Deel door ons uw liefde uit
aan wie honger heeft en pijn.
Laat ons waar verdeeldheid is
uw vredestichters zijn.
Ons verlangen is alleen,
Heer, maak ons hart bereid,
dat door heel ons leven heen
uw liefde wordt verspreid.
Deel door mij uw liefde uit,
aan een medemens die lijdt.
Leer mij meer vervuld te zijn
met uw bewogenheid.
Mijn verlangen is alleen,
Heer, maak mijn hart bereid,
dat door heel mijn leven heen
uw liefde wordt verspreid.
Openbaar uw koninkrijk
aan wie zoekt, aan arm en rijk.
Giet een stroom van liefde uit,
dat in ons en door ons, o Jezus,
uw liefde wordt verspreid.(2x)
Deel ons door uw liefde uit
tot de einden van de aard'.
Dat zich waar de dood nu heerst
nieuw leven openbaart.
Maak ons als uw werkers klaar
en sterk ons in de strijd,
tot wij mogen oogsten waar
uw liefde wordt verspreid.
Openbaar uw koninkrijk
aan wie zoekt, aan arm en rijk.
Giet een stroom van liefde uit,
dat in ons en door ons, o Jezus,
uw liefde wordt verspreid.(6x)
Deel door ons uw liefde uit,)
maak ons hart bereid. )4x
Deel door ons uw liefde uit,)
ja wij zijn bereid. )2x
Deel door mij uw liefde uit )
ja ik ben bereid. )2x
Wat ogen zien dringt binnenin het hart. Het kan ons blij maken of ook heel verdrietig. Het kan ons soms zo diep raken, dat we er ziek van zijn. Ogen zijn de vensters van ons hart. Wie ze opent voor het licht, voor de zon overdag, voor de mooie dingen en voor de sterren in de nacht, is een blij en gelukkig mens. Met licht en meer moois in onze ogen komt er kleur in ons anders zo grijze leven. Want onze ogen weerspiegelen de liefde van Jezus. Een liefde, door Hem gegeven!
Beloften
Ik geef je Mijn vrede, Ik reik je Mijn hand.
Ik geef je Mijn sterkte, door Mij hou je stand.
Ik geef je genade, een teken van trouw, want
Ik ben als een Vader, Ik ben er voor jou.
Ik geef je Mijn vriendschap, een arm om je heen,
Ik geef je Mijn zegen, je bent nooit alleen.
Ik geef je Mijn warmte, een vuur in de kou, want
Ik ben als een Vader, Ik ben er voor jou.
Ik geef je Mijn toekomst, Ik geef je Mijn Geest
als Gids in de wereld, op weg naar het feest.
Ik geef je Mijn liefde die nimmer benauwt, want
Ik ben als een Vader, Ik ben er voor jou.
Ik geef je Mijn blijdschap, Ik geef je Mijn kracht,
Ik geef je Mijn uitzicht als licht in de nacht.
Ik geef je Mijn leven, omdat Ik van je hou, want
Ik ben als een Vader, Ik ben er voor jou.
Door niets en door niemand kan worden ontroofd
wat Ik in Mijn Woord aan jou heb beloofd.
Ik heb alles gegeven wat jij niet verdient en
Ik wil in jou leven, want jij...... jij bent Mijn vriend.
Uit het hart
Jouw Hemelse Vader die je heeft geschapen, die zoveel van je houdt, weet alles wat er zich in jouw hart afspeelt. Hij begrijpt en kent jou volkomen, Hij vraagt je om de juiste keuzes te maken! Hij verlangt niets liever dat Hij fier zou zijn op jou, dat je het pad der wijsheid zou blijven volgen! Het is niet altijd gemakkelijk, en je hebt vooral lef & doorzettingsvermogen nodig, maar dit alles is niet te vergelijken, met het liefdevolle geschenk dat je zal verkrijgen! Hij weet nu wat je denkt & wat je nog zou willen 'plannen'... Daarom vraag ik je : ook voor mij komt de tijd dat ik het aardse zal verlaten. Maar zou je dan niet blij & verheugd zijn als je weet, dat ik in het Hemelse paradijs zal blijven wachten op... jou !!! Filip V. (26-09-04)
IK BEN DE ALFA EN DE OMEGA GEBED IS DE SLEUTEL VAN DE OCHTEND
EN DE GRENDEL VAN DE AVOND.
29-02-2012
Uit het boek Jona
Uit
het boek Jona
3, 1-10
Het woord van de Heer
wordt tot Jona gericht:‘Maak je gereed en ga naar Nineve, die grote stad, om
haar aan te klagen met de woorden die Ik je zeg.’
En Jona maakte zich gereed en ging naar Nineve, zoals de Heer hem opgedragen
had.
Nineve was een reusachtige stad, ter grootte van drie dagreizen. Jona trok de
stad in, één dagreis ver, en riep: ‘Nog veertig dagen, dan wordt Nineve
weggevaagd!’
De inwoners van Nineve geloofden God: ze riepen een vasten uit en iedereen, van
hoog tot laag, hulde zich in een boetekleed. Toen de profetie de koning van
Nineve bereikte, stond hij op van zijn troon, legde zijn staatsiegewaad af en
ging, gehuld in een boetekleed, op de grond zitten. En hij liet in Nineve
omroepen: ‘Volgens bevel van de koning en zijn edelen is het niemand toegestaan
te eten of te drinken, mens noch dier, rund noch schaap of geit. De dieren
mogen niet grazen of water drinken. Iedereen, mens en dier, moet zich hullen in
een boetekleed en luidkeels God aanroepen. Laat iedereen anders gaan leven en
breken met het onrecht dat hij doet. Misschien dat God van gedachten verandert
en op zijn besluit terugkomt; wie weet zal Hij zijn woede laten varen, zodat
wij niet te gronde gaan.’
Toen God zag dat zij inderdaad anders begonnen te leven, kwam Hij terug op wat
Hij gedreigd had hun aan te doen, en Hij deed het niet.
De inwonders van Nineve zijn vreemdelingen, dus heidenen in de ogen van
sommige Joden. Toch lezen we dat de profeet Jona de opdracht krijgt, van
godswege het woord tot hen te richten. Daarop roepen de Ninevieten een algemene
vasten uit. God verhoort hun gebed. Hij schenkt verhoring aan alle mensen van
goede wil.
Uit
het evangelie volgens Lucas
11, 29-32.
Toen er steeds meer mensen
toestroomden, zei Jezus:
'Dit is een verdorven generatie! Ze verlangt een teken, maar zal geen ander
teken krijgen dan dat van Jona. Zoals Jona een teken was voor de inwoners van
Nineve, zo zal de Mensenzoon een teken voor deze generatie zijn.
Op de dag van het oordeel zal de koningin van het Zuiden samen met de mensen
van deze generatie opstaan en hen veroordelen, want zij was van het uiteinde
van de aarde gekomen om te luisteren naar de wijsheid van Salomo, en hier zien
jullie iemand die meer is dan Salomo!
Op de dag van het oordeel zullen de Ninevieten samen met deze generatie opstaan
en haar veroordelen; want zij hadden zich bekeerd na de prediking van Jona, en
hier zien jullie iemand die meer is dan Jona!'
Mensen hebben behoefte aan schokkende
bewijzen om van iets overtuigd te geraken. Toch kan geloof en bekering niet
worden opgedrongen. De mens moet willen zien. Jezus zal geen ander teken geven
dan dat van Jona. Als we in Hem niet geloven zijn we er erger aan toe dan de
mensen van Nineve.
Geloven in Jezus is
meer dan met je lippen zeggen dat je gelooft in Jezus.
Het geloof is op de eerste plaats een gave die God schenkt in de liefde van zijn
heilige Geest.
Ieder die ontvankelijk is voor deze gave, zal ze krijgen.
Doch... dat betekent niet dat men dan zomaar kan geloven. Het geloof vraagt ook
een beweging van de mens, een binnengaan in Gods Liefde.
Geloof is meer dat zomaar zeggen dat je Jezus als Gods Zoon erkent. Het vraagt
een onbetwistbare act van de mens.
In het latijn
betekent geloof 'credo', wat is afgeleid van 'cor-dare', wat letterlijk
vertaald betekent: 'je geven aan'.
Wanneer je dus zegt dat je gelooft in Jezus, zeg je eigenlijk dat je je hart
geeft aan de aanwezigheid van Jezus, wat niet min is.
In die zin is
geloof dus in wezen gebed, een ontmoeten van de Heer (daarom niet onmiddellijk
voelend of ervarend), een zich geven aan Hem.
Je geven aan Jezus
betekent dat Hij jouw leven mag worden, dat jij een instrument wilt zijn van
zijn zijn, om alzo in zijn Naam in Gods wil te staan.
Zijn we bereid ons
te geven aan de Heer ?
Het zal een onnoemelijke vreugde is ons losweken dat in de diepte 'eeuwig
leven' noemt.
Jezus sprak tot zijn leerlingen:
'Bij het bidden moeten jullie niet eindeloos voortprevelen zoals de heidenen,
die denken dat ze door hun overvloed aan woorden verhoord zullen worden. Doe
hen niet na! Jullie Vader weet immers wat jullie nodig hebben, nog vóór jullie
het Hem vragen.
