Onlangs verscheen onder hoofdredactie van Julien Vermeulen het 335e nummer van het tijdschrift 'Vlaanderen '. Het is gewijd aan ' Kunstenaars in het buitenland ' Het is samengesteld door de redactieleden Geert Swaenepoel en Emmanuel Van Lierde, en opent met een inleiding onder de titel ' Over de grens ' van Stefan Kochanek. Hj begint met Peter Pauwel Rubens, die in 1598 zelfstandig meester werd in de Antwerpse Sint-Lucasgilde. Op 9 mei 1600 vertrok hij naar de bakermat van de klassieke beschaving, Italië. Hij vond een betrekking bij Vincenzo Conzaga, de hertog van Mantua. Hij mocht studiereizen doen en verwierf belangrijke opdrachten. Zo mocht hij in Rome een groots altaarstuk schilderen voor de Santa Maria in Vallicella en het is er nog steeds te bekijken. Gedreven door de appreciatie voor z'n meesterschap dacht hij er te blijven, toen het bericht kwam dat zijn moeder in Antwerpen stervende was. Toen hij er aankwam in december 1608 was z'n moeder Maria Pypelinx al begraven. In de woelige tijden van toen was Rubens, barolschilder bij uitstek, veelzijdig tot en met, niet te evenaren, charismatisch, een Vlaams cultuurambassadeur. In de volgende eeuwen leerden we met onze grenzen en onze identiteit omgaan, tot we komen in onze huidige tijd. En wat zien we in 1991? Jan Hoet, voor de avantgarde de belangrijkste man ter wereld, organiseert in Weimar en de daaropvolgende Kasselse Documenta een ongeëvenaarde gespreksmarathon, terwijl hij in Gent niet was aanvaard, hij die Gent in 1986 op de wereldkaart bracht van het internationaal tentoonstellingsbedrijf met ' Chambres d'Amis '. Het was wachten op de Documenta van 1992, om mee te maken hoe duizenden vanuit Vlaanderen de grens overstaken naar Kassel om er een glimp op te vangen van Jan Hoet, en er zijn erkenning toe te juichen. Zeven jaar later, in 1999, krijgt hij zijn S.M.A.K. Wereldwijd erkend als tentoonstellingsmaker, was hij ook een cultureel ambassadeur. En nu doet Jan Fabre dat , die op het dak van het S.M.A.K. in Gent staat met ' De man die de wolken meet ', en die permanent aanwezig is buiten onze grenzen in het Louvre en de Biënnale van Venetië. Een tweede plek vond daar Luc Tuymans. Maar ook op muzikaal gebied bleven we niet ten achter met vanaf 1970 het ' Centrum van Concertvernieuwing ' van Philippe Herreweghe, en daarna kwamen het ' Collegium Vocale ' op eigen bodem, ' La Chapelle Royale ' in Parijs, het muziekfestival in Saintes, e, nog veel andere wegen die Herreweghe uitging. En buiten onze grenzen maakten ook drie dames van formaat, elk op hun eigen terrein opgang: Anna Teresa De Keersmaeker ( dansproductie ), Marie-Jo Lafontaine ( projectie van haar videosculptuur ) en Berlinde De Bruyckere ( beeldend werk ). Omdat ' Vlaanderen ' zich al meer dan eens boog over de literatuur, komt dit genre hier nu niet aan bod. De eerste kunstenaar die drie bladzijden krijgt is de bij miljoenen mensen bekend geworden Wim Delvoye. Persoonlijk hebben we hem als kleine jongen gekend omdat we bevriend waren met zijn vader Bernard, die één van onze KFV-leraren Nederlands was in Frans-Vlaanderen, en die we om de maand gingen betalen voor zijn lessen. Toen toonde Bernard ons de teken-en schilderkunst van de jonge Wim, die o.m. al gasflessen kleurig bewerkte, die blonken als glazuur en porselein. Het stond toen al vast dat hij het ver zou brengen. Sabine Alexander schrijft over zijn veelzijdig werk en wijst vooreerst op een kenmerkend werk van Wim, dat staat op het Driehoeksplein in Knokke, fungeert als windroos en fontein, en heet ' Rose des Vents ' maar daar genoemd ' de plassende engel ' want hoog op zijn sokkel plast hij tegen de wind in. Typisch voor Delvoye die dat figuurlijk ook graag doet... Begin de jaren '90 begon hij met het tatoeëren van gelooide varkenshuiden, maar toen hij dat ook deed, vijf jaar later, bij levende varkens kreeg hij last met Gaia en week uit naar China, waar hij dat vrijuit kon doen en ook experimenteerde met andere kunstvormen.Terug in eigen land bouwt hij zijn artistiek imperium verder uit met zijn eclectische creativiteit, zijn ongebreideld opportunisme en zijn zakenmentaliteit. ' De kunstenaar voelt zich als een vis in het water van een gehaaide wereld die draait rond beroemdheid, geld en beeldvorming. Met