Deel door ons uw liefde uit
aan wie honger heeft en pijn.
Laat ons waar verdeeldheid is
uw vredestichters zijn.
Ons verlangen is alleen,
Heer, maak ons hart bereid,
dat door heel ons leven heen
uw liefde wordt verspreid.
Deel door mij uw liefde uit,
aan een medemens die lijdt.
Leer mij meer vervuld te zijn
met uw bewogenheid.
Mijn verlangen is alleen,
Heer, maak mijn hart bereid,
dat door heel mijn leven heen
uw liefde wordt verspreid.
Openbaar uw koninkrijk
aan wie zoekt, aan arm en rijk.
Giet een stroom van liefde uit,
dat in ons en door ons, o Jezus,
uw liefde wordt verspreid.(2x)
Deel ons door uw liefde uit
tot de einden van de aard'.
Dat zich waar de dood nu heerst
nieuw leven openbaart.
Maak ons als uw werkers klaar
en sterk ons in de strijd,
tot wij mogen oogsten waar
uw liefde wordt verspreid.
Openbaar uw koninkrijk
aan wie zoekt, aan arm en rijk.
Giet een stroom van liefde uit,
dat in ons en door ons, o Jezus,
uw liefde wordt verspreid.(6x)
Deel door ons uw liefde uit,)
maak ons hart bereid. )4x
Deel door ons uw liefde uit,)
ja wij zijn bereid. )2x
Deel door mij uw liefde uit )
ja ik ben bereid. )2x
Wat ogen zien dringt binnenin het hart. Het kan ons blij maken of ook heel verdrietig. Het kan ons soms zo diep raken, dat we er ziek van zijn. Ogen zijn de vensters van ons hart. Wie ze opent voor het licht, voor de zon overdag, voor de mooie dingen en voor de sterren in de nacht, is een blij en gelukkig mens. Met licht en meer moois in onze ogen komt er kleur in ons anders zo grijze leven. Want onze ogen weerspiegelen de liefde van Jezus. Een liefde, door Hem gegeven!
Beloften
Ik geef je Mijn vrede, Ik reik je Mijn hand.
Ik geef je Mijn sterkte, door Mij hou je stand.
Ik geef je genade, een teken van trouw, want
Ik ben als een Vader, Ik ben er voor jou.
Ik geef je Mijn vriendschap, een arm om je heen,
Ik geef je Mijn zegen, je bent nooit alleen.
Ik geef je Mijn warmte, een vuur in de kou, want
Ik ben als een Vader, Ik ben er voor jou.
Ik geef je Mijn toekomst, Ik geef je Mijn Geest
als Gids in de wereld, op weg naar het feest.
Ik geef je Mijn liefde die nimmer benauwt, want
Ik ben als een Vader, Ik ben er voor jou.
Ik geef je Mijn blijdschap, Ik geef je Mijn kracht,
Ik geef je Mijn uitzicht als licht in de nacht.
Ik geef je Mijn leven, omdat Ik van je hou, want
Ik ben als een Vader, Ik ben er voor jou.
Door niets en door niemand kan worden ontroofd
wat Ik in Mijn Woord aan jou heb beloofd.
Ik heb alles gegeven wat jij niet verdient en
Ik wil in jou leven, want jij...... jij bent Mijn vriend.
Uit het hart
Jouw Hemelse Vader die je heeft geschapen, die zoveel van je houdt, weet alles wat er zich in jouw hart afspeelt. Hij begrijpt en kent jou volkomen, Hij vraagt je om de juiste keuzes te maken! Hij verlangt niets liever dat Hij fier zou zijn op jou, dat je het pad der wijsheid zou blijven volgen! Het is niet altijd gemakkelijk, en je hebt vooral lef & doorzettingsvermogen nodig, maar dit alles is niet te vergelijken, met het liefdevolle geschenk dat je zal verkrijgen! Hij weet nu wat je denkt & wat je nog zou willen 'plannen'... Daarom vraag ik je : ook voor mij komt de tijd dat ik het aardse zal verlaten. Maar zou je dan niet blij & verheugd zijn als je weet, dat ik in het Hemelse paradijs zal blijven wachten op... jou !!! Filip V. (26-09-04)
Jezus en zijn leerlingen
kwamen aan de overkant van het meer, in het gebied van de Gerasenen.
Toen Hij uit de boot gestapt was, kwam Hem meteen vanuit de grafspelonken een
man tegemoet die door een onreine geest bezeten was en in de spelonken woonde.
Zelfs als hij vastgebonden was met een ketting kon niemand hem in bedwang
houden. Hij was al dikwijls aan handen en voeten geketend geweest, maar dan
trok hij de kettingen los en sloeg hij de boeien stuk, en niemand was sterk
genoeg om hem te bedwingen. En altijd, dag en nacht, liep hij schreeuwend
tussen de rotsgraven en door de bergen en sloeg hij zichzelf met stenen.
Toen hij Jezus in de verte zag, rende hij op Hem af en viel voor Hem neer, en
luid schreeuwend zei hij: ‘Wat heb ik met jou te maken, Jezus, Zoon van de
allerhoogste God? Ik bezweer je bij God: doe me geen pijn!’ Want hij had tegen
hem gezegd: ‘Onreine geest, ga weg uit die man.’
Jezus vroeg hem: ‘Wat is je naam?’
En hij antwoordde: ‘Legioen is mijn naam, want we zijn met velen.’ Hij smeekte
Hem dringend om hen niet uit deze streek te verjagen.
Nu liep er op de berghelling een grote kudde varkens te grazen. De onreine
geesten smeekten hem: ‘Stuur ons naar die varkens, dan kunnen we bij ze
intrekken.’
Hij stond hun dat toe. Toen de onreine geesten de man verlaten hadden, trokken
ze in de varkens, en de kudde van wel tweeduizend stuks stormde de steile
helling af, het meer in, en verdronk in het water. De varkenshoeders sloegen op
de vlucht en vertelden in de stad en in de dorpen wat ze hadden meegemaakt, en
de mensen gingen kijken wat er was gebeurd.
Ze kwamen bij Jezus en zagen de bezetene daar zitten, gekleed en bij zijn volle
verstand, dezelfde man die altijd bezeten was geweest door het legioen, en ze
werden door schrik bevangen. Degenen die alles gezien hadden, legden uit wat er
met de bezetene en met de varkens was gebeurd. Daarop drongen de mensen er bij
Jezus op aan om hun gebied te verlaten.
Toen Hij in de boot stapte, smeekte de man die bezeten was geweest om bij Hem
te mogen blijven.
Dat stond Hij hem niet toe, maar Hij zei tegen hem: ‘Ga naar huis, naar uw
eigen mensen, en vertel hun wat de Heer allemaal voor u heeft gedaan en hoe Hij
zich over u heeft ontfermd.’
De man ging weg en maakte in Dekapolis bekend wat Jezus voor hem had gedaan, en
iedereen stond verbaasd.
Het land van de Gerasenen was voor de Joden het land van de
heidenen. Deze leefden in de ogen van de Joden in grafspelonken, in graven, als
zwijnen. Jezus wil deze hardheid van de Joden doorbreken en laten zien dat Hij
ook voor deze mensen gekomen is. De bezetene die Hij geneest wordt uitgenodigd
te gaan vertellen wat de Heer voor hem gedaan heeft. Jezus stoot niemand uit.
Voor ieder persoonlijk is Hij gekomen
Aan het eind van die dag,
toen het avond was geworden, zei Jezus tegen hen: ‘Laten we het meer
oversteken.’
Ze stuurden de menigte weg en namen Hem mee in de boot waarin Hij al zat, en
voeren samen met de andere boten het meer op.
Er stak een hevige storm op en de golven beukten tegen de boot, zodat die vol
water kwam te staan. Maar Hij lag achter in de boot op een kussen te slapen. Ze
maakten Hem wakker en zeiden: ‘Meester, kan het U niet schelen dat we vergaan?’
Toen Hij wakker geworden was, sprak Hij de wind bestraffend toe en zei tegen
het meer: ‘Zwijg! Wees stil!’
De wind ging liggen en het meer kwam helemaal tot rust.
Hij zei tegen hen: ‘Waarom hebben jullie zo weinig moed? Geloven jullie nog
steeds niet?’
Ze werden bevangen door grote schrik en zeiden tegen elkaar: ‘Wie is Hij toch,
dat zelfs de wind en het meer Hem gehoorzamen?
Zo iets kan toch niet gebeuren.
Stormen en crisis rollen steeds aan in toenemende hevigheid. En de Heer schijnt
alles maar te laten begaan. De leerlingen beginnen aan Hem te twijfelen. Als
zij Hem in hun angst wekken, krijgen zij verwijten te horen om hun klein
geloof. Ze hebben Hem nog steeds niet herkend als hun Messias, als de gezondene
van God.
Ook al klinkt het heel cliché... wij allen hebben in ons leven met stormen te
maken.
Geloofstwijfel, ongeloof, tegenslag, leed, rouw,... stormen die ons vroeg of
laat allen overkomen.
Ze zijn in staat onze hele binnenkant overhoop te gooien.
Hoe moet het verder, in Gods naam...
En
waarschijnlijk klinkt ook dit cliché, maar Jezus is niet minder aanwezig in
deze stormen van het leven, dan op momenten dat onze levenszee schijnbaar
rustig is.