Bid daarom als volgt:
Onze Vader in de hemel, laat uw naam geheiligd worden, laat uw koninkrijk komen
en uw wil gedaan worden op aarde zoals in de hemel. Geef ons vandaag het brood
dat wij nodig hebben. Vergeef ons onze schulden, zoals ook wij hebben vergeven
wie ons iets schuldig was. En breng ons niet in beproeving, maar red ons uit de
greep van het kwaad.
Want als jullie anderen hun misstappen vergeven, zal jullie hemelse Vader ook
jullie vergeven. Maar als je anderen niet vergeeft, zal jullie Vader jullie je
misstappen evenmin vergeven.'
Het
gebed is het antwoord van de mens op het Woord van God. Het is de erkenning van
Gods aanwezigheid in ons leven. Bidden is de taal van de gelovige mens. Jezus
zelf gaf ons het voorbeeld. In Hem kunnen wij God onze Vader noemen.
Gebed is in wezen deelname
aan het leven van de heilige Drieëenheid. Het is leven mét God, in een
voortdurend ontvangen en geven. Dat is het in wezen.
Maar Jezus weet, meer dan wie ook, hoe moeilijk het ons valt in alle zuiverheid
te bidden.
Hij geeft ons enkele woorden om tot waar gebed te komen, wat wij het 'onze Vader'
noemen.
Dit gebed stelt ons in eenvoudige bewoordingen waar het om gaat in ons leven
mét God, en de medemens, nu en tot in eeuwigheid
Het
gaat om het erkennen van de Vader, om onze roeping zijn Naam te heiligen in ons
leven.
Onze Vader in de hemel,
laat uw Naam geheiligd worden,
laat uw koninkrijk komen
en uw wil gedaan worden op aarde zoals in de hemel.
Geef ons vandaag het brood dat wij nodig hebben.
Vergeef ons onze schulden,
zoals ook wij hebben vergeven wie ons iets schuldig was.
En breng ons niet in beproeving,
maar red ons uit de greep van het kwaad.
Amen.
Jezus sprak tot zijn
leerlingen:
'Wanneer de Mensenzoon komt, omstraald door luister en in gezelschap van alle
engelen, zal Hij plaatsnemen op zijn glorierijke troon.
Dan zullen alle volken voor Hem worden samengebracht en zal Hij de mensen van
elkaar scheiden zoals een herder de schapen van de bokken scheidt; de schapen
zal Hij rechts van zich plaatsen, de bokken links.
Dan zal de Koning tegen de groep rechts van zich zeggen: “Jullie zijn door mijn
Vader gezegend, kom en neem deel aan het koninkrijk dat al sinds de
grondvesting van de wereld voor jullie bestemd is. Want Ik had honger en jullie
gaven mij te eten, Ik had dorst en jullie gaven mij te drinken. Ik was een
vreemdeling, en jullie namen mij op, Ik was naakt, en jullie kleedden mij. Ik
was ziek en jullie bezochten mij, Ik zat gevangen en jullie kwamen naar mij
toe.”
Dan zullen de rechtvaardigen Hem antwoorden: “Heer, wanneer hebben wij U
hongerig gezien en te eten gegeven, of dorstig en U te drinken gegeven? Wanneer
hebben wij U als vreemdeling gezien en opgenomen, U naakt gezien en gekleed?
Wanneer hebben wij gezien dat U ziek was of in de gevangenis zat en zijn we
naar U toe gekomen?”
En de Koning zal hun antwoorden: “Ik verzeker jullie: alles wat jullie gedaan
hebben voor een van de onaanzienlijksten van mijn broeders of zusters, dat
hebben jullie voor mij gedaan.”
Daarop zal Hij ook de groep aan zijn linkerzijde toespreken: “Jullie zijn
vervloekt, verdwijn uit mijn ogen naar het eeuwige vuur dat bestemd is voor de
duivel en zijn engelen. Want Ik had honger en jullie gaven mij niet te eten, Ik
had dorst en jullie gaven me niet te drinken. Ik was een vreemdeling en jullie
namen mij niet op, Ik was naakt en jullie kleedden mij niet. Ik was ziek en zat
in de gevangenis en jullie bezochten mij niet.”
Dan zullen ook zij antwoorden: “Heer, wanneer hebben wij U hongerig gezien of
dorstig, als vreemdeling of naakt, ziek of in de gevangenis, en hebben wij niet
voor U gezorgd?”
En Hij zal hun antwoorden: “Ik verzeker jullie: alles wat jullie voor een van deze
onaanzienlijken niet gedaan hebben, hebben jullie ook voor mij niet gedaan.”
Hun staat een eeuwige bestraffing te wachten, de rechtvaardigen daarentegen het
eeuwige leven.'
Jezus geeft een visioen over het
oordeel op de laatste dag. Dan zal enkel de manier waarop wij nu leven van
belang zijn. Belangrijker is immers de houding tegenover de medemens, vooral
dan tegenover de misdeelden. Want Jezus vereenzelvigt zich met hen.
Jezus leert ons vandaag dat
wie Hem wilt ontmoeten niet te ver moet zoeken.
Hij vereenzelvigt zich namelijk met al wat dikwijls 'uitgestoten' wordt in deze
wereld: degenen die honger en dorst hebben, de vreemdelingen, de naakten, de
zieken, de gevangenen,... Wie hen opzoekt, wie zich over hen ontfermt, ontmoet
de Heer. Zo eenvoudig is dat.
Zij zijn de bedelaars naar liefde. Door hen heen nodigt Jezus uit te beminnen.
Wie hierop ingaat staat niet enkel in de liefde Gods, maar leeft in volle
ontmoeting met Christus, zowel in zijn liefdes-daad als in degene die hij
liefheeft.
Laten we er waakzaam over zijn dat we ons niet over hen ontfermen als een
meerdere, maar als een naaste, als een broer of zus, als een van hen.
Jezus zag hij bij het tolhuis
een tollenaar zitten die Levi heette. Hij zei tegen hem: ‘Volg mij!’
Levi stond op, liet alles achter en volgde Hem.
Hij richtte in zijn huis een groot feestmaal voor Hem aan, waarop een groot
aantal tollenaars en anderen samen met Jezus aanwezig waren.
De Farizeeën en hun Schriftgeleerden zeiden morrend tegen zijn leerlingen:
‘Waarom eet en drinkt u met tollenaars en zondaars?’
Maar Jezus antwoordde: ‘Gezonde mensen hebben geen dokter nodig, maar wie ziek
is wel; Ik ben niet gekomen om rechtvaardigen te roepen, maar om zondaars aan
te sporen een nieuw leven te beginnen.’
Jezus roept iedereen, zelfs
tollenaars of andere publieke zondaars. Tijdens de maaltijd bij Levi
verduidelijkt Hij zijn zending. Levi zal dat in praktijk brengen en alles
achter laten om Jezus te volgen.
'Gezonde mensen hebben geen dokter nodig, maar wie
ziek is wel; Ik ben niet gekomen om rechtvaardigen te roepen, maar om zondaars
aan te sporen een nieuw leven te beginnen.'
Hier raakt Jezus de kern van zijn zending aan,
namelijk wat verloren dreigt te gaan nieuw leven in te blazen.
Elke mens, ook ieder van ons, draagt in zich duistere plekken, waar het licht
van de Heer geen plaats krijgt. Het zijn plaatsen die we dikwijls moeilijk
kunnen of durven loslaten... Meer, soms koesteren we ze zelfs.
Jezus ziet dit gevecht en lijden in ons. Hij ziet de vervreemding tussen ons en
de Vader. En juist omdat Hij liefheeft, wilt Hij niet liever dan ieder van ons
opzoeken om ons aan te raken in de kern van die duisternis. Deze aanraking kan
ons ten diepste genezen. De Heer zelf zal ons in deze aanraking optillen,
opvoeden, en leren; leren wat het betekent Hem te volgen, stap voor stap. Hij
zal ons leren alles zo achter te laten, dat Hij ons in zich tenvolle kan
opnemen, opdat wij niet meer zouden leven vanuit onze allerindividueelste ik
los van de Heer, maar vanuit Hem. Hij door ons.
Jezus
zei tot zijn leerlingen:
'De Mensenzoon zal veel moeten lijden en door de oudsten, de hogepriesters en
de schriftgeleerden worden verworpen en gedood, maar op de derde dag zal Hij
uit de dood worden opgewekt.'
Tegen
allen zei Hij:
'Wie achter mij aan wil komen, moet zichzelf verloochenen en dagelijks zijn
kruis op zich nemen en mij volgen. Want ieder die zijn leven wil behouden, zal
het verliezen; maar wie zijn leven verliest omwille van mij, zal het behouden.
Wat heeft een mens eraan als hij de hele wereld wint, maar zichzelf verliest of
schade toebrengt?'
Sprekend over zijn
dood en verrijzenis laat Jezus zijn toehoorders iets vermoeden van het geheim
van zijn zending: sterven om te leven. Dit is ook de weg die zijn leerlingen
moeten gaan: zichzelf verloochenen en elke dag opnieuw Jezus' kruis opnemen.
