Gedachtespinsels en andere kronkels, waargebeurd en waargebeurd verzonnen van een Neder-Waalse.
ik ben Loewiesa ik ben belgo-néerlandaise of neder-waalse Ik woon in "Le Hainaut" In dit blog probeer ik te schrijven over dingen die mij aan het denken zetten dingen die mij aan het lachen maken dingen waarover ik me zorgen maak en dingen die ik gewoon uit mijn duim zuig
Uit de luidspreker komt de typische “niks-aan-de-hand-muziek” het gastvrije masker van de supermarkt, want de muziek bepaald immers de toon of is het omgekeerd? Een oude man schuifelt door de winkelrijen met een piepend winkelkarretje. In zijn hand klemt een papiertje met de grote beverige letters van héél oude mensen. Hij lijkt wat verloren. Hij spreekt een vakkenvuller aan “Mijn vrouw is overleden en nu moet ik de boodschappen doen, maar ik vind niets, waar staat het hondenvoer?”
De jongen wijst zonder verder op te kijken. “Naast het kattenvoer”
De oude man knikt langzaam, alsof hij die logica probeert te begrijpen. “En waar staat het kattenvoer…? “Daar heb ik nu geen tijd voor” zegt de jongen, die ik net nog heb zien lachen met een collega vakkenvuller, zonder verder op te kijken.
Ik krijg medelijden met de oude man en denk aan mijn oude vader die zich indertijd ook zo verloren voelde na het overlijden van mijn moeder, zoekende naar het merk dat mijn moeder ook altijd kocht, het even kwijt, dat mijn moeder in meerdere winkels boodschappen deed.
“Kan ik u helpen?” hoor ik mijzelf, die tijd in overvloed heb, zelfs als ik die niet heb, vragen.
4 uur s ’nachts kent al mijn geheimen. Niet dat ik veel geheimen heb. Mijn geheim stopte op een warme lentedag 10 jaar geleden toen zijn zoon mij belde om te zeggen dat zijn vader een hersenbloeding had gehad. In de telefoon van zijn vader had hij onze veelvuldige berichtjes gezien. En zo maakte ik onverwacht kennis met zijn zoon en met zijn ouders en met… de olifant in de kast en die blies met zijn lange snuit, heel ons verhaaltje uit…
En verder ben ik ’s nachts, een soort Marie Kondo* op speed en krijg ik wanneer ik weer eens niet kan slapen, zin mijn kledingkasten te legen en te herschikken. Mijn planken puilen uit, wanneer ik er iets uit wil halen valt de helft eruit. Ik stoor me er mateloos aan. Ik maak stapels, van mijn truien, van mijn bloesjes, mijn jurken en mijn broeken en op raad van diezelfde Marie Kondo, vraag ik me af of ze me nog gelukkig maken. Mijmerend in mijn warm bed zie ik het helemaal voor me, mijn kast helemaal op orde.
De zolder opruimen, zodat mijn kinderen later niet met mijn rommel blijven zitten. Hoewel één van mijn dochters al heeft laten weten, dat alles “gewoon naar de container gaat” dus dat zolder opruimen kan ik in feite met een gerust hart uitstellen, maar toch… Toch blijf ik het doen. Nachtelijke plichtsgetrouwheid is hardnekkig.
Ontspullen heet dat tegenwoordig. Heerlijk, ik voel me bij de gedachte alleen al helemaal zen.
Zelfs mijn gang krijgt een make-over: de muren krijgen eindelijk die tweede laag verf, Een mooie Feng-Shui plant in de nis waar nu een schoenenkast staat. Alles is mogelijk om vier uur ’s nachts.
En dan dat eigen boek of een bundel met korte verhalen dat ik van plan ben te gaan schrijven. Want als ik andermans boeken en verhalen lees, denk ik; dat doe ik ook wel even. Want in de nacht geloof ik in mezelf zonder moeite.
Uiteindelijk val ik in slaap. De volgende ochtend zit ik, moe met mijn beker vers gezette koffie, voor mij uit te staren. In mijn hoofd liggen de stapels uit te zoeken kleding nog steeds op mijn bed en op de grond en overal. Waar moet ik met al die spullen naar toe? En zei mijn moeder niet ooit? “Je moet nooit iets weggooien, de mode is een eeuwig terugkerend fenomeen” De ochtend heeft mijn grootse plannen geruisloos weer laten verdwijnen.
