Luc Verbeke : Recente politieke en andere actualiteiten - Vlaamse Beweging - Frans-Vlaanderen - 150 eigen gedichten ( 1944 tot nu )
12-10-2012
Voor Maria...Nu jij
Nu jij er niet meer bent, ben je mij nog meer nabij dan ooit voordien. Al kan ik je niet met eigen ogen zien, ik zie je als weleer in alle dingen die me hier omringen. Een open plaats aan tafel recht tegenover mij, en ook in bed naast mij, waar ik jouw warme hand niet voel, alleen mijn eigen koele handen, terwijl ik kijken blijf naar de open kast vóór mij met kapstokken vol herinneringen, met blouses, rokjes, jas en overjas en kleren allerlei. Ach, Maria, kwam je hier maar weer, maar goed, dat kan niet meer, je bent nu bij de Heer waar ik bij jou ooit wederkeer.
Luc Verbeke
3 februari 2012 ( na het overlijden op 6 en de begrafenis op 14 januari 2012 )
11-10-2012
Liefste Maria, geen dag...
Geen dag gaat voorbij zonder dat ik even aan jou denk. Bladerend in de jaren van jouw leven, zie ik het jonge, frêle meisje, één jaar voorop vanaf de eerste kleuterklas tot in de tijd dat jijzelf stond in de klas en ik je leerde kennen in jouw thuis, dankzij jouw broer, mijn vriend uit de normaalschooltijd. Zo vonden wij mekaar na enkele jaren, tot wij uiteindelijk mekaar ook trouw beloofden voor het leven en die trouw ben jij tot jouw allerlaatste dag gestand gebleven.
Luc Verbeke 4 maart 2012
Maria is gestorven op 6 januari 2012
Herinnering
In alles wat hier staat, jouw stoel jouw plaats aan tafel, het kopje koffie met soms wat melk, een boterkoek er bovenop, herinneren mij aan jou. En wat je in beweging bracht: jouw rolstoel of rollator, ze staan nu stil en wachten werkloos af. Helaas, 'k besef het pas des morgens elke dag, jouw werk is af.
Luc Verbeke 2 juni 2012
10-10-2012
De traplift...Voor Maria
De traplift op, één na één, zo was het dan als wij slapen gingen, maar nu stijg ik alleen.
De traplift af, één na één als wij des morgens daalden voor koffie en ontbijt maar nu daal ik alleen.
Het scheen bijna geprogrammeerd: opstaan, eten, werken, slapen gaan, in bed en een warme knuffel na gezamenlijk gebed.
En 's morgens vroeg hetzelfde ritueel maar met erbij, onontbeerlijk, de gazet, voor de nieuwtjes die ik aan haar vertellen kon, als zij, mijn lieve, eens uit bed aan het ontbijt begon.
Luc Verbeke
27 augustus 2012
09-10-2012
Ik meet de tijd...
Maria,
Ik meet de tijd aan de dagen die voorbij zijn sinds jij er niet meer bent, een tijd van eenzaamheid en van verlatenheid omdat ik niet meer met je spreken kan en wennen moet aan jouw afwezigheid. En toch, geen nachten gaan voorbij zonder dat ik je terugzie in mijn dromen. Dan lig je weer naast mij of je zit bij mij aan tafel, of beter nog we spelen met onze kinderen erbij in het zilverwitte zand van Zandgat of Witzand, ons vast vakantieoord in het Vlaamse zuiden, dat nu als Noord helaas bij Frankrijk hoort. O mooie droom, duur nog maar voort.
Luc Verbeke
P.S. Maria ( ° Desselgem 08-01-1926- + Waregem 06-01- 2012)
08-10-2012
Overmorgen...
En als ik dan thuis zal zijn, zal ik bevrijd blijven van alle pijn? Zal ik weer als vroeger zijn? Niets dan vragen, vragen voor mij, vragen. Kan ik nog rijden met mijn wagen? En als ik de klokken weer hoor luiden, kan ik als vroeger naar de zondagsmis? Ja er is zoveel dat ik niet weet, alleen maar gis, maar ik kom wel thuis gewis.
Luc Verbeke
11 november 2012
Morgen...
Voor de laatste dag zit ik hier te turen door het brede raam verlangend naar mijn huis. Daar was het dat Maria bij mij was. Over haar foto die hier twee maanden bij mij stond kijk ik uit over de twee grote kranen en een kleine berkenboom met vergeelde blaren als bloemtuilen aan hun takjes, waarop een late mus nog wipt van hak op tak. Ik groet je allemaal. Vaarwel. Morgen ben ik thuis.
Luc Verbeke 11 november 2012
Maria, sinds je mij...
Maria, sinds je mij, helaas, te vroeg verliet werd dit huis voor mij ' Het huis van groot verdriet '
En toch als ik zoveel leed op deze wereld weet, lijkt zo miniem dit groot verdriet.
Als onrecht, oorlog en vervolging ononderbroken in zoveel landen, schreit en schreeuwt, met duizenden bebloede kinderen, en miljoenen lijdende mensen in hun gevecht tegen de dood, dan lijkt het leed, dat ikzelf het beste weet en elke dag blijft knagen, zo bitter klein dat elkeen het vergeet.
Ondanks dit alles blijft, Maria, sinds jij mij hier voorgoed verliet, dit huis voor mij ' het huis van groot verdriet '.
Luc Verbeke
3 september 2012
07-10-2012
Hugo Claus . Familie. Leven en werk.
Nadat het " Verdriet van België " van Hugo Claus na 25 jaar weer in het brandpunt van de belangstelling stond ( Zie o.m. De Standaard 14 maart 2008 en tal van volgende nummers ) willen we enkele persoonlijke herinneringen neerpennen over zijn grootvader Maurits Claus ( ° Poperinge 6 oktober 1878 - + Kortrijk 26 november 1967 ) Op zijn rouwbrief lezen we o.m. " Ere-Diocesaan Inspecteur L.O. - Weduwnaar van Mevrouw Valentine Dieperinck - Kruis Pro Ecclesia et Pontfice - Ridder in de Kroonorde - Lid van al de Confrerieën van Sint - Rochus " We hebben hem heel goed gekend want dankzij hem kreeg ik een betrekking als onderwijzer in de Kind-Jezusschool op het Gaverke in Waregem. Hij bezocht mij daar meermaals in mijn klas, wist dat ik gedichten schreef en bezorgde mij een vers van hem " Het Maantje " waarover hij mijn oordeel vroeg en dat wij hieronder ook afdrukken. De inspecteur was een goed lesgever bij klasbezoek. Hij deed dit luchtig en hij vond het prettig even de klas op stelten te zetten. In 1984 werd ikzelf benoemd als diocesaan - inspecteur van de regio Waregem - Kortrijk en ik heb dus ook in de vele lagere - en kleuterscholen in zijn spoor gelopen. Toen ik nog schoolhoofd was in de Jongensschool van Nieuwenhove-Waregem heeft een dochter van hem nog een korte tussentijdse betrekking in mijn school verricht. Ik vermoed in 1970. Ik heb haar toen over het werk van neef Hugo gesproken.
Het maantje. ( Spelling van toen )
Alomme valt nu d' avond. De maan schijnt rustig en schoon En tuurt door al de ruitjes Van onze kleine woon.
Wat voor nieuwsgierig maantje Met zijn bolrond gelaat Me dunkt zou willen weten Wat er binnen ommegaat.
Wel, lieve 'k zal 't U zeggen Voor ik mijn venster sluit We zijn zoo moe van werken En we rusten nu wat uit.
We zitten rond het stoofke In stillen kring bijeen Met onze goede moeder En praten ondereen.
En blijft ge nu daarboven Nog wat te kijken staan Dan zult ge ons zien bidden Vóór wij te slapen gaan.
En wijl ge dan stil voorbijglijdt Met uwen sterrenstoet Dan rusten wij stil en innig In Godes Hand behoed.
M. Claus
De familie Claus is eigenlijk afkomstig uit Dentergem en omliggende gemeenten. De oudst bekende met geboortejaar is Arnoldus Claus ( Markegem 1661 ) Een verdere nakomeling is Pieter junior Claus ( ° Dentergem 29 september 1813 - + Dentergem 23 augustus 1875 ) gehuwd met Ghislena Debouwer ( ° Dentergem 10 juni 1812 ). Ze baatten in Dentergem een herberg uit m.n. ' In het Kruysse ' Ze hadden zes kinderen , onder wie Eugeen ( ° 7 juni 1852 ) , vader van Maurice, geboren in Poperinge in 1878 ( zie boven ), grootvader van Hugo, en die zoals gezegd in Kortrijk diocesaan inspecteur werd. ( Cfr.o.m. Eric Bekaert in ' De Roede van Tielt ' 37e.Jg. nr.2, april-mei-juni 2006 )
De familie Claus bevolkte de hele omgeving van Markegem, Dentergem, Wakken. In mijn geboortedorp Wakken ( buurgemeente van Markegem ) was in mijn kinderjaren Juul Claus onze kapper. Zijn zoon Robert ( enkele jaren ouder dan ik ) volgde hem op en als ik in Waregem woonde ben ik nog vaak terug naar hem gegaan. In Wakken was er toen ook nog de bekende winkel van Zoé Claus. Het is niet onmogelijk dat ook de grote schilder Emiel Claus ( ° St.-Eloois-Vijve 27 september 1849 - + Astene 14 juni 1924 ) tot die stam behoorde want zijn vader en zijn overgrootvader zijn Wakkenaars : Zijn vader was Alexander Claus ° Wakken 23 september 1794 - + St.-Eloois-Vijve 2 mei 1873. Zijn grootvader was Carolus Claus uit Wakken. Tussen 1829 en 1844 bewoonde de familie Alexander Claus het ' Maison de Commerce ' een herberg, die ik goed heb gekend omdat mijn oud-klasgenoot in de Normaalschool en trouwe vriend André Dewaele daar heeft gewoond. Die straat heet nu ook de Emiel Clausstraat. ( zie blog Het Vijvenaarke van Maurice Deketele ) Familiekundigen zouden na moeten gaan welke familiebanden er zijn met de familie van Hugo in de hele regio.
Inspecteur Maurits Claus was niet enkel de grootvader maar ook de peter van Hugo. Vandaar de naam Hugo-Maurits. Hij komt vaak in het werk van Hugo voor, ook in " Het Verdriet van België ". Dit is eveneens het geval voor Jozef, de vader van Hugo. Die was drukker - uitgever. Hugo schrijft schertsend dat hij de scholen afliep om zijn waar te verkopen en daarbij in de kloosterscholen zijn paternoster uit zijn broekzak liet hangen...als probaat middel. Jozef was de oudste zoon van Inspecteur Maurits en was gehuwd met Germaine Vanderlinden. En Hugo is hun oudste zoon, geboren in Brugge op 5 april 1929. In 1931 verhuist het gezin van Brugge naar Kortrijk en Hugo moet al op kostschool. Vanaf zijn vierde levensjaar verblijft hij bij de Zusters van Liefde in Aalbeke. In 1940 keert hij terug naar het ouderlijk huis, wegens de oorlog. Tijdens de oorlog volgt hij Grieks-Latijnse op het atheneum van Kortrijk. Verschillende leraars zijn radicale flaminganten, zoals ook de ouders van Hugo.
Na de tweede wereldoorlog wordt de drukkerij- uitgeverij Claus vernield door het verzet. Jozef wordt beschuldigd van collaboratie maar komt er betrekkelijk goed van af ( blijft twee jaar geïnterneerd ). Ze gaan in Oostende wonen. Ook Hugo had zich als jongere tijdens de oorlogsjaren geëngageerd in de nationaal-socialistische jeugdbeweging. Na de oorlog vertoefde hij eerst, geplaatst door de jeugdrechter, in het katholiek college van Deinze. In 1947 vlucht hij naar Frankrijk en gaat als 18-jarige werken als seizoenarbeider bij de suikerbietencampagne in een Noord- Franse suikerfabriek, vandaar het verhaal " Suiker ". Nadat hij voldoende geld heeft verdiend trekt hij naar Parijs, waar hij o.m. de experimentelen leert kennen en begint aan zijn literaire carrière.Hij schrijft zijn eerste roman " De eendenjacht" , debuteert ook met zijn eerste dichtbundel " Kleine reeks " en teruggekeerd naar Vlaanderen ontmoet hij Elly Overzier, met wie hij terug naar Parijs vertrekt in 1950. Hij herdoopt " Eendenjacht " tot " De Metsiers ". Hij krijgt gunstige kritiek o.m. van mijn vriend André Demedts, die er al een groot schrijver in ziet. Het werk wordt ook bekroond. Hij wordt lid van " Cobra" en wijdt zich volledig aan literatuur, schilderkunst en toneel.
Na 3 jaar Italië keert hij terug en gaat in Gent wonen. Hij trouwt met Elly in 1955. Hij schrijft zijn " Oostakkerse gedichten" , die hij beschouwt als zijn beste gedichten en hij schrijft ook het toneelstuk " Een bruid in de morgen " Jaar na jaar volgen nu romans, gedichten, toneelstukken, filmscenario's enz. Hij scheidt van Elly en heeft achtereenvolgens relaties met de Nederlandse actrice Kitty Courbois, de Franse actrice Silvya Kristel tot hij in 1983 het " Verdriet van België " schrijft. In 1993 trouwt hij met Veerle de Wit, met wie hij samenblijft tot aan zijn dood. Ondertussen heeft hij 40 literaire prijzen verzameld. Hij rekent met zijn jeugdig verleden af in zijn werk. Hij verwerpt het totaal en wantrouwt elke ideologie. Zijn grote familieroman " Het Verdriet van België " handelt daarover vooral in het tweede deel, dat ook het meest boeiende is. Weliswaar geen autobiografie maar een mengeling van realiteit en mythe, zonder bekommernis om enige moraal en zelfs met heel wat obsceniteiten, maar geschreven in een overrompelende taal en met een verbluffende scheppingskracht.
Claus was al enkele jaren ziek en is na euthanasie op 19 maart 2008 in het Middelheimziekenhuis van Antwerpen overleden. Deze daad werd door vrijzinnigen geprezen als heldhaftig maar van katholieke zijde werd daartegen heftig geprotesteerd. Kardinaal Danneels zei dat het allerminst heldhaftig was. Heldhaftigheid zag hij bij de lijdende en bij de verzorgers van de lijdende mens. Claus was bijna 79 jaar. Hij wordt door velen beschouwd als de grootste schrijver van de Nederlanden sinds de eerste wereldoorlog en de meest veelzijdige ( dichter, toneelschrijver, romancier... en dan ook nog zelf regisseur van zijn toneel-en filmwerken. ) Hij was ook een begaafd kunstschilder. Merkwaardig is wel dat hij gestorven is in dit 25e jaar van het bestaan van zijn meesterwerk " Het verdriet van België " waarvan de speciale editie ook al is uitverkocht. Hij werd begraven met een plechtigheid in de Bourlaschouwburg, waar o.m. E.Mortier zwaar uitviel tegen Kardinaal Danneels, wat hem ook veel kritiek opleverde.
Niet enkel " Het Verdriet van België " heb ik opnieuw gelezen maar me ook weer verdiept in zijn gedichten en wel in zijn volledige verzameling" De Bezige Bij, Amsterdam 1994 "om tot het besluit te komen dat hij vooral als dichter tot de groten behoort m.i. met Anton van Wilderode, de grootsten sedert Gezelle en Vandewoestijne, al steekt in die verzameling ook veel kaf tussen het koren.
