NIEUW: Blog reclamevrij maken?

 photo IMG_0055_zps32dd53bc.jpg

 

 

 

Wat er nog op komst is.

 

Geschiedenis  mosselvaart
Mechelen 


Mechelse schippers II

Gedicht op gevel

Mechelen

 

Mechelen web van straten

voorzien en,                       

er middenin, kerk en toren,

als dikke kruisspin,

en ik dan die van deze stad

niet af kan, en haar gelaten

overal met mij mee draag,

alsof het altijd herfst zou zijn

alsof het altijd stil en ik weet

niet waarnaartoe zou zijn

ach wat

een verdriet is het om van deze stad te zijn, den toren is zo groot, en ik

maar eigenlijk toch niet hoor

ik blijf hier eeuwig klein.

 

Dirk Verbruggen

 

Melaan

 

 

Inhoud blog
  • De stad Mechelen nu en vroeger
  • Duiding
  • MONUMENTEN
  • Mechelen vandaag.
  • Filosoferen in Mechelen
  • Baggerwerken op de Mechelse Dijle
  • Het Groot Stedenproces (2)
  • Het Groot Stedenproces (1): een visie
  • Karel de Stoute mengt zich in de Rozenoorlog
  • De Winketbrug
  • Scheepswerven te Mechelen in het ancien regime.
  • Tigris en Dijle
  • De sierlijkheid van zeilschepen(sfeerbeeld)
  • Lucas Fayd'herbe (1617- 1697)
  • Margareta van Oostenrijk aan het Spaanse Hof
  • Leeuwse en Diestse getuigen over de ketting van de Zenne
  • De Zenne
  • Stapels concreter: Filips de Goede (3)
  • Havenzegel Mechelen
  • Stapels concreter: Filips de Goede(2)
  • Stapels concreter: Filips De Goede (1396+1467 ) 1
  • Het Spaans hospitaal te Mechelen
  • Jan II hertog van Brabant gaat Engelse koning Mechelen presenteren
  • De Mechelse schippers (1)
  • De jeugdstormen van Margareta van Oostenrijk
  • Laat de goederen maar komen!
  • Stapels concreter: De Bourgondiërs
  • De kordewagenaars
  • Stapels concreter 2: Lodewijk van Male
  • Stapels concreter: De Berthouts
  • Accijnsontvangsten Mechelen en Antwerpen.
  • Kraanwerk
  • Van karvelen, wijn en Floris Berthout
  • De haven en de Trygelaers
  • De Volkswagen van de scheepvaart in het ancien regime
  • Aan de kade: van schepen aan de kade tot wandelponton
  • De bevrijdingsstrijd van Mechelen in 1303(2)
  • De bevrijdingsstrijd van Mechelen in 1303 (1)
  • De bevrijdingsstrijd van Mechelen in 1303 (inleiding)
  • Mechelen bevoorrecht in de geschiedenis
  • Christiaan II van Denemarken en Isabeau van Habsburg(4)
  • Christiaan II van Denemarken en Isabelle van Habsburg (3)
  • Het leven van Christiaan II en Isabeau van Habsburg (2)
  • Christiaan II van Denemarken en Isabeau van Habsburg(1)
  • HET MECHELSE LAKEN
  • De Vismarkt
  • Bourgondische en Habsburgse portretten
  • Joos de Rijcke
  • KV Mechelen
  • Kapers en piraten
  • De Zoutwerf
  • Aan de Kraanbrug
  • De kraan aan de Kraanbrug
  • Ik zit hier graag bij mijn oude tantes
  • Mijmeren aan de Haverwerf
  • Margareta van Oostenrijk
  • Mechelse unieke plaats in de scheepvaart
  • Mechelse geschiedenis in 't kort
  • Tolhuisje aan de Hoogbrug
  • De Vlietjes
    Zoeken in blog

    Categorieën
  • Algemeen (2)
  • Buiten klassement (0)
  • Cijfers (1)
  • Figuren (3)
  • Havenambachten (4)
  • Kaaien (7)
  • Kraan (3)
  • Mechelen over de grenzen heen (1)
  • Mijmeringen (3)
  • Om niet te vergeten (10)
  • Paleizenstory (8)
  • Rond het onderwerp (4)
  • Scheepvaart (6)
  • Sfeer (1)
  • Stapels (10)
  • Geldwaarde

    1775

     

    1 gulden =20 stuivers

    1 stuiver = 4 oorden

    1 oord    = 20 negen-mannekens

     

    Het jaarloon van een metselaar bedroeg in die tijd

       5.280 stuivers  of 264 gulden

     

    Gegevens op basis     Antwerpse lonen gezien.

    die van Mechelen niet

    gekend zijn

    (Uit Remue Isabel, verhandeling VUB 200 -2001-SAM/ M10080.b

     

     




    Sluit aan bij Facebook  stadsarchief   Mechelen

    Sluit aan bij Facebook
    archeologie Mechelen












    Sluit aan bijstadsarchief   Mechelen

    Archeonet

     

     




     

                 
               

    OVER KERKEN EN INTERIEURS
    Sint- Pieter en Paul
    Sint- Rombouts
    e.a.

     



     


    Uploaded with ImageShack.us
     

     


     

    Mechelen kende een conflictrijke havengeschiedenis 

     

    Anno 1250

     

     

     

    Vergane glorie

     

    De  kraan die zoveel dienst klopte

     De Dijle vanaf de Waterpoort tot aan de

    Kraanbrug in de 15e eeuw

     

     

     De Dijle vanaf de Hoogbrug richting molens. Bemerk de schuilhuisjes langs de kade voor kruiers en zoutdragers.


     
    ****
     

    ex:http://www.vaartips.nl/zeevaart.htm

     

    Als de zee woest is moet
    het schip de kracht
    van haar woedegolven
    doorbreken
    en ze 
    telkensweer
    doorklieven. 
    Zo wint het schip
    het van de woeste
    zee!
    full screen
    ex: wimp.com

    De geschiedenis levert een volk dromen, bedwelming, vervalste herinneringen en grootheidswaanzin.

    P. Valéry ex "Eindelijk buiten" van Ann Meskens(Lemniscaat)


    Gedicht op gevel

    Als de zon schijnt jeukt het park van

    Oude vrijsters en verschaalde heren

    en het kind dat ijswafel morst

    wordt geslagen door verhitte ouders.

     

    Het monument staat er geschonden bij;

    in de vijver knoeit iemand op blote voeten

    een agent heeft zijn geolied fietsje

    tegen een boom gezet en maakt verbaal.


