Deel door ons uw liefde uit
aan wie honger heeft en pijn.
Laat ons waar verdeeldheid is
uw vredestichters zijn.
Ons verlangen is alleen,
Heer, maak ons hart bereid,
dat door heel ons leven heen
uw liefde wordt verspreid.
Deel door mij uw liefde uit,
aan een medemens die lijdt.
Leer mij meer vervuld te zijn
met uw bewogenheid.
Mijn verlangen is alleen,
Heer, maak mijn hart bereid,
dat door heel mijn leven heen
uw liefde wordt verspreid.
Openbaar uw koninkrijk
aan wie zoekt, aan arm en rijk.
Giet een stroom van liefde uit,
dat in ons en door ons, o Jezus,
uw liefde wordt verspreid.(2x)
Deel ons door uw liefde uit
tot de einden van de aard'.
Dat zich waar de dood nu heerst
nieuw leven openbaart.
Maak ons als uw werkers klaar
en sterk ons in de strijd,
tot wij mogen oogsten waar
uw liefde wordt verspreid.
Openbaar uw koninkrijk
aan wie zoekt, aan arm en rijk.
Giet een stroom van liefde uit,
dat in ons en door ons, o Jezus,
uw liefde wordt verspreid.(6x)
Deel door ons uw liefde uit,)
maak ons hart bereid. )4x
Deel door ons uw liefde uit,)
ja wij zijn bereid. )2x
Deel door mij uw liefde uit )
ja ik ben bereid. )2x
Wat ogen zien dringt binnenin het hart. Het kan ons blij maken of ook heel verdrietig. Het kan ons soms zo diep raken, dat we er ziek van zijn. Ogen zijn de vensters van ons hart. Wie ze opent voor het licht, voor de zon overdag, voor de mooie dingen en voor de sterren in de nacht, is een blij en gelukkig mens. Met licht en meer moois in onze ogen komt er kleur in ons anders zo grijze leven. Want onze ogen weerspiegelen de liefde van Jezus. Een liefde, door Hem gegeven!
Beloften
Ik geef je Mijn vrede, Ik reik je Mijn hand.
Ik geef je Mijn sterkte, door Mij hou je stand.
Ik geef je genade, een teken van trouw, want
Ik ben als een Vader, Ik ben er voor jou.
Ik geef je Mijn vriendschap, een arm om je heen,
Ik geef je Mijn zegen, je bent nooit alleen.
Ik geef je Mijn warmte, een vuur in de kou, want
Ik ben als een Vader, Ik ben er voor jou.
Ik geef je Mijn toekomst, Ik geef je Mijn Geest
als Gids in de wereld, op weg naar het feest.
Ik geef je Mijn liefde die nimmer benauwt, want
Ik ben als een Vader, Ik ben er voor jou.
Ik geef je Mijn blijdschap, Ik geef je Mijn kracht,
Ik geef je Mijn uitzicht als licht in de nacht.
Ik geef je Mijn leven, omdat Ik van je hou, want
Ik ben als een Vader, Ik ben er voor jou.
Door niets en door niemand kan worden ontroofd
wat Ik in Mijn Woord aan jou heb beloofd.
Ik heb alles gegeven wat jij niet verdient en
Ik wil in jou leven, want jij...... jij bent Mijn vriend.
Uit het hart
Jouw Hemelse Vader die je heeft geschapen, die zoveel van je houdt, weet alles wat er zich in jouw hart afspeelt. Hij begrijpt en kent jou volkomen, Hij vraagt je om de juiste keuzes te maken! Hij verlangt niets liever dat Hij fier zou zijn op jou, dat je het pad der wijsheid zou blijven volgen! Het is niet altijd gemakkelijk, en je hebt vooral lef & doorzettingsvermogen nodig, maar dit alles is niet te vergelijken, met het liefdevolle geschenk dat je zal verkrijgen! Hij weet nu wat je denkt & wat je nog zou willen 'plannen'... Daarom vraag ik je : ook voor mij komt de tijd dat ik het aardse zal verlaten. Maar zou je dan niet blij & verheugd zijn als je weet, dat ik in het Hemelse paradijs zal blijven wachten op... jou !!! Filip V. (26-09-04)
IK BEN DE ALFA EN DE OMEGA GEBED IS DE SLEUTEL VAN DE OCHTEND
EN DE GRENDEL VAN DE AVOND.
28-06-2007
ZORGT GOD?
ZORGT GOD?
Op een bitterkoude dag omstreeks Kerstmis strompelde een teeruitziend tienermeisje door een straat in Wiesbaden, Duitsland. Te zwak en te ziek om haar zware koffer te dragen, sleepte ze hem achter zich aan door de sneeuw. In paniek joeg de gedachte door haar hoofd: Ik heb geen huis, geen familie, geen vrienden - ik ben alleen in deze grote wereld met niemand die voor mij zorgt! Dat meisje was ik.
Ik was geboren in 1930 in Oost-Duitsland als dochter van een Duitse vader en een Russische moeder. In die tijd koesterden de meeste Duitsers een diepe haat tegen de Russen. Omdat mijn ouders dachten dat ik slecht behandeld zou kunnen worden vanwege mijn moeders nationaliteit, gaven zij mij aan een Duits echtpaar. Ik hield veel van die mensen. Ze behandelden me goed, alsof ik hun eigen dochter was.
In 1945, toen ik 15 was, kwam er oorlog in die omgeving. Toen de Russen optrokken met tanks, bombardeerden ze onze stad. Met een vluchtkoffertje met enkele bezittingen vluchtten mijn pleegouders en ik uit huis in de richting van de Baltische Zee in een poging de Russen te ontlopen. Ik kon 's nachts niet slapen uit angst voor achtervolging of gevangenschap. Enkele dagen later eindigde onze vlucht - niet in vrijheid, maar in gevangenschap. Mijn hart klopte wild toen ik me vastklemde aan mijn ouders.