Marie Kondo * Japanse schrijfster van o.a. het boek: De levens veranderende magie van het opruimen
Tijdens een tussenlanding op de Nederlandse luchthaven Schiphol, dat labyrint waar zelfs Google Maps de weg kwijtraakt verdwijnt een 78-jarige Hongaarse man spoorloos. Zijn zoon in Florida is in totale stress. Hoewel zijn vader helemaal geen schuwe man is en behalve Hongaars een paar woorden Duits spreekt, komt hij, volgens zijn zoon uit een andere wereld en is aan een overweldigende wereld als Schiphol gewoon niet gewend. De Nederlandse Marechaussee is in opperste staat van paraatheid, camera’s worden teruggespoeld…
En waar blijkt meneer uiteindelijk te zitten?
In een Amsterdams hotel.
Hij wilde juist een massage bestellen…
Alsof hij had gedacht: “Amsterdam? Daar hoorde ik vroeger in mijn jeugd al verhalen over. De stad waar alles mag, De stad van de Flower Power en de hippies. De stad van the open-minded De stad, waar je ongestoord op elke hoek van de straat van bil kan gaan, inclusief een lijntje coke. Waar je de politie gewoon kan vragen hoe dat snuiven nou precies moet en je netjes gedegen uitleg krijgt… Het is nu of nooit!”
Het is weer zo ver. We worden er weer eens met onze neus opgedrukt. Valentijn is in het land. Zaterdag 14 februari de liefdevolle geluksdag. Voor de een gewoon commerciële volksverlakkerij en voor de ander hèt moment om luidkeels te verkondigen hoe verliefd ze wel zijn en hoe veel ze wel van elkaar houden. Alsof dat niet gewoon kan, elke dag, het hele jaar door.
De winkels vol met vreemde snuisterijen en alles is in het rood gekleurd. De prijzen van de bloemen swingen de pan uit. Pralines, cakes en andere taartjes in hartjes vormen. Bij de Lidl heb ik zelfs heel enge, onsmakelijk uitziende roodgekleurde ravioli gezien. (Harmonicaman had zelfs een aardappel in die vorm, hij heeft hem opgegeten (met rode kool) en nu maar hopen dat hij er niets van krijgt.)
Alles lijkt alleen nog maar voor twee bestemd, en overal die zoetsappige sentimentele glitterkaartjes. Sommige vrouwen moeten misschien wel zo’n eng, slecht zittend, vulgair setje aantrekken om hèm te plezieren.
En daar zit je dan in je zetel, in je eentje, stug volhoudend hoe gelukkig je wel bent dat je vanavond tenminste je eigen tv-programma mag kiezen. Ondertussen biedt je dapper weerstand aan de universele druk om vandaag met iemand chocolade in hartvorm te delen. Delen? Ik eet die chocolade zelf op, iemand moet tenslotte van mij houden.
Als Neder-Waalse of als Waalse-Nederlandse, afhankelijk van de dag, volg ik het nieuws van overal. En soms valt er iets op dat niet alleen een land, maar vooral een systeem ontmaskert. Zo las ik gisteren iets over de algoritmes die ervoor zorgen dat de mensen van de reclassering een goede inschatting kunnen maken van het risico te hervallen van veroordeelde misdadigers. Een inschatting die heel belangrijk is voor adviezen waarop rechters straffen baseren. En hiermee gaat het in Nederland al sinds 2018 fout.
”De formules die gebruikt worden voor de inschatting van recidive bij gedetineerden en niet-gedetineerden zijn met elkaar verwisseld. Hierdoor wordt de kans op recidive bij niet-gedetineerden hoger ingeschat, en bij gedetineerden juist lager” (NOS)
Jarenlang werd er gerekend met verouderde Zweedse data, werden cruciale variabelen door elkaar gehaald en vergat men bijvoorbeeld psychiatrische aandoeningen mee te nemen. Eén op de vijf voorspellingen zat ernaast. Dat is geen kleine foutmarge als het gaat om het al dan niet vrijlaten van mensen. Het rapport noemt het “gênant” en dat is nog zacht uitgedrukt.
Maar in het klein, en misschien niet zo belangrijk, maar voor mij toch ergerlijk genoeg, zie je hetzelfde hier bij Seniorennet. Een platform dat ooit bedoeld was om mensen te verbinden, maar waarvan de algoritmes al jaren lijken te draaien op een soort digitale Alzheimer.