    Later veel waakvlam van zonsondergang 

    in de nog bijna kale boomkruinen;

    de tolerante hekken dicht om halftien.

     

    Wie zich heeft laten insluiten sluipt

    met bonzend hart door een plantsoen

    grond en schimmel schuiven langs zijn voeten.

     

    Peter Ghysaert


     

    Monumenten van mensen

       

      

    Via vlak bovenstaande link kan u in de linkse menu, rubriek luisteren,  ee  stuk  beiaard-muziek kiezen en laten afspelen en mits terug klikken deze blog verder bekijken.  

     
     




    Haverwerf

    Gedicht op de gevel

    De plek

     

    Je moet niet alleen, om de plek te bereiken,

    thuis opstappen, maar ook uit manieren van kijken.

    Er is niets te zien, en dat moet je zien

    om alles bij het zeer oude te laten.

     

    Er is hier. Er is tijd

    om overmorgen iets te hebben achtergelaten.

    Daar moet je vandaag voor zorgen.

    Voor sterfelijkheid.

     

    Herman de Coninck

    Aan refugie van St-Truiden
    Stassartstraat

    *****

    De raadsheren van de Grote Raad van Mechelen waren steeds druk bezig met de vis-, haver- en zoutproblemen.

    Klokkenwerpen Special

    Mechelen altijd goed beschermd geweest met al die hemelse figuren, kloosters en kerken.

    Rond Pasen! Als ze dat Mechels maar in Rome verstaan.

    Carolus en nog eens carolus. Keizer Karel kon het bier niet laten. Zelf brouwde hij bier in een hoekse van het klooster waar hij zijn laatste dagen sleet.

     

    Als eer aan de ooit wijd vermaarde, enige echte, dikke coucou de Malines of simpler gezegd de Mechelse koekoek. Voor de Vaderik eens wat anders dan brood. Zal hij zijn luiheid opzij zetten?  

     

    ****

    Hoofdpunten blog noezfirst
  • VOORWOORD
  • OOSTENRIJKSE SUCCESSIEOORLOG
  • De slag te Fontenoy 11 mei 1745
  • Adriaan Noëz, hij kwam met een heel leger naar Mechelen
  • Uit de huwelijksakte van Adrianus Noëz en Maria la Fors
  • Het gezin Noëz - La Fors
  • Het huis de Poorte aan de Keizerstraat
  • Schepengriffie 1777
    Hoofdpunten blog noezenstadeen
  • Een stadskrant uit 1775
  • Een greep uit wat de kroniekschrijvers noteerden.
  • Met de koets van Antwerpen naar Mechelen. Anno 1775.
  • Over bier gesproken...
  • Hoe belangrijk was het jaar 1775 voor Mechelen ?
  • Bouwwoede
  • De strijd tussen jezuieten en oratorianen
  • De eerste bouwplannen van de wagens.
    Wil je iets kwijt ?

    Een vraag,een opmerking of zo maar,het kan allemaal.

    Gastenboek
  • Ben is op bezoek geweest. (I like it)
  • Felix Bongers Web Page
  • Wandelgroetjes uit Borgloon
  • blog
  • Wandelgroetjes uit Borgloon

    Schrijf eens wat je denkt over die stad Mechelen ?

    Nieuws Virusalert

    Geschiedenis familie Bellon

     
    Mechels Glorie
    Monumenten
    05-11-2012
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Scheepswerven te Mechelen in het ancien regime.
     

    1836

    “Het is in dit jaar  dat de burgemeester  De Perceval  de weerde van onze rivier waardeerde en in de gemeenteraad de noodzakelijkheid bewees van de handel  in onze stad te doen groeien,  gedacht dat M.De Cock op het zelve jaar, in het Mechels  Bericht, krachtdadig  ondersteund , vervolledigd  met het ontwerp eener  zeehaven, later door de Engelse ingenieurs  Gordon en Atherton overgenomen en verbeterd.  Nochtans geen besluit werd ten uitvoer gebracht en onze stad verviel weer in haar eerste machteloosheid. De scheepstimmerij verdween, de zeehandel  ging teniet, en men verloor zelf het geheugen van het vroegere welzijn."

    Uit De  Zeevaart  te Mechelen(1)


    Rechtsonder: Scheepswerven aan de boorden van de Dijle even voorbij de Winketpoort-  een gravure naar een schets van Joris Hoefnaegel uit G.Braun en F.Hoyenberg, Civitatis Orbis terrarum, Liber Primus,, Keulen, 1575. Uit Mechelen, Historische Stedenatlas van België, Gemeentekrediet -Dexia (SAM)




    Mechelen in de maritieme geschiedenis



    Het Mechelen van het ancien regime leefde zonder enige twijfel van de scheepvaart. Het begon al vroeg. De fameuze Hoogbrug uit de 13e eeuw zal er nog niet hebben gelegen. Was men bezig de tweede omwalling te bouwen, toen men aan de Lange Schipstraat, grote platbodems aan het bouwen was om naar Engeland te varen? Timmerde men op de Korte Schipstraat kleinere schepen om de Balegemse steen te transporteren nodig voor de opbouw van de nieuwe stadsmuur? Waren die straten toen kaaien en lag daar het haventje van Mechelen tijdens de periode van de eerste omwalling? Eb en vloed hadden nog geen invloed op de Dijle. Men hing af van de hoeveelheden neerslag om de binnenwateren te doen zwellen en zullen er tijdens de zomer op de rivier binnen de stad doorwaadbare plaatsen zijn geweest.
    In het jaar 1273 loste men hier reeds 1.776 wolzakken(2) en moeten er hier stapels hout zijn aangevoerd voor de woningbouw. Begonnen Mechelaars toen al schepen voor andere steden te bouwen? 

    Kroniekschrijvers spraken reeds over een "veerhuys" einde 13e eeuw waar men laken stapelde om per schip uit te voeren. Uit de kronieken van Azevedo komen we te weten dat de ‘scepmaekers’ zich in 1316 verenigden in een ambacht. Eind 14e eeuw is hier ene Rumoldus Van Baesrode die een erf bezit op de Dijle buiten het Winket in een straatje dicht bij het klooster van de nonnen van Blijdenberg en dicht bij de erven van Arnold Nouts en Willem Cornelis. Ze noemden toen het straatje de Pissestraat(3) wat nu de Spreeuwenhuisstraat is !