Net zoals de leerlingen zullen we ook van mening zijn dat Jezus slaapt. In
zekere zin doet Hij dat misschien ook, maar feit is: Hij is er wel.
En zoals Hij het gezag heeft om de storm te luwen, zo laat Hij schijnbaar ook
toe dat het af en toe stormt. Alsof het bij het leven hoort.
En
inderdaad, het hoort bij het leven. We hebben het zelfs nodig.
Moesten we de stormen niet nodig hebben... het zou ook niet stormen.
Stormen
voeden op. Ze maken ons volwassen in het geloof. Ze bevrijden ons van een
zekere kinderachtige en oppervlakkige geloofsbeleving waar de liefde schijnbaar
een van de grootste vanzelfsprekendheid is dat er bestaat. Dat is de liefde dus
niet.
Liefde is kruis en is dus helemààl niet vanzelfsprekend. Laat het je niet
wijsmaken !
Liefde
vraagt vertrouwen op en overgave aan de Heer. Dit is tegen de menselijke natuur
in die geneigd is z'n eigen buik te volgen.
Christelijke liefde trekt je van je buik weg, en doet je schenken aan Christus
die in je woont. Deze Christus zal je trekken in de brand van zijn eigen
liefde, in het vuur van zijn totaal gegeven-zijn voor de wereld, in volle
overgave aan de wil van de Vader.
Is dat vanzelfsprekend ? Nee !
Is dat onze roeping ? Ja !
Een mens
heeft stormen in z'n leven nodig om los te komen van z'n eigen buik.
Hij moet soms de duisternis in om te weten hoe licht de Heer wel is.
Jezus moet zich soms wegsteken om ons uit ons 'kot' te lokken, om onze dorst
naar Hem groter te maken.
Jezus zwijgt dikwijls totdat we zelf zwijgen... om Hem op een volwassen wijze
(terug) te vinden, sterker dan ooit.
Laten we
niet te snel boos zijn op de stormen die ons leven tarten.
Maar laten we de waas van onze ogen verwijderen en de Heer zien, die misschien
ook dan tot ons zegt: 'Kom, kleingelovige, Ik zal je sterk maken, in staat om
lief te hebben'.
Jezus sprak tot de menigte:
‘Het is met het koninkrijk van God als met een mens die zaad uitstrooit op de
aarde: hij slaapt en staat weer op, dag in dag uit, terwijl het zaad ontkiemt
en opschiet, ook al weet hij niet hoe.
De aarde brengt uit zichzelf vrucht voort, eerst de halm, dan de aar, en dan
het rijpe graan in de aar. Maar zo gauw het graan het toelaat, slaat hij er de
sikkel in, omdat het tijd is voor de oogst.’
En Hij zei: ‘Waarmee kunnen we het koninkrijk van God vergelijken en door welke
gelijkenis kunnen we het voorstellen?
Het is als een zaadje van de mosterdplant, het kleinste van alle zaden op aarde
wanneer het gezaaid wordt. Maar als het na het zaaien opschiet, wordt het het
grootste van alle planten en krijgt het grote takken, zodat de vogels van de
hemel in zijn schaduw kunnen nestelen.’
Met zulke en andere gelijkenissen maakte Hij hun het goede nieuws bekend,
voorzover ze het konden begrijpen.
Hij sprak alleen in gelijkenissen tegen hen, maar wanneer Hij alleen was met
zijn leerlingen, verklaarde Hij hun alles.
'Het
is met het Koninkrijk van God als met een mens die zaad uitstrooit op de aarde:
hij slaapt en staat weer op, dag in dag uit, terwijl het zaad ontkiemt en
opschiet, ook al weet hij niet hoe', zegt Jezus ons vandaag in een
gelijkenis.
God is
de zaaier. Maar dikwijls gebruikt Hij de mens om zijn zaad uit te zaaien. Als
Hij aan ons vraagt om lief te hebben, gebruikt Hij ons als zijn instrument om
zijn zaad van liefde te zaaien in de situatie die zich aan ons voordoet, die
Hij aan ons geeft.
Het
gevaar bestaat er echter in dat een mens prat gaat op wat hij doet, dat hij het
liefhebben zich toeëigent. Al snel voelt een mens zich de grote weldoener die
toch wel veel goeds doet in deze wereld... En hij praat daar zo graag over...
Dat is jammer, omdat dat veel stuk maakt.
Degene die liefheeft verliest dan zijn voeling met God en wordt hoogmoedig. Hij
eigent zich toe wat God hem gaf, en speelt als zodanig een beetje god.
Het liefhebben zelf verliest z'n schoonheid, omdat God eruit wordt gehaald. Het
liefhebben mag uiterlijk dan wel een mooie daad zijn, doch het is in de diepte
van z'n schoonheid beroofd. Je bemint als een lege doos met mooi inpakpapier.
Het liefhebben verliest ook z'n genade. Want doorheen het liefhebben wil God
dikwijls genezend werkzaam zijn, wil Hij gemeenschap scheppen, verzoening tot
stand brengen, mensen aanraken, enz... Wie bemint los van God bemint zonder
deze ingrediënten. Het liefhebben heeft dan wel enige waarde, maar de echte
vruchten zoals God ze geven wilt zullen er niet komen. Jammer. Een gemiste
kans, zowel voor degene die liefheeft, als voor degene die bemind wordt.
Saulus bedreigde de
leerlingen van de Heer nog steeds met de dood. Hij ging naar .
de hogepriester met het verzoek
hem aanbevelingsbrieven mee te geven voor de synagogen in Damascus, opdat hij
de aanhangers van de Weg die hij daar zou aantreffen, mannen zowel als vrouwen,
gevangen kon nemen en kon meevoeren naar Jeruzalem.
Toen hij onderweg was en Damascus naderde, werd hij plotseling omstraald door
een licht uit de hemel. Hij viel op de grond en hoorde een stem tegen hem
zeggen: ‘Saul, Saul, waarom vervolg je mij?’
Hij vroeg: ‘Wie bent U, Heer?’
Het antwoord was: ‘Ik ben Jezus, die jij vervolgt. Maar sta nu op en ga de stad
in, daar zal je gezegd worden wat je moet doen.
De mannen die met Saulus meereisden, stonden sprakeloos; ze hoorden de stem
wel, maar zagen niemand.
Saulus kwam overeind, en hoewel hij zijn ogen open had, kon hij niets zien.
Zijn metgezellen pakten hem bij de hand en brachten hem naar Damascus.
Drie dagen lang bleef hij blind en at en dronk hij niet.
In Damascus woonde een leerling die Ananias heette. In een visioen zei de Heer
tegen hem: ‘Ananias!’
Hij antwoordde: ‘Ik luister, Heer.’
Daarop zei de Heer: ‘Ga naar de Rechte Straat en vraag daar in het huis van
Judas naar iemand uit Tarsus die Saulus heet. Hij is aan het bidden, en hij
heeft in een visioen gezien hoe een man die Ananias heet, binnenkomt en hem de
handen oplegt om hem weer te laten zien.’
Ananias antwoordde: ‘Heer, van veel kanten heb ik gehoord over deze man en over
al het kwaad dat hij uw heiligen in Jeruzalem heeft aangedaan. Bovendien heeft
hij toestemming van de hogepriesters om hier iedereen die uw naam aanroept in
de boeien te slaan.’
Maar de Heer zei: ‘Ga, want hij is het instrument dat Ik gekozen heb om mijn
naam uit te dragen onder alle volken en heersers en onder al de Israëlieten. Ik
zal hem tonen hoezeer hij moet lijden omwille van mijn naam.’
Ananias vertrok en ging naar het huis, waar hij Saulus de handen oplegde,
terwijl hij zei: ‘Saul, broeder, ik ben gezonden door de Heer, door Jezus, die
aan u verschenen is op de weg hierheen, om ervoor te zorgen dat u weer kunt
zien en vervuld wordt van de heilige Geest.’
Meteen was het alsof er schellen van Saulus’ ogen vielen; hij kon weer zien,
stond op en liet zich dopen, en nadat hij gegeten had, kwam hij weer op
krachten.
Hij bleef enkele dagen bij de leerlingen in Damascus en ging onmiddellijk in de
synagogen verkondigen dat Jezus de Zoon van God is.
Allen die hem hoorden waren stomverbaasd en vroegen: ‘Dat is toch de man die in
Jeruzalem de volgelingen van die Jezus naar het leven stond, en hij is toch
hierheen gekomen om hen gevangen te nemen en uit te leveren aan de hogepriesters?’
Saulus’ optreden werd echter steeds krachtiger, en hij bracht de in Damascus
wonende Joden in verwarring door aan te tonen dat Jezus de messias is.
Niet elke bekering gebeurt zo
plots, op zo’n overdonderende manier als bij Paulus. Meestal geschiedt zij in
stilte, na verloop van veel tijd. Maar God blijkt een hevig man ook stevig aan
te pakken. Met dezelfde verbetenheid waarmee hij christenen vervolgde werd
Paulus ‘de’ apostel van de jonge kerk. Hoewel hij persoonlijk een taaie doorzetter
bleek te zijn, was zijn boodschap evangelisch geduldig en zacht. In weinig tijd
gaf zijn grote werkkracht aan de kleine, gesloten kerk van Jeruzalem een open,
wereldwijde dimensie.
Jezus' moeder en zijn broers waren aangekomen. Ze stuurden iemand
naar binnen om Hem te halen. Zelf bleven ze buiten wachten.
