel, snuitje, wie snuift er aan mijn huisje?". De h-xtc kwam naar buiten en zei met een lief stemmetje: "Kom maar binnen, daar heb ik lekkere space-cake voor jullie". Maar intussen kickte de h-xtc maar al te erg op Hasj. Na een tijdje zaten Hasj en Wietje helemaal stoned bij de h-xtc aan tafel. De h-xtc wilde Hasj en Wietje nu coken. Ze konden niet meer ontsnappen. "Hennep, Hennep", riep Hasj. "Stick", riep Wietje. Wietje moest in het coke-hok gaan kijken of de temperatuur al high genoeg was, maar ze zei tegen de h-xtc dat ze het niet goed kon zien. De h-xtc ging nu zelf kijken. Wietje duwde de h-xtc snel in het coke-hok en deed de deur dicht. Ze staken het huisje achter zich in brand. "Crack", zei het huisje. Het wiedewiedewied-vogeltje wees hen nu de weg naar hun eigen huis. Onderweg kwamen ze Rookkapje en Sneeuwwietje tegen. Toen ze thuis kwamen was Pa Rihuana heel bl-high en Ma Rihuana was aan een overdosis bezweken.
Er was eens een hoer die in amsterdam werkte, maar ze had niet echt veel klanten, daarom had ze een aanbieding, ze liet 2 tatoeages op haar billen zetten, op de ene bil wesley sneijder en op de andere michael ballack, als je er 1 van de 2 kent mag je gratis neuken. komt er een Nederlander aan, oh, da's wesley sneijder, dus hij mocht gratis neuken, komt er een Duitser aan, oh, dat is Michael Ballack, dus hij mocht ook gratis neuken. Komt er een Belg aan, pff, die linkse ken ik niet, en die rechtse ook niet, waarop de Belg antwoordde, maar die middelste ken ik wel, dat is Michael Reiziger
ik en een vriendin werden een tijdtje achter volgd door een man we schatten hem een jaar of 30 en hij liet ons niet metrust hij zij smerige dingen tgen ons en op een dag was ik een c.d op halen bij me vriendin en reed met de fiets na huis stond hij daar tegen een auto aan geleund hij hadt me dus gevolgd en kwam naar mij toe en pakte me vast ik zij tegen hem laat me metrust ik moet na huis toe en blijf van me af hij zij van kom mee met mij na me huis maken we een feestje ik zij nee laat me gaan en hij ging aan me borsten zitten en pakte me vast en zij nee rotte schit nederland je gaat mee ik zij nee en hij ging tegen me wil in en ik was heel bang ik schreeuwde mensen keken maar deden niks ik heb daarna aan gifte gedaan maar het verhaal spookt nog steets in me hoofd rond ik zie die man nog vaak en zegt vaak gemeene dingen en pas kwam ie na mij toe en hadt me weer vast gelukig was me vriendje er en kwam hij in axtie maar ik zou deze gebeurtenis nooit in me leven kunnen vergeten hoplijk maken jullie nooit zo iets mee en is het wel doe aub aangifte het helpt het heeft mij ook geholpen al is ie niet gestraft
Een mooie Italiaan rijd in z'n dure wagen door Rome. Hij kijkt zo eens om zich heen en heeft ineens hele erge zin in seks. Hij rijd verder en komt daar een meisje langs de weg tegen die aan het liften is. Ze heeft een buitenlands uiterlijk. Hij neemt haar mee, en ziet haar wel zitten. Na in het beste engels dat ze beiden spraken, wat gepraat te hebben, belanden ze in de slaapkamer van de Italiaan. Na een kwartier komt de Italiaan kreunend klaar. Hij steekt een sigaret op en zegt: "You finish?" Waarop het meisje met een wat verbaasd gezicht "No" antwoord. De Italiaan maakt gelijk zijn sigaret uit en duikt weer op het meisje. Na een half uur komt ie klaar, en dan wel zo dat de buren het konden horen. Weer steekt ie een sigaret op en vraagt: "You finish?" En weer zegt het meisje: "No". Weer maakt hij zijn sigaret uit en gaat verder met het meisje. Na een uur komt ie klaar, en het was tot ver in Rome te horen. Weer steekt hij een sigaret op en vraagt heel erg zeker van z'n zaak: "You finished?" Waarop het meisje antwoordt: "No I'm Swedisch."
Toen ik haar voor de eerste keer zag dacht ik "Nee, dat is zij niet, dat is niet de persoon die ik dagelijks aan de telefoon urenlang aan de praat hield". Maar zij was het wel, en zij is het nog. De liefde van mijn leven, de vrouw waar ik ontzettend veel van houd.
Ondanks dat ik diverse relaties heb gehad, de meeste waren gedateerd tot 3 jaar en mijn langste 10 jaar, dacht ik bij de laatste van 10 jaar :"Nooit meer een relatie, leve de vrijheid". En dat heb ik 10 jaar vol kunnen houden.
Totdat een stapvriendin tegen mij zei "Via internet kun je ook adverteren voor een vriendin hoor"! Ik dacht, je doet je best maar ik zit goed in mijn uppie.
Heeft zij achter mijn rug om een advertentie geplaatst op een of andere datingsite, en toevallig dat mijn huidige vrouw thuis met de griep zat en verveeld achter haar pc zat te surfen op zo'n site. Zij is altijd alleen geweest, had nooit zin in een vaste relatie en was zeker niet op zoek. Totdat mijn advertentie voorbijkwam. Zij reageerde direct.
Ik kreeg op een avond een smsje van die stapvriendin van mij of ik even naar Zwolle wilde bellen. Wist ik waar dat lag? Nee, maar het was wel ruim anderhalf uur rijden. Ach, als het een boerin is met een hakketakaccent kan je het schudden en knijp ik jouw strotje bijeen. Ik vond het in de eerste instantie niet leuk, omdat zij al diverse reacties op die advertentie van mij had gehad en de een na de andere afkeurde. Dit alles zonder mijn medeweten. De gluipdeken. Maar omdat ik een rare tekst voor haar had verzonnen, omdat ik dacht dat het voor haar advertentie was, zij was namelijk al jaren op zoek naar een vriendin, kreeg zij een leuke reactie terug. Met telefoonnummer. Wat doe ik? Juist, een shaggie draaien, koffie gereed, spa ernaast en bellen met die hap.
'Met Claudy", een beschaafde hese sexy stem aan de andere kant. Ik heel lullig "Ja hier spreekt die mercedes bouwjaar 53". Ineens was ik mijn tekst kwijt, mijn hart klopte in mijn keel. Die stem alleen al deed mij smelten. Later hoorde ik dat dit gelukkig wederzijds was.
Het gevolg? De KPN aandelen stegen door onze lange gesprekken door de telefoon, ik ben kort daarna verhuist met mijn kater Charley naar Zwolle. Wij waren gewoon een match,
Alles klopte, zelfs onze geboortejaren, onze familiegeschiedenis, alleen had zij allerlei diploma's van timmervrouw tot chef kok, ik had alleen een paar zwemdiploma's.
Wij zijn getrouwd, en nog even verliefd als in het begin. Een match uit de hoeveel? Is daar ooit onderzoek naar gedaaan eigenlijk? Waarom wij zo snel trouwden was omdat een van mijn zusters te horen had gehad dat ze nog geen jaar meer te leven had en ze wilde zo graag bij de bruiloft aanwezig zijn.
Zij werd mijn getuige en heeft het gelukkig mogen meemaken, net als mijn broer die inmiddels ook al overleden is, en die altijd als een bulldogg over zijn sussie waakte. Hij zei altijd tegen Claudy "Pas je goed op me sussie", heerlijk in het plat Amsterdams, terwijl Claudy nog regelmatig vertalingen aan mij vraagt als ik nog met dat beetje familie bijeen zit. Want ondertussen hebben we alweer gehoord dat mijn jongste zus ook nog geen jaar meer te leven heeft. En dan weet je pas wat je aan elkaar hebt. Liefde steun elkaar troosten, elkaar opvangen en zorgen dat je er bent voor elkaar, en elkaars verdriet delen. Want houden van doe je toch samen.
Ondanks onze verschillen in karakter, gelukkig maar, blijft ook de spanning in ons huwelijk. We lachen ontzettend veel ook omdat wij dezelfde humor hebben, en ik overal om kan lachen. Huilen gaat mij niet meer zo goed af, ergens is dat luikje leeg of dichtgeroest van al die tranen die ik de afgelopen jaren heb moeten laten lopen. Claudy is een zeer teer en gevoelig typje dat al huilt als ze op de tv een hond zielig ziet weglopen uit beeld.
Kan ik wel zeggen "Joh dat is allemaal gespeeld hoor", maar dat maakt haar niets uit, het raakt haar. Als ik gedichten maak voor iemand die een geliefde verloeren heeft en zij begint te huilen weet ik dat het goed zit. Het raakt. De tekst is oké. Zij is daarin mijn feed-back.
Mijn eerste boek verscheen, en tot vervelends toe heeft zij elke keer weer die verhalen die ik geschreven heb aan moeten horen en een bevestiging naar mij toe moeten geven. Hoezo onzeker? Die zwakte is alleen maar goed. Als zij niet lachte om een verhaal ging het verhaal de prullebak in. Zij is heel kritisch en dat heb ik soms nodig. Ik schrijf natuurlijk hartstikke veel en doe veel research voor mijn indianensite ( www.indianspirits.punt.nl) en ook mijn maffe site www.klapdoos.web-log.nl is voor haar een crime, omdat zij als ambtenaar niet te hard kan lachen, alle deuren staan daar open op het stadhuis, en dan hebben ze natuurlijk in de gaten dat ze zit te internetten. Hoewel ze echt hard werkt hoor als ambtenaar, dus niet alleen het hout van het bureau.
Onze liefde is variabel, soms hebben we een knallende discussie maar dat duurt meestal een minuut of 10 dat was geloof ik de langste.
Omdat mijn vrouw alles zelf maakt, plakt, timmert, kortom een doe het zelf lady is kan ze alles gebruiken en bewaart dan ook alles, want stel je voor dat je het nodig kan hebben. Heeft ze regelmatig last van. Ik moet dan ook maar alles bewaren, doch zorg dat ze niet ziet dat ik ook regelmatig alles wegpleur. We hebben een groot huis, een leuk chalet met een halve are grojnd en zelfs die bosgrond heeft ze een bostuin van gemaakt, zelf een schuur gebouwd, en nu wil ze nog een wagen eraan plakken want de dame wil een grotere douche en toilet en slaapkamer.
Als ik zo die plannen hoor vraag ik alleen maar "Denk jij dat ik een dochter van Caransa ben of zo"? Kost allemaal niks. Maar zij is zo slim dat ze alles zelf in elkaar kan maken dus we besparen heel wat uit. Daarom ben ik ook zo trots op mijn doossie
Hallo, mijn naam is Irene en dit verhaal speelt zich af zo'n twee jaar geleden. Het was mijn verjaardag de dag dat 18 jaar was geworden. Ik had nog nooit met iemand sex gehad. Mijn vriend was 8 jaar ouder dan mij en hij durfde geen sex met mij te hebben voordat ik 18 was. Dat is verboden zei hij, maar ik maak het helemaal goed met je zodra je 18 bent. En dat moment was toen dus aangebroken. Ik zat bij hem in de auto en bestierf het bijna van de zenuwen. Op deze dag had ik lang gewacht en nu was het eindelijk zover. Het was al laat op de avond en we draaiden een parkeerplaats op. Het was een donkere afgelegen parkeerplaats, maar er stonden wel meer auto's geparkeerd. Hij stopte de auto en langzaam begonnen we wat te zoenen. Van het een kwam het ander en al snel zat hij met zijn handen onder mijn truitje. Zachtjes vreef hij over mijn borstjes en kneep af en toe plagerig in mijn tepeltjes. Ik was al zo geil als boter maar dat werd alleen maar meer. Ik knoopte zijn gulp open en gleed met mijn hand zijn broek binnen, ik voelde zijn penis door de stof van zijn boxer stijf staan. Snel deed ik ook zijn boxer opzij en pakte zijn kloppende pik vast, eindelijk mocht ik hem vast houden. Langzaam begon ik hem af te trekken. Voor de zekerheid vroeg ik hem nog of hij wel condooms bij zich had en hier antwoorde hij bevestigend op. Ook hij liet zich niet onbetuigt en ging met zijn handen verder op onderzoek. Zachtjes gleed zijn hand over mijn been onder mijn rok. Hier bleef hij even vrijven over mijn liesstreek voordat hij mijn slip opzij duwde en met zijn vinger over mijn schaamlipjes streek. Toen deed hij plotseling het binnenlampje van de auto aan. Wat doe je nou? vroeg ik verbaast. Hij vertelde mij toen dat dit een dogging parkeerplaats was. En dat als je het lampje in de auto aan had staan dit een teken was voor andere dat ze mochten kijken. Verbaast keek ik hem aan. Een dogging parkeerplaats?? Wat is dat?? Hij legde mij uit dat dat een parkeerplaats was waar je sex kon hebben en waar andere, vreemde mensen dan konden toekijken als je dat wilde. Hij vertelde me ook dat hij hier erg op kikte en erg opgewonden van raakte. Om eerlijk te zijn vond ik het wel een beetje raar maar toch ook wel weer heel spannend. En ik was botergeil dus het kon me ook allemaal niet meer zo veel schelen. Zo gingen we dus verder met het binnenlampje van de auto aan. Ik keek naar buiten en zag in de verte al iemand aan komen lopen. Maar voor dat ik er goed op kon letten had mijn vriend mijn slipje te pakken en begon hem met een hand naar beneden te trekken. Met zijn andere hand vreef hij nu stevig over mijn kutje. Hij trok mijn slip helemaal uit en deed hem in het handschoenenkastje. Ik zat daar dus nu met een een opgestroopt rokje in mijn bloote kutje. Ik had inmiddels zijn pik weer te pakken en trok hem lekker af. Neem hem is in je mond vroeg andre (want zo heet mijn vriend). En terwijl ik mijn hoofd naar zijn pik bracht zag ik in mijn ooghoeken dat er iemand naast de auto naar binnen keek. Dat was wel heel opwindend voor me. We hadden een toeschouwer !! Ga door Irene , we zijn niet de enige die geil zijn vanavond fluisterde Andre. Het kon mij niks meer schelen deed mijn ogen dicht en ik likte heerlijk aan Andre zijn pik. Ik liet hem langzaam mijn mond binnenglijden en begon hem heerlijk te pijpen. Ik genoot er echt van, hier had ik al lang op gewacht . Onze toeschouwer staat zich af te trekken fluisterde Andre nu. Dit wilde ik ook zien en opende mijn ogen. Ik keek opzij en keek recht tegen een grote dikke lul aan welke voor ons raampje aftrokken werd. Ook zag ik een 2e man staan , ik schat hem een jaar of 20 echt een lekkere gespierde gozer. Ook hij had zijn pik in zijn hand en stond er aan te sjorren. Andre had inmiddels zijn hand weer tegen mijn kutje aan en begon met zijn middelvinger door mijn schaamlipjes te strijken. Voorzichtig drukte hij zijn middelvinger een klein stukje naar binnen. Om eerlijk te zijn had ik het niet eens zo door, ik was teveel naar de jonge man buiten aan het kijken. Het was ook echt een heel aantrekkelijke gozer met een pracht van een penis. Andre had het al snel in de gaten en deed het electrische raampje aan mijn kant open. Ik schrok en keek naar Andre. Hij lachte naar mij en zei : help hem maar een handje, ik zie dat je het wilt. Ik keek opzij en zag dat dat lekkere stuk zijn piemel al door het raam naar binnen had gestoken. Snel pakte ik hem beet en begon er aan te trekken. Langzaam liet ik het velletje over zijn eikel heen en weer glijden. Ondanks de kou buiten voelde zijn pik heel warm aan. Hij was zelfs nog langer en dikker dan de pik van Andre. Met mijn andere hand gleed ik onder zijn ballen door en pakte zijn zak stevig beet. Ik liet zijn ballen door mijn handen rollen. Ondertussen trok ik rustig door en de pik leek wel nog harder te worden dan hij al was. En toen, zonder dat de man iets zei, begon hij opeens al klaar te komen. Zijn zaad spoot naar buiten en voordat ik er erg in had vloog het al over mijn kleren en de auto stoel. Ik schrok me rot. Zoiets had ik nog nooit echt meegemaakt, natuurlijk had ik het al vaak gezien op internet maar nu gebeurden het wel erg snel. De jongen borg zijn pik alweer op in zijn broek, bedankte me en liep snel weg de duisternis in. De andere man welke al die tijd had staan kijken nam zijn plaats in en stak zijn pik door het raampje naar binnen. Terwijl ik bezig was mij schoon te maken stuurde Andre hem weg want hij wilde nu zelf wel is verwend worden. We hadden nu geen kijkers meer en konden ons helemaal op elkaar richten. Net toen Andre weer aan mijn kutje begon te strelen kwam er een nieuwe auto het parkeerterein oprijden. Deze parkeerde een paar meter van ons vandaan en ook hier ging het binnenlampje van de auto aan. Ik zag dat er een jongen en een meisje in de wagen zaten. Ik kon vanuit de onze auto niet goed zie wat ze aan het doen waren maar dat konden we natuurlijk wel raden. Wil je van dichtbij kijken? vroeg Andre. Ik was nog steeds bloedgeil en dat leek me dan ook een goed idee. We stapten onze auto uit en liepen naar de vreemde auto toe. We bleven staan bij het raampje van het de jongen en zagen dat hij gepijpt werd door het meisje. Toen het meisje even opkeek en mij zag staan wenkte ze me naar het raampje toe. Wil jij hem niet even strelen? vroeg ze me. Ik keek opzei naar Andre en die zei meteen ,doen meid , dat lijkt me geil. Dat was voor mij genoeg om mijn arm door het raampje te steken en naar de pik van de jongen in de auto te grijpen. De jongen had een lekkere dikke lul ik had moeite om hem helemaal met mijn hand te omsluiten. Hij voelde lekker warm en een beetje vochtig aan. Hij gleed door mijn handen alsof ik er al jaren ervaring in had. Zijn vriendin die naast hem zat vond het blijkbaar een opwindend gezicht want ze was zichzelf aan het vingeren. Ik zag dat ze een nat kutje had weant het glinsterde van het vocht. Ik begon er steeds meer zin in te krijgen en begon dus ook steeds sneller aan die lekkere lul te trekken. Andre moedigde me aan en voelde met zijn hand onder mijn rokje. Mijn slipje lag nog in onze auto dus hij zat meteen tegen mijn gezwollen schaamlipjes aan. Een rilling ging door mij heen toen hij met zijn vinger mijn kutje in schoof. De jongen in de auto vroeg me om hem te gaan pijpen en zonder dat ik het aan Andre voeg stak ik mijn hoofd door het raampje en nam de vreemde pik in mijn mond. Zijn lul smaakte een beetje zoutig en rook ook een beetje. Ik denk dat hij hem vandaag nog niet gewassen had. Maar het kon me niks meer schelen ik genoot van die heerlijke dikke pik. Ondertussen liet Andre mijn kutje met rust en zag ik dat de vriendin van de jongen de ik aan het pijpen was een pik aan het aftrekken was door het open raamje. Ik kon de eigenaar van de pik niet zien, alleen zijn blote pik en een stukje van zijn buik zag ik. Opeens voelde ik achte mij een tong over mijn blote benen omhoog gaan. Langzaam ging de tong richting mijn natte kutje. En steeds als hij er bijna was , verdween hij weer om een moment later weer onder aan mijn benen te beginnen. Mijn God wat deed Andre dat lekker, ik stond trillend op mijn benen. Ik wilde opkijken naar Andre maar dat ging niet want de jongen in de auto drukte nu mijn hoofd stevig op zijn pik. Hierdoor schoof zijn pik nog wat dieper in mijn keeltje. Ik moest er bijna van kotsen maar kon me nog net inhouden. Achter mij voelde ik de tong weer omhoog gaan maar dit keer ging hij door. ik krijgt de rillingen als zijn tong bij mijn kutje is aangekomen .. Ik krijg het warm en koud tegelijk. Ik voel hoe het kippenvel op mijn benen staat door het likken over mijn miniem behaarde heuveltje en merk dat mijn bloed kloppend naar haar kutje wordt gepompt. Mijn schaamlipjes worden langzaam dikker en doordat Andre achter mij mijn benen nog een beetje verder uit elkaar zet, gaat mijn spleetje nu automatisch verder openstaan. Ik voel hoe een eerste straaltje vocht mijn kutje verlaat en langs mijn bilnaad naar beneden druppelt.
Dan laat hij zijn tong zachtjes over mijn spleetje gaan. Hij blijft even mijn weke kutje likken, dat door de druk van zijn tong automatisch nog verder open gaat staan, hij steekt het puntje van zijn tong voorzichtig enkele keren even een beetje naar binnen, om vervolgens de weg door mijn jonge en ongerepte spleetje naar boven weer te vervolgen. Met zijn tanden bijt hij voorzichtig in mijn schaamlipjes, zuigt er even aan en gaat dan met het puntje van zijn tong richting het kleine roze, zeer gevoelige knopje bovenin mijn spleetje. Ik weet absoluut niet wat mij overkomt. Mijn kutje staat in brand, het geil, vermengt met speeksel voelt ik uit mijn kutje lopen. Mijn ademhaling is onregelmatig en zachtjes zuchtend en kreunend laat ik mij helemaal gaan. Iedere keer als mijn klitje wordt gelikt krijgt ik stroomstootjes en spastische bewegingen door mijn lijf. Mijn spleetje staat nu helemaal open en Andre blijft haar likken totdat hij merkt dat mijn orgasme in aantocht is. Dan, tot mijn ongenoegen, stopt hij zijn acties . Ik was bijna klaargekomen…
Even later voel ik alweer wat tegen mijn gevoelige lipjes drukken. Even denk ik dat hij terug is met zijn vingers, maar al snel voel ik dat dit te dik is voor een vinger. Mijn god het is zijn pik, hij zal me eindelijk gaan neuken ,flitst het door mijn hoofd. Ik wilde gaan staan en Andre in zijn ogen kijken maar ik kon niet. mijn hoofd werd nog steeds vastgehouden en heen en weer over de jongen zijn penis gedrukt. Ik wilde wat zeggen maar zelfs dat lukte niet, ik raakte lichtjes in paniek en ook mijn opwinding was in een klap weg. Ondertussen ging Andre gewoon door met zijn pik tegen mijn schaamlipjes drukken.Ik voelde mijn lipjes opzij geduwd worden door door zijn eikel. Als zijn dikke gezwollen eikel volledig tussen mijn lipjes zit, wacht hij even om mij aan het gevoel te laten wennen, waarna hij langzaam alleen zijn eikel een beetje op en neer beweegt. Hierdoor begint mijn opwinding ook weer terug te komen. Als hij merkt dat ik mij iets meer ontspan en dus een beetje gewent raak, schuift hij zijn pik een beetje verder in mijn grotje. Steeds weer een klein stukje verder naar binnen, om daarna weer terug te trekken en zo mijn gevoelige kutje te stimuleren. Hij probeert om mij echt te laten genieten van deze bijzondere ervaring. Zeker voor een meisje is de eerste keer dat je een pik in je kutje voelt schuiven een unieke gebeurtenis. Als Andre merkt dat zijn pik wat weerstand voelt wacht hij even . Daarna duwt hij zijn pik zachtjes verder naar voren tegen mijn maagdenvliesje aan en voert de druk langzaam op. Ik merkt dat mijn vliesje strak om het topje van zijn eikel zit, als hij met een klein stootje doordrukt en ineens alle weerstand verbroken wordt. Mijn maagdenvliesje is gescheurd en door de druk die hij daarop uitoefende is zijn pik ineens een heel stuk verder in mijn kutje geschoten. Een klein gilletje was alles wat ik liet horen en ik voelde hoe strak mijn maagdelijke kutje om zijn stijve pik geklemd zat.
Langzaam begint hij weer te bewegen en steeds verder schuift hij zijn paal in mijn natte grotje. Hij begint mij nu ook echt te neuken en beweegt zijn paal stukjes op en neer. Ik ben nu toch wat gewend aan dit gevaarte en krijg een heerlijk geil gevoel hierdoor in mijn kutje. Steeds harder gaat hij op en neer en stoot nu met zijn eikel tegen mijn baarmoeder aan. Zijn ballen voel ik tegen mijn billen kletsen en nu raak ik in een diepe roes. ‘Jaaa… harder… jaa…’ roep ik nu. Een vraag die ik maar een keer hoeft te stellen. Andre gaat steeds harder en wilder stoten en laat zijn paal over de volle lengte in en uit mijn kutje gaan. Dan voel ik hoe mijn orgasme zich aankondigt. Andre blijft mij neuken en ik voel hoe mijn kutje begint te verkrampen om zijn pik. Met mijn gezicht trek ik de raarste grimassen als ik mijn hoogtepunt bereik. Mijn kutje blijft zich samentrekken, terwijl de scheuten door mijn lijf gieren. Dit alles is ook Andre te veel, ik voel hoe zijn ballen zich samentrekken en als hij zijn pik nog een keer volledig in mijn kutje schuift, borrelt zijn zaad omhoog. Diep in mijn grotje krijgt hij zijn explosie. Als een vulkaan begint hij te spuiten de ene na de andere sliert sperma verlaat zijn pik en wordt in mijn maagdelijke geile kutje geloosd. Ik voel hoe het warme zaad tegen mijn baarmoeder aan spuit en bij iedere pulserende zaadlozing voelt ik de rillingen door mijn lichaam gaan. Er lijkt geen einde te komen, hij blijft maar spuiten. Zo heerlijk is dit…….. Ik voel zijn pik verslappen en uit mijn kutje floepen gelijk daarna voel ik een warme stroom zaad mijn kutje uitstromen.
Op dat moment komt ook de jongen in de auto met een kreun klaar in mijn mond. Zijn sperma spuit tot ver achter in mijn keeltje. Hij houd mijn hoofd nog even vast totdat ik al het sperma doorgeslikt heb. Ook zijn pik voel ik verslappen en hij laat mijn hoofd nu los. Ik kom omhoog uit het autoraam en wil Andre kussen ,maar toen ik mij omdraaide zag ik niet Andre maar een oude man van een jaar of 60 achter me staan. Hij was met een zakdoekje bezig zijn pik schoon te maken. Ik zag dat er bloed op de zakdoek zat. Hij keek mij even aan en bedankte me, het was heerlijk lieverd !! zei hij. Toen borg hij zijn pik op in zijn broek en liep weg. Verbaast keek ik op en zag dat Andre aan de andere kant van de auto stond. Hij stond met zijn broek op zijn enkels en zijn pik door het raamje. Het meisje in de auto was bezig op zijn pik te zuigen. Maar als Andre aan de andere kant van de Auto stond, wie had mij dan geneukt ? dacht ik.
Toen pas drong het tot me door. Ik was geneukt door die vent van net. Die oude vent had me ontmaagd !!!! Mijn god wat had ik gedaan !! Ik heb me laten neuken door een vreemde oude man en nog zonder condoom ook !!!!
Een man komt bij de huisarts binnen met een heel triest gezicht. De huisarts vraagt: "Awel jong, zo triestig dat jij er uit ziet?" De man zegt: "Ja dokter, de sex wil niet lukken hee." De dokter denkt even na en zegt: "Doe jij wel eens voorspel?" "Voorspel, dokter, wat is dat?" "Wel", zegt de dokter, "dat is dat je 't vrouwtje eerst wat opwindt. Met spelletjes en zo. Dat is leuk hoor!" "Wat voor spelletjes, dokter?" zegt de man. "Bijvoorbeeld... je doet allebei je kleren uit en dan ga je allebei op handen en voeten zitten, de vrouw voorop, en dan kruip je heel rap achter haar aan gelijk een hondje terwijl je met je piemel op haar billen kletst. En je zal zien, ze zal dat heel plezant en opwindend vinden." De man is bereid het eens te proberen en gaat naar huis.Een paar dagen later zit hij echter weer in de wachtkamer van de huisarts. De dokter roept hem binnen en ziet direct dat de man nog steeds zo een donker gezicht heeft. "Oei", denkt hij. "Hewel jong, hoe ging het nu met de sex?", vraagt hij. "Niet goed hee, dokter niet goed." "Hoezo, heb je dat spelletje dan niet gedaan?" "Ja hoor dokter, maar mijn vrouw vond er niks aan. Maar onze kinderen hee, dié hebben gelachen!"
"Weltrusten Kim." zegt Kims vader. Hij loopt de kamer uit, doet het licht uit en sluit de deur achter zich dicht. Zo, denkt Kim, weer een hele nacht om te vervelen. Kim doet haar nachtlampje aan. Ze gaat rechtop op haar bed zitten. Waar zal ze eens mee beginnen? Ze besluit om te gaan computeren. Voordat dat 5-jaar oude ding aanstaat duurt het wel 10 minuten. Kim pakt haar cd-speler en drukt er een cd in.
De computer is eindelijk opgestart. Kim surft naar de chatsite, maar daar is al niemand meer te vinden. Ook op andere sites is niks meer te doen. Kim gaat verder met haar on-afgemaakt-verhaal. Toch begint dat ook al snel te vervelen. Het is pas 10 uur.