De Russen dreven alle ouders vóór de kinderen uit. Met machinegeweren werden er honderden volwassenen weggemaaid. Ik kan mijn afschuw en angst met geen pen beschrijven toen ik mijn geliefde pleegouders dood zag neervallen. Hulpeloos en geschokt zagen wij kinderen hoe de lichamen van onze ouders in een kuil werden gegooid en met zand bedekt.
Toen dreven de Russen ons in een donker, vochtig souterrain waar we een paar dagen zonder eten en drinken gevangen werden gehouden.
De Duitsers deden een tegenaanval en bevrijdden ons. We werden in trucks gezet en naar de Baltische Zee gebracht. Daar werden we in allerlei soorten schepen geladen. Ik kwam met een heleboel andere kinderen op een onderzeeër terecht. We waren nog maar kort op weg toen Amerikaanse en Engelse schepen alle Duitse vaartuigen tot overgave dwongen. Wij werden overgebracht naar een Engels schip en gebracht naar een krijgsgevangenenkamp in Kopenhagen, waar we drie jaar werden vastgehouden. De Engelsen wilden ons niet uit het kamp ontslaan tenzij wij een plaats hadden om te wonen. Ten slotte vond het Rode Kruis in 1948 een plek voor mij bij een oud echtpaar, familie van mijn pleegouders, in Wiesbaden.
De jaren van ontbering eisten hun tol en ik werd ziek. Het oude echtpaar liet me naar een ziekenhuis brengen. Toen ik weigerde in een klooster te gaan, pakte iemand mijn spullen in een koffer en ik werd buiten de deur gezet in de koude, besneeuwde straten van Wiesbaden.
Toen ik de straat uitliep, mijn koffer achter me aanslepend, stond ik even stil en keek omhoog. Doodmoe en bang riep ik uit: 'Als U bestaat, helpt U me dan alstublieft!' Maar ik vroeg me af: bekommert God zich echt wel over wat er met mij gebeurt?
Ik kreeg opeens een aandrang om aan te kloppen bij een deur daar dichtbij. Een vrouw met een vriendelijk gezicht deed open en vroeg me binnen te komen. Toen ik haar mijn geschiedenis vertelde, zei ze: 'Ons huis is jouw huis.' Ik wist dat ik niet bij toeval in dit huis gekomen was. De God die ik aangeroepen had, had mij naar een christelijk gezin geleid - naar het huis van meneer en mevrouw Hentz. Meneer Hentz was voorganger van een evangelische gemeente.
Wat zijn we allemaal druk. Met het gezin, met het werk, met de kerk... druk, druk druk. Gelukkig hebben we ook af en toe vrij. Vakantie. Tijd om tot rust te komen. Tijd om stil te staan bij de dingen waar God druk mee is - in alle eerbied gesproken.
Het bijzondere is dat wij mensen helemaal niet de indruk krijgen dat de Heer zo druk is. Neem nu bijvoorbeeld Abraham. U kent zijn geschiedenis wel: zijn roeping om uit het huis van zijn vader te gaan, op weg naar een onbekend land. Hij was toen 75 jaar. Hij was al 86 toen hij Ismaël als zoon kreeg. Hij was 100 jaar oud, toen zijn door God beloofde zoon Isaak kwam. Echt haast lijkt de Heer niet te hebben. Wat doet de Heer in Abrahams leven? Als Lot het beste deel van het land Kanaän heeft gevraagd, bevestigt de Heer aan Abraham dat hij heel het land zal krijgen en een groot nageslacht. Als Abraham weigert geschenken aan te nemen van de koning van Sodom, opdat die niet kan zeggen dat hij Abraham rijk heeft gemaakt, ook dan bevestigt God zijn beloften aan Abraham door Zich persoonlijk voor die beloften garant te stellen (zie Genesis 15). Toch ziet Abraham nog niets van die beloften in vervulling gaan. Het is dan ook zo logisch om de Heer maar eens een handje te gaan helpen, en via Hagar nageslacht te verwekken. Op het laatste nippertje, toen het menselijkerwijs nog kon. Want als de Heer Abraham opzoekt als hij 99 jaar oud is, schiet Sara in de lach. Het is immers veel te laat voor Abraham en haar om nog een kind te krijgen (Genesis 18:12).
Maar het wonder gebeurt toch, en het beloofde kind komt!
Eind goed, al goed zou je denken.
Maar dan gaat God verder. Hoe oud zal Abraham zijn geweest toen de Heer hem vroeg om zijn geliefde zoon te offeren? Honderdtien? Honderdtwintig? Isaak was in ieder geval oud genoeg om zelf al het offerhout de berg op te dragen.
In al die jaren was er toch wat bij Abraham veranderd. Want in Hebreeën 11:17,18 lezen we: 'Door het geloof heeft Abraham, toen hij verzocht werd, Isaak ten offer gebracht ... hij tot wie gezegd was: door Isaak zal men van nageslacht van u spreken. Hij heeft overwogen, dat God bij machte was hem zelfs uit de doden op te wekken.' Abraham had inmiddels geleerd dat de Heer echt helemaal te vertrouwen is: Hij doet wat Hij zegt en Hij kan datgene doen wat boven ons denken uitgaat.
Abraham had God leren vertrouwen, op een manier zoals alleen heel kleine kinderen dat kunnen: Hem compleet vertrouwen op zijn woord. De Heer is er druk mee dat ook aan ons te leren. Hij is te vertrouwen, altijd...
Wij denken en spreken graag over andere mensen en hebben ons oordeel vlug klaar. Maar onderzoeken wij ook onszelf en oordelen wij ons eigen handelen? Het is niet aan ons om de ander te oordelen. Wij zijn de Rechter niet - dat is Hij! Daarmee begint deze dag.