Er zat een groot aantal mensen om Hem heen, en die zeiden tegen Hem: ‘Uw moeder
en uw broers staan buiten en zoeken U.’
Hij antwoordde: ‘Wie zijn mijn moeder en mijn broers?’
Hij keek de mensen aan die in een kring om hem heen zaten en zei: ‘Jullie zijn
mijn moeder en mijn broers. Want iedereen die de wil van God doet, die is mijn
broer en zuster en moeder.’
Vandaag zegt Jezus:
'Ieder die de wil van God doet, die is mijn broer en zuster en moeder.'
Broers en zussen zijn we voor elkaar wanneer we ons bewust zijn
dat het evangelie, dat de Kerk, ons roept om gemeenschap met elkaar te vormen.
Kerk kun je nooit op je eentje vormen, maar enkel in broederschap met allen die
de Heer rond Hem samenbrengt.
Ook kleinere gemeenschappen moeten erover waken dat zij niet louter op zichzelf
betrokken geraken, want dan wordt het muf en verliest het alle uitstraling.
Ramen open is de boodschap, opdat ieder in en uit kan gaan, en de Geest kan
waaien waar Hij wil.
Immers enkel in de Geest kan de wil van de Vader volbracht worden, en blijft
een gemeenschap fris, blij en missionair.
Moeder zijn wij voor mekaar wanneer we elkaar in het hart van de
Kerk brengen, tot bij Jezus dus. Het is de roeping van ieder christen om op
deze wijze bij elkaar te zijn. Zoals een moeder waakt over haar kinderen, en
hen liefdevol leidt naar het hart van het leven, zo mogen wij bij elkaar zijn,
in een geest van warme broederschap, geleid door God zelf.
Stel uzelf niet langer in dienst van de
zonde als een werktuig voor het onrecht,
maar stel uzelf in dienst van God.
Denk aan uzelf als levenden die uit de dood
zijn opgewekt en stel uzelf in dienst van
God als een werktuig voor de gerechtigheid
Nadat Johannes gevangen
was genomen, ging Jezus naar Galilea, waar Hij Gods goede nieuws verkondigde.
Dit was wat Hij zei: ‘De tijd is aangebroken, het Koninkrijk van God is nabij:
kom tot inkeer en hecht geloof aan dit goede nieuws.’
Toen Jezus langs het Meer van Galilea liep, zag hij Simon en Andreas, de broer
van Simon, die hun netten uitwierpen in het meer; het waren vissers. Jezus zei
tegen hen: ‘Kom, volg mij! Ik zal van jullie vissers van mensen maken.’ Meteen
lieten ze hun netten achter en volgden Hem.
Iets verderop zag Hij Jakobus, de zoon van Zebedeüs, en zijn broer Johannes,
die in hun boot bezig waren met het herstellen van de netten, en direct riep
Hij hen. Ze lieten hun vader Zebedeüs met de dagloners achter in de boot en
volgden Hem.
Jezus
verschijnt regelmatig in het Galilea van ons hart, langs het meer van ons
leven. Hij vindt er ons bedrijvig in de sleur van ons dagelijkse werk: altijd
maar opnieuw die netten uitgooiend, dikwijls zonder veel te vangen, en dat nog
wel heel dicht bij enkele anderen die, een steenworp verder, op dezelfde vis
zitten te azen - vervelende concurrenten dus! - en dat terwijl wij moeten
meewerken in een bedrijf, waar de daglonersmentaliteit groeit onder de
werknemers, die er vooral op uit zijn voordeel te zoeken voor zichzelf. Het leven
is hard aan de oever van het meer van ons leven.
Maar zo vindt de Heer ons, wanneer Hij langs komt, wanneer Hij zijn
aanwezigheid weer eens laat ervaren, dikwijls vrij onverwachts, in een stille
wenk of uitnodiging van iemand die wij ontmoeten.
Dan roept Hij ons op die zware netten los te laten, die kleurloze
alledaagsheid, die mentaliteit van eisende werknemers, die onvruchtbare
bindingen aan ons eigenbelang en die overdreven zucht naar onafhankelijkheid,
die concurrentievrees en die verdeeldheid.
En Hij vraagt dat wij ons durven overgeven aan de diepersluimerende verlangens van ons hart die Hij weet wakker te maken:
mensen als vissen in een eenheid verzamelen, onszelf met al onze kracht geven
in dankbaarheid en werken in verbondenheid met elkaar om anderen samen te
brengen tot diezelfde bevrijdende liefdegemeenschap.
Jezus ging terug
naar huis, en weer verzamelde zich een menigte, zodat ze zelfs niet de kans
kregen om te gaan eten.
Toen zijn verwanten hiervan hoorden, gingen ze op weg om Hem, desnoods onder
dwang, mee te nemen, want volgens hen had Hij zijn verstand verloren.
Volgens hen had Hij zijn
verstand verloren...
Wie leeft in de geest van Jezus zal beslist voor de velen in 'de wereld' ook
z'n verstand verloren hebben.
Voor 'de wereld' is het immers heel dikwijls niet meer dan normaal dat je die
dingen nastreeft die het eigenbelang dienen. Terwijl het evangelie oproept het
gemeenschappelijk belang te dienen. Wie deze weg gaat, zwemt dikwijls
stroomopwaarts
Jezus ging de berg op en riep al degenen bij
zich op wie Hij zijn keuze had laten vallen, en ze kwamen naar Hem toe. Hij
stelde twaalf van hen aan als apostel; ze moesten Hem vergezellen, en Hij wilde
hen ook uitzenden om het goede nieuws bekend te maken. Ze kregen de macht om
demonen uit te drijven.
De twaalf die Hij aanstelde, waren achtereenvolgens Simon, die hij de naam
Petrus gaf, Jakobus, de zoon van Zebedeüs, Johannes, de broer van Jakobus (aan
deze twee gaf hij de naam Boanerges, wat ‘zonen van de donder’ betekent),
Andreas, Filippus, Bartolomeüs, Matteüs, Tomas, Jakobus, de zoon van Alfeüs,
Taddeüs,Simon Kananeüs en Judas Iskariot, die hem
heeft uitgeleverd.
Jezus
kiest uit wie Hij zelf wil. En deze keuze is een balangrijke gebeurtenis in
Jezus' leven. De twaalf leerlingen zullen Hem volgen en apostelen zijn, nu het
volk en de leiders zich van Hem afkeren. Deze twaalf zullen zijn werk
voortzetten als eenmaal zijn taak volbracht is. De jonge Kerk zag in deze
aanstelling het begin van haar eigen geschiedenis en roeping. Jezus ging de berg op en
riep al degenen bij zich op wie Hij zijn keuze had laten vallen, en ze kwamen
naar Hem toe.
Het
evangelie van vandaag gaat over roeping en zending. Maar wat opvalt is dat
Jezus voor Hij zendt de leerlingen eerst bij zich roept.
Jezus zal nooit roepen en van op afstand zenden. Hij zal altijd de geroepene
eerst bij zich roepen, om vanuit het samenzijn met Hem, te zenden.
Net
zoals de leerlingen roept Hij ook ons. Maar Hij roept ons eerst bij zich. Hij
vraagt ons een stap te zetten, een keuze te maken. Hij vraagt van ons een
beslissing. Hij spreekt ons aan op onze vrijheid, en vraagt heel persoonlijk te
kiezen. Naar Hem toegaan is ons eerste ja-woord.
Eenmaal bij Hem zal Hij ons uitnodigen in Hem onze woonst te maken. Hierop
ingaan is ons tweede ja-woord.
Vanuit dit ja-woord zal Hij ons in zich opnemen, om ons nadien te zenden. Ook
hier moeten we weer 'ja' op zeggen, de derde keer.
Concreet
betekent dit dat wij iedere ochtend geroepen worden door Hem. Elke morgen
opnieuw mogen we naar Hem toegaan. Ons eerste ja-woord.
Hij zal ons vragen in Hem onze woonst te maken, ons tweede ja-woord.
Hij zal ons in zich opnemen en ons uitnodigen door Hem gezonden te worden. Erop
ingaan is ons derde ja-woord.
Dat betekent dat we ervoor kiezen deze dag mét Christus door te gaan. Dat wil
zeggen dat we ons engageren om ieder die we die dag ontmoeten lief te hebben
met de liefde van de Heer.
We hoeven dit niet alleen te doen, want Christus, in wie wij onze woonst hebben
gevonden, zal mét ons beminnen. Ons drievoudig ja-woord tot Hem betekent dat
wij instrument zullen zijn van zijn handelen in ons leven. En wel zo, dat we
zijn liefde zullen worden.
Met alle goede gevolgen van dien.
Jezus week met zijn leerlingen uit naar het meer, en een grote
menigte uit Galilea volgde Hem. Ook uit Judea en Jeruzalem, uit Idumea en het
gebied aan de overkant van de Jordaan en uit de omgeving van Tyrus en Sidon
kwamen veel mensen naar Hem toe, omdat ze hadden gehoord wat Hij allemaal deed.
Hij zei tegen zijn leerlingen dat ze een boot voor Hem gereed moesten houden,
om te voorkomen dat Hij door de menigte onder de voet zou worden gelopen.
Allerlei zieken verdrongen zich om Hem aan te raken, want Hij had al veel
mensen genezen. Telkens als de onreine geesten Hem zagen, vielen ze voor Hem
neer en schreeuwden: ‘Jij bent de Zoon van God!’ Hij sprak hen bestraffend toe,
en verbood hun bekend te maken wie Hij was.