precisie bespeelt hij alle instrumenten die ' Delvoye ' en ' Cloaca ' tot een merk maken. ' Delvoye verenigt nieuw en oud. Hij verenigt het vertrouwde met de moderne eis van vernieuwing en originaliteit. Hij vindt dat kunst vooral kijken is. Zijn kunst is boeiend voor het oog, nooit kwetsend, schokkend of ontstellend maar graag met gewaagde fiorituren. Hij heeft zin voor wetenschap en handwerk, voor schoonheid en klucht. Zelfs zijn Cloaca is niet onbetamelijk maar prikkelt wel de gevoelige zintuigen en fantasie. Hij reist door onze geschiedenis en ons erfgoed, mengt genres en stijlen, mixt nostalgie met ondernemerschap, grasduint in advertenties en reclamefolders, speelt leentjebuur bij de oude vertrouwde Amerikaanse filmmaatschappijen, verdiept zich in de wereld van de geneeskunde en genetica en pikt onderweg enkele ordinaire gebruiksvoorwerpen mee. Hij beperkt zich tot het uitdenken en schetsen van kunstwerken maar laat de uitvoering aan anderen over in zijn atelier in Gentbrugge. En ondertussen reist hij de wereld rond, overal en nergens thuis. Het artikel is geïllustreerd met o.m. zijn Cloaca, zijn Chapel en Tour, in met laser gesneden cortenstaal. Tenslotte is er het glasraam Friday, geëtst glas in lood.
Een tweede artikel is van de hand van Erna Metdepenninghen en handelt over de carrière van Gerard Mortier in de wereld van de opera. ' Hij was het die zijn volk opera leerde kennen. ' Gerard Mortier ( Gent, 25 november 1943 ) werd als kleine jongen door zijn moeder in de fascinerende wereld van de opera geïntroduceerd. Als student was hij er al van overtuigd dat opera meer was dan wat de opvoeringen van de Gentse Stadsopera hem voorspiegelden. Dit werd hem duidelijk toen hij vaktijdschriften las en ook bewondering kreeg voor de interpretatiekunst van Maria Callas en Herbert von Karajan, bij opvoeringen die hij in een ander Belgisch operatheater of even over de grens kon meemaken. In 1964, nauwelijks 21 jaar oud, stichtte hij de vereniging ' Jeugdopera ' om de jongeren opera te leren kennen en waarderen. Hij studeerde rechten en communicatiewetenschappen maar het was duidelijk dat hij opgang wou maken in de artistieke wereld. Maar in de Belgische operatheaters, die hij vaak had aangevallen, kon hij geen job vinden. In 1968 werd hij evewel assistent van hoogleraar Jan Briers, de stichter van het Festival van Vlaanderen. Geregeld werden producties van de opera's van Keulen, Düsseldorf en Frankfurt uitgenodigd naar het Festival en deze contacten bezorgden hem zijn eerste contract met een buitenlands operatheater. Zijn opgang vanaf 1972 was begonnen: Dösseldorf, Frankfurt ( 1973 ) en vooral de Opera van Hamburg in 1977, waar hij directeur van de artistieke planning werd en waar hij dirigent Christoph von Dohnanyl, intendant en muziekdirecteur leert kennen, die als zijn mentor beschouwt. Daar leerde Mortier het mètier en legde hij internationale contacten. Die brachten hem in 1979 naar Parijs waar hij werd opgenomen in het team van Rolf Liebermann, de Zwitserse componist en operadirecteur, die de verstarde Opera National de Paris een nieuw elan had gegeven. En in 1981 kon hij eindelijk in eigen land aan de slag want hij werd er opvolger van Maurice Hulsman in de Brusselse Munt, een ingeslapen operahuis. Hij zou het vernieuwen volgens zijn visie en doelstellingen. ' Mijn grootste verzuchting is natuurlijk een muzikaal apparaat te scheppen, waarmee ik kan werken. Opera is in de eerste plaats theater en theater van onze tijd impliceert dat we onze maatschappij kritisch moeten benaderen en doorlichten. Tussen 1981 en 1991 zette hij de Munt opnieuw op de Europese kaart met o.m. een Mozart-cyclus, die de aandacht trok van de Salzburger Festspiele en de verantwoordelijken voor de opvolging van Herbert von Karajan deden aankloppen bij Mortier, die aldus 10 jaar lang artistiek directeur werd van de Salzburger Festspiele. Helaas Oostenrijk nam het niet dat niet een Oostenrijker maar een Belg die benoeming kreeg en vooral de media vielen hem aan maar de muziekcritici van de Duitse kranten loofden hem volop om de vernieuwing die hij predikte. In 2001 richtte hij De Rurh Triennale op. Hij was er stichtende intendant en bracht er het verlaten en uitgediende industriegebied met leegstaande en uitgediende