Je klikt uit nieuwsgierigheid eens op een blog dat helemaal bovenaan staat, een oude bekende, helemaal uit het niets. En wat blijkt: sinds 2017 is er niets meer geschreven, geen foto’s, geen commentaren, geen beweging. En toch blijft het algoritme haar naar voren schuiven, als een digitale geest, alsof het systeem weigert te erkennen dat de tijd voorbijgaat. Ergens is dat ontroerend, eeuwig nummer één, en leuk voor de familie, een soort Bohemian Rhapsody van de platvorm, maar ook een beetje pijnlijk.
Tot iemand de moed vindt om op “opschonen” te drukken. Want wat zegt het over een platvorm als de doden bovenaan blijven staan omdat niemand het systeem nog begrijpt, laat staan onderhoudt?
Een systeem dat ooit met goede bedoelingen is gebouwd, maar die zonder zorg, kennis of kritische blik langzaam ontspoort.
Vandaag was het de verjaardag van mijn broertje, hij zou 70 jaar geworden zijn als hij in diezelfde maand in 2002 geen einde aan zijn leven had gemaakt. Het paste wel bij hem, dat plotselinge einde. Hij deed altijd alles anders. Altijd in voor iets nieuws, altijd aan het experimenteren, iets waar het Amsterdam van de jaren zeventig royaal in voorzag. Hij had zijn eigen verhaal, zijn eigen demonen, zijn eigen keuzes.
Hij had een briefje voor mijn ouders achtergelaten waarin hij schreef dat het niet hun fout was geweest. Maar toch… Ik weet nog hoe kwaad ik toen was, kwaad op hem, op de wereld, op zijn foute vrienden en vriendinnen, op mezelf omdat ik hem niet had gezien, niet had kunnen tegenhouden, niet had… ja, wat eigenlijk. Alsof ik hem ooit had kunnen stoppen. Hij was altijd onderweg naar een plek waar wij hem niet konden volgen…
Vandaag merk ik dat mijn gevoelens veranderd zijn. De kwaadheid is niet weg, kwaadheid gaat nooit helmaal weg. Maar ze is gestopt met grommen. Ze zit ergens achteraan, als een hond die eindelijk is gaan liggen. Wat overblijft is iets anders, geen vergeving of begrip, maar een soort van onverschillige zachtheid.
Het verdriet van mijn ouders was het moeilijkst. Dat stille verdriet dat altijd aanwezig was. Dat briefje “het was niet jullie fout”. Alsof een schuldgevoel zich zomaar laat wegschrijven.
En toch mis ik hem, zijn rare ideeën, zijn plotselinge plannen, zijn manier om alles net anders te doen dan de rest. Dan vraag ik mij af hoe hij zou denken over de tegenwoordige toestand in de wereld. Wij zouden waarschijnlijk ruzie krijgen, elk onze eigen overtuiging, en hij zou kwaad weglopen. Zelfs zijn koppigheid mis ik, af en toe.
En iedere keer als weer even terug ben in mijn stad, kom ik hem tegen en loopt hij een stukje met mij mee.
Onlangs een mooi verhaal gehoord van mijn buurman die bij de gemeente werkt.
Hij had dit verhaal van een collega die op het kerkhof werkt. Het speelde in de zomer, het was warm, héél warm, zo warm dat de mussen dood van het dak vielen, maar dat is een ander verhaal…
Er moest een put gegraven worden. De grafgraver nam halverwege de kuil even een rustpauze zoals alleen gemeentearbeiders dat kunnen doen. Leunend op het handvat van de schop, het zweet van zijn hoofd wrijvend en ondertussen mijmerend alsof hij in hangmat lag in plaats van in een half gegraven graf.
En toen gebeurde het.
Een ijselijk gegil sneed door het stille kerkhof. Het bleek afkomstig van een dame die een graf iets verderop wilde bezoeken. Ze had, vanaf een afstandje, de kale schedel van de doodgraver nèt boven de rand van de kuil zien bewegen. En waar een ander misschien even zou knipperen, koos zij voor de optie, gillend wegrennen alsof de doden daadwerkelijk waren opgestaan.
Later toen ze weer enigszins bij haar positieven was zei ze, dat ze “het leven had voelen wegtrekken” De grafgraver zei dat hij “het liefst óók was weggerend, maar ja, iemand moest die put afmaken.”