Na de
gedaanteverandering vertrokken Jezus en zijn leerlingen weg uit die streek en
reisden door Galilea, maar Hij wilde niet dat iemand dat te weten kwam, want
Hij was bezig zijn leerlingen onderricht te geven.
Hij zei tegen hen: ‘De Mensenzoon wordt uitgeleverd aan de mensen. Die zullen
Hem doden, maar na drie dagen zal Hij uit de dood opstaan.’
Ze begrepen deze uitspraak niet, maar durfden Hem geen vragen te stellen.
Ze kwamen in Kafarnaüm. Toen ze in huis waren, vroeg hij hun: ‘Waarover waren
jullie onderweg aan het redetwisten?’
Ze zwegen, want ze hadden onderweg met elkaar getwist over de vraag wie van hen
de belangrijkste was.
Hij ging zitten en riep de twaalf bij zich. Hij zei tegen hen: ‘Wie de
belangrijkste wil zijn, moet de minste van allemaal willen zijn en ieders
dienaar.’
Hij pakte een kind op en zette het in hun midden neer; hij sloeg zijn arm
eromheen en zei tegen hen: ‘Wie in mijn naam één zo’n kind bij zich opneemt,
neemt mij op; en wie mij opneemt, neemt niet mij op, maar Hem die mij gezonden
heeft.’
Wanneer Jezus zijn leerlingen nog eens duidelijk tracht te maken dat
zijn dienen zover zal gaan dat Hij zijn leven zal geven, begrijpen zij dit
niet. Zij dachten aan een nieuw, aards rijk, waar zij de voornaamste posten
zouden innemen. Zij maken zelfs ruzie om de eerste plaats te krijgen. Jezus
wijst hen terecht en herhaalt nog eens dat men in zijn rijk niet moet komen om
gediend te worden, maar om te dienen met het hart van een kind.
De minste van allen willen zijn, én ieders
dienaar... dat is de weg waartoe Jezus ons uitnodigt.
Enkel deze weg maakt de mens groot, maakt hem waardig, maakt hem werkelijk tot
Gods kind.
Jezus zelf is ons deze weg voorgegaan. De
evangelies tonen dit tijdens vele momenten.
Denken we bijvoorbeeld aan de voetwassing. Jezus, Gods Zoon, knielt neer voor
zijn leerlingen om hen de voeten te wassen. Jezus maakt zich kleiner dan zijn
leerlingen. Hij knielt voor hen neer en wast hen (naar lichaam en ziel).
Zo mogen wij, naar het voorbeeld van Jezus, en mét
Hem, iedere mens benaderen die we ontmoeten: als een dienaar dus, als een
mindere, als iemand die bereid is de voeten van die ander te wassen. Dat schept
gemeenschap, zo ontstaat Kerk.
Deze weg zal ons behoeden boven de ander te willen
staan, of een machtspositie te misbruiken.
Integendeel, we zullen de ander dienen, en dus het leven dienen, God dienen.
Toen Jezus na de
gedaanteverandering terugkwam bij de andere leerlingen, zag Hij een grote
menigte om hen heen staan. Er waren ook schriftgeleerden bij, die met hen aan
het discussiëren waren. De mensen waren verbaasd toen ze Hem zagen, en liepen
meteen naar Hem toe om Hem te begroeten. Hij vroeg hun: ‘Waarover zijn jullie
met hen aan het discussiëren?’
Iemand uit de menigte antwoordde: ‘Meester, ik heb mijn zoon naar U gebracht
omdat hij door een geest bezeten is en niet kan praten; steeds wanneer de geest
hem overweldigt, gooit die hem op de grond, en dan komt het schuim hem op de
mond te staan, hij knarst met zijn tanden en wordt helemaal stijf. Ik zei tegen
uw leerlingen dat ze hem moesten uitdrijven, maar dat konden ze niet.’
Hij zei tegen hen: ‘Wat zijn jullie toch een ongelovig volk, hoe lang moet Ik
nog bij jullie blijven? Hoe lang moet Ik jullie verdragen? Breng hem bij me.’
Ze brachten de jongen bij Hem. Toen de geest Hem zag, deed hij de jongen meteen
stuiptrekken, en met het schuim op de lippen viel hij op de grond en rolde heen
en weer.
Jezus vroeg aan zijn vader: ‘Hoe lang heeft hij hier al last van?’
Hij antwoordde: ‘Al vanaf zijn vroegste jeugd, en hij heeft hem zelfs vaak in
het vuur gegooid en in het water met de bedoeling hem te doden; maar als U iets
kunt doen, heb dan medelijden met ons en help ons.’
Toen zei Jezus tegen hem: ‘Of ik iets kan doen? Alles is mogelijk voor wie
gelooft.’
Meteen riep de vader van het kind uit: ‘Ik geloof! Kom mijn ongeloof te hulp.’
Toen Jezus zag dat er een grote groep mensen toestroomde, sprak Hij de onreine
geest op strenge toon toe en zei: ‘Geest die doof en stom maakt, Ik gebied je:
ga uit hem weg en keer niet meer in hem terug.’
Onder geschreeuw en met hevige stuiptrekkingen ging hij uit hem weg; de jongen
bleef voor dood achter, zodat de mensen zeiden dat hij was gestorven. Maar
Jezus pakte hem bij de hand om hem overeind te helpen en hij stond op.
Hij ging een huis in, en toen ze weer alleen waren, vroegen zijn leerlingen
hem: ‘Waarom konden wij die geest niet uitdrijven?’
Hij antwoordde: ‘Dit soort kan alleen door gebed worden uitgedreven.’
Toen ze weer alleen waren, vroegen
zijn leerlingen Hem: ‘Waarom konden wij die geest niet uitdrijven?’
Hij antwoordde: ‘Dit soort kan alleen door gebed worden uitgedreven.’
Een mens kan uit zichzelf veel goeds doen.
Met Gods genade kan hij nog méér doen, of de dingen die hij doet, ànders doen.
Doch zijn er dingen die men enkel met gebed tot een goed einde kan brengen. Het
zijn zaken waar God wacht op het gebed van de mens om die zaken héél
persoonlijk te komen aanraken.
Heel dikwijls gebruikt Hij de mens als instrument om zijn liefde te tonen. Maar
soms handelt Hij ook bij wijze van spreken 'alleen'. Het is schijnbaar een zaak
tussen dat gebeuren en Hem, zonder een menselijke tussenkomst. Hij wacht op het
gebed van de Kerk, van elke gelovige, om die zaak heel rechtstreeks te komen
vervullen met zijn genade.
We mogen de kracht van het gebed niet
onderschatten. God kan meer met ons gebed dan we doorgaans vermoeden.
We trekken dit dikwijls in twijfel, vooral omdat we ons eigen gebedsleven over
het algemeen zo arm vinden.
Maar God is zoveel groter dan dit menselijk getwijfel. Elk gebed, hoe arm en
onvolmaakt ook, stijgt tot Hem als wierook bij het altaar.
Met dit gebed van de mens treedt Hij de wereld tegemoet: personen, hele volken
en zaken aanrakend met zijn genezende kracht.
Onzichtbaar schenkt Hij op deze wijze leven aan de Kerk, geeft Hij licht aan de
wereld, wekt Hij roepingen, schept eenheid onder mensen en godsdiensten, leidt
Hij mensen naar de hemel, enz...
Laten we geloven in de kracht van het gebed.
Laat ons dagelijks tijd maken voor deze liefdesdaad voor elkaar, de Kerk en de
hele mensheid.
God heeft ons gebed niet nodig om God te zijn.
Anderzijds hunkert Hij naar ons gebed om de wereld heel persoonlijk te komen
bezoeken, aan te raken, te genezen daar waar het nodig is.
Toen Jezus enkele dagen
later terugkwam in Kafarnaüm, werd bekend dat Hij weer thuis was. Er stroomden
zo veel mensen toe dat er zelfs voor de deur geen plaats meer was, en Hij
verkondigde hun de heilsboodschap.
Er werd ook een verlamde bij Hem gebracht, die door vier mensen gedragen werd.
Omdat ze zich niet door de menigte konden wringen, haalden ze een stuk van het
dak weg boven de plaats waar Jezus zat, en toen ze een opening hadden gemaakt,
lieten ze de verlamde op zijn draagbed naar beneden zakken. Bij het zien van
hun geloof zei Jezus tegen de verlamde: ‘Vriend, uw zonden worden u vergeven.’
Er zaten ook een paar schriftgeleerden tussen de mensen, en die dachten bij
zichzelf: Hoe durft Hij dat te zeggen? Hij slaat godslasterlijke taal uit:
alleen God kan immers zonden vergeven! Jezus had meteen door wat ze dachten en
dus zei Hij: ‘Waarom denkt u zoiets? Wat is gemakkelijker, tegen een verlamde
zeggen: “Uw zonden worden u vergeven” of: “Sta op, pak uw bed en loop”? Ik zal
u laten zien dat de Mensenzoon volmacht heeft om op aarde zonden te vergeven.’