Ineens hoort Kim voetstappen op de trap. Dat is haar vader, dat hoort ze aan de grote stappen die haar vader altijd neemt. Kims vader komt als hij naar bed gaat altijd even kijken of Kim al slaapt. En bovendien kan je aan de andere kant zien of het licht in Kims kamer nog aanstaat. Snel drukt Kim het knopje van de monitor van de computer uit en doet het licht uit. Ze drukt voor de zekerheid nog wat knuffels tegen de nog-brandende-lampjes van de computer en duikt dan haar bed in. Daarbij stoot ze haar knie. Pijnlijk wrijft ze erover. Net op tijd ligt ze in haar bed. Haar vader komt binnen. Hij heeft niks door dat de computer nog aanstaat. Hij loopt naar het bed van Kim. Kim doet net of ze slaapt. Kims vader doet de deken nog wat verder over Kim heen. Dan loopt hij weer weg. Hij sluit de deur achter zich dicht. Kim hoort haar moeder ook naar boven komen. Ze wacht nog even totdat het licht in de gang ook uit gaat, maar dan doet ze haar nachtlampje aan. Kim stapt haar bed uit en gaat aan haar bureau zitten. Ze pakt doet een koptelefoon in de cd-speler zodat ze muziek kan luisteren zonder dat iemand het hoort. Kim gaat zitten tekenen.
Kim wordt moe. Yes! Denkt ze. Kan ik eindelijk slapen. Ze doet het licht uit en gaat op haar bed liggen. De deken slaat ze van haar af. Poe, wat is het warm. Dat Kim moe is is niet gebleken, want Kim kan de slaap maar niet vatten. Dan schiet bij haar ineens de gedachte in dat de computer nog aan staat. Meteen schiet ze haar bed uit. Veel zin om nog te computeren heeft Kim niet. Ze zet de computer uit. Ze gaat op haar bed zitten.
Het is al 1 uur in de nacht. Normale kinderen van haar leeftijd slapen nu al lang. Kim slaapt meestal maar 3 of 4 uur. Toen ze afgelopen jaar op kamp ging, was dat echt een ramp. Vooral de nachten. De eerste nacht was iedereen nog wakker, maar de tweede nacht sliep iedereen, behalve Kim. Het eerste uur kon ze er nog van profiteren. Ze had toen iedereen onder gespoten met tandpasta en bespoten met deoderant. Maar toen werd het saai. Ze kon natuurlijk niet het licht aandoen. Dan zou iedereen wakker worden.
Plotseling hoort Kim beneden gerommel. Dat zal wel een muis zijn ofzo, probeert Kim zichzelf gerust te stellen. Maar dat lukt niet. Het liefste zal Kim weer haar bed in zijn gedoken, maar haar nieuwsgierigheid wint het. Zo zacht mogelijk doet Kim de deur van haar kamer open. Geruisloos loopt ze de trap af. Halverwege blijft ze staan. In de woonkamer brandt licht! Vaag ziet Kim een gestalte door de kamer rennen. Haar hard klopt hevig. Kim durft niet meer verder te lopen. Ze zacht als ze net de traf afkwam, zo zacht loopt ze nu weer naar boven. Ze loopt naar de kamer van haar ouders. Ze schudt haar vader wakker. Met een slaperig hooft vraagt hij: "Wat is er? Ga toch lekker slapen joh." "Er is beneden een inbreker," hijgt Kim "Dat zul je wel gedroomd hebben. Ga nou maar lekker slapen. Het is pas half 3 in de nacht." Kims vader gaat een beetje rechtop zitten. "Nee ik heb het echt niet gedroomd. Ik heb het zelf gezien. Kom nou pap." probeert Kim haar vader te overtuigen. Kims vader gelooft het eerst nog niet, maar dan hoort hij beneden ook gerommel. Snel springt hij uit zijn bed en belt met zijn mobieltje de politie. Op zijn sloffen loopt Kims vader zijn kamer uit. Kim trippelt er achteraan.
Langzaam loopt Kims vader de trap af. Zo dicht mogelijk bij haar vader sluipt Kim achter haar vader aan. Kims vader ziet nu ook het licht in de kamer branden. Plotseling horen ze een auto voor hun huis stoppen. Op dat zelfde moment gaat het licht in de kamer uit. Buiten horen ze wat geschreeuw. Enkele seconden blijven Kim en haar vader stokstil staan, maar dan rent Kims vader verder de trap af en loopt naar buiten. Kim wil ook niet achter blijven. Ze loopt ook naar buiten.
Buiten ziet ze een zwaailicht van een politie wagen. Kims vader staat met een agent te praten. Dan komt er een agent naar Kim toe gelopen. "Ben jij Kim?" vraagt de agent Kim knikt. "Bravo. Je hebt goed werk verricht. Zonder jou had deze inbreker gewoon vrij rond gelopen." zegt de agent. "Ach. Ik was toevallig wakker." zegt Kim toch wel een beetje trots. "Hier komt ook nog een rechtzaak over. Ik zal het op prijs stellen als jij je daar ook zult plaatsvinden. Waar het zal plaats vinden is nog niet bekend." zegt de agent. Sjonge, wat spreekt die vent met moeilijke woorden zeg! denkt Kim. De agent loopt weg. Er wordt een vent in de politie wagen geduwt. Kim loopt naar binnen.
In de woonkamer is het een gigantische zooi! Kapotte vazen liggen op de vloer versprijdt, wat geld en in het midden van de kamer ligt een tas. Kim loopt er naar toe. In de tas zit heel veel geld en wat pasjes. Zo goed als ze het kan schuift Kim de rommel aan de kant. Dan gaat ze op de bank liggen. Ze doet de tv aan. Er is niks leuks op de tv. Niet zo gek eigenlijk. Kim wordt steeds slaperiger. Ze kan nog net de tv uitzetten, maar dan doezelt ze weg.
Als Kim alles vertelt heeft kijkt haar moeder hoofdschuddend naar haar vader. "Ik denk dat we nu maar beter kunnen slapen. We zijn allemaal erg moe. Morgen zien we wel verder. Kom Eva." zegt Kims vader. Kims ouders lopen de kamer uit. "Kom jij zo ook?" vraagt Kims vader nog. Kim knikt. Dat is ze eigenlijk helemaal niet van plan. Dat slapen heeft haar goed gedaan. Al was het maar een klein uurtje, toch heeft ze helemaal geen zin meer om te gaan slapen. Ze slaat de deken om haar heen die op de bank ligt en loopt de kamer uit.
Kim doet haar jas en haar schoenen aan. Ze loopt naar buiten. Buiten is het nog pikkedonker. Het is ook wel koud. In alle huizen is het ook nog donker. Kim loopt haar eigen straat uit. Dan komt ze in een straat waar ze een steegje inslaat.
Als Kim het einde van de steeg heeft bereikt, komt ze in een brede straat. Die straat kent ze! Daar zitten veel steegjes in verstopt. Kim slaat snel een ander steegje in. De voetstappen van de vent worden steeds zachter, totdat Kim niks meer hoort. Maar toch durft ze maar niet om te kijken. Ineens voelt ze een tak in haar gezicht. Au! Dat doet zeer! Kim kijkt 1 seconden naar achteren. Ze ziet de vent niet meer. Langzaam vermindert ze zelf vaart, totdat ze stil staat. Ze gaat half in de bosjes zitten. Ze haalt de deken van haar middel af en dipt hem tegen haar voorhoofd. Het is nog donker, maar Kim kan nog wel zien dat er bloed op zit. De pijn is erg. Kim blijft nog even zitten, maar dan staat ze op. Ze loopt richting haar huis. Haar schoenen en haar jas liggen nog in de bosjes. Die haalt ze die ochtend maar op.
Als Kim thuis is, loopt ze meteen door naar de badkamer. Ze kijkt in de spiegel. Ze schrikt als ze ziet dat op haar voorhoofd een snee zit van ongeveer 7 centimeter. Het bloedt nog aardig. Kim pakt de verbandtrommel en haalt er een pleister uit. Die drukt ze op de wond. Gelijk vermindert de pijn. Het is inmiddels al 6 uur. Over een uurtje worden haar ouders wakker.
Plotseling ruikt Kim een vreemde lucht. Het is een... brandlucht! Het komt van beneden. Snel rent Kim naar beneden. In de woonkamer is allemaal rook. Kim blijft staan. Wat moet ze nu doen? Haar ouders roepen? Nee. Bij die inbreker en die vent in het steegje is het ook allemaal goed gegaan. Dan zal het nu ook wel goed gaan. Kim rent weer naar boven en haalt 3 emmers water. Zo goed en zo kwaad als het kan rent ze er mee naar beneden. Omdat ze haar handen vol heeft, drukt ze de deurklink van de deur naar beneden. Met haar arm drukt ze deur verder open. Au! Die deur is heet!
Als Kim in de kamer staat, wordt ze bedolven met een enorme rookwolk. Ze kan niet veel meer zien, maar dat verandert als ze 1 emmer water heeft leeggegooid over de muur. Ze ziet dat het vuur van een sigaret die in de hoek van de kamer ligt is ontstaan. Kim gooit de andere 2 emmers naar het vuur. Of het gedoofd is kan ze niet goed zien. Ze rent naar boven en haalt nog 2 emmers. Die gooit ze ook over de sigaret heen. Nu is het vuur gedoofd. Er is nog wel veel rook, maar het ergste is voorbij. Kim heeft het benauwd gekregen. Ze loopt weer naar boven. Ze kijkt in de spiegel. In haar haar zit veel stof. Op haar gezicht zitten nog wat vegen.
De deur van de badkamer gaat open. Slaapdronken stapt Kims vader de badkamer in. Hij schrikt als hij zijn dochter ziet. "Wat heb jij allemaal uitgespookt vannacht?" roept hij uit Kim lacht. "Dat is een haha lang verhaal!" lacht ze.
De meester vraagt aan jantje. jantje zeg is 4fruitstukken jantje weet er geen gaat da straks dan maar is aan u mama vragen jantje. jantje zegt: mama weet jij 4fruitstukken . mama zegt :ga da maar is aan u papa vragen jantje papa weet jij 4 fruitstukken . papa zegt :ga da maar is aan u zus vragen jantje jantje klopt op de zus haar kamerdeur . ze doet ni open. hij klopt nog is . ze doe weer ni ope. jantje kijkt door het sleutel gat en ziet de meester met de zus in bed liggen de volgende dag vraagt meester jantje weet je 4fruitstukken jantje zegt: als je nog 1keer met u banaan in mijn zus haar pruim steekt krijg je een peer rond u appel!
Gisteren was ik samen met een vriend van mij een fietstochtje aan het maken. Kletsend over van alles en nog wat passeerden we de vele weilanden die het Groene Hart rijk is. Met een sinistere grijns op zijn gezicht vertelde hij mij over een legende die al enige tijd ten ronde ging. Het verhaal ging over een stier genaamd Beb, die de lokale koeienbevolking onder zijn duim hield met behulp van de magische snelkookpan. Ik merkte op dat het een ietwat curieuze gedachte was en dat ik daarom sterk mijn twijfels had over de betrouwbaarheid van het verhaal. Abrupt stopte hij met fietsen en nadat ik verbaasd zijn voorbeeld volgde, vertelde hij mij plaats te nemen op het grasveldje dat naast ons lag.
Ik legde mijn jas op het gras, zodat mijn pas gekochte groene broek geen lelijke grasvlekken zou oplopen. Mijn normaal zo fidele vriend nam tegenover mij plaats en keek me aan met zijn oceaanblauwe ogen. Hij schraapte zijn keel en vervolgde het verhaal. Kort samengevat was Beb de keizer der koeien en had hij de magische snelkookpan gewonnen in een schaakduet met konijn Bips. Hartelijk lachte ik en complimenteerde ik hem op dit creatief verzonnen verhaal, waarvan ik enkele seconden later intense spijt zou hebben. Binnen een tel waren al zijn gezichtsspieren samengetrokken van woede en met een furieuze kreet deed hij mijn nekhaar overeind doen staan. Met een kwijlende bek liep hij op me af terwijl ik, nog steeds zittend op de grond, met mijn achterwerk terugdeinsde. Zijn ogen veranderden van oceaanblauw naar felrood en zijn bruine, sluike haar ging rechtovereind staan. Een angstkreet afkomstig van mijn stembanden galmde over het uitgestrekte landschap terwijl ik wanhopig naar de dichtstbijzijnde stok probeerde te grijpen. Mijn vriend veranderde van gedaante en vijf seconden later stond er een heuse stier voor me. Ik slikte toen de stier mij naderde.
“Jazeker, Richard,” zei hij met een zware stem. “Ik ben Beb. De legende bestaat en jij zult er getuige van zijn!”
Voor mij was het onmogelijk een woord uit te brengen: ik was met stomheid verslagen. Mijn stierenvriend haalde een snelkookpan tevoorschijn. Met enige moeite opende hij de snel kokende pan en tot mijn grote afschuw kwam daar een reusachtig konijn uitgekropen. Dit konijn haalde op zijn beurt een nieuwe snelkookpan tevoorschijn en toverde daar een donkerrode badjas uit. Smekend keek ik het konijn diep aan in zijn zwarte ogen terwijl de woeste stier mij dwong de badjas aan te trekken. Vol argwaan voelde ik hoe het kledij mijn lichaam bedekte. Vol angst wachtte ik op de grote klap, maar die bleef uit. Het konijn keek mij met een vriendelijke glimlach aan en sprak met een hoog piepstemmetje.
“Dit is mijn geschenk aan jou,” zei hij opgetogen. “Nu hoef je geen kou meer te vatten wanneer je na het douchen naar de klerenkast loopt. Neen, voortaan kun je jezelf bedekken met deze prachtige badjas.”
Voordat ik ook maar een lettergreep uit mijn mond kon krijgen, rende het reusachtige konijn dieper het grasveld in. De stier gaf mij een knipoog en volgde het konijn vervolgens met opgeheven kop, terwijl ik met mijn knieën op het gras stortte en huilend naar de blauwe hemel staarde. Een felgeel gedaante kwam op mij afvliegen. De kanarie pakte me vast bij mijn mouw en vloog mij veilig terug naar huis, waar ik onder het genot van een warm kopje koffie bijkwam van dit weerzinwekkende avontuur.
'Ik maak me zorgen, Mabel,' zei mijnheer Turnbull na het boterham eten in de keuken tegen zijn vrouw. Mevrouw Turnbull schonk er weinig aandacht aan. Ze had haar man dat wel honderd keer horen zeggen. 'Drink nog een kop thee,' zei ze. 'Ik wil geen thee,' zei mijnheer Turnbull. 'Ik zei, dat ik me zorgen maak.' 'Wat is er dan, Harry?' vroeg ze. 'Hetzelfde van altijd. Ik weet niet hoe ik de eindjes aan mekaar moet knopen, zo waar als ik hier zit.' 'Komen er geen bestellingen meer binnen?' 'O ja, bestellingen genoeg, dat is het niet. Alleen ouwe Pike heeft gedreigd om ons uit de fabriek te zetten, als we geen hogere huur kunnen betalen.' 'De huur is laag Harry, dat heb je zelf vaak genoeg gezegd.' 'Als ik niet meer verdien, kan ik niet meer betalen,' ging mijnheer Turnbull verder. 'En als we hier uitgezet worden, weet ik niet waar we naar toe moeten. We zitten hier al twintig jaar en we zitten hier goed. Ik kan onmogelijk een nieuwe fabriek betalen. Wat er van ons worden moet, weet ik niet.' Zijn vrouw zei niets en hij zuchtte, stond op, rekte zich uit en begon de borden op het aanrecht te zetten. Maar hij wist nauwelijks wat hij deed. Zoals hij al tegen z'n vrouw zei, hij maakte zich zorgen. Mijnheer Harry Turnbull was directeur en eigenaar van een kabouterfabriek. De fabriek, zoals hij die noemde, was niets anders dan een grote schuur - of eigenlijk drie schuren die bij elkaar waren getrokken - waarin een half dozijn werklieden tuinornamenten vervaardigden. Ze maakten zonnewijzers, vogelbadjes, Cupidobeeldjes en dat soort dingen; maar de fabriek van Turnbull was vooral bekend om z'n tuinkabouters. Die waren erg in trek bij de mensen die tuintjes in de buitenwijken van de stad hadden. De kabouters werden van beton gemaakt en rood, groen en bruin geverfd. Sommige stonden wijdbeens met de handen in de zij; sommige zaten met gekruiste benen op paddestoelen van cement; andere waren gemaakt om gehurkt aan de rand van tuinvijvers te zitten vissen. Mijnheer Turnbull maakte ook kikkers en paddestoelen en reuzenslakken van gips. Zijn zaak ging goed, want zijn werk was overal bij winkeliers, die tuingereedschappen en ornamenten verkochten, bekend. Elke morgen om acht uur ontsloot mijnheer Turnbull het hek van het terrein en liet de werklieden binnen, die dan begonnen de ornamenten te vormen en te beschilderen. Dan werden ze ingepakt en per vrachtauto of trein door het hele land verstuurd. Mijnheer Turnbull moest hard werken om voldoende te verkopen, want hij hield zijn prijzen laag. Maar hij was trots op de zaak die hij had opgebouwd; en hij kon vaak glimlachen van plezier bij het zien van een rij pas beschilderde kabouters, die klaar stonden om naar al zijn klanten verzonden te worden. Nu was mijnheer Turnbull niet de eigenaar van het terrein waarop zijn fabriek en zijn huis stonden. Dat behoorde aan een rijke landeigenaar die Sir Midas Pike heette. Zolang Harry Turnbull op tijd zijn huur betaalde, liet Sir Midas hem met rust. Maar nu was het zo, dat veel van de oude huizen en gebouwen in de buurt werden afgebroken om plaats te maken voor nieuwe winkels en kantoren. Sir Midas begon in te zien, dat de grond die hij bezat, veel meer waard was dan zijn huurders ervoor betaalden. Hij dacht erover om die aan een grote maatschappij te verkopen die mijnheer Turnbulls drie schuren zou slopen en er een heel groot nieuw kantoorgebouw voor in de plaats zou zetten. Terwijl hij er nog over dacht of hij mijnheer Turnbull op zou zeggen, besloot hij diens huur te verhogen. Daarom gaf hij zijn advocaat opdracht mijnheer Turnbull een ernstige briefte schrijven op dik blauw postpapier, waarin stond dat hij het dubbele moest betalen van het bedrag van de afgelopen twintig jaar. Dat was het waarover de arme Harry Turnbull zich zorgen maakte. 'Waarom kunnen de mensen niet tevreden zijn met het geld dat ze verdienen,' zei hij tegen zich zelf terwijl hij de borden afdroogde, 'in plaats van te proberen meer uit arme mensen te persen dan ze kunnen betalen?' Maar hij wist dat het geen zin had om zo te praten. Sir Midas zou z'n huur moeten hebben, anders zou de fabriek afgebroken worden. Daar was mijnheer Turnbull zeker van. 'Kom man, niet zo somber,' zei z'n vrouw. 'We zullen het wel redden. Dat hebben we tot nu toe altijd gedaan.' 'Ja, jij hebt makkelijk praten, Mabel,' zei hij, 'maar ik ben het die voor die ouwe duitendief het geld bij elkaar moet zien te krijgen.' 'Hij is zo kwaad nog niet,' zei mevrouw Turnbull. 'Dat heb je vaak genoeg zelf gezegd. Hij is alleen net als wij allemaal - hij wil de kans om nog wat meer geld te verdienen niet missen. Maar ik moet zeggen dat het jammer zou zijn als we hier weg moesten. Maar misschien worden we er ten slotte toch niet uit gezet.' 'Laten we hopen van niet, lieve,' zei mijnheer Turnbull, 'want ik weet echt niet waar we naar toe zouden moeten.'
Dat was het ergste van alles. Mijnheer en mevrouw Turnbull hielden van de buurt en ze vonden het helemaal geen leuk idee dat alle oude huizen en gebouwen, die ze al twintig jaar gekend hadden, afgebroken zouden worden om ruimte voor kantoorgebouwen te maken. Ze kenden de mensen uit de buurt, die erg op hen gesteld waren. De buren waar de Turnbulls in het bijzonder een zwak voor hadden waren de kinderen van het weeshuis. Dat was een groot grijs gebouw, dat naast de kabouterfabriek stond. Het was ouderwets en 's winters moeilijk te verwarmen, maar de dames die aan het hoofd stonden hadden hun best gedaan om het voor de twintig of dertig kinderen die er woonden, zo gezellig mogelijk te maken. De kinderen kregen eenvoudig te eten en hele eenvoudige kleren, maar ze waren altijd vrolijk, want iedereen was aardig tegen ze en ze mochten net zoveel lawaai maken als ze wilden. Het enige wat ze bij het weeshuis misten was een speelterrein. Er was eenvoudig niet genoeg ruimte voor de kinderen om te draven en te hollen. Op mooie dagen werden ze mee naar het park genomen of naar de speelplaats en daar mochten ze heen en weer rennen tussen de bomen en op de wip en de schommels spelen. Maar het personeel van het weeshuis had niet altijd tijd om de kinderen daar naar toe te brengen, want het park was ver weg. Mijnheer Turnbulls kabouterfabriek was alleen maar door een houten schutting van het weeshuis gescheiden en de kinderen waren gewend om daaroverheen te klimmen en het fabrieksterrein te verkennen. Op mooie avonden, als de mannen om vijf uur naar huis waren gegaan, klauterden ze over het hek om elkaar tussen de kratten en hopen zand achterna te zitten. Soms gingen ze een schuurtje binnen, dat voor het opbergen van cement werd gebruikt. Het personeel van het weeshuis probeerde de kinderen thuis te houden, omdat ze het niet prettig vonden dat ze op andermans terrein kwamen. Maar Mijnheer Turnbull zei tegen hen, dat het hem niet kon schelen zolang de kinderen van het cement afbleven en er op pasten, dat ze niet aan de pas beschilderde ornamenten kwamen. Ze konden beter bij de fabriek spelen dan op straat, zei hij. Mijnheer Turnbull was namelijk een aardige man en hij vond het leuk om spelende kinderen om zich heen te hebben. Dat was nóg een reden waarom hij niet naar een nieuwe wijk wilde verhuizen. 2 De volgende morgen scheen de zon en Harry Turnbull was, toen hij het fabrieksterrein overstak om het hek open te maken, zijn zorgen een beetje vergeten. Hij maakte de deuren van de fabriek open en inspecteerde met trots de rij kabouters, zonnewijzers en vogelbadjes. De verf van de groene en rode kabouters, die gisteren waren klaargekomen, was droog, en vandaag zouden ze in houtwol en kisten verpakt worden om naar het station te worden gebracht. Er was genoeg te doen. Toen hij zich omkeerde zag hij een jongetje met een wilde haardos in de deuropening staan. 'Mag ik binnenkomen, meneer Turnbull?' vroeg de jongen. 'Maar natuurlijk, Torn,' zei mijnheer Turnbull. 'Ben je al klaar met ontbijten?' Tom kwam binnen, gevolgd door een meisje met fonkelende ogen dat Hannah heette en een ander meisje dat zo blond was dat iedereen haar de Engel noemde, maar ze was de ondeugendste van alle weeskinderen. De drie kinderen kwamen binnen en begonnen rond te kijken. De Engel keek al verrukt naar een klein bruin kaboutertje dat op een rode paddestoel zat. 'Kom hier,' zei Harry. 'Niet te dicht bij, want dan krijgen we ongelukken.' Toen kwamen er nog twee jongens binnen. Een zag er opgewonden uit. 'Wat heb je voor nieuws, Jacky?' vroeg mijnheer Turnbull. 'O, meneer, er is weer ingebroken,' antwoordde de jongen. 'Kleine Sid hier hoorde er een politieagent over praten met juffrouw Larkins. Ze hebben ingebroken in een van de grote villa's op de heuvel.'
'Straks komen ze uw kabouters nog weghalen,' zei de Engel. 'Inbrekers laten zich niet met dit soort dingen in,' antwoordde mijnheer Turnbull. 'Die zijn op juwelen uit en geld en zilver en dat soort dingen - spullen die ze in hun zakken mee kunnen nemen.' Toen arriveerde de meesterknecht en twee van de werklieden en de dagtaak begon. De kinderen werden naar buiten gestuurd, waar ze vrolijk in het zand gingen spelen. Mijnheer Turnbull ging naar huis terug om te ontbijten. Mevrouw Turnbull liet hem de krant zien. Er stond een kort bericht in over de activiteiten van een stelletje dieven onder leiding van een zekere Stille Joe, die zo werd genoemd omdat niemand hem ooit had horen komen en gaan. Ze hadden 's nachts in een bank in het centrum van Londen ingebroken en in verschillende grote huizen in de buitenwijken van de stad. Ze waren er vandoor gegaan met juwelen, geld en bontjassen en de politie was er niet in geslaagd een spoor van hen te vinden. Ze werkten op een stille, methodische manier, namen mee wat van hun gading was zonder sloten of ramen te forceren, en deden nooit iemand kwaad. Soms kwamen ze als de mensen naar de schouwburg waren of uit eten, soms kozen ze een weekeinde uit, als de mensen naar zee waren. De ene avond braken ze in in een huis aan deze kant van Londen; dan werd er een week of twee niets van hen gehoord. De volgende keer doken ze in een heel andere wijk op. Er deden allerlei geruchten de ronde, maar er was niets definitiefs over Stille Joe en zijn mannen bekend. En nu hadden ze blijkbaar gisteravond een groot huis in de buurt van de fabriek bezocht, en waren verdwenen met alle zilveren schalen en juwelen ter waarde van 50.000 gulden. Het huis stond niet vlak bij de kabouterfabriek, want daar woonden geen rijke mensen; maar ongeveer drie kilometer er vandaan was een wijk die bekend stond als de Heuvel, een buitenwijk, aangelegd met brede lanen en open stukken groen. Daar woonden de 'rijke lui' zoals de weeskinderen ze noemden. De huizen waren bakbeesten met grote tuinen en soms twee of drie garages. De kinderen gingen er nooit spelen want het was er veel te voornaam. Bovendien hadden sommigen van de zakenmensen die daar woonden honden en je wist nooit of je niet achterna gezeten zou worden door een kwaadaardige Duitse herder. Ze bleven liever in de armere wijken waar je meer plezier kon maken en de mensen zich niet zo gauw druk maakten. En nu was er dan op de Heuvel ingebroken en ging de politie rond om inlichtingen. Mijnheer Turnbull was net klaar met het ontbijt toen er gebeld werd.
^'Misschien is het de politie,' zei Mabel. 'Waar zouden ze ons voor nodig hebben?' vroeg Harry. 'Ze weten heus wel dat ik geen vermomming van Stille Joe ben.' 'Doe jij even open,' zei zijn vrouw. 'Ik kan zo niet gaan met m'n handen vol zeepsop.' Toen mijnheer Turnbull de deur open deed zag hij een grote en hele mooie auto voorstaan. Het was een van die lange, glanzende wagens die je wel in advertenties ziet. Het lakwerk was crème met marineblauw en mijnheer Turnbull wist meteen dat het geen politieauto was. Een jongeman in chauffeursunifórm stond stram bij de voordeur. 'Bent u mijnheer Turnbull, eigenaar van de kabouterfabriek?' vroeg de chauffeur. Maar voor Harry kon antwoorden zei hij: 'De complimenten van Sir Midas Pike en zoudt u zo goed willen zijn even naar de wagen te komen om met hem te spreken?' Harry's hart zonk in zijn schoenen. Sir Midas Pike in eigen persoon om hem te spreken! Dat kon maar één ding betekenen. Hij zou vandaag nog uit z'n fabriek gezet worden. Hij liep achter de chauffeur naar de grote wagen. Sir Midas had zich er al uit gehesen en stak zijn hand uit om zijn huurder te begroeten. Hij was een dikke man, heel duur gekleed, met een rond, rood gezicht onder zijn grijze deukhoed. Harry had Sir Midas wel eens gezien maar hij had nog nooit met hem gesproken. Hij was erg zenuwachtig. 'Als u over de huur komt praten, sir,' begon hij, maar de dikke man viel hem in de rede. 'Huur?' zei hij. 'Nee, nee, dat kan wachten. Wil over iets anders met u spreken, als u tijd hebt. Stoor ik u?' 'Nee, sir,' zei Harry. 'Wilt u in mijn kantoor komen?' Hij ging hem voor langs de zijkant van het huis en aan het eind van de fabriek een paar trapjes op. Sir Midas volgde hem puffend, terwijl hij de treden opklom. Hij had een luide stem en sprak gemaakt, maar zijn manier van doen was vriendelijk. Dikke mensen zijn meestal vriendelijk, tenzij ze hun humeur verliezen. Harry vroeg zich af waarover hij in 's hemelsnaam wou praten. Hij hield de deur van de kleine bovenkamer open, en Sir Midas ging binnen. De twee mannen gingen ieder aan een kant van het bureau zitten. Sir Midas Pike had een groot huis van rode baksteen op de Heuvel. Het had veel topgevels, schoorstenen en houten balken. Er waren drie garages. Een brede oprijlaan van grind liep tussen struiken en bloeiende heesters naar de voordeur. De gazons waren groot en kort geknipt. Er waren bloembedden voor allerlei soorten bloemen, een moestuin en broeikassen voor zeldzame planten en vroege groenten. Het huis heette 'Monte Cario', en de hemel mag weten hoeveel bedienden er nodig waren om alles in orde te houden! Verreweg de allerbelangrijkste persoon op 'Monte Cario' was Sir Midas' vrouw, Bertha. Ze was dik, net als haar man, maar ze was bovendien groot - veel groter dan Sir Midas, en dat maakte haar gestalte indrukwekkend. Een paar dagen geleden had ze met haar man door de tuin gelopen. 'Wat wij nodig hebben,' had ze gezegd, 'is meer ornamenten. De tuin ziet er kaal uit. We hebben een prieel waar niemand ooit in zit, en een zwembad waar niemand ooit in zwemt. Als jij in de stad bent en ik niets anders te doen heb dan in de tuin te wandelen, dan voel ik me alleen.' 'Ik zou een paar beelden kunnen aanschaffen,' zei Sir Midas. 'Iets op een paard van marmer, misschien, of een Romeinse god.' 'Zo ongezellig,' zei Lady Pike. 'Die heidense goden en godinnen doen me aan een stadspark denken. Bovendien zijn ze koud. Nee, ik wil iets gezelligers hebben. Wat kaboutertjes -ja, dat is het: kabouters. Die zijn gezellig. Ik wandelde laatst op de hoofdweg, en ik vond dat ze er leuk uitzagen, al die kleine rode en groene kabouters in de voortuintjes.' 'Nou, ik wil helemaal niet op de mensen aan de hoofdweg lijken,' zei
Sir Midas. 'Sommigen van hen hebben niet eens een auto. Ik kan me toch niet verlagen om hen na te doen?' 'We hoeven ook niet één klein kaboutertje te hebben,' zei Bertha. 'We kunnen er een heleboel nemen - grote. Ik zie ze al voor me, langs de hele oprijlaan - vissend in de vijver - op hun hurken bij het prieel. Alsjeblieft, Midas, laten we kabouters nemen.'