Jezus
week met zijn leerlingen uit naar het meer, en een grote menigte uit Galilea
volgde Hem.
Het
moet een mooi zicht geweest zijn: Jezus die met zijn leerlingen richting meer
trok en die grote menigte die Hem volgde. Wat een dorst moet er geleefd hebben
onder de mensen om Hem te willen ontmoeten, om Hem te willen aanhoren.
Ik denk dat het vandaag niet anders zou zijn. Neem dat Jezus plots hier zou
staan, in lichamelijke gestalte: woorden sprekend, zieken genezend. Velen
zouden Hem willen zien, zijn woorden willen horen. Velen zouden Hem willen
aanraken, of door Hem aangeraakt willen worden.
Maar
God heeft gewild dat Jezus niet onder die gedaante bij ons is. Zelfs na de weg
die Hij moest gaan is Hij als Verrezene maar korte tijd onder de mensen
geweest. Na z'n hemelvaart was het gedaan met de zichtbare Jezus.
..
God
heeft gewild dat we de weg van het geloof bewandelen, de weg van de overgave
aan zijn Zoon in de liefde van zijn Geest.
Deze weg, die in zekere zin een achterlaten is van ons oppervlakkig 'ik', zal
ons brengen tot ons meest waarachtige 'ik', het 'ik' waarvan God gezegd heeft
en zegt: 'Ik heb je geschapen naar mijn beeld en gelijkenis'.
In Christus zullen we onze ware identiteit ontdekken. Hij zal ons zo in zich
opnemen dat we zijn liefde zullen worden, in al ons doen en laten.
Hij zal dat met ieder van ons heel persoonlijk doen, en tegelijkertijd zal Hij
op die wijze ons mensen bij elkaar brengen rond Hem. Daar ontstaat Kerk, niet
door mensenhanden gemaakt, maar gevormd door Christus zelf.
Waar
is de menigte uit Galilea ?
Gaan we Hem enkel volgen wanneer we Hem lichamelijk zien ?
Of gaan we de weg waartoe God ons uitnodigt: de weg van het geloof, de
overgave.
Hij is niet minder aanwezig dan toen aan het meer van Galilea.
Laten we blij zijn om zijn aanwezigheid en Hem volgen.
Weer ging Jezus naar de
synagoge. Daar was iemand met een verschrompelde hand.
Ze letten op Hem om te zien of Hij die op sabbat zou genezen, zodat ze Hem
zouden kunnen aanklagen.
Hij zei tegen de man met de verschrompelde hand: ‘Kom in het midden staan.’
Aan de anderen vroeg Hij: ‘Wat mag men op sabbat doen: goed of kwaad? Een leven
redden of het vernietigen?’ Maar ze zwegen.
Hij keek hen boos aan, maar ook diepbedroefd vanwege hun hardleersheid, en toen
zei Hij tegen de man die in het midden stond: ‘Steek uw hand uit.’ Hij stak
zijn hand uit en er kwam weer leven in.
De Farizeeën verlieten de synagoge en gingen meteen met de Herodianen
overleggen hoe ze Hem uit de weg zouden kunnen ruimen.
De Joodse sabbatwet was tot in
het kleinste detail streng uitgewerkt. Door op de sabbat te genezen wil Jezus
laten zien dat het Hem op de eerste plaats gaat om de mens. Niet de uiterlijke
daad is de eerste norm van goed of kwaad, maar wel de innerlijke gesteltenis
waaruit zij voortkomt.
Jezus zei tegen de man met de
verschrompelde hand: ‘Kom in het midden staan.’
Hoeveel mensen lopen er vandaag niet rond
met een verschrompelde hand, met een verschrompeld hart... Velen, zeer velen.
En misschien horen we er zelf ook wel bij.
Zijn we bereid om net als Jezus, en
vanuit Jezus, tot hen te zeggen: 'Kom, kom in het midden staan. Je bent niet
uitgesloten, je hoort erbij, ik vind je de moeite waard, voor mij ben je mijn
broeder/zuster,...'
Al te vaak komen de verschrompelden over als 'lastige' medemensen, terwijl ze
in zekere zin de Heer belichamen die zegt: 'Ik heb dorst'.
Laten we naar hen toe gaan niet als
meerderen, maar als broeders en zusters, als één van hen, om samen met hen de
Heer te ontmoeten en te verheerlijken in ons samenzijn waarin Hijzelf ons
gebracht heeft.
De leerlingen
van Johannes en de Farizeeën hadden de gewoonte regelmatig te vasten. Er kwamen
mensen naar Jezus toe, die Hem vroegen: ‘Waarom vasten de leerlingen van
Johannes en de leerlingen van de Farizeeën wel, maar uw leerlingen niet?’
Jezus antwoordde: ‘Bruiloftsgasten kunnen toch niet vasten zolang de bruidegom
bij hen is? Nee, zolang ze de bruidegom bij zich hebben, kunnen ze niet vasten.
Maar er komt een dag dat de bruidegom bij hen wordt weggehaald, en dan is het
hun tijd om te vasten. Niemand verstelt een oude mantel met een lap die nog
niet gekrompen is, want dan trekt de nieuwe lap de oude stof kapot en wordt de
scheur nog groter. Niemand giet jonge wijn in oude leren zakken, want dan
scheuren ze open en gaat de wijn verloren, net als de zakken zelf. Jonge wijn
hoort in nieuwe zakken.
Jezus
bracht geen streng systeem of een ascetische godsdienst. Zijn komst wilde
vreugde brengen. Iets helemaal nieuw. Niet zo maar een soort commentaar op de
oude wet. De nieuwe geest die Hij brengt is helemaal niet verenigbaar met de
praktijken van sommige Joden. Hun praktijken zijn maar lompen en oude klederen
in vergelijking met wat Hij brengt. De christenen van vandaag genieten de
vrijheid die Christus in zijn Kerk bracht. 'Niemand verstelt een oude
mantel met een lap die nog niet gekrompen is, want dan trekt de nieuwe lap de
oude stof kapot en wordt de scheur nog groter. Niemand giet jonge wijn in oude
leren zakken, want dan scheuren ze open en gaat de wijn verloren, net als de
zakken zelf. Jonge wijn hoort in nieuwe zakken', zegt Jezus ons vandaag.
De oude
wereld heeft bepaalde zingevingen die beperkt zijn. De nieuwe wereld, de nieuwe
schepping heeft Jezus als de zin van alles. Hij is het centrum waaromheen zich
het leven van de nieuwe mens opbouwt. Jonge wijn in nieuwe zakken. Geen ongekrompen
verstellap op een oud kleed. Bij Jezus hoort een nieuwe levenswijze, een nieuw
volk, een nieuwe Kerk, want Hij is voor allen die Hem gehoorzamen, dat wil
zeggen: die naar Hem luisteren en die hun leven op zijn leven willen afstemmen,
oorzaak geworden van eeuwig heil.
In die dagen stond Johannes er daar met twee van zijn
leerlingen. Toen hij Jezus voorbij zag komen, zei hij: ‘Daar is het lam van
God.’
De twee leerlingen hoorden wat hij zei en gingen met Jezus mee.
Jezus draaide zich om, en toen Hij zag dat ze hem volgden, zei Hij: ‘Wat zoeken
jullie?’
‘Rabbi’, zeiden zij tegen Hem (dat is in onze taal ‘meester’), ‘waar logeert
U?’
Hij zei: ‘Kom maar mee, dan zul je het zien.’
Ze gingen met Hem mee en zagen waar Hij onderdak had gevonden; het was ongeveer
twee uur voor zonsondergang en ze bleven die dag bij Hem.
Een van de twee die gehoord hadden wat Johannes zei en Jezus gevolgd waren, was
Andreas, de broer van Simon Petrus.
Vlak daarna kwam hij zijn broer Simon tegen, en hij zei tegen hem: ‘Wij hebben
de Messias gevonden’ (dat is Christus, ‘gezalfde’), en hij nam hem mee naar
Jezus. Jezus keek hem aan en zei: ‘Jij bent Simon, de zoon van Johannes, maar
voortaan zul je Kefas heten’ (dat is Petrus, ‘rots’).
In
die dagen stond Johannes er daar met twee van zijn leerlingen... Johannes was zo'n goede
"vriend van de Bruidegom", dat hij niet zijn eigen glorie zocht: hij
gaf eenvoudigweg getuigenis van de waarheid (Joh 3,29.26). Zou hij erover
denken om zijn leerlingen bij zich te houden en ze beletten om de Heer te
volgen? Helemaal niet, hij toont hen zelfs zelf wie ze moeten volgen. Hij
verklaart hen: "Waarom hechten jullie je aan mij? Ik ben het Lam van God niet.
Daar is het Lam van God, dat is Degene die de zonden van de wereld
wegneemt."
Bij
het horen van die woorden volgden de twee leerlingen die bij Johannes waren. Jezus draaide zich om, en toen
Hij zag dat ze hem volgden, zei Hij: ‘Wat zoeken jullie?’ Ze zeiden:
"waar logeert
U?" Ze volgden Hem nog niet definitief; wij weten dat ze zich
aan Hem gehecht hebben toen Jezus hen opriep om hun boot te verlaten, toen Hij
tegen hen zei: "Kom
achter mij aan, en Ik zal jullie tot vissers van mensen maken" (Mt
4,19). Vanaf dat moment hebben ze zich aan Hem gehecht om Hem nooit meer te
verlaten.