Toen zei Hij tegen de verlamde: ‘Ik zeg u, sta op, pak uw bed en ga naar huis.’
Meteen stond hij op, pakte zijn bed en ging weg.
Allen die dit zagen, stonden versteld en loofden God. ‘Zoiets hebben we nog
nooit gezien,’ zeiden ze.
Jezus heeft aandacht voor het lijden van mensen in al zijn vormen. Zo
schenkt Hij de lamme in Gods naam vergiffenis voor zijn zonden en geneest hem
vervolgens. Deze wondere begenadiging en genezing is voor de volgelingen een
teken dat God in Jezus Christus zijn belofte houdt en de mensen bevrijdt
Broeders
en zusters,
u moet niet allemaal leraar willen zijn. U weet dat ons leraren een strenger
oordeel te wachten staat.
En hoe vaak struikelen we niet allemaal! Wie nooit struikelt in het spreken kan
zich een volmaakt mens noemen, die in staat is om zelfs het hele lichaam in
toom te houden.
Paarden doen we een bit in de mond om ze te laten gehoorzamen, en zo kunnen we
hun hele lijf sturen. En kijk eens hoe reusachtige schepen, voortgestuwd door
hevige wind, met een klein roer in de richting worden gestuurd die de stuurman
bepaalt.
Zo is ook de tong een klein orgaan, maar wat een grootspraak kan hij
voortbrengen! Bedenk eens hoe een kleine vlam een enorme bosbrand veroorzaakt.
Onze tong is net zo’n vlam: een wereld van onrecht, die onze lichaamsdelen in
brand steekt. Want hij besmet het hele lichaam, hij steekt het rad van het
leven in brand, met vuur uit de Gehenna.
De mens heeft alle mogelijke soorten dieren weten te temmen, wilde dieren,
vogels, kruipende dieren en zeedieren, maar er is geen mens die de tong kan
temmen, dat onberekenbare kwaad, vol dodelijk venijn.
Met onze tong zegenen we onze Heer en Vader, en we vervloeken er mensen mee die
God heeft geschapen als zijn evenbeeld. Uit dezelfde mond klinkt zegen en
vervloeking. Dat kan toch niet goed zijn, broeders en zusters?
Jakobus maakt er ons opmerkzaam op
welke kracht er kan uitgaan van onze woorden. Voortdurend moeten wij deze onder
controle houden. Anders zijn zij de bron van onnoemelijk veel kwaad, dat nog
nauwelijks te herstellen is.
Vandaag lezen we bij Jakobus: Met onze tong zegenen we onze Heer en Vader,
en we vervloeken er mensen mee die God heeft geschapen als zijn evenbeeld. Uit
dezelfde mond klinkt zegen en vervloeking. Dat kan toch niet goed zijn,
broeders en zusters ?
Inderdaad... de ene
moment bidden we , en en een uurtje later
roddelen we er rustig op los met vrienden of collega's en stellen anderen in
een slecht daglicht of voeden de kick van het oordeel. Ik denk dat we er met
regelmaat allen tegen zondigen, op welke wijze ook.
Laten we waakzaam zijn
wanneer we spreken. Laat ons doorheen onze woorden opbouwen in plaats van neer
te halen. Laat ons in ons spreken verzoening brengen in plaats van
verdeeldheid. Laat ons fijne humor brengen. Laten we het goede gesprek voeren.
Laat ons woorden gebruiken waarin de warmte van God ieder mens mag bereiken tot
wie we spreken.
Broeders en zusters,
het geloof in Jezus Christus, onze glorierijke Heer, staat niet toe dat u
mensen op hun uiterlijk beoordeelt.
Stel dat uw samenkomst wordt bezocht door iemand die prachtige kleren en gouden
ringen draagt, en tegelijkertijd door een arme in vodden. Als u dan de eerste
met alle zorg omringt en tegen hem zegt: 'Neemt u plaats, hier zit u goed',
terwijl u tegen de tweede zegt: 'Ga daar maar staan, of ga maar bij mijn voetenbank
op de grond zitten', maakt u dan geen ongeoorloofd onderscheid en wordt uw
oordeel niet door verkeerde overwegingen bepaald?
Luister, geliefde broeders en zusters: heeft God niet juist hen die naar
wereldse maatstaven arm zijn, uitgekozen om rijk te zijn door het geloof en
deel te krijgen aan het koninkrijk dat Hij heeft beloofd aan wie Hem
liefhebben? Maar u behandelt arme mensen met minachting. Zijn het dan niet de
rijken die u onderdrukken en u voor de rechter slepen? Zijn zij het niet die de
voortreffelijke naam die over u is uitgesproken, door het slijk halen?
Wanneer u echter het koninklijke gebod volbrengt dat de Schrift geeft: 'Heb uw
naaste lief als uzelf', dan handelt u juist. Maar als u op het uiterlijk
afgaat, begaat u een zonde en bestempelt de wet u als overtreders.
Geloven
in Christus sluit volgens Jakobus partijdigheid uit. Het sluit eveneens
bezorgdheid voor de arme in. Rijken en welgestelden met eerbied en achting
benaderen en armen aan hun lot overlaten of zelfs verachten, is in strijd met
het evangelie. Bedenken wij daarbij dat God de armen heeft uitverkoren om rijk
te zijn in hun geloof
Geliefde broeders en zusters,
onthoud dit goed: ieder mens moet zich haasten om te luisteren, maar traag zijn
om te spreken, traag ook in het kwaad worden. Want de woede van een mens brengt
niets voort dat in Gods ogen rechtvaardig is. Wees daarom zachtmoedig en leg
alle verdorvenheid en elk denkbaar wangedrag af. En aanvaard zo de boodschap
die in u is geplant en die u kan redden.
Vergis u niet: alleen horen is niet genoeg, u moet wat u gehoord hebt ook doen.
Want wie de boodschap hoort maar er niets mee doet, is net als iemand die het
gezicht waarmee hij is geboren in de spiegel bekijkt: hij ziet zichzelf, maar
zodra hij wegloopt is hij vergeten hoe hij eruitzag. Wie zich daarentegen spiegelt
in de volmaakte wet die vrijheid brengt, en dat blijft doen, niet als iemand
die hoort en vergeet, maar als iemand die ernaar handelt; hem valt geluk ten
deel, juist om wat hij doet.
Wie meent dat hij God dient, terwijl hij zijn tong niet kan beteugelen, zit op
een dwaalspoor, en heel zijn godsdienst is vergeefse moeite.
Voor God, de Vader, is alleen dit reine, zuivere godsdienst: weduwen en wezen
bijstaan in hun nood, en je in acht nemen voor de wereld en onberispelijk
blijven
Het woord van God
ligt aan de grondslag van ons christelijk bestaan. Ons antwoord zal er in
bestaan overeenkomstig die roeping te leven. Wij moeten onze eigen woorden
hiermee in overeenstemming brengen en metterdaad het evangelie beleven.
De Heer stelde tweeënzeventig
anderen aan, die Hij twee aan twee voor zich uit zond naar iedere stad en
plaats waar Hij van plan was heen te gaan. Hij zei tegen hen:
'De oogst is groot, maar arbeiders zijn er weinig; vraag dus de eigenaar van de
oogst of Hij arbeiders wil sturen om de oogst binnen te halen.
Ga op weg, en bedenk wel: Ik zend jullie als lammeren onder de wolven.
Neem geen geldbuidel, geen reistas en geen sandalen mee, en groet onderweg
niemand.
Als jullie een huis binnengaan, zeg dan eerst: “Vrede voor dit huis!” Als er
een vredelievend mens woont, zal jullie vrede met hem zijn; zo niet, dan zal
die vrede bij je terugkeren.
Blijf in dat huis, en eet en drink wat men je aanbiedt, want de arbeider is
zijn loon waard.
Ga niet van het ene huis naar het andere.
En als jullie een stad binnengaan en daar welkom zijn, eet dan wat je wordt
voorgezet, genees de zieken die er zijn en zeg tegen hen: “Het koninkrijk van
God heeft jullie bereikt.”
De oogst is groot.
Uit
de Handelingen van de Apostelen
13, 46-49
Paulus en Barnabas zeiden
onomwonden:
‘De boodschap van God moest het eerst onder u worden bekendgemaakt, maar
aangezien u die afwijst en uzelf het eeuwige leven niet waardig acht, zullen we
ons tot de heidenen wenden. Want de Heer heeft ons het volgende opgedragen: “Ik
heb je bestemd tot een licht voor alle volken om redding te brengen, tot aan de
uiteinden van de aarde.”’
Toen de heidenen dit hoorden, verheugden ze zich en spraken ze vol lof over het
woord van de Heer, en allen die voor het eeuwige leven bestemd waren
aanvaardden het geloof.
Het woord van de Heer verspreidde zich over de hele streek.
Gods woord ook voor de
heidenen
Vandaag zegt Jezus ons: 'Als jullie een huis
binnengaan, zeg dan eerst: “Vrede voor dit huis!”'
Wie de Vrede van God wil uitdragen zal eerst deze
Vrede zelf moeten dragen, wat wil zeggen: de Heer dragen.