Maar dit stukje gaat verder over onszelf en onze eigen plannen. Wilt u vandaag of morgen handel drijven en winst maken? Pas dan op voor hoogmoed of overmoed. Want onze plannen lukken alleen als de Heer het wil en wij leven. Hij kent de dag van morgen en houdt ons leven in zijn hand. 'Deo volente' is echt geen holle frase!
Soms zijn namaakplanten heel moeilijk van echte planten te onderscheiden. Maar toch is er een groot verschil: de laatste leven en groeien en de eerste zijn dood en moeten enkel worden afgestoft om mooi te blijven.
Zo is het ook met veel christenen. Ze zitten keurig vooraan in de kerk, zoals een plastic palmboom op de plaza van Center Parcs staat. Maar ze groeien niet en hun geloof is dood, omdat het niet met werken gepaard gaat. Jakobus is hier wel heel scherp, maar ook heel praktisch! Wel iets om heel serieus te nemen.
14 Toen antwoordde God hem: ‘Ik ben die er zijn zal. Zeg daarom tegen de Israëlieten: “IK ZAL ER ZIJN
'IK BEN...'
In Ex. 3:14 noemt God Zich bij één van Zijn namen, namelijk :'Ik ben.' Bisschop Beveridge gaf hierover de volgende, mooie uitleg.
God noemt Zichzelf 'Ik ben'. Hij zegt bijvoorbeeld niet: 'Ik ben uw licht', 'Ik ben uw gids', of: 'Ik ben uw sterkte.' Dit is Hij natuurlijk ook, maar Hij zegt hier alleen maar: 'Ik ben.' En verder niet. Het is alsof Hij tegen ons wil zeggen: jullie mogen zelf invullen wat jullie nodig hebben. Bijvoorbeeld: Ben je zwak? Ik ben sterk en Ik wil jou de kracht geven die je nodig hebt. Ben je arm? Ik ben rijk en Ik wil jou van Mijn rijkdom geven. Ben je bedroefd? Ik ben de Trooster en Ik wil bij jou zijn en je troosten. Heb je wijsheid nodig? Ik ben de Wijsheid en Ik wil jou wijsheid geven als je Mij erom vraagt. Moet je sterven? Mijn Zoon is de opstanding en het leven en Ik geef jou het eeuwige leven, als je in Mijn Zoon gelooft.
Zo wil God ons in elke situatie van ons leven geven wat we nodig hebben. Wij kunnen zingen: 'Al wat ik nodig had, hebt Gij gegeven, groot is Uw trouw, o Heer, aan mij betoond.'
Wij gaan vaak af op het uiterlijk van mensen, of op hun sociale status, en vormen ons zo een mening over hun waarde. Vergis u niet: Jakobus noemt dat zonde. Want het is niet de manier waarop de Heer oordeelt, die het hart kent en nooit op de buitenkant afgaat.
Letterlijk staat er in het laatste vers dat de barmhartigheid triomfeert over het oordeel. Dat wil zeggen dat wij onze naaste zouden moeten liefhebben als onszelf, los van het feit of die naaste een gouden ring draagt of een piercing, een jeans of een driedelig pak. God kijkt naar het hart van mensen. Laten wij dat alsjeblieft ook doen.
In West-Europa hebben de meeste mensen een goede opleiding, of ten minste de kans om goed onderwijs te volgen. We weten heel veel. Er zijn specialisten voor van alles en nog wat.
In Gods wereld zijn ook specialisten nodig. Mensen die zich specialiseren in goede werken. De opleiding hiervoor krijgen we uit Gods Woord. En Hij geeft ons ook nog de daadkracht. In Christus Jezus zijn we geschapen tot goede werken die God dan ook nog eens voor ons klaarlegt, zodat we ze kunnen doen. Zijn Woord is betrouwbaar. Laten we eens wat minder praten en wat meer doen voor God. En als we niet weten wat we moeten doen, laten we Hem dan vragen wat Hij wil dat we zullen doen.
De leer van God, onze Heiland, in alles versieren.
De leer van God, onze Heiland, in alles versieren.
Versieringen zijn ervoor om iets mooi en aantrekkelijk te maken. Zo vindt God het geweldig als ons gedrag overeenkomt met wat God in zijn Woord van ons vraagt. Dat vindt Hij mooi en aantrekkelijk.
Vergelijk het ook maar eens met een muziekleraar. Een muziekleraar probeert zijn leerlingen iets bij te brengen. Hij is blij als het geleerde in praktijk wordt gebracht. Bij bekende musici wordt vaak vermeld bij welke leermeester zij gestudeerd hebben. Zien de mensen aan ons bij wie wij in de leer zijn geweest? Bij Jezus Christus? Of bij onszelf? Uit onszelf kan niet veel goeds voortkomen, dat weten we toch eigenlijk wel.
Laten we God vragen om ons te helpen, zodat we meer op Jezus Christus gaan lijken. Hij is de genade van God die ons bij de hand neemt om van Hem te leren. Tot zijn eer.
Bij God kun je geen wit voetje halen en je kunt ook je behoudenis niet verdienen. Ons denken is onverstandig, onze weg een dwaalweg, we gaan op kronkelpaden, onze vermeende vrijheid is verslaving. In onze omgang met elkaar maken we meer kapot dan ons lief is.
Wat een goedheid dat God mens is geworden en ons heeft opgezocht. Hij biedt ons zijn liefde en redding aan. Zijn genade is er voor onze schuld en zijn barmhartigheid voor ons onvermogen, zodat wij rechtvaardig voor God zouden zijn. Hij is onze kracht en werkt door zijn Geest in ons. Hij wil zijn leven in ons zichtbaar laten worden.
God heeft ons door zijn genade behoudenis gegeven. Hij zet ons niet aan de kant. Hij houdt zo veel van ons dat het ondenkbaar en ondankbaar zou zijn om zijn goede zorgen niet aan te nemen.