    De scheepswerven bevonden zich oornamelijk op de linkeroever van de Dijle, even buiteh het Winket. Ook op de rechtoever lag een klein gebied waar scheepsmakers hun vak uitoefenden, zoals op het Veer, Dobbelhuizen, Plankstraat.


    In het jaar 1424 melden registers van het Muizenklooster(4) scheepswerven aan de Winket nabij de Kleine Holm of de Bethaniënpolder, de wijk boven de Spreeuwenhuisstraat – Blickx-, Van de Woetijne-, Alfred Ost-, en Frans Broerstraat- Daar is er sprake van scheepsbouwers Peter Bertels en Willem Van den Vliete en moet er een groepje, op een klein beemdeken(5), "scepmaeckers van het Winket" hebben gewerkt.

    De maritieme encyclopedie leert ons dat tijdens de tweede helft van de 15e eeuw Antwerpse bevrachters vele van hun riviergaande vaartuigen in andere steden als in Brussel en in het bijzonder te Mechelen kochten. Deze handel maakte van Mechelen het belangrijkste scheepsbouwcentrum(6).
    Ook de Mechelaars hadden hun verkoopstand in Antwerpen.xml:namespace prefix = o />

    Feit is dat de handelsbalans voor Mechelen er heel gezond uitzag. Men kocht bij de Mechelaars meer schepen dan men er verkocht (7).

    Tussen 1398 en 1480 betaalde men gemiddeld plus minus 25 Groten Vlaams (G.VL) voor een rivierschip.

    Dankzij Asaert hebben we wat loonfiches om te vergelijken; een metselaar-vrijknaap verdiende rond die periode zo’n 6 ponden G. Vl., een stadwisselaar verdiende al 12 ponden G. Vl. en de tollenaar in ons tolhuisje had zo’n 16 ponden G. Vl. Diezelfde Asaert meldt ons dat je vanaf 4,11 pond G. Vl. het kleinste scheepje had. Dat was dan een schuit. Wou je een hulk, een heus zeeschip moest je minstens 126,15 ponden G.Vl. uit je geldbeugel weten te toveren. Een karveel, wellicht de kleinere soort, stond 54 ponden G. Vl. De kogge, de pleit en heude had je tussen de 12,5 en 15.13 ponden G. Vl.

    De Mechelaars bouwden, half 15e eeuw, voor de Antwerpenaars een 44 tal schepen. Het betroffen de meest klassieke modellen als koggen, pleiten, heuden. Vormen als een emer, een zoys, een kraaier, ankerschip, hadden blijkbaar wat minder succes bij de kopers.

    Van de zoys geeft Asaert afmetingen. Het schip mat 19,50 meter lang, was 2.50 m breed en lag 1 meter diep en kon een massa van 20.250 kg aan boord nemen. Deze boot zou zijn succes kennen in het Waasland o.a. op de Durme.

    De kraaier moet een zeeschip zijn geweest, die tussen 1300 en 1460 op onze wateren voer en te vergelijken was met een kleine kogge. Ze schenen geschikt om naar Engeland te varen. Ze hadden evenwel geen kiel.

    De Mechelaars bouwden ook karvelen.

    "In het jaar 1412 lagen te Saeftinghe en Caloe twee bargien en een galoot gewapend met 200 Mechelse borghers om te beletten dat er geen graan in Antwerpen kon worden ingevoerd." Over die galoot, of galjoen zijn we niet zeker. In de literatuur is er meermaals verwarring in de scheepsbenaming van dit  scheepstype. Zo benoemt men het galjoen als een hulk dan weer een karveel. Voor onze streken houdt men het voor de aangegeven periode  eerder op handelskarvelen waarvan er kleine modellen bestonden. Men had van dit type schepen roei – en mastschepen. In de Nederlanden is er sprake van een karviel, een smal-en wijdschip . Ze kwamen in gebruik toen men de schepen gladboordig ging maken in navolging van de Spaanse en Portugese karvelen. Daarom is het nodig ons bescheiden op te stellen in verband over de grootte van de vaartuigen die dienst moesten doen op onze binnenwateren (8).  Nu  we het over scheepswerven hebben moeten we ons bescheiden opstellen in verband met de grootte van de vaartuigen die dienst moesten doen op de binnenwateren. De bootjes die men maakte waren dus klein. Vandaar hou ik het liever op modellen zoals het karvielschip.(9) (foto) blz 18. Het zal eerder uitzondering geweest zijn dat men hier in Mechelen en omstreken drie en viermasters heeft gebouwd. De zeereuzen van toen waren dwergen in vergelijking met zeilers die we te zien krijgen op de Tallshipraces, zoals onze Mercator, als de Vespucci, als de Sagré...

    De gebouwde schepen waren dus verhoudingsgewijs klein en beter aangepast voor gebieden die overstroomd konden geraken. De lage prijs per eenheid weerspiegelde dit. De constructie ervan eigende men daarom toe aan kleine havens, zoals die van Mechelen en Brussel (10). 

     

    Dit is een galdboordige wand, bekomen door de planken tegen elkaar te monteren. Enkele karvielschepen bij elkaar. Merk het achtersteven dat schuin opwaarts gaat.(zie vootnota 9) Dit is een overnaadse wand bekomen door de planken elkaar te overlappen.


    C. Pleyte, laat ons een document na over de maat van een voet, de meeteenheid die men  in de bouw en scheepsmakerij hanteerde in het ancien regime. Opvallend is dat zowat alle steden een verschillende  lengte van voet hadden. Opmerkelijk hoe Mechelen tussen grote steden staat als Maastricht, Londen en Parijs.


    Uit Pleyte CM. DE Pleit Historisch overzicht ex Scheepvaartmuseum Het Steen D. 2857.
    Dit gegeven kan nog auteursrehterlijk zijn beschermd. Heb geen volledige gegevens via de digitale camera overgenomen.



    Vanaf  1541 tot 1598, geeft de J. Stürler zo’n 30 scheepsbouwers met naam en toenaam op. De meesten vinden we opnieuw terug buiten het Winket. Blijkbaar  ook nabij de Nonnenpoort dicht tegen het klooster  van de nonnen van den Blijdenberg.  In het jaar 1569 klagen de zusters over schade aan hun achtermuur. Ook de weg naar de scheepswerf scheen in slechte staat te zijn en is er  daaromtrent, in 1584, een klacht van de bootmakers naar het stadsbestuur toe.