'Ik zal erover nadenken,' zei haar man. En zo kwam het, dat hij een paar dagen later, in zijn nieuwe marineblauw met crème limousine op weg naar zijn kantoor Harry Turnbull op zijn fabriek opzocht, en hem vertelde wat hij wilde hebben. 'Twee dozijn tuinfiguren van groot formaat, in heldere kleuren geschilderd,' zei Harry. 'Dat is een grote order, Sir Midas.' 'Nou, ik ben ervan overtuigd dat u het wel voor elkaar krijgt,' zei Sir Midas op luide, vriendelijke toon, terwijl hij opstond. 'De prijs speelt geen rol. Zorg dat ik ze tegen het eind van de maand krijg.' 'Het eind van de maand?' herhaalde Harry. 'Ik zal m'n best doen, sir.' 'Daarvan ben ik overtuigd. Maar nu moet ik weg, ik ben toch al laat.' En Sir Midas waggelde de treden af, terug naar zijn auto, waar de chauffeur stram bij het geopende portier stond. Hij stapte in, de chauffeur stapte in, en meteen schoot de auto pijlsnel weg, bijna zonder geluid te geven.
Mijnheer Turnbull was sprakeloos. Wat een order, dacht hij. Twee dozijn groot-model kabouters in heldere kleuren, klaar en afgeleverd aan het eind van de maand. Hoe krijg ik dat in 's hemelsnaam voor elkaar? Maar Sir Midas is mijn huisbaas. En hij heeft niets over de huur gezegd - dat is iets om dankbaar voor te zijn. Harry ging de fabriek binnen om de zaak door te praten met de meesterknecht. Al gauw waren alle werklui druk bezig met het maken van Sir Midas' vierentwintig kabouters. Twee werkten aan de kleimodellen, een ander mengde het cement, en Harry Turnbull liep rond om erop toe te zien dat ze hun uiterste best deden. De kinderen van het weeshuis holden rond tussen de hopen zand en de houten kratten en soms staken ze hun hoofd om de deur van de grote schuur om te zien wat er gaande was. 'Weetje wat ze doen?' zei kleine Sid, die graag alles het eerste wist, 'ze maken een soort reuzendwergen. Ik ben benieuwd voor wie die zijn.' Torn vroeg het aan mijnheer Turnbull. 'Die zijn voor een heel belangrijke persoon, die op de Heuvel woont,' kreeg hij te horen. Niettegenstaande alle moeite die aan het werk werd besteed, ging het niet vlot. Na een paar dagen had de meesterknecht een ongeluk. Hij gleed uit op een stukje natte klei en brak de vorm, die hij droeg, zodat die helemaal opnieuw gemaakt moest worden. Erger was het dat hij zijn enkel verstuikt had en een paar dagen thuis moest blijven. Halverwege de maand was het werk nauwelijks begonnen. Eén kabouter was klaar, maar moest nog geschilderd worden. 'We komen nooit op tijd,' zei Harry tegen z'n vrouw. 'Met al die ongelukken krijgen we de helft niet af.' Toen kreeg een van de werklui griep en ook hij moest thuis blijven; en hij bleek twee anderen aangestoken te hebben, zodat Harry al gauw nog maar twee werklieden over had - van wie één niet meer dan een leerling -om de hele order af te maken. Harry was net van plan om naar z'n huisbaas te gaan en hem zijn moeilijkheden voor te leggen toen Sir Midas zelfde fabriek opbelde. Zijn stem was zo luid en duidelijk, dat Harry de hoorn een halve meter van z'n oor moest houden om niet doof te worden. 'Bent u daar, mijnheer Turnbull?' schreeuwde Sir Midas. 'Over de tuinkabouters. Hoe staat het ermee? Maar dat is een overbodige vraag. Ik ben ervan overtuigd dat u ze op tijd klaar zult hebben.' 'Ja, sir,' begon Harry, 'maar ziet u, sir...' 'Luister,' ging Sir Midas verder, 'het gaat hierom. Ik en m'n vrouw vertrekken de eerste van de volgende maand naar het buitenland - Zuiden van Frankrijk, begrijpt u, voor een beetje zon. Ik wil die kabouters niet later dan de dag ervoor afgeleverd hebben. Dat is de laatste dag van de maand, zoals afgesproken. Ik heb het Bertha beloofd en ik wil haar niet teleurstellen. Ik weet dat ik op u kan rekenen. Goedendag.' Voor Harry een woord kon zeggen had hij de hoorn al opgehangen. Heel somber liep Harry naar buiten. Kleine Sid en de Engel waren aan het wippen op een plank, die ze over een ton hadden gelegd. Jacky en Hannah zaten elkaar achterna om de schuur. Torn liep wat rond zonder speciaal iets te doen. 'Wat is er, mijnheer Harry?' vroeg hij, toen hij het ongelukkige gezicht van zijn vriend zag. Harry vertelde het hem. 'Het ziet er lelijk uit, Torn,' zei hij. 'Ik zal hier vast uitgezet worden. Kan de huur niet betalen, en als ik die kabouters niet op tijd aflever, schopt hij mij eruit. Hij zal niets meer met me te maken willen hebben.' Torn zei, dat alles wel in orde zou komen. Daar was hij zeker van. Maar Harry was niet te troosten. 'Het is met me gedaan, beste jongen,' zei hij. 'We mogen blij zijn als we vier van die pokkenkabouters op tijd klaar krijgen, laat staan vierentwintig. Ik wou dat ik nooit beloofd had die ellendige dingen te maken.' 'Niet zo somber, mijnheer Harry,' zei Torn. 'Het zal wel meevallen. U moet met die huisbaas gaan praten. Ik geloof niet dat hij kwaad is, niet écht kwaad.' 'Misschien heb je gelijk,' gaf Harry toe. 'Ik kan er alleen geen woord tussen krijgen. Maar als ik hem te spreken kan krijgen, zal ik zien wat ik kan doen.' De volgende morgen viel de zwaarste slag van allemaal. Een tweede lange blauwe brief van Sir Midas' advocaat. Voor zover mijnheer Turn-bull kon begrijpen werd hij met drie maanden opgezegd en dan moest hij de fabriek verlaten. De grond was nodig, zei de brief, 'voor uitbreidingsdoeleinden,' wat dat dan ook mocht betekenen. Dit was het einde, dacht Harry. Had hij de vierentwintig figuren maar op tijd kunnen afkrijgen! Misschien zou Sir Midas, als ze bij hem en Lady Pike in de smaak vielen, hem op de fabriek hebben laten blijven. Maar er was natuurlijk geen sprake van, dat de kabouters klaar zouden zijn. Lady Pike zou boos zijn, en haar man woedend, en hij zou zeker niet naar de arme Harry willen luisteren. Harry voelde zich zo ellendig dat hij de neiging had om de werklieden te zeggen dat ze de kabouters maar in stukken moesten slaan en weggaan en een andere baan zoeken. Wat had het voor zin om ermee door te gaan? Hij zat aan het ontbijt aan de keukentafel met de brief in z'n hand, niet in staat een hap door z'n keel te krijgen. 4 Op de laatste dag van de maand waren er vijf van de beelden klaar. De meesterknecht was terug en alhoewel hij nog erg hinkte met zijn verstuikte enkel, was hij wel weer in staat om te werken. De drie anderen waren van hun griep genezen en teruggekomen. Maar het was te laat om nog veel verschil te maken. Er werd echter besloten om de vijf kabouters, die klaar waren, op een vrachtauto te laden en ze 's middags naar 'Monte Cario' te brengen. Misschien zou Sir Midas er blij mee zijn ook al waren de andere nog niet klaar. Ze zagen er erg mooi uit met de frisse groene en rode verf. De ene stond met z'n handen in zijn zij ondeugend te lachen. Een andere zat gehurkt op de grond. De derde zat op een paddestoel, de vierde stond wijdbeens op een schildpad, en de vijfde had een hengel in z'n hand om mee in de vijver te vissen. Hadden ze er nog maar zeven af kunnen maken, om het eerste dozijn vol te hebben! Dat zou nog iets geweest zijn. Maar zoals het nu was leken de vijf kabouters, hoe mooi en vrolijk ze er ook uitzagen, maar een armzalig klein troepje. Harry ging naar de telefoon om een afspraak te maken met een vrachtrijder om 's middags te komen want de fabriekseigenaar had zelf geen vrachtauto. Intussen had niemand in de buurt meer iets van Stille Joe en z'n mannen gehoord. Maar net op deze dag waren ze van plan om de Heuvel met een nieuw bezoek te vereren. Het was de vorige keer heel goed gegaan en de politie was er totaal niet in geslaagd hen op het spoor te komen. Ze hadden het plan om een inval te doen in het huis van Sir Midas, omdat iedereen wist dat zijn vrouw een hele hoop kostbare juwelen had en minstens twee prachtige bontjassen. Terwijl Joe en zijn mannen bezig waren de inbraak voor te bereiden, kwamen ze erachter, dat Sir Midas en zijn vrouw de eerste dag van de volgende maand naar het buitenland zouden vertrekken. Ongetwijfeld zouden ze de juwelen en bontmantels meenemen. Daarom besloot Joe de inbraak te wagen precies op de avond voor hun vertrek. Gewoonlijk was hij er liever zeker van dat een huis leeg was alvorens hij daar een bezoek aflegde, maar deze keer besloot hij het risico te nemen. Hij kwam er via een vriend van hem, die een van de bedienden op 'Monte Cario' kende, achter dat Sir Midas en Lady Pike uit eten gingen en pas laat terug zouden zijn. In zeker opzicht was dit een ideale gelegenheid. Want als de meester en de meesteres uit waren hadden de bedienden die avond meestal vrijaf; en er zouden waarschijnlijk veel geld, juwelen en waardevolle dingen klaar liggen om voor de reis op de volgende dag ingepakt te worden. Dat was de reden waarom Stille Joe de laatste dag van de maand koos om zijn bezoek af te leggen. Maar Joe en z'n vrienden waren die dag niet de enigen, die plannen aan het maken waren. Na het middageten in het weeshuis riep Torn zijn beste vrienden bij elkaar om te zeggen dat hij een bijeenkomst wilde beleggen. Ze kwamen dit keer niet samen op het terrein van de kabouter -fabriek maar in een donker en duf schuurtje achter de kolenopslagplaats van het weeshuis. Dat schuurtje werd eigenlijk voor niets speciaals gebruikt en de kinderen gingen er altijd heen als ze iets bijzonders te bespreken hadden. 'Het gaat over Harry,' zei Torn. 'We moeten hem helpen, zie je.' 'Wat is er dan?' vroeg een andere jongen. 'Het gaat over de kabouters, die hij niet op tijd klaar heeft gekregen,' legde kleine Sid uit.
'Hij wordt de fabriek uitgezet als hij ze niet klaar krijgt,' zei Jacky, 'en dan kunnen we nergens meer spelen.' 'Is het waar dat ze de fabriek gaan afbreken en dat er een pompstation komt?' vroeg Hannah. 'Dat zou geweldig zijn,' zei de Engel. 'Ik ben gek op auto's.' 'Sufferd!' zei Torn vinnig. 'Ze zullen om het pompstation vast geen kinderen laten spelen. Als Harry's huisbaas hem eruit zet, dan hebben wij geen speelplaats meer, dat verzeker ik je.' 'Wat moeten we dan doen?' 'We kunnen geen mes in die huisbaas z'n ribbenkast steken.' 'Nee, maar we zouden hem op kunnen zoeken. We zouden het uit kunnen leggen.' 'Hij zal naar ons heus niet luisteren. Het is een grote dikke man met twee auto's. Hij moet erg rijk zijn om vierentwintig reuzendwergen te bestellen.' En zo ging de beraadslaging voort. Niemand kon een eenvoudige oplossing bedenken om Harry uit de moeilijkheden te helpen. Maar de kinderen gaven de moed niet op. De vrachtauto was besteld om half vier. Maar nog was het met de pech van mijnheer Turnbull niet afgelopen. Om kwart over drie belde de vrachtrijder op om te zeggen dat de wagen stuk was. Er was iets mis met de versnellingsbak. Nee, hij had tot zijn spijt die dag geen vrachtauto meer vrij. Harry zei dat hij hem in orde moest maken en zo gauw mogelijk moest komen. Het was van het grootste belang dat die vracht nog deze dag vervoerd zou worden. De vrachtrijder zei dat hij zijn uiterste best zou doen. Er was al een man aan de versnellingsbak bezig. Er zat niets anders op dan te wachten. Mevrouw Turnbull maakte voor iedereen een kop thee en ze gingen allemaal zitten om de tijd te vullen tot de wagen zou komen.
Het was niet voor 6 uur dat ze, buiten het fabrieksterrein het geluid van remmen hoorden. De vrachtauto reed tot voor de hekken en meteen begonnen Harry en de meesterknecht er de vijf kabouters op te laden. Ze pakten de beelden heel voorzichtig in stro, om er zeker van te zijn dat ze niet beschadigd zouden worden als de wagen plotseling moest remmen. De andere arbeiders waren naar huis gegaan, omdat Harry en de meesterknecht het werk alleen wel afkonden. Ze waren zo druk bezig, dat ze de twee of drie weeskinderen niet heen en weer zagen schieten en kijken wat er allemaal gebeurde. De meesterknecht bleef op de laadbak om op de beelden te passen en Harry klom in de cabine naast de chauffeur. Toen ze op het punt stonden om weg te rijden kwam Torn aanhollen en vroeg Harry of hij mee mocht rijden. Hij ging vaak met hem mee als hij per auto goederen moest afleveren. 'Er zal nog wel een plaatsje zijn,' zei mijnheer Turnbull. De vrachtrijder had geen bezwaar en Torn hees zich zelf naast de twee mannen in de cabine. Eindelijk startte de vrachtrijder de motor en reden ze weg. Harry dacht: Het is het enige wat we kunnen doen. We zullen tenminste voor het einde van de maand iets afgeleverd hebben - dat wil zeggen, als we onderweg geen ongeluk krijgen. Maar zij reden de heuvel op en bereikten zonder tegenslag 'Monte Carlo.' Het was maar drie kilometer maar ze reden langzaam om de lading niet te beschadigen; en ze waren niet voor halfzeven bij het huis. De vrachtrijder reed de auto voorzichtig de oprijlaan op en stopte bij de zijdeur. Harry klom eruit en belde aan. Een bediende - een klein mannetje dat scheel keek - vroeg wat hij wilde. 'Ik zou graag Sir Midas Pike willen spreken. Het is belangrijk.' 'Dat zal niet gaan. Hij is niet thuis. Nog geen tien minuten geleden weggegaan. Waar komt u voor?' Harry vertelde hem, dat hij gekomen was om de vijf kabouters af te leveren. De schele man aarzelde. Hij wist, dat Stille Joe die avond zou komen. De andere bedienden waren al weg, en op hem na was het huis leeg. Zelfs de Duitse herder in zijn kennel aan de andere kant van het grote huis sliep. De bediende wilde niet, dat er vreemde mensen rondhingen, maar het was ook niet goed om hun achterdocht op te wekken. 'U kunt de boel het beste uitladen en neer zetten. Ik zal Sir Midas zeggen dat u geweest bent. Hij komt pas laat thuis. Ik neem aan, dat hij ervan af weet?'
'O ja,' zei Harry. 'Hij verwacht ze.' 'Goed,' zei de bediende, 'en doe het vlug.' Hij deed de deur voor Harry's neus dicht en liet hem staan om de vrachtwagen te lossen. Er was niet veel tijd voor nodig om de vijf beelden van de wagen te tillen en ze voorzichtig aan beide kanten van de oprijlaan neer te zetten. Ze plaatsten er twee aan elke kant en de vijfde - die met de hengel -droegen ze naar de vijver en zetten hem zo neer dat hij over het water uitkeek. 'Zo,' zei Harry, 'nu zullen die ouwe Pike en z'n vrouw ze vast en zeker zien als ze thuiskomen. Het is vannacht volle maan en als er geen wolken zijn zullen deze kleine kereltjes er lang niet kwaad uitzien. Laten we hopen, dat ze bij mevrouw in de smaak zullen vallen. Beter kan ik het niet. Misschien kunnen we de andere afmaken terwijl ze op reis zijn.' De drie mannen en de jongen klommen weer in de auto en reden weg, 'Monte Cario' overlatend aan de zorgen van de schele bediende en de vijf kabouters. Zodra ze bij de fabriek terug waren bedankte Torn mijnheer Turnbull voor de rit en holde weg om z'n kameraadjes op te zoeken. Harry ging naar binnen om z'n handen en z'n gezicht te wassen en te zien wat Mabel te eten voor hem had. Die avond lagen 'Monte Cario' en de aangrenzende villa's kalm en vredig in het maanlicht. Een licht briesje ritselde in de toppen van de bloeiende struiken, waaronder doodstil de kabouters stonden, alsof ze wachtten op de komst van hun nieuwe meesters. Toen gebeurde er plotseling, zonder waarschuwing, iets vreemds. De tuin begon te leven van de kabouters. Het ene ogenblik lag hij stil en verlaten, het volgende ogenblik was hij vol heen en weer schietende figuurtjes. Soms fluisterden die kabouters elkaar snel iets in het oor, en een van hen scheen daarbij over de anderen de leiding te hebben. 'Daar,' fluisterde hij, terwijl hij een kleinere kabouter naar de rand van een bloembed duwde. Binnen de minuut hadden alle hollende figuurtjes een plaats in de tuin ingenomen, sommigen gehurkt aan de rand van de oprijlaan, anderen staande onder de bomen, één knielend op een stenen zonnewijzer midden in een rozenperk. Samen met de vijf al neergezette kabouters moesten het er alles bij elkaar wel twee dozijn zijn. Ze gaven geen kik. Ze verroerden geen pink. Iedereen die ze op dat ogenblik zag zou ervan overtuigd geweest zijn dat ze in steen veranderd waren. Toen gebeurde er weer iets, even stilletjes en even vreemd. Een lange zwarte auto stopte geruisloos juist voor het hek van 'Monte Cario', en er stapten drie mannen uit. Ze droegen donkere kleren en ze hadden maskers over de bovenste helft van hun gezicht. Ze lieten de portieren van de auto open en slopen de oprijlaan op. Ze liepen snel en over het gras in plaats van op het grind om te voorkomen dat ze lawaai maakten. Een van hen liep bijna een van de cementen beelden ondersteboven die met zijn armen in de zij op de rand van het gras stond. De man mompelde een vloek en liep verder. 'Stil jij,' fluisterde een van de andere mannen. 'O.K. Joe,' antwoordde degene, die over de kabouter gestruikeld was. Toen ze de voordeur van het huis hadden bereikt duwde de man die met Joe werd aangesproken de deur open en ze verdwenen allemaal naar binnen. In het weeshuis stond juffrouw Larkins, die tot laat in de avond haar kasboek had zitten opmaken, op om voor ze naar bed ging een kop thee voor zich zelf te zetten. Op weg langs de grootste van de vier kamers waar de kinderen sliepen, stond ze even stil om te luisteren. Geen geluid kwam uit de kamer. Alles was in orde. Toen deed iets haar de deur zachtjes opendoen en naar binnen kijken. Misschien omdat het zo onnatuurlijk stil in de kamer was. Meestal kon ze, ook al was de deur dicht, af en toe horen ademhalen, of hoesten, of een jongetje in z'n slaap horen mompelen. Wat juffrouw Larkins in het licht van de maan dat naar binnenstroomde zag, deed haar mond openvallen van verbazing. Want wat ze zag was tien lege bedden! Juffrouw Larkins liep vlug naar de andere kamers en ontdekte dat er nog negen andere kinderen ontbraken. Alleen de jongste weesjes sliepen vredig. Negentien van haar pupillen waren verdwenen. 'Die kleine apen!' zei ze kalm tegen zich zelf. Juffrouw Larkins was niet iemand, die zich ongerust maakte voor er iets was om zich ongerust over te maken. Toen zag ze nog iets ongewoons. Aan het eind van een van de gangen stond een ouderwetse kast waarin allerlei soorten kleren werden bewaard voor verkleedpartijen. De kinderen waren dol op charades en toneelstukjes. De verkleedkast was op lange winteravonden en op regenachtige dagen een geliefkoosde plek. Juffrouw Larkins zag, dat de deur open stond en dat er in de kast een uitgesproken wanorde heerste. Afgelopen Kerstmis hadden ze een spel over dwergen opgevoerd. Twintig jongens en meisjes hadden zich in groene en bruine pakjes met rode puntmutsen verkleed. En nu waren die pakjes weg. Juffrouw Larkins wist het zeker, want ze had ze zelf netjes opgevouwen en in een grote kartonnen doos gepakt. Op één pakje na was de doos leeg. 'Zo,' zei ze tegen zich zelf, 'negentien dwergen zijn in het maanlicht op avontuur uit. Waar kunnen ze heen zijn?' Ze liep vlug naar de buren en belde aan bij mijnheer Turnbull. Ze riep dikwijls de hulp van haar vriendelijke buurman in als er moeilijkheden in het weeshuis waren. Niet dat ze ongerust was, maar ze wilde weten waar de kinderen uithingen. Als ze midden in de nacht naar ze moest zoeken, had ze hulp nodig. Ze legde alles kalm aan mijnheer Turnbull uit, die het beter vond om de hulp van een politieagent in te roepen. Want als negentien kleine kinderen die aan je zorg zijn toevertrouwd midden in de nacht aan het kaboutertje spelen zijn kun je niet voorzichtig genoeg zijn, nietwaar? De politiepost was niet ver weg. Sergeant Piper was bijna klaar met zijn dienst toen de telefoon ging en hij de stem van zijn goeie vriend Harry Turnbull hoorde. Harry legde hem het geval uit. Enkele minuten later reden Sergeant Piper, mijnheer Turnbull en juffrouw Larkins in het maanlicht in een politieauto weg om de straten af te zoeken. Het was het idee van de Engel geweest om de pakjes te lenen, na bedtijd het weeshuis uit te sluipen en naar Sir Midas Pike's huis op de Heuvel te gaan. Tijdens z'n bezoek aan het huis eerder op de avond had Torn genoeg gehoord om te weten, dat Sir Midas en zijn vrouw laat zouden terugkomen en bij thuiskomst erop rekenden vierentwintig kabouters te vinden. Maar er waren slechts vijf beelden afgeleverd. Goed - er zouden negentien levende kabouters zijn om hen te begroeten. Later, als Sir Midas en z'n vrouw veilig binnen waren, konden ze naar huis terugsluipen en naar bed gaan of er niets gebeurd was. De volgende dag kon Harry naar het huis van Sir Midas gaan en alles uitleggen. Misschien zou Sir Midas het hem vergeven, en dan zou hij uit de moeilijkheden zijn. De Engel vond, dat dit het allermooiste stukje kattenkwaad was, dat ze ooit had bedacht. Het leek Torn en enkelen van de anderen een krankzinnig plan. Maar het was het enige wat ze konden doen om Harry te helpen. Het was een zachte avond en volle maan. Hoe het ook liep, het was een reuze grap, en niemand zou boos op hen zijn, want ze deden het alleen om te helpen.
Zoals jullie al gehoord hebben, bereikten de kinderen 'Monte Carlo' zonder moeilijkheden en namen hun plaats in de tuin in om de terugkomst van Sir Midas en Lady Pike af te wachten. Je kunt je hun verbazing voorstellen toen zij de drie stille mannen met maskers voor hun gezichten de oprijlaan zagen opsluipen en het huis binnengaan. Zodra de deur achter de mannen gesloten was, holden de levende kabouters naar hun leider en gingen om hem heen staan. 'Zal ik jullie es wat zeggen,' zei Torn, 'dat zijn inbrekers - zo vast als een huis.' 'O, ik ben bang!' zei de Engel. 'Ik ook,' viel Hannah bij. 'Doe niet zo kinderachtig,' zei Jacky. 'We moeten ze tegenhouden.* 'Ze zijn maar met z'n drieën,' zei kleine Sid. 'We kunnen ze best met ons allen aan.' 'Let op, jongens,' zei Torn, 'luister goed en doe wat ik jullie zeg.' Als een geboren generaal vertelde hij z'n ondergeschikten snel wat elk van hen precies moest doen als de dieven het huis uit kwamen. Binnen enkele minuten waren alle kinderen weer terug op hun plaatsen. De inbrekers moesten de eerste ogenblikken niet merken, dat er iets mis was.
De kinderen waren geen ogenblik te vroeg want Stille Joe en z'n twee begeleiders hadden binnen ook heel snel gewerkt. De schele bediende was naar bed gegaan. Het was beter dat hij niets van de diefstal afwist. Toen de mannen uit de voordeur kwamen droeg de leider, Stille Joe, een kleine zwarte zak vol zilver en juwelen; de tweede droeg twee weelderige bontjassen over z'n arm en de derde z'n zakken puilden uit van het buitenlandse bankpapier en andere waardevolle dingen. Zodra ze de voordeur uitwaren en de oprit afslopen naar de auto toe, klonk de schelle stem van de hoofdkabouter luid en duidelijk in de maanverlichte tuin. 'Dieven!' riep hij. 'Houdt de dieven! Vlug, jongens -jullie weten wat je moet doen!' Hij stoof op de leider af, griste de zwarte zak uit z'n handen en holde ermee weg om die in de bosjes te gooien. Joe vloekte en holde hem achterna. Twee andere kabouters pakten de tweede dief de bontjassen af voor hij van z'n verbazing was bekomen; weer twee andere lieten de derde man struikelen, die met een smak op het grind viel. Toen begon er een wilde jacht. Een dozijn andere kabouters holde de tuin rond terwijl ze: 'Dieven, dieven!' riepen zo hard als ze konden. De man, die de zwarte zak had gedragen, probeerde die terug te krijgen. Hij sprong hier en daar over een bloembed of een struik heen, maar de kinderen waren hem te vlug af. Een van hen leidde hem naar de rand Van de vijver, sprong toen opzij, en Joe verloor z'n evenwicht en viel languit in het water. Het gegil van de kinderen maakte de Duitse herder, die in de achtertuin lag te soezen, wakker. Hij kon niet van zijn ketting komen, maar hij begon zo te blaffen, dat alle honden op de heuvel een geweldig misbaar begonnen te maken. Honden zijn altijd rusteloos als het volle maan is en het woedende geblaf op 'Monte Carlo' deed ze allemaal tegelijk uitbarsten. Nooit had je in de keurige buurt van de Heuvel zo horen keffen en blaffen. 'Vlug mannen!' beval Stille Joe toen hij druipend en wel uit de vijver was geklommen. 'Als de bliksem er vandoor! De auto - start de auto!' Maar hij was te laat. Zes kinderen hadden van Torn de opdracht gekregen de auto buiten werking te stellen. Ze hadden de cementen kabouters de oprijlaan afgesleept en er één voor elk van de wielen gelegd. De vijfde kabouter hadden ze tussen de plaats van de bestuurder en de versnellingshendel geduwd. Wie de auto wilde starten moest eerst dit obstakel uit de weg ruimen. Tegen de tijd dat de dieven besloten waren er vandoor te gaan, waren de autovernielers zich aan het vermaken met stenen uit Sir Midas' rotstuintje de raampjes in te gooien. Het resultaat van deze schitterende aanval was dat de auto van binnen bezaaid lag met glas. De dieven waren te verlangend om weg te komen om tijd aan hun vijanden te besteden; maar toen een van de mannen, woedend, op de kinderen afschoot, sprongen ze buiten zijn bereik terwijl ze schreeuwden: 'Dieven! Rovers! Moordenaars!' Het blaffen van de honden had de buren wakker gemaakt en de mensen, die nog niet naar bed waren, holden naar het huis om te zien wat er aan de hand was. Anderen kwamen in hun kamerjas naar buiten en verscheidene voorbij rijdende auto's waren gestopt omdat hun eigenaars wilden weten wat de oorzaak van dit ongewone lawaai was. Toen klonk boven het kabaal uit het gillen van een politiesirene. Sergeant Piper stuurde zijn auto met een grote snelheid naar het hek, zodat de toeschouwers in alle richtingen uiteen stoven. Hij kwam tot staan de bumper tegen de bumper en kop aan kop met de auto van de dieven. De agent, juffrouw Larkins en mijnheer Turnbull sprongen eruit.