Niet alle journalisten oordelen echter zo lovend over het werk van Claus. Ik las in " Journaal " het Veertiendaags Opinieblad van Marc Grammens ( professioneel voltijds beroepsjournalist sinds 1956 ) heel wat kritische beschouwingen over het werk van Claus en over het euthanasiedebat. Hij erkent dat Claus een groot schrijver was en een volleerd ambachtsman van de literatuur maar dat hij enkel ...wereldberoemd is in het eigen taalgebied. In Nederland werd hij gewaardeerd maar in de buitenlandse pers werd over zijn overlijden en zijn werk weinig of niets gezegd. In de Engelstalige wereld is hij onbekend en in het Franse Le Monde vond men niemand om iets over hem te schrijven. Een tekst van Cees Nooteboom werd dan maar in het Frans vertaald. Hij schrijft dat Claus over het paard werd getild o.m. op aansturen van De Bezige Bij, niet zonder commerciële redenen. Aldus werd " Het Verdriet van België " als meesterlijk geprezen door critici die het boek zelfs niet helemaal hadden gelezen. Een glimp van genialiteit treffen we wel aan in zijn gedichten en in zijn toneelwerk "Vrijdag " . Zijn leven lang werd hij echter omringd door vleiers en misbruikt door een groepje fundamentalistische godloochenaars . ( Journaal nr 521, 10 april 2008 blz. 4083 ) Harde woorden schrijft Grammens ook in zijn beschouwingen over het euthanasiedebat. Het huidige euthanasieprogramma komt best overeen met dit van de Duitse nazistische leiders tijdens de oorlog. Aanvankelijk werden de eerste voorstellen voor euthanasie gekelderd omdat ze geassocieerd werden werden met de " gruwelijkste periode van een gehaat bewind in Europa ". Maar het pleidooi ervoor won veld in de kringen van de militante vrijzinnigheid. Paars-groen heeft er tenslotte voor gekozen. Buiten dit hoekje van West-Europa blijft euthanasie overal strafbaar. Hij besluit: " Uitzonderingen daargelaten, mag het doden van mensen niet worden verontschuldigd, zoniet geraakt de samenleving in een onontwarbare knoop " ( blz.4085 ) In een laatste stukje schrijft hij over " Hugo Claus , een kind van de repressie ", zoals hij zich destijds heeft genoemd. Eén keer heeft Grammens langdurig met Claus gesproken n.l. in 1966 toen hij nog met zijn eerste vrouw in Nukerke woonde en hem had uitgenodigd voor een gesprek. Toen Grammens zich voorstelde als een " kind van de repressie" veerde Claus recht en riep ' tegelijkertijd lachend maar met felle stem: Ik ook ' In die tijd was Claus trouwens goed bevriend met een aantal oud-collaborateurs, ook van buiten de familiale kring. Rik Van Cauwelaert schreef in Knack ( 26 . 03. 08 ) dat de diepste krassen in zijn ziel veroorzaakt werden door de repressieperiode, toen hij als gewezen lid van de Nationaal Socialistische Jeugd door de dienst kinderbescherming in Deinze op het college werd geplaatst. Zijn vleiers willen daar nu echter niets meer van horen.
Inmiddels bleven herdenkingen van Hugo Claus plaats hebben. Aldus was er een herdenking door een aantal kunstenaars in de Bourlaschouwburg met o.m. voorlezingen uit zijn werk en met een feestdis naar de smaak van Hugo Claus. Ook Gwij Mandelinck bracht hem hulde tijdens de kunst -en poëzieweken in Watou. Claus was daar immers een graaggeziene gast en medewerker, die er ook al een monumentje kreeg.
Voorts werd in tijdschriften en kranten nog wel een en ander over Claus geschreven o.m. naar aanleiding van het ontdekken van onuitgegeven gedichten of van varianten van de ' Oostakkerse gedichten ' maar geleidelijk deemstert hij weg uit de belangstelling sinds Tom Lanoye hem met zijn jongste boek ' Sprakeloos ' overtreft en die nu, samen met een aantal jongere auteurs als Dimitri Verhulst , de belangstelling wegdraagt.
Wel publiceerde Georges Wildemeersch bij De Bezige Bij ' nog 'De briefwisseling tussen Hugo Claus en Simon Vinkenoog ' . ( 496 blz. ) Daarin komt heel wat informatie voor over het leven in Parijs van een vriendengroepje van Nederlandse dichters en schilders van de Cobra-groep. Vinkenoog was er de spil van en Claus de meest bewonderde schrijver. Marc Reynebeau schrijft erover in DSL 18 juli 2008 ' Het Parijse vriendenclubje, waarin het overigens niet ontbrak aan artistieke en amoureuze rivaliteit, liet veel geschreven sporen na. Behalve dat het de harde kern leverde van de Vijftigers die de zogeheten experimentele poëzie uitvonden, kreeg het leven van die schrijvers een weerslag in literair werk van onder anderen Vinkenoog, Campert en Kousbroeks vrouw Ethel Portnoy. Kleur en opwinding was er genoeg in dit milieu, drank en seks inbegrepen '
P.S. We publiceren hier nu voor het eerst een gedicht dat ik schreef nadat Hugo Claus zijn ' De Wangebeden ' in 1984 publiceerde, waarin hij de spot drijft met de belangrijkste gebeden van de christenen.
Ik schreef daarop een repliek, die ik stuurde naar de toen bekende criticus, de E.H. Remi Van de Moortel, die onmiddellijk het gedicht publiceerde in het weekblad ' De Gazet van Maldegem ' Het gedicht luidt als volgt :
" Claus klinisch lezend "
Claus, bloot, klown met show, geen Nomi Klaus maar kloot- en seksrabauw, rauw, in je dierlijk- toornige taal, spuitend brandend magma, godslasterlijk woord, door priesters geprezen. Claus, dinosauriër claws, vleesetend dier, gevreesd reptiel, uitbundig aanbeden door paap en druïde. Prins van het woord fluïde fluimend, duivels kervend Kristus kerk en reliek. Ziek, kermend opstandig, heiligschennend apostaat- katoliek. Tart en terg met bronst en vuur, met woede, wanhoop, wangebed, hel of hemel, leven, dood, er is helaas maar één enkel bed, om samen te liggen, voorgoed en voor God, bloot, skelet naast skelet.
Luc Verbeke 6-8-83
Xavier Verhaeghe over de poëzie van Luc Verbeke
Tijdens de huldeviering voor Luc Verbeke n.a.v. zijn 75e vrejaardag, in Wakken, bracht Xavier Verhaeghe, dichter, advocaat in Waregem en lid van de Raad van Beheer van het Komitee voor Frans-Vlaanderen vzw, een indringende analyse van de poëzie van Luc Verbeke. Het omschreef poëzie als een magisch gebeuren, iets wat men niet ten volle kan omvatten want het raakt maar heel weinig onze rede.
Dichten is als toveren. Wat doet denken aan de verzen van E.Van Morris ( oud-leraar Maurits Van Elslande ) die na ontvangst van de eerste dichtbundel van zijn oud-leerling Luc, zelf een gedicht schreef " Dank om het woord " waarin hij zegt:
" Handdruk en woord zijn schoon symbool, de volle tover blijft toch 't bezit van hem die geeft alleen "
ofschoon Van Morris eraan toevoegt dat " hij die ontvangt en leest, moet het symbool verklaren uit eigen ziel "
Vervolgens zei Xavier Verhaeghe dat het vandaag niet zijn taak was om te verklaren maar zijn eerste bedoeling vooral " hem die geeft aan het woord te laten. Zoals in het vers:
" Wat zocht hij dan zichzelf te vinden, in elk gedicht, in elke bron, in 't warme hart van zijn beminden in alles wat hij voedde en won " ( Uit: Een onbekende, in Gezangen in de Deemstering )
De " onbekende " uit die eerste dichtbundel van Luc Verbeke is een jongen van amper 20, ontwakende man of ontwakende dichter op zoek naar zichzelf...Bewogen maar toch rustig:
" Te zwak nog is mijn liefde en te wankel nog dit hart, te weigerig en te weifelend om te geven en te wagen, te duister om doorheen de nacht één sprankel licht, één vonk van eigen vuur en eigen ziel te dragen. " ( Uit: Te zwak, in Gezangen in de Deemstering )
De jonge man op verkenning in zijn binnenste binnen, dromend in een opborrelend idealisme en oprechte strijdvaardigheid:
" Zegen de dromers en de roekelozen, die zonder schroom, vol schone argeloosheid, nog in het licht en in zichzelf geloven... ( Uit: Gebed, in Gezangen in de Deemstering )
" Alleen de droom, de vlucht uit luide landen naar een verborgen, onbekend gebied, de enge cel, de diep-eenzame wanden van 't eigen hart, verloren in zijn lied. " ( Uit: Toen hij...in Gezangen in de Deemstering )
" Ik wil jouw klacht, klein hart, niet langer horen, jouw onmacht en jouw vrees niet meer verstaan, doch onbeschroomd en driest de nieuw geboren en open morgen juichend binnengaan. ( Uit: Zingt niet, in Gezangen in de Deemstering )
Noem dit belijdenislyriek, normaal voor de tijd waarin dit geschreven werd, normaal voor de gevoelige man die Luc Verbeke was en is. Zijn blijde ogenblikken, zijn momenten van pijn, zijn twijfelen; de faalangst tegenover dat zo belangrijk leven van hem: zijn enige en unieke leven; " enig " zoals enkel de dichter dat kan ervaren en " strijdend in de deemstering " erover kan zingen:
" Verhaal mij niet van al jouw nederlagen, van jouw verdriet en jouw ontgoocheling, want ik wil niet meer wankelen en klagen, maar, strijdend, zingen in de deemstering "
( Uit: Verhaal mij niet, in Gezangen in de Deemstering )
" Het diepste heeft hij nooit gevonden, alleen wat schaduw en wat schijn, en op de meest verrukte stonden, zijn diep gemis, onmacht en pijn.
Ach, als een vogel blijft hij zweven om de geheimenis van zijn hart. Peilt hij wel ooit het volste leven, de hoogste vreugd, de diepste smart?
Wat kan hij dan vereenzaamd klagen: een delver die zichzelf ontgint, en voor zijn zoeken en zijn vragen alleen zijn eigen onmacht vindt "
( Uit: Een onbekende, in Gezangen in de Deemstering )
De oorlog voorbij worden in de wereld de wonden gelikt en de nu volwassen man staat op, staat recht, is klaar:
" Ach, ruk hem los dan, God, want hij wil leven, wil leven, sterk en schoon, niet als een schim, die in de schaduw wijlt, maar vrank, verheven als 't zonnelicht, dat schittert aan de kim, een zuil van vuur, die vele harten branden en als robijnen stralend lichten doet. Ach ruk hem los. Verbreek de zware banden en laat hem zingend stijgen in Uw Gloed. "
Uw Gloed: twee hoofdletters. God heeft steeds in het werk ( en in het leven ) van Luc Verbeke een grote plaats gekregen.
" Wie vindt een spoor van jou en mij als niet voor jou, als niet voor mij er Iemand is, een Hij en Gij die ons bemint en wedervindt, ...
( Uit: Ik ging voorbij, in Terugblik )
Hij en Gij in hoofdletters. God en ook Vlaanderen natuurlijk. Hij was toen zeker niet alleen: alles voor God, God voor Vlaanderen... Al heb ik dagelijks bij het lezen van mijn krant ( n.b. de toenmalige krant De Standaard ...) de indruk dat deze vijf in kruisvorm getekende hoofdletters AVV- VVK eerder nog tot een dessin zijn herleid. Maar in die tijd stond Luc Verbeke, jong Vlaams volwassene, er klaar voor en hij meende het... zoals hij is..." oprecht "
" Stijg, jonge vogel, stijg in die gloed, zing van dit leven, jubel en schrei, wijk niet, maar strijd, vol hartstocht en moed, ééns toch wiek jij de wereld voorbij."
( Uit: Licht van de lente, in Gezangen in de Deemstering )
" Laat weer Uw licht ontwaken in de verlaten tuinen van ons wachtend hart, nu we de aardse kluisters om de polsen braken, en 't ranke hert, sinds lang in't struikgewas verward, zich losmaakt met één ruk "
( Uit: Ave Maria, in Gezangen in de Deemstering )
Oprechte, in die tijd " eigentijdse poëzie "
In de zomer van 1965, op de persen van de drukkerij-uitgeverij Sanderus in Oudenaarde werd zijn tweede bundel gedrukt, onder de titel " Van Donker naar Licht ". Bescheiden zei hij aan een reporter, die hem over deze bundel ondervroeg, blij te zijn dat hij enkele honderden lezers had gevonden die er iets in kunnen ontdekken van zichzelf.
" Wie in uw leed en uw vreugde kan delen, is een ware vriend. " schreef in trouwe genegenheid zijn vriend André Demedts.
Hoewel in 1965, toch geen modernistische of experimentele poëzie. Hij blijft de klassieke dichter: melodie, harmonie, eenheid, en de gedichten blijven oprecht klinken en zijn voor iedereen gemakkelijk toegankelijk. In datzelfde interview stelde hij trouwens onomwonden: " Ik meen dat de moderne poëzie ofwel te veel geheimtaal is ofwel te veel nonsens ofwel een te uitsluitend aaneenrijgen van letters, woorden en beelden, zonder werkelijke achtergrond. Ze schijnt mij los te staan van het menselijk leven in zijn volheid. "
Remi Van de Moortel vatte het dichterschap van Luc Verbeke toen samen met de recensie: " Uit de onrust en de deemstering van de jeugdjaren groeide de dichter naar het licht van de mannelijke rijpheid. " Maar ik laat opnieuw de dichter aan het woord:
" Geen ander licht doorlicht mij lichter dan het licht van uw gezicht. En in de stralenklaarte van uw ogen van een geheime wonderkracht doortogen, heb ik aan u mijn hoofd weer opgericht. "
( Uit: Gij zijt mij zo nabij, in Van Donker naar Licht )
" Voorbij waaien mijn woorden als zand in de wind. Maar ik wend me af van ijdele wanen en al wat verblindt, en ik zoek mijn graf in het kille noorden waar niemand meer mij ooit wedervindt "
( Uit: Voorbij, in Van Donker naar Licht )
Het licht dat verblindt maar ook weerspiegelt:
" Toen kwamen vissen om mij spelen - jong en naief lokkend en lief - maar een felle bries joeg plots het water aan en ik zag mezelf in een wilde hoos, hulpeloos, hopeloos ten onder gaan "
( Uit: Schrikbeeld, in Van Donker naar Licht "
Luc Verbeke, volwassen man en volwassen dichter, klaagde echter over tijd. Door velerlei engagementen, allemaal vrienden die hij niet wou ontgoochelen, bleef maar weinig tijd meer over om zich aan de dichtkunst te wijden. Dichten vergde voor Luc Verbeke rust, dus tijd;dit schaadde zijn dichterschap.Wellicht was hij daar droevig om. En misschien is de symboliek in de titel van de bundel daar niet vreemd aan, die tweestrijd, die twee uitersten: donker en licht. En wat ertussen is: deemstering.
De ziel van de dichter: donker tot in een stukje genot het licht ontspringt met en door het gedicht, de geestelijke schepping.
" Van donker naar licht ": het onbekende, nog onontgonnen, de stille eenzaamheid van de dichter, het kille witte papier tot plotseling, zoals een zon de grijze wolken openbreekt, het warme licht verschijnt... " geweldig zonnelicht ". Toch drijft de weemoed soms boven:
" Maar ach, geluk dat vloeit als helder water door de open vingeren van mijn hand. Want dit is nog de lente niet, dit is nog het leven niet, dit is nog mijn lucht niet, noch mijn land. "
( Uit: Vergankelijkheid, in Van Donker naar Licht "
Naar aanleiding van zijn zeventigste verjaardag wordt dan de nieuwe dichtbundel " Terugblik " uitgegeven. Die bundel bevat een persoonlijke keuze uit zijn vorige dichtbundels maar ook tal van nieuwe gedichten, ook veel gelegenheidsverzen. We treffen er juweeltjes aan zoals " Aquarium ":
" Stille, stomme stille vis, die enkel weet wat water is en aan de even stomme wand - op en neer en heen en weer hápt en vraagt naar wat er nog en later is. " ( Uit: de bundel Nescio Quid )
Toch jammer dat de tijd ontbrak maar zoals hij zelf zei en bewees: " woorden zonder daden" spreken niemand meer aan " Luc Verbeke verkoos te doen, zich voor Vlaanderen te engageren. Deze bundel werd bekroond met de Dr.Ferdinand Snellaertprijs en de jury schreef heel terecht dat Verbekes werk representatief blijft voor een belangrijk deel van onze huidige poëzie. Er was in zijn tocht de invloed en de vriendschap van André Demedts:
" Samenzijn, in vriendschap, onverwoord, één zijn in gedachten, en één zijn in het woord. "
( Uit: Denkend aan André Demedts, in Terugblik )
Hij moet er een enorme bewondering voor gehad hebben en de appreciatie, die een vriendschap voedt, wederzijds. Hoe onjuist en ongepast mijn beeldspraak wellicht is: maar ik zie ze samen, Luc en André, Luc niet zwijgzaam, André glimùachend, monkelend, Luc breed gesticulerend als zwaaide hij een vlag, André stil gebogen midden de schaduw, maar een schaduw, warmte uitstralend als een zon, Luc onrustig, doorwerkend, ook achttien jaar jonger, de wereld willen optillen, André hartstochtelijk ingetogen, zwanger van dromen en verlangen, Luc heel concreet over alles nadenkend en steeds een uitweg zoekend, André existentieel weemoedig...