Sindsdien heeft de gemeente een nieuw protocol ingevoerd: Elke werknemer op het kerkhof is verplicht een fluorescerend hesje en een daarbij passend petje te dragen. Niet voor hùn veiligheid, maar om te voorkomen dat bezoekers denken dat de doden tegenwoordig ook aan reflecterende werkkledij doen. De administratie is zo al ingewikkeld genoeg zonder spontane wederopstandingen.
“This is where the Magic Happens” stond er op het vlijmscherpe deksel van het blik dat zojuist de knokkel van mijn linker middelvinger bijna tot op het bot had gefileerd terwijl ik de blikken en drankkartons nog eens extra stevig in de blauwe pmd-zak probeerde te duwen want ”ons bin zuunig” * en er kon nog best wat bij.
Bloedend als een rund liep ik op zoek naar eerst maar een doekje tegen het bloeden en de gapende wond dicht te drukken. Daarbij moest ik, met één hand, de verbanddoos open zien te krijgen. Even een dilemma, werd het een pleister, of toch maar een gaasje? Ondertussen hield ik mijn gewonde hand onder de stromende kraan, terwijl ik ondertussen met mijn goede hand het zakje van het steriele gaasje open prutste.** En waar was in hemelsnaam die rol hechtpleister…?
Na een hoop gedoe met één hand en bloed overal was mijn vinger verpakt in een keurig wit gaasje dat niet lang wit bleef. Ik heb het nog een paar keer moeten vervangen en uiteindelijk gekozen voor een pleister.
Daarna begon het echte werk, het opruimen van de bloedspatten of beter gezegd, het wissen van de sporen. Een spetter hier, een veeg daar. Als een forensisch expert op een PD maar dan zonder wit pak en zonder lampjes reconstrueer ik de vorm, de grootte en de verspreiding van het bloed.
De sporen leidden me de trap op, richting mijn slaapkamer waar de verbanddoos staat. Op elke trede een vage afdruk, een stipje, een veeg. In de badkamer hetzelfde verhaal, een minuscuul stipje op de rand van de kraan… En telkens wanneer ik dacht dat ik klaar was, zag ik weer iets. Daar… nog een dunne lijn langs het keukenkastje. Het was alsof ik een rondedansje had gemaakt en elke oppervlakte leek te fluisteren “Ik weet wat je hebt gedaan”.
Het blik met het scherpe deksel stak nog steeds uit de blauwe pmd-zak, precies op de plek waar het zijn aanval had ingezet. Het glom onder het licht, alsof het trots was op zijn werk. “Magic Happens.”
En terwijl ik de pmd-zak dichtknoopte, stak mijn eigen middelvinger, dik ingepakt en licht kloppend, als een stille protestvlag de lucht in. “Magic Happens.”
*Refereert aan een reclamecampagne met Hollandse meid met rode appelwangen, gestoken in Zeeuwse klederdracht, een pakje boter in de hand, met de tekst: “Ja, ja, ons bin zuunig”.
“Ik heb mandarijntjes gekocht “vertel ik aan harmonicaman tijdens ons dagelijks telefoongesprek. “Het zullen wel clementines zijn” zegt de allesweter, die meteen in zijn rol als citrus-orakel schiet.
“Oh ja?” vraag ik, benieuwd wat hij nu weer gaat vertellen. “Dat heeft mijn groenteman mij eens verteld” gaat hij verder, “Clementines zijn er iets eerder dan mandarijnen.”
“Oh” zeg ik. Ondertussen zijn wij al februari en zijn de beide winter vruchten al weken in mijn supermarkt. Maar Harmonicaman tegenspreken… of in discussie gaan dat is zoals proberen aan onze César uit te leggen dat de zetel eigenlijk niet van hem is.
Hij heeft een encyclopedie in zijn hoofd vol met weetjes die niemand ooit heeft geverifieerd en ik al zeker niet, maar die hij met de zekerheid van een paus verkondigt.
En ik knik, wijs, met die rustige soort wijsheid waarmee ik Harmonicaman al jaren overleef en eet mijn mandarijntje.
dit blog ondersteunt oude spelling nieuwe spelling oude nieuwe spelling onnodig Frans onnodig Engels verkeerd geplaatste leestekens stijl en spelfouten
OVER VRIJE MENINGSUITING!
"Het mooie van vrije meningsuiting is dat je altijd weer verrast wordt door de schaamteloosheid van degenen die haar willen beknotten"
THEO VAN GOGH (vermoorde columnist en cineast)
OVER LIEFDE
"LIEFDE IS DAT JIJ HET MES BENT WAARMEE IK IN MIJZELF WROET"