Na een korte jacht tussen de struiken hadden de agent, mijnheer Turn-bull en een paar omstanders weinig moeite om de drie dieven te pakken. In de politieauto was een radio, en binnen enkele minuten had de agent nog twee politiemannen opgeroepen om hem te helpen Joe en zijn makkers naar het bureau te brengen. Juffrouw Larkins verzamelde haar wezen om zich heen, en had zich er al heel gauw van overtuigd dat ze er alle negentien waren. Op hun gescheurde kleren en een verzameling builen en schrammen na waren ze van dit gewaagde avontuur niet slecht afgekomen. De bedienden van Sir Midas waren inmiddels allemaal thuisgekomen, en ze waren erg verbaasd om te zien wat er gebeurd was. Maar niemand was meer verbaasd dan de heer en vrouw des huizes zelf, die vlak daarna in hun marineblauw met crème limousine arriveerden. Er moest heel wat uitgelegd worden. 'Ik denk,' zei Sir Midas tegen de agent, 'dat u dié daar ook beter kunt arresteren.' Hij wees naar de schele bediende, die in zijn kamerjas in de voordeur stond, en net deed of hij nu pas wakker was geworden. Toen de politie met de dieven vertrokken was, gingen de buren naar huis, en werd de stilte op de Heuvel hersteld. Zelfs de honden hielden op met blaffen en gingen slapen. Toen nodigde Sir Midas Harry, juffrouw Larkins en al de kinderen uit om binnen te komen en iets te drinken. Hij bedankte hen voor het redden van zijn bezittingen en wenste hen geluk, dat ze de beruchte Joe aan het gerecht hadden uitgeleverd. De bedden en bosjes in de tuin, en de zakken van de dieven waren nagezocht en alle gestolen goederen waren teruggevonden. Sir Midas en Lady Pike waren opgetogen... Zij beloofden dat ze zouden nadenken over een passende beloning. Pas vlak voor het aanbreken van de ochtend werden de slaperige kabouters in drie autoladingen naar huis gereden om zich tevreden op te rollen in de lege bedden van het weeshuis. Maar dat was nog niet het eind. In zekere zin was het pas het begin. Want - om een lang verhaal kort te maken - Harry Turnbull en zijn vrouw mochten een nieuwe en betere fabriek in dezelfde wijk huren, zonder dat ze meer huur dan voor de oude hoefden te betalen. Wat de oude fabriek betreft, Sir Midas had een prachtig idee - of liever, het was eigenlijk Bertha's idee. Hoewel ze erg de baas kon spelen was ze een aardige vrouw, en ze was vastbesloten om iets voor het weeshuis te doen. Als beloning voor het vangen van de dieven, werd de oude fabriek afgebroken en werd het terrein voor een nieuwe, mooie speelplaats gebruikt. Er werd een grasveld aangelegd; en er werden een draaimolen, verscheidene schommels en een roetsjbaan voor de kinderen opgezet om op te spelen. Het huis van de Turnbulls werd niet afgebroken maar aan juffrouw Larkins en haar assistenten gegeven om ruimte te maken voor nog meer kinderen in het weeshuis. De vijf kabouters waren van onder de auto van de dieven gered en bleken nauwelijks beschadigd te zijn. Ze waren gauw weer gerepareerd en van een nieuw verfje voorzien. Opnieuw werden ze in de tuin van 'Monte Cario' gezet. Lady Pike zei, dat vijf heus genoeg was, en daarom bestelde Sir Midas de andere negentien af. Dat vond Harry al lang goed want hij had werk genoeg en hij had het niet prettig gevonden zulke onnatuurlijk grote beelden te maken. Lady Pike kwam in het bestuur van het weeshuis en ze nodigde de kinderen vaak uit om bij haar op de Heuvel op bezoek te komen. Dit maakte dat zij zich niet zo eenzaam voelde, en ze was blij dat ze iets nuttigs kon doen. Zo begon er voor iedereen een gelukkiger tijd - voor Sir Midas en Bertha op 'Monte Carlo', voor juffrouw Larkins en de wezen, en voor mevrouw en mijnheer Turnbull op de nieuwe fabriek.
Een man staat bij de receptie van een hotel. Hij wil juist een vraag stellen, als hij per ongeluk tegen een vrouw naast hem stoot, met zijn elleboog tussen haar borsten. De man draait zich om en zegt: "Mevrouw als uw hart net zo zacht is als uw borsten, dan kunt u me dit vast wel vergeven." Zegt de vrouw: "Als uw penis net zo hard is als uw elleboog, dan is mijn kamernummer 824."
Het was tijdens een winter waarin de kraanvogel besloten had nu eens niet de enorme trek naar het zuiden te ondernemen, doch rustig in zijn noordelijk territorium te blijven, dat hij op een goede dag de vos tegenkwam, die belangstellend informeerde: "Zo, vriend kraanvogel, en hoe staat het leven?"
De kraanvogel haalde enigszins gelaten zijn gevederde schouders op en antwoordde: "Tja, wat zal ik zeggen? Het houdt niet over, natuurlijk. Schraalhans is hier keukenmeester in dit kille jaargetijde. Veel te eten valt er niet te versieren."
De vos dacht hier even over na en sprak toen: "Ik heb een voorstel. Als jij mij nu eens leert vliegen, dan zorg ik ervoor dat je de hele winter aan je natje en je droogje komt."
De kraanvogel zag dat wel zitten en ging met het voorstel van de vos akkoord, en die hele lange winter voorzag zijn gepluimstaarte makker op een meer dan voortreffelijke wijze in zijn levensonderhoud.
Toen echter de lente aanbrak en het langzaam zomer begon te worden, klopte de vos bij hem aan om zijn verdiende loon.
"Oké," sprak de kraanvogel. "Ik ben niet iemand die zich niet aan z'n beloftes houdt. Klim maar op mijn rug, dan zal ik je eens een lesje geven!"
Met krachtige slagen van zijn enorme vleugels verhief de kraanvogel zich met de vos op zijn rug in het luchtruim en wiekte naar hogere sferen.
Steeds hoger steeg hij, tot de onder hen wegzinkende aarde de aan dit soort perspectieven niet gewende vos als een soort miniatuur speeltuin in de diepte voorkwam.
Zonder voorafgaande waarschuwing wipte de kraan de argeloze vos nu plotseling van zijn rug, zodat het verbijsterde dier machteloos omlaag tuimelde en bij zijn landing op aarde een poot brak.
Enkele ogenblikken later streek de kraanvogel naast hem neer en informeerde zonder een spier van zijn toch al vrij expressieloze kop te vertrekken: "En, vriend vos, hoe is je eerste vlucht je bevallen?"
"Ach," antwoordde de ietwat verpletterde viervoeter, "dat vliegen is wel aardig, daar wil ik niets over zeggen, maar ik heb er wel een gebroken poot aan overgehouden."
"Tja," sprak de kraanvogel. "Vliegen zonder vleugels is nu eenmaal een hachelijke onderneming, en gebroken is gebroken!"
Honderd nonnen hadden zich verzameld in de grote hal van het klooster. Moeder Overste sprak hen toe: 'Er is een condoom gevonden ...' 99 nonnen: 'Oooooooooh' 1 non: 'Hihihihihi' ' ... en er zat sperma in.' 99 nonnen: 'Oooooooooh' 1 non: 'Hihihihihi' 'Bij nader onderzoek bleek er een gaatje in te zitten.' 99 nonnen: 'Hihihihihi' 1 non: 'Oooooooooh'
Mijn bed is leeg. Niet mijn deel, maar de koude, onbeslapen helft naast me. Het kussen netjes opgeschud, het laken rimpelloos. Ik draai me om en probeer opnieuw de slaap te vatten. Geen gemis, geen vragen, macht der gewoonte. Ik zoek mijn plekje en nestel me tussen droom en fantasie. Het lukt niet zo goed. Ik blijf hangen in een sluimering, de slaap is verdrongen. Uit routine probeer ik de cijfers op de wekkerradio te lezen. Vaagrood licht krijgt langzaam vaste vorm en ik lees 07:35. Trek mijn laken terug over mijn hoofd en bedenk dat het vandaag een vrije dag is. Lekker uitslapen, nog even woelen. Mijn voet raakt het kille van de overkant en geleidelijk broeit de gedachte van een contradictie. Ik rol de andere kant van mijn bed op, zoekend naar sporen, naar iets tastbaars dat de tweestrijd in mijn hoofd tot rede brengt. Mijn hand grijpt naar de schakelaar. De schemering van de ochtendzon tussen de halfgesloten rolluiken maakt plaats voor het scherpe maar verhelderende licht. Niets. Enkel stilte en leegte. De verwarring heeft ook mijn blaas tot leven gebracht, ik geef me over en verdwijn de badkamer in. Alles laten leeg lopen, ook mijn gedachten. Ik speur al zittend de ruimte af, opnieuw als een volleerde spoorzoeker. Geen gebruikte waslap, niet de gebruikelijke troep in de lavabo, geen sokken naast de wasmand. Zelfs geen verloren boxershort, denk ik, terwijl ik me hurk om mijn pyjamabroek op te hijsen. De slaap is voorgoed verbannen en ik zet mijn zoektocht verder. De trap af, op blote voeten terwijl de moed stilaan in mijn schoenen zakt. Vreemd hoe scherp mijn zintuigen staan. Op dit uur in de ochtend. Mijn hand glijdt langs de trapleuning, koel en toch warm, levend niet doods. Het hout heeft iets tastbaars, net als de treden, krakend, glad. Ik heb geen zweetvoeten, niet dat ik weet, maar toch voelt het alsof de huid van mijn tenen ademen. Lichtjes klevend aan het hout en dan soepel weer loslaten. Een welkome afleiding om mijn gedachten te kunnen ordenen terwijl ik langzaam naar beneden glip. Op zoek. Luisterend naar de stilte. Ik durf haast niet te ademen, om elk risteling of timbre te kunnen onderscheiden van dat van mezelf. Niets, alsof ik het enig levende wezen ben in een huis dat een eeuwige rust uitademt. Van de trap op de koude vloer. Even een huivering. Een oud patroon, zwart en witte kleine tegels, de voegsels voelen ruw aan in kontrast met het gladde van de tegel. Sluipend zet ik mijn tocht verder, mijn hand rust even op de verchroomde deurklink voor ik overmoedig de keukendeur opengooi. Hier opnieuw geen licht of geluid, of toch. Het lijkt alsof ik in een keurslijf wordt gewrongen, waarbij de veters steeds harder worden aangetrokken. Mijn hoofd tolt, mijn adem stokt en mijn hart slaat het opzwepende ritme van een Afrikaanse regendans. Ik wil gillen maar durf niet. Het liefst keerde ik op mijn passen terug, het bed in onder de lakens. Ik ben geen angsthaas, maar het gehijg in het washok is niet echt uitnodigend. Nu hoor ik ook een krabbend en kloppend geluid aan de deur. Iemand probeert die te openen. Met de moed der wanhoop schrijd ik naar het raam. Door een spleet in het rolluik probeer ik in de tuin te gluren. Geen beweging aan de achterdeur. Ik verleg mijn gezichtsveld. Een vage schaduw sluipt langs het bloemenperk naar het achtergelegen tuinhuis. Wellicht op zoek naar materiaal om het slot open te breken. Niet aarzelen, geen paniek, ruist het door mijn hoofd. Maar mijn reactie is sneller, ik grijp de draadloze telefoon en met een snelle sprint, de trap en het bed in. Onder de lakens probeer ik het noodnummer in te drukken; Geen gehoor. Batterij leeg. Naar beneden durf ik niet meer. Maar ik kan toch ook niet zomaar mijn huis laten leegroven? Mijn denken wordt verstoord door het kraken van de trap. Ik zak nog dieper onder het laken door en blijf doodstil liggen. Voetstappen stoppen aan de deur en ik hoor de klink naar beneden klikken. Nog enkele stappen en dan ploft iemand zich ongegeneerd in mijn bed neer. Een por in mijn zij, laat een ijselijke gil ontsnappen. Ik sterf ter plekke.
“ Zo ben je wakker, schat? Ik was gisteren bij de buis in slaap gevallen en toen ik wakker werd, besloot ik alvast voor paashaas te spelen. Zo kun jij nog even lekker uitslapen op je vrije morgen. De hond heb ik zolang in het washok opgesloten, anders bleef er van de chocolade wellicht niet veel meer over
De directeur komt thuis en ziet zijn vrouw in bed liggen met zijn boekhouder.Zegt die directeur: Wat moet dat hier? Zegt zijn vrouw: Jouw achterstand bijwerken!
Op zijn zwerftochten was Uilenspiegel aangeland in Hessen en daar hoorde hij, dat de graaf voornemens was, de wanden van zijn ridderzaal te laten beschilderen. Al de heldendaden van zijn voorouders wilde hij laten vereeuwigen in schone wandschilderingen. "Wel," sprak Tijl, "hoe kan het zo mooi uitkomen, ik ben toevallig kunstschilder van mijn vak; dat is net een karweitje voor mij."
En hij ging zich aanmelden bij de graaf en zei, graag bereid te zijn de gevraagde wandschilderingen te maken. De graaf vertelde hem, wat de taferelen moesten voorstellen en welke prijs hij ervoor betalen wilde. "Meneer de Graaf," zei Tijl, "dat is nou precies het werk dat ik al voor verschillende hoge heren heb verricht en ik merk, dat u royaal betaalt, dus ik neem het werk aan. En u behoeft me niet eerder te betalen, dan als het werk af is. Maar ik ontving wel graag een voorschot om verf en andere benodigdheden te kopen."
De graaf gaf een flink voorschot en Tijl kwam de volgende dag aanzetten met twee knechts, die potten verf, kwasten enz. droegen. "Ziezo, heer Graaf," sprak Tijl, "het werk begint. Maar we mogen niet gestoord worden: niemand mag de ridderzaal binnenkomen, zo lang wij nog aan het werk zijn. Ik kan er nu eenmaal niet tegen, op mijn handen te worden gekeken." De Graaf beloofde, dat niemand de kunstenaar en zijn helpers zou storen, en Tijl met z'n twee kornuiten verdwenen in de ridderzaal.
En daar namen de drie heren het er van! Zij hadden lekker eten en drinken meegebracht en deden zich daaraan flink te goed onder vrolijk gezang. Daarna gingen zij uitrusten op de zachte divans, of speelden een gezellig spelletje kaart of dobbelden een uurtje en vóór de avond viel gingen zij weg en sloten de ridderzaal zorgvuldig af en namen voor zekerheid de sleutels mee.
De volgende dag kwamen zij weer terug, allerlei geheimzinnige rollen en pakken en manden sjouwend. En ze vierden daar in die ridderzaal weer de hele dag feest en deden af en toe een dutje.
Zo ging dat wel een dag of tien door; en als de Graaf 's avonds Tijl bij het weggaan opwachtte en vroeg, hoe het met het werk stond, dan zei Tijl, dat hij heel tevreden was en maakte van de gelegenheid gebruik om nog een voorschot te vragen. Zogenaamd omdat de verf die hij gebruikte, zo kostbaar was, maar in werkelijkheid omdat al dat eten en drinken van hem en zijn kameraden aardig wat kostte.
Want de drie schavuiten vonden het nog niet mooi genoeg, dat ze de hele dag in die ridderzaal een lui en lekker leventje hadden, neen, als ze 's avonds terug kwamen in de herberg, waar ze sliepen, dan maakten ze ook daar goede sier, de herbergier had nog nooit zulke royale gaste gehad.
Eindelijk werd het de Graaf toch wel een beetje te machtig en hij vroeg Uilenspiegel, of hij nu niet eens wat van z'n werk te zien kon krijgen. "Met genoegen," zei deze. Hij liet één van zijn helpers, die een beetje tekenen kon, een poppetje op een stuk papier krabbelen, en kwamen daarmee naar buiten. "Kijkt u 'es," sprak hij met een ernstig gezicht. "Ach nee," sprak de Graaf, "dat bedoel ik niet. Maar je bent nu al een paar weken bezig en ik wou nu eindelijk wel 'es wat zien van de muurschilderingen die je maakt."
"Goed," sprak Uilenspiegel, "laten we dan afspreken, dat u vanmiddag eens komt kijken, dan zal de ene wand klaar zijn. Maar er mag niemand anders komen dan u alleen; ik heb een hele dure soort verf gebruikt, die alleen zichtbaar is voor mensen met edel bloed. Wie maar één druppeltje niet-adellijk bloed in z'n aderen heeft, die ziet van de hele beschildering niets."
's Middags werd de Graaf plechtig binnengelaten in zijn eigen ridderzaal. Op een wenk van Uilenspiegel trokken de helpers een linnen laken, dat voor één van de wanden hing, weg, en de kale muur kwam te voorschijn. "Wat zegt u er van, meneer de Graaf?" vroeg Tijl met een stalen gezicht. De Graaf zag niets, en zei: "Hm..."
Maar Tijl had voor de feestelijke gelegenheid een palet in de linkerhand en wees met een grote kwast naar de kale muur begon vol geestdrift uit te leggen: "Daar op dat prachtige witte paard zit uw betovergrootvader, in dat gouden harnas; om hem heen, op de bruine paarden, de ridders van zijn leger; en drie lui daar in de hoek, die zo somber en verdrietig kijken, dat zijn de gevangen vijanden, die zich moesten overgeven. En daar tussen de bomen door ziet u de edelvrouw met haar dames aankomen om de overwinnaar te begroeten. Hier op de voorgrond liggen de lijken van drie vijanden, die uw Heer betovergrootvader hoogst-eigenhandig in het zand deed bijten. Daar in de verte steekt het kasteel af tegen de blauwe lucht; ziet u de vlag wapperen?"
De Graaf stond maar te knikken, al zag hij niets van al het moois, dat Tijl zo vol overtuiging stond aan te wijzen. Want hij dacht: als ik zei, niets te zien, zou dat bewijzen, dat ik niet van zuivere adel was. Met een schuin oog keek hij naar het doek, dat voor de andere muur hing.
"Daar komt het tweede hoofdtafereel met uw Heer overgrootvader als voornaamste personage, uittrekkend voor de strijd tegen de Turken. Maar dat is nog lang niet af. En daar rechts, daar komt..." - "Ja, ja," zei de Graaf, die het benauwd kreeg, en hij stapte naar de deur. Uilenspiegel deed hem met veel strijkages uitgeleide, terwijl de twee helpers de andere kant uitkeken om hun lachen te verbergen. "Dus Uw Edelheid is tevreden?" vroeg Tijl vriendelijk en onderdanig. De Graaf wierp nog even een blik op de kale muur en zei: "Zeker, zeker, mijn vriend," en verdween.
Maar toen de Gravin hoorde, dat haar gemaal al de eerste wandschildering had bewonderd, begon zij te zeuren, dat zij en haar hofdames ook wel eens een kijkje mochten nemen. Tijl weigerde eerst, maar toen ook de Graaf aandrong, grotendeels omdat hij nieuwsgierig was, of anderen soms wél iets van een wandschildering zouden ontdekken, gaf Tijl toe.
De Graaf en de Gravin met hun hele gevolg kwamen binnen. Tijl vertelde weer van de bijzondere verf, die alléén gezien kon worden door mensen van zuivere adel, liet het doek wegnemen en begon weer aan zijn uitleg. Hij loog er nog tweemaal zoveel bij, als toen hij de Graaf alleen bij de neus nam. En het hele gezelschap hield z'n mond en stond maar te knikken. Maar de nar van de Graaf was ook mee naar binnen geslopen en die zei hardop: "Nou kan ik merken, dat het met mijn adel niet helemaal pluis is, want ik mag een boon zijn, als ik ook maar iets zie van een tekening of van verf."
"Stakkerd," zei Uilenspiegel lachend en de hofdames trokken vol minachting haar neusjes op voor die nar, die zo te koop liep met z'n lage afkomst. Toen het hele gezelschap de zaal verlaten had, buitelden de twee helpers van puur plezier driemaal over hun kop. Maar Tijl zei: "Jongens, als de narren de waarheid beginnen te zeggen, dan wordt het voor ons gevaarlijk. We pakken vanavond onze biezen en komen hier niet meer terug, hoor." En de volgende morgen wachtte de Graaf tevergeefs op de drie bedriegers: zij hadden Hessen verlaten.
Een vrachtwagenchauffeur rijdt van Parijs naar Bordeaux. Onderweg ziet hij een beeldschone lifster staan. Hij stopt en neemt haar mee. Na een kwartier zegt de vrouw dat ze zin in een nummertje heeft. De chauffeur zegt:'Dat kan ik niet maken, ik ben getrouwd en heb twee kinderen.' Na een kwartier vraagt de vrouw het opnieuw. 'Okeej,'zegt de chauffeur,'onder een voorwaarde, we doen het wel onder de vrachtwagen.' Als ze bezig zijn, ziet de man twee zwarte schoenen voor zich staan. Het is de politie die vraagt:'Wat ben jij aan het doen?' Waarop de chauffeur zegt:'Ik ben een lekke olieleiding aan het repareren.' Zegt de politieagent:'Volgens mij kun je eerst beter naar je handrem kijken, want je vrachtwagen staat 200 meter verderop!'
Langzaam liep ze over het strand. Luisterend naar de ruisende zee. Wachtend op het gevoel waar ze van hoopte dat het ooit nog terug zou keren. Waarom waren de veranderingen zo groot. Ze zette haar Ipod steeds harder. De ritmische klanken denderden in haar oren. Ze sloot zich af van alles om haar heen. Ze begon steeds harder te lopen alsof iets of iemand haar achtervolgde. Maar er was niemand. Ze was helemaal alleen. Ze liep steeds harder. Haar Ipod speelde een geweldig nummer af, de emoties kwamen naar boven. De tranen stroomden over haar zachte wangen. Ruw veegde ze de tranen weg. Maar opeens zag ze een licht… en alles werd donker voor haar ogen. Met verwoede pogingen probeerde ze haar ogen open te doen en te kijken waar ze was. Maar het enige wat ze hoorde waren harde, schreeuwende stemmen.
Er werd tegen haar schouder gepord. ‘Liefje, kan je me horen… ik ben het mama’. Met moeite kreeg ik mijn ogen open. Ik wilde omhoog komen. Maar een knallende hoofdpijn hield me tegen. Ik draaide mijn hoofd iets opzij en keek recht in het bezorgde gezicht van mijn moeder. Op de achtergrond hoorde ik de krijsende stem van mijn tienjarige zusje. Het liefst wilde ik gaan slapen. Maar dat kon ik niet maken tegenover mijn ouders. Een vriendelijke dokter vroeg me wat mijn klachten waren. Met moeite wist ik uit te brengen dat ik hoofdpijn had en een stekende pijn in mijn been. De dokter vertelde me dat ik een ongeluk had gehad, maar dat ik er goed van afgekomen was. Ik mompelde iets van dat ik het begrepen had. Langzaam vertrok iedereen een voor een uit de kamer. Ik viel in een onrustige slaap. Ik had een droom waarin iedereen me mocht. Waar ik geweldig was, waar ik alles kon. En de mooiste liefste jongen mijn vriend was. Maar helaas werd die droom geen werkelijkheid.
Mijn hoofd en mijn arm deden zo zeer dat ik me niet kon draaien. Het gordijn rondom het bed van mijn kamergenoot hing een stuk je open, ik kon net naar binnen kijken. Ik zag een toegetakelde jongen liggen, als je het mij vroeg hoorde hij thuis op intensive care. Helemaal in gedachten verzonken schrok ik op toen de dokter me aantikte en vroeg of hij bloed mocht prikken.
Mijn ouders waren vanochtend nog op bezoek geweest. En de doktoren hadden gezegd dat mijn hersenschudding steeds meer zakte en dat ik zeker over een paar dagen naar huis zou mogen. Een zuster kwam met een rolstoel binnen rijden. Ze reed naar het bed van de toegetakelde jongen. Samen met een man, waarschijnlijk de vader van de jongen tilde ze hem in de rolstoel. “Kom Mark we gaan lekker een stukje wandelen” zei de man. “Jong, ik ben geen kleuter meer, praat gewoon normaal tegen me” zei de jongen kennelijk Mark hetend. “Doe niet zo boos, wees blij m’n jongen” zei de man. “Kom op pa, jij gaat wandelen, ik ga zitten”. Toen Mark en zijn vader de deur uit waren moest ik lachen. Wat een bijdehandje. Vermoeid viel ik weer in slaap. “Hey, ik zal me even voorstellen” zei hij opgewerkt toen hij later terug kwam. “Ik ben Mark de Graatsing en jij bent Elysa he? Leuk je te ontmoeten.
Na twee dagen ziekenhuis had ik het al totaal gehad daar. Gelukkig kwam het bevrijdende nieuws snel! Ik mocht vanmiddag naar huis. Mijn moeder kwam uit haar werk direct om te helpen met mijn tas in te pakken, voor de terugreis naar huis. Mijn ondertussen ziekenhuis vriend, zat verveeld televisie te kijken. Ik strompelde naar hem toe. Hé ik ga naar huis. Hij reageerde niet. Mark! Riep ik. Hij keek verdwaasd op. “Hoi, ga je?” “Ja, ik mag eindelijk naar huis.” “Laat me maar alleen” zei hij lachend. “Tot ziens he, ik spreek je nog wel als je weer thuis bent.” Ik wilde hem een knuffel geven, maar toen mijn gezicht vlak bij zijn wang was tilde hij met moeite zijn hand op. Pakte mijn hoofd vast en gaf er een kusje op. “Dag lieve Elysa” zei hij. “Dag, Mark” zei ik en ik strompelde met mijn krukken de kamer uit. Mijn moeder stond te wachten ze vertelde dat ze me gemist had. Omdat het bijna zomer vakantie is had ze een hele leuke vakantie geboekt. Normaal gesproken veerde ik op bij het horen van vakantie maar ik kon mijn gedachten er niet bij houden. Mijn moeder hield even haar mond dicht toen ze me hielp met het instappen van de auto maar daarna babbelde ze vrolijk verder.
Eindelijk waren we thuis. De rit leek wel een eeuwigheid te duren. Mijn zusje kwam naar me toe rennen. “Ik heb je gemist” zei ze en ik kreeg een grote knuffel. Ook mijn vader kwam naar buiten waar ik ook stevig door omhelst werd. Ik zou het nooit hardop te durven zeggen maar ik had ze ook gemist. Het voelde alsof ik nooit was weggeweest. Na het avond eten moest ik op het internet de foto’s kijken van het huisje dat we gehuurd hadden in Italië. Het zag er leuk uit het was in een klein park in het bos.
Een maand later was mijn been was zo goed als geheeld dus ik kon zonder gips op vakantie. Ik had de dokter wel moeten beloven mijn been nog niet te veel te belasten. Mark had ik niet meer gesproken. Hij was ook uit het ziekenhuis ontslagen en ik was het briefje met zijn msn verloren. Ik probeerde hem te vergeten ten slotte kende ik hem alleen maar vanuit het ziekenhuis. Toch voelde het wel speciaal.
De autoreis duurde veel langer dan de bedoeling was. Toen we op het vakantiepark aankwamen werd het alleen maar erger. Er waren geen jongeren te bekennen en we zaten in de middle of nowhere. Na 1 week had ik het al helemaal gezien. Mijn ouders en mijn zusje maakten vaak wandelingen maar daar kon ik niet aan mee doen vanwege mijn been, al zal ik eerlijk toegeven dat ik wandelen nooit echt leuk gevonden heb. Maar toch ik zat daar maar een beetje.
In het weekend stond ik pas laat in de middag op. Ik kleedde me aan en wilde naar mijn zusje in het zwembad gaan toen ik met mijn slaperige hoofd tegen iemand op liep. “Eeh, I’m sorry” brabbelde ik” “Hé no problem” lachte de jongen. Toen ik op keek om te kijken tegen wie ik het eigenlijk had schrok ik me wild! Een knappe dude keek me aan met helder blauwe ogen en blond haar. “Ik weet wat je nu denkt” zei hij. “Dat ik nooit een Italiaan kan zijn met mijn blonde haren en blauwe ogen. Maar dat ben ik ook niet al hoewel ik hier al wel 3 jaar woon.” De jongen begon vrolijk te vertellen over zijn familie en dat ze geïmmigreerd naar waren Italië. Ik vergat mijn zusje totaal. Ik vergat mijn hele familie totaal. De rest van de weken vlogen voorbij. Elke dag was ik weg met de dude, Paulo. Ik was tot over mijn oren verliefd. Maar mijn laatste vakantiedag kwam al snel in zicht. Ik sprak met hem af bij een klein meertje voor onze laatste avond samen. Paulo was er al. Hij had een picknickkleed neergelegd en een heleboel kaarsjes. Ook had hij een roosje voor me meegebracht. De avond was volmaakt. De ruisende zee, volle maan en de liefste jongen die ik ooit ontmoet had. Ik had nooit durven dromen dat ik een avond mee zou maken die zo perfect zou zijn.
De tijd vloog voorbij, voor dat ik het door had was het al 2 uur mijn ouders zouden wel bezorgd zijn. Ik stuurde ze een sms dat het nog wel wat later zou kunnen worden ik wilde nog niet weg. Maar ik moest afscheid nemen. Ik beloofde hem dat we contact zouden houden. Ik werd emotioneel, de tranen rolde over mijn wangen. Hij suste “stil maar lieverd, het komt allemaal goed” hij trok me tegen hem aan met zijn sterke armen. Ik keek hem aan. Hij veegde met zijn duim de tranen van mijn wangen. “Ik hou van je… jij bent het mooiste meisje dat ik ken, vooral waneer je lacht en de zon speelt met je haar”. Ik slikte. Zulke mooie woorden, ik wist niet wat ik moest zeggen. “ Ti amo (ik hou ook van jou), ik zal je nooit vergeten! Arrivederci Carissima (tot ziens liefste)” Ik liep het strandje af… weg van Italië en Paulo, maar de mooie herinneringen nam ik mee, mee naar huis, mee in mijn hart.