Nu
wilden ze zien waar Jezus woonde, en het volgende woord van de Schrift in
praktijk brengen:
"Als je een verstandig mens vindt, ga hem dan al vroeg in de ochtend
bezoeken en laat je voet de drempels van zijn deuren afslijten. Leer van hem de
voorschriften van de Heer" (Sir 6,36v).
Jezus
toonde hen dus waar Hij verbleef; ze zijn meegekomen en zijn bij Hem gebleven.
Wat hebben ze een gelukkige dag doorgebracht! Wat een zalige nacht! Wie zal ons
zeggen wat ze uit de mond van de Heer hebben gehoord? Laten wij ook een woning
in ons hart bouwen, een huis waar Jezus ons zou kunnen komen onderrichten en
een gesprek met ons voeren.
Jezus vertrok en ging weer naar het meer. Een grote
mensenmenigte kwam naar Hem toe, en Hij onderwees hen.
Toen Hij langs het meer liep, zag Hij Levi, de zoon van Alfeüs, bij het tolhuis
zitten, en Hij zei tegen hem: ‘Volg mij.’
Levi stond op en volgde Hem.
Op een keer was Hij bij Levi thuis uitgenodigd voor een maaltijd, samen met
zijn leerlingen en een groot aantal tollenaars en zondaars, want velen van hen
volgden Hem.
Toen de Farizeese schriftgeleerden zagen dat Hij samen met zondaars en
tollenaars at, zeiden ze tegen zijn leerlingen: ‘Eet Hij met tollenaars en
zondaars?’
Jezus hoorde dit en zei tegen hen: ‘Gezonde mensen hebben geen dokter nodig,
maar zieken wel; Ik ben niet gekomen om rechtvaardigen te roepen, maar
zondaars.’
Ook de roeping van Levi, hoe kort zij ook verhaald wordt, bevat alle
elementen van een goddelijke roeping. Gods initiatief, het antwoord van de
geroepene, en de samenwerking van vele anderen. Deze roeping is trouwens een
teken dat zelfs als zodanig gekende zondaars niet van Gods barmhartigheid zijn
uitgesloten. Christus is gekomen om te redden wat verloren was.
Jezus
sprak: "Gezonde mensen hebben
geen dokter nodig, maar zieken wel; Ik ben niet gekomen om rechtvaardigen te
roepen, maar zondaars."
Deze
uitspraak kan alleen maar ieder van ons tot diepe dankbaarheid stemmen. Niet ?
Moesten enkel de rechtvaardigen (degenen dus die 'recht' varen, altijd en
overal) geroepen worden... wat zou Jezus weinig volgelingen hebben.
Het
mooie van God is dat Hij bereid is zijn verhaal met ons te schrijven op de
kromme lijnen van ons leven.
Is het verhaal daarom minder ? Nee, integendeel.
Het zal een verhaal zijn van mensen die bemind worden door een God die gelooft
in zijn kinderen, die ieder de moeite waard vindt om hem persoonlijk aan te
spreken, aan te raken, uit te nodigen, zichzelf aan hem te geven in zijn Zoon.
Jezus
zal met ons meegaan, niet roepend, niet schreeuwend, de kwijnende vlaspit niet
dovend, het geknakte riet niet brekend, maar ieder van ons teder en krachtig
optillend uit de bekrompenheid van ons ego om ons op te nemen in z'n eigen
leven, opdat we groeiend in geloof en overgave aan Hem, zijn Liefde mogen
worden, meer en meer.
Ga
eenvoudig naar Hem, zoals Hij ook naar u komt. Omhels elkaar. En ontvang de
gave van één-zijn.
Toen Jezus terugkwam
in Kafarnaüm, werd bekend dat Hij weer thuis was. Er stroomden zo veel mensen
toe dat er zelfs voor de deur geen plaats meer was, en Hij verkondigde hun de
heilsboodschap.
Er werd ook een verlamde bij Hem gebracht, die door vier mensen gedragen werd.
Omdat ze zich niet door de menigte konden wringen, haalden ze een stuk van het
dak weg boven de plaats waar Jezus zat, en toen ze een opening hadden gemaakt,
lieten ze de verlamde op zijn draagbed naar beneden zakken.
Bij het zien van hun geloof zei Jezus tegen de verlamde: ‘Vriend, uw zonden
worden u vergeven.’
Er zaten ook een paar schriftgeleerden tussen de mensen, en die dachten bij
zichzelf: Hoe durft Hij dat te zeggen? Hij slaat godslasterlijke taal uit:
alleen God kan immers zonden vergeven!
Jezus had meteen door wat ze dachten en dus zei Hij: ‘Waarom denkt u zoiets?
Wat is gemakkelijker, tegen een verlamde zeggen: “Uw zonden worden u vergeven”
of: “Sta op, pak uw bed en loop”? Ik zal u laten zien dat de Mensenzoon
volmacht heeft om op aarde zonden te vergeven.’
Toen zei Hij tegen de verlamde: ‘Ik zeg u, sta op, pak uw bed en ga naar huis.’
Meteen stond hij op, pakte zijn bed en ging weg; allen die dit zagen, stonden
versteld en loofden God. ‘Zoiets hebben we nog nooit gezien', zeiden ze.
Mensen kunnen ons een
voorbeeld geven van ongeloof, maar anderzijds blijkt uit hun gedrag soms ook
hoe diep zij geloven. Voor Jezus was dat geloof voldoende om de zonden van de
lamme te vergeven. Het was voor Hem tevens een teken van zijn goddelijke macht.
Men kan dit teken van zijn godheid naast zich neerleggen of aanvaarden in
geloof.
God
wil zich echter ook aan elke mens heel persoonlijk meedelen en openbaren. Heel
persoonlijk worden wij door God aangesproken, met de bedoeling dat dat woord
ons raakt en ons in ontmoeting brengt met de Heer. Maar er zijn dikwijls heel
wat belemmeringen voor het zover is, zoals ook het geval was bij de vier mannen
en hun lamme vriend: drukte, mensen die in de weg zitten, en dat is nog maar de
buitenkant. Innerlijk zitten er ook allerlei dingen in de weg die verhinderen
dat het woord van God tot je doordringt, die beletten dat je je persoonlijk tot
God wendt: drukte in je hoofd, je denkt aan van alles en nog wat, zodat je
geest en je hart niet vrij zijn voor Hem. Of je wilt jezelf beschermen, je wilt
jezelf veilig stellen, je leven in eigen hand houden. Zo kunnen er allerlei
dingen zitten tussen jou en het woord van God.
Dat
was ook het geval met de lamme in dit evangelie. Maar de mannen lieten zich
niet tegenhouden en lieten hun vriend voor de voeten van Jezus neer. Zo
ontstond er toch een moment waarop er niemand en niets was tussen hem en Jezus,
tussen de zondaar en de barmhartige liefde van God.
Jezus zei tot hem:
"Vriend, uw zonden worden u vergeven." Dat was raak, dat
raakte hem! De bron van zijn wezen werd gereinigd.
Dat wat hier in het evangelie gebeurt, kan ook ieder van u gebeuren, namelijk
dat je persoonlijk geraakt wordt door het woord van God. Dat staat altijd aan
de oorsprong van een bekeerd leven.
Het
woord van God is een goddelijke kracht die in staat is een heel leven
ondersteboven te keren. Als je trouw blijft aan dat woord, aan die goddelijke
kracht, je van de nabijheid ervan bewust blijft, eraan gehoorzaamt, ernaar
blijft luisteren, in de ban ervan blijft, kun je het een na het ander als het
ware moeiteloos uitvoeren. Niet meer door eigen kracht, maar doordat je eigen
zwakke kracht is opgenomen in de kracht van God, in de kracht van de heilige
Geest.
Toen Jezus, Jakobus en
Johannes uit de synagoge kwamen, gingen ze rechtstreeks naar het huis van Simon
en Andreas.
Simons schoonmoeder lag met koorts in bed, en ze spraken met Jezus over haar.
Hij ging naar haar toe, pakte haar hand vast en hielp haar overeind. Toen
verliet de koorts haar, en ze begon voor hen te zorgen.
‘s Avonds laat, toen de zon al was ondergegaan, brachten de mensen alle zieken
en bezetenen naar Hem toe; alle inwoners van de stad hadden zich bij de deur
van het huis verzameld.
Hij genas vele zieken van allerlei kwalen en Hij dreef veel demonen uit, maar
stond ze niet toe om iets te zeggen, want ze wisten wie Hij was.
Vroeg in de ochtend, toen het nog helemaal donker was, stond Hij op, ging naar
buiten en liep naar een eenzame plek om daar te bidden.
Maar Simon en de anderen die bij Hem waren, gingen Hem vlug achterna, en toen
ze Hem gevonden hadden zeiden ze tegen Hem: ‘Iedereen is naar U op zoek!’
Toen zei Hij: ‘Laten we ergens anders heen gaan, naar de dorpen hier in de
omtrek, zodat Ik ook daar het goede nieuws kan brengen. Daarvoor ben Ik immers
op weg gegaan.’
In heel Galilea bracht Hij het nieuws in de synagogen en dreef Hij demonen uit.
Het
moet fantastisch geweest zijn om te zien hoe Jezus wonderen deed, hoe Hij
mensen genas van hun lichamelijke kwalen, hoe Hij vergeving schonk in Gods
naam, hoe Hij de mensen onderwees, hoe Hij met zondaars omging, enz...