    Er is veel werk aan de orde.  Er lagen stapels hout op de werven. Gezien de werklieden en de ambachtslui bij zonsondergang hun  werkplaatsen aan de rand van de Dijle  verlieten  om  in de geborgenheid van de stad te gaan overnachten,  konden  grijpgrage lieden gemakkelijk  aan het geboomte.  In 1598 klagen de  bij de Winket uitbatende scheepsmakers  veel over diefstal van hout.  De Mechelse stadsambtenaren wilgden de klacht in en beloofden in de nabijheid van  de aldaar gelegen kalkbedrijfjes  een klein fort te bouwen  waar soldaten  ’s nachts de wacht  zouden komen  houden.  Bovendien besliste men om, tijdens de werkuren, enkele soldaten  een oogje in het zeil te laten houden vanop de Winketpoort.  Er is dus veel werk in die periode. Men stelt de bouw van het fort uit en geeft de stad toelating aan Balten Vercluyssen om zijn nieuw schip te maken  aan de Tichelrij. Die Balten had een belangrijk bedrijf en bracht het binnen het ambacht tot Deken. Uit deze feiten mag men redelijkerwijs aannemen hoe belangrijk het ambacht van de Mechelse  scheepsmakers wel was. Het fortje kwam er evenwel anno 1618. Ook toen leken beloften moeilijk waar te maken. Het moet burger  Van Huysingen geweest zijn die nogal hoge eisen had  gesteld om die militaire versterking  te  bouwen op zijn beemden.

    Zoals in de huidige automobielsector ook regelmatige een nieuw type wagen uitkomt,   zo stelden de Mechelse   scheepsconstructeurs   voor in hun Rolle van 1611 een  nieuwe pleit en een nieuwe heude te bouwen.  Het waren maar projecten. In 1618 moeten de mensen eens gaan zien naar het nieuwe model van  de pleit die op de zaad staat buiten het Winket. Terloops,  heel verder in de geschiedenis maakt notaris Walravens in een akte van 3 april 1776 melding van de  verkoop van het schip Dortschen Vries liggend op  de scheepstuin van de  herberg De Nieuwe Heude van Brussel. Doet dit vermoeden dat  die Heude van Brussel hier in Mechelen is gebouwd geweest?
    De Mechelse handelsvaart floreert blijkbaar goed in de 17e eeuw. We zien de  schippers zich installeren  op de Tichelrij “tussen de Drij Rooskens en de Gauwblomme, St- Christoffel wesende twee” . Dat moet nodig geweest zijn gezien het “ambacht seer vele in getalle van volcke is!”

    Rond de jaren 1640 timmeren Jacques Leunis en Michiel Vleminckx op het  Veer  boten in elkaar terwijl dichter bij de Dijle, wat nu het Tuinstraatje is, of wat er nog van overblijft, de scheepsmaker Cornelis De Hagelere zijn scheepstuin had.  Op datzelfde Veer, grenzend aan Dobbelhuizen stond het Puyselmanshof, eigendom van Jan Puyselmans. Het Tuinstraatje noemde men toen het Puyselmanstraatje.  Deze scheepstuin bleef actief tot 1797. In een scheepsakte van 1647 staat te lezen: ‘de helft van den Thuin ende Huyse daarop staende, genaamt  Puyselmanshof, gelegen neffens de riviere de Dele bij het Winket. Na 1797 werd het Puyselmanshof opgesplits, waarvan één deel in gebruik genomen werd door scheepsmaker Joannes Baptista Staessens. Of wat de Stürler ons nauwkeurig weet te vertellen.

    19e eeuw

    In het jaar 1810 moet er een scheepstimmerij zijn geweest intra muros  van de stad Mechelen. Tijdens die periode kalfaterde men Ernest, de pleit, op, een 97 ton wegend schip. Deze bekende Mechelse boot kwam verschillende malen op het droge om herstellingen te laten uitvoeren en zou zowat de nestor worden van de toenmalige Mechelse vloot(11).

    De topper  in de scheepsbouw,  tijdens dit tijdvak, komt op naam te staan van de familie Bosmans. Deze scheepsmakers brengen spektakel in de stad. Ze lieten  er tamelijke kanjers van schepen van stapel lopen. De Bosmanswerf bevond zich aan de Dijlerand vlak voor Dobbelhuizen, maar  waren ook bedrijvig buiten het Winket. 

    Het is boeiend even te blijven stilstaan bij de opbouw van een zeiler en het herstellen van schepen. 

    In heel de voorliggende periode hebben we weinig informatie hoe men binnenvaartschepen construeerde. Scheepsmakers maakten geen tekeningen van hun creaties. Hun modellen zaten in hun hoofd. Gezien er veel scheepsbouwers en timmerlieden waren kon de stiel gemakkelijk van zoon op vader worden doorgegeven.  Men bouwde uit ervaring. We kunnen ons terecht de vraag stellen of er wel twee identieke pleiten van een bepaald type rond zeilden. Hier en daar moeten er verschillen zijn geweest.  Gelukkig waren er modelbouwers  die thuis op hun kast een zeilscheepje uit hun tijd hadden staan.  Bepaalde kapiteins zullen wel al te graag in hun woning  gepronkt hebben met een sjabloon van hun boot. Wellicht de reden waarom ons niet zoveel concepten van binnenvaart-bootjes uit het ancien regime zijn nagelaten tenzij in bepaalde musea.  De meeste vaartuigen hadden niets historisch te vertellen. Ze waren louter gebruiksvoorwerpen waarmee schippers  hun dagelijks brood verdienden en men er niet aan dacht hun modellen in de geschiedenis te stoppen. Wie zou er nu aan denken een schamele Mechelse schuit op een koperplaat te etsen?  We kennen eerder de zeilers zoals die van Columbus, de Victory van Nelson, de Batavia, de zeiler US Constitution.  De vorm van de Titanic zal voor eeuwig te zien blijven.  Anderzijds hebben we schilders zoals een Pieter Brueghel die ons zeeschepen van uit zijn tijd op doek plaatste en alzo een hulk, een karveel met alles erop en eraan liet zien. De Engelse schilder Turner bekoorde ons ook met zeilers en met taferelen in havens.  Hollanders en Zeelanders lijken zodanig bezeten te zijn geweest over hun zeevaart dat ze ons vandaag gul verwennen kunnen met gravures over grote zeilers en havenzichten en we tevens zicht krijgen op hun verschillende modellen binnenvaartuigen.  Niet verwonderlijk, onze Noorderburen hebben nu eenmaal een unieke zeevaartsuprematie gekend.