" Miljoenen jaar na u en mij draait de aarde ongewijzigd om haar as, doch als ik even lang als gij gestorven ben, is uitgevaagd, dat ik eens was en dat wij ooit te samen wilden wezen lijk licht en vuur, lijk vuur en as."
( Uit: In Memoriam, in Vaarwel van André Demedts )
Ik kon het niet nalaten er dit vers van wijlen André Demedts eraan toe te voegen. Bij de dichter hoort veelal een vrouw; bij Luc Verbeke is dat natuurlijk niet anders.
" En jij mijn hartsbeminde, mijn witte akkerwinde. Zoete, wilde wingerd- rank, die mij omslingert... "
( Uit: Vergankelijkheid, in Van Donker naar Licht )
" Verhef mij, volmaak mij in vreugd of in smart. Ontdek mij, doorgrond mij en louter mijn hart... " ( Uit: Verhef mij, in Van Donker naar Licht )
Twee verzen aan zijn lieve Maria toegewijd, uit verschillende perioden uit zijn leven. Maar later komt de nog mooiere liefdeslyriek van de volwassen man, volwassen echtgenoot, volwassen dichter: " Liefste jij die niet de woorden zocht voor een gedicht en niet een ik maar enkel wij en enkel leven met kleur en klank van allebei in kinderen niet vlinderend in lucht en lied maar louter liefde en louter licht in vlees en bloed, het blijvend woord van jouw gedicht. "
Uit: Liefste, in Terugblik )
Zijn kinderen, die hij het dichtwerk van zijn vrouw noemde...
Dit was dan mij korte rondgang in een poëzie van melodie, van harmonie, soms van melancholie. Een poëzie met een heel toegankelijke inhoud en die echt en oprecht is gebleven. Omdat Luc Verbeke zelf zo echt en oprecht is!
Ik verwijs naar het gedicht dat dichter Marcel Brauns schreef voor en over Luc Verbeke:
"En alle tooi zal vallen; groot van echtheid zult gij oprijzen als een zalig man, die naar 't gelaat der aarde slingeren kan, het Godlijk striemen van zijn felle oprechtheid."
( Uit: Zangen van Onmacht, van Marcel Brauns )
Enkel de laatste jaren hebben we mekaar persoonlijk leren kennen en leerde ik achter de man van de daad, de man van het woord ook de dichter kennen. De dichter die hij al die tijd is gebleven. Wordt men niet geboren als dichter, blijft men niet steeds dichter, al schreef men nog niet zijn eerste gedicht...? Dit laatste vers nog:
" O geef mij moed om groot te leven tot waar mijn laatste tocht begint en ik van alle ding ontheven - een kaarsvlam - uitwaai in de wind "
( Uit: Zal ik, in Van Donker naar Licht )
Velen kunnen getuigen en hebben getuigd dat Luc Verbeke groot werk heeft geleverd voor de Nederlandse taal. Deze drift is vandaag nog niet geluwd maar zal meesterven met zijn hart. Maar hij geeft mij nog niet de indruk zich in welke wind ook te laten uitwaaien!
Ik wil eindigen met wat André Demedts ooit over hem zei:
" Luc Verbeke is een van die bescheiden dichters, die naar het woord van Goethe meer zijn dan zij denken "
06-10-2012
Sneeuw van vrede
Sneeuw van Vrede
Over de donkere aarde onder het grauw van de lucht, het witte kleed van verse sneeuw. Eén winterlied van vrede. Eén ademtocht van geluk.
Stoeiende kinderen, slierend en sleeënd, sneeuwballen gooiend, onschuldig, teder, argeloos.
Glinstering van glijdende woorden op het blanke papier van zachte sneeuw: een gedicht, smetteloos.
Maar ver hier vandaan: het Beloofde Land en Abrahams Tweestromenland, het Heilig gebied, woestijn en woestenij. Tranen en bloed in het zand. Vlerken van vuren vampieren. Rook, zwart van haat. Geweld. Gieren. Olie en geld. Brandend lijden. Dood en verdriet. Mensen wreder dan dieren. En de eeuwige vragen van Job op de belt. Is dit nog uw wereld, Heer? Het paradijs, het Beloofde Land, onze droom, Uw Rijk, geschenk uit Uw Hand? Of alleen maar de donkere aarde en het grauw van de lucht, een poel van miserie en leed. Kaïn met verduisterd geweten, altijd tot moorden gereed. En toch, blijf U erbarmen, Heer, over ons die Uw kinderen heten ook als wij Uw wetten vergeten of ons zwak en machteloos weten.
Maak ons als sneeuw zacht en puur, als kinderen lief én argeloos én teder. Ontneem ons zwaard en vuur en bekleed heel Uw wereld met het witte kleed van Uw vrede.
Luc Verbeke 15 februari 1991
Uit ' Terugblik ' 1994, blz.60
04-10-2012
Gedachtenis I en II
Op 11 mei 1944 werd één van mijn zusjes het slachtoffer van de oorlogsgruwel. Onze dertienjarige Yvonne ( uit de rij van m'n zeven zussen ) werd zo goed als levend verbrand in een korenveld waarin een bijna volle benzinetank terecht was gekomen, die als ballast door een geallieerd vliegtuig werd uitgeworpen, toen een hele groep vliegtuigen uit Duitsland terugkeerde na een bombardement. Een paar honderd nieuwsgierigen liepen naar de benzinetank toe en een onvoorzichtig man zal een sigaret op de grond geworpen hebben waardoor het hele veld in brand vloog. Een veertigtal mensen liepen brandwonden op en de kinderen die omver werden gelopen waren er het ergst aan toe. Yvonne en haar vriendinnetje overleden in het Tieltse ziekenhuis op 12 mei. Aan die droevige gebeurtenis zijn de hiernavolgende gedichten gewijd.
Gedachtenis I
Wat valt het hard, m ' n zusje, nu je naam te noemen waar jij zo eenzaam hier, zo stil begraven ligt, en ik doorheen de bloei van witte zomerbloemen, het laatste lachen zie van jouw verminkt gezicht.
Niet dan met schromende ogen durf ik aarzelend lezen de zwarte dodenletters op jouw witte kruis en altijd weer komt nieuwe pijn in mij gerezen nu jij voorgoed ontstegen bent dit aards tehuis.
Wat kan ik, zusje, dan de handen biddend vouwen? Een lichtstraal uit de hemel tooit jouw vroege graf en ' k zie een eeuwige en wondere wereld openblauwen in ' t wolkenloos geluk dat God jou gaf.
Juni 1944
Gedachtenis II
De dagen en de weken gaan, de dagen groeien als een vertrouwd en dicht gewas over jouw dood. Maar welke tuinman komt zo scherp en vlijmend snoeien en legt de naakte stam van vroegere pijn weer bloot?
We zien een laat verdriet in moeders ogen rijzen, de bange vraag: Waarom bleef jij ons niet gespaard? en die ons allen weer bevangt en soms doet ijzen en stilt ons zingend bloed in z 'n al tomeloze vaart.
Er is zoveel dat ons naar jou doet keren: de lente en de zon, de bloemen en de mei, ópvlammend vuur... O diep en smartelijk ontberen dat nu onze ogen richt naar jou aan de overzij
maar ook terugroept naar de bron van jouw verscheiden waar jij de zuivere taal der diepten plots verstond en aan de grens van pijn en van verrukkelijk verblijden, in God, oorsprong en monding van jouw leven vond.
Luc Verbeke Mei 1945
Uit " Gezangen in de deemstering " Nieuwe Stemmen 1951
03-10-2012
Maurice Decock
Dit is een foto van mijn oom Maurice Decock,gesneuveld in Koekelare op 27 mei 1940, de laatste dag van de veldtocht in 1940 . Hij was de jongste broer van mijn moeder, geboren in Wakken op 1 december 1911, en gehuwd met Rachel Haerinck ( ° St.-Baafs-Vijve 13 maart 1912- + Waregem 23 januari 1991 ). Zij hadden twee kinderen: Suzanne ( 1937 ) en Norbert ( 1939 ), allebei nog in leven. Norbert is gehuwd met Jeannette Callens. De echtgenoot van Suzanne, Daniël Stofferis, is gestorven in 2005.
In het boek van Juul Desmet ' Een dorp in oorlogstijd ' lezen we het verhaal van de oorlogsgebeurtenissen in 1940, o.m. over de Leieslag en de intocht van de Duitsers in Wakken. Daarbij lezen we ook het verhaal van het bezoek van nonkel Maurice aan zijn gezin en aan ons ( in de schuilkelder van onze grootouders ) een paar dagen voor zijn dood, toen zijn eenheid zich tot in Tielt had teruggetrokken. Hij kwam per fiets vanuit Tielt en ging niet in op het voorstel van grootvader Adiel Decock om bij ons te blijven. Over de toedracht van de dood van Maurice in Koekelare op 27 mei 1940 bestaan verschillende verhalen. Sommigen beweren dat zijzelf geschoten hadden naar de Duitse vliegtuigen, die dan terugkeerden en een bom wierpen. Zijn zoon Norbert hoorde van Adolf Dejaeghere, een bejaarde 99-jarige strijdmakker-ooggetuige, nu wonend in Wortegem, het juiste verhaal. Dat er zich een soldaat bevond, met een verrekijker, op de toren van de brouwerij dichtbij is waarschijnlijk fantasie, ook dus dat een overvliegend Duits vliegtuig de man bemerkt zou hebben en daarop een brisantbom wierp. Dat verhaal vertelde een bejaarde inwoner vroeger aan Norbert. Het feit dat die ooggetuige ook zei dat er niet geschoten werd maakt zijn verslag ongeloofwaardig, want er werd wel degelijke gemitrailleerd naar een verkenningsvliegtuig. Adolf Dejaeghere gaf een meer volledig verhaal met de juiste toedracht: het bataljon van Maurice was bij het begin van de achttiendaagse veldtocht vertrokken in Schaarbeek en Elsene, op terugtocht. Het werd een voortdurende vlucht. Hun taak was de hogere officieren te beschermen. Toen ze op doortocht waren in Tielt kwam Maurice even naar huis bij vrouw en kinderen en dan tot bij ons ( zie boven ) maar de vlucht ging verder naar Eggewaartskapelle en De Panne, maar vandaar moesten ze weer terug over Alveringem tot ze uiteindelijk over Vladslo in Koekelare belandden rond 24-25 mei. Ze logeerden daar in de kelders van de brouwerij. De Duitsers zaten hen voortdurend op de hielen. Op maandag 27 mei hadden ze hun afweergeschut opgeteld in een weide achter de brouwerij. Hun materieel bestond uit twee platte camions met daarop telkens twee mitrailleurs: oud Duits materiaal uit de eerste wereldoorlog. Geregeld blokkeerden de machinegeweren. Rond de middag kwam een klein verkenningsvliegtuig aangevlogen waarop gemittrailleerd werd maar zonder dit te raken. Een tijdje later zijn dan de verwittigde stuka's gekomen met hun bommen naar de Wallaard, waar Maurice met zijn strijdmakkers gelegerd was en een vliegtuig heeft de dodelijke brisantbom geworpen, waarbij zeven doden vielen. Van de acht personen waaruit de aanwezige wachtpost bestond, werden dus zeven soldaten gedood o.m. Maurice Decock, mijn oom, want broer van mijn moeder, en vader van Suzanne en Norbert Decock. De achtste, Adolf Dejaeghere, was op boodschap en kon aldus ontkomen. Er heerste alom paniek en burgers en soldaten hielpen de doden en gekwetsten wegbrengen. 's Anderendaags was er een dienst in de kerk waar zes gesneuvelden lagen opgebaard. De zevende , Michel Rosselle uit Westouter, werd opgenomen in de kliniek van Sint-Andries-Brugge, waar hij op 28 mei is overleden. Dit alles heeft Adolf Dejaeghere voor het eerst verteld aan Bernard Lootens, voorzitter van de archeologische kring Spaenhiers, die dit heeft neergeschreven. Daarna kon Norbert zelf nog eens alles horen ten huize van Adolf Dejaeghere zelf, met wie hij contact blijft houden en die ook aanwezig was op de jongste herdenkingsdag op zondag 30 mei 2010.
Er is ook nog een foto van de stamboekkaart van het Ministerie van Landsverdediging, nog eentalig in het Frans...met achternaam en voornaam, geboortedatum, graad en positie, korps of dienst, stamboeknummer, plaats en datum van overlijden. Bovenaan afgestempeld: ' Mort pour la Belgique ' Onderaan ' Terminé ' Betekent dat alles afgehandeld is. ( Cfr. Raf Seys )
.
02-10-2012
Julien Van Remoortere publiceert 300e boek
Met zijn ' Meester,meester, meester ' of ' Verhalen van meesters en juffen van toen ' is Julien Van Remoortere ( ° 8- 4- 1930 ) aan zijn ongeveer 300e boek toe. ( Uitgeverij Lannoo, 240 bladzijden, afmetingen 17 x 24, rijk geïllustreerd, prijs 20 euro ). Hij werd reeds een aantal malen bekroond met provinciale en interprovinciale prijzen voor letterkunde.
De auteur interviewde tientallen onderwijzers en onderwijzeressen over de lagere school van ' toen '. Het resultaat ? Honderden opmerkelijke en humoristische getuigenisen, die afgewisseld worden met een bloemlezing van anekdotes, weetjes en herinneringen.
Julien Van Remoortere schrijft een inleiding met als titel ' Een eerbetoon aan mijn lagere school ' Zo vertelt hij dat hij op 10 september 1936 in het eerste leerjaar zat van de Sint-Martinusschool van Beveren-Waas, bij meester Van Hoof. bij wie hij leerde lezen en hij schrijft daarover onder meer:' Afgezien van mijn drie kinderen, zes kleindochters, één kleinzoon en mijn totnogtoe vier achterkleinkindjes, heb ik nooit een kostbaarder cadeau gekregen in mijn leven. Want lezen dat is, zonder ook maar een greintje risico, multimiljardair zijn in een land van papier en drukinkt, dat is kosteloos reizen naar de grenzen van onze kosmos en door de oneindige diepzee van onze fantasie. Alleen al daarvoor, meester Van Hoof, bouw ik voor jou een standbeeld op het weidse plein van mijn herinnering '.
Dit citaat toont al aan hoe dit boek geschreven is: met een vaardige pen, in een beeldrijke taal en waarbij droom en werkelijkheid mekaar niet hinderen. Hij vertelt nog dat hij in het vierde leerjaar de bekende maar onderschatte schrijver Leo Mets had, bij wie hijzelf zijn allereerste vertelsel schreef. Mets moet al gezien hebben dat Julien een toekomstig schrijver zou worden want hij bracht hem bij zijn vriend, de grote schrijver Filip de Pillecijn, die hem tegen zijn gilet trok en ' bijna doodknuffelde '
Ook over nog andere leerkrachten oordeelt hij positief. Hij vat ze allemaal samen in een ' boeket ' maar hij laat niet na meester Herman Verstraeten te bedanken die nooit kinderen heeft gehad maar die hij beschouwt als zijn tweede vader. Ze waren met zijn tweeën in 1943- 1944, die na het achtste studiejaar gingen voortstuderen in de stad. Ze mochten geen onderwijzer worden, zei hij. Onderwijzers verdienen het zout in de pap niet en de straten zijn geplaveid met werkloze onderwijzers. Hij stuurde hen naar de humaniora en hij zei dat hij hen op weg zou sturen voor Frans en wiskunde en een oud-leerling van hem zou hen Duits leren enz. Hij beschrijft dan zijn middelbaar onderwijs en hij kon opklimmen tot de hoogste top.