Maar wat velen niet wisten, beluisteren we in de volgende zin: "Vroeg in de ochtend, toen het
nog helemaal donker was, stond Hij op, ging naar buiten en liep naar een
eenzame plek om daar te bidden."
Jezus had die momenten van gebed nodig. Los van eender welke mens wilde Hij,
moest Hij, af en toe alléén kunnen zijn met de Vader. In het gebed trad Hij als
het ware in het leven van de Vader, en nam de Vader Hem in zich op. Niet dat
buiten die uitdrukkelijke gebedsmomenten de Vader meer verwijderd zou zijn van
Jezus, maar schijnbaar zijn die uitdrukkelijke momenten van gebed van
fundamenteel belang.
Te snel
wordt er gezegd dat 'mijn gebedsleven mijn goede werken zijn'. Daar is
natuurlijk iets van. Bedoeling is dat we de geest van het gebed levend houden
tijdens onze bezigheden. Deze vorm van bidden is zeker ook niet minder dan het
uitdrukkelijke gebed. En toch is deze laatste vorm van fundamenteel belang, en
gaat ze zelfs vooraf aan het 'biddend in het leven staan'.
Het is
zoals de eerste twee geboden, waarvan de Heer zegt dat ze één zijn: 'Bemin God
bovenal, en uw naaste als uzelf.' Deze geboden zijn dus één, en toch dragen ze
een zekere hiërarchie in zich. Wij kunnen maar onze naaste en onzelf écht
beminnen als we ook God beminnen. We beminnen onszelf en de ander vanuit de
inwoning van God.
Zo is het ook met het gebed. Het uitdrukkelijke gebed en het 'gebed in het
leven' zijn één, doch zit er een hiërarchie in verborgen. Wij kunnen maar écht
biddend in het leven staan, wanneer wij het 'uitdrukkelijk gebed' onderhouden
Na de maaltijd
stond Hanna op en ging naar het heiligdom van de Heer, waar de priester Eli op
een bankje bij de ingang zat. Diep bedroefd bad Hanna tot de Heer.
In tranen legde ze een gelofte af: ‘Heer van de hemelse machten, ik smeek U,
heb toch oog voor mijn ellende. Denk aan mij, uw dienares, vergeet mij niet.
Schenk mij een zoon, dan schenk ik hem voor zijn hele leven aan U: nooit zal
zijn haar worden afgeschoren.’
Terwijl Hanna zo lang bad, keek Eli opmerkzaam naar haar mond. Ze bad namelijk
in stilte: haar lippen bewogen wel, maar haar stem was niet te horen. Daarom
dacht Eli dat ze dronken was.
Hij sprak haar aan en vroeg: ‘Gaat dit nog lang zo duren? Als u dronken bent,
ga dan uw roes uitslapen!’
‘U vergist u, heer’, antwoordde Hanna. ‘Ik heb geen wijn of andere drank
gedronken. Nee, ik ga gebukt onder een zwaar verdriet en stort mijn hart uit
bij de Heer. Denk niet dat ik een slechte vrouw ben; ik bid zo lang omdat ik
overstelpt ben door droefheid en ellende.’
‘Ga dan in vrede’, antwoordde Eli. ‘De God van Israël zal u geven waar u om
hebt gevraagd.’
‘Ik dank u voor uw vriendelijkheid’, zei Hanna, en ze ging terug naar haar
familie. Haar gezicht was opgeklaard en ze at ook weer.
De volgende morgen vroeg bogen ze zich neer voor de Heer, waarna ze zich op de
terugreis begaven.
Thuis in Rama sliep Elkana met zijn vrouw Hanna, en de Heer verhoorde haar.
Hanna werd zwanger en na verloop van tijd baarde ze een zoon. Ze noemde hem
Samuël, ‘want’, verklaarde ze, ‘ik heb hem aan de Heer gevraagd.’
Ofschoon de technische vooruitgang vele
mogelijkheden heeft geschapen, gebeurt het toch dikwijls dat vrouwen geen
kinderen kunnen krijgen. Waar menselijke middelen schijnbaar falen, ervaart men
veel dieper dat alles gave is. Ook in het leven van Hanna werd dit duidelijk en
na loutering heeft zij dit aan aanvaard. Zo werd haar kind, Samuël, een gave
die zij terugschonk aan de Heer
1 Sam. 2, 1 + 4 + 5 + 6 + 7 +
8abcd
Refr.:
De Heer doet mijn hart van vreugde slaan.
Nu
juicht mijn hart dankzij de Heer,
fier heft mijn hoofd zich op, dankzij de Heer,
mijn mond spreekt vrijmoedig tegen mijn vijanden,
want dankzij uw hulp beleef ik vreugde.
De boog
van de helden is gebroken,
en wie wankelen weten zich gesterkt.
Die genoeg hadden, verkopen zich voor brood,
en wie hongerden zijn verzadigd.
De
onvruchtbare baart zeven zonen,
en wie veel kinderen heeft, verwelkt.
De Heer doet sterven en doet leven,
zendt naar het dodenrijk en leidt eruit omhoog.
De Heer
maakt arm en Hij maakt rijk,
vernedert diep en heft hoog op.
De zwakke en de arme helpt Hij overeind,
Hij haalt hen uit het stof en uit het slijk.
Tussen de edelen zet Hij hen neer,
Hij houdt een ereplaats voor hen vrij.
Zo spreekt de Heer:
'Hier is mijn dienaar, hem zal Ik steunen, hij is mijn uitverkorene, in hem
vind ik vreugde, ik heb hem met mijn geest vervuld. Hij zal alle volken het
recht doen kennen.
Hij schreeuwt niet, hij verheft zijn stem niet, hij roept niet luidkeels in het
openbaar; het geknakte riet breekt hij niet af, de kwijnende vlam zal hij niet
doven. Het recht zal hij zuiver doen kennen.
Ongebroken en vol vuur zal hij het recht op aarde vestigen; de eilanden zien
naar zijn onderricht uit.
In gerechtigheid heb Ik, de Heer, jou geroepen. Ik zal je bij de hand nemen en
je behoeden, Ik neem je in dienst voor mijn verbond met de mensen en maak je
tot een licht voor alle volken, om blinden de ogen te openen, om gevangenen te
bevrijden uit de kerker, wie in het duister zitten uit de gevangenis.'
Zonder twijfel kende Jezus deze profetie van Jesaja. Zij verwees
allereerst naar een uitgelezen deel van het volk: de heilige Rest,
voorafbeelding van wat eens de Messias zal zijn. Deze uitverkoren Dienaar van
God krijgt de opdracht het heil te brengen aan Israël en reeds aan alle naties
de kracht en het licht van de ware God te laten aanvoelen
Sta
op en schitter, je licht is gekomen, over jou schijnt de luister van de Heer.
Duisternis bedekt de aarde en donkerte de naties, maar over jou schijnt de
Heer, zijn luister is boven jou zichtbaar.
Volken laten zich leiden door jouw licht, koningen door de glans van je
schijnsel.
Open je ogen, kijk om je heen: ze stromen in drommen naar je toe; je zonen
komen van ver, je dochters worden op de heup gedragen.
Je zult stralen van vreugde als je het ziet, je hart zal van blijdschap
overslaan.
De schatten van de zee zullen je toevallen, de rijkdom van vreemde volken valt
je in de schoot.
Een vloed van kamelen zal je land overspoelen, jonge kamelen uit Midjan en Efa.
Uit Seba komen ze in groten getale, beladen met wierook en goud.
Zij verkondigen de roemrijke daden van de Heer.
Wanneer de Joden terugkeren uit hun ballingschap, trekken zij op naar
Jeruzalem. De stad is verlicht door de kandelaars van de heropgebouwde tempel.
De profeet peilt verder dan het schouwspel dat hij voor ogen heeft. Alle
volkeren zullen die stoet vervoegen. Zij zijn op weg naar de wereldstad die
niet meer van deze aarde is, de volle openbaring van God zelf.
Uit
het evangelie volgens Matteüs
2, 1-12
Toen
Jezus geboren was in Betlehem in Judea, tijdens de regering van Herodes, kwamen
er magiërs uit het Oosten in Jeruzalem aan.
Ze vroegen: ‘Waar is de pasgeboren koning van de Joden? Wij hebben namelijk
zijn ster zien opgaan en zijn gekomen om Hem eer te bewijzen.’
Koning Herodes schrok hevig toen hij dit hoorde, en heel Jeruzalem met hem. Hij
riep alle hogepriesters en schriftgeleerden van het volk samen om aan hen te
vragen waar de Messias geboren zou worden.
‘In Betlehem in Judea’, zeiden ze tegen hem, ‘want zo staat het geschreven bij
de profeet: “En jij, Betlehem in het land van Juda, bent zeker niet de minste
onder de leiders van Juda, want uit jou komt een leider voort die mijn volk
Israël zal hoeden.”’
Daarop riep Herodes in het geheim de magiërs bij zich; hij wilde precies van
hen weten wanneer de ster zichtbaar geworden was, en stuurde hen vervolgens
naar Betlehem met de woorden: ‘Stel een nauwkeurig onderzoek in naar het kind.
Stuur mij bericht zodra u het gevonden hebt, zodat ook ik erheen kan gaan om
het eer te bewijzen.’