Gezonde leer moet zichtbaar zijn in ons gedrag en onze houding. God spreekt door zijn Woord jongeren én ouderen concreet aan op hun gedrag. Eén eigenschap die opvalt en drie keer voorkomt, is ingetogenheid. Ons probleem is vaak dat we graag willen opvallen, op de voorgrond willen treden en gezien willen worden door onze omgeving. We willen dolgraag zien en merken dat andere mensen ons erkennen. We willen aandacht voor onszelf opeisen. Het tegenovergestelde in extreme vorm van ingetogenheid is arrogantie, betweterig zijn en boven je broeder of zuster gaan staan.
Gods Geest wil ons helpen om ingetogen te leven. Dat valt op voor God. Daar heeft God plezier in. Het is één van de kenmerken van een gezond geestelijk leven.
11:36Alles is uit hem ontstaan, alles is door hem geschapen, alles heeft in hem zijn doel. Hem komt de eer toe tot in eeuwigheid. Amen.
Als een rentmeester van God.
Wat Paulus aan Titus schrijft over oudsten in de gemeente, geldt ook voor andere gelovigen. In elk geval zijn alle gelovigen rentmeesters. Wat we zijn, zijn we dankzij onze Schepper en Redder, Jezus Christus. Wat we hebben, hebben we van Hem ontvangen: vergeving van onze zonden, eeuwig leven, maar net zo goed talenten en materiële dingen. Onze God wil dat we die zaken voor Hem beheren en Hem ermee dienen. Dat is geestelijk rentmeesterschap. In Gods economie gebruiken we de middelen die Hij ons heeft toevertrouwd en Hij vermenigvuldigt zijn zegen. Het is goed opnieuw te beseffen dat we ons hele wezen, ons hele hebben en houden, mogen inzetten voor onze God. Hij is de Eigenaar. 'Want uit Hem en door Hem en tot Hem zijn alle dingen. Hem zij de heerlijkheid, tot in eeuwigheid' (Romeinen 11:36).
6 Onze tong is net zo’n vlam: een wereld van onrecht, die onze lichaamsdelen in brand steekt. Want hij besmet het hele lichaam, hij steekt het rad van het leven in brand, met vuur uit de Gehenna
De waarschuwingen in het bijbelgedeelte van vandaag zijn niet van de lucht. Door veel praten wordt er veel kapotgemaakt. Door leugens worden relaties tussen gelovigen verwoest. 'De tong is een vuur, de wereld van de ongerechtigheid,' zegt de Bijbel in Jakobus 3:6. Als Gods Gemeente verziekt wordt door gezwets, moet dat aan de kaak gesteld worden. Gezond geloof: daar draait het om. In plaats van over elkaar te praten, moeten we samen de Heer zoeken. Praten met Hem en met elkaar. Gezond en rein blijven in plaats van besmet raken. 'Zalig de reinen van hart, want zij zullen God zien.' En áls we gezondigd hebben, is er - God zij dank! - altijd vergeving mogelijk, ook onder elkaar.
Paulus maakt zijn broeders geen verwijt dat ze hem in zijn rechtszaak in Rome niet terzijde hebben gestaan. Zouden wij het gekund hebben? Paulus verwijt wél ene Alexander, dat hij de zaak van de Heer schade berokkent en waarschuwt terecht voor zulke mensen. Er kunnen situaties ontstaan waarin mensen gewoon geen hulp kunnen bieden. Maar in dergelijke omstandigheden mogen we vast op onze Heer rekenen. Dat is een kostbare ervaring, die de Heer zo bijzonder voor ons maakt. David kon daar ook van getuigen in Psalm16:8: 'Omdat Hij aan mijn rechterhand staat, wankel ik niet.' En verderop in de Psalmen staat: 'Hij staat aan de rechterhand van de arme om hem te verlossen van wie hem veroordelen' (Psalm109:31).
En ik zeg je: jij bent Petrus, de rots waarop ik mijn kerk zal bouwen,
jij bent Petrus, de rots waarop ik mijn kerk zal bouwen – In het Grieks is er een woordspel tussen het woord petra, ‘steen’ of ‘rotsblok’, en de naam Petrus.
en de poorten van het dodenrijk zullen haar niet kunnen overweldigen.
De HERE zal zijn volk niet verstoten.
Nee, God laat zijn volk niet in de steek. Wat gold voor Israël, geldt ook voor de Gemeente van God. Wat er ook gebeurt, de Gemeente is gebouwd op Jezus, de Rots. De poorten van de hades zullen de Gemeente niet overweldigen (Matteüs 16:18). Gods volk mag in het nauw gebracht en aan alle kanten belaagd en verdrukt worden, maar God ziet en hoort het. Er is heel veel onrecht in deze wereld, ook tegen christenen. Velen van hen hebben het hard te verduren in de naam van Christus. De Bijbel prijst hen gelukkig, omdat de Geest van de heerlijkheid, de kracht en de Geest van God op hen rust. Dat is de ongekende kracht van God die boven de situatie uitstijgt en uithoudingsvermogen geeft, om sterk te staan voor God en zijn eer. En Hij ziet het, Hij ziet elke traan en elk stil verdriet.
Het gaat met de mensheid zonder God alleen maar van kwaad tot erger. Het is frappant dat de Bijbel daar heel nuchter in is en dat gewoon vaststelt. De mensen missen wat goed is en wat God van hen vraagt: rechtvaardig met elkaar om te gaan, trouw te zijn en met God door het leven te gaan. Ze zijn meer liefhebbers van genot dan van God. Nu is genieten niet verkeerd. Alles wat God gemaakt heeft, bijvoorbeeld het huwelijk, maar ook eten en drinken, is goed en niet verwerpelijk, áls we God ervoor danken. Dat is nu juist zo mooi, als we God liefhebben om wat Hij ons allemaal geeft, en het niet allemaal maar vanzelfsprekend vinden. God heeft ons alles gegeven en het bewijs is zijn Zoon Jezus Christus. Heb daarom God lief met je hele hart, je hele ziel en je hele kracht.