Er gaan 3 boeren naar de landbouwrai, krijgen zakgeld mee van hun vrouw, een 15 de andere 20 en 50 piek. Na de rai niks meer te doen dus naar de wallen. Zien ze een bloedmooie hoer en vragen wat ze kost, 100 piek. Ze baalen en lopen door. Na een tijdje lopen zien ze een bordje staan FRUITPIJPEN NU VANAF 15,-. Dit lijkt ze wel dus de eerste met 15 piek naar binnen komt 5 minuten laterbuiten en zegt: "Dat was lekker man!" Vragen de andere 2: "Wat gebeurde er binnen?" "Nou ze schoof een schijf ananas over mijn lul en zoog hem er zo af." Nr. 2 komt na 10 minuten naar buiten met het zweet op zijn voorhoofd. "En hoe was het?" "Nou ze schoof twee schijven ananas over mijn lul en zoog ze er zo af." Nr. 3 komt na 50 minuten naar buiten en loopt totaal haaks maar heeft een vette grijns op zijn bek. Vragen de anderen: "En hoe was het?" "Zalig man." "Maar wat gebeurde er binnen?" "Nou ze schoof drie schijven ananas over mijn lul, legde er een aardbei op en spoot er een toet slagroom op, het zag er zo lekker uit ik heb alles zelf opgegeten."
Zit ik laatst met een vriend aan de bar,,zeg ik tegen hem ik heb een probleem,,Ohh ja zegt hij wat dan.. Nou ik heb sinds kort allemaal rode strepen op mijn piemel,,,OOOH zegt hij dat ken ik ,,heb ik ook gehad... Ik helemaal opgelucht en vroeg naar de diagnose,,Nou zegt ie het waren spataders,,je gaat naar de uroloog en voor 5000,- eurie is tie weer mooi streeploos en glad.. Ik verwijskaart en naar die uroloog,,wordt ik wakker na narcose en wil afrekenen.. Dus vraag de rekening ,,,staat daarop 50,- eurie,,ik happy dat het zo goedkoop is maar vraag toch waarom.. Nou zegt die uroloog,,bij uw kennis waren het spataders ja ,,,maar bij u gewoon lippenstift......
Bij tijd en wijle slaat mijn hart op hol als gevolg van een aantal onverwachte ontmoetingen. Oordeel zelf. Het was avond en een enkele goedwillende straatlantaarn had zich voorgenomen om de opgelegde taak met verve te vervullen om in deze duistere tijden een bron van verlichting te zijn.Om me heen kijkend zag ik dat deze vertegenwoordiger van straatmeubilair werd geholpen door een naderend schijnsel. Op mijn netvlies verscheen een fietser die een verlicht voertuig beheerde. Gefascineerd door dit zeldzame verschijnsel trapte ik geemotioneerd een achter mij staande herdershond op de tenen.Niet gediend van dergelijke intieme handelinge begaan door vreemden, begroef het dier netjes zijn gebit in mijn kuit. Het wakkere beest van me afschuddend staarde ik gebiologeerd naar de fietser, een opgeschoten tiener, die afstapte en me voor de voeten wierp, 'mot je wat van me?' 'Eh, nee, maar ik zie dat je licht voert.' In gangbaar Nederlands antwoordde mijn toevallige gesprekspartner, 'fuck off, man, het enige dat ik vandaag gevoerd heb zijn me knijnen.' Daarna toonde hij zijn rug waar ik geen interesse voor had. Een tweede voorval dat bij mij hartkloppingen teweeg bracht en een gedeeltelijke stembandverlamming teweeg bracht, werd ingeluid door door een winkeldeur die ik voor een achter mij lopende dame, open hield. Verbijsterd hoorde ik haar zeggen, 'dank u.' Verbouwereerd door deze uit de zwang geraakte uiting van beleefdheid, verstapte ik me en lieten mijn onderdanen het afweten. Ternauwernood omzeilde ik een bak met Spaanse margrieten die op het trottoir verdekt stond opgesteld en belandde in de goot. Versuft opkrabbelend kwam ik in aanvaring met een personage die zijn oren beschikbaar had gesteld voor een half dozijn gekleurde veiligheidspelden. Ik hoorde hem zeggen,'keje nie uitkijke kikker?' Geschrokken rondneuzend naar voornoemde groene springer hielp de man me fors uit de droom. 'Je hoef nie so te loere, ik hep het tege jou. As een hond tege me opspringe, beje nou helemaal een end belazert.' Ik deed het niet met voorbedachten rade,'bracht ik met moeite uit. 'Sooo, ganeme dure woorde gebruike? En of je dat met die rade doet, sal an me reet roeste. As ik eran kompt gaje opsij, of hept je da nog nie door? Nou we het er toch over hebbe er sijn meer dinge die je over me mot wete.' 'O ja?' mijn snelle ademtocht vergezelde de twee woordjes naar een onzichtbare eeuwigheid. 'Jasekers. Ik hoef niet so'n klote papiergeval te gebruike foor me rotsooi, die pleur ik gewoon op straat.' De daad bij het woord voegend gooide hij een verfrommelde, lege patatzak naar een meisje dat opzij sprong. Ook as ik autorij, da doen ik met me radio loeihard sodat de ruite trille en scheur dan met rokende bande weg. De mense op straat denke dan "wat is dat een goeie schauffeur is dat.' 'Chauffeur,'probeerde ik. 'Wa krijge me nou klootmajoor?' Zijn felle, roodomrandde ogen bleven venijnig op me rusten. 'Je gaat me toch geen les in taal geve eikel?'In de derde klas fan de lagere school had ik foor me opstelle meestal een voldoende. Om op die auto terug te komme daarvan is het aardige da ik geen rijpapiertje hep. As ik rij ga ik se links en rechts foorbij. As da nie lukt ga ik dicht op se sitte sodat ze bagger scheitte en move. Afstand houe is foor lui die nie kenne rije. Piepeltjes op zeehondeoversteekplaatse kenne beter wiebele of opsij springe as ik kom anrije.' Niet begrijpend keek ik hem aan. 'Zeehondenoversteekplaatsen, wat bedoel je daarmee?' 'Beje so dom? Weet je da nie eens? Da benne die witte strepe op de weg waar lui overheen struine as se naar de oferkant wille.' 'Zebrapaden.' 'Ga weg, hete die so? Ik hep er nog nooit een seebra ofer sien struine. Soms as ik met de bus ga en die is afgelaaie zie ik piepeltjes voor ouwe gefalle opstaan. Dan denk ik bij me eiges 'wat een hufters lope er nog rond. Laatst nog, kom ik anlope bij so'n dinges en staat me daar een rij fan jewelste. Je denkt toch seker nie da ik bij da gajes ansluit. Ik duw en stomp die piepels an de kant en was als eerste binne. Er was so'n hippe vogel die stampei wou make. Tege mij!Toen ik effe me mes liet sien hield hij gauw se waffel.'Een zweem van trots verscheen op zijn gezicht. En nou wil jij seker wete waarom ik da allemaal mag? Da komp omdat ik lid ben fan de ASO. Met moeite bracht ik uit'wat is dat?' 'Weet je da nie? Beje so oerdom? As lid mag je schijt hebbe an andere. Je maakt je eige regels. Fan de week nog, hep ik met met een stel tofferikke een trein fan binne ferbouwt. Het werd helmaal te gek toen een flinkerik ons wou tegehouwe. Met se alle sijn we op die fogel gedoke. Die bird hep het gewete. Het laatste wat ik fan hem sag was dat hij wegstieflde met een ferlamde flerk. En nou jij ook wegwese muffert.' Me een duw gevend viel ik achterover. Liggend in de goot keek ik hem verdwaasd na.
De bewoners van het koninkrijk Malla waren blij met hun koning Okkaka. De paleisdeuren stonden altijd voor hen open als ze een probleem hadden. Er was één ding waar ze zich zorgen over maakten: de koning had geen kinderen. Hoe moest dat nu als de koning stierf? Dan zou een vreemde overheerser komen en die zou vast niet zo'n edele koning zijn! Ze trokken op naar het paleis en riepen: "We zullen bidden om een zoon, die het land net zo goed bestuurt als u." De hele bevolking bad mee, zodat de lucht gonsde van hun gebeden. Ze stegen op en bereikten Sakka, Heer van de hemel. Hij besloot hun gebed te verhoren. Op de zevende dag van het bidden verscheen hij in de kamer van koningin Silavati. Ze schrok wakker omdat er een stralend licht in de kamer kwam en begroette hem eerbiedig. Sakka zei: "Je mag een wens doen." - "O Heer, geef me dan een zoon," antwoordde ze snel. "Je krijgt er twee. Eén zal wijs en lelijk zijn, de ander knap, maar dwaas. Wie moet het eerste komen?" - "De wijze," antwoordde ze. "Zo zal het zijn." Hij raakte haar voorhoofd aan en gaf haar een hemelse grasspriet, Kusa genaamd.
De koningin liep meteen naar de koning en vertelde hem wat er gebeurd was. Ze liet hem ook het hemelse gras zien. De wijze koning twijfelde niet aan haar verhaal. Driekwart jaar later werd een zoon geboren. Zijn ouders noemde hem Kusa. Een tweede zoon werd geboren. Zijn naam was Jayampati. De jongens groeiden op en leerden alles wat koningszonen moeten weten. Voor Kusa was dat gemakkelijk. Toen hij oud genoeg was, wilde de koning plaats voor hem maken, maar zijn moeder wilde dat hij eerst zou trouwen. Zij vroeg het aan Kusa, maar hij dacht:" Welke mooie prinses wil nu zo'n lelijke man trouwen?" Hij trok daarom niet rond om een vrouw te zoeken. Toen vroeg de koning hem op reis te gaan. Kusa wilde zijn ouders geen verdriet doen. Hij liet de hofedelsmid komen en vroeg hem alles wat nodig was om een beeld te maken en ging aan het werk. Hij bleek ook nog een talentvolle beeldhouwer en zo maakte hij een beeld van een vrouw. "Als ik een vrouw vind, zoals dit beeld," zei hij tegen zijn moeder, "zal ik met haar trouwen."
De koningin liet het beeld in een koets rondrijden door het hele koninkrijk. "Als jullie een prinses vinden, die op het beeld van mijn zoon lijkt," zei ze tegen haar gezanten, "zeg dan tegen haar vader dat zij mag trouwen met mijn zoon." Iedereen keek vol bewondering naar het beeld. Het was zó mooi dat geen prinses aan haar kon tippen.
Uiteindelijk kwamen de gezanten in het naburig koninkrijk Madda, in de stad Sagala. De koning daar had zeven stralend mooie dochters. De oudste heette Prabhavati en zij was onbetwist de mooiste. Prahabvati had een gebochelde, zeer trouwe helpster. Toen dit meisje langs de weg water ging halen, keek ze toevallig in de koets en schrok. Daar zat haar meesteres doodstil, maar nee, het was een beeld. Ze vertelde de gezanten dat haar meesteres sprekend leek op het beeld. Ze gingen met haar mee naar het paleis en werden naar de koning gebracht. De koning wilde graag dat zijn dochter trouwde met de beroemde prins Kusa.
De gezanten keerden blij terug naar hun eigen koning Okkaka en koningin Silavati. Zij brachten een beleefdheidsbezoek aan hun komende schoondochter, maar toen Silavati zag hoe mooi het meisje was, dacht ze: "Hoe moet dat goed komen. Als dit mooie meisje mijn lelijke zoon ziet, zal ze terug willen rennen naar haar eigen huis! Ik moet een plan bedenken."
Ze zei tegen Prabhavati: "In onze familie bestaat de gewoonte dat een vrouw haar man niet mag zien tot ze zwanger is. Als je je daarin kunt vinden, mag je de edele prins trouwen." De prinses zei: "Ja, ik wil," en vertrok met haar aanstaande schoonouders naar Malla. Ze werd ontvangen met gejuich door de bewoners van haar nieuwe land. Ze vierden feest, want ze waren blij dat de koningszoon nu ging trouwen. Okkaka deed afstand van de troon en Kusa was de nieuwe koning. Niet lang daarna stierf zijn vader.
Het leven van Kusa en Prabhavati zag er vreemd uit. Ze zagen elkaar alleen 's nachts met hun handen, als blinden. Voor de zon opging moest Kusa de koninklijke slaapkamer verlaten. De koning en de koningin leefden in verschillende vertrekken. Ook de koningin-moeder had haar eigen afdeling in het paleis.
Na enige weken wilden ze elkaar eindelijk wel eens zien met hun ogen en ze vroegen herhaaldelijk toestemming aan de koningin-moeder. Eerst weigerde zij, maar tenslotte gaf ze toe. Ze nam Prabhavati mee naar de olifantenstal. Aan Kusa had ze gevraagd daar verborgen te staan als olifantenbewaker. En ja, hij zag het: ze was beeldschoon. Een tweede keer stond hij in de paardenstal en hij keek vol bewondering naar zijn prachtige vrouw.
Nu was het Prabhavati's beurt, maar dat was moeilijker. De koning-moeder had het volgende bedacht: "Je kunt mijn zoon morgen zien, als hij een processie leidt door de stad." Ze vroeg prins Jayampati een koninklijk kleed aan te trekken en bovenop een olifant langs het paleis te komen. Toen Prahabvati uit het raam keek, was ze opgetogen over het knappe uiterlijk van de man die haar echtgenoot was, tenminste, dat dacht ze. Niemand had voorzien dat Kusa, verkleed als olifantenbewaker achter zijn broer zat. Toen hij Prabhavati achter het raam zag staan, kon hij het niet laten naar haar te zwaaien. Prabhavati was woedend toen ze die lelijke man zo brutaal naar haar zag wuiven. Ze klaagde tegen de koning-moeder, die naast haar stond, maar ze vroeg zichzelf tegelijk af: "Die olifantenbewaker is een zelfbewuste figuur. Hij heeft geen respect voor de koning. Zou hij soms koning Kusa zelf zijn?"
Daarom gaf ze haar gebochelde bediende opdracht uit te zoeken wie nu eigenlijk de koning was: de voorste of de achterste man. "Hoe kan ik dat te weten komen?" vroeg het meisje. "Heel eenvoudig. De koning zal het eerst afstijgen." En zo gebeurde.
De bediende vertelde wat ze had gezien. Prabhavati ging meteen naar de vertrekken van haar schoonmoeder. Ze was woedend. "U hebt me bedrogen! Ik wil niets te maken hebben met zo'n lelijke, stiekeme echtgenoot." Ze riep de gezanten en zei: "Maak mijn koets klaar. Vandaag nog ga ik terug naar mijn vader." De gezanten verklapten dit aan de koning, maar deze dacht na: "Als ik haar tegenhoud, zal haar hart breken. Als ze weg wil, laat haar gaan." En daar ging ze.
Als Kusa naar zijn paleis ging, dacht hij steeds aan haar. Hij zei tegen zijn moeder: "Ik ga Prabhavati terughalen. U moet nu het koninkrijk besturen." Zijn moeder antwoordde: "Je moet geen koninkrijk opgeven voor een vrouw. Je zou geduld moeten oefenen en niet toegeven aan je verlangen naar haar." Maar Kusa was vastbesloten. Niemand kon hem tegenhouden.
Na een tijd bereikte hij de stad Sagala. Hij rustte uit, haalde zijn fluit tevoorschijn en begon te spelen. De muziek klonk door de hele stad. Toen Prabhavati de melodie hoorde, begreep ze meteen dat die van Kusa kwam. De koning hoorde het ook en liet de vreemde fluitspeler komen. "Je speelt prachtig" zei hij. "Je moet mijn hofmuzikant worden." Maar Kusa dacht: "Nee, dan zie ik Prabhavita niet." Ook in dat land waren er aparte mannen- en vrouwenvertrekken.
Kusa besloot pottenbakker te worden. Eén van zijn kruiken had de vorm van Prahabvati met haar gebochelde bediende. De koning was onder de indruk en stuurde het kunstwerk naar zijn dochter, maar zij begreep wie het gemaakt had en zette het opzij. Kusa ging manden vlechten. Alweer maakte hij een meesterwerk: een Prabhavati van bamboe. De koning gaf de mand aan zijn dochter en zij keek er niet naar om. Kusa kwam iets dichterbij zijn vrouw toen hij paleistuinier werd, maar zelfs de prachtigste bloemstukken konden haar niet veroveren. Toen besloot Kusa als kok op te treden. Zijn schotels met eten waren zó verrukkelijk dat de koning hem liet koken voor zijn dochters. Hij moest de schotels ook naar hen toe brengen. "Ah," dacht Kusa, "nu zal ik eindelijk mijn vrouw weer zien." Maar nee. Toen zij zag, dat hij de trap opkwam met het heerlijke eten, dacht zij: "Als ik hem ontvang, denkt hij dat ik me met hem zal verzoenen. Als ik de deur open, kijkt hij naar me. Als ik hem uitscheld, verdwijnt hij misschien. Wie weet, grijpt hij me, als ik de deur opendoe." Daarom sloot zij de deur en liet de gebochelde het eten ophalen. Toen verwisselde zij het eten dat voor de bediende bedoeld was met het hare en waarschuwde het meisje dat zij de koning niets mocht zeggen.
Enkele dagen later, toen Kusa naar boven ging met een zwaar blad vol eten, struikelde hij en viel. Het deed erg pijn. Toen Prabhavati het gekreun hoorde, opende zij haar deur en toen ze hem in elkaar gedoken zag onder het blad met eten, zei ze tegen zichzelf: "Zie toch de grote koning Kusa. Om mij lijdt hij pijn, dag en nacht." Toch gaf ze niet toe. Toen ze zag dat hij nog leefde en ademde, ging ze terug naar haar kamer. Kusa zag nauwelijks een glimp van zijn vrouw, maar hij was er nu zeker van: zij verafschuwde hem.
Ondertussen was het koninkrijk Malla in gevaar. De koning kreeg bericht dat zes prinsen van naburige koninkrijken van plan waren om de stad Sagala binnen te vallen. Ieder van de prinsen wilde de mooie Prahabvita veroveren. Zij werd immers niet meer beschermd door haar echtgenoot, de moedige koning Kusa.
De koning overlegde met zijn vrouw, die op haar beurt praatte met haar oudste dochter: "Was Kusa maar hier. Hij zou de prinsen verslaan en ons allemaal redden." Prabhavati had geen keus meer. Ze vertelde haar moeder wie de muzikant, de pottenbakker, de mandenvlechter, de tuinier en de kok was. Ze opende het raam en wees hem aan: de man in smerige kleren die de potten en pannen afwaste.
De koningin vertelde alles aan haar man, die onmiddellijk naar Kusa ging en hem vergeving vroeg omdat hij hem niet had herkend. Kusa zei dat het kwam door zijn verschillende rollen.
Prabhavati begreep haar dwaasheid. Al die tijd dacht ze alleen maar aan Kusa's uiterlijk en niet aan al zijn talenten en wijsheid. "Hoe kon ik zo blind zijn voor zijn werkelijke schoonheid?" Ze ging snel naar haar echtgenoot, viel voor zijn voeten, smeekte om vergeving en beloofde hem nooit meer te beledigen. Kusa was blij. Hij dankte de Heer van de hemel.
Toen hoorde hij van de vijandige prinsen. Hij verzekerde haar dat hij ze zou verslaan, ging het paleis binnen en trok koningskleren aan. Hij besteeg een olifant en stormde op de vijand af. Het duurde niet lang of de prinsen lagen op hun knieën. Kusa doodde ze niet. Hij liet ze trouwen met de jongere zusters. Zo werden ze verbonden aan het koninkrijk. Madda.
Koning Kusa en koningin Prabhavati keerden terug naar Malla en ze werden feestelijk binnengehaald door hun enthousiaste onderdanen.
Er zaten drie baby's in een buik. De ene vraagt aan de ander: Wat zou jij later willen worden? Waarop de ander antwoord: Brandweerman, want dan kan ik levens redden van mensen! Vraagt de ander aan die ene: Wat wil jij dan worden? Antwoord: Politie, dan kan ik ook levens redden van mensen! Vraagt de ene aan de 3de: En? Wat wil jij later worden??? Antwoord de 3de: Houthakker, als dat ding nog 1 keer naar binnen komt hak ik hem eraf!
"Zeg, weet je, als ik mijn Peter pijp, heeft hij altijd koude ballen." "Dat is grappig", zegt de tweede, "als ik dat bij mijn Dirk doe, is dat ook zo." "En jij", vragen ze aan de derde, "heeft jou Jeremy dat ook als je hem pijpt?"
"Euh, weet je dat ik dat nooit gedurft heb." "Oh jee meisje toch, jij bent niet goed wijs zeker? Als je dat niet doet, gaat hij het misschien wel bij een ander zoeken en dan enz enz..."
Zo gezegd zo gedaan, 's avonds verwent ze haar Jeremy eens goed door hem te pijpen. De volgende dag komt ze aan met een blauw oog.
"Ja", zegt ze, "ben ik hem aan het pijpen en in ene keer wordt hij kwaad en geeft hij me een knal op me oog." "Die is zeker gek geworden, waarom doet die nou zoiets?" "Ja weet ik het, ik zei hem nog, hey das gaaf, jouw ballen zijn warm wanneer ik je pijp, en die van Peter en Dirk niet."
Er was eens een hele rijke koning, en die had drie dochters, en die gingen elke dag wandelen in de tuin van het paleis; en nu hield de koning toch altijd zoveel van alle mooie bomen, en van één boom hield hij zoveel dat hij iemand die daar maar één appeltje van plukte, honderd vadem diep onder de aarde wenste.
En toen het herfst was, toen werden al die appels aan die ene boom allemaal zo rood, zo rood als bloed. De drie dochters gingen elke dag onder die boom om te kijken of de wind soms niet een appel had afgewaaid, maar ze vonden er van hun leven geen een en de boom zat zó vol, dat hij scheen te bezwijken en de takken hingen tot op de grond.
Toen kreeg de jongste prinses er zo'n geweldige zin in, en ze zei tegen haar zusters: "Onze pa," zei ze, "die houdt veel te veel van ons dan dat hij ons iets kwaads zou wensen: ik geloof dat hij dat alleen maar gezegd heeft met het oog op vreemden." En meteen plukte het kind een hele dikke appel af en ze sprong naar haar zusters en zei: "O proef nu eens, lieve zusjes, nu heb ik toch van mijn leven niet zoiets lekkers geproefd!" En toen beten de twee andere prinsessen ook eens in de appel, en toen zonken ze alle drie diep onder de grond, en er kraaide geen haan naar.
En toen het middag werd, wou de koning hen aan tafel roepen en toen waren ze nergens te vinden: hij zocht ze overal, in 't kasteel en in de tuin, maar hij kon ze niet vinden. Toen werd hij zo bedroefd en hij liet het in 't hele land omroepen en wie hem zijn dochters terugbracht, zou er één tot vrouw krijgen.
Toen gingen er heel veel jongelui de velden over om te zoeken, het was ongelooflijk zoveel als er zochten, want iedereen had die drie meisjes graag gemogen, ze waren altijd vriendelijk geweest tegen iedereen en ze hadden zulke lieve gezichten.
Zo gingen er ook drie jonge jagers op uit, en toen ze wel een dag of acht hadden gereisd, toen kwamen ze bij een groot slot. Er waren toch zulke mooie kamers in dat slot, en in een kamer was een tafel gedekt en daar stond zulk lekker eten en dat was nog zo warm dat het dampte, maar in het hele slot was toch geen mens te horen of te zien. En toen wachtten ze nog een halve dag, en de gerechten bleven aldoor warm en dampten steeds, tot op 't laatst - toen werden ze zo hongerig dat ze aan tafel gingen zitten en alles aten, en ze beslisten onderling, dat ze op 't slot wilden blijven wonen en ze wilden daarom loten, wie er in het huis bleef, terwijl de twee anderen de dochters zochten; en zo gezegd zo gedaan en het lot viel op de oudste.
De volgende dag gingen de beide jongsten zoeken en de oudste moest thuis blijven. 's Middags kwam er zo'n klein, klein manneke en dat bedelde om een stukje brood, en toen nam hij het brood dat hij gevonden had, en hij sneed een stuk af en rondom sneed hij wat weg en dat wou hij hem geven en terwijl hij 't hem aangeeft, laat het kleine mannetje 't vallen en zei of hij alsjeblieft zo goed zou willen zijn en het hem teruggeven. En dat wilde hij doen ook en hij bukte zich en daar neemt het mannetje een stok en hij pakt 'm bij zijn haar en geeft hem slagen.
De volgende dag bleef de tweede thuis, hem ging het niet beter. Toen de twee anderen 's avonds thuiskwamen, toen zei de oudste: "Nou, en hoe is het je gegaan?"
"O, heel slecht." En ze klaagden elkaar hun nood, maar ze hadden aan de jongste nog niets gezegd, want daar hielden ze helemaal niet van, en ze hadden 'm altijd domme Hans genoemd, omdat hij niet altijd even slim was.
Maar de derde dag bleef de jongste thuis, en toen kwam dat manneke weer en bedelde weer om brood, en toen hij het hem gegeven had, liet hij het weer vallen en zei, of hij zo goed wou zijn en hem het stukje nog eens aangeven. En dan zegt de jongste tegen dat manneke: "Wat!" zegt-ie, "kun je dat stukje brood niet zelf oprapen, als je je voor je dagelijkse eten geeneens moeite wilt geven, dan ben je niet waard dat je eet."
En toen werd dat manneke zo boos en zei: hij moest het toch doen; maar hij, niet bang, pakte het lieve manneke beet en sloeg er eens behoorlijk op los. Toen schreeuwde het mannetje hard en riep: "Hou op! hou op! laat me leven - dan zal ik je ook zeggen waar de prinsessen zijn!" Zodra de jongen dat hoorde, hield hij op met slaan, en 't mannetje vertelde dat-ie 'n aardmannetje was, en er waren er meer dan duizend van zijn slag, en hij moest maar 's mee naar beneden gaan en dan zou hij hem wel wijzen, waar de prinsessen waren.
En toen wees hij onder in een diepe put, maar daar zat geen water in. En het mannetje zei: hij wist wel dat de anderen het niet zo goed met hem meenden, en als hij de prinsessen wou verlossen dan wou hij het alleen doen. De twee andere broers wilden de prinsessen ook wel heel graag vinden, maar ze hebben er geen moeite en geen gevaar voor over; maar hij moest dan een grote mand nemen, en hij moest erin gaan zitten met een hartsvanger en een bel, en dan moest hij zich naar beneden laten zakken; beneden waren drie kamers en in elk van de kamers zat een prinses, en ze waren ieder bezig met 'n draak met veel koppen, en ze moesten al die koppen luizen; en dan moest hij al die koppen afslaan. En toen het aardmannetje dat allemaal gezegd had - weg was hij.
Het werd avond en de twee anderen kwamen thuis en vroegen hem hoe hij 't gehad had, en toen zei hij: "O voorlopig wel goed," en hij had geen mens gezien, alleen 's middags, toen was d'r zo'n klein mannetje gekomen, en die had om brood gevraagd, en toen hij 'm dat gegeven had, had 't ventje 't brood laten vallen, en toen had hij gezegd dat hij het weer op moest rapen, en dat had hij toen niet gedaan, en toen was hij gaan pochen, maar dat had hij toen maar niet begrepen en hem flink op z'n kop gegeven, en toen had hij 'm nog verteld waar de prinsessen waren.
Toen ergerden de twee anderen zich dat ze geel en groen werden van nijd. En de volgende morgen gingen ze alle drie naar de put en lootten erom wie zich 't eerst in de mand naar beneden zou laten zakken en de oudste lootte 't eerst en moest in de mand gaan en de bel meenemen. Toen zei hij: "Als ik bel, moeten jullie me meteen weer ophalen."
Hij was een eindje naar beneden en toen ging de bel, en ze wonden hem weer omhoog; en de tweede ging erin zitten en die deed net zo, maar toen kwam de beurt ook aan de jongste, maar die liet zich helemaal naar beneden afrollen. Daar klom hij de mand uit, nam zijn hartsvanger en hij ging voor de eerste deur staan luisteren en toen hoorde hij de draak heel hard snurken.
Hij deed de deur langzaam open, daar zat de ene prinses en ze had op haar schoot negen drakenkoppen. En hij nam z'n hartsvanger en sloeg toe en toen waren de negen koppen eraf. De prinses sprong op en viel hem om de hals en trok hem naar zich toe en kuste hem en ze nam haar halssieraad van zuiver goud, en hing hem dat om.
Toen ging hij ook naar de tweede prinses, die had een draak met zeven koppen, en die verloste hij ook, en tenslotte de jongste, die had er één met vier koppen, en daar ging hij ook heen. En daar waren ze allemaal zo blij en omhelsden en kusten hem zonder ophouden. En toen belde hij zo hard, dat ze 't boven hoorden.
Hij zette alle prinsessen, één-voor-één, in de mand en liet hen allemaal omhoog winden, en nu de beurt aan hemzelf kwam, viel hem in, wat de woorden van 't aardmannetje waren geweest, die zei dat zijn maats het niet goed met hem meenden. Toen nam hij een grote steen die daar lag, legde die in de mand, en toen de mand zowat halverwege was, sneden de valse broers boven het touw door, zodat de mand met de steen op de grond viel en zij dachten dat hij dood was. En ze liepen met de prinsessen weg en lieten de prinsessen beloven om aan hun vader te zeggen, dat zij tweeën het waren die hen hadden verlost, daar kwamen ze bij de koning en wilden hen als vrouw.