Het volgende hoodstuk handelt over het onderwijs van de Romeinen en de Merovingers tot onze huidige tijd tot aan het schoolpact van 1959 na de tweede schoolstrijd ( 1950 -1958 ) vooral tegen Collard, met grote betogingen, die hem tot toegeven dwongen en daarop het schoolpact volgde, dat stand blijft houden. Een bekende uitspraak van Jan Ligthart ( 1859- 1916 ) leidt dit deel in: ' De hele opvoeding is een kwestie van liefde, geduld en wijsheid, en de laatste twee groeien waar de eerste heerst '
Ernest Smet Een der eerste onderwijzers die aan het woord komt is Ernest Smet, die benoemd werd in een heel kleine school onder het gezag van een zuster-directrice. Hij moest er zorg dragen oor 13 leerlingen van 4e, 5e en 6e leerjaar, in een gemengde klas. Hij moest af en toe boodschappen met haar doen. Toen ze aan een dancing voorbijreden zei de zuster: ' Dat is hier een oord des verderfs' Hij merkt op dat hij juist daar zijn vrouw gevonden had,. Typisch was dat hij op het einde van de week in de huiskamer van de zusters een CD-sigaar moest gaan roken. De geur bleef dan hangen en zo bleven ze aan hem detonken,zeiden ze en konden ze voor hem bidden. Na zijn legerdienst is kwam hij in de gemeenteschool van Kieldrecht terecht, waar hem het zesde leerjaar werd toegewezen. Toen hij trouwde in Melsele, kwam hij na zijn huwelijk uiteindedlijk terecht bij de broeders in de Sint-Martinusschool en moest in het eerste leerjaar de kinderen voorbereiden op hun eerste communie. Hij vertelde dat ze na de eerste communie nooit meer alleen zouden zijn want Jezus was nu bij hen. Een truckchauffeur, die soms nachten afwezig was, kreeg van zijn zoontje te horen dat hij zich nu niet meer ongerust moest maken want dat mama, ook in bed, nooit meer alleen was want ook zij had haar eerste communie gedaan.Toen papa verwonderd opkeek, zei de kleine: ' Wel ja Jezus is altijd bij haar '...
Daniël Van Gompel
Na Ernest Smet is het de beurt aan Daniël Van Gompel. Hij is geboren in Zichem en in 1969 behaalde hij zijn onderwijzersdiploma. Hij mocht lesgeven aan zijn Zichemse school, waarvan zijn vroegere meester Felix intussen directeur was geworden. Hij moest er wel helpen voor zorgen dat er 55 leerlingen waren en hij zorgde ervoor, want hij was een graag geziene chroleider en zijn chirojongens wilden bij hem zitten. Hij begon met een dubbelklas vierde en vijfde leerjaar. Terwijl hij aan de vierde klas moest lesgeven, kregen die van het vijfde allerlei taken. En dan omgekeerd. Terwijl hij daar onderwijzer was werd in Zichem de alom bekende TV-feuilleton ' De heren van Zichem ' opgenomen en zo werd ook gefilmd in zijn klas. Hij vervulde aldus een figurantenrol maar hij probeerde meteen om de Antwerpse spelers, onder andere Luc Philips, die pastoor Munte speelde, wegwijs te maken in het Zichemse dialect.
Wilfried De Jonghe
Wilfried De Jonghe was eerst koloniaal in Congo maar in 1960 kwam hij naar huis en ging studeren voor onderwijzer. In 1963 werd hij benoemd aan de Sint-Lodewijkschool in Stene bij Oostende. Hij was afkomstig uit Koolskamp was er een strijd tussen de zedelozen en de aanhangers, van de pastoor. Dat kwam omdat zijn oom Berten De Jonghe, auteur van toneelstukken de gemengde toneelgroep ' Kerlinga ' had gesticht en in Koolskamp behoorde tot de zedelozen. Hij bleef dus liever in Stene dan in zijn geboortedorp. In Stene bleef hij lesgeven tot 1987 en hij is nu al 24 jaar met pensioen. In Stene werd hij zeer gewaardeerd, ook door pastoor De Ketelaere, die hem bij zijn benoeming met open armen ontving. Ook het schoolhoofd was blij met zijn aankomst. Hij was geen meester van de oude tijd, dat was wel zo bij zijn vader: de tijd van griffel en lei, van de gloeiende kachels, van de stinkende voeten, van de bekende lijfstraffen, van de knikkers en de bikkels, de uiterst strenge meesters. Hij heeft er een goede tijd gekend, van de groei van kleine tot grote school, dankzij de uitbreiding van Oostende, waarbij Stene werd ingepalmd.
Ursula Nijst.
Ze is van Eigenbilzen en volgde de normaalschool van Hasselt vanaf 1945. iedereen was daar intern en kreeg een strenge opleiding: op school blijven vanaf september tot Allerheiligen, dan een korte vakantie thuis en dan weer naar school tot Kerstmis. Vanaf het begin stond het vast dat ze 'froebel ' ging doen. Ze studeerde af in het schooljaar 1949-1950 en kon starten in Sint-Jozef Heesveld, een bijparochie van Bilzen. Dat de pastoor doorlopend de klasjes in en uiy liep, was toen heel normaal. Toen ze daar begon was er slechts één kleuterklas en waren er vier lagere klassen maar toen ze wegging waren er vijf kleuterklassen. Een fijne beleving. Opmerkelijk: de school was gemengd met twee onderwijzers en twee onderwijzeressen. Uit die gemengde school ijn heel wat koppels gegroeid. Toen zij haar loopbaan begon moest ze fietsen van Eigenbilzen naar Heesveld, negen kilometer ver, door weer en wind, en ook door de sneeuw. In het koude seizoen had ze in haar bagagedrager een voorraadje aanmaakhout. Op school aangekomen moest ze eerst de grote kolenkachel leegmaken, die met de schouw verbonden was via een lange buis. Vervolgens klopte ze aan bij de hoofdonderwijzer en die kwam dan met een grote schop brandende kolen, waarmee de kachel werd aangestoken. Het was een arme tijd. Ze bracht van huis haar afgedankt speelgoed mee. Er waren kartonnen leien en griffels en tekenen kon op overschotten van behangpapier. Stromend water op school bestond niet. De buren brachten hun waswater en daarmee konden ze schuren. In die tijd had ze meer dan vijftig kinderen tussen 3 en 5 jaar in haar klas. Na 8 jaar kwam er een tweede leerkracht bij en rond 1960 kregen ze grote, vierkante, gelakte kachels, die vanaf Allerheiligen aangestoken werden. In 1962 mocht ze met haar klas verhuizen naar een nieuw gebouw, waar ze kon genieten van centrale verwarming en stromend water. Ze heeft, zegt ze, een goed leven in school gehad. Ze bleef ongehuwd en woonde in bij haar zus en haar man.
Dries Ceuppens
In 1958 studeerde hij af aan de normaalschool. Hij begon als opvoeder in een internaat maar moest wegens ziekte wegblijven. In 1961 trok hij naar Congo en gaf les in Djelo Binza,een deel van Leop.oldville nu Kinshasa, in een school van de broeders maristen, als bijhuis van het bekende College Albert van de Jezuïeten. De klassen hadden aan de ene kant schuifdeuren die open stonden en aan de andere ruime vensters, die ook open stonden. Zo bleef het fris in de klas. Er waren twee afdelingen: een betalende, met blanke leerkrachten,broeders en leken, en een kosteloze met zwarte leerkrachten, die een elementaire pedagogische opleiding hadden gekregen. In feite stond hij in een multiculturele school, bevolkt door kinderen van verschillende nationaliteiten: Congolezen, Walen, Vlamingen, Amerikanen, een Zwitser en nog veel andere o.m. ook een Chineesje, zoon van de consul, het slimste jongetje dat hij ooit heeft gekend. De onderwijstaal was Frans en veel moest worden uitgelegd met gebaren en tekeningen. Na de school werden de meeste blanke kinderen afgehaald met een wagen. Zijn zwarte kinderen gingen te voet naar hun dorp. Op zondag gingen ze naar de Mis ' ' op de berg ' waar de bisschop de Mis opdroeg en waar ook president Kasavoeboe aanwezig was en die na de Mis een praatje sloeg met de aanwezigen en toen hij hoorde dat hij daar onderwijzer was kwam hij naar hem toe om hem te bedanken voor wat hij deed voor zijn volk. De voortdurende onlusten maakten het vertrek uit Congo noodzakelijk. Met vrouw en kindje vertrok hij naar Duitsland om les te geven in een school van het Belgisch leger aldaar.Een heel grote school van kleuterschool tot zesde leerjaar, met twee of drie klassen die goed bezet waren. Hij gaf er les in het vijfde en daarna zesde leerjaar. Hij bleef er tien jaar, de mooiste tijd van zijn leven, zegt hij.Om familiale redenen keerde het gezin terug naar België, waar hij nog les gaf in een kleine landelijke school maar muteerde vlug naar een grotere, Vanaf de jaren zeventig kwam de onderwijsverniewing met o.m. opgave van doelstellingen, leerpakketten, schoolleerplannen, wereldoriëntatie enz. met enorm veel vergaderingen...Blij dat hij algauw met pensioen kon.
Arnold Van de Perre
Volgde de kleuter-en de lagere school in Meldert tot het zesde leerjaar en daarna het zevende leerjaar en het lager middelbaar in het Sint-Maartensinstituut in Aalst en tenslotte de normaalschool in het Sint-Thomasinstituut in Brussel. Zijn eerste stappen zette hij in Baardegem, waar hij het tweede leerjaar met de helft van het derde toegewezen kreeg. Omdat hij goed toneel kon spelen werd hij geroepen door de jezuïeten van het Sint-Jozefscollege in Aalst waar hij het eerste leerjaar moest geven aan 36 leerlingen maar het jaar daarop naar het zesde moest verhuizen met 30 leerlingen. Hij bleef in het zesde voor 12 jaar maar nog eens twaalf jaar later was men op zoek naar een nieuwe directeur, om daarna directeur te worden zonder klas, maar met meer werk dan voordien. hij solliciteerde en hij was het. Hij gaf graag les, vooral in het zesde leerjaar maar nu zou hij nog 22 jaar lang directeur blijven van de lagere school van het jezuïetencollege Sint-Jozef in Aalst. Hij kreeg nu de kans om een totaalvisie te ontwikkelen, die hij op veel mensen kon overdragen. Bijzonder interessant vond hij de geregelde bijeenkomsten van alle directeurs van de jezuïetenscholen van heel Vlaanderen. De begeesterde dicussies, die toen gevoerd werden, zorgden ervoor dat je ruimdenkend werd of bleef. Typisch voor zijn school was het familietheater, waarbij leerlingen en leerkrachten samen toneel speelden. De opvoeringen waren ruim bekend in Aalst en lokten volle zalen. Er was ook muziek bij, gespeeld door de symfonie van pater Etienne Poot, ondersteund door het collegekoor. Tenslotte ging Arnold Van de Perre nog in de politiek. Hij werd verkozen en zetelde eerst als gemeenteraadslid maar nu nog in de OCMW-raad, wat hem beter ligt.
Pol Vanhaverbeke
Tussen 1969 en 1972 publiceerde hij bij Lannoo zijn vier zogenaamde Zus-boekjes, een onnavolgbare collectie kinderkolder, die hij tijdens zijn lange loopbaan als onderwijzer had verzameld. Die uitgaven kenden een weergaloos succes.Hij schreef niet minder dan 500 pagina's kinderkolder genomen uit wat kinderen schreven van 7 tot 14 jaar. We citeren er enkele: - De oertijd is de tijd waarin sommige apen mensgeworden zijn. - In de oertijd hadden de mensen nog echte apenmanieren en deden alles met hun handen. - Een ketter is een gescheurde katholiek. - Een aflaat is een grote zonde van onkuisheid. - Lijfeigenen waren sukkelaars zie zelfs geen eigen lijf hadden, maar een van de Heer om te bezigen. - In de abdijen werden eerst paters en later ook nonnen ontgonnen- - De Bloedraad dat zijn bloedgevers van het Rode Kruis. - Karel de Grote had geen kinderen.Hij had alleen drie kleinzonen onder wie hij zijn rijk verdeelde. Enzovoort... Vanhaverbeke heeft dat opgetekend toen hij onderwijzer was en dat is al een tijdje geleden. Onlangs ontmoette hij een oud-leerling die 75 jaar was geworden. Dat zegt dus veel over zijn eigen leeftijd, de 85 voorbij. Een oudere broer, ook onderwijzer is er 97, de enige overlevende van zijn klas. Pol Vanhaverbeke zelf had in Torhout als klasgenoot Leo Vanackere, de vader van de huidige minister Steven. Leo is vroeg gestorven als gouverneur van West-Vlaanderen. Dat was zijn beste vriend, altijd en overal de eerste, en Pol zelf de tweede. Leo was ook een vriend van mij want hij is ongeveer tien jaar voorzitter geweest van het Komitee voor Frans-Vlaanderen dat in 1947 door André Demedts en mezelf werd opgericht en waarvan ik secretaris was tot 1997, dus 50 jaar om daarna een tijdlang voorzitter te worden. Leo was zeer Vlaamsgezind, wat we niet kunnen zeggen van Steven. Pol was van Wevelgem zoals Leo, en heeft een tijdje in zijn gemeente les gegeven maar vond uiteindelijk zijn vaste stek in het college van Oostende, waar hij zeer graag in het zesde leerjaar heeft gestaan, met soms effenaf schitterende klassen.
Georges Couckuyt en Paul Achten Twee meedewerkers met een korte bijdrage.
Wijlen Georges Couckuyt ( °1894 ) moest van zijn vader onderwijzer worden, zoniet boomvelder. Hij zag er tegen op. Hij had nog nooit buiten zijn dorp geslapen en moest nu alles verlaten wat hem lief was. Het was ook de eerste keer dat hij met de trein zou reizen. Langs de steenweg naar Brugge kwam hij te staan voor een groot gebouw waarop in grote letters te lezen stond: ' Pensionnat Saint-Joseph Ecole Normale ' Torhout viel hem tegen. Alles was nieuw voor hem: kwart over zes opstaan, badkamer, studiezaal, Heilige Mis en ontbijt. En daarna een veelvoud van lessen en leraars, voor hij vijf jaar later zijn diploma kreeg. Het moet een zware weg voor hem zijn geweest.
Nadat Paul Achten afgestudeerd was in de normaalschool van Mechelen-aan -de Maas en zijn legerdienst achter de rug had, werd hij benoemd in de lagere school van de broeders Maristen in Hoeselt, waar hij 32 jaar lang onderwijzer was van het derde leerjaar. Kleine klasjes waren er toen niet. De klasnorm liep al eens op tot 40 leerlingen. Als 8-jarige zat hij in de klas van broeder Leon, die hij nu juist opvolgde. Die broeder Leon was een rustige en brave man die graag zong met zijn leerlingen en die de liedteksten in grote letters schreef op grote bladen van grijs papier. Achten herinnert zich het liedje ' Vriezeman heeft op straat gezeten, heeft in mijne neus gebeten en mijne neus is rood,rood,rood. 'k Wense de vriezeman dood, dood, dood! ' Ze zongen echter: ' heeft op mijne neus gescheten... ' met algemeen gelach! Als broeder Leon het niet meer aankon, legde hij een stouterik op zijn knie en die incasseerde een tiental slagen van zijn houten regeltje op zijn achterwerk. De zes klaslokalen, drie beneden en drie daarboven, werden in de winter verwarmd door grote gietijzeren kachels. Ze dagelijks aanmaken was het werk van broeder Gerbert. Meester Stefaan Achten was de oom van Paul, bij wie hij zat in het tweede leerjaar. Nu zijn ze collega's.