Het is het voorstel om de Naam van God weg te laten uit de herziene versie van de Europese grondwet, dit is de boodschap die Angela Merkel heeft meegedeeld aan 20 religieuze leiders van Europa.
Op de verkeerde dag en op het verkeerde uur kwamen wij in Jeruzalem aan. Het was vrijdag en het was elf uur. Het Tempelplein waar de Rotskoepel stond en de El-Aksamoskee was niet meer toegankelijk voor de toeristen. Men had besloten om alleen moslims toe te laten, zodat zij rustig konden bidden. We konden over de hoofden van de bewakers heen nog net een mooi plaatje schieten van de glanzend gouden koepel, die stralend afstak tegen een hardblauwe hemel. Omdat om vijf uur de sabbat begon, moesten we zorgen weer voor halfvier bij het busstation te zijn, want daarna zou al het openbaar vervoer stilliggen. Nadat we bij enkele kruiswegstaties - die zich langs de Via Dolorosa bevinden - hadden stilgestaan, kwamen we na twaalven, op het heetst van de dag, bij de Hof van Gethsémané en vonden het gesloten. Op een bordje stond dat we er na halfdrie weer in konden. Dat was heel erg. Mistroostig liepen we de weg verder omhoog en kwamen aan bij het oudste en grootste joodse kerkhof ter wereld. Zo ontzettend veel platte witte grafstenen. Het was er doodstil, er was verder niemand dan wij tweeën.
Boven een heel grote witte tombe boog zich één boom. Daaronder gingen we zitten en haalden brood en drinken uit onze rugzak. Wat waren we dom geweest om niet naar de openingstijden te informeren. Nu waren we veel geld en energie kwijt en konden niets bezichtigen. We vouwden onze handen en vroegen een zegen voor het eten en de rest van de dag. 'Hi! How are you?' We schrokken en keken waar dat geluid vandaan kwam. Een paar meter boven ons stond een jongeman naar ons te lachen. Met één been op het muurtje en met z'n hand z'n hoofd ondersteunend, keek hij lachend op ons neer. 'Oh hi,' zeiden we een beetje geïrriteerd en we zwaaiden wat flauwtjes naar hem en gingen door met eten. Maar hij had echt zin in een praatje en vroeg waar we vandaan kamen en wat we hier deden. We vertelden hem met trots dat we uit Belgie kwamen en - lichtelijk beschaamd - dat we hier nog veel hadden willen bezoeken, maar dat alles pas weer om halfdrie openging en dat we daar niet op konden wachten, want het was nog een uur gaan naar het centrale busstation.
Toen wees hij op een groot hoog hek aan de overkant van de weg en vroeg of we met hem mee wilden gaan om daarachter een tuin en een kerk te bezichtigen en hij toonde ons een grote roestige sleutel. We vonden het heel eng om met zo'n vreemde jongeman mee te gaan, maar we werden tegelijk ook erg nieuwsgierig. Hij droeg geen keppeltje, dus het leek ons geen joodse jongen, misschien een Palestijn? We waagden het erop. Hij bracht ons in een prachtige tuin, waar hij uitleg gaf bij vele planten en bomen. Hij liet ons de struik zien met heel grote scherpe stekels, waar de doornenkroon van was gemaakt. Hij verhaalde van de Johannesbroodboom. En hij toonde mij de verschillende tuinkruiden. Of ik wel wist wat dit was en dat, maar ik haalde de majoraan en de marjolein door elkaar, waarop hij opperde dat mijn man niet tevreden zou zijn over mijn kookkunst en dat het hem niets zou verbazen als hij een andere vrouw zou zoeken. Hij zei allemaal vreemde dingen over hem en ik ging hem verschrikkelijk verdedigen. 'O nee, zo was mijn man niet' en 'O nee, dat zou hij nooit doen' enz. Daarna opende hij voor ons het kerkje 'Dominus Flevit' ('De Heer weende'). Op de koepel van de kerk zijn de grijs leien platen in de vorm van druppels aangebracht. Het was heerlijk koel binnen. Ook daar vertelde hij ons alles over de historie van het bouwwerk en hij leidde ons naar het raam en toonde ons van daaruit Jeruzalem. We kwamen diep onder de indruk toen we de stad zo zagen liggen en op de plaats stonden waar de Heer Jezus de profetie had uitgesproken, wetende hoe ontzaglijk daar geleden zou worden. De jongeman zette ons neer op een kerkbank en gaf ons een plankje met de Engelse tekst van Luk. 19: 41-44 erop: 'Och, of u ook op deze dag verstond wat tot uw vrede dient; maar thans is het verborgen voor uw ogen.' De tranen stroomden mij geluidloos over de wangen. De jongeman nam mij het plankje weer af en begon er mij koelte mee toe te wuiven tot mijn huilen ophield. Toen hij het hek weer achter ons sloot, waren we diep onder de indruk van wat ons was overkomen. We overlegden met elkaar of misschien de Here God ons deze jongeman had gestuurd? Was het wel een gewone jongeman? Dat moest wel, want hij had zulke rare vragen gesteld in de tuin en zulke rare dingen geïnsinueerd. Het was beslist een gewone jongeman geweest. Hoewel? Hij had mij wel een heleboel positieve opmerkingen aangaande mijn man ontlokt! Ik had eigenlijk nog nooit zo nadrukkelijk iemand verteld van zijn trouw, zijn geduld, zijn vergevensgezindheid en nog meer van die goede eigenschappen. Op een vreemde manier was mij eigenlijk gevraagd: 'Heb jij hem echt lief?' En op een bijzondere manier had ik geantwoord: 'U weet toch dat ik hem liefheb!'