Intussen ging die jongste jager heel verslagen door die drie kamers op en neer, denkend dat hij nu maar sterven moest; maar toen zag hij aan de wand een blokfluit hangen en hij dacht: "Wat doet dat ding hier, hier kan toch niemand vrolijk zijn?" En hij bekeek alle drakenkoppen en zei: "Jullie kunnen me ook niet helpen!" Hij liep zo dikwijls op en neer, dat de grond onder zijn voeten helemaal glad werd. Op het laatst kreeg hij andere gedachten, en hij nam de fluit van de wand en blies een deuntje, en opeens kwamen er zoveel aardmannetjes, bij elke toon die hij floot, kwam er nog één en toen blies hij zo lang tot de kamer propvol was. Ze vroegen allemaal wat er van zijn dienst was en hij zei: hij wou graag weer op aarde zijn en weer in het daglicht leven. Ze pakten hem allemaal beet, ieder aan 'n haar van z'n hoofd, en zo lieten ze hem omhoogvliegen tot op de aarde.
Toen hij boven was, ging hij meteen naar het paleis van de koning, waar juist precies de bruiloft met de ene prinses zou plaats hebben, en hij ging naar de kamer waar de koning was met zijn drie dochters. Toen die kinderen hem zagen, werden ze allemaal beschaamd en gingen van hun stokje. De koning werd toen heel boos en liet hem meteen in het gevang zetten; omdat hij dacht dat hij zijn kinderen kwaad had gedaan. Maar toen de prinsessen weer tot zichzelf kwamen, smeekten ze hem, om de jongen los te laten. De koning vroeg waarom. Ze zeiden, dat ze dat niet durfden zeggen. Maar hij ging naar buiten en luisterde aan de deur en hoorde alles. En hij liet de twee oudsten allebei aan de galg hangen, maar aan hem gaf hij de jongste dochter: en toen trok ik een paar glazen schoenen aan, en toen stootte ik me aan een steen, en toen zei 't 'Krak!' en toen waren ze kapot!
het is al heel donker in het bos . marjon voelt de kriebels in haar buik . was ze nou maar niet op kamp gegaan . maar ja gelukkig is ze met ellie . marjon blik volgt om zich heen de volle maan lacht haar toe tenslotte is dat het enigste beetje licht . in een flits ziet marjon ogen in de struik . dan volgt er een schreeuw "ellie was jij dat ? als dit een grap is is die niet leuk !!! ellie ? ben je daar ?" marjon roept het heel hard maar het heeft geen zin. als ze haar armen om haar heen slaat voelt ze niks . langzaam dringt het haar tot haar door : ellie schreeuwde en die ogen er is iemand hier maar wie ??? marjon huivert van die gedachte . dan hoort marjon voetstappen en een grom volgt . de gele ogen in de struik kijken haar strak aan . als marjon duidelijk een schim ziet gilt ze . "help" maar een antwoord volgt niet alleen die akelige stilte .
dit is nog niet af maar als jij een vervolg weet maak het dan ! dit is door mij geschreven en iedereen vind dat bijzonder want ik ben 10 jaar dit is echt zo ik lieg niet dus er kunnen fouten in staan . rootje
Jantje vraagt aan zijn juf, mag ik bij u slapen? Natuurlijk mag dat Jantje. 's Avonds gaan ze in bad, en de juf zegt niet onderwater kijken. En Jantje kijkt onderwater en vraagt: he juf: wat is die spleet onder water???? Dat is mijn oerwoud (vagina) Jantje. En snel daarna kijkt de juf onderwater, wat is dat Jantje: die slurf???? Dat is mijn tinkie winky.(piemel) En jantje doet nog een poging om onder water te kijken maar de juf houdt Jantje tegen. En hij vroeg: juf wat zijn die groote bobbels (tieten) op je lijf?? Dat zijn mijn kop lampen. En een uur later gaan ze naar bed.
Midden in de nacht roept Jantje in een keer heel hard,: juf juf zet je koplampen aan me tinkie winky is verdwaald in het oerwoud!!!!!!!!!
'Wat doen jullie daar!', blaft de echtgenoot die zijn vrouw samen met haar minnaar in bed aantreft. 'Wat heb ik je gezegd', fluistert de vrouw haar minnaar toe. 'Hij is nog zo groen als gras.'
Kip ging naar haar huis, zij wist dat haan straks thuis zou komen. Ze had niet verteld dat zij over een tijdje kuikens zou krijgen. Ze wilde het nog even geheim houden.Ze eitjes kwamen over een dag eruit. Daar kwam haan aangelopen. Hopelijk heeft haan het niet door dat zij dikker is dan normaal en dat ze naar de dokter Konijn was geweest om te vragen om te controleren of dat alles goed was met haar kuikentjes Dr. Konijn had gezegd dat ze drie kuikentjes kreeg. Kip ging lekker op de bank tv kijken met een zakje mais op haar schoot. "Hoi", zei haan. "Hallo", zei Kip. Intussen dat kip dacht dat Haan het niet wist dat ze kuikens kreeg had Haan tegen iedereen gezegd dat ze niks mochten zeggen dat hun het wisten. Haan had van alles geregeld. Kuiken kleertjes enzovoort.
dag Later
Kip had nog steeds niks gezegd dat ze kuikens kreeg. de eitjes waren net eruit gefloepd.Als haan dan aan het werken was en terugkwam dan verborg Kip de eitjes. Kip ging er meteen op broeden. " Zo nu nog heel even verbergen in een mandje en dan na een maand zijn ze uit het ei", zei Kip.
maand later
Haan ging naar zijn werk en wist dat ze vandaag uit zouden komen omdat hij diezelfde dag de eitjes had zien liggen en nu wist hij precies wanneer ze uitkwamen. natuurlijk ging hij niet naar zijn werk maar ging hij naar muis toe. Ze hadden een taart. kleertjes een wiegje waar drie kuikentjes inkonden. Haan kom precies zien wanneer de kuikens werden geboren omdat hij een webcam had geplaatst. En ja hoor na 3 uurtjes zag hij 3 kuikens op het computerbeeldscherm. Snel rende alle dieren inclusief haan naar de deur. "Klop Klop". Kip deed de deur open en schrok. Iedereen had een feestmuts op en liepen met een taart en beschuit met maiskorrels. "gefeliciteerd", riep iedereen. Kip was heel erg blij. "Wat een verrassing maar hoe wisten jullie dat weet jij er meer van Haan?". "Ja ik was iets vergeten om mee te nemen wat ik nodig had voor mijn werk en toen zag ik jou net de deur uit lopen. Ik volgde en toen hoorde ik dat je drie kuikentjes zou krijgen." " Ik ben zo blij", zei Kip. "Wij allemaal", riepen alle dieren in koor. Het feest duurde tot laat in de avond. Zo blij waren alle dieren in het bos en daaromheen.
Banken praten niet Jantje en Marietje zitten stilletjes ergens in het park op een bankje. Na een tijdje zegt Marietje: "Jantje ik denk niet meer dat ik verder kan gaan met onze relatie. Ik heb gewoon het gevoel dat ik niet meer besta als ik bij je ben. Jantje, het is uit." Na een stilte van 5 minuten roep Jantje: "WAT! BANKEN HOREN NIET TE PRTEN!".
Ik keek in haar stralende ogen, reikte met mijn rechterhand naar haar hoofd, en veegde met mijn duim de waterdruppeltjes van haar wang. Ik kwam dicht tegen haar aan staan en gaf haar een kus. 'Ik heb vandaag veel aan je gedacht.' zei ik, terwijl ik mijn linkerhand op haar bil legde. 'Ik ook aan jou.' was het antwoord, en ze stak een hand in mijn achterzak. 'Ik heb trouwens een boxer van je geleend, schattig, die hartjes.' Mijn hart ging als een razende tekeer. Ik drukte haar stevig tegen me aan en heb haar sindsdien nooit meer losgelaten.
Op zijn minst zou je een 'plop' verwachten, maar er was niets. Ik zat vrolijk op mijn fiets en was op weg naar huis. Ik was plotseling op een andere plek en op een andere plaats, bezig met een totaal andere bezigheid. En niemand - mezelf incluis - viel het op.
De fietsrit kwam tot een einde daar ik mijn huis naderde. Voor de garagedeur stond een vrij grote zwarte volkswagen. Ik zette mijn fiets in de garage, opende de voordeur en met een fijn gevoel van thuiskomen betrad ik de hal. Vrolijk fluitend hing ik mijn jasje aan de kapstok en dumpte ik mijn tas eronder. Enigszins hongerig besloot ik gelijk maar te kijken wat er aan voedsel in huis was. Ik stapte de hoek om waar de huiskamer eindigde en de keuken begon, en zag twee pannen op het vuur staan waarvan de damp vrolijk de afzuigkap in dwarrelde. Ik keek om mij heen, bekeek de rest van de keuken en schrok. In mijn herinnering was ik hier nooit eerder geweest. Ook de garage, de hal en de huiskamer leken nu ik eraan terugdacht nieuw te zijn. Tóch was ik hier op de automatische piloot naar toe gefietst en tóch had ik mij geen moment onzeker gevoeld tot het moment dat ik de pan op het vuur zag staan. Terugdenkend aan de fietstocht die ik gemaakt had kon ik niet zeggen waar ik gefietst had, welke straten ik had doorkruist en zelfs niet waar ik vandaan was gekomen. Ik probeerde nog dieper in mijn herinneringen te graven maar het enige wat ik vond was dat gelukkige moment in de kroeg. Het enige dat ik wist was haar hand in mijn achterzak, de geur van haar haar en het ritme van haar ademhaling waardoor haar borsten met een prettige regelmaat tegen mijn borst werden gedrukt. Het moment dat ik Elise had losgelaten bestond niet in mijn hoofd. Wel de herinnering aan intens geluk, het kloppen van mijn hart, het bevochtigen van mijn op slag droge lippen en opeens, plotseling, vanuit het niets: ik vrolijk fluitend en fietsend in de namiddagzon.
Beduusd stond ik in het midden van de keuken, mijn ogen weer gefixeerd op de pannen op het vuur. Met een hand reikte ik naar mijn hoofd waar ik krampachtig tijd en ruimte probeerde te herconstrueren. Het bleek een vergeefse poging en met de andere hand steunde ik op het aanrecht. Na enige momenten herpakte ik mij en begaf me weer naar de hal, waar ik een spiegel had zien hangen. Ik haalde diep adem, rechtte mijn rug en bekeek mijn voorkomen in de spiegel. Voor mij zag ik een jongeman van een jaar of dertig, gestoken in een mooie pantalon en een effen overhemd afgemaakt met een rustige stropdas. Mijn kapsel was vrijwel hetzelfde als ik het altijd had en mijn blauwe ogen tinkelden nog vol levenslust. Mijn ogen verwijdden zich toen achter mijn beeltenis in de spiegel een vrouw de trap afdwaalde en via de spiegel in mijn ogen keek. Haar stralende ogen deden mijn hartslag omhoog schieten. Haar blik scheen me vertrouwd en warm toe en pure liefde denderde als een sneltrein door mijn bloedvaten. Ze bracht een vrolijk giecheltje ten gehore en terwijl ze haar wenkbrauwen een weinig optrok zei ze vrolijk: 'Hoi schat.' Abrupt draaide ik mij om en nam haar in mijn armen. 'Elise,' fluisterde ik, terwijl ik het moment uit de kroeg herbeleefde, 'ik hou van je.' Ze maakte zich los uit mijn armen en duwde met haar wijsvinger even op het puntje van mijn neus. 'Ik ook van jou, maar nú ga ik even naar het eten kijken.' 'Kan ik helpen?' vroeg ik terwijl ik achter haar aan liep richting de keuken omdat ik zo dicht mogelijk bij haar wilde blijven. 'Nee dat is niet nodig,' ze tilde een deksel op, een wolkje stoom steeg op en werd verslonden door de afzuiger, 'jij mag morgen weer.' 'Oké, dan ga ik even me spullen boven leggen!' 'Is goed,' sprak ze terwijl ik alvast richting de trap liep, 'zeg dan ook gelijk tegen Robin dat we over vijf minuten gaan eten.' Ik kwam tot een onmiddelijke stop. Een moment stond ik stil, maar daarna vervolgde ik mijn weg des te sneller. In mijn haast struikelde ik over de laatste trede van de trap en viel ik languit de overloop op. Ik bleef liggen om tot mezelf te komen. Ik snoof de geur van het tapijt op en verbaasde mij over het feit dat dit zo vertrouwd rook, alsof elke dag hier mijn neus op het tapijt lag. Een geluidje trok mijn aandacht. Ik verlegde mijn blik van het rode tapijt naar daar waar het geluid vandaan scheen te komen. Een klein kereltje keek met een verbaasde blik op mij neer. Een jochie van een jaar of vijf met een blond koppie en blauwe ogen. Ik keek hem met een vertederde glimlach aan. 'Robin, we gaan over vijf minuten eten.' 'Hmkay.' antwoordde het kereltje met bevestigende blik, om zich vervolgens om te draaien en weer terug te keren in de kamer waar hij een ogenblik eerder uit was gekomen. Ik legde mijn hoofd weer ten ruste op het tapijt en al ruikende aan het tapijt overdacht ik mijn situatie en vooral wat ik er mee zou doen.
Het ultieme burgerlijke geluk was mij ten deel gevallen. Zonder te hoeven leren, zonder te moeten bikkelen, job-hoppen en anderszins carrièreplannen had ik een redelijke baan weten te bemachtigen, getuige het huis, de auto en de breedbeeldtelevisie. Bovendien had ik een leuke vrouw, een schattig zoontje en allemaal leken we zo gezond als een vis te zijn. Alle ingrediënten om gelukkig te zijn waren aanwezig, het enige dat ontbrak was voldoening. De voldoening van het rusten na het harde werken. Vruchten plukken van je eigen oogst is fijner dan ze te kopen in de dichtstbijzijnde supermarkt. Moest ik het Elise zeggen? Was het tijd om professionele hulp te gaan zoeken? Of moest ik mijn verlies van ruimte en tijd vóór me houden en doorleven op de automatische piloot, genietend van mijn kunstmatige - en voor mijn gevoel onrechtmatig verkregen - geluk? Zou ik dat kunnen?
'plop'
Ik deed een poging om haar te zoenen, maar ze draaide haar gezicht weg en het enige waar mijn tong mee in aanraking kwam was haar wang die nog vochtig was van de regen. Ze probeerde zich uit mijn omhelzing te wurmen, dus greep ik haar des te steviger vast. Ze was van mij. En ze hield van mij, alleen besefte ze het zelf nog niet. Ik had het onze toekomst mogen aanschouwen en die zag er rooskleurig uit. Nooit zou ik haar laten gaan en mijn kans op het ultieme geluk laten schieten. Eindelijk begon Elise een beetje bij te draaien. Ze pakte me nu ook stevig vast en woelde stevig door mijn haar. Ze beet me verleidelijk in mijn nek en trok bijna mijn haardos uit mijn hoofd. Ik opende een moment mijn ogen en zag de uitsmijter zich een weg door de mensenmassa heen banen richting de plek waar wij ons bevonden. Met een simpel hoofdgebaar probeerde ik hem duidelijk maken dat alles met mij oké was. Ik was gevleid door het feit dat hij zo op me lette, hij moest gedacht hebben dat onze hartstochtelijke omhelzing een aanval van haar op mij was en dat het tijd werd om in te grijpen. Een goede vent, dat was het zeker. Plotsklaps zag ik een vuist mijn kant op razen. Ik voelde geen klap toen ik geraakt werd; ik hoorde slechts een simpele 'plop' voordat alles zwart werd.
Een vrouw ligt te vrijen met de beste vriend van haar man. Opeens gaat de telefoon, de vrouw heeft een kort gesprek. De vriend vraagt: "Wie was dat?" Zegt de vrouw: "Ach, dat was mijn man, maar maak je maar geen zorgen, want hij is aan het kaarten met jou."
er was eens een lief klein konijntje dat elsje heete. Hij woonde samen met zijn ouders en zusje in het bos. op een dag toen elsje groot genoeg was mocht hij met vader mee het bos in. daar deden ze eten zoeken hout hakken en ga zo maar door. het word al bijna winter zegt zusje tegen haar moeder. Ja zusje dat klopt, daarom zijn papa en elsje nu ook aan het werken. over een maand gaat het vriezen en misschien wel sneeuwen. dan moeten we de hele winter in ons hol blijven. strakjes na het ontbijt gaan wij het huis vast schoonmaken. oke mama zegt zusje. als het donker begind te worden zijn vader en elsje nog niet thuisgekomen. moeder zit te wachten met het eten, maar geen vader en geen elsje te zien. ondertussen in het bos is het zo donker geworden dat elsje en vader niet meer weten waar ze zijn. papa ik ben zo bang zegt elsje. stil maar zoon we vinden de weg wel terug. wat zullen mama en zusje bezorgd zijn. opeens horen ze gefluit. ze zijn aan het zoeken maar kunnen niks zien. het gefluit word luider en luider, het komt steeds dichterbij. dan opeens zien ze een vuurvliegje. papa en elsje roepen hard vuurvlieg vuurvliege wijst u ons de weg. waarop het vuurvliege andwoord. natuurlijk loop maar achter mij aan! naar een half uurtje lopen komen ze dan eindelijk thuis aan, zusje en mama staan al buiten. zo daar zijn jullie eindelijk roept mama. ja het was zo dinker in het bos mama zegt elsje we konden niks meer zien. maar toen kwamen we een vuurvliege tegen en die heeft ons thuisgebracht. gelukkig maar zegt mama. wij waren al ongerust. het eten staat op tafel te wahten jongens. ze bedanken het vuurvliege en gaan naar binnen toe.
Een kater, Rodilardus heette hij, was zeer berucht. Hem kon geen rat meer zien of die sloeg voor hem op de vlucht. Hij had er zoveel koud gemaakt, De kop en poten afgekraakt, Dat zij die overleefden bleven beven in hun hol. Zij hadden niet veel eten, waren van de honger dol. Voor hen was Rodilardus niet zo maar een nare kater. Nee, voor dit arme rattenvolk was hij zowaar een sater! Toen kwam de tijd dat hij hoog en ver over daken liep En krols miauwend lief naar een van zijn vriendinnen riep. Terwijl hij heel het weekend lang zijn dame bleef versieren, Hielden de ratten de synode der bedreigde dieren. Althans, wat ervan overbleef kwam samen in een hoek. De deken van de ratten zei: "Wij zijn misschien niet kloek, Maar slim; dus moeten wij de kater straks de bel aanbinden. Zo kunnen wij als hij op jacht gaat snel een schuilplaats vinden." Een ieder vond: "De deken is geniaal, hij weet het wel. Maar het probleem is: wie van ons bevestigt deze bel?" De ene zei: "Mij niet gezien, ik ga er niet naar toe." De andere: "Ik durf niet meer, ik ben te traag en moe." Zo kropen zij weer in hun hol en werd er niets gedaan.
Zo heb ik menige synode ook uiteen zien gaan, Synoden niet van ratten, maar van herders van de kerk, van monseigneurs, en ook daar is de vraag: "Wie doet het werk?"
Waartoe dient goede raad? Het hof heeft raadgevers met hopen. Maar mannen van de daad, Die zie je echt zo dik niet lopen.
Er staat een vrouw bij een bushalte, met een kat op haar arm. Er komt een man voorbij en die vraagt: "Mag ik je poesje aaien?" Die vrouw zegt: "Ja hoor, moet je wel even mijn kat vast houden."
Contact?! een jongen van 25 jaar is het na al die jaren wel zat: hij heeft nog nooit een vriendin gehad. hij besluit een contact-advertentie te plaatsen. hij stapt het kantoor binnen van de krant en zegt: "ik wil een contact-advertentie plaatsen." "dat kan", zegt de vrouw achter de balie,"welke tekst?" de jongen zegt: "spontane jongeman , 25 jaar zoekt leuke spontane meid van dezelfde leeftijd."de dame noteert de tekst en vraagt vervolgens: "moet ie er vandaag nog in?" "nou eh graag, maar ik weet niet of dat wel zo slim is om er bij te zetten."
Een aboriginal mythe over het ontstaan van de maan
Aan het begin van de wereld kwamen er twee mannen van de Goulburneilanden en de zoutwaterkust. De een heette Maan. De ander werd Djabu genoemd, net als de kleine gestippelde boskat. Onderweg gaven zij namen aan sommige plekken en ze aten cassaveknollen, kangoeroes en kleine dieren. Bij Coopers Creek vingen ze een hoop vis en verderop vulden ze hun lange manden met ganzeneieren. Overal waar ze langskwamen, maakten ze de planten en het landschap. Toen ze naar het zuiden gingen, kwamen ze langs de rode-lelievijver. Ze trokken een voor een hun snorharen uit en plantten die naast het water. Meteen schoten er bamboestengels uit de grond, die we daar nu nog kunnen zien groeien. Bij Jimjim maakten ze een groot meer, waarin het rivierwater uitstroomt als in de zee. "Dit meer is heilig," zeiden ze. "Daarom mag niemand erin zwemmen, zijn netten erin uitzetten of een vishaak in het water leggen."
Vele dagen trokken Maan en Djabu door het zand van de woestijn. Tenslotte vonden ze op de rotsen een goede plek om hun kamp op te slaan. Er was ruimschoots voedsel voorhanden. Om de beurt gingen zij op jacht en naast hun kamp groeide een grote berg afgeknaagde kangoeroebotten. Bovendien waren ze rijk. Ze vlochten een hoop grote en kleine buideltassen, haarbanden en hoofdbanden, ze maakten boemerangs en stokjes met veren. Soms hielden zij een ceremonie en dan kwamen alle mensen dansen en zingen. Omdat ze zoveel hadden om te ruilen, dreven de twee mannen handel met deze bezoekers.
Maan en Djabu leefden een tijdje heel gelukkig op die plek. Toen kwam er een vreselijke ziekte in het land, die hen helemaal verzwakte. Van jagen kwam niets meer. Ze konden alleen nog eten wat er over was gebleven. Ze huilden samen en dachten aan hun familie.
"We gaan hier sterven, ver van huis," zeiden ze, "ver weg van onze moeders en vaders en grootouders. We hebben ze allemaal verlaten. En als we doodgaan, wie moet ze dat dan vertellen?"
Ze gooiden zoetgeurige bladeren op het vuur en probeerden zichzelf met de stoom van die bladeren beter te maken.
"Als we allebei doodgaan," zeiden ze tegen elkaar, "dan zal hier niemand meer komen wonen."
Djabu stierf eerst, maar Maan bleef in leven, want hij was een slimme man en hij had veel kracht. Hij probeerde Djabu weer tot leven te wekken, maar dat lukte hem niet. Dat was Djabu's eigen schuld, want hij geloofde Maan niet. Daarom kon Maan hem niet helpen en zijn macht niet gebruiken om Djabu weer tot leven te brengen. Hij lag daar maar en was behoorlijk dood.
Tenslotte werd Maan het zat om te blijven proberen om Djabu weer levend te maken. "Oké," zei hij, "als ïk doodga, zal mijn lichaam wel weer levend worden. Ik kom terug met een nieuw lichaam, want ik ben een slimme man."
Maar Djabu's lichaam was voor altijd dood. Alleen zijn geest bleef levend.
Wat Maan zei was waar. Nadat hij stierf, keken de mensen omhoog naar de lucht en zagen hem daar als herboren omhoogklimmen. Alle mannen en vrouwen en kinderen riepen zijn naam, blij hem te zien. "O," riepen ze uit, "daar heb je die slimme Maan! We zagen hoe hij doodging en nu is hij weer teruggekomen!"
We hadden allemaal hetzelfde kunnen doen als Maan. Als we sterven, kan ons lichaam na drie dagen opstaan. Maar Djabu heeft dat verhinderd, toen hij niet geloofde dat Maan de macht had om hem weer tot leven te wekken. Dus nu, als wij doodgaan, worden we gewoon begraven. Onze geest blijft leven, maar ons lichaam kan niet terugkomen. En dat komt allemaal door Djabu.
Er was eens, en er was eens niet. Er lagen lelies en basilicum in de schoot van de profeet, die ik príjs en groet. O gij, die mijn verhaal aanhoort, het is vermakelijk en onderhoudend.
Een muzikant was in het huwelijk getreden. En al spoedig werd zijn vrouw zwanger. De muzìkant had echter geen geld, noch voor de.verzorging van zijn vrouw, noch voor de vroedvrouw. Dat deed hem veel verdriet, en hij dacht er lang over na wat hem te doen stond. Op een dag sprak hij tot zijn vrouw: "Ik ga vandaag uit bedelen en als ik twee dinar bij elkaar heb, bewaren wij er één voor de vroedvrouw en voor de andere dinar koop ik voor jou een kip, om een maal voor jezelf klaar te maken."
Hij liep door de velden en ontdekte een kip, die op een hoopje aarde zat. Toen hij haar optilde, vond hij een ei op de plaats waar de kip had gezeten. Hij stopte het dier in zijn ene zak en het ei in de andere en sprak tot zichzelf: "Ik zal deze kip naar mijn vrouw brengen, maar het ei verkoop ik onderweg voor een dinar, en daarmee betalen we dan de vroedvrouw."
Daar kwam een jood de weg afgelopen, en de muzikant vroeg hem: "Wil je dit ei van me kopen?" - "Heb je er veel van?" vroeg de jood op zijn beurt. De muzikant antwoordde: "Koop vandaag dit ene, en als mijn kip morgen weer een ei legt, breng ik het je." - "Goed," sprak de jood, "voor een halve dinar koop ik het ei van je."
"Moge Allah je vrijgevigheid vergroten," antwoordde de muzikant, en ze marchandeerden zo lang, tot ze het eens werden over één dinar. Toen sloten ze de handel en de jood gaf de muzikant de dinar. Hij liet zich het huis van de muzikant wijzen en beloofde iedere ochtend een ei te komen halen en telkens één dinar te betalen. De muzikant kocht voor zijn vrouw een kippebout. Toen hij thuiskwam, vertelde hij haar van de overeenkomst met de jood en waarschuwde haar: "Waag het niet deze kip te verkopen! Bij Allah, ik zal je naar de hel sturen!"
Van nu af aan kwam dagelijks de jood en kocht voor een dinar een ei. De muzikant en zijn gezin geraakten langzamerhand in grote welstand. Hij opende een zaak en werd een bekend koopman. Zijn vermogen groeide zo aanzienlijk, dat hij slaven en slavinnen kon kopen. Toen zijn zoon ouder werd, bouwde hij speciaal voor hem een school en nam daar de kinderen van de armen op, opdat ze leerden lezen en schrijven.
Tijdens de vastenmaand maakte de muzikant een pelgrimstocht naar Mekka. Vóór zijn reis had hij zijn vrouw vele malen op het hart gedrukt: "Denk eraan dat je de kip niet aan de jood verkoopt, de bron van onze rijkdom, en geef hem als altijd elke dag zijn ei."
Toen de jood de volgende dag kwam, vroeg hij de vrouw van de muzikant: "Als ik je een kist geld aanbied, verkoop je mij dan de kip?" Zij antwoordde: "Mijn man heeft mij verboden de kip te verkopen!" Daarop sprak de jood: "Wees niet bevreesd! Ik blijf hier in de stad en zal ervoor zorgen dat hij je er niet van langs geeft."
De volgende dag kwam hij met een kist geld, die de vrouw het water in de mond deed lopen; hij gaf haar de kist, pakte de kip, slachtte het dier en zei haar: "Hier, maak schoon en maak daarvan een maal voor me klaar. Maar ik waarschuw je, als er een stuk van de kip ontbreekt, maak ik de buik open van degene die het opgegeten heeft!"
De vrouw ging aan het werk om de kip klaar te maken. Toen 's middags de zoon van de muzikant uit school kwam, zag hij hoe zijn moeder de kip uit de braadpan nam. Hij vroeg haar om een stuk, maar zijn moeder antwoordde: "Zwijg, die kip is niet van ons!" De jongen nam stiekem de maag van de kip weg en at hem op. Toen gaf één van de slaven hem de raad: "Jonge meester, vlucht weg van hier, anders maakt de jood je buik open en haalt de kippemaag eruit." De jongen ging op zijn ezel zitten en reed weg.
's Avonds kwam de jood en liet de kip opdienen. Hij merkte onmiddellijk dat er iets ontbrak en vroeg: "Waar is de maag?" De vrouw van de muzikant vertelde hem: "Mijn zoon heeft hem zonder dat ik het wist weggenomen en opgegeten." - "Bij Allah," sprak de jood, "ik heb er mijn hele vermogen voor uitgegeven. Haal je zoon, dan maak ik zijn buik open en haal de maag eruit." De vrouw antwoordde hem dat hij gevlucht was, en de jood zette ogenblikkelijk de achtervolging in.
In elk dorp waar hij door reed, vroeg hij naar de zoon van de muzikant. En telkens kreeg hij hetzelfde antwoord: "Gisteren heeft hij hier nog gegeten." - "Hij heeft de afgelopen nacht hier doorgebracht." De jood gaf zijn paard de sporen en het duurde niet lang of daar ontwaarde hij de zoon van de muzikant. Hij reed op hem af en sprak: "Allah zij met je, o zoon van de muzikant. Wie gaf jou toestemming de maag van de kip op te eten? Ik heb daarvoor mijn vermogen uitgegeven en heb met je moeder afgesproken degene te doden die er ook maar één stuk van wegneemt. Kom, dan snijd ik je buik open en haal de kippemaag eruit. De zoon van de muzikant antwoordde: "Is het geen schande, dat je mij voor die kippemaag dat hele eind achtervolgt!" De jood pakte zijn mes uit zijn zak en liep op de jongen af. Die pakte hem met één hand vast, wierp hem op de grond, en doodde hem.