Jos De Doncker
- Jos De Doncker is zelf auteur van boeken over onderwijs en opvoeding, dus niet de eerste de beste. Zijn uitgangspunt is altijd zijn eigen onderwijs en opvoeding in zijn eigen school in Aalter, zijn geboortedorp. Hij was altijd geïnteresseerd in moedertaal en geschiedenis. Toen hijzelf les moest geven zag hij dat het nog altijd dezelfde ' Vaderlandse geschiedenis ' was als in zijn eigen lagere schooltijd. Geschiedenis die de Belgische staat moest ophemelen, van de ene veldslag naar de andere. Wat een dappere kerels waren dat allemaal vanaf de Nerviêrs tot Leopold II, die mooie paleizen liet bouwen, de Gileppe afdamde en ons Congo schonk. Jos wou het anders doen: zoeken naar littekens in zijn eigen dorp. Hij vond er tientallen en betrok toen al de levende mens bij de historiek. Die littekens waren aanknopingspunten voor een boeiend verhaal uit een bepaalde periode, met uitbreiding naar de geschiedkundige gebeurtenissen. Dankzij een nieuw leerplan in 1975, waaraan hijzelf heeft mogen medewerken, trad het menselijk gebeuren in de loop der tijden op de voorgrond: hoe hij leefde, woonde, werkte, aan landbouw deed, zich kleedde, dacht, handelde enzovoort. Het tijdsbegrip groeide, zoals hij het zelf al in het eerste en tweede leerjaar had toegepast: van dagklok tot weekfries, jaarfries, levenslijn en verder eeuwenband. Het werken met thema's als landbouw, woning, kleding en verwarming en dat alles in negen periodes, van oertijd tot moderne tijd. Daarbij konden de leerlingen zelf actief zijn, opzoeken, verzamelen, spreken, bewust worden. Pas in de zesde klas was het stramien voor een echte chronologische behandeling, gestoeld op levensechte geschiedenis, een feit. Dit gedeelte van het artikel van Jos De Doncker vonden wij het belangrijkste, bruikbaar voor de huidige generatie van onderwijzers en ook de toekomstige. De andere handelen over meer algemene onderwerpen als het schrijven van een nieuwjaarsbrief, als hoogtepunt van het schoolleven, de prijsuitreiking , het geneeskundig onderzoek, het belang van de schoonmaak van een klas, de verwarming, de spelen op de speelplaats met aarden bodem, zoals knikkeren in ' putjes ' of in ' slangen ', het tollen, waarbij men kon 'kappen' of 'peeske trekken '. Tenslotte nog een klein artikel over een stukje folklore in Aalter met een ' Folklore-en reclamestoet ' en zelfs een reus, een belangrijke figuur uit de Spaanse tijd, een zekere Jan Bart Avondroot, die voorkomt in ' De geschiedenis van Aalter ' door De Potter en Broeckaert. Aan dat alles werkte Jos De Doncker mee. Het jaar daarop was er ook al een reuzin, als echtgenote van Jan Bartel. Ze droeg de naam van Cornelia van Lilloo. Bij de reuzen waren ook de kaboutertjes, , zingend en dansend, met pinnenmutsen en belletjes.
Jan Durnez
Jan is een van de zonen van de de alom bekende Gaston Durnez, ooit hoofdredacteur van een krant of redacteur van twee of meer kranten, auteur, die gedichten schreef en proza, vaak vol humor, vlot spreker en columnist e.a. Jan mag trots zijn op zijn vader, met zijn groot gezin. Vanaf 1979 heeft Jan 25 jaar les gegeven in het basisonderwijs. Dat hij ooit onderwijzer zou worden lag niet voor de hand. Hij wilde niet zo'n strenge, betweterige hark worden maar eerder met de kinderen omgaan zoals hij als chiroleider had gedaan. In de normaalschool moest hij een proefles geven. Die mislukte en hij ging stilletjes uit gaan wenen in de toiletten. Toen een leraar geschiedenis voorbij kwam en dat zag troostte hij hem met de woorden : ' een verloren veldslag is nog geen verloren oorlog' Kinderen willen nu eenmaal een figuur voor de klas die de situatie 'meester ' is, naar wie ze kunnen opkijken. Hij zegt dat hij sindsdien onderwijzer heeft ' gespeeld', als creatief acteur. Zijn lievelingsvakken waren trouwens ' muziek en verbale expressie ' In de normaalschool volgde hij immers ook allerhande cursussen ' creatieve en dramatische expressie ' daarvoor waren schoolfeesten voor hem het hoogtepunt van zijn onderwijzersleven. Het viel ook mee dat de school waar hij les gaf over een eigen toneelzaal beschikte. Hij liet de leerlingen in groepjes improviseren over een bepaald thema en daaruit groeiden dan de optredens. Zo hadden ze ooit als thema: ' Waar een wiel is, is een weg ' De achterliggende gedachte was: wat zou er gebeurd zijn als het wiel niet was uitgevonden? Er opende zich op slag een brede boulevard van creatieve mogelijkheden. en dàt waren dan zijn glorieuze hoogdagen in het lager onderwijs. Zo heeft hij 25 jaar met plezier les gegeven, maar nu is hij blij dat dit niet meer hoeft. Hij werd benoemd tot conciërge en animator in het fraaie domein van Roosendael. Hij speeelt nu ' Jan de Sleutelman ' en hij heeft gelegenheid te over om te werken met kinderen en geschiedenis te geven tijdens zijn rondleidingen.
Luc Verbeke Hoe het vroeger was.
Ik heb niet kunnen weerstaan aan de vraag van mijn trouwe vriend Julien Van Remoortere ( die ik al leerde kennen als redacteur en secretaris van het tijdschrift West-Vlaanderen in de vijftigerjaren van de vorige eeuw ) , om mee te werken aan zijn jongste boek ' Meester, meester, meester ! Verhalen van meesters en juffen van toen ' . Hij schreef in zijn jeugdjaren ook gedichten en we kregen zelfs allebei onderdak in de Duitse bloemlezing ' Gedichte aus Flandern 1920-1970' van Georg Hermanowski: hij met het gedicht ' H-Bombe ' op blz.45 en ik met ' Vergänglichkeit ' op blz.62. Alle gedichten van mij die ik naar het tijdschrift West-Vlaanderen ( later Vlaanderen ) stuurde nam hij op. Ik was hem daarvoor heel dankbaar. Lang is hij daar echter niet gebleven. Hij begon bij Lannoo aan een lange reeks boeken, nu ongeveer 300.
Eerst heb ik het over mijn kinderjaren: ' Toen ik drie was - dat zal in 1927 geweest zijn -kwam ik in de eerste kleuterklas terecht en het schijnt dat ik met mijn geschrei de hele klas op stelten zette, tot zuster Barbara ermee dreigde mij in het pompbakje op te sluiten. Nog een geluk dat ze mij kon kalmeren met een klein koetje, dat met een duwtje begon te loeien. En ik zie nog al die andere kleuters daar braafjes zitten, zij die tot mijn veertiende bij mij in klas zouden zitten. De daarop volgende kleuterjaren leverden geen verdere problemen op en ik herinner mij nog dat we moesten matjes weven, huisjes en kerken bouwen met luciferstokjes en dergelijke dingen meer.
In het eerste leerjaar heb ik bij juffrouw Bertha Devolder leren lezen met een leesmethode van toen, opgesteld door een broedergemeenschap, een eenvoudige normaalwoordenmethode, die lange tijd is meegegaan en die begon met de voorstelling van ' eef, ot en an ' Van die ' ot ' had ik nog nooit gehoord, maar goed, het leek een mooi jongetje. Die drie woordjes werden meteen opgesplitst in letters, waarmee dan nieuwe woordjes gevormd konden worden, die pasten onder de prentjes in het leerboek. Met die enkele letters mochten de leerlingen zelf zoeken en vonden bvb. tot, nat, na, teef, fee. Daarna kwamen weer korte woordjes bij die ook ontbonden werden en met de reeds gekende zelfs een zin kon worden gemaakt. Met een i, een s en een k erbij kon al gemaakt worden: ik, in, kot, sok, feest, kan, kin, kans enz . De kinderen mochten zelf creatief woordjes en algauw zinnen maken bvb. Als 'het' erbij kwam: ' het is feest '
Na enkele maanden kon ikzelf al vlot lezen met nog enkele andere vluggerds, die dan met een stok vooraan de woorden mochten aanwijzen die de leerlingen moesten lezen. Zo doorliep ik jaar na jaar, nu eens heel goed en dan weer wat minder met de bijkomende vakken als geschiedenis, aardrijkskunde, zang en in het achtste algebra. Ik eindigde als primus in het achtste leerjaar bij meester Jules Lobel, met 92 %van de punten.
En dan wenkte de normaalschool... In die tijd konden alleen de kinderen van dokters, notarissen, rijke boeren en handelaars na het middelbaar onderwijs naar de universiteit. Voor de beste leerlingen van de lagere scholen, van wie de ouders vaak hard moesten wroeten om de eindjes aan elkaar te knopen, was in West-Vlaanderen, het hoogst bereikbare de normaalschool voor onderwijzers. De toeloop naar de Torhoutse bormaalschool voor jongens en de Tieltse tegenhanger voor meisjes was dan ook bijzonder groot. Een eerste schifting gebeurde met een toegangsexamen, waarvoor driehonderd kandidaten waren ingeschreven en waarvan er honderdtwintig mochten slagen. Ik was erbij.
In 1938 trok ik dus naar Torhout, waar in het voorbereidende jaar een tweede schifting gebeurde. Daar vielen er alweer een veertigtal door de mand maar die aldus vrijgekomen plaatsen werden in het eerste normaaljaar opgevuld met jongens die elders hun eerste middelbaar hadden doorlopen en die na een toegangsexamen bij ons terechtkwamen. Kortom, op die manier konden we weer vooruit met ongeveer honderdtwintig studenten, van wie er in het vierde normaaljaar vijfentachtig overbleven.
Maar toen raasde de oorlog over Europa. In 1944 deelde de streek van Torhout ook in de beschietingen en bombardementen en de studenten werden veiligheidshalve naar huis gestuurd. Na de bloktijd werden ze in groepjes opgeroepen om hun eindexamen afte leggen en, toen het ergste voorbij was hun diploma in ontvangst te nemen. Ondanks het feit dat ik geen bloktijd meer kreeg en bij de eerste groep was die examen moest afleggen, terwijl anderen wekenlang konden blokken, eindigde ik op 85 vierdejaarsnormalisten 5e met ongeveer 83 % .
Nu moest naar een betrekking worden gezocht en zo eenvoudig was dat niet. De Duitse bezetter eiste de pas afgestudeerden op om naar Duitsland te gaan werken. Talrijke jongeren doken onder en bleven aldus uit de handen van de Gestapo. Dankzij een doktersattest in verband met een vroegere longziekte kon ik aan wegvoering ontsnappen en zou in onze buurt aan het werk worden gezet. Maar ook dat laatste gebeurde niet, want toen moesten de Duitsers op de vlucht voor de oprukkende geallieerden. De ooit als onoverwinnelijk beschouwd ' feldgraue ' troepen derderden met hun karren en wagens door de straten van ons dorp, richting Duitsland.
In Waregem braken relletjes uit met de Witte Brigade - zoals het verzet vaak werd genoemd - en een aantal van hen sneuvelde in een vuurgevecht met een achtergebleven Duits peloton, in de buurt van de Anzegemseweg, waar een gedenkteden daaraan herinnert . Toen de bezetter eindelijk verdwenen was, werd ik in 1944 al meteen vastbenoemd als onderwijzer aan de katholieke Waregemse jongensschool op ' Het Gaverke. Dat had ik te danken aan inspecteur Claus ( de grootvader van Hugo ), die mij bij de genoemde school aanbevolen had wegens mijn goede uitslag in Torhout. Schooldirecteur Maurice Daenekindt kwam me zelf in Wakken halen.
In de lagere school had ikzelf enkel graadsklassen gekend, maar hier, in de Kind-Jezusschool op de Waregemse wijk ' Het Gaverke ' waren het allemaal klassen van één leerjaar. Aanvankelijk acht onderwijzers waaronder het schoolhoofd, die de hoogste klas waarnam. Toen het aantal leerlingen nog toenam en een voldoende aantal was ingeschreven kon het schoolhoofd ( hier Maurice Daenekindt ) promoveren tot directeur zonder klas, zodat er nog een onderwijzer bij benoemd kon worden. We waren dan met negen meesters. Maar beetje bij beetje zouden de vierde graadsklassen, dus zevende en achtste leerjaar leegbloeden.Eerst het achtste want, wettelijk mochten die leerlingen de overstap maken naar het middelbaar of technisch onderwijs. Uiteindelijk zouden alleen de eerste zes leerjaren overblijven en konden geen leerkrachten meer benoemd worden in opvolging van wie met pensioen ging. Op ' Het Gaverke ' waar ik les heb gegeven, achtereenvolgens in het eerste, het tweede en het derde leerjaar, zou ik dat niet meer meemaken, tijdens de vijftien jaar ( 1944 - 1959 ) dat ik daar les heb gegeven.
In 1959 werd ik tot schoolhoofd met klas benoemd op een andere Waregemse wijk, met name de wijk Nieuwenhove, met parochie onder de bescherming van de Heilige Margareta, die er bestond met parochiekerk sinds 1936, terwijl op ' Het Gaverke ' eerst vanaf 1944 een parochie in wording werd en een kerk gebouwd werd enkele jaren later, onder de in 1944 aangestelde pastoor Lammertyn. Die nieuwe parochie werd gesteld onder de bescherming van de Heilige Familie. Vandaar ook de Kind-Jezusschool ( jongensschool, waar ik les gaf ), de Mariaschool ( de meisjesschool ) en de Sint-Jozefsschool ( de vakschool, later technische school genoemd ) aan de overzijde van de kerk op ' Het Gaverke ' Dat ik schoolhoofd werd op Nieuwenhove was niet zo evident. Tot 1959 werd het schoolhoofd altijd gekozen uit het plaatselijke korps. Het Bisdom wou echter benoemingen toevertrouwen aan hoger afgestudeerden. Zo werd ik daar in 1959, tegen de vroegere regels in, dankzij mijn diploma ( met grote onderscheiding ) van het Gentse Hoger Instituut voor Opvoedkunde benoemd. Ik kreeg dus voorrang op de plaatselijke kandidaat, die me nogal lange tijd voor de voeten liep, maar die ik uiteindelijk toch acher mij kon laten, en er een sterk onderwijs kon opbouwen.De school kreeg naam door de hoge cijfers in de interdiocesane examens en daardoor kwamen ook van her en der buiten de wijk naar mijn school.
Wat mijn verdere loopbaan betreft: door een fusie van de jongensschool van Nieuwenhove en de meisjesschool ( Mariaschool ) van ' Het Gaverke ' werd ik in 1972 directeur zonder klas tot ik, als kers op de taart , door het Bisdom benoemd werd tot inspecteur in het hoofdgebied Kortrijk, waartoe ook Waregem behoorde. In 1989 ging ik met pensioen.
We kunnen ons nu het schoolleven van toen nauwelijks voorstellen: - De strenge tucht. Bij het tweede belsignaal moesten de leerlingen van de beide jongensscholen, waar ik les heb gegeven, zwijgend in de rij gaan staan voor hun meester. Wie niet zweeg, kreeg een strafpunt of bij de meest strenge onderwijzers een oorveeg. - Wie klaar was met zijn werk in de klas, bleef met de armen overkruist zitten, tot de meester hem een nieuwe taak opgaf. - De leerlingen mochten tijdens de les alleen maar naar de meester luisteren, ook met gekruiste armen. - Gebeden namen heel wat tijd in beslag: het lange morgengebed met toevoeging van de opsomming van de twaalf artikelen of ' het symbolum van het geloof ' , de tien geboden van God en de vijf geboden van de H.Kerk, de zeven sacramenten, de zeven hoofdzonden, de zeven lichamelijke en de zeven geestelijke werken van barmhartigheid en ten slotte de akten van geloof, hoop, liefde en berouw. Voor en na de speeltijd werd ook een Onze Vader of een Weesgegroet gebeden. Om 16 uur, bij het einde van de klas, bad men het avondgebed. - Het van buiten leren van de catechismus. - De kleine en de grote lering. De leerlingen van de vijfde klas moesten de kleine lering volgen bij de onderpastoor en die van de zesde klas, de grote lering bij de pastoor, als voorbereiding op hun plechtige communie.-- - Iedere week werden de lagere klassen bezocht door de onderpastoor voor de ondervraging van de catechismus en de hogere door de pastoor. - De jongens-en de meisjesscholen bleven streng gescheiden. Een heel verschil met de huidige tijd. Toen stond een sterke godsdienstige opvoeding voorop, met leerkrachten die bijna dagelijks naar de Mis gingen, maar tegenwoordig doen dat velen zelfs de zondag niet meer. Echt triestig... - Uit de echt gescheiden leerkrachten konden niet benoemd wurden in een christelijke school. - De leerkrachten moesten in alles onberispelijk zijn en een voorbeeld voor de leerlingen.