Dit jaar mogen Jan en ik vieren dat we 40 jaar lang door God bijeen zijn gehouden. Niet onze liefde, maar zijn liefde deed dat!
We liepen het erf weer op, langs een dood lam. 'Een lijer,' zei de boer. 'Daar was toch niks mee te beginnen.' 'Ik had er best wat aan kunnen doen, denk ik,' zei Jan Koopmans, de veearts, toen we in de auto zaten. 'Maar als ze mij daarvoor hadden opgetrommeld was dat twee keer zo duur geweest als dat hele lam kostte. Geen lam zal ooit een veearts zien.'
Dit citaat uit het boek 'Hoe God verdween uit Jorwerd' van Geert Mak zette me even aan het denken. De Here Jezus vergelijkt in de Bijbel mensen wel eens met schapen en lammeren. In tegenstelling tot hoe mensen soms met hun dieren omgaan, zei Hij: Ik zet m'n leven in voor mijn schapen. Het kostte Hem alles om zijn 'schapen' niet te verliezen. Door onze afkerigheid van God en alle verkeerde dingen die we doen, was het enige lot dat ons wachtte de dood. Er was geen hoop op leven. Jezus offerde Zijn eigen leven op aan een kruis. Door dat te doen nam Hij onze straf over. Na drie dagen stond Hij op om nooit weer te sterven. Wie dat gelooft, krijgt het eeuwige leven.
Voor een gewoon lam is de veearts te duur. Voor u en mij vond Jezus zelfs de prijs van Zijn leven niet te hoog.
Ik moest er door een lieve broeder op gewezen worden:
Gods liefde voor mij (en ook voor u natuurlijk) is onvoorwaardelijk.
Wist ik dat dan niet? Jawel hoor, maar niet genoeg.
Want het betekent?
Heel eenvoudig:
U en ik, wij kunnen niets doen waardoor Hij minder van ons zal houden.
Wij kunnen ook niets doen waardoor Hij meer van ons gaat houden.
We kunnen zijn liefde nooit verliezen: Hij houdt vandaag evenveel van ons als gisteren. Wat we ook doen. We kunnen zijn liefde ook niet verdienen. Zijn onvoorstelbare liefde is een gift, onverdiend. Dat noemen we genade. Nu we het daar toch over hebben: we kunnen God ook niet teleurstellen.
Dacht u van wel?
Nee hoor. Stelt u zich eens voor dat de Heer u iets heel doms, of heel verkeerds, of vooruit, iets heel erg zondigs, ziet doen. Dacht u dan dat Hij reageert met: 'Wat stelt die-en-die mij enorm teleur. Dat had ik van jou niet gedacht. Dat valt Mij vies van hem tegen... terwijl Ik zoveel voor die-en-die heb gedaan.' Onmogelijk!
Hij kent u en mij toch door en door? Iedere gedachte, nog voor wij die zelf denken!, is bij Hem bekend. Hij weet wie we zijn, waar we zijn, hoe we zijn. En vol liefde en bewogenheid kijkt Hij ons aan: Hij wil ons zo graag aan zijn hart hebben, dat Hij Zichzelf gegeven heeft. Durft u te geloven dat Hij gek op u is?
Als u mij niet gelooft, lees maar in Jesaja 30:18: 'De Heer verlangt er naar u genadig te zijn.' Of in Jesaja 43:4: 'U bent kostbaar in zijn ogen en hooggeschat; Hij heeft u lief.'
Toen Paulus en Silas eens vanuit Mysië naar het aan de Zwarte Zee gelegen Bithynië probeerden te gaan, liet de Geest van Jezus het hun niet toe (Hand. 16:7). Spoedig bleek dat het de bedoeling was dat ze naar Europa overstaken, en wel naar Macedonië. Een intrigerende vraag blijft waarom de beide predikers niet naar Bithynië mochten gaan. Op die vraag zullen we het antwoord vergeefs in de Bijbel zoeken. Toch zien we in 1 Petr. 1:1 dat zich daar later wel degelijk christenen bevonden. Kennelijk heeft de Here anderen ingeschakeld om in Bithynië het evangelie te prediken. Ook in de aangrenzende streek Pontus blijken zich christenen te bevinden. Misschien is daar gepredikt door Joden die het Pinksterwonder in Jeruzalem hebben meegemaakt en tot bekering gekomen zijn, want in Hand. 2:9 zien we dat daar ook mensen uit Pontus aanwezig waren. Deze streek wordt ook genoemd als de geboorteplaats van de Jood Aquila, een tentenmaker die samen met zijn vrouw Priscilla met de apostel Paulus heeft samengewerkt. Maar wat is er verder bekend over de christenen aan de Zwarte Zee?