    Wellicht hebben Mechelaars, tijdens de periode dat Mechelen  hoofdstad was van de Nederlanden, heel wat opgestoken van scheepsmodellen. Ze zagen hier op de Schelde , de  Rupel, de Dijle, de Zenne, de Nete heel wat  Hollandse en Zeelandse vaartuigen voorbij zeilen en of aanleggen aan één of andere kaai, terwijl Mechelse schippers tot heel diep in Noord- Nederland voerden.  

     

    De Bosmans activiteiten(12)

    In het jaar 1811 timmerden de Bosmansen het zeilschip Diana in elkaar, een eigen product. Het schip had maar een kort leven aangezien het drie jaar later voor de kusten van Scheveningen schipbreuk leed en verging.

    Vervolgens liep de Espérance van stapel een pleit die tot de jaren 1857 bleef varen.

    De leden van de familie waren professionele zeescheepsbouwers. Nochtans ook zij kregen te maken met  werfongevallen.  Het ergste gebeurde bij het aftuigen van de zeepleit “De Arend”, eigendom van Rens uit Boom.  Bij het losmaken van de staande wanden rond de hoofdmast donderde die door zijn innerlijke kanker naar beneden en  sleurde daarbij een arbeider de dood in.

    Na een moeizaam herstel veranderde men de naam van het schip in “Maria”.  Het ongeval zat blijkbaar in de genen van het hout. Het schip verging bij één van de eerste reizen voor de kusten van Dublin.

    Was het moedeloosheid of gebrek aan geld, een hele decade lang lag de werf van de familie stil.

    Pas op 6 mei 1826 zien de burgers buiten het Winket, aan het Derde huis, Bosmans opnieuw met hout aansleuren. Het schip dat op stapel stond zag er vrij groot uit en zou, zo schrijft Bernaerts, een inhoud krijgen van 200 ton.  Drie jaar zou het duren alvorens de boot, een Brik, klaar was.  Om het gevaarte in het water te krijgen groef  men een diepe gracht die, naar wij vermoeden, naar de Dijle leidde.  Het werd, onder de naam De Phoenix, met groot enthousiasme  en met veel feestgedruis te water gelaten.  Het schip mocht er zijn. Robuust, een sterk uit de kluiten gewassen zeebonk.  Het was evenwel niet onmiddellijk een sierlijk kijkstuk.  Het schip moet eenieders aandacht hebben getrokken. De Antwerpenaars noemden de creatie het  Mechels wonder. Op zee gedroeg De Phoenix zich stabiel en liet zich gemakkelijk onder zeil brengen. Na zijn maidentrip besloot men echter het schip lichter te maken en hem om te vormen tot een schoener.  Het  was niet ongewoon dat men toen, schepen kleiner en of groter maakte en daardoor  andere  types van vaartuigen werden.  Volgens de uitleg van voornoemde auteur, zou de Phoenix nog eens zijn herbouwd tot een koff- schip. Volgens scheepstand(7) bleef de Phoenix in de vaart tot de jaren 1874 en werd het toen één der oudste schepen van de Belgische marine. 

    Een oude stiel herontdekken.

    Het is een spektakel hoe men houten schepen bouwde, op welke wijze men masten plaatste, hoe men allerlei reparaties verrichtte, hoe men de huidplanken met bossen riet verhitte om ze pas te maken op de romp. Het was toen een hele klus, een zware arbeid.


    Hier ziet men scheepsmakers die aan het breeuwen zijn, of naden aan het dichten zijn met pek en vezels. De andere is met bossen riet de huidplanken aan het verhitten om ze proper te maken of de plank te laten krommen. De dag vandaag hebben we machines om het hout door te zagen. Toen was het een zware en tijdrovende klus. Spektakel wanneer men een grote mast in het schip diende te plaatsen. De houten kraan die men daarvoor maakte gelijkt op onze hedendaagse telescopische heftuigen.
    foto's (13)

    Ik heb genoten van Wim Vos die in onderstaand youtube filmpje met smaak en met passie vertelt op welke wijze hij een botter ineen stak. Zijn verhaal refereert naar de scheepsbouw van weleer  en waaruit ik reeds enkele van zijn beschouwingen in dit artikel citeer. Het lukte hem een houten vissersboot in elkaar te timmeren. Waar hij 10 maanden nodig had om tot gewenst resultaat te komen klaarde men vroeger zulke klus  met vier man  in acht à negen weken, vertelt hij.

    Momenteel laait de interesse op voor oude en houten scheepsmodellen van toen. Ons watererfgoed groeit aan belangstelling. De houten schepen ogen mooi en trekken de aandacht op  de scheepjes uit het ancien regime.
    Indien u wat tijd hebt moet je het verhaal van Wim Vos beluisteren en
    bekijken. De moeite waard.

    ----------------------------------------------------------------------------------------------------

    Voetnoten:

    1)Bernaerts G. Zeevaart te Mechelen, SAM  M903A
    2)Maritieme Encyclopedie Deel 1, bibliotheek Conscience Antwerpen.
    3)Uytterhoeven. J.Schepen en scheepsbouwers in Oud-Mechelen;verschenen in Gazet van Mechelen 7, 9, 14 mei 1964.
    4)Volgens Uytterhoeven komen deze gegevens van, J de Stürler, hij vernoemt echter niet het werk waarin dit is verschenen. J. de Stürler is wel een persoonlijkheid in verband met de Antwerpse havengeschiedenis, waarin hij meermaals het belang van de Mechelse haven benadrukt, de tranporten binnen Vlaanderen en Brabant beschrijft. Zijn voornaamste werken zijn:

    Les relations politiques et les échanges commerciaux entre le Duché de Brabant et l'Angleterre au Moyen Age : l'étape des laines anglaises en Brabant et les origines du développement du port d'Anvers. 