Wie leeft vanuit de aanwezigheid van Christus, zal een vrede-vol iemand zijn.
Wie zich verwijdert van Christus, verwijdert zich ook van de in hem gelegde
Vrede, en zal nog moeilijk in staat zijn die Vrede uit te dragen.
Laten we ons daarom niet uit Hem verwijderen, maar in Hem blijven, zoals Hij in
ons is.
Laten we het samen-zijn met de Heer koesteren, opdat we zijn Vrede zelf mogen
zijn en kunnen doorgeven
Enkele Farizeeën kwamen op
Jezus af en begonnen met Hem te discussiëren.
Om Hem op de proef te stellen, verlangden ze van Hem een teken uit de hemel.
Jezus slaakte een diepe zucht en zei: ‘Waarom verlangt uw soort mensen een
teken? Ik verzeker u: aan mensen als u zal zeker geen teken gegeven worden!’
Hij liet hen staan waar ze stonden, stapte weer in de boot en voer naar de overkant
Zoals de Farizeeën vragen ook
wij dikwijls om een teken als bewijs voor de zending van Jezus. Toch had Hij
pas twee wonderen verricht: de broodvermenigvuldiging en de genezing van een
stomme. Nu dit nog niet voldoende blijkt, weigert Jezus nog langer op hun
hardnekkigheid in te gaan..
Bij een wonder denken wij al vlug aan een of andere
lichamelijke genezing.
En natuurlijk zijn dat ook wonderen, die - waarom niet - aan ieder van ons
kunnen gebeuren.
Maar het gevaar bestaat er in dat we ons blind staren op dat soort wonderen, en
daarin, en enkel daarin, Jezus' kracht gaan zoeken.
Alle lichamelijke wonderen die ooit gebeurd zijn en
nog zullen gebeuren verwijzen naar een veel dieper wonder, namelijk het wonder
van Gods bestaan, én de wijze waarop Hij bestaat. Hij bestaat als een Drie-ene
God van liefde die liefheeft zoals enkel Hij dat kan. Zijn naam is
'barmhartigheid', 'vrede', 'trouw', 'kruisdood', 'Pasen'. Dat is het wonder van
zijn bestaan.
Het is goed om verwonderd te blijven om Gods
bestaan. Dit houdt ons in het 'gebed zonder ophouden' en het waakt over ons
hart dat op deze wijze niet naar zichzelf gekeerd zal zijn, maar steeds gericht
naar Hem waarvan alle leven komt.
Laten we dragers en uitdragers zijn van Gods
wonderlijk bestaan
De Heer zei tegen Mozes en Aäron: ‘Als
iemand een zwelling, uitslag of een lichte plek op zijn huid heeft die aan
huidvraat doet denken, moet hij naar de priester worden gebracht, naar Aäron of
een van diens nakomelingen. Wie door huidvraat aangetast is, moet zijn kleren
scheuren, zijn haar los laten hangen, baard en snor bedekken en “Onrein,
onrein!” roepen. Zo iemand blijft onrein zolang de aandoening duurt. Als
onreine moet hij apart wonen en buiten het kamp verblijven.'
Melaatsheid,
of huidvraat, schrikt af; haar verwoestingen zijn afstoteljik. De maatschappij
heeft lange tijd geen ander middel gevonden om haar te bestrijden dan aan
melaatsen elk contact met de levenden te verbieden. Om het sociale verbod te
versterken, heeft Israël er nog een godsdienstig verbod aan toegevoegd:
melaatsheid werd aanzien als de straf bij uitnemendheid voor de zonde
Uit
het evangelie volgens Marcus
1, 40-45
In die tijd kwam iemand naar Jezus toe
die aan huidvraat leed; hij smeekte Hem om hulp en zei, terwijl hij op zijn
knieën viel: ‘Als U wilt, kunt U mij rein maken.’
Jezus kreeg medelijden, stak zijn hand uit, raakte hem aan en zei: ‘Ik wil het,
word rein.’ En meteen verdween zijn huidvraat en hij was rein.
Jezus stuurde hem weg met de ernstige waarschuwing: ‘Denk erom dat u tegen
niemand iets zegt, maar ga u aan de priester laten zien en breng het
reinigingsoffer dat Mozes heeft voorgeschreven, als getuigenis voor de mensen.’
Maar toen de man vertrokken was, ging hij overal breeduit rondvertellen wat er
gebeurd was, met als gevolg dat Jezus niet langer openlijk in een stad kon
verschijnen, maar op eenzame plaatsen buiten de steden moest blijven.
Toch bleven de mensen van alle kanten naar Hem toe komen.
De manier waarop Jezus met een melaatse omgaat,
verschilt danig van de primitieve 'wettische' godsdienstbeleving van de Joden.
Hij aarzelde niet de traditionele reinheidsvoorschriften te overtreden door de
melaatse aan te raken om hem te genezen.
Een
melaatse! Melaatsheid was in Jezus' tijd wat vroeger bij ons tbc (tuberculose)
was en wat tegenwoordig kanker is. Het erge van melaatsheid was dat het
besmettelijk was, waardoor degenen die die ziekte hadden, in een isolement
verkeerden, en bijvoorbeeld in gescheurde kleren rondliepen, zodat iedereen het
aan hen kon zien. En als het niet te zien was, moesten ze het laten weten door
hardop te roepen: 'Onrein, onrein!' Zo lang de ziekte duurde, was zo iemand
onrein en moest hij apart wonen, hoorde hij er niet bij. Dat was toen nog veel
erger dan nu. Onze maatschappij is geïndividualiseerd, de mensen leven als
enkeling. Maar toen was de samenleving nog hecht, ze leefden niet volgens het
'ik-patroon', maar als 'wij', wij samen. Het was dus heel erg voor een melaatse
dat hij zich uit de gemeenschap moest terugtrekken, om een solitair leven te
beginnen.
Wij
hoeven niet beslist melaats te zijn om ons een melaatse te voelen, of om
anderen als melaatsen te behandelen. Mensen zeggen wel eens: 'Het lijkt wel of
ik een melaatse voor hem ben.' Of ik ga anderen uit de weg, zij zijn als
melaats voor mij, ik sluit ze buiten. En dan is er nog een soort melaatsheid
waarbij mensen zichzelf buitensluiten. Dat is gewoonlijk een gevolg van een
zichzelf niet kunnen aannemen zoals ze zijn, of bepaalde eigenschappen niet
kunnen aannemen. Als ze een paar mensen zien praten, denken ze al snel: 'Die
hebben het over mij', of als ze iemand zien lachen als ze eraan komen: 'Ze
lachen me uit', of als iemand zijn gezicht vertrekt, zoeken ze de reden meteen
bij zichzelf. Het is niet eenvoudig uit zo'n duivelskring van zelfverwerping en
uitgesloten worden, los te komen. Wie zichzelf afwijst, maakt zichzelf tot een
melaatse.
Zo'n
melaatse komt nu bij Jezus.Eigenlijk mag een melaatse helemaal niet bij
een gezond iemand komen, maar de man kán gewoon niet anders. Hij overtreedt
alle regels die hem zijn opgelegd en hij komt bij Jezus. Eindelijk wil hij wel
eens uit die duivelskring verlost worden. Hoe? Dat had hij zich waarschijnlijk
al menig maal afgevraagd. Opeens schiet het hem te binnen dat Jezus hem kan
redden. Hij, die van top tot teen ziek is, dodelijk ziek, uitzichtloos ziek,
heeft één gave plek: zijn geloof. "Als Gij wilt, kunt Gij mij
reinigen."
Hoe
doet Jezus dat, hem genezen? De evangelist beschrijft Jezus' therapie in vier
stappen: medelijden - hand uitstrekken - aanraken - het genezende woord
spreken. Hij had mede-lijden met de man. Nu staat er in de oorspronkelijke
tekst voor dat woord 'medelijden' een woord dat zoveel betekent als: tot in het
diepst van zijn innerlijk geraakt, uit de grond van zijn hart. Hij reageert
niet zo van: die man is ziek, die heeft een probleem, en omdat Ik God ben en de
macht heb, kan Ik hem genezen. Nee, Hij handelt vanuit zijn medelijden. De
macht van Jezus bestaat uit zijn barmhartigheid. Hij laat het leed van de
melaatse diep in zijn Hart binnenkomen, Hij voelt zijn verbittering, zijn
eenzaamheid en vertwijfeling, Hij neemt er deel aan, Hij lijdt er aan.
Laat
God Zich op deze wijze ook niet als eerste kennen in de heilsgeschiedenis? Is
zijn eerste Woord niet: "Ik heb het schreien van mijn volk in Egypte
gehoord. Ik ken zijn lijden" (Ex 3,7)? En daar wordt niet een abstract
kennen mee bedoeld, een theoretische kennen, maar een hartelijk kennen: Ik vóel
zijn lijden.