Nadat ze geluisterd hadden naar wat de koning hun opdroeg, gingen ze op weg, en
nu ging de ster die ze hadden zien opgaan voor hen uit, totdat hij stil bleef
staan boven de plaats waar het kind was. Toen ze dat zagen, werden ze vervuld
van diepe vreugde.
Ze gingen het huis binnen en vonden het kind met Maria, zijn moeder. Ze wierpen
zich neer om het eer te bewijzen. Daarna openden ze hun kistjes met
kostbaarheden en boden het kind geschenken aan: goud en wierook en mirre.
Nadat ze in een droom waren gewaarschuwd om niet naar Herodes terug te gaan,
reisden ze via een een andere route terug naar hun land.
.
In het midden van dit verhaal staat een citaat van de profeet
Micha. Zij die deze profetische teksten zo goed kenden, zijn naar Betlehem
gesneld. 'Vreemdelingen' waren het, die zonder hoogmoed hun bevindingen
vergeleken met die van de wijzen van Israël, die zo de Messias konden vinden.
In hen herkennen wij onszef en zovele anderen, die in de loop der tijden hun
offerande aan de voeten leggen van de Koning van het Heelal.
Wij zijn allen mensen die op zoek zijn naar het geluk. Wij hebben het dus
eigenlijk niet zo moeilijk om ons aan te sluiten bij die "zoekers in de
nacht", die van heel ver kwamen. Die Wijzen uit het Oosten, dat zijn
eigenlijk de koplopers van een hele lange stoet mensen, die allemaal in het
diepst van hun hart op zoek zijn naar het ware geluk... op zoek naar God, dus.
Maar in het verhaal van vandaag hoorden wij dat sommigen Hem vinden, anderen
echter helemaal niet, en vooral, dat dit afhangt van de manier waarop wij
zoeken, van de ingesteldheid van ons hart.
De Wijzen keken in het Oosten naar de sterren. Het
komt er eerst en vooral op aan dat ook wij "sterren zien", dwz. dat
wij, ook als het donker is, de kleine tekens durven herkennen die zeggen dat er
wel nog degelijk goedheid in onze wereld bestaat. Wij merken die sterren van
goedheid niet altijd op. Want soms kijken wij teveel naar omlaag, naar onszelf.
Die Wijzen keken breed, ver en naar omhoog. Zij nodigen ons uit onze ogen en
ons hart wijduit open te zetten om, met bewondering en dankbaarheid, de
tintelingen van Gods goedheid op te merken die in onze duistere aarde fonkelen.
Als wij ons daarin dagelijks oefenen, dan zullen ook wij gereed zijn om Gods
bijzondere ster te zien, diegene die ons de weg wijst naar de plaats waar de
Liefde vandaag op onze aarde voor ons wordt geboren.
Het komt er vervolgens op aan die ster dan te
"volgen". Wij worden dus uitgenodigd weg te trekken uit het land van
onze eigen verworvenheden en zekerheden, om te durven op tocht gaan naar een
nieuwe, ongekende horizon. Maar ach, wij, wij blijven dikwijls zo onwrikbaar
vasthouden aan onze eigen ideeën. Voor wij het weten, geraken wij verstard,
geïmmobiliseerd in onze kleine gewoonten. Dan groeien wij niet meer aan onze
binnenkant. Wij blijven ter plaatse trappelen. Wel sturen wij soms anderen op
pad om het werk te doen in onze plaats. Maar zelf komen wij zo moeilijk in
beweging. Wij worden dan ook innerlijk niet meer bewogen en wij voelen geen
bezieling meer. De Wijzen uit het Oosten leren ons dat wij ons beter niet
opsluiten binnen de grenzen van onze eigen opvattingen en principes, maar dat
wij - hoe oud wij ook zijn - het best met bewogenheid blijven "zoeken naar
nieuw leven". Wel mogen wij dan niet verschrikt zijn als dat nieuwe leven
ons op een totaal onverwachte en ongewone manier verschijnt: zoals een komeet
aan een donkere hemel of zoals de geboorte van een Koningskind tussen
eenvoudige mensen.
Het komt er vooral op aan te zoeken "op de
goede manier". Want soms zoeken wij eerder zoals Herodes en zijn
schriftgeleerden: bang en verontrust. Veel te bang voor allerlei kleinmenselijk
opzicht en veel te verontrust over onze eigen macht. Wij beweren wel dat wij
erop uit zijn hulde te brengen aan de Heer, maar in feite proberen wij dikwijls
vooral onszelf groot te maken en ons eigen prestige te beveiligen. Zo zoeken
wij met een bekrompen hart. En op die manier vinden wij het Kind en het echte
geluk niet. Bang en verontrust, zo kunnen wij nochtans maanden, soms jaren,
bezig zijn.
Maar gelukkig zijn er ook die andere periodes in
ons leven, waarop wij namelijk aanvoelen te moeten zoeken op een heel andere
manier, eerder zoals de Wijzen uit het Oosten. Het zijn de genadevolle
ogenblikken waarop wij, ondanks onze duistere nacht, toch met bewondering en
dankbaarheid durven kijken naar onze wereld en ons laten leiden door één of
ander stralend teken van hoop. Het zijn de momenten waarop wij voelen, hoe oud
wij ook zijn, dat wij zelf in beweging moeten komen, dat wij moeten durven
wegtrekken uit het land van onze zekerheden en op ontdekking moeten gaan,
zonder vooroordelen, zonder schrik voor het onbekende nieuwe. Het zijn de dagen
waarop wij weer beginnen te zoeken met een ontvankelijk en nederig hart. En dan
- na een lange en soms moeizame tocht, en ondanks de bekrompenheid van de
kleine of de grote tirannen die ons tegenwerken in ons leven - dan vinden wij
opnieuw de weg naar de eenvoud en de bescheidenheid. En die leidt ons naar het
Kind dat ons het ware geluk en de diepe vrede kan schenken. Dan laten wij onze
zelfgenoegzaamheid achter en durven weer in aanbidding neerknielen voor de
Liefde, die wij voor onze ogen zien in het kleine. Dan durven wij onze handen
openen om te geven... het beste van onszelf, gul en overvloedig.
Mensen, waar moeten wij dus het geluk gaan zoeken?
Niet in Jeruzalem, in de versterkte stad van onze verharde standpunten, waar
wij onszelf zo belangrijk achten. De ster en de Wijzen wenken ons vandaag om
verder te trekken, voorbíj Jeruzalem, naar Bethlehem, naar het huis van
bescheidenheid, waar de Liefde ons verwacht. Allen hebben wij in ons leven een
Jeruzalem, een domein waar vooral onze hoogmoed overheerst, waar wij denken dat
wij ons sterk moeten tonen, maar waar ons hart eigenlijk verstard is geraakt.
Maar allemaal hebben wij in ons leven ook ergens een Bethlehem: ons gezin, onze
verantwoordelijkheid of het engagement dat wij op ons hebben genomen. Het is de
plaats waar wij onszelf heel concreet liefdevol kunnen geven aan diegenen die
op ons rekenen. Daar moeten wij naartoe!
Alle mensen uit alle volkeren zijn op zoek naar het
geluk. Welnu, voor ieder is het échte geluk uiteindelijk te vinden in het
eigen, persoonlijke Bethlehem, dat is die kleine plek in ons leven waar de
Liefde ons vandaag verwacht... en nodig heeft.
Dit is wat u vanaf het begin hebt horen verkondigen: dat we elkaar
moeten liefhebben en niet moeten doen zoals Kaïn, die voortkwam uit hem die het
kwaad zelf is, en zijn broer doodsloeg. En waarom sloeg hij hem dood? Omdat
zijn eigen daden slecht waren en die van zijn broer rechtvaardig.
Wees niet verbaasd, broeders en zusters, als de wereld u haat. Wij weten dat we
van de dood zijn overgegaan naar het leven omdat we elkaar liefhebben. Wie niet
liefheeft blijft in de dood.
Iedereen die zijn broeder of zuster haat, is een moordenaar, en u weet dat een
moordenaar het eeuwige leven niet blijvend in zich heeft.
Wat liefde is, hebben we geleerd van Hem die zijn leven voor ons gegeven heeft.
Daarom horen ook wij ons leven te geven voor onze broeders en zusters.
Hoe kan Gods liefde in iemand blijven die meer dan genoeg heeft om van te
bestaan, maar zijn hart sluit voor een broeder of zuster die hij gebrek ziet
lijden?
Kinderen, we moeten niet liefhebben met de mond, met woorden, maar waarachtig,
met daden. Dan weten we dat we voortkomen uit de waarheid en kunnen we met een
gerust hart voor God staan.
En zelfs als ons hart ons aanklaagt: God is groter dan ons hart, Hij weet
alles.
Geliefde broeders en zusters, als ons hart ons niet aanklaagt, kunnen we ons
vol vertrouwen tot God wenden.
Liefde is echt goddelijk leven, dat zich uit in concrete menselijke
goedheid en genegenheid. Voor de christen is liefde een levensprogramma. Zij
doet mensen naar God en naar elkaar toegroeien
. 'Iedereen die zijn broeder of zuster haat, is een moordenaar.'
Straffe uitspraak. En toch...
We kennen de tien geboden. Het zesde gebod luidt: 'Gij zult niet
doden'. Dat mogen we gerust letterlijk verstaan. Niemand heeft het recht
het leven van een ander zomaar te beëindigen. Een mens doden mag niet, punt.
Maar 'gij zult niet doden' mogen we ook in een meer geestelijke
betekenis verstaan.