Meester Jan
Meester Jan was de onderwijzer van de eerste graadsklas van de gemeenteschool van Lotenhulle, zoals ook in de vele kleine scholen met een grote en een kleine kant. Zuster Stefanie kwam met de eerste jaarsleersleerlingen naar de jongensschool, waar vier mannelijke meesters haar opwachtten.Het deerde haar dat zij die nu uit handen moest geven. Ze kwamen terecht bij meester Jan, die ze een plaatsje gaf aan de kleine kant. De oudere leerlingen waren al doorgeschoven naar de tweede graad, waar ze nu ook weer aan de kleine kant zouden zitten. Meester Jan stelde de nieuwelingen gerust. In zijn ogen was een gerustellende twinkeling te zien. Hij was altijd fijn aangekleed, altijd net. Op de knoop van zijn das zat een speldje dat enorm blonk, waarschijnlijkvan goud. Hij had bovendien mooi krulhaar, ook al een bewijs van zijn standing. Na vier uur trok meester Jan naar zijn groot huis in het dichtbije Poeke waar hij woonde met zijn vrouw Maria.
Zuster Stefanie
Als laatste komt zuster Stefanie aan de beurr, die met zuster Jeanne, de kleuters van Lootenhulle, onder hun hoede hadden. Robert Leenknecht uit Hansbeke was vijf jaar toen zijn ouders met gezin in Lootenhulle kwamen wonen. Als vijfjarige kleuter kwam hij terecht bij zuster Stefanie. Ze was een grote, lange, smalle non. Van onder haar met wit afgebiesde zwarte kap, was ze de incarnatie van een ' veelvoudige ' grootmoeder. Altijd was ze paraat om met haar zak vol zakdoeken traantjes, snot, natte broeken en nog veel erger te neutraliseren. In tijden van nood was ze behangen met kleuters die haar, bezeten door allerlei oerinstinten, geen duimbreed losten. Robert vertelt: ' aanvankelijk was ik een beetje bang voor zuster Stefanie. Als ze te dichtbij kwam, zag je op haar wangen en haar kin zilveren haartjes, spiraaltjes, haakjes, soms van die stijf rechtopstaande. Van onder haar door de nonnenkkap verlengde gezicht keken je twee zachtgrijze ogen aan, die je nu eens konden doen lachen, dan weer schrikken of doen zwijgen. In de kleuterklas moesten we weefmatjes maken met ingewikkelde motieven. Goed of minder goed, altijd kon er bij zuster Stefanie een applausje af. We moesten ook veel prikken. Er lag een dikke wollen lap op ons bankje en daarop dan een bladzijde uit ' Het volk ontwaakt ' of ' Le patriote illustré ', die beide zusters van A tot Z uitgeplozen hadden. Dan mochten ze daar alles uit prikken, heren en vrouwen en zelfs koning en paus, maar die laatste twee waren wel voorbehouden aan de beste prikkers. Ze moeste mooi op het lijntje blijven en niet prikken in hun gezicht. Na de middag mochten ze, erg vermoeid, 'op hun armkes' een beetje slapen. Ondertussen sloeg zuster Stefanie een babbeltje met zuster Jeanne, bij de voor die gelegenheid openstaande tussendeur. Als het winderig weer was en de kleuters wat rumoeriger werden moesten ze naar die grote, zwartwitte prent kijken, die naast de wandklok met kettingen en slinger aan de muur hing. Op die prent was het inferno van Dante afgebeeld met bijna blote duivels en lelijke zondaars, die in het helse vuur lagen te branden, te kissen en te braden. Vreselijk was dat ! En zuster Stefanie wees met haar stok naar de koperen slinger van de klok en op maat fluisterde ze met haar nonnenstem: ' Altijd...altijd ...altijd...' De kleuters vonden het wel erg dat ze in die hel zouden branden voor een babbeltje. En het werd muisstil in het klasje tot na vier uur. Dan mochten ze naar huis. Wat ouder geworden mocht hij in het klooster misdienaar zijn. Zuster Stefanie was kosteres in de kapel van het klooster, dat tevens ' Pensionat des jeunes filles was ' Kleine Robert voelde zich wel wat onwennig in zijn rode kleed met witte roket. Elke ochtend moest hij erbij zijn in de mis van halfzeven. Van zodra de kloosterdeur achter hem dichtviel werd hij doordrongen van die van die typisch echte pensionaat-geur die urenlang in zijn kleren bleef hangen. Onderpastoor Sergeant was de kloosteronderpastoor. Hij was legeraalmoezenier geweest en dat was voor hem een zware opdracht. Met zuster Stefanie leefde hij bestendig in oorlog. Hij liet nooit na haarte pesten. Daar waar de misdienaar sokjes moest aanhebben, denderde hij met zware soldatenbottines rond en veroorzaakte strepen op de geboende vloer en slijtage aan de tapijten. Wanneer hij een paar druppeltjes op had - wat om de haverklap het geval was - sloeg hij in de kapel luidop een babbeltje met de pensionaatsmeisjes. Zuster Stefanie repte zich om te gaan luisteren of wat hij zei wel deftig en stichtend was. Na de mis bleef kleine Robert nog wat treuzelen om de onderpastoor wijwater aan te reiken. Toen de kapeldeur dicht was hief de onderpastoor zij rok op, zwaaide een been over de glanzende, eikenhouten trapleuning, tilde de misdienaar op, zette hem voor zich en ze zoefden naar beneden, als op een kermistractatie. Tot op een keer moeder-overste aan de trap stond. Ze was danig geaffronteerd en de blote knieën van de onderpastoor waren bronnen van ergernis. Voortaan moest hij via de trap naar beneden gaan en...alleen! Op zondag 14 uur moest Robertje de twee uur durende vespers, die ook voor de slaperige meisjes, met het psalmodiërende nonnengezang, een marteling waren voor het oor. Maar na de vespers kreeg hij van zuster Stefanie een glaasje miswijn, dat goed smaakte maar te weinig was. Hij kreeg ook een puddingkoek, zo hard als een leerzool. Ongezien deed hij die in zijn jaszak verdwijnen en speelde ondertussen een mimespel om te tonen dat de koek op was. Maar zuster Stefanie had het blijkbaar door en ze opzettelijk door het raam om hem de tijd te geven. Daarna mocht ik gaan en ze keek hem na tot hij aan het wijwatervat gekomen nog even naar haar zwaaide.
- Er volgen dan nog enkele schoolverhaaltjes van Magda Cafmeyer ( 1899-1983 ) Ze was onderwijzeres tot 1952 en daarna tot 1972 conservator van het museum voor Volkskunde. Met haar zus doorkruiste ze heel West- Vlaanderen van 1957 tot 1975 om in 42 gemeenten opnames te maken, bij minstens 200 mensen. Het werd een bonte mengeling van liederen, rijmelarijen, serieuze en sappige gesprekken in het West-Vlaams. Een uniek stukje cultureel erfgoed. Als vierde deel van de Bibliotheek van de West-Vlaamse Volkskunde het boek ' Van gehucht tot dorp '. Daarin komen ook de verhaaltjes voor uit het toenmalig schoolleven. Leuke stukjes.
- Tenslotte zijn er ' Herrinneringen aan de unieke tentoonstelling ' De lagere school van de middeleeuwen tot nu ' Die werd gehouden in de ASLK-galerij van 11 oktober 1986 tot 11 januari 1987. De tentoonstelling werd georganiseerd door een aantal wetenschappers. Er kwam een prachtige catalogus tot stand met de 420 tentoongestelde documenten, beelden, kaarten en dergelijke meer. Julien Van Remoortere heeft er enkele interessante teksten of delen ervan overgenomen die het schoolleven in het Brugse en op het platteland beschrijven. Ook weer interessant!
Om te eindigen willen we Julien Vanremoortere feliciteren voor dit merkwaardige boek van 240 bladzijden, dat zeer gevarieerd het ' Onderwijs van toen ' beschrijft.
01-10-2012
Cyriel Moeyaert in de taaltuin...
Wido Bourel, Vlaamssprekende Frans-Vlaming uit Kaaster maar ook perfect Nederlands sprekend en wonend in Bouwel, geeft geregeld werkjes uit over Frans-Vlaanderen. Zo gaf hij nu een werkje uit over Cyriel Moeyaert ( ° 1920 ). Die is ongetwijfeld onze belangrijkste kenner van de Frans-Vlaamse streektaal. Hij reisde de hele regio rond en tekende bij honderden mensen, die hij bezocht, typisch Frans-Vlaamse woorden op en publiceerde zijn vondsten in de KFV-Mededelingen ( vroeger ook in Ons Erfdeel ) tot hij in 2005 klaar kwam met een boek , het ' Woordenboek van het Frans-Vlaams ' 340 bladzijden, uitgegeven door het Davidsfonds.
Over Wido Bourel mogen we schrijven dat hij door zijn uitgaven zijn Frans-Vlaamse regio in de kijker blijft houden. Hij publiceerde in diverse kranten en tijdschriften over zijn geboortestreek, de relatie Benelux-Frankrijk, en de cultuurpolitiek van de Lage Landen. Zijn essays ' Wintertijd in Frans-Vlaanderen ' ( 2009 ) en ' Erfenis zonder testament ' ( 2010 ) werden bekroond met de Dr.Ferdinand Snellaertprijs in 2010.
Het nieuwe werkje bedraagt slechts 38 bladzijden maar is een pareltje als terechte hulde aan Cyriel Moeyaert, die al meer dan een halve eeuw actief is in en voor Frans-Vlaanderen. De titel spreekt voor zichzelf ' Cyriel Moeyaert - In de taaltuin van mijn vaderen '. Cyriel wordt door Wido uitstekend getypeerd, uiterlijk en innerlijk, wonend in een een ruime pastorie. Op deze site woonde de Frans-Vlaamse mysticus Karel Grimminck in de 17e eeuw in een kluis. Zijn groeiende Vlaamsgezindheid wordt beschreven doorheen zijn schooltijd tot aan zijn priesterschap. Al in het Seminarie ontstond zijn belangstelling voor Frans-Vlaanderen. Die zou voortdurend groeien tot hij zich met het KFV ook actief zou inzetten voor Frans-Vlaanderen.
Het boekje is verkrijgbaar bij de auteur Merellaan, 2228 Bouwel. Het kost amper 10 euro maar meer kan je lezen op zijn webstek: www.widopedia.eu of ook bestellen via zijn é-mail Widopedia@hotmail.com
Sonar
Hier volgt de tekst van het gedicht waarmee Reinout Verbeke de Amatorski songwedstrijd op de jongste Boekenbeurs won, met aangepaste muziek.
Sonar verwijst naar de signalen waarmee kleine zeevisjes maar ook vleermuizen communiceren. Die signalen kunnen met daarvoor uitgeruste sonartoestellen ook worden opgevangen.
Uit dat alles groeide de tekst van Reinout, die hier volgt:
Waar woon ik nog als jij morgen langzaam een klein eiland wordt, zee vreet aan je rand Wie ben ik nog als ik morgen een witte kamer word in een eindeloze gang Wat ben ik nog als jij morgen langzaam een harde winter wordt, masker van sneeuw
Waarom werkt jouw sonar niet? Spreek! Zing! Schreeuw! Waarom hoor ik nu mijn stem? Echo wordt een wiegelied
Waarom krijg ik geen geluid? Spreek! Zing! Schreeuw! Waarom werkt jouw sonar niet?
Wat zijn wij nog als je morgen voor alles een vleermuis bent, omgekeerd in mijn hoofd Wat zijn wij nog als je morgen voor altijd een wakke plek bent in het ijs van de tijd
Waarom werkt jouw sonar niet? Spreek! Zing! Schreeuw! Waarom hoor ik nu mijn stem? Echo wordt een wiegelied
Waarom krijg ik geen geluid? Spreek! Zing! Schreeuw! Waarom werkt mijn sonar niet?
19-08-2012
Uit de familiestamboom Verbeke
Over de familie Verbeke beschikken we over een stamboom die reikt tot 1738. Op 2 november 1738 werd in Wervik Albert Verbeke geboren. Hij huwde met Joanna Maria Vande Putte uit St.-Maartens-Latem ( ° 23 augustus 1761 ) en kwam blijkbaar in Oeselgem wonen waar hij in 1813 gestorven is. Albert Verbeke ( Berten genoemd ) had zes kinderen o.m. Albertus ( ° Deinze 1778 - + Oeselgem 1845 ) Ook Albertus werd Berten genoemd en die naam bleef dan overgaan op zijn nakomelingen. Albertus was gehuwd met Agnes De Scheemaeker ( ° Anzegem ? + Oeselgem ? ) Met Agnes had hij 4 kinderen. Die stierf op 39-jarige leeftijd hertrouwde dan met Agatha Schockelé waarvan we enkel weten dat ze geboren is in Markegem.
Met Agatha had Albertus ook 4 kinderen o.m. een zoon Leo ( ° Oeselgem 1827 - + Wakken 1889 ) Leo was gehuwd met Nathalie Lagrange ( = de Lagrange ) in 1857. Van Nathalie weten we dat zij geboren is in Gottem in 1833. Leo ( mijn overgrootvader ) had zes kinderen Maria-Ludovica ( ° Wakken 1865 ), Camiel ( ° Wakken 1866 - + Wakken 1933 ), gehuwd met Marie ( of was het Rosalie? ) Marie Depaepe, voorts Maria ( ° Wakken 1869 + op 24 maart 1886 ? ) , Jules ( mijn grootvader ), Adolf ( ° Wakken 1857 - + Wakken 1878 ) en Theophiel ( ° Wakken 1862 ), gehuwd met Rosalie Vercaemer. Enkel één broer van grootvader n.l. Camiel heb ik gekend. Ze noemden hem met de bijnaam " Boer Paepe " ( volgens Juul Desmet ' Boer Taele ). Hij baatte op het einde van de toenmalige Pauwelstraat ( Pauwelke , nu Nieuwstraat) de herberg ' De grote Pint ' uit. Juul Desmet , die een boekje schreef over de Wakkense café 's, schrijft dat het café zich bevond als vierde in de rij langs de zijde van " De bonte os ", dichtbij de St.-Antoniuskapel. Camiel was strodekker en in de dertiger jaren ( 1933 ) kwam hij nog het strodak van ons huis venieuwen, kort voor zijn dood die gebeurde in eigenaardige omstandigheden;
Camiel en Marie hadden vijf zonen : Adhemar, Julien, Maurice, Fons en Jan en een dochter Bertha. Ze droegen de bijnaam " Paepe " ( naar hun moeder ) Ik heb ze allemaal gekend. Adhemar had een zoon die men ' Devenne ' noemde ( niet van hem ? ) en die onder de naam van ' Vens ' een van de beste voetballers was die Wakken ooit kende.
Juul Desmet vertelt dat bij de familie Verbeke - Depaepe, een broer van Marie m.n. David Depaepe, inwoonde, die ook pannen - schalie- en strodekker was en die we onder de naam van " David Paepe " terugvinden in de boeken van André Demedts: ' De Belgische Republiek ' , ' Hooitijd ' en ' Een houten kroon ' . Een heel eigenaardig figuur: nu eens was hij stomdronken ( zelfs twee weken ) en een andere keer zat hij te bidden...