Eigenlijk bestaat daarin de gehele genezing van de mens, ons gekend zijn door
God. Alleen al weten van Gods medelijden, dat je in je hart mag voelen hoe je
door God wordt aangevoeld, is voldoende om te genezen. Zegt Jezus ook niet dat
wij dat van Hem moeten leren? "Leert van Mij: Ik ben zachtmoedig en
nederig van hart" (Mt 11,29). Zijn werkelijk mee-voelen: dát is de
bron, daar gaat het van uit, van zijn Hart.
Vanuit
zijn Hart komt er beweging in zijn hand. "Hij stak zijn hand uit",
Hij biedt de melaatse zijn hand aan, steekt hem die toe; Hij biedt hem
relatie aan, Hij overbrugt de grote afstand die er is tussen de gezonde en de
zieke wereld, waarin de melaats door religieuze regels werd vastgehouden. En
nadat Hij dat gedaan heeft, raakte Hij hem aan.
Een
melaatse heeft iets walgelijks, boezemt iemand afschuw in, tot misselijk makend
toe. Franciscus van Assisi heeft eens beschreven hoe hij zich voelde toen hij
een melaatse zag. Hij werd door Jezus, door zijn Geest, uitgenodigd, om hem
niet alleen aan te raken, maar zelfs te omhelzen. Wat hij toen in zich voelde,
was alsof zijn maag in zijn lijf omdraaide. (Wat eerst bitter was, werd
zoet... zo schreef hij later over deze ervaring)
Maar ook een mens die in zichzelf verbitterd is, doet ons terugwijken,
terugdeinzen, want we hebben angst voor die innerlijke radeloosheid waardoor
mensen kunnen worden bevangen. Bang om, door daarmee in aanraking te komen, ook
zelf wanhopig te worden. Bang om niet alleen onze handen te verontreinigen,
maar ook onze ziel. Een soort troosteloos worden door de troosteloosheid van de
ander. We zijn bang dat als we een geestelijk zieke naderen, al het vuil in
zijn binnenste naar buiten zal breken, zijn haat, zijn verziekt zijn, zijn
verbitterdheid, zijn zelfontkenning.
Maar
Jezus kent geen aanrakingsangst. Hij weet Zichzelf zo vast verankerd in zijn
eigen Hart, in zijn betrekking tot zijn Vader, want die gevoelens van
medelijden worden door de Vader in Jezus' Hart opgewekt. Hij werd door
medelijden bewogen, door de Vader, door de heilige Geest van de Vader. Dat is
dan ook van waaruit Jezus het genezende woord spreekt: "Ik wil, word
rein.” Jezus doet in alles alleen maar de wil van de Vader. “Niet mijn
wil, maar Uw wil geschiede" (Lc 22,42).
Wat
betekent dat alles nu voor ons? Jezus' wil is een barmhartige wil. "Ik
wil liever barmhartigheid dan offers” (Mt 9,13; 12,7).
Op die barmhartige wil kunnen wij nog steeds een beroep doen. De Jezus van
tweeduizend jaar geleden is nu onder ons met zijn wilsbeschikking, met zijn
testament, zijn nieuwe testament.
Laten
we Hem welkom heten in onze samenleving, is al wat melaats is, rondom ons en in
ons. En laat ons geloven, laten we ons schenken aan Hem om zijn genezing ten
volle te kunnen ontvangen.
Jezus
vertrok weer uit de omgeving van Tyrus en ging via Sidon naar het Meer van
Galilea, dwars door het gebied van Dekapolis.
Daar werd iemand bij Hem gebracht die doof was en gebrekkig sprak, en men
smeekte Hem om deze man de hand op te leggen.
Hij nam de man apart, weg van de menigte, stak zijn vingers in diens oren en
raakte met speeksel zijn tong aan. Hij sloeg zijn blik op naar de hemel, zuchtte
diep en zei tegen hem: ‘Effata!‘, wat betekent: ‘Ga open!’
Meteen gingen zijn oren open, zijn tong kwam los en hij kon normaal spreken.
Hij beval de omstanders om aan niemand te vertellen wat er gebeurd was; maar
hoe strenger Hij het hun verbood, hoe meer ze het rondvertelden.
De mensen waren geweldig onder de indruk en zeiden: ‘Alles wat Hij doet is
goed: zelfs doven laat Hij horen en stommen laat Hij spreken.’
Marcus ziet de doofstomme als een beeld van de mensheid die zich
afsluit voor de stem van God en niet meer in staat is Hem te loven. Zo gezien
is het betekenisvol dat juist een heiden wordt genezen. Het uitverkoren volk
weigert te zien en te luisteren. De nauwkeurige beschrijving van het ritueel
dat Jezus hierbij gebruikte, roept voor ons het doopritueel op. Bij de nieuwe
schepping, die bij de messiaanse tijden begint, zullen de mensen weer luisteren
in geloof. De tongen zullen loskomen om voor de wereld te getuigen van de
waarheid
In het evangelie van vandaag zien wij aan de doofstomme hoe de
verlossing geschiedt. De doofstomme is het beeld van de mens in zonde. Doordat
de mens niet wilde luisteren, niet wilde gehoorzamen, raakte hij in zichzelf
opgesloten. Het innerlijk gesprek met God staakt: "de mens en zijn
vrouw verborgen zich voor God.", lezen we in Genesis. Jezus leidt de doofstomme buiten de kring van het volk, waar Hij alleen met
hem is, en met Jezus alleen wordt de doofstomme opgenomen in Jezus' verhouding
met zijn Vader: "Hij
sloeg zijn blik op naar de hemel". Hij herstelt de
zonde door het herstel van de ongezonde verhoudingen: Hij verricht het wonder
in afhankelijkheid. Jezus geeft door deze hemelse oogopslag te kennen dat Hij
het leven niet uit zichzelf heeft en dat Hij het verlossende woord niet uit
zichzelf spreekt. Vanuit deze fundamentele nederigheid, vanuit deze
waarachtigheid klinkt het machtswoord: "Effeta, ga open," word
vrij van de machten die een ban leggen op je bestaan, die je opsluiten in
jezelf.
En toch een spreekverbod? Ja, want wat het wonder deed
geschieden, was niet de eigen kracht van Jezus, maar die van zijn Vader: het
was ontvangen kracht. Die dimensie zou in het doorvertellen verloren gaan;
Jezus zou een mirakeldoener geworden zijn, een God zonder nederigheid, geen
Zoon van God.
Op zijn oude dag
verleidden de vrouwen Salomo ertoe andere goden te gaan dienen en was hij de
Heer, zijn God, niet meer met hart en ziel toegedaan zoals zijn vader David dat
was geweest. Salomo zocht zijn heil bij Astarte, de godin van de Sidoniërs, en
Milkom, de gruwelijke god van de Ammonieten. Hij deed wat slecht is in de ogen
van de Heer en was de Heer niet zo trouw als zijn vader David. Zo liet hij op
een heuvel in de buurt van Jeruzalem een offerplaats maken ter ere van Kemos,
de gruwelijke god van Moab, en ter ere van Moloch, de gruwelijke god van de
Ammonieten. Voor al zijn buitenlandse vrouwen maakte hij eigen offerplaatsen,
zodat zij wierook konden branden en offers konden brengen voor hun goden.
De Heer werd woedend op Salomo, omdat hij ontrouw was geworden aan Hem, de God
van Israël, die hem tot tweemaal toe was verschenen en hem uitdrukkelijk had
verboden zich met andere goden in te laten. Omdat Salomo zich niet hield aan
wat de Heer hem bevolen had, zei de Heer tegen hem: ‘Het is met jou zo ver
gekomen dat je het verbond met mij niet in acht neemt en je niet houdt aan de
bepalingen die Ik je heb opgelegd. Daarom zal Ik het koningschap van je
losscheuren en het aan een van je ondergeschikten geven. Maar omwille van je
vader David zal Ik wachten tot na je dood, en pas je zoon het koningschap
ontnemen. En omwille van mijn dienaar David en omwille van Jeruzalem, de stad
die Ik heb uitgekozen, zal Ik je zoon niet het hele koninkrijk ontnemen; één
stam zal Ik hem laten houden.’
De vele contacten van
koning Salomo met andere werelden brachten allerlei mannen en vrouwen naar
Jeruzalem. Door sommige vrouwen werd Salomo verleid ook andere godsdiensten
binnen te laten. Zo bracht hij het Verbond met de éne, ware God in het gedrang
Uit het evangelie volgens Marcus
7, 24-30
Jezus vertrok naar de
omgeving van Tyrus. Daar nam Hij zijn intrek in een huis, en hoewel Hij niet
wilde dat iemand dat te weten zou komen, lukte het Hem niet onopgemerkt te
blijven.
Integendeel, er kwam al meteen een vrouw die over Hem gehoord had naar Hem toe,
en zij viel voor zijn voeten neer. Ze had een dochter die door een onreine
geest bezeten was.
Deze vrouw was van Syro–Fenicische afkomst en geen Jodin; ze smeekte Hem om bij
haar dochter de demon uit te drijven.
Hij zei tegen haar: ‘Eerst moeten de kinderen genoeg te eten krijgen; het is
niet goed om de kinderen hun brood af te pakken en het aan de honden te
voeren.’