    Le Passage Des  Marchandises en transit par le Duché De Brabant aux XIII  et  XIV siècle dans ses rapports avec le traffic d’outremer. Extrait Annales du XXX congres de la Fédération archéologiques  et historiques de Belgique.(bib UIA Antwerpen)

    Studia Mechliniensia : bijdragen aangeboden aan dr. Henry Joosen ter gelegenheid van zijn vijfenzestigste verjaardag

    5)Drasland 2) Dreef 3) Grasland 4) Landouw 5) Land 6) Laaggelegen land 7) Made 8) Plaats in noord-brabant 9) Veld 10) Vlakke landstreek 11) Weiland aan water 12) Waterrijk land 13) Waterig land 14) Waterland 15) Wei 16) Weiland 17) Weide 18) Waterrijk weiland 19) Waterrijk bouwland 20) Wandeldreef 21) Zeer waterrijk land uit: http://www.encyclo.nl/zoek.php?woord=beemd
    6)Maritieme Encyclopedie Deel 1, bibliotheek Conscience Antwerpen.
    7)
    Asaert G, De Antwerpse Sceepvaart XVe eeuw (1394-1480).Bijdrage tot de economische geschiedeis van de stad Antwerpen.
    8)Swartchz G, Zeilschepen. Prenten van de Nederlandse meesters van de zestiende tot de negentiende eeuw. Maarssen.
    9)idem als voetnota 8  foto  blz 18
    10)Maritieme Encyclopedie Deel 1, bibliotheek Conscience Antwerpen.
    11)Bernaerts G. Zeevaart te Mechelen, SAM M903A
    12)idem
    13)Swartchz G, Zeilschepen. Prenten van de Nederlandse meesters van de zestiende tot de negentiende eeuw. Maarssen 

              







    05-11-2012 om 00:00 geschreven door BELLON MARC


    Categorie:Havenambachten
    >> Reageer (0)
    29-08-2012
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Tigris en Dijle
    Stilte en eerbied: gezichten die ons duidelijk maken te waken over de toekomst...

     

    Mechelen beheerst een groot stuk Geschiedenis. Niet alleen die van de Bourgondiërs, niet alleen die van een rijke handel, niet alleen die van een woelige Kerk, maar ook die van een nog niet lang geleden wreedaardig verleden: de deportatie van duizenden  Joden en  enkele honderden zigeuners.

     In dat laatste verhaal  valt stevig te betreuren hoe onze  overheid  Jodenregisters samenstelden en alzo de Duitsers in 1940 -1945 het makkelijk maakten  hen te vinden, ze te merken met een gele Davidsster,  hen te verzamelen in Mechelen en ze naar Auschwitz en Birkenau te transporteren. Helemaal schandalig is in die periode  de medewerking van Belgische SS’ers in het Fort van Breendonk.  De beulen kregen in het Mechelse  stadhuis hun proces waarbij zestien  hun doodstraf hoorden uitspreken.  Tien ervan  vonden hun dood aan de muur van de Dossin kazerne, twee anderen ondergingen hun gewelddadig lot te Antwerpen. De kampleider, een Duitser, zou pas in 1950 voor het vuurpeloton staan en had toen genade van koning Leopold III gekregen om  niet door de guillotine onthoofd te worden, zoals de doodstraf in vredestijd eiste.  Hij zou de laatste zijn die in ons land de doodstraf letterlijk moest ondergaan. Sinds 1863  werd de doodstraf automatisch omgezet in levenslange opsluiting tenzij het om oorlogsdaden handelde.  

    De gruwelijke daden aan de mensheid toegebracht tijdens de twee wereldconflicten, zoals folteringen, dwangarbeid, deportaties, alsook de wandaden tijdens de koloniale periode leken genoeg om een VN commissie op te richten teneinde  een Universele Verklaring van de rechten van de mens op papier te zetten. Het is dan al 1948.

    De Verklaring over Mensenrechten herbergt een bijzonder ideaal maar is  nog zo broos als een ei.  De knop van de tv-afstandsbediening brengt ons in een stonde  in het journaal waar men regelmatig  het bloed, het stof van het puin, het getier en het  geroep van hulpeloze, radeloze mensen de huiskamer laat binnen golven.  Mijn tienerkind begrijp dat hatelijke gebeuren niet. Het leeft hier in een wereld van gemoedelijkheid, tederheid en begrip en schrikt van  elke vorm van geweld.

    Het Memoriaal  in de Dossin kazerne laat de gruwel weg en laat op een serene wijze zien hoe mensen zijn verdwenen door een onbegrijpelijke filosofie van een grote groep  ziekelijke geesten die een hele wereld in brand hebben gezet. Schoolkinderen laten de bezoeker meer dan twintigduizend namen horen van omgebrachte Joden en zigeuners. Hun pasfoto’s schuiven voor je ogen, transport, na transport, zo’n 28 treinen vol met mensen die nooit meer zijn terug gekomen in ons aardse midden. Je moet hier stil worden in je gemoed, zowel de allochtoon als de autochtoon, om  het politiek temperament te temperen en  de passie tot meer menselijkheid te laten groeien,  je dagelijks leven te vullen met meer geduld en verdraagzaamheid omwille van die andere die anders is in doen en laten. Nochtans is het geheugen van de mens zwak. De oorlog was nog niet gedaan of onze eigen mensen gingen onverdroten tekeer tegen de collaborateurs en pleegden dezelfde misdrijven die hun vijanden toepasten.  Mensenrechten zo broos als een ei!

    Blijkbaar is het moeilijk met mensen van een andere cultuur of ras overeen te komen.

    Mechelen heeft zo’n  zestig  verschillende nationaliteiten. Eén van de oudste ge-immigreerden zijn Christelijke Assyriërs die prat gaan af te stammen van de eerste Christelijke gemeenschappen uit Mesopotamië, het land waar de Tigris en de Eufraat het land bevloeien , de bakermat van onze beschaving. Jan Leyers heeft het  zelf gaan ontdekken en is het ons komen vertellen in woord en schrift.

    Die Christelijke Assyriërs verdreven uit hun dorp Hassana aan de Tigris nabij de grens met Irak, in de Bothan vlakte, door de Turken in 1993, zochten naar het beloofde land en kwamen hier in Mechelen aan de Dijle terecht. Ze waren opgelucht  te kunnen vertoeven tussen hun geloofsgenoten. Bitter was de pil wanneer ze vaststelden  hoe on- christelijk men hier leeft.  De overvloed aan etenswaren in onze grootwarenhuizen stond  in fel contrast met het  geoogste  eten uit hun moestuintjes in Hassana.  Hun sober en kuis leven in eendracht met elkaar staat in fel contrast met de overvloedige luxe waarin we ons losjes baden en  met de individuele levenswijze dat we ons eigen hebben gemaakt. Het oeroude Christendom uit het land van Eden zorgt hier voor een schokkend effect dat tot bezinning noopt.

     Het is misschien goed dat die van de Tigris en die van de Dijle wat naar elkaar toe evolueren, enerzijds minder strikt,  anderzijds   minder uitgesproken rijk, minder losbandig.