Bithynië en Pontus waren door de Romeinen samengevoegd tot één grote provincie. In de jaren 111-113 werd deze provincie bestuurd door de stadhouder Plinius. Deze Plinius heeft over allerlei aangelegenheden gecorrespondeerd met zijn baas in Rome, keizer Trajanus. Van deze correspondentie interesseert ons vooral de brief die Plinius aan Trajanus schreef over de door hem in Bithynië en Pontus aangetroffen christenen. Deze brief is het oudste heidense document over de verspreiding van het christendom dat we bezitten. Plinius raadpleegt zijn baas omdat hij niet goed weet wat hij met de christenen in zijn provincie moet. Ook het antwoord van Trajanus is bewaard gebleven. Stadhouder Plinius schrijft zijn baas Op zichzelf is het triest dat Plinius juist door mensen die zeiden dat ze nooit echte christenen waren geweest - die daardoor zonder mankeren door zijn test heen gekomen waren - het best geïnformeerd is over het christelijk gemeenteleven in Bithynië en Pontus. Zij verklaarden dat de christenen daar de gewoonte hadden 'op een vaste dag vóór zonsopgang samen te komen en beurtelings ter ere van Christus als voor een god een lied te zingen.' Ook meldden zij dat de christenen later weer samenkwamen voor een gemeenschappelijke en eenvoudige maaltijd, en dat ze gewend waren niet te stelen of te roven, geen echtbreuk of woordbreuk pleegden, en in bewaring gegeven goederen op verzoek prompt teruggaven - allemaal zaken waarin de christenen zich van de niet-christenen onderscheidden. Plinius meldt ook dat hij conform een keizerlijke richtlijn een verbod op vereniging en vergadering had uitgebracht, en dat de christenen zich daaraan hadden gehouden. Helaas was Plinius' mening over het christelijk geloof negatief: hij vond het een verderfelijk bijgeloof, een besmettelijke ziekte. Trajanus dat hij, ondanks de vragen die hij heeft, christenen heeft laten terechtstellen. Hij heeft ze persoonlijk gevraagd of ze christenen waren. Wanneer ze dat erkenden, heeft hij zijn vraag een tweede en een derde keer herhaald, onder dreiging met de doodstraf. We kunnen bewondering opbrengen voor de moed van deze christenen, die met de dood voor ogen trouw bleven aan de Here. Plinius meldt ook dat hem onlangs anoniem een lijst met namen is bezorgd van mensen die christenen zouden zijn. Opmerkelijk is de manier waarop Plinius degenen die ontkenden dat zij christen waren, aan een onderzoek onderwierp. Het was hem namelijk bekend dat sommigen die hun christen-zijn bij een verhoor ontkenden, wel degelijk christen waren. Hij liet ze de Romeinse goden aanroepen, hij liet ze aan de goden en aan de keizer offeren, en hij liet ze Christus vervloeken. Dit laatste was iets waarvan hij gehoord had dat echte christenen daartoe niet kunnen worden gedwongen. Staan ook wij, christenen van 20 eeuwen later, zo bij onze medemensen bekend?
Uit Plinius' beschrijving blijkt dat het aantal christenen zo groot is, dat hij bang is voor consequenties vanuit Rome als hij een beoordelingsfout zou maken. Moet hij het loutere feit dat iemand een christen is, strafbaar stellen? Moet hij onderscheid maken naar geslacht en leeftijd? Moeten christenen de gelegenheid krijgen hun geloof af te zweren? Aan het eind van zijn brief motiveert Plinius nogmaals waarom hij zich tot de keizer wendt. Wat voor hem zorgwekkend was, is in onze ogen juist heel positief: ondanks de vervolging groeide het aantal christenen explosief, niet alleen in de steden en de dorpen, maar ook op het platteland - dat laatste is inderdaad opmerkelijk, want het platteland bleef doorgaans het langst heidens. Toch ziet Plinius een lichtpuntje: zijn aanpak lijkt succesvol, want er wordt weer meer offervlees verkocht en de tempels worden weer bezocht. Inderdaad, waar God een geopende deur geeft, zijn veel tegenstanders. Trajanus' korte antwoord gaat inhoudelijk niet op het christendom in. Behalve een complimentje krijgt Plinius slechts te horen dat hij geen actief opsporingsbeleid moet voeren, en niet moet ingaan op anoniem voorgelegde beschuldigingen. Dat, schreef Trajanus, zou een zeer slecht voorbeeld zijn, en is niet iets van onze tijd. Inderdaad! Maar het beste voorbeeld werd niet door Plinius, maar door de vervolgde christenen gegeven. We mogen, terwijl we het einde van hun wandel beschouwen, hun geloof navolgen.
'Geloven is best, maar je moet het niet overdrijven.' Ik hoor het Piet nog zo zeggen. Hij was een collega met wie ik nauw samenwerkte. We konden het goed met elkaar vinden. 'Hoe bedoel je,' vroeg ik voorzichtig. 'Nou, ik geloof ook in God en ga soms naar de kerk. Maar om nou overal het geloof bij te halen, lijkt me wat te veel van het goede.' Ik was even stil. Wat moest ik daar nu op antwoorden? 'Ik ben het niet helemaal met je eens. Een relatie met de Here is niet iets van een paar momenten in de week, het doortrekt je hele leven. Net als in een huwelijk, in alles houd je rekening met elkaar. Kun je het naar God toe eigenlijk wel maken om te zeggen dat je niet moet overdrijven? Zou Hij ooit vinden dat je Hem te veel in je leven betrekt? En kijk eens naar wat God Zelf deed toen Hij Zijn Zoon stuurde. Hij was niemand verplicht zoveel liefde te geven. Het was Zijn goed recht om ons te laten sterven, omdat wij tegen Hem hadden gekozen. Maar Hij is zo oneindig liefdevol dat Hij een nieuwe mogelijkheid creëerde, zodat we in relatie met Hem kunnen leven. Het is maar goed dat God niet zuinig was in Zijn liefde naar ons toe.'
Gelovigen mogen God danken, omdat ze een bijzondere band met hun broeders en zusters hebben, omdat ze gezien hebben dat ook anderen oprecht geloven in diezelfde God. Sommigen mogen God danken voor ouders en grootouders, in wie hetzelfde geloof heeft gewoond. Dat is best iets om even bij stil te staan. God wil graag dat het geloof en de inhoud ervan, zijn Woord, niet bij een enkeling blijft hangen. Het moet worden doorgegeven. Het is Gods wens voor gelovige ouders, dat zij zijn Woord doorgeven aan hun kinderen. Timoteüs kende van jongs af de heilige geschriften. Daarmee was een belangrijke basis gelegd voor het leren kennen van God. Maar het geloof moet in je wonen, iets van jezelf worden. Het kan niet maar even gekopieerd worden. Uiteindelijk telt alleen waarachtig en echt geloof in God en zijn Woord.