De vrouw antwoordde: ‘Heer, de honden onder de tafel eten toch de kruimels op
die de kinderen laten vallen.’
Hij zei tegen haar: ‘Dat hebt u goed gezegd. Ga naar huis, de demon heeft uw
dochter al verlaten.’
En toen ze thuiskwam, lag haar kind op bed en bleek de demon verdwenen te zijn.
Jezus is er voor allen. Ook
andere volkeren kunnen op Hem rekenen. Al namen sommige Joden dit niet, Hij is
goed voor allen. De genezing van de dochter van de heidense vrouw wil dit ook
onderlijnen. Durven wij goed zijn voor iedereen? Ook voor uitgestotenen?
"Op zijn oude dag verleidden de
vrouwen Salomo ertoe andere goden te gaan dienen."... "Het is met jou
zo ver gekomen dat je het verbond met mij niet in acht neemt en je niet houdt
aan de bepalingen die Ik je heb opgelegd. Daarom zal Ik het koningschap van je
losscheuren." Dat
zal pas na Salomo's dood gebeuren, maar het wordt hém aangerekend. Een goede
inzet garandeert nog geen goede afloop. Loopt je leven fatsoenlijk af, dan wil
dit nog niet zeggen, dat je geen verantwoordelijkheid draagt voor de chaos die
na jou losbreekt.
Maar een slechte start leidt nog niet
noodzakelijk tot een slechte finish. Dat bewijst de Kananese vrouw. Haar start
was in elk opzicht ongelukkig: zij was een vrouw, een heidense, zij had een
dochter die door de duivel bezeten was, zij werd door Jezus afgewezen en werd
zelfs een hond genoemd:
"Eerst moeten de kinderen (de Joden)genoeg te eten krijgen; het is niet goed
om de kinderen hun brood af te pakken en het aan de honden (de heidenhonden) te voeren."
Met dit woord heeft Jezus het hart van deze vrouw tot op de grond willen
omwoelen, zodat zij uit het diepst van haar hart haar geloof uitschreeuwt: "Heer, de honden onder de tafel
eten toch de kruimels op die de kinderen laten vallen." Jezus
wil geloof, een ontmoeting met een gelovige. Hij wil geen wonderdaden
verrichten. Hij wil geen geschenken uitdelen, los van zichzelf. In het wonder
wil Hij zichzelf geven. Het gaat niet om de gave alleen, het gaat in de gave om
de Gever.
Daarom beproeft Hij ons geloof, zodat
onze omgang met Hem niet zakelijk zou worden, zaakgericht, omwille van het
eigenbelang, maar persoonlijk, persoonsgericht en belangeloos. Het gaat Hem
niet om een mooie, ordelijke wereld, maar het gaat Hem erom dat Hij met elke
mens, of die nu in een toestand van orde of chaos verkeert, een goede
verstandhouding krijgt. Dat gaat doorgaans beter wanneer in een mensenleven
eerst de chaos de overhand heeft gekregen op de orde.
Nadat Jezus en zijn leerlingen waren overgestoken,
kwamen ze bij Gennesaret aan land en daar legden ze aan.
Toen ze uit de boot stapten, werd Hij meteen herkend.
In het hele gebied ontstond een druk komen en gaan van mensen, die zieken op
draagbedden meenamen naar elke plaats waarvan ze hoorden dat Hij daar was.
Overal waar Hij kwam, in dorpen, steden en gehuchten, legden ze de zieken op
het plein. Ze smeekten Hem of ze ten minste de zoom van zijn kleed mochten
aanraken. En iedereen die Hem aanraakte, werd gered en genas.
Ook in het land van Gennesaret
dreigt Jezus slachtoffer te worden van zijn wonderdaden. Ook in het land van de
heidenen trok Jezus van dorp tot dorp, van mens tot mens. Het heil is voor
iedereen bestemd en zelfs op onvolkomen geloof geeft God antwoord.
Uit
de eerste brief van Paulus aan de Korintiërs
9, 16-19 + 22-23
Dat ik het evangelie verkondig is
voor mij geen reden om te roemen; ik kan niet anders, en het zou me slecht
vergaan als ik het niet zou doen. Als ik het uit eigen beweging zou doen, zou
ik recht op betaling hebben. Maar ik doe het niet uit vrije wil; deze opdracht
is mij toevertrouwd.
Wat is nu mijn loon? Dat ik het evangelie verkondig zonder er iets voor terug
te vragen en dus geen gebruik maak van de rechten die de verkondiging mij
geeft.
Vrij als ik ben ten opzichte van iedereen, ben ik de slaaf van iedereen
geworden om zo veel mogelijk mensen te winnen.
Voor de zwakken ben ik zwak geworden om hen te winnen. Ik ben voor iedereen wel
íets geworden, om in elke situatie althans enkelen te redden.
Ik doe alles voor het evangelie om ook zelf aan de beloften ervan deel te
krijgen.
Paulus verkondigt het evangelie van Christus niet om er loon mee te
verdienen of om geëerd te worden, maar omdat God hem daartoe geroepen en
gezonden heeft. Hij gaat ervan uit dat de overtuigingskracht van een onthechte
verkondiger er des te groter om zal zijn.
Uit
het evangelie volgens Marcus
1, 29-39
In die tijd, toen ze uit de
synagoge kwamen, ging Jezus met Jakobus en Johannes rechtstreeks naar het huis
van Simon en Andreas. Simons schoonmoeder lag met koorts in bed, en ze spraken
met Jezus over haar. Hij ging naar haar toe, pakte haar hand vast en hielp haar
overeind. Toen verliet de koorts haar, en ze begon voor hen te zorgen.
’s Avonds laat, toen de zon al was ondergegaan, brachten de mensen alle zieken
en bezetenen naar Hem toe; alle inwoners van de stad hadden zich bij de deur
van het huis verzameld. Hij genas vele zieken van allerlei kwalen en Hij dreef
veel demonen uit, maar stond ze niet toe om iets te zeggen, want ze wisten wie
Hij was.
Vroeg in de ochtend, toen het nog helemaal donker was, stond Hij op, ging naar
buiten en liep naar een eenzame plek om daar te bidden. Maar Simon en de
anderen die bij Hem waren, gingen Hem vlug achterna, en toen ze Hem gevonden
hadden zeiden ze tegen Hem: ‘Iedereen is naar u op zoek!’ Toen zei Hij: ‘Laten
we ergens anders heen gaan, naar de dorpen hier in de omtrek, zodat Ik ook daar
het goede nieuws kan brengen. Daarvoor ben Ik immers op weg gegaan.’
In heel Galilea bracht hij het nieuws in de synagogen en dreef Hij demonen uit
Simons
schoonmoeder lag met koorts in bed, en ze spraken met Jezus over haar. Wat is Jezus, de onbenaderbare, benaderbaar voor
de kleinen en de zwakken! Wat gaan ze vertrouwelijk met Hem om! Hij láát zich
ook door hen benaderen, niet om zich te laten verheerlijken, maar om hun zijn
barmhartigheid bewijzen en in zijn verrijzeniskracht te laten delen. Hij ging naar haar toe, pakte haar hand
vast en hielp haar overeind, deed haar verrijzen. ’s Avonds laat, toen de zon al was
ondergegaan, brachten de mensen alle zieken en bezetenen naar Hem toe; alle
inwoners van de stad hadden zich bij de deur van het huis verzameld. Hij genas
vele zieken. Wat een overvloed van barmhartigheid!
Paulus lijkt
wel een andere Jezus. Vrij als
ik ben ten opzichte van iedereen, ben ik de slaaf van iedereen geworden om zo
veel mogelijk mensen te winnen. Voor de zwakken ben ik zwak geworden om hen te
winnen. Ik ben voor iedereen wel íets geworden, om in elke situatie althans
enkelen te redden. Waar haalt Paulus de motivatie vandaan? Waar
halen wij de motivatie vandaan om onszelf te geven zonder te ontvangen, zó te
geven dat je er zelf niet beter van wordt, dat je er zelfs niet beter van wordt
in je eigen ogen, dat je linkerhand niet weet wat je rechter doet? Paulus zegt:
Deze opdracht is mij
toevertrouwd, door God. Ik doe het niet uit eigen beweging. De
beweegreden of de beweegkracht ligt niet in mij, maar buiten mij, die ligt bij
God. En als God iemand ergens toe roept, wordt dat waartoe Hij hem roept hem zo
eigen, dat hij niet anders kan. Dat
ik het evangelie verkondig is voor mij geen reden om te roemen; ik kan niet
anders.
Hier ligt het geheim van het evangelie, het geheim van het Rijk Gods. Het is
het geheim van Jezus. Ik doe alles voor het evangelie, ik doe alles voor Jezus,
om ook zelf deel te krijgen aan Jezus, aan het andere leven. Het is delen,
uitdelen, jezelf wegschenken en je daardoor verrijken. Het is je leven
verliezen om het te winnen; vermenigvuldigen door te delen. Je geeft weg, je
houdt niets over, en je wordt er toch beter van. Als je weggeeft, krijg je!