Nu gaat het verhaal verder over de zoon van de muzikant. Hij klom op het paard van de jood en reed door totdat hij bij een grote stad kwam. Daar zag hij het marmeren paleis van een koning, waar aan de toegangspoort 39 hoofden hingen. Hij vroeg de mensen wat dat te betekenen had en vernam dat de koning een dochter had die zo sterk was als een man; degene die haar in het gevecht zou kunnen verslaan, kreeg haar tot vrouw, maar degene die van haar verloor, werd onthoofd en zijn hoofd werd bij de ingang van het paleis opgehangen. Hij vernam ook dat tot nu toe alle 39 jongelingen door de prinses waren verslagen.
De zoon van de muzikant liet zich bij de koning aandienen en toen hij bij hem werd toegelaten, sprak hij tot hem: "Moge Allah u voor ons behouden, o koning! Sta mij toe met uw dochter te strijden, om mijn krachten met de hare te meten."
De koning antwoordde: "Ga weg mijn zoon, en moge Allah je behoeden! Het is zonde, je te doden. Hoeveel jongelingen als jij kwamen al niet hierheen, en mijn dochter heeft ze allemaal överwonnen."
Maar de zoon van de muzikant bleef bij zijn verzoek en sprak: "Ik weet het en ik ga ermee akkoord dat ik word onthoofd als de prinses van mij wint, en dat mijn hoofd wordt opgehangen bij de ingang van het paleis." De koning beval: "Schrijf je toestemming op dit papier en druk er je zegel op." De jongeling schreef en plaatste zijn zegel. Toen rolden de dienaren een tapijt op de binnenplaats uit, de koningsdochter verscheen en het gevecht begon: de jongeling greep de prinses en wierp haar op de grond, zij stond op en wierp hem op de grond, en zo bleef de strijd twee uur lang onbeslist. De koning ergerde zich eraan dat zijn dochter deze jongeling niet kon verslaan en beval: "Genoeg voor vandaag! Morgen wordt het tweegevecht voortgezet." In het geheim liet de koning zijn artsen roepen en beval hen: "Geef die jongeman een verdovingsmiddel en zoek uit wat het geheim van zijn kracht is."
Toen de nacht was gevallen, lieten de artsen hem een verdovingsmiddel inademen en onderzochten zij zijn lichaam. Ze ontdekten de kippemaag in zijn binnenste, namen hun instrumenten, sneden hem open en haalden de kippemaag eruit, daarna naaiden zij de wond weer dicht.
Toen de zoon van de muzikant de volgende ochtend ontwaakte, voelde hij zich zeer vermoeid en zwak. Hij voelde dat hij geen kracht meer had om met de koningsdochter te strijden en vluchtte weg uit het paleis. Hij reed de hele morgen door, totdat hij drie mannen tegenkwam, die aan het ruziën waren.
"Vrede zij met jullie," groette hij hen. "Waarom maken jullie ruzie?" Zij antwoordden: "Wij hebben drie kostbare dingen en kunnen het niet eens worden over de verdeling. We hebben een vliegend tapijt, dat je brengt waarheen je maar wilt, een schaal die zich met heerlijke gerechten vult, als je alleen maar zegt 'vul je' en een handmolen waaruit geldstukken rollen, als je eraan draait."
Hij zei hen: "Laat mij die drie dingen zien, dan zal ik ze eerlijk onder jullie verdelen." Ze spreidden het tapijt voor hem uit en plaatsten de schaal en de molen erop. De zoon van de muzikant stelde hen voor: "Ik werp een steen, zo ver ik kan. Wie van jullie de steen als eerste terugbrengt, krijgt de geldmolen, de tweede het tapijt en de derde de schaal." De drie mannen stemden ermee in.
Hij nam een steen en wierp hem weg, zo ver hij kon. Terwijl de drie mannen achter de steen aanliepen, stapte hij op het tapijt en sprak: "Vlieg met mij en deze dingen naar de berg Kaf." Het tapijt vloog met hem de lucht in en zette hem op de top van de berg Kaf neer. Hij ging zitten, draaide aan de handmolen en de geldstukken rolden eruit. Hij sprak tot de schaal: "Vul je met kisjk," en hij at kisjk.
Nadat hij had gegeten, vloog hij naar het paleis, waar de prinses woonde met wie hij had gevochten. Hij ging naar haar toe en nodigde haar uit: "Kom, we zetten onze strijd voort." Van te voren had hij zijn tapijt op de binnenplaats uitgespreid en toen ze er allebei op stonden, sprak hij tot het tapijt: "Vlieg met ons naar de berg Kaf." Ze vlogen door de lucht en het tapijt zette hen op de top van de berg neer. Hij vroeg de prinses: "Nu, heb ik van je gewonnen of niet?"
Zij antwoordde hem: "Ik sta nu onder jouw hoede. Breng me terug naar het paleis van mijn vader; ik zweer bij mijn leven dat ik zal zeggen dat je me verslagen hebt, en dan zullen we trouwen. Als we hier in de bergen blijven, sterven we van de honger." - "Heb je honger?" vroeg hij haar, "ik kan je zo een warme maaltijd voorzetten." Hij sprak tot de schaal: "Vul je met mujaddra!" De schaal vulde zich met mujaddra, en zij aten ervan en hij liet haar de molen zien die geld maalt.
Toen ze uitgerust waren, stelde ze voor: "Laten we nog wat gaan wandelen in de bergen." Ze wachtte tot hij zijn voet op de grond had gezet en sprak toen tegen het tapijt: "Vlieg me terug naar het paleis van mijn vader." Het tapijt steeg op en vloog weg.
De zoon van de muzikant bleef alleen achter op de top van de berg Kaf. Hij huilde van eenzaamheid en vertwijfeling en liep een hele dag rond in het gebergte. Op de tweede dag ontdekte hij midden in het gebergte twee dadelbomen; de één had rode, de andere gele vruchten. Hij plukte een gele dadel en at hem op. Opeens groeide er een hoorn uit zijn hoofd, die maar langer en langer werd, totdat hij zich om de twee dadelbomen had geslingerd: hij at een rode dadel en de hoorn schrompelde ineen en verdween tenslotte helemaal. Daarop vulde hij zijn zakken met gele en rode dadels en liep dag en nacht - twee maanden lang - totdat hij de stad van de koningsdochter bereikte.
Bij het paleis van de koning bood hij zijn dadels te koop aan: "Koop dadels, verse dadels!" De koningsdochter liet haar slavinnen een paar dadels kopen en at ze meteen op. Opeens groeiden er acht hoorns uit haar hoofd, die tenslotte tot aan de muren reikten. De slavinnen waren ontsteld, en alle bedienden van het paleis verzamelden zich om de prinses en staarden haar aan. De koning liet de beste artsen naar zijn hof komen, maar geen van hen kon de prinses van haar hoorns bevrijden. Men probeerde de hoorns af te zagen, maar ze groeiden steeds weer aan. Toen stuurde haar vader een omroeper door de stad en liet bekend maken: "Wie de koningsdochter een geneesmiddel verschaft dat haar geneest, krijgt haar tot vrouw en wordt benoemd tot grootvizier." De volgende dag nam de zoon van de muzikant een rode dadel, sneedt die in kleine stukjes en ging daarmee naar het paleis van de koning. Hij liet zich bij de prinses aandienen en gaf haar zijn geneesmiddel. Ze at ervan en één hoorn schrompelde ineen en verdween. De vrouwen schreeuwden en zongen van vreugde en zeiden: "Bij Allah, dat is een goede dokter." De zoon van de muzikant bleef acht dagen in het paleis en verwijderde elke dag een hoorn, totdat de prinses ze allemaal kwijt was. Toen liet, de koning de moefti halen om de trouwakte op te stellen, en benoemde hij de zoon van de muzikant tot grootvizier.
Toen de zoon van de muzikant op de avond van de bruiloft het vertrek van de prinses binnenging, vroeg hij haar: "Waar zijn het tapijt, de schaal en de. molen?" Zij antwoordde hem: "Ben jij het?" Hij vroeg verder: "Ben jij sterker of ben ik sterker?" Zij antwoordde: "Bij het licht in je ogen, jij bent sterker dan ik!" En ze leefden samen nog een gelukkig en welvarend leven.
Zeven appels kwamen uit het paradijs, de eerste voor mij, twee voor degene die het verhaal verder vertelt. De overige vier zullen we in kleine stukjes snijden en verdelen.
Er komt een vrouw bij de dokter die vrouw vind haar lippen te klein en zou ze wel wat groter willen dus de dokter zegt we zullen een stukje van je schaamlippen moeten afhalen en dan op je lippen zetten dus dan hebben ze dat allemaal gedaan en de vrouw komt een paar weken later terug en ze zegt iedere ochtend als ik me tanden poets word ik geil.
Nu zal ik jullie eens een vrolijke geschiedenis vertellen. Yanni liep langs een eenzame weg om zijn liefje een bezoek te brengen. En toen hij voorbij een fontein kwam, waaruit heerlijk koel water klaterde, sprong een draak te voorschijn en sprak: "Goeiemorgen, goeiemorgen mijn Yanni, mijn lekker ontbijtje."
Yanni trilde op zijn benen en zei stotterend: "Goeiemorgen, g‑goeiemorgen, m-mijn d-draak, eet me niet op." - "Je niet opeten, jongen, ik rammel van de honger, mijn ontbijtje!" - "Als je me dan toch wilt opeten, mag ik dan eerst afscheid van mijn liefste liefje nemen?" vroeg Yanni. "Ga jij maar afscheid van je liefje nemen voor altijd en eeuwig," zei de draak. "Maar beloof me op handslag, dat je terugkomt, want ik rammel van de honger, mijn ontbijtje!" Yanni beloofde dit op handslag en ging naar zijn liefje.
"Mijn Yanni, mijn jongen, waarom ben je vandaag zo treurig," vroeg het meisje, "hou je niet langer van mij?" - "Natuurlijk hou ik van je, mijn meisje, maar op weg hierheen kwam ik een draak tegen en hij vroeg mij ten eten."
Toen sprak het liefje: "Waarheen jij ook gaat, ik ga mee. Ik blijf bij je." - "Waar ik heen ga, kan geen meisje meegaan. Het is te erg."
"Ik zal je potje koken, ik zal je vuurtje stoken, ik zal je bedje spreiden, ik zal geen draken mijden,"
zong het liefje. "Waar ik heen ga, kan geen meisje meegaan, het is te erg." - "Onze liefde zal ons beschermen," zei het meisje en toen gingen ze samen, hand in hand.
De draak zag ze komen en riep: "Daar komt mijn ontbijtje, dubbeldik!" Toen Yanni dit hoorde zei hij: "Zie je wel, mijn liefste, dat je niet mee had moeten gaan. Dat wrede monster gaat ons opeten." Maar zijn liefje riep met luide stem: "Mijn eigen Yanni, wees niet bang, ik heb vanmorgen al negen draken voor mijn ontbijt gegeten. Ik heb trek in de tiende. Hoe meer draken ik eet hoe hongeriger ik word."
Toen de draak dit hoorde begon hij te beven en vroeg: "Yanni, wiens dochter heb je meegebracht?" Toen ging zijn liefste lief vlak voor de draak staan en zei: "Ik ben de dochter van de bliksem en de kleindochter van de donder. Ga opzij, Yanni, dan roep ik de donder en de bliksem om dit draakje te doden. Ik wil hem graag opeten." Yanni ging opzij, maar de draak nam de benen, hij liep en vloog zo hard hij kon en nooit, nooit is hij meer teruggekomen.
Er was eens een koning die zes zonen en een dochter had. Zijn dochter was hem zeer dierbaar, maar toen hij op zekere dag bij haar was, maakte hij zich boos en ontglipte hem een vloek. Die nacht ging de prinses zoals gewoonlijk naar haar slaapvertrek, maar de volgende ochtend was zij nergens te vinden. En toen haar vader, de koning, besefte dat zij werd vermist, was hij vervuld van berouw en verdriet en begon hij haar overal te zoeken. Toen vroeg de minister, die 's konings smart zag, om een dienaar en een paard en voldoende zilvergeld, teneinde zelf naar de prinses te gaan zoeken.
En zo gebeurde het dat de minister door het ganse rijk reed op zoek naar de verloren prinses, door woestijnen en bergen, door wouden en velden. Hij zocht haar vele jaren lang. Toen hij op zekere dag door een woestijn reed, viel zijn oog op een pad dat hij nooit eerder had gezien, en hij zei bij zichzelf: "Ik heb nu al zo lang in deze woestijn naar de prinses gezocht, nu zal ik dit pad maar volgen en misschien uitkomen in een stad." Nadat hij het pad lange tijd had gevolgd, kwam hij ten slotte bij een prachtig paleis, bewaakt door vele soldaten. De minister was bang dat de schildwachten hem niet binnen zouden laten, maar toch steeg hij af en ging te voet in de richting van het paleis, en tot zijn verbazing opende de poortwachter dadelijk de poort voor hem, zonder vragen te stellen. Vanaf het binnenplein ging hij het paleis binnen en daarna betrad hij de vertrekken van de koning, die bevelhebber was van alle troepen. En niemand trachtte hem ervan te weerhouden bij de koning te verschijnen. Vele muzikanten waren er hun instrumenten aan het bespelen onder leiding van de koning, en de minister bleef in een hoek van de zaal staan om te wachten wat er verder zou gebeuren. Na enige tijd beval de koning zijn dienaren de koningin binnen te brengen. Zij verlieten de zaal met veel vreugdebetoon en even later speelden en zongen de muzikanten, toen zij binnentrad. En toen zij haar naar de troon leidden, zag de minister dat zij de verloren dochter van de koning was.
Even later keek de koningin op en zag de minister in een hoek van de zaal en herkende hem dadelijk. Zij stond op van haar troon en zei: "Herkent u mij?" En hij antwoordde: "Ja, u bent de verloren prinses. Maar hoe komt het dat u hier bent?" En zij antwoordde: "Door de vloek die mijn vader ontglipte. Want dit is het paleis van de Boze." Toen vertelde de minister haar dat haar vader, de koning, ernstig leed onder haar afwezigheid en dat hij de minister had uitgezonden om haar te vinden, en dat hij haar nu reeds vele jaren zocht. Daarop vroeg hij haar: "Hoe kan ik u uit dit paleis bevrijden?" En zij antwoordde: "Het is niet mogelijk mij te bevrijden als u niet een vol jaar op één plaats verblijft en er het gehele jaar naar verlangt mij te redden. En op de laatste dag van dat jaar moet u een hele dag en nacht vasten en waken."
Daarop verliet de minister het paleis en deed wat zij hem gezegd had. Hij begaf zich naar een woud en vestigde zich daar. En aan het einde van het jaar, op de laatste dag, vastte hij en sliep niet. Maar op die dag zag hij voor het eerst een boom waaraan prachtige appelen hingen. Hij verlangde er zozeer naar, dat hij ten slotte opstond en van de boom at. Maar zodra hij had gegeten, zakte hij ineen en werd door slaap overmand. Hij sliep lange tijd achtereen en ofschoon zijn dienaar hem wakker probeerde te schudden kon hij hem niet wekken.
Toen de minister eindelijk ontwaakte, vroeg hij zijn dienaar: "Waar ben ik?" En de dienaar antwoordde: "U bent in een woud, waar u lange tijd heeft geslapen, en al die tijd heb ik mijzelf met vruchten en noten in leven gehouden." De minister was wanhopig, maar begaf zich toch weer naar het paleis van de verloren prinses en daar ontmoette hij haar nogmaals in de koningszaal. En toen zij hem zag, was zij vervuld van droefheid en zei: "Was u op die dag gekomen, dan had u mij kunnen meenemen, maar vanwege die ene dag is nu alles verloren. Maar ach, ik begrijp wel dat vasten heel moeilijk is, vooral op de laatste dag, want dan wordt de Kwade Neiging het sterkst. Daarom moet u terugkeren en nog een jaar in het woud huizen, maar op de laatste dag is het u toegestaan te eten. U mag echter niet slapen en geen wijn drinken, waardoor u in slaap zou kunnen vallen, want het is bovenal belangrijk dat u wakker blijft."
Hij vertrok en deed wat zij had gezegd. Maar op de laatste dag van het lange jaar zag hij voor het eerst een bron waarvan het water roodachtig was en naar wijn geurde. De minister wees zijn dienaar op de bron en ging toen het water proeven, waarop hij weer in slaap viel. Ditmaal sliep hij vele jaren achtereen. Toen die tijd bijna was verstreken, kwam er op zekere dag een groot aantal soldaten voorbij, en de dienaar van de minister zocht snel een schuilplaats. Nadat de troepen waren gepasseerd, kwam er een rijtuig voorbij, waarin de koningsdochter zat. Zodra zij de minister herkende stapte zij uit het rijtuig en kwam naar hem toe. Maar hoe zij hem ook heen en weer schudde, hij werd niet wakker en zij begon te weeklagen, zeggende dat hij zich zoveel moeite had getroost en zovele jaren had moeten lijden om haar te bevrijden en door één vergissing op die laatste dag nogmaals alles had verloren. Zij schreide bittere tranen hierover en nam toen haar hoofddoek af en schreef er een boodschap op met haar tranen. Daarop keerde zij terug naar haar rijtuig en reed weg. Korte tijd later werd de minister wakker en vroeg aan zijn dienaar: "Waar ben ik?" De dienaar vertelde hem alles wat er was gebeurd, van de troepen die waren gepasseerd en het rijtuig dat was gestopt en van de prinses die zich zo had ingespannen om hem te wekken. Toen zag de minister de hoofddoek en vroeg: "Waar komt die vandaan?" De minister nam de doek en hield hem tegen het zonlicht. Er stond op geschreven dat zij niet meer te vinden zou zijn in het eerste paleis, maar voortaan gevestigd zou zijn in een paleis van parels op een gouden berg, en dat hij haar daar kon vinden. Daarop liet de minister zijn dienaar achter en zette zijn queeste alleen voort. Hij zocht vele jaren lang. Ten slotte kwam hij tot de slotsom dat zo'n paarlen paleis niet in de bewoonde wereld kon bestaan, want inmiddels kende hij de wereldkaart zeer goed. Daarom besloot hij haar in de woestijn te gaan zoeken en na vele jaren vond hij daar een reus, die een boom als staf gebruikte. De minister vertelde hem alles over de prinses en zijn speurtocht naar een paarlen paleis op een gouden berg. De reus zei dat zoiets stellig niet bestond. Maar de minister begon te wenen en hield vol dat het paleis toch stellig ergens moest bestaan. En ten slotte zei de reus: "Omdat u er zo zeker van bent, zal ik al de dieren bijeen roepen, die aan mij zijn toevertrouwd, want zij komen overal ter wereld. Misschien heeft een van hen van een paarlen paleis gehoord."
Daarop riep hij alle dieren, van de grootste tot de kleinste en van iedere soort, maar geen van hen had ooit zoiets gezien. Toen zei de reus: "Ziedaar, zij hebben bevestigd dat uw queeste een hersenschim is. Luister naar mij en ga terug, want wat niet bestaat kunt u stellig niet vinden." Maar de man hield vol dat het wel moest bestaan. Daarom zei de reus tot hem: "Zie, verder de woestijn in huist mijn broer, aan wiens zorg alle vogels zijn toevertrouwd. Misschien weten zij het te vinden, want zij vliegen hoog in de lucht. Ga naar hem toe en zeg dat ik u heb gezonden. En omdat u zo vastbesloten bent uw queeste voort te zetten, zal ik u helpen, zodat u tenminste niet belemmerd zult worden door gebrek aan goud."
En hij gaf hem een buidel en zei: "Steek telkens wanneer u goudstukken nodig heeft uw hand in deze buidel, want u zult er altijd meer dan genoeg in vinden." En de minister dankte de reus uitvoerig voor zijn kostbare geschenk en voor al zijn hulp, en ging op zoek naar de broer van de reus, die al de vogels onder zijn hoede had.
En zo gebeurde het dat de minister vele jaren rondtrok, op zoek naar de tweede reus. Eindelijk vond hij hem en ook deze reus droeg een grote boom als staf. Hij vertelde hem van zijn queeste, maar ook deze reus wilde van geen paarlen paleis horen en hield vol dat het niet kon bestaan. Maar toen de man het maar niet wilde opgeven, zei de reus: "Welnu, ik heb alle vogels onder mijn hoede. Ik zal Ze bijeenroepen, misschien hebben zij ervan gehoord." Alle vogels werden geroepen, van de grootste tot de kleinste, van elke soort, en zij zeiden allen dat ze een dergelijk paarlen paleis niet kenden. Toen zei de reus tot hem: "Nu zult u stellig inzien dat uw queeste dwaasheid is. Luister naar mij en ga terug, want zo'n paleis is nergens te vinden op deze wereld." Maar de minister wilde zijn queeste niet opgeven en ten slotte zei de reus: "Verder de woestijn in huist mijn broer, aan wie de winden zijn toevertrouwd, en zij doorkruisen de wereld elke dag. Misschien weten zij ervan. Ik hoop het, want nog nooit heb ik iemand gezien die zo vastbesloten is een queeste te volbrengen, ofschoon u keer op keer met moeilijkheden te kampen krijgt. Daarom wil ik u dit geschenk geven, misschien kan het u nog eens van nut zijn." En hij haalde een gouden sleutel uit zijn zak en gaf hem aan de minister met de woorden: "Deze sleutel kan elk slot ter wereld openen. Is er een deur die u wilt binnengaan, steek dan eenvoudig deze sleutel in het slot en draai hem om, dan zal de deur opengaan." De minister dankte de reus uitvoerig voor zijn kostbare geschenk en voor zijn hulp en toog op zoek naar de reus die de winden onder zijn bevel had staan.
De man trok vele jaren verder, op zoek naar de reus. Ten slotte zag hij hem, met een boom als staf, en vertelde hem zijn verhaal. En ofschoon ook deze reus er niet van wilde horen, wist de minister hem ten slotte toch te overreden om alle winden bijeen te roepen, opdat hij hen naar het paleis zou kunnen vragen. De reus riep alle winden bij zich, maar geen van hen kende een paarlen paleis op een gouden berg. Toen wendde de reus zich tot hem en zei: "U ziet het, u hebt gezocht naar iets dat niet bestaat." En de man begon te wenen en zei: Tk weet zeker dat het ergens op deze wereld te vinden is." Ondertussen kwam er nog een laatste wind aan, en de reus sprak hem vertoornd toe: "Waarom ben je zo laat gekomen? Heb ik niet bevolen dat alle winden van de wereld hier moesten verschijnen? Waarom ben je niet met de andere meegekomen?" En de wind antwoordde dat hij was opgehouden omdat hij een koningsdochter naar een paarlen paleis op een gouden berg moest brengen. En toen de minister dat hoorde, kende zijn vreugde geen grenzen. Daarop zei de reus die de winden onder zijn hoede had tot de minister: "U hebt zo lang gezocht, arme man, en u hebt zoveel moeilijkheden ondervonden, dat ik u dit geschenk wil geven. Misschien kan het u nog eens van nut zijn." En hij haalde een fluitje uit zijn zak dat hij aan de minister gaf met de woorden: "Verkeert u ooit in gevaar of hebt u hulp nodig blaas dan op dit fluitje, dan zal een van de winden u te hulp snellen en alles doen wat binnen zijn vermogen ligt." De minister dankte de reus uitvoerig voor zijn prachtige geschenk en voor zijn hulp. Daarop beval de reus de wind hem naar het paarlen paleis te brengen. En de wind droeg hem erheen en bracht hem tot de poort van de stad aan de voet van de gouden berg, waar in de hoogte het paarlen paleis stond. Nu was het zo dat slechts weinig vreemdelingen deze stad waren binnengegaan en waren zij eenmaal toegelaten, dan mochten zij de stad nooit meer uit en ook de inwoners konden haar niet verlaten.
Want dit was het verborgen, geheime paleis van de Boze, van waaruit hij zijn toverijen bedreef, zoals de betovering waardoor hij de verloren prinses in zijn macht had gekregen. En hij had het bestaan van die stad en zijn paleis eeuwenlang geheim weten te houden, want niemand die de stad verliet had het kunnen navertellen. En zo gebeurde het dat toen de wind de minister voor de stadspoort deed belanden, de schildwachten hem de toegang weigerden. Maar hij greep in de toverbuidel die de eerste reus hem had gegeven, haalde er een handvol goud uit en kocht hen om, zodat hij er toch in slaagde de stad binnen te komen. Eerst ging hij naar de markt om voedsel te kopen, want hij zou er enige tijd moeten blijven, omdat het veel wijsheid en overleg zou vergen de prinses te bevrijden. Toen de minister op de markt kwam, zag hij er een dienaar die al het fruit van een koopman opkocht. Nadat de dienaar ermee was vertrokken, benaderde de minister de koopman en zei: "Zoveel fruit kan toch zeker niet voor één familie zijn?" En de koopman antwoordde: "Natuurlijk niet. Dat fruit is voor hen die in het paarlen paleis op de top van de berg wonen, want de koning ziet erop toe dat het fijnste voedsel wordt uitgekozen voor zijn hof. En vandaag achtte 's konings dienaar mijn vruchten de mooiste, en daarom heeft hij ze alle gekocht."
"Zeg eens," zei de minister, "wie woont er in dat paarlen paleis? Want ik ben hier vreemd en weet zulke dingen niet."
De koopman antwoordde: "Alleen de koning en zijn dienaren, voor zover ik weet. Maar het gerucht gaat dat zich er ook een prinses heeft gevestigd, want kort geleden heeft de koning uit onze dochters twaalf hofdames uitgekozen en meegenomen om in het paleis te wonen, en daar zijn zij nu volgens zeggen haar dienaressen."
Welnu, toen de minister dat hoorde, besloot hij zich te vermommen als koopman en zich aan de paleispoort te presenteren. Om te beginnen schafte hij zich de kledij van een marskramer en een bontmuts aan. Daarna deed hij navraag wie de beste naaister van de stad was en liet zich de weg wijzen naar haar huis. Daar aangekomen, vroeg hij haar hoeveel het zou kosten om de fraaiste japon van zijde en kant te laten maken. En toen de naaister hem de prijs noemde, zei hij: "Naai dan twaalf van dergelijke japonnen voor mij. " En hij greep in de toverbuidel die de eerste reus hem had geschonken en betaalde haar de volle som. Toen vroeg hij hoeveel tijd het zou nemen alle twaalf japonnen te naaien, en de naaister vroeg hem over twaalf dagen terug te komen.
En zo gebeurde het dat de minister zijn intrek nam in een herberg tot de twaalf japonnen gereed zouden zijn. Ondertussen kwam hij zoveel mogelijk aan de weet over de koning die het land regeerde en over zijn gevangene, de verloren prinses. Zo ontdekte hij dat het paarlen paleis het geheime woonoord was van de Boze in eigen persoon. En ook vernam hij dat de prinses was opgesloten in een kamer met zeven sloten en dat in een aangrenzend vertrek de twaalf hofdames verbleven.
Toen de twaalf dagen waren verstreken, ging de minister weer naar de naaister en zag dat de japonnen gereed waren. Hij borg de japonnen in zijn mars en beklom de gouden berg, tot hij het paarlen paleis aan de top bereikte. Toen hij bij de paleispoort kwam, toonde hij de schildwacht zijn koopwaar en werd zonder omhaal toegelaten, want nieuwe kooplieden waren dun gezaaid in die stad en de hofdames bekeken hun waar met graagte, omdat zij weinig anders om handen hadden.
En zo werd de marskramer toegelaten tot het vertrek van de twaalf hofdames, die verrukt waren hem te zien. Voor elk van hen haalde hij een japon te voorschijn, en toen zij zagen hoe prachtig ze waren, haastten zij zich allen weg om de japonnen te passen en zichzelf in de spiegel te bewonderen, en lieten de koopman alleen achter in hun vertrek. Hij keek om zich heen en zag dat er op een der deuren zeven sloten zaten, en hij wist dat dit de kamer van de verloren prinses moest zijn. Hij repte zich naar de deur en haalde de gouden sleutel te voorschijn die de tweede reus hem had gegeven. Vlug opende hij alle sloten en betrad het vertrek. Daar zag hij de verloren prinses, die bij het raam zat te snikken om haar droevig lot. Zij was zeer verbaasd dat er iemand binnenkwam, want zelfs van haar hofdames werd zij gescheiden gehouden. En toen de minister zag dat zij hem niet herkende in zijn vermomming, haalde hij de hoofddoek waarop zij met haar tranen had geschreven uit zijn zak. En toen de verloren prinses die zag, wist zij dat de minister haar ten langen leste had gevonden, en zij omhelsde hem en schreide van vreugde. Toen zei de minister: "Kom, laten we ons haasten en het paleis uit vluchten, eer de hofdames terugkomen." - "Helaas," zei de prinses, "langs die weg kunnen wij niet ontsnappen. Want de Boze heeft zijn betovering zodanig uitgesproken dat die niet verbroken kan worden, zolang mijn voeten of die van mijn redder de grond raken. En juist die betovering houdt mij hier nog meer gevangen dan de zeven sloten op de deur, die u op een of andere wijze heeft weten te openen." Eerst deed dit onverwachte obstakel de minister de moed verliezen, maar toen herinnerde hij zich het fluitje dat de derde reus hem had geschonken. Hij haalde het uit zijn zak en blies erop, en in een oogwenk blies er een wind naar binnen door het open raam en zei: "Hoe kan ik u van dienst zijn?" Daarop vertelde de minister de wind van de betovering en vroeg of hij hen kon meevoeren zonder dat de voeten van de prinses of de zijne de grond raakten. "Natuurlijk kan ik dat!" zei de wind. "Maar waar wilt u naartoe?"