Tijdens een opwekking in Engeland knielde een voorganger naast een jonge vrouw die naar voren was gekomen en nu neergeknield lag. Er was iets wat haar in de weg stond om de Heer Jezus aan te nemen als haar Heer en Heiland. 'Wat is er?' vroeg de voorganger vriendelijk. 'Waarom geeft u uzelf niet helemaal over aan de Heer Jezus?' 'Ik heb het geprobeerd', snikte de vrouw. 'Wat staat u in de weg?' 'Het is de manier waarop christenen me behandelden. Ik ben bang dat ik mijn betrekking bij de familie waar ik nu werk moet opgeven. De meneer is zo wreed en ongeduldig tegenover mij.' De voorganger gaf haar de raad haar betrekking op te zeggen. 'God zal wel zorgen dat u een betere betrekking krijgt. Voor wie werkt u eigenlijk?' De vrouw richtte haar hoofd op, keek de voorganger aan en zei: 'Ik werk voor u, meneer.' Vol verbazing riep de voorganger uit: 'Ben jij dat, Jane?' Tot op dat moment had hij niet gemerkt dat het zijn eigen dienstmeisje was die naast hem neergeknield was. Vol van schaamte beleed hij dat hij haar tot nu toe niet goed behandeld had. Nu was voor het meisje de verhindering weggenomen om tot de Heer Jezus te komen.
Dit is een lied voor de sabbatdag, een lied voor een moment van rust. Het is goed dat een mens rust neemt om de Heer te loven. Er zijn zoveel daden van Hem die ons blij stemmen, zoveel werken van Hem die ons tot eerbiedig nadenken stemmen! Niet dat je overal zo blij van wordt. Als we zien dat het de goddelozen voor de wind gaat, als de bedrijvers van ongerechtigheid bloeien, dan snappen we daar niets van. Maar met grote stelligheid weten we: zo blijft het niet, zij zullen voor immer verdelgd worden. Met vaste zekerheid verkondigt de psalmdichter de toekomst. Wat ook de toestand nú mag zijn, op den duur kan het niet zo blijven. Het is een psalm waarvan we misschien denken dat die alleen aan bejaarden zou moeten worden voorgelezen: 'Zij zullen in de ouderdom nog vrucht dragen.' Niets is minder waar: het is nu juist een bemoediging voor mensen die in het volle leven staan. Ze zullen fris en groen zijn, op ieder moment. Kijk naar een ceder: zó krachtig! Kijk naar een palmboom: zó mooi! Wat zeggen we daarmee eigenlijk? Dat de Heer een bron is in Wie je nooit teleurgesteld raakt, en dat iedereen die er zo goed uitziet, uit die bron heeft geput.
Daar is een sabbatdag goed voor, om blij en eerbiedig Gods daden te overdenken en God te loven. Zeker: er zijn dingen in je leven die je niet begrijpt, maar net zo zeker is dat het beste nog moet komen. Gods kinderen wacht een prachtige toekomst.
Ik ben LUC, en gebruik soms ook wel de schuilnaam Lucky.
Ik ben een man en woon in Moorsele (belgie) en mijn beroep is Rust.
Ik ben geboren op 30/12/1952 en ben nu dus 60 jaar jong.
Mijn hobby's zijn: computer,photoshop,Muziek.
ben gehuwd met fabienne
Dit gedicht is voor jou! Als je je alleen voelt je hart gebroken is of bezeerd als je bang bent voor wat komen gaat als je lief hebben hebt verleerd als je jezelf niet durft te zijn als je verteerd wordt door verdriet dan is dit gedicht voor jou want God vergeet je niet Hij wacht op je hij kent je vragen Hij zegt: “geef mij je last, dan kunnen we het samen dragen”. En langzaam zul je merken daar kun je van op aan, dat jij alleen nog je rugtas vasthoudt de inhoud is naar Hem overgegaan Als je je bedrogen voelt eenzaam en heel klein als je door de bomen het bos niet meer ziet en er misschien zelfs niet meer wilt zijn als je verstrikt zit in de netten van de zonde en niet weet hoe je daar uit moet geraken dan is dit gedicht voor jou Jezus zal het in orde maken Hij weet als geen ander hoe pijn voelt en wat een mens soms moet doorstaan Voor jou en mij is Hij uit liefde door enorm zware beproevingen gegaan Hij kijkt naar jou met een bewogen hart en een liefdevolle blik in Zijn ogen en wacht tot je Hem vragen zult je tranen te gaan drogen Dit gedicht is voor jou. Waarom? Is misschien je vraag. omdat God ontzettend van je houdt, grijp toch Zijn uitgestoken hand vandaag….
Afscheid nemen is verdrietig, afscheid nemen is niet fijn afscheid nemen is iemand verlaten bij wie je graag zou willen zijn.
Afscheid nemen is die blik vol liefde en die aai over je bol afscheid nemen zijn die tranen je schiet er helemaal van vol.
Afscheid nemen zijn die woorden "Ik hou van jou, dag lieve schat. Je bent altijd bij me, want jij zit hier, diep in m'n hart."
Soms is het afscheid maar voor even soms voorgoed of voor een lange tijd maar wat je samen hebt mogen beleven dat raak je echt, nee nooit meer kwijt.
Parel
Je bent een parel, die zeer kostbaar is je naam staat onuitwisbaar in Mijn hand geschreven. Ik heb je zelf gemaakt om tot Mijn eer te leven je bent een parel, die zeer kostbaar is.
En eens zal Ik je roepen aan Mijn zij Mijn kind die roeping is zo hoog verheven. Uit liefde gaf ik jou Mijn eigen leven, ja, eenmaal zul je stralen aan Mijn zij.
Je bent nu nog op reis, het einddoel is in zicht, houd Mij maar stevig vast en luister naar Mijn stem. Aan d’einder gloort het nieuw Jeruzalem, daar zul je eeuwig leven in Mijn licht.