    Daarom is het verhaal van de Dossin kazerne boeiend gezien ze ook de Verklaring van de mensenrechten belicht in haar verschillende aspecten. Nooit meer oorlog is niet genoeg. Elke  mens, dus ook de vrouwen, hebben op aarde  recht op een vredig bestaan waarin ze kunnen genieten van de noodzakelijke vrijheden, als recht op leven, recht op woonst, recht op voeding, recht op scholing, recht op  loon, recht over hun eigen  lichaam, recht op veiligheid, recht op een propere natuur,  recht op vrije meningsuiting, recht op godsdienstbeleving zonder overheersing, recht op zelfbeschikking van grond,  grondstoffen en kapitaal, recht op een democratische wereld waar dictators niet thuis horen en niet één enkele ideologie  primeert.

    Het zou al beter  gaan met deze wereld.


    29-08-2012 om 00:00 geschreven door BELLON MARC


    Categorie:Om niet te vergeten
    >> Reageer (0)
    28-08-2012
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.De sierlijkheid van zeilschepen(sfeerbeeld)

    Scheepjes ontvouwen hun gracieuze zeilen
    ze lijken als fiere, trotse vrouwen.
    Sierlijk snijden ze doorheen alle soorten water
    en hebben geen angst om het noorden te mijden.
    Sterke kracht om het doel te bereiken
    vinden ze bij de wind, zoiets als mannelijke macht. 

    "Gezellig varen en mijmeren"

    youtube http://www.youtube.com/watch?v=6kp1ZF0gmSU
    werk van derden

    full screen!


    28-08-2012 om 00:00 geschreven door BELLON MARC


    Categorie:Sfeer
    >> Reageer (0)
    03-08-2012
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Lucas Fayd'herbe (1617- 1697)

    Antwerpen 1640

    Afscheid van een wereldberoemde schilder,

    Lucas zat er verslagen bij toen hij het nieuws vernam dat zijn meester, op 30 mei, de geest had gegeven en hij zaterdag 2 juni in de Sint-Jacobs kerk zou worden begraven(1). Hij spoedde zich naar Antwerpen.  De verslagenheid in het atelier op de Wapper, waar hij vier jaar werkte, had iedereen gegrepen. De penselen lagen er werkloos bij.  Iedereen had het wel zien aankomen, maar de dood verrast altijd. Sinds juni 1638 kreeg de beroemde Sinjoor(2)regelmatig aanvallen van jicht(3). Een ziekte die de gegoede mens velt na heel wat pijnlijke dagen en weken te hebben moeten doorstaan. Lucas vertelde zijn collega's dat hij op 9 mei van Pieter nog een brief had gekregen ter gelegenheid van zijn huwelijk op 1 mei jongstleden(4). "Ik was toen bezig aan het kindje van ivoor. De maestro benadrukte nog dat het werkje geen haast had en ik nu ander kinderwerk had te doen. Ja, hij had zo zijn humor. Mijn moeder vond hem een toffe en galante heer. Hij wist hoe zij in haar vuistje zou lachen nu de reis naar Italië van de baan was, ze me niet meer moest missen, ze er nog een dochter bijkreeg met de zekerheid  grootmoeder te zullen worden. "Helena", zo ging hij verder,"  is  ons nog komen bezoeken in Mechelen, toen ze even in het Steen in Elewijt moest zijn,  om ons mondeling veel geluk te wensen met het huwelijk. Ze vertelde toen hoe Pieter helse pijn had gehad tijdens de maand april wanneer zijn handen verlamd waren geweest(5)." 
    Veel herinneringen kon hij niet kwijt gezien iedereen uitgenodigd werd een laatste groet te brengen aan de grootmeester die inmiddels in de kerk opgebaard lag  bij het voorziene familiegraf van zijn schoonvader Daniël Fourment en waar hij tijdelijk zou worden ingelegd(6).  

    De doodsklok van de St -Jacob haalde even voor elven alles uit haar bronzen bast en galmde tot ver in de omtrek om de begrafenisplechtigheid aan te kondigen. De Wapper zag zwart van het volk. Albrecht en Nicolaas, zijn twee oudste zonen, leidden de rouwstoet ,gevolgd door de families van Rubens en Fourment. Verder op,  zijn collegas' en verwanten. Uiteraard zijn vriend Rockox, de gewezen beroemde burgemeester van de stad, de binnenburgemeester en  de schepenen, de notabelen en de vertegenwoordigers van alle kerkelijke en civiele instellingen(7).
    Toen kwam de stoet schilders.  Een familie- afvaardiging van Jan Breughel, Adriaan Brouwer, Joost de Momper, Hans van Mildert en Abraham Janssens. Gevolgd door een twintigtal beroemdheden, zoals onder andere Frans Snijders, Erasmus II Quellin, David Teniers de Jonge, Jacob Jordaens, Sebastiaen Franckx, Frans II Francken alsook de jonge Lucas Faydherbe(8).
    De kerk stond vol, de lege katafalk had men getooid met een zwart fluwelen rouwkleed omgeven door zestig toortsen(9). De polyfone muziek bracht heel de kerk in vertedering  en liet iedereen inzoomen bij de gedachte aan de mens Rubens.

                                                       