En de minister vroeg de wind hen terug te brengen naar het paleis van de koning die de vader van de prinses was, en eer zij het beseften zweefden zij hoog door het luchtruim, en weldra zette de wind hen neer in het koninkrijk waar zij zo lange tijd waren weggeweest. En zo had de trouwe minister dan ten langen leste zijn queeste volbracht, en toen de koning en zijn dochter, die nu niet langer meer verloren was, werden herenigd, veranderde hun droefenis in een vreugde, zo groot dat men haar niet beschrijven kan.
een jong meisje krijgt een nieuw vriendje en laat zijn foto op haar ene borst tatoeëren. als het uit is en ze een nieuwe vriend heeft laat ze zijn foto op haar andere borst tatoeëren. als het weer uitgaat krijgt ze een nieuw vriendje dan zegt ze "sorry, ik kan je niet op mijn borst laten tatoeëren ze staan al vol". zegt die vriend "maakt niets uit over een paar jaar zijn ze toch uitgelebberd!
grof Jantje vraagt aan zijn moeder mama? wat is een hoer? zegt zijn moeder dat is een fiets. Dan gaat Jantje naar zijn vader en vraagt wat neuken is neuken is fietsen zegt zijn vader dan gaat hij naar zijn broer en vraagt wat een condoom is dat is een fietsketting zegt zijn broer De volgende dag kwam Jantje te laat op school de meester vraagt waarom hij te laat is Nou zegt Jantje ik stapte op m'n hoer begon te neuken en toen vloog m'n condoom er 3 keer af!
Thijs is een jongen die voor het eerst naar de middelbare gaat. Hij vind het erg lastig en wil graag een stoere indruk maken.
Op een zonnige Maandagmorgen wordt Thijs wakker en stapt uit bed. Hij let goed op welk been hij het eerst op de vloer zet. Rechts of links? Welke is beter. Hij voetbalt met zijn rechterbeen en besluit dat been als eerste op de vloer te zetten. Dan is hij in ieder geval niet met het verkeerde been uit bed gestapt. Hij kleed zich aan t is lekker warm dus een shirt met korte mouwen en een korte broek. Hij gaat naar beneden om te ontbijten. Mmm... Lekker, gebakken ei met spek. Als hij even later op de fiets naar school wil gaan ziet hij dat hij een platte band heeft. Toch maar naar school gaan? Of eerst even plakken? Ik kan niet lopen denkt hij dan kom ik te laat. en plakt toch maar zijn band.
Donderdag geven de populaire jongens hem toch nog een kans en hij gaat een reep chocolade halen om te trakteren. Als hij Vrijdag geen geld meer heeft mag hij niet meer bij het groepje horen. Hij vind het niet eens erg. Hij heeft helemaal niks aan deze vrienden, ze gebruiken hem alleen maar. Dat zijn geen vrienden.
Maandag gaat Thijs in de pauze bij de andere buitenbeentjes zitten. Zij vinden hem wel aardig en vragen of hij meedoet met een supermarktbezoekje. Dan moet ik zeker betalen? Nee we leggen allemaal 50ct op tafel en dat kopen we met zijn allen wat lekkers. Dat doen ze en Thijs heeft een hele wijze les geleerd.
Er was eens een arme man wiens vrouw was gestorven. Ze had hem met drie zoontjes achtergelaten. De man deed zijn best zowel vader als moeder voor de jongens te zijn. Overdag nam hij elk werk aan dat hij maar kon krijgen, opdat hij genoeg zou verdienen om hen allemaal genoeg te eten te geven. 's Avonds kookte hij, maakte schoon, verstelde hun kleren en vertelde verhaaltjes. Maar de taak viel hem zwaar.
Hij had maar één wens en dat was dat zijn zonen een gemakkelijker leven zouden krijgen dan hij. Zodra het even kon stopte hij wat geld weg in het oude kistje dat onder zijn bed stond. Hij hoopte dat hij op een dag genoeg zou hebben om de jongens een studie te laten volgen. De ellende was dat hij het gespaarde geld altijd weer uit moest geven. Een van zijn zonen had een paar nieuwe schoenen nodig, of de aardappelen of knollen waren op en dan hadden ze weer een nieuwe voorraad nodig. Opgroeiende jongens konden niet van de lucht leven.
"O, ik heb er lichaam en ziel voor over om mijn drie jongens te laten studeren!" riep de man op een dag, terwijl hij het deksel van het kistje dichtdeed, nadat hij er geld uit had gehaald voor melk.
"Meen je dat?" vroeg een zachte stem vanuit de hoek van de kamer. "Lichaam en ziel, zei je?"
De man draaide zich om en zag - hoewel de deur en de ramen dicht waren - een man staan die, op de vuurrode voering van zijn mantel na, helemaal in het zwart was. Hij kleedt zich altijd elegant, de oude Satan.
"Zou je er echt lichaam en ziel voor over hebben?" herhaalde de oude Satan.
"Ja!" zei de man, hoewel hij wist dat hij het tegen de Duivel zelf had. "Ik heb er mijn lichaam en ziel voor over om mijn jongens te kunnen laten studeren."
"Afgesproken," zei de oude Satan. Hij stak zijn hand uit en de man drukte die. De hand was ijskoud. "Ik kom over tien jaar terug om je op te halen," zei de oude Satan. Toen verdween hij.
De man opende het kistje onder zijn bed en zag dat er genoeg geld in zat, en nog ruim extra om elk van de jongens te laten studeren. Dus gingen ze naar goede scholen. Na enige tijd werd er eentje dokter, eentje priester en de derde advocaat.
De man vertelde zijn zoons nooit over de afspraak die hij gemaakt had en de jongens dachten er nooit aan hun vader te vragen hoe hij zoveel geld had kunnen sparen.
Tien jaren gingen voorbij, veel te vlug naar de zin van de man, maar zo is het leven. Zijn zoon de dokter, kwam hem op een regenachtige avond opzoeken. De wind huilde rond het huis en blies de rook terug in de schoorsteen.
"Ik geloof dat er geklopt wordt," zei de dokter.
Toen zijn vader de deur opendeed stond de oude Satan daar, zonder een druppel regen op zijn mantel die bol stond in de wind.
"Wat is er aan de hand?" vroeg de dokter.
"Het is tijd om te gaan," antwoordde de oude Satan.
En toen moest de vader wel voor de dag komen met het verhaal. "Kletskoek!" zei de dokter. "Mijn oude vader gaat nog niet dood. Ik heb hem kortgeleden nog helemaal onderzocht en hij is net zo gezond als ik!"
De oude Satan liet zich niet van de wijs brengen. "Wie had het over doodgaan? Als je vader mijn slaaf wordt tot het einde der tijden, wil ik hem gezond en fit. Lichaam en ziel was de afspraak."
"Geef hem nog een paar dagen," smeekte de dokter. "Mag hij mijn broer de priester nog even spreken voordat hij gaat?"
Misschien is de Duivel toch niet door en dóór slecht.
"Een priester haalt niets uit," zei hij. "Maar hij mag hem zien om afscheid van hem te nemen."
En daarom liet de dokter zijn broer, de priester, halen en legde aan hem uit hoe de zaak ervoor stond.
"Laat dit maar aan mij over," zei de priester.
En de oude man en zijn zoon zaten te wachten. Een dikke mist daalde neer rond het huis, probeerde een weg naar binnen te zoeken en kroop tenslotte door het sleutelgat. Toen er genoeg mist binnen was vormde er zich een man uit.
"Kom je nu?" vroeg de oude Satan.
"Niet zo haastig!" zei de priester. "Mijn vader is een goede man. Geen cent van het geld dat je hem hebt gegeven heeft hij aan zichzelf besteed."
"Dat kan me niet schelen," zei Satan. "Afspraak is afspraak!"
"Hier is wat geld dat over was," zei de priester. "Neem het vast mee en de rest zullen we nog terugbetalen."
"Ik wil geen geld," zei de oude Satan. "Lichaam en ziel was de afspraak."
"Kun je nog iets langer wachten zodat mijn andere broer naar huis kan komen om afscheid te nemen van mijn vader?"
"Ik kan wachten," zei de Satan. "Wat is een week vergeleken bij de eeuwigheid?"
Tenslotte arriveerde de jongste zoon, de advocaat. Buiten was het koud, zo koud dat je adem bevroor op het moment dat hij uit je mond kwam. Maar die hand die de man tien jaar daarvoor had aangeraakt was nog kouder geweest. Nauwelijks was de advocaat binnen, had zijn jas uitgetrokken en was bij het vuur gaan zitten, of de oude Satan verscheen.
"Nog even, alsjeblieft!" zei de advocaat. "Ik heb nog niet de tijd gekregen om hallo te zeggen, laat staan vaarwel."
De oude Satan aarzelde. Hij kende redelijk veel advocaten, en die waren veel te sluw.
"Zie je die kaars op tafel?" vroeg de advocaat. "Geef ons de tijd totdat die kaars is opgebrand."
De Duivel keek naar de kaars en zag dat die binnen een minuut of tien zou zijn opgebrand.
"Dat is goed," knikte hij.
"Is dit een afspraak?"
"Ja," zei de oude Satan terwijl hij ging zitten. "Ik wacht."
"Zou ik niet doen als ik jou was," glimlachte de advocaat. "Dat zou wel eens heel lang kunnen duren!" En toen doofde hij de vlam van de kaars en gaf de stomp aan zijn vader. "Alsjeblieft, papa, bewaar dit goed." En tegen de oude Satan zei hij: "Afspraak is afspraak, of niet? Je raakt mijn vader niet aan tot die kaars is opgebrand."
De oude Satan glimlachte en toen barstte hij in schaterlachen uit. Hij wist dat hij vierkant verslagen was.
De oude man hield het stompje kaars in zijn zak tot de dag waarop hij stierf en zijn drie zonen zorgden ervoor dat het mee begraven werd. En zo is hij naar de hemel gegaan, denk ik.
De priester was een goede man en de dokter een wijze, maar er was een advocaat voor nodig om de oude Satan te slim af te zijn. Maar denk niet dat jij hetzelfde kunstje kunt uithalen. Hij kent het nu. Als ik je een goede raad mag geven: bemoei je helemaal niet met de oude Satan. Moge de duivel je leven lang één stap bij je achterblijven!
Wat is het verschil tussen een hoer , een minnares en een echtgenote? Een hoer zegt: "Ben je nu nog niet klaar?" Een minnares zegt: "Ben je nu al klaar?" Een echtgenote zegt: "Zullen we het plafond weer eens gaan witten?"
Er staat een monnik onder de douce. Hij graait met z'n hand naar het zeepbakje. Maar de zeep is op! Hijzelf zit op de 5e verdieping. Maar de zeepautomaat zit op de 1e verdieping van het hotel. Hij heeft geen zin om zich aan te kleden, en gaat dus naakt naar beneden. Hij pakt 3 stukken zeep uit de automaat. Opeens komen 4 nonnen binnen. Hij ziet een stuk zeep: stopt de 3 zeepstukken in z'n mond en gaat op het stuk steen staan als standbeeld. De ene non kan niet van z'n lul afblijven, dus trekt ze aan z'n lul. De monnik spuugt een stuk zeep uit. He kijk zegt de non een zeepautomaat. De 2e non trekt ook aan z'n lul, zij krijgt ook een stuk zeep. De 3e non trekt ook aan z'n lul, zij krijgt ook een stuk zeep. De 4e non trekt ook aan z'n lul.... ze krijgt geen stuk zeep. Ze blijft trekken en trekken en trekken, uiteindelijk zegt ze : he kijk.. shampoo
Er was eens een arme brahmaan wiens vrouw hard moest werken om de eindjes aan elkaar te knopen. Op een dag raadde zij haar man aan om de buurtbewoners te vragen of zij hun dagelijkse huisvuil voor haar deur wilden deponeren. Dit was ongetwijfeld een merkwaardige suggestie, maar de man stelde vertrouwen in haar en hij vond het niet erg om het dorp rond te gaan en de buren hierover te benaderen. Tussen het huisvuil dat zich nu voor hun deur ophoopte bevond zich ook een dode slang. De vrouw van een rijke koopman was dol op juwelen. Van al haar sieraden was zij het meest gehecht aan een gouden halsketting. Toen zij een keer in de rivier wilde gaan baden, deed zij de ketting af en legde deze op de oever neer. Een kraai schoot erop af en vloog ermee weg. In zijn vlucht ontdekte de kraai de dode slang. Hij nam deze mee en liet de gouden ketting liggen. De koopman liet het bericht over het verloren sieraad rondbazuinen en gaf daarbij de belofte dat hij die de ketting zou terugvinden, als beloning kon vragen wat hij wilde. De brahmaan zag het sieraad tussen het huisvuil liggen op de plek waar eerst de slang lag. Hij brandde van verlangen om de ketting te houden, maar zijn vrouw was vastbesloten om hem terug te brengen. Zij nam een bad en deed haar dagelijkse offerdienst aan de god Krishna. Zij kleedde zich in een gele sari, nam de gouden halsketting mee op een koperen bord en klopte bij de deur van de koopman aan. De man was blij dat het verloren sieraad terecht was en vroeg de vrouw wat zij als beloning wilde hebben. De vrouw antwoordde: "Mijnheer, tenzij u driemaal belooft dat u niet boos wordt en dat u mij geeft waar ik u om vraag, wens ik over een beloning verder niet te spreken." De koopman lachte toegeeflijk en herhaalde de belofte driemaal. Daarop vroeg de vrouw: "Moge op de nacht van Divali enkel mijn huis verlicht zijn en laat alle huizen met inbegrip van het uwe in duister gehuld blijven." De koopman was er niet gelukkig mee, maar hij kon zijn belofte niet breken. Hij gaf haar zijn woord. De volgende dag was het Divali, de vrouw plaatste vele lampjes rond haar huis en deed de deur goed achter zich dicht. Zoals elk jaar kwam ook nu de godin Lakshmi uit haar hemels verblijf naar de aarde voor een bezoek. Zij zag dat het overal in het dorp donker was, behalve op één plaats. Dat was het huis van de vrouw. Lakshmi klopte op de deur, maar de vrouw deed niet open. Ze zei: "O moedergodin, we zijn zo arm, we kunnen u niet vereren. Komt u alstublieft niet bij ons." De godin ging weer weg om een andere plaats te vinden. Maar aangezien het in alle andere huizen donker was, moest ze wel terugkomen. Ze smeekte de vrouw om open te doen. De vrouw was echter in het geheel niet aangedaan, ze zei: "Beloof dan dat je ons alles geeft, zodat we jou naar hartewens kunnen vereren." De godin antwoordde: "Ja mijn kind, een overvloed aan rijkdom zal jullie deel zijn en jullie zullen de rest van je leven gelukkig zijn." Vanaf die dag leefden zij in overvloed, gelukkig en toegewijd aan de godin.
Als ik God een paar vragen kon stellen dan zou het net een rechtszaak zijn ,een rechtszaak waarin hij terecht zou staan.De jury zou bestaan uit zijn engelen en satans engelen.Ik zou niet zijn advocaat zijn. ik zou ook niet de advocaat van de wederpartij zijn.Ik zou slechts aanwezig zijn en toch het recht hebben hem te ondervragen ik zou een van de aanwezigen in het publiek zijn eentje zoals je in die amerikaanse showprocessen weleens ziet.Ik zou een van die aanwezigen in het publiek zijn die hem flink wat vuur aan de schenen zou willen leggen.Ik zou een van die boze mensen in het publiek zijn die eigenlijk zou willen spreken.En eindelijk de kans ook kreeg.Ik zou hem vragen en niet bidden ik zou eindelijk direct een antwoord op mijn vraag krijgen.En wie is de tegenpartij eigenlijk? Wie zou het lef hebben om aanklachten tegen de ALMACHTIGE GOD in te dienen.De mens zij zijn de aanklagers van god.Ik zou niet namens de aanklagers spreken ik zou gewoon spreken.Ik zou hem vragen waarom er dagelijks mensen in oorlogen verminkt, vermoord ,verhongerd,mishandeld,uitgebuit en bestolen worden. iedereen zou hem horen maar hij zou toch maken dat ik de enige was die hem begreep God zou zelfs tijdens zijn berechting almachtig zijn hij zou alle vragen eerlijk beantwoorden.Ironisch eigenlijk dat hij op zijn eigen boek zou zweren de waarheid te spreken.God zou uiteindelijk vrijgepleit worden maar niet door zijn engelen en ook niet door satans engelen.God zou door de mens vrijgepleit worden en hoe zou hij/zij en het vrijgepleit worden?! Tja ik kan wel meer vragen bedenken waar ik zelf geen antwoorden op weet.
Nog altijd staat in Bachtsjysaraj op het schiereiland Krim het prachtige paleis van de Khan, in welks tuin een marmeren fontein staat, die water spuit. Volgens de overlevering was het echter geen gewoon water, maar menselijke tranen, die aan lang vergeten leed herinneren.
Eens moet hier Khan Kerim Girej hebben geregeerd, die door geen andere heerser in wreedheid werd geëvenaard. Waarheen hij met zijn Tartarenhorde reed, reed de dood mee. Zonder reden liet hij mensen terechtstellen en dorpen en steden verwoesten. Er was niemand in het hele gebied van de Nederkaukasus en in de ver verwijderde Russische dorpen, die zijn naam zonder vrees en huiver kon uitspreken.
"Hij heeft geen hart in zijn lijf," zeiden de mensen. "Als hij een hart had, al was het ook van steen of ijs, zou het zich tenminste eenmaal verzacht hebben."
Maar de Khan kende geen medelijden. Aan geen enkele smeekbede gaf hij gehoor, en hoe groter de angst van zijn onderdanen was, hoe groter ook zijn tevredenheid.
Zo vergingen de jaren, en de wrede heerser werd oud. Maar zijn veroveringstochten zette hij voort. Zo kwam hij ook in het Poolse land, waar hij ontelbare edelstenen, goud en waardevolle stoffen buit maakte. Maar voor de grootste schat zorgde zijn oppereunuch, die hem een bevallig en schuchter meisje bracht. De vorst kon zijn ogen niet van haar afhouden en gaf orders, haar in zijn harem onder te brengen.
Maria, zo heette deze gevangene, was een jonge, Poolse vorstin. Ze was er getuige van geweest, hoe de Khan het vaderlijk erfgoed in de as legde en de dappere verdedigers liet afmaken.
En toen ze geboeid voor de Khan stond, betreurde ze het, dat ze zich ook niet het leven had benomen. Toen ze eenmaal in Bachtsjysaraj was, dacht ze er niet anders over. Hoewel de Khan het meisje als zijn oogappel koesterde en haar persoonlijk uitgelezen spijzen, kostbare gewaden en sieraden bracht, kwijnde ze langzaam weg van verdriet.
Maar ook de grijsaard, die voor het eerst van zijn leven had ontdekt, wat oprechte liefde betekent, had verdriet. Zozeer vreesde hij voor het leven van zijn uitverkorene, dat bij iedere zonsondergang zijn hart scheen te breken en bij iedere avondschemering leek het stil te staan.
Maar zoals een zeldzame en kostbare vogel zelfs in een gouden kooi niet leert zingen, zo kon het meisje ook in Bachtsjysaraj niet leven. Iedere dag werd ze bleker en haar ogen doffer door de vele tranen die ze vergoot. Tot ze op een dag haar ogen voor altijd sloot...
Toen moet de Khan voor het eerst in zijn leven gehuild hebben. Hij huilde grote en met bloedbevlekte tranen en het leek wel, of hij met deze tranen zijn lang, wreed en onbarmhartig leven beweende. Overmand door verdriet begaf hij zich naar de voorhof, waar hij de steenhouwer Omar zag.
"Jou heb ik juist nodig," zei hij. "Ik weet, dat je uit steen ware wonderen kan verrichten, en daar het mijn wens is, dat de mensen van mijn grote verdriet kennis zullen nemen, moet je een kunstwerk scheppen, waaruit duidelijk mijn diepe droefheid spreekt..."
Aanvankelijk antwoordde de steenhouwer niet. Met indringende blik keek hij de grijsaard aan.
Toen zei hij: "Het is de eerste maal, heer, dat we tranen in uw ogen zien. En omdat uw wangen tranen tonen, kan ook ik de stenen tot huilen brengen. Maar denk niet, dat u de enige bent die door het ongeluk wordt getroffen! Duizenden en nog eens duizenden weerloze mensen hebt u van alle levensvreugde beroofd en hun tranen hebt u nooit willen zien. Ook mij hebt u als slaaf uit Perzië ontvoerd; u hebt mijn familie omgebracht en mijzelf onteerd. Als mijn werk mocht slagen, weet dan, dat het niet alleen van uw ongelukkige liefde zal spreken, maar ook van mijn leven, dat door uw wreedheid zo ten gronde werd gericht."
Nog slechts enkele dagen geleden zou de Khan hem voor zulke aanmatigende woorden aan de beul hebben overgeleverd. Maar nu leek hij ze niet te horen en zei alleen, dat de steenhouwer zo snel mogelijk met het werk moest beginnen.
De steenhouwer hield zijn belofte.
Op dezelfde plaats, waar de grijsaard met hem gesproken had, verrees een fontein van grote schoonheid. In het koele marmer beitelde hij bloemen, en in elk bloemenhart een menselijk oog.
Toen hij de laatste bloem had afgemaakt en de beitel uit zijn hand legde, gebeurde er, wat hij had voorspeld: uit de ogen, die hij in het midden van de bloemen had gebeiteld, vielen duizenden en nog eens duizenden tranen, die tot ontelbare bronnen samenbruisten en waaruit een zacht huilen weerklonk.
Zegt de man: -we hebben nu 16 kinderen,het is genoeg, ik ga op zolder slapen-. Zegt zijn hoogblonde vrouw- Herman, als het helpt kom ik bij je liggen !
In Afrika, een land heel ver hier vandaan, woont Lonnie de leeuw. Lonnie ziet er heel gevaarlijk uit, met grote scherpe tanden en hele mooie manen. Maar hij voelt zich niet gevaarlijk. Elke keer als zijn broertjes en zusjes hem mee vragen om de kleine hertjes op te jagen, moet hij weer een ander smoesje bedenken. Hij wil helemaal niet op hertjes jagen! Hij wil juist met ze spelen, en stiekem, heel stiekem, doet hij dat soms ook. Eerst renden bijna alle hertjes voor hem weg, behalve één hertje, het oudste hertje. Die bleef dapper, maar toch een beetje trillend op zijn benen staan. ‘blijf van mijn vriendjes af!’ zei het met een bibber stemmetje. ‘maar ik wil alleen maar spelen!’ zei hij toen. ‘ik wil niet op jullie jagen!’ en gek genoeg geloofde het hertje hem ook nog. ‘Oké dan, ik heet Jesse’ zei het hertje toen. ‘en ik ben Lonnie’ antwoordde hij.
Maar nu moet Lonnie wel mee hertjesjagen, omdat zijn vader meegaat! ‘Lonnie, mijn zoon’ riep hij op een keer met zijn zware bromstem. ‘Lonnie, ik wil jou nou wel eens een keer zien jagen. Ik weet al van mijn andere zonen, dat zij het al kunnen, maar van jou heb ik het nog nooit gezien.’ ‘M-maar vader! Ik, ehm, ik ben al heel vaak op hertjesjacht geweest hoor! Ik - Ik...’ ‘Niks geen gemaar en ge-ik, mijn zoon. Het maakt me niet uit hoe vaak je al op hertjesjacht bent geweest, ik heb het nog nooit gezien. Dus morgen ga ik met je mee.’ ‘Oké vader, is goed vader’ antwoordde Lonnie toen maar.
Zo snel als hij kon rennen, ging hij naar Jesse en zijn vriendjes toe. ‘Jesse, Jesse! Je moet je morgen verstoppen! Jij en je vriendjes, iedereen!’ hijgde Lonnie buiten adem. ‘maar waarom? Ik dacht dat we tikkertje gingen spelen morgen?’ vroeg Jesse toen. ‘Ik moet van mijn vader op jullie jagen, terwijl hij mee gaat! Ik kan er niet onderuit komen, dat kan gewoon niet!’ Lonnie was helemaal in paniek. ‘vertel je vader dan dat je altijd met ons speelt!’ zei een dom, klein, jong hertje. ‘ik kan het toch niet aan mijn vader vertellen? Wat zal hij wel niet denken! Ik moet groot en stoer zijn! Ik moet op hertjes jagen, niet met ze spelen!’ ‘Lonnie! Waar zit je jongen?’ hoorde hij zijn moeder roepen. ‘ik kom al mama!’ schreeuwde Lonnie terug. ‘sorry, jongens. Ik moet gaan. Verstop jullie morgen echt goed hoor! Zwem naar de andere kant van de rivier, dan kan vader jullie niet ruiken. ‘Is goed, Lonnie.’ Zeiden alle hertjes in koor.
De volgende morgen was het zover. Lonnie moest op jacht. Hij werd er ziek van, zo erg vond hij het om op zijn vriendjes te jagen. Maar hij had geen keus. ‘kom op, mijn zoon! Laat de jacht beginnen!’ brulde vader leeuw. ‘Maar papa, ik heb zo’n buikpijn! En met kleine teentje doet zo zeer.’ Zei lonnie. Maar dat verzon hij natuurlijk, omdat hij niet mee wilde. ‘Niet zeuren, mijn zoon. Je wordt er later een grote, sterke leeuw van, als je nu eventjes doorbijt.’ Lonnie wist het. Er was geen ontsnappen aan. Dus nadat mama leeuw hem een dikke kus en een stevige knuffel had gegeven, ging hij met vader leeuw mee. ‘doe je best jongen! Vang maar een lekker sappig hertje voor me! Dan eten we die vanavond op om te vieren dat je je eerste maal hebt gevangen!’ brulde mama leeuw hem nog snel na.
Na heel lang zoeken naar de hertjes, kwamen Lonnie en zijn vader bij de rivier aan. En wat zagen ze daar? Hertjes! ‘O nee’ dacht Lonnie. Wat doen ze hier nog? Ik moet ze daar weg krijgen, voordat vader ze in de gaten heeft. ‘Vader?’ ‘Ja mijn zoon. Wat is er?’ ‘Uhm… ik moet naar de wc toe, vader.’ ‘Vooruit dan maar. Ga daar maar in e bosjes zitten.’ Zei vader leeuw, terwijl hij naar de rivier wees. Snel ging Lonnie naar de bosjes toe, maar hij moest natuurlijk niet echt plassen, hij ging de hertjes gewoon waarschuwen. ‘Jongens, wat doen jullie hier nou!’ fluisterde hij naar de hertjes. ‘Lonnie? O nee! We moesten ons verstoppen, dat was ik helemaal vergeten!’ zei Jesse. Maar het was al te laat. Daar kwam vader leeuw aangelopen. ‘Lonnie! Wat zie ik nou? Heb je wat hertjes te pakken, wat mooi! Die grote daar, die zit er sappig uit! Laten op hem gaan jagen.’ ‘Is goed vader!’ zei Lonnie dapper. Hij knipoogde naar de hertjes, en de deden net alsof ze heel erg schrokken. Één voor één renden ze naar de rivier en sprongen ze er met een grote plons in. Maar 1 van de hertjes kon nog niet zwemmen! ‘O nee, wat moet ik nu doen?’ dacht Lonnie. ‘Ik kan dat hertje toch niet gewoon laten verdrinken?’ snel plonsde ook hij de rivier in en zwom naar het hertje toe. Hij pakte haar in zijn bek en zwom terug naar de oever. ‘Uche, uche.’ Hoestte het hertje zachtjes. ‘bedankt dat je me gered hebt!’ het was het kleine zusje van Jesse. ‘graag gedaan, Minka.’ Zei Lonnie.
Maar wat is dat? Zag Lonnie’s vader dat goed? Redde Lonnie dat hertje nou? ‘Wat is hier aan de hand? Lonnie, leg dat eens aan me uit!’ brulde hij boos. ‘V-vader… ik-ik.. ik…’ stotterde Lonnie verschrikt. ‘hij is onze vriend!’ schreeuwde Jesse ineens vanaf de overkant van de rivier. Snel zwom hij naar Minka en Lonnie toe, en ging voor hem staan, nog net zo dapper, maar met trillende beentjes, als toen hij Lonnie voor het eerst zag. ‘Nou, nou!’ bulderde vader leeuw van het lachen. ‘is dat zo kleintje? Je hebt wel lef, dat moet ik toegeven, maar dit is iets tussen mijn zoon en ik.’ ‘het spijt me v-vader. Maar het zijn echt mijn vriendjes! Ik ben niet z dapper en gevaarlijk als mijn broertjes. Als u mij nu niet meer wil, ga ik wel bij de hertjes wonen.’ Snotterde Lonnie verdrietig. ‘Maar zoon, ik vind je juist wel dapper! Het is dapper dat je jezelf durft te zijn, en daar gaat het om!’ opgelucht gingen Lonnie en vader leeuw, samen met alle hertjes, terug naar huis. En die avond kwam er ook echt een feestmaal met hertjes, maar dan alleen níet met hertjes als eten.