Mijn grootvader Jules (° Wakken 1859 - + 2 maart 1932 ) was gehuwd met Maria Elodie Vanheyste ( ° Wakken 9 augustus 1861 - + Wakken 17 juni 1926 ) op 5 september 1879. Ik heb beiden gekend : mijn grootmoeder toen ik een tweejarige kleuter was en mijn grootvader tot ik acht jaar oud was. Grootvader Jules had negen kinderen waarvan de jongste , mijn vader Daniël ( ° Wakken 2 april 1893 - + Waregem 16 september 1973 ). De oudste was Aloïs ( ° Wakken 4 oktober 1879 - + Wakken 27 januari 1964 ). Hij was gehuwd met Cyrilla Bogaert ( ° Wakken 20 maart 1874 - + Wakken 24 oktober 1947 ) .Hij had twee kinderen: Juliën ( ° Markegem 12 - 09 - 1911 - + Waregem 30 - 10 - 1981 ), gehuwd met Elisabeth Nuyttens, en Maria, gehuwd met Albriek Debie. Allen overleden. Een dochter van Maria , Mariette, woont nog dichtbij het ouderlijk huis, Tieltseweg, 10. Zoon Michel was een begaafde, geliefde leerling van André Demedts in het college van Waregem. Zijn grootvader komt voor in zijn romans. Julien was ook melkboer zoals mijn vader en in de zomer reed hij ook rond met ijsroom op een driewielerkarretje. Hij was wel wat jaloers op mijn vader die de grootste melkronde had. Om zijn witte haardos noemden ze hem 'Witje ' Vader Aloïs, mijn milde peter, trok zich daar niets van aan.
Na Aloïs volgde Remi ( ° Wakken 1881 - + St.Baafs-Vijve mei 1940 . Hij was gehuwd in 1904 met Cyrilla Snauwaert ( ° Dentergem 1880 - overleden in Markegem in 1940. Als kinderen kenden wij: Jules,Elodie, Florimond,Michel, Bertha en Florent. Bertha ( ° Markegem 4 april 1914 - + Waregem 5 maart 1970 ) hebben wij het best gekend. Ze woonde in Waregem in de J.Verhelststraat en was gehuwd met schilder Juliën Feys ( ° Waregem 21 - 10 - 1911 - + Waregem 29 - 01 - 1977 ). Bertha en Juliën zijn de ouders van schilder Etienne Feys, wonende op de Deerlijkseweg. Gehuwd met Monique Dewintere. Ze hadden nog een dochter: Yvette, gehuwd met Julo Quartier. ( Rekkem ) Toen ik onderwijzer werd benoemd op het Gaverke mocht ik jarenlang middagmalen bij Bertha en Julien. Etienne was een van onze leerlingen.
Grootvader Jules was meestergast in de kloddenfabriek Van Haesebrouck en alle zonen,ook mijn vader, hebben er gewerkt. Jules was niet onbemiddeld. Hij had een eigen huis met weide in de Markegemstraat, hield een paar koeien en verkocht melk. Daar staat nu de ruime woning van burgemeester Koen Degroote, ook parlementslid voor de N-VA. Remi was oorlogsslachtoffer op 25 mei tijdens de slag aan de Leie tegen de Duitsers in 1940. Een obus doodde hem , zijn tweede echtgenote en zijn zoon Florimond met twee van zijn drie kinderenen in St.-Baafs-Vijve in de keuken van de familie Vandermandere( Wakkense steenweg ) waar ze een onderkomen hadden gezocht..
Na Remi volgde Modest ( ° Wakken l6 oktober 1882 - + Markegem 2 september 1972 ). Zijn echtgenote Marie Landuyt was geboren in Wakken op 20 augustus 1880 en overleed eveneens in Markegem op 11 november 1967. Ze hadden drie kinderen Adrienne, Adolf en Raymond. Adrienne was gehuwd met Jules Verbeure en Adolf met Yvonne Lambrecht. Adolf heeft nog lang als weduwnaar gewoond in Oostrozebeke, waar hij overleden is. Adrienne woonde in de Markegemstraat en heeft haar man lang overleefd.
Raymond ( ° Wakken 23 januari 1910 - + Tielt 6 mei 1988 ) was gehuwd met Mariette Dejonghe ( ° Wakken 16 december 1918 - + Wakken 26 december 2007. Zij waren de ouders van Arseen Verbeke, leraar, schrijver en cultuurpromotor in Tielt en gehuwd met Jeanine Folens, en Erik, gehuwd met Marjan Despriet. Arseen en Jeanine wonen in de Driesstraat, waar vroeger ook wijlen hoofdinspecteur en vriend Joris Vanwijnsberghe woonde.
Om verder te gaan met de familie van Jules Verbeke en Elodie Vanheyste: De volgende twee kinderen van grootvader Jules waren twee meisjes maar die stierven vroegtijdig : Regina ( ° Wakken 1884 - + Wakken 1892 ) en Maria Ludovica ( ° Wakken 1886 - + Wakken 1888 ). Na de meisjes volgde Cyriel ( ° Wakken 16 oktober 1887 ) die deelnam als een geducht scherpschutter aan de eerste wereldoorlog en daarna ( in 1914 ) huwde met Elise Deconinck uit Brussel. Hij baatte er met Elise een goedbeklant wijncafé uit en kon, heel rijk geworden ( met een veertiental huizen of flats ), vroeg met pensioen. Beiden zijn in Brussel overleden: Cyriel op 31 oktober 1967 en Elise, die in Brussel geboren was op 6 maart 1891 overleed er op 22 april 1982. Oom Cyriel en tante Elise kwamen een drietal keren per jaar naar Wakken. Oom was vrijgevig maar tante niet...Meermaals ben ik enkele dagen op vakantie geweest bij hun in Elsene, Waterloose Steenweg. Zo leerde ik als kind Brussel kennen en zag bepaalde politici als de bekende VNV- er Edmond Van Dieren, die in de buurt woonde.
In het Brussels station was het personeel enkel franstalig en toen ik terug naar huis wou met de trein kreeg ik geen ticket omdat ik het aanvroeg in het Nederlands.Mijn oom ging zich bij de man aan het loket verontschuldigen en dan kreeg ik het ticket . Zo maakte ik als jongen kennis met de verfranste hoofdstad. Oom bracht me ook al naar de musea. Een openbaring voor een plattelandsjongen.
De volgende zoon van grootvader was Juliën ( ° Wakken 28 april 1889 - Detroit 1 februari 1976 ). Hij was gehuwd met Maria Vanhoutte ( ° Zwevezele 6 december 1889 + Grosse Pointe, Michigan 31 juli 1969 ) Kort vóór de eerste wereldoorlog trok hij als vele Vlamingen ( denk aan de Titanic ) naar Amerika, waar ze werk konden vinden. Oom Juliën richtte er een grote pluimveeslachterij op en werd er welvarend. Hij stuurde ons regelmatig de Vlaamstalige " Gazette van Detroit" waarin hij met foto adverteerde.
Bertilla ( ° Wakken 27 november 1890 - + Detroit 24 april 1973 ) . belandde ook in Amerika. Zij was gehuwd met Cyrille Dekiere ( ° Wakken 14 augustus 1881 - + Detroit, Mich. 13 mei 1969 ), een eenvoudige werkman. De laatste in de rij was dus mijn vader ( zie boven ) Zowel tante Bertilla met nonkel Cyrile als nonkel Juliën met tante Maria zijn nog naar Wakken gekomen en verbleven enkele weken bij ons ( 1950 -51 )
Leona, een dochter van oom Juliën, ook al eens over met haar echtgenoot Albert. Zij waren nog goed Vlaamssprekend. Ze zijn allebei overleden. Hun dochter Debby kwam met haar echtgenoot en kinderen zelfs al tweemaal naar België. Zij hebben meer last met de Nederlandse taal. Voorts hadden we met Eleanor, de andere dochter van nonkel Julien nog goeie schriftelijke relaties bij ieder nieuw jaar tot aan haar dood. Lange tijd was dat ook zo met de dochter van Tante Bertilla, Elsie en echtgenoot Leonard, maar inmiddels overleed Elsie.en een paar jaar geleden ook Leonard.Van Eleanor en Albert kregen we voor enkele jaren nog een recente, mooie foto.
Aan grootmoeders kant zijn er minder gegevens. Elodie was de dochter van Paul Vanheyste en Sophie Demaegdt en zij had drie zussen Lucie, Colette en Ursula maar ook twee broers Adiel en Cyriel, die in Moeskroen woonden en die ik heb gekend omdat zij nog regelmatig naar Wakken kwamen op bezoek bij Lucie, die in een klein straatje woonde rechtover de woning van mijn grootvader. ( Grootvader woonde in de Markegemstraat, in een woning met een weide ernaast. Daar of toch heel dichtbij is nu de woning van burgemeester Koen Degroote. Haar zus Colette was gehuwd met een Taillie, waarvan ik ook nog éen van de drie dochters n.l.Marie heb gekend en die in Waregem woonde in de Vansteenbruggestraat. Zus Ursula huwde met een Eeckhoutte.We kenden de twee zonen Georges en Octaaf ,die in Moeskroen woonden, meer van naam.Georges kwam nog wel eens naar Wakken.
Vader was gehuwd met Maria Decock , ° Wakken 18 mei 1895 - + Wakken 6 september 1974 ) Hun huwelijk dateert van 19 januari 1921 en ze hadden elf kinderen. De oudste was Oscar ( °Wakken 11 januari 1922 - + 14 januari 1922 ). Dan volgden Cecile ( ° Wakken 29 november 1922 - + Tielt 7 oktober 1978 ) Zij was gehuwd met Daniël Bossuyt ( ° Desselgem 2 juli 1924 - + Waregem 12 april 1987 ) Die was tot aan zijn plotselinge overlijden nationaal voorzitter van het C.O.V. ( Christelijk Onderwijzersverbond ) Dan volgde ikzelf ( ° 24 februari 1924 ) , gehuwd met Maria Bossuyt ( ° Desselgem 8 januari 1926 en overleden in Waregem op 6 januari 2012 ) Zij was de zus van Daniël. Zij huwde met mij op 31 juli 1951 en we hebben nog onze diamanten bruiloft mogen vieren op 31 juli 2011 in Roeselare. Daarna volgden nog : Josée ( = Marie - José ) ° 27 januari 1926. Ze trad in het klooster bij de Zusters van de H.-Jozef in Brugge in het jaar 1948. Ze was een tiental jaren novicemeesters en na studies voor bibliothecares bouwde ze de Rodenbachbibliotheek op in Roeselare die ze enkele decennia leidde. Nu is ze in het Iepers Rusthuis van de H.Jozef. Vervolgens was daar-Marcel ( ° 2 april 1928 ), gehuwd met Martha Vandewalle. Hij is vroegtijdig overleden op 6 mei 1982. Daarna volgden Georges ( ° 7 november 1929 ), gehuwd met Gabriëlle Bauters, en Yvonne ( ° 14 februari 1931 en smartelijk overleden in Tielt op 12 mei 1944. Hier volgt het verhaal.
Op 11 mei werd ze dodelijk verbrand bij een brand in een korenveld, na het neerstorten van een halfvolle benzinetank, uitgeworpen door een geallieerd vliegtuig. Een hele groep bommenwerpers was immers op de terugweg van Duitsland naar Engeland. De brand werd veroorzaakt door de onvoorzichtigheid van één van de ruim tweehonderd volwassenen en kinderen die er nieuwsgierig naartoe waren gelopen en er omheen stonden.Toen het korenveld in brand vloog werden de kinderen omver gelopen. Ze werden wel uit de brand weggesleept door een moedig toegesnelde Julien Vanpoucke ( bekend als uitvinder van de electrische weideafsluitingen ) en die daarbij zelf blijvende brandwonden opliep aan de handen. Een veertigtal mensen werden naar de Tieltse kliniek weggevoerd met brandwonden, waarvan twee dodelijk: mijn dertienjarige zus Yvonne en haar klasgenootje Madeleine Hoste. Ik had mijn zusje nog even goed en gezond gezien toen ik omstreeks 16.30 uur thuiskwam met de fiets, weggestuurd uit de Torhoutse Normaalschool ,omdat het daar te onveilig was geworden na enkele bombardementen aldaar.
De rij kinderen werd vervolgd met Jacqueline ( ° 3 augustus 1932 ), Mariette ( ° 3 oktober 1933 ), die vanaf 1969 tot 2000 in Chili verbleef ( zie gedicht ) en terug naar de familie kwam met pensioen en eerst in Waregem woonde en daarna tot op heden in Kortrijk, Voorts was daar Hélène, ( ° 23 maart1936 ), gehuwd met Edward Welvaert ( ° Eeklo 28 februari 1933 + Mechelen 4 april 2004. ) Tenslotte An ( = Anny ) ( ° 29 maart 1938 ), gehuwd met Herman Wauters.( vader van de bekende radio-journalist Koen Wauters )
Wijzelf hebben vier kinderen, dertien kleinkinderen en twee achterkleinkinderen. De kinderen zijn Dirk ( ° 19 mei 1953 ) , Mark ( °19 april 1955 ) , Wim ( ° 25 januari 1959 ) , Hilde ( ° 1 januari 1962 ).
Dirk is gehuwd met Lut Vanbrussel ( ° 19 juli 1956), ze hebben twee kinderen: Reinout en Heleen. Dirk is leraar aan het Klein Seminarie en in zijn vrije tijd onbezoldigd werkzaam voor de Nederlandse taal en cultuur in Frans-Vlaanderen. Lut is kleuteronderwijzeres, nu onlangs met pensioen. Reinout was als germanist - journalist eindredacteur van EOS maar werd er bevorderd tot nieuwscoördinator on line. Heleen is licentiate Arabistiek, heeft een master Nederlands voor anderstaligen, was eerst werkzaam als wetenschappelijk medewerker aan de universiteit van Antwerpen en geeft nu Nederlandse les aan anderstaligen in Antwerpen. Ze is verrloofd met Gert. Reinout is gehuwd met Cathérine Baele uit Nieuwerkerken, waar hij woont. Op 8 oktober 2008 werd hun eerste kind geboren: Maurien en op 30 december 2010 hun tweede dochtertje Irene. We hebben dus twee achterkleinkinderen. Reinout heeft zijn eerste dichtbundel uitgegeven onder de titel ' Aan de achterkant van flatgebouwen ' ( Zie afzonderlijk artikel )
Mark is gehuwd met Hilde Degrauwe ( ° 31 december 1956 ), ze hebben drie kinderen: Gijs, Eef en Nel. Hij is huisarts in Kessel bij Lier en Hilde is, na een aantal jaren lerares te zijn geweest en acht jaar fultime ITC-coördinator, nu directeur van het Sint- Ursula-Instituut in Lier. Zoon Gijs studeerde af als advocaat en is verbonden aan de Brusselse balie. Hij woont ook in Brussel. Eef is ' master in taal-en letterkunde' en ook journalistiek. Ze is redactrice bij de Artsenkrant.Nel voltooide haar laatste jaar burgerlijk ingenieur bouwkunde aan de KUL, met onderscheiding. Zij is op zoek naar werk.
Wim is gehuwd met Ilka Vossaert ( ° 20 september 1960), ze hebben vier kinderen: Nikolaas, Dieter, Liselot en Annelien. Hij is pneumoloog in het Stedelijk Ziekenhuis van Roeselare en zij is lerares in Waregem. Nikolaas voltooide zijn vierde jaar geneeskunde in Leuven met grote onderscheiding en Dieter zijn tweede jaar burgerlijk ingenieur met onderscheiding.Van de twee meisjes, Liselot en Annelien, studeert Liselot ook al aan de KUL en slaagde in het tweede jaar apotheker. Annelien studeert nog aan het college middelbaar onderwijs van Roeselare, waar ze hoge cijfers haalt.
Hilde is gehuwd met Lieven Lagae ( ° 4 januari 1961), ze hebben vier kinderen: Kaat, Dries, Wout en Leen. Zij is lerares in Heverlee en hij is kinderarts in Gasthuisberg en hoogleraar aan de K.U.L. Kaat voltooide haar studies logopedie en studeert verder orthopedagogie. Ze is verloofd met Wouter. Dries voltooide zijn vierde jaar ingenieurswetenschappen aan de .K.U.L.en Wout zijn eerste jaar ingenieurswetenschappen. Leen doorloopt met succes haar laatste jaren middelbaar onderwijs.
Op de foto zien we grootvader Jules en grootmoeder Elodie. Op welke leeftijd die genomen werd is ons niet bekend. Grootvader huwde toen hij nauwelijks twintig was. Hij ziet er hier blijkbaar ouder uit.