Waar haal je
dat vandaan? Waar haalt Jezus het vandaan? Het evangelie begon met te zeggen
dat Jezus uit de synagoge kwam, Hij doet het dus vanuit het gemeenschappelijke
gebed. En aan het einde van de lange werkdag, vroeg in de ochtend, toen het nog helemaal donker was, stond
Hij op, ging naar buiten en liep naar een eenzame plek om daar te bidden.
Aan het einde van de lange dag gaat Hij weer terug naar het gebed, terug naar
zijn Vader, naar zijn oorsprong, naar zijn roeping, zijn zending.
Als de
leerlingen Hem achterop komen en willen dat Hij mee teruggaat, omdat iedereen
Hem zoekt, antwoordt Hij: Laten
we ergens anders heen gaan, naar de dorpen hier in de omtrek, zodat Ik ook daar
het goede nieuws kan brengen. Daarvoor ben Ik immers op weg gegaan.
Het is dus in het gebed dat Jezus zich zijn oorsprong te binnen brengt. Hij
herbront zijn zending, zijn roeping, zijn motivatie, zijn beweegreden en zijn
beweegkracht en zo blijft Hij vrij van de vangnetten van de mensen, zo raakt
Hij niet in het drijfzand van het succes. Iedereen
is naar U op zoek! Ze willen U. Ze willen U vasthouden.
Bij Paulus is het niet anders. Ook hij handelt vanuit dat zendingsbewustzijn,
vanuit de taak die hem is toevertrouwd door God. Niet om zich vrij te maken
voor zichzelf, maar om zich vrij te maken vóór en zich meer te binden áán
anderen.
De apostelen kwamen weer
terug bij Jezus en vertelden Hem over alles wat ze gedaan hadden en wat ze de
mensen onderwezen hadden.
Hij zei tegen hen: ‘Ga nu mee naar een eenzame plaats om alleen te zijn en een
tijdje uit te rusten.’
Want het was een voortdurend komen en gaan van mensen, zodat ze zelfs niet de
kans kregen om te eten.
Ze voeren met de boot naar een afgelegen plaats, om daar alleen te kunnen zijn.
Maar hun vertrek werd opgemerkt en velen hoorden ervan, en uit alle steden
haastten de mensen zich over land naar die plaats en kwamen er nog eerder aan
dan Jezus en de apostelen.
Toen Hij uit de boot stapte, zag Hij een grote menigte en voelde medelijden met
hen, omdat ze leken op schapen zonder herder, en Hij onderwees hen langdurig.
Marcus beschrijft hoe Jezus de menigte aantrok en
met hen meeleefde. Deze zorg, Gods zorg voor de mensen, ligt aan de basis van
Jezus' onvermoeibare prediking. Ook de apostelen, die zo nauw met Christus'
missionaire zending verbonden zijn, moeten helemaal opgaan in het werk van de
verkondiging, zelfs op ogenblikken dat zij beschouwend bij Hem willen blijven.
De eisen van de verkondiging slorpen hen als mens helemaal op
Koning Herodes hoorde
van Jezus, want zijn naam was overal bekend geworden. Sommigen zeiden:
‘Johannes de Doper is opgewekt uit de dood en daardoor beschikt hij over zulke
wonderbaarlijke krachten.’ Maar anderen zeiden: ‘Het is Elia’, ‘en weer anderen
zeiden: ‘Hij is een profeet zoals die er vroeger waren.’
Toen Herodes dit allemaal hoorde, zei hij: ‘Het is Johannes, die ik heb
onthoofd, die weer is opgestaan.’
Want Herodes had Johannes gevangen laten nemen en hem, aan handen en voeten
geketend, laten opsluiten vanwege Herodias, de vrouw van zijn broer Filippus,
met wie hij getrouwd was. Johannes had namelijk tegen Herodes gezegd: ‘U mag
niet trouwen met de vrouw van uw broer.’
Sindsdien had Herodias het op hem gemunt en wilde ze hem uit de weg ruimen,
maar ze kreeg er de kans niet toe, want Herodes had ontzag voor Johannes, omdat
hij wist dat hij een rechtvaardig en heilig man was, en hij nam hem in
bescherming. En hoewel hij altijd in grote onzekerheid verkeerde als hij naar
hem geluisterd had, bleef hij hem toch graag horen.
Op een keer deed zich echter een gunstige gelegenheid voor, toen Herodes op
zijn verjaardag een feestmaal gaf voor zijn hovelingen en de hoge militairen en
de voornaamste inwoners van Galilea. De dochter van Herodias kwam binnen om
voor Herodes en zijn gasten te dansen, wat bij hen erg in de smaak viel. De
koning zei tegen het meisje: ‘Vraag me wat je maar wilt, en ik zal het je
geven.’ En hij bezwoer haar: ‘Wat je ook vraagt, ik zal het je geven, al was
het de helft van mijn koninkrijk!’
Ze ging naar haar moeder en vroeg: ‘Wat zal ik vragen?’ Haar moeder zei: ‘Het
hoofd van Johannes de Doper.’
Haastig ging ze weer naar binnen, stapte recht op de koning af en zei tegen
hem: ‘Ik wil dat u me nu meteen op een schaal het hoofd van Johannes de Doper
geeft.’
Deze vraag bedroefde de koning zeer, maar hij wilde het haar niet weigeren
omdat hij in het bijzijn van zijn gasten een eed had gezworen.
Hij stuurde iemand van zijn garde weg met het bevel hem het hoofd te brengen.
De soldaat ging naar de gevangenis en onthoofdde Johannes. Hij bracht het hoofd
binnen op een schaal en gaf het aan het meisje, en zij gaf het aan haar moeder.
Toen zijn leerlingen hiervan hoorden, gingen ze zijn lijk halen en legden het
in een graf
Jezus'
optreden wekte verschillende reacties. Iedereen, ook ons, stelt Hij voor de
vraag naar zijn persoon. Koning Herodes die Johannes de Doper op een
schandelijke manier had geofferd voor een meisje, dacht dat deze Johannes weer
was verrezen toen hij hoorde over Jezus. Uit dit verhaal over de dood van
Johannes de Doper blijkt duidelijk hoe moeilijk het is om met de waarheid over
zijn eigen leven geconfronteerd te worden. Alle middelen zijn dan goed om het
gezicht te redden.
Ik ben LUC, en gebruik soms ook wel de schuilnaam Lucky.
Ik ben een man en woon in Moorsele (belgie) en mijn beroep is Rust.
Ik ben geboren op 30/12/1952 en ben nu dus 60 jaar jong.
Mijn hobby's zijn: computer,photoshop,Muziek.
ben gehuwd met fabienne
Dit gedicht is voor jou! Als je je alleen voelt je hart gebroken is of bezeerd als je bang bent voor wat komen gaat als je lief hebben hebt verleerd als je jezelf niet durft te zijn als je verteerd wordt door verdriet dan is dit gedicht voor jou want God vergeet je niet Hij wacht op je hij kent je vragen Hij zegt: “geef mij je last, dan kunnen we het samen dragen”. En langzaam zul je merken daar kun je van op aan, dat jij alleen nog je rugtas vasthoudt de inhoud is naar Hem overgegaan Als je je bedrogen voelt eenzaam en heel klein als je door de bomen het bos niet meer ziet en er misschien zelfs niet meer wilt zijn als je verstrikt zit in de netten van de zonde en niet weet hoe je daar uit moet geraken dan is dit gedicht voor jou Jezus zal het in orde maken Hij weet als geen ander hoe pijn voelt en wat een mens soms moet doorstaan Voor jou en mij is Hij uit liefde door enorm zware beproevingen gegaan Hij kijkt naar jou met een bewogen hart en een liefdevolle blik in Zijn ogen en wacht tot je Hem vragen zult je tranen te gaan drogen Dit gedicht is voor jou. Waarom? Is misschien je vraag. omdat God ontzettend van je houdt, grijp toch Zijn uitgestoken hand vandaag….
Afscheid nemen is verdrietig, afscheid nemen is niet fijn afscheid nemen is iemand verlaten bij wie je graag zou willen zijn.
Afscheid nemen is die blik vol liefde en die aai over je bol afscheid nemen zijn die tranen je schiet er helemaal van vol.
Afscheid nemen zijn die woorden "Ik hou van jou, dag lieve schat. Je bent altijd bij me, want jij zit hier, diep in m'n hart."
Soms is het afscheid maar voor even soms voorgoed of voor een lange tijd maar wat je samen hebt mogen beleven dat raak je echt, nee nooit meer kwijt.
Parel
Je bent een parel, die zeer kostbaar is je naam staat onuitwisbaar in Mijn hand geschreven. Ik heb je zelf gemaakt om tot Mijn eer te leven je bent een parel, die zeer kostbaar is.
En eens zal Ik je roepen aan Mijn zij Mijn kind die roeping is zo hoog verheven. Uit liefde gaf ik jou Mijn eigen leven, ja, eenmaal zul je stralen aan Mijn zij.
Je bent nu nog op reis, het einddoel is in zicht, houd Mij maar stevig vast en luister naar Mijn stem. Aan d’einder gloort het nieuw Jeruzalem, daar zul je eeuwig leven in Mijn licht.