fabrieken, mijnen en elektrische centrales, weer tot leven met een multidisciplinair programma met zowel toneel, dans , opera, beeldende kunst, pop-en concertmuziek en een literatuurprogramma. Hij noemt dit zijn belangrijkste buitenlandse realisatie. Vervolgens werd hij van september 2004 tot juli 2009 directeur van de Opèra National de Paris waar hij in die periode een positief bilan kon voorleggen wat betreft inkomsten, bezoekersaantal en initiatieven ten voordele van universiteitsstudenten en jongeren. Er waren in die periode 74 verschillende opera's gepresenteerd waarvan 47 in nieuwe producties en 10 werken voor het eerst aan het repertoire toegevoegd. Toch was het Parijse publiek niet tevreden over zijn beleid en hij stopte voortijdig in 2007 omdat hij in februari benoemd werd tot directeur van de New York City Opera. Omdat hij uiteindelijk niet ovder het beloofde budget niet kon beschikken, gaf hij in november 2008 zijn ontslag. De Opera hield er een kater aan over en Mortier een niet onaardige som. Sinds het seizoen 2010-2011 is hij artistiek directeur van het Teatro Real in Madrid, een instelling die hij een eigen karakter en een internationale uitstraling wil geven. Na deze twee tenoren Delvoye en Mortier komen in het nummer nog heel wat kunstenaars aan bod maar we kunnen ze niet uitgebreid meer bespreken. Enkele woorden over Herman Van Nazareth, die een tijd lang werkte als assistent bij de bekende beeldhouwer-schilder Floris Jespers en op diens aanraden in 1965 naar Zuid-Afrika trok, waar hij als schilder en beeldhouwer tot volle ontwikkeling kwam. Terug in België sinds 1976 bewerkt hij het ruwe massieve marmer, met een uitgepuurde techniek, en in cortenstaal ontwerpt hij monumentale beelden. Hij exposeerde in binnen-en buitenland en pendelt heen en weer tussen zijn twee thuislanden België en Zuid-Afrika. Zijn werk komt voor in tal van musea. Het uitgebreide artikel is van Geert Swaenepoel. De volgende wereldburger die aan bod komt is de zanger Stef Bos ( 1961 ), die opgroeide in het Nederlandse Veenendaal. Aan Studio Herman Teirlinck in Antwerpen werd hij aangenomen voor de theateropleiding en kleinkunstrichting. Dat studio bracht hem liefde voor literatuur, dans en beweging bij. In de jaren 1990 smeedde hij zijn eerste contacten met Zuid-Afrika en in 2009 belandde hij daar, waar zijn verbondenheid werd bezegeld door zijn huwelijk met de Zuid-Afrikaanse kunstenares Varenka Paschke. Zij illustreerde voortaan zijn CD-boekjes van ' In een ander licht ' en ' Kloofstraat ' en het boek ' Stillewe ' Daarna verschenen nog verschillende boeken. Paschke exposeerde in Halle. Ze is een kleindochter van de in 2006 overleden ex-premier en - president , Pieter Willem Botha. Al was die een beschermer van het apartheidsregime, toch leerde ze Nelson Mandela schilderen en haar ouders waren progressief en kozen de partij van de onderdrukten. Hij woont nu in Wachtebeke maar ze kochten ook een huis in Kaapstad. Zo blijft hij met drie landen verbonden: zijn Nederlandse geboorteplaats, de geboorteplaats van zijn vrouw en zijn Vlaamse woonplaats.
Daarna komt beeldhouwer Johan Tahon ( 1965, Menen ) aan de beurt.Een groepstentoonstelling in het S.M.A.K.van Jan Hoet in Gent was voor hem een lanceerplatform voor zijn carrière. In zijn werk staat de angstige, vertwijfelde, voortdurend met existentiële vraagstukken worstelende en onder schulgevoelens gebukt gaande mens centraal.Mismaakte mensfiguren, meestal uitgevoerd in gips lopen mank, missen lichaamsdelen, hangen hulpeloos aan kettingen in de ijlte, met disproportioneel groot hoofd enz. Hij stelt ze samen uit brokstukken. Ze bezweren het onnoembare. Heling, lichamelijk en geestelijk, vindt Tahon de jongste jaren in Turkije.Keramiek wordt daar geproduceerd volgens een eeuwenoude methode. Hij werkt daar nu aan mee ofschoon hij ook al heel vroeg werkte in keramiek. In Turkije is Iznik voor hem de centrale plaats. De stad van 35.000 inwoners was vroeger bekend als Nicaea, in het nordwesten van Turkije aan het gelijknamige meer.Daar floreerde het vroege christendom. Daar neemt de Christusfiguur ook een belangrijke plaats in zijn werk in. Momenteel voelt hij zich aangetrokken door New York, waar hij in 2010 een tentoonstelling had.
Wordt voortgezet.
|