18-08-2012
Foto gezin Adiel Decock
Dit is een foto van het gezin Adiel en Stefanie Decock - Vandamme genomen omstreeks het jaar 1920. Van links naar rechts: mijn moeder Maria ( toen nog ongehuwd ), oom Achiel, oom Maurits ( sneuvelde in Koekelare in 1940 ), tante Bertha, zittend grootvader Adiel en grootmoeder Stefanie, met tussenin de jongste dochter tante Yvonne, voorts staande oom Cyriel, tante Alida en tante Anna.
Uit de familiestamboom Decock
Van de familiestamboom van mijn moeder ( Marie = Maria Decock ) bezit ik niet alle gegevens. Haar vader was Adiel Aloïs Leonard Decock (° Gottem 9 januari 1870 - + Wakken 27 juli 1948.) Hij was gehuwd met Marie Stefanie Vandamme (° Wakken 21 juli 1872 - + Wakken 26 mei 1966.) op 16 januari 1895. De vader van Adiel, dus mijn overgrootvader langs moederszijde was Petrus Decock (° Tielt 2 juni 1815 - + Wakken 1898.) Hij was in 1864 gehuwd met Rosalie Baetens uit Gottem. Dat zal wel zijn tweede huwelijk zijn geweest want vóór Rosalie wordt een Dekeukelaere in de familie vermeld.
Grootvader Adiel had ook nog een broer die Achiel heette en een vrijgezel was die in Kortrijk in een woonwagen was gehuisvest...Voorts had Adiel ook nog een zus met name Marie die gehuwd was met een zekere Pieter Glorieux. Grootvader Adiel was een eenvoudig werkman met veel intellectuele belangstelling. Hij bezat muzikaal talent want in zijn jonge jaren was hij " speelman " geweest, d.w.z. accordeonist in een café. Bij hem las ik als jongen " ' t Getrouwe Maldegem ", het weekblad van de Vlaams-nationalistische volksvertegenwoordiger Leo Delille, die hij bewonderde.
Mijn moeder Marie Decock was de oudste van het gezin Adiel Decock- Vandamme. ( ° Wakken 18 mei 1895 - Wakken 6 september 1974 ) Dan volgden Alida ( ° Wakken 18 november 1898 - + Wakken 4 september 1932 ), gehuwd met René Delagrange ( ouders van o.m. de bekende Kortrijkse advocaat wijlen Gilbert Delagrange ) ° Wakken 7 maart 1899 + Wakken 14 december 1964 ). Cyriel ( ° Wakken 7 december 1896 - + Wakken 26 augustus 1966 ), gehuwd met Gabriëlle Cannie ( ° Wakken 22 november 1900 - + Wakken 18 december 1977 ). Ze waren de ouders van Simonne ( + ) , André ( + ), Marcel , Denise ( + ) en Arsène
Achiel ( ° 1 oktober 1900 - + Wakken 9 maart 1985 ), gehuwd met Madeleine Cannie ( ° Wakken 15 september 1904 - + 1 juli 1985 ) Die waren de ouders van o.m. wijlen Christine ( bekend als lerares en kunstenares) en ook nog van de nog levende Antoine ( nijveraar ), Bertha ( ° Wakken 1906 - + Torkonje 19 juni 1983 ), gehuwd met Michel Tanghe ( ° Watou 1910 - + Roubaix - Robeke 6 oktober 2001 ), ouders van wijlen Gilbert die van zijn volk en taal bleef houden en goed Nederlands sprak, met veel belangstelling voor Frans-Vlaanderen. Zijn zus Françoise woont in Villeneuve d' Asq en broer Jean-Pierre woont in het ouderlijk huis, Rue Mac Donald 10, Torkonje( Tourcoing ) Anna ( 28 juni 1908 -+ 24 maart 1964 ), gehuwd met Julien Kerckhoeve. Ze hadden twee dochters Juliette en Noëlla. Woonplaats onbekend.
Maurice ( ° Wakken 1 december 1911 - + gesneuveld in Koekelare 27 mei 1940, laatste dag van de krijgsverrichtingen want op 28 mei ondertekende Leopold III in het kasteel van Wijnendale de overgave van ons leger ), hij was gehuwd met Rachel Haerinck ° St.-Baafs-Vijve 13 maart 1912 - + Waregem 23 januari 1991 ) , die een nicht was van de bekende dichter Gwij Mandelinck. Zij hadden twee kinderen Norbert en Suzanne. ( Zie verder )
Tenslotte Yvonne ( ° Wakken 20 september1913 - + Waregem 8 april 1995 ), gehuwd met André Mazereel ( ° Oostvleteren 6 december 1909 - + St.-Eloois-Vijve 31 augustus 1979 ) Yvonne en André hadden enkel een zoon n.l. Hubert, gehuwd met Arlette Liesbeth. Die hadden twee dochters Hikde en Inge.
Alle ooms en tantes zijn dus overleden maar ook een aantal van hun kinderen. Aldus de drie zonen van tante Alida en oom René: Joris ( ° Wakken 26 september 1929 - + Roeselare 22 december 1992 ),Willy ( ° Wakken 29 oktober 1926 + 28 september 1998 ) en Gilbert, ( ° Wakken 7 augustus 1925 - + Kortrijk 25 januari 2003 ). Ook de echtgenotes zijn al gestorven: Noëlla Dejaegher, Maria Desmet, Cecile Lambrecht. Voorts Simonne, dochter van oom Cyriel , vroeg gestorven, zoals ook de oudste zoon André ( ° Wakken 13 augustus 1928 + Waregem 18 september 2009 ) en dochter Denise ( zie verder )
Christine, dochter van oom Achiel, ( ° Tielt 12 oktober 1949 - + Gent 2 mei 1999 ) en Christiaan, zoon van Achiel ( ° 7 juli 1942 - + Tielt 21 februari 2002 ) , ook de echtgenote van de andere zoon Antoine, Erna Verhulst ( ° Hulste 22 augustus 1935 - + Gullegem 14 maart 2005 ), en de echtgenoot van Suzanne, dochter van Maurice, met name Daniël Stofferis ( ° Egem 9 december 1936 - + Waregem 30 december 2005 ) Tenslotte ook Gilbert Tanghe, zoon van oom Michel en tante Bertha ( + 1 september 1971 )
Denise Decock ( ° Wakken 21 november 1933 ) , dochter van Cyriel, was gehuwd met Achiel Byttebier, geboren te Deerlijk 20 augustus 1923 en overleden te Wakken 22 januari 2007. Denise is tengevolge van een ongeval overleden in Roeselare op 18 maart 2008. Hun enige en bekwame zoon Jan Byttebier is notaris in 9850 Nevele, Cyriel Buyssestraat 40. Hij is gehuwd met Anne Cathérine Olbrechts. Ze hebben twee kinderen: Constantijn en Florence. Ze wonen in 9051 Sint-Denijs- Westrem, Hubert Malfaitlaan 6.
Van de kinderen van Cyriel is de oudste zoon André ( gehuwd met Maria Minjau,) overleden op 18 september 2009 ( zie boven ).De tweede zoon Marcel, is gehuwd met Georgette en woont in de Hekkenstraat Wakken en Arsène was gehuwd met Conny Mets, geboren te Lint op 10 februari 1939 en overleden in Sint-Baafs-Vijve op 16 juli 2011. Woonplaats: Sint-Baafs-Vijve Wakkensteenweg nr.140
Met onze grootouders en met heel wat ooms en tantes en neven en nichten zijn we vaak bijeen geweest in goede en kwade dagen.Goeie dagen b.v.b.op nieuwjaarsdagen en kwade tijdens de oorlog of bij ziektes en sterfgevallen.
Tijdens de meidagen van 1940 beleefden wij de angst en het lijden van de tweede wereldoorlog . We hadden thuis geen diepe schuilkelder en achter ons huis in de weide van Hilaire Delagrange hadden de Belgische soldaten zich ingegraven. Vandaar dat de eerste obussen van over de Leie bestemd waren voor die soldaten. Gelukkig had ikzelf in mijn eentje een lange schuilkelder ( voor ouders + 10 kinderen ) gegraven onder onze pereboom en toen de eerste obussen neerkwamen liepen wij erheen en konden daar allen veilig in schuilen, althans voorlopig, want na de beschieting vertrokken we bang naar de woning van onze grootouders Adiel en Stefanie ( woonachtig op de steenweg naar Markegem ) waar we ook in de ruime kelder mochten, samen met andere familieleden, tot de Duitsers ons dorp voorbij waren. Het moet omstreeks 23 mei geweest zijn dat we de Duitsers in de diepe grachten langsheen de weg naar Tielt vooruit zagen sluipen maar de Belgische artillerie bood geweldige weerstand en zo kwam een drietal Duitse soldaten ( na een beschieting ) naar ons toegelopen toen we even buiten kwamen kijken en ze zeiden dat er geschoten werd vanuit de zolder van de woning van onze grootouders. Grootvader Adiel zei in zijn Duits ( uit de eerste wereldoorlog ) dat wij brave " luete " waren terwijl we spontaan met de handen omhoog in de rij stonden en grootvader ondertussen met een Duitser naar de zolder voorop moest gaan. Een ander Duits soldaat ging ook kijken in onze schuilkelder en toen de drie de controle hadden gedaan mochten we gelukkig weer naar binnen. Een paar dagen voordien was nonkel Maurice, die toen in Koekelare met zijn eenheid gestationeerd was , nog even een goeie dag komen zeggen. Grootvader wou dat hij zijn kaki zou afleggen en bij ons blijven. Hij weigerde en dat was maar best voor ons. Helaas oom Maurice sneuvelde dan op 27 mei in Koekelare samen met nog zes andere soldaten. Vanop hun twwe wagens hadden ze met hun mitralleurs geschoten naar een Duits verkenningsvliegtuig, zonder het te treffen. Duitse stuka 's ( de beruchte Duitse duikbommenwerpers), kwamen kort daarna overgevlogen uit de richting Ichtegem. Ze hadden de soldaten met hun luchtafweer opgemerkt. Een brisantbom werd gedropt en zeven soldaten werden getroffen, een achtste ( Adof Dejaeghere ), die op boodschap was, kon aan de dood ontsnappen. Drie soldaten waren op de slag dood en drie andere ( o.m. mijn oom ) die werden overgebracht naar Dr.Proot stierven onderweg of bij aankomst in het dokterskabinet. De zevende stierf op weg naar de kliniek van Sint Andries.( Het hele verhaal werd neergeschreven, maar onvolledig, door de bekende auteur Raf Seys uit Koekelare ).Dat oom Maurice stierf onderweg wordt nu betwist. Zoon Norbert vernam van een ooggetuige dat hij onmiddellijk werd gedood. Norbert, gehuwd met Jeannette Callens, en Suzanne zijn de twee kinderen die Maurice en Rachel nalieten. Voor de nieuwste versie: Zie artikel over Maurice Decock en ook over de herdenking in Koekelare op 30 mei 2010.
Van de familie van grootmoeder Stephanie weten we minder af. We weten dat haar vader Johan Vandamme was en haar moeder Amelie Verbeke. Een zus van haar , Emilie, was gehuwd met Karel-Adolf Van Fleteren ( ° Kortrijk 26 april 1870 - + Gent 25 november 1921) uit Kortrijk en die hadden verschillende kinderen waarvan ik er verschillende persoonlijk heb gekend o.m. Madeleine ( ° Kortrijk 30 mei 1907 - + Desselgem 2 november 1956 ), die gehuwd was met Remi Snauwaert die in Desselgem woonde in de buurt van het geboortehuis van Maria. Hun kinderen zijn: Jean, Jeanne, Georges, Daniel en Lucien. Met Georges onderhoud ik goeie betrekkigen. Jeanne woont in Desselgem of Beveren. Ook Germaine en Adrienne Van Fleteren waren bekende gezichten in de familie. Germaine was gehuwd met Camiel Debouvry en woonde in Kortrijk. Ze hadden drie dochters Elza, Simonne en Yvonne. Die leven nog. Elza trouwde met Medard Holvoet ( + ) en heeft 4 kinderen. Simonne huwde met Eugeen Holvoet ( + ) en bleef kinderloos, Yvonne was getrouwd met Marcel Casier en heeft een zoon. Ze zijn allebei overleden. Jules Vanfleteren, een melkboer, woonde langs de Gentsesteenweg en ook die heb ik gekend. Hij was gehuwd met Emerence Malysse ( ° Harelbeke 16 okt. 1893 - + Kortrijk 1 sept. 1965 ). Ze hadden twee dochters n.l. Marie-José ( + ) een onderwijzeres en Denise, die gehuwd was met een bekende renner Albert Descamps, waarvan de enige dochter woont Gentsesteenweg, 152. Over de andere kinderen van Karel en Emilie weten we minder. Dochter Paula was gehuwd met Cyriel Goesaert, Adrienne was gehuwd met Jozef Laevens ( ° Kortrijk 28 februari 1875 - + Kortrijk 14 februari 1942 ). Die was een koehandelaar en woonde in de Deerlijksestr. in Kortrijk. Georges was gehuwd met Emma Vanbossele en was ook een melkboer. Hij had een dochter die gehuwd was met een andere tak Vanfleteren uit Heule-Watermolen n.l. Roger Vanfleteren ( een schrijnwerker ) .Vandaar een familie Vanfleteren-Vanfleteren. De broer van Roger was Walter. Die huwde met Jenny Six. Dat zijn de ouders van Nadine Vanfleteren, die gehuwd was met en nu gescheiden van Jan Kint. Nadine is geboren in Kortrijk op 25 december 1962. Ze woont nog in Waregem.
Van de familie Dekeukelaere beschikken we over minder gegevens. Op de rouwbrieben van grootmoeder Stéphanie en gootvader Adiel lezen we de namen van Demeyer-Dekeukelaere en van Isidoor Dekeukelaere- Verhaeghe Marie-Louise. De dochter Dekeukelaere, een nicht van moeder, had een zaak van kleerstoffen in de Leiestraat in Kortrijk.
17-08-2012
Gezin van Daniël en Maria Verbeke - Decock
Dit is een foto van het gezin Daniël en Maria Verbeke - Decock genomen in 1948 bij de intrede van zus Josée ( = Marie - José ) in het klooster van de Zusters van de H.-Jozef , in de hal van het Wakkense klooster, Kapellestraat.
We bemerken van links naar rechts bovenaan: zus Mariette, broer Marcel, ikzelf, zus Jacqueline, zus Josée, broer Georges, zus Hélène.Van links naar rechts onderaan: zus Cecile, zus An ( = Anny ), vader en moeder.
Jammer genoeg, was Yvonne er niet meer bij. Ze stierf als oorlogsslachtoffer op 12 mei 1944. We herdenken haar hieronder.
16-08-2012
UIT DE GESCHIEDENIS van Frans-Vl. en het KFV
We laten nu een aantal foto's volgen bij een stukje naoorlogse geschiedenis van de Vlaamse beweging in en voor Frans-Vlaanderen,vroeger zonder maar sinds 1947 onder de stimulans en met de steun van het KFV. Afwisseling met gedichten en ook met een aantal foto's met teksten die een stukje geschiedenis van Frans-Vlaanderen aantonen en ook het bewijs leveren dat Frans-Vlaanderen zijn Vlaams uitzicht en patrimonium wil bewaren en zelfs nu oude Vlaamse namen door Euvo hersteld wil zien. woAls je nu over Frans-Vlaanderen spreekt dan wordt daarmee bedoeld de Westhoek, het gebied waar tot aan de tweede wereldoorlog hoofdzakelijk Vlaams werd gesproken en dat ongeveer gelegen is tussen de A-rivier, de Noordzee en de Belgische grens.( zie kaartje ) Daar worden nu inspanningen gedaan om het dialect via cursussen in leven te houden maar het zijn vooral de cursussen Nederlands ( vrije van het KFV en officiële, van laag tot hoog ) die belangrijk zijn voor de toekomst. Als je spreekt over de Nederlanden in Frankrijk of de Franse Nederlanden danwordt daarmee bedoeld het hele gebied dat historisch met ons verbonden is en zich uitstrekt tot aan de Somme ( in hun grootste expansie reikten de Franse Nederlanden in de 10e eeuw tot voorbij de Somme - zie kaartje )