Wanneer God de mogelijkheid schenkt om lief te hebben en we slaan die
mogelijkheid in de wind, dan doden we eigenlijk de kans om lief te hebben,
zowel voor onszelf als voor de ander. We ontnemen onszelf en die ander niet
enkel de mogelijkheid om lief te hebben, maar we ontnemen ons en de ander ook
een groei in het beminnen, want wie liefheeft (of dit tracht te doen) groeit.
We ontnemen ons en de ander in zekere zin ook het 'leven', want wie bemint
geeft leven, en ontvangt zelfs eeuwig leven.
Dus de woorden uit de brief van Johannes van vandaag 'Iedereen die zijn
broeder of zuster haat, is een moordenaar.', mogen we in zekere zin heel
letterlijk verstaan. Wie haat ontneemt zichzelf en de ander de mogelijkheid om
te beminnen. In zekere zin is hij een moordenaar, want hij ontneemt het leven.
Johannes zag
Jezus naar zich toe komen, en hij zei: ‘Daar is het Lam van God, dat de zonde
van de wereld wegneemt. Hij is het over wie ik zei: “Na mij komt iemand die
meer is dan ik, want Hij was er vóór mij.” Ook ik wist niet wie Hij was, maar
ik kwam met water dopen opdat Hij aan Israël geopenbaard zou worden.’
En Johannes getuigde: ‘Ik heb de Geest als een duif uit de hemel zien
neerdalen, en Hij bleef op Hem rusten. Nog wist ik niet wie Hij was, maar Hij
die mij gezonden heeft om met water te dopen, zei tegen mij: “Wanneer je ziet
dat de Geest op iemand neerdaalt en blijft rusten, dan is dat degene die doopt
met de heilige Geest.” En dat heb ik gezien, en ik getuig dat Hij de Zoon van
God is.’
Johannes
de Doper is een wegwijzer van Oud- naar Nieuw Testament. Als laatste profeet
kondigt hij niet alleen de komst van de Messias aan, maar hij mag Hem ook
letterlijk aanwijzen. Zijn zending bestaat erin te getuigen, en dan zelf te
verdwijnen naar de achtergrond. Hij moet het heilsinitiatief aan Jezus
overlaten.
Johannes droeg zijn zending, hij had zijn roeping, en beantwoordde daaraan.
Hij verwees naar Christus, naar het hart van ons bestaan.
Moeten
wij zijn zoals Johannes de Doper ?
Ja en nee.
Nee,
opdat we Johannes niet zijn, en omdat de Heer niet moet worden aangewezen zoals
toen aan de oevers van de Jordaan.
Maar ook
ja. Wij mogen zijn zoals Johannes. Want, zoals we gisteren zeiden, is Jezus op
onnoembare vele en verschillende wijzen onder ons terwijl velen Hem niet zien,
wat jammer is.
Moest Hij meer gezien worden, ontvangen en bemind,... de wereld zou dikwijls
bespaard zijn van veel leed waarmee het vandaag te kampen heeft. En dan gaat
het hier niet over het lijden dat ook liefde kan zijn, maar over het leed als
gevolg van de zonde.
De wereld van vandaag heeft meer dan ooit mensen nodig als Johannes; mensen die
Jezus aanwijzen, die Hem aanduiden waar Hij onder ons komt, en op welke manier
Hij dat doet. Velen zijn blind en hebben een vingerwijzing nodig naar het hart
van ons bestaan, naar Jezus.
Hoe dit
moet gebeuren... da's niet makkelijk, zeker niet in deze tijd hier in onze
streken.
En toch smacht onze samenleving naar mensen als Johannes de Doper die de vinger
durven leggen op wonden als gevolg van de zonde, én naar Hem verwijzen.
Laat ons
nadenken en bidden om erachter te komen hoe wij Jezus' aanwezigheid kunnen
duidelijk maken aan deze wereld
Dit is het getuigenis van Johannes. De
Joden hadden vanuit Jeruzalem priesters en Levieten naar hem toe gestuurd om
hem te vragen: ‘Wie bent u?’
Hij gaf zonder aarzelen antwoord en verklaarde ronduit: ‘Ik ben niet de
messias.’
Toen vroegen ze hem: ‘Wie dan? Bent u Elia?’
Hij zei: ‘Die ben ik ook niet.’
‘Bent u de profeet?’ ‘Nee’, antwoordde hij.
‘Maar wie bent u dan?’ vroegen ze hem. ‘Wij moeten antwoord kunnen geven aan
degenen die ons gestuurd hebben–wie zegt u zelf dat u bent?’
Hij zei: ‘Ik ben de stem die roept in de woestijn: “Maak recht de weg van de
Heer”, zoals de profeet Jesaja gezegd heeft.’
De afgevaardigden die uit de kring van de Farizeeën kwamen, vroegen verder:
‘Waarom doopt u dan, als u niet de Messias bent, en ook niet Elia of de
profeet?’
‘Ik doop met water’, antwoordde Johannes. ‘Maar in uw midden is iemand die u
niet kent, Hij die na mij komt; ik ben het niet eens waard om de riemen van
zijn sandalen los te maken.’
Dit gebeurde in Betanië, aan de overkant van de Jordaan, waar Johannes doopte.
Johannes
de Doper wordt ondervraagd over zijn zending. Men vermoedde immers dat hij de
Messias was. Maar Johannes blijft zichzelf en zijn roeping trouw. Hij wil geen
populariteit en wijst bewust naar Hem die als onbekende reeds onder de mensen
aanwezig is: Jezus, de ware MessiasVandaag hoorden we Johannes de Doper zeggen tot de Levieten en
de priesters: 'In uw
midden is iemand die u niet kent'.
Het
zijn woorden van toen, maar langs de andere kant zijn ze ook meer dan actueel.
We hebben immers amper een vermoeden van de vele wijzen waarop de Heer onder
ons aanwezig is en komt.
Voortdurend
biedt Hij dingen, mensen en situaties aan waarin Hij tot ons komt en ons
uitnodigt onze eigen wil los te laten en ons op Hem te verlaten.
Daarvoor moeten we kijken met de ogen van de geest, met de ogen van het geloof.
Wie dit klaarspeelt zal Hem daadwerkelijk in alles zien.
Hem zien is één ding, Hem ontvangen is nog een ander ding.
Wie Hem ziet én ontvangt, zal zich laten raken door Hem én de genade ontvangen
in te kunnen gaan op zijn uitnodiging. Dat is leven mét de Heer, dat is 'ja' zeggen
op de Blijde Boodschap
Ik ben LUC, en gebruik soms ook wel de schuilnaam Lucky.
Ik ben een man en woon in Moorsele (belgie) en mijn beroep is Rust.
Ik ben geboren op 30/12/1952 en ben nu dus 60 jaar jong.
Mijn hobby's zijn: computer,photoshop,Muziek.
ben gehuwd met fabienne
Dit gedicht is voor jou! Als je je alleen voelt je hart gebroken is of bezeerd als je bang bent voor wat komen gaat als je lief hebben hebt verleerd als je jezelf niet durft te zijn als je verteerd wordt door verdriet dan is dit gedicht voor jou want God vergeet je niet Hij wacht op je hij kent je vragen Hij zegt: “geef mij je last, dan kunnen we het samen dragen”. En langzaam zul je merken daar kun je van op aan, dat jij alleen nog je rugtas vasthoudt de inhoud is naar Hem overgegaan Als je je bedrogen voelt eenzaam en heel klein als je door de bomen het bos niet meer ziet en er misschien zelfs niet meer wilt zijn als je verstrikt zit in de netten van de zonde en niet weet hoe je daar uit moet geraken dan is dit gedicht voor jou Jezus zal het in orde maken Hij weet als geen ander hoe pijn voelt en wat een mens soms moet doorstaan Voor jou en mij is Hij uit liefde door enorm zware beproevingen gegaan Hij kijkt naar jou met een bewogen hart en een liefdevolle blik in Zijn ogen en wacht tot je Hem vragen zult je tranen te gaan drogen Dit gedicht is voor jou. Waarom? Is misschien je vraag. omdat God ontzettend van je houdt, grijp toch Zijn uitgestoken hand vandaag….
Afscheid nemen is verdrietig, afscheid nemen is niet fijn afscheid nemen is iemand verlaten bij wie je graag zou willen zijn.
Afscheid nemen is die blik vol liefde en die aai over je bol afscheid nemen zijn die tranen je schiet er helemaal van vol.
Afscheid nemen zijn die woorden "Ik hou van jou, dag lieve schat. Je bent altijd bij me, want jij zit hier, diep in m'n hart."
Soms is het afscheid maar voor even soms voorgoed of voor een lange tijd maar wat je samen hebt mogen beleven dat raak je echt, nee nooit meer kwijt.
Parel
Je bent een parel, die zeer kostbaar is je naam staat onuitwisbaar in Mijn hand geschreven. Ik heb je zelf gemaakt om tot Mijn eer te leven je bent een parel, die zeer kostbaar is.
En eens zal Ik je roepen aan Mijn zij Mijn kind die roeping is zo hoog verheven. Uit liefde gaf ik jou Mijn eigen leven, ja, eenmaal zul je stralen aan Mijn zij.
Je bent nu nog op reis, het einddoel is in zicht, houd Mij maar stevig vast en luister naar Mijn stem. Aan d’einder gloort het nieuw Jeruzalem, daar zul je eeuwig leven in Mijn licht.