    Lucas Faydherbe kreeg een gouden handdruk van Rubens

    Thuis haalde Lucas de kartonnen doos met brieven uit de kast. Samen met zijn  vrouw overlas hij de briefwisseling die hij van zijn patroon had ontvangen. Maria Smeyers loofde Rubens en prees hem voor zijn positieve spontane reactie op haar voorhuwelijkse zwangerschap. Ze overtuigde haar Lucas hoe belangrijk hij wel was in de ogen van de kunstschilder. Het getuigschrift dat hij hem gaf op 5 april jongstleden(10),  zou heel wat deuren doen openen, zou hem belastingvrij maken, hem van de militaire- en wachtplicht verlossen. Hem betittelen als een beloftevolle kunstenaar! Bovendien stond wit op zwart in de wilsbeschikking van de beroemdheid geschreven dat Lucas, Mater Dolorosa, diens grafkapel zou sieren(11). Faidherbe herinnerde zich nog de woorden van Rubens toen hij bij hem begon te werken. " Lucas", zei hij," je moet afstappen van de klassieke statische beelden, ge moet ze herscheppen tot mensen van vlees en bloed. Expressie wil ik zien in hun gezichten, breng beweging en gratie in hun lichamen en breng in godsnaam plooien in hun kleding.(12)"  En inderdaad die Mater Dolorosa, had beweging in haar lijf, smart in haar gelaat!  Reden waarom Rubens hem loofde en opgetogen was met het werk. " Het beeldhouwwerk is dermate perfect dat het door geen enkele andere gevestigde beeldhouwer kan worden verbeterd!(13)" had  de bekende schilder nog onderlijnd.  Gelijk had hij. Het is de tijd waar de Italiaanse barok in onze streken hoogtij ging vieren, schilderijen rijke kleur kregen, uitgebeelde mensen passie lieten zien en de taferelen levendig en vol beweging werden. Lucas en Maria zijn meer dan waarschijnlijk naar de Sint-Jan en de O.L.Vrouwe -van -over -de Dijle gewandeld om de werken van Rubens te gaan bewonderen. Hoe de virtuoos de aanbidding der wijzen in beeld bracht, hoe hij het licht  centraliseerde op het pas geboren kind, hoe hij de stal liet wemelen van mensen zoals de plaatselijke herders die zich in de stal drongen om een glimp te zien van de koningen die uit den vreemde waren gekomen om het kind te komen bezoeken. Dit allemaal, terwijl de schuchtere Jozef op de achtergrond, in het halfduister, het tafereel aanschouwt. Om dan dertig jaar later, dat kind als volwassen man te zien tussen vissers die daar een wonderbare visvangst meemaakten en opkeken naar die vreemde man die hen had aangezet om, ondanks het slechte moment, te gaan vissen. Rubens kende tot in de details de heilsgeschiedenis. Je moest niet geleerd zijn om zijn bijbelse taferelen te begrijpen. Het oogde bovendien allemaal  erg mooi . Rubens de voorloper van de cinemascoop. Hij zou in onze tijden een zeer bekende regisseur zijn geweest.

    In die doos stak ook de brief van 17 augustus 1638. Rubens had toen wat verlof genomen en verbleef met Helena op zijn buitenverblijf in Elewijt. Het toezicht van het atelier liet hij over aan Lucas. Toen al,  had Rubens een vertrouwelijke band met de toekomstige Mechelse beeldhouwer. De aanhef van zijn brief  loog er niet om. Als je aangesproken wordt als ' Lieve en dierbare Lucas,'
    weet je het wel. Hij schreef  als een vader. " Breng me spoedig het paneel waar drie levensgrote gezichten opstaan, een boze soldaat met zwarte muts op zijn hoofd en iemand met een schreiend mannengezicht en een lacher. Pak ze goed in, liefst tussen twee panelen in. Breng ook wat Ay-wijn mee want diegene die we zelf mee brachten is op. Sluit alles goed af als je naar hier komt en zie dat er geen originele schetsen boven in het atelier blijven staan. Doe ook de groeten aan Leentje en Susanna. Zeg nog tegen Willem, de hovenier, dat hij niet vergeet rosile -peerkens en vijgen op te zenden, als er zijn. Kom zo snel mogelijk anders kan je de anderen niet buiten sluiten en zorg ervoor dat we de gouden ketting  van Karel I van England in goede staat terug vinden.(14)"
    Of hoe de seigneur alle vertrouwen had in zijn pupil, en hoe genegen hij stond met de ouders en schoonfamilie van Lucas Faidherbe en hoe Rubens een levensgenieter was.

    Wie was Lucas Faydherbe, als beeldhouwer, als architect?(15)


    Portret van Lucas Faydherbe, geschilderd door zijn neef Franchoys de Jonge die eveneens werkte in het atelier van Rubens.
    (foto Stedelijk museum Hof van Busleyden) ©

    In het huis de Korenbloem in de Katelijnestraat leefde en werkte Lucas Faidherbe een tijd. De gevel is zijn werk en is gedateerd 1684 Faydherbe op latere leeftijd
    (foto ex Wikipedia)


    'Lucas mocht hopen op een beloftevolle toekomst. Rubens getuigschrift bracht hem inderdaad belasting vrijheid op bier en wijn en diende hij geen militaire plicht te vervullen. In de periode 1659- 1675 bereikte zijn carrière een hoogtepunt. Al was hij geen gemakkelijke man, faam zou hij genieten tot ver buiten de grenzen van Mechelen. Hij werd 80 jaar en schonk zijn echtgenote 12 kinderen. Die moet ongeveer 76 jaar zijn geweest toen ze stierf  in 1693. Ze vierden nog hun gouden jubileum in het jaar 1690. Het is wel opvallend dat het echtpaar, voor de periode waarin ze leefden, erg oud zijn geworden. Blijkbaar hebben ze gezond geleefd en moeten ze veel geluk hebben gehad nooit  besmet te zijn geraakt door één van de menigvuldige ronddolende dodende bacteriën van die tijd. Lucas Faidherbe wist wat hij wou, eigenzinnig en koppig als hij was, heel zijn leven lang. Misschien onderlijnt de datum van zijn overlijden diens karakter?  Hij stierf op 31 december 1697, de laatste dag van het jaar'. Tachtig was een mooi afgerond getal om te verhuizen naar de eeuwigheid, moet hij voor zichzelf als waarheid hebben aangenomen, denk ik zo.
     
    'Op 19 januari 1617 werd Lucas Faidherbe geboren in Mechelen in de Katelijnestraat, 's morgens om 4 uur, de feestdag van de H.Sebastiaan. Hij was de zoon van Hendrik Faydherbe( 1574-1629) en van Cornelia Franchoys ( 1582-1670).
    Zijn vader sneed voor de kost albasten beeldjes. Hij stierf  als Lucas 12 jaar oud was. Zijn moeder hertrouwde met Maximiliaan Labbé, eveneens een beeldhouwer. Veel leerde hij niet van zijn stiefvader.
    Zijn grootvader,  Lucas Franchoys de Oude moet wel wat vaardigheden in zijn kleinkind  hebben gezien. Die kende Rubens goed vermits zijn zoon er leerling was. Zodoende zagen we Lucas rond de leeftijd van 19 jaar in Rubens atelier de beitel hanteren. Hij moet daar ook de beloftevolle beeldhouwer Hans van Mildert hebben gekend die echter in 1638 op jonge leeftijd stierf '. 


    Beeldhouwer, grafmonumenten, altaarbouw (16)



    'Zijn carrière, als beeldhouwer, begon met een bijzondere opdracht. Die kwam van kardinaal Cruesen. Een Maastrichtenaar, een geleerd man in de theologie. Hij diende als vicaris - generaal bij de Spaanse legers gedurende de dertigjarige oorlog. In het jaar 1652 benoemde men hem als bisschop van Roermond en zou hij vervolgens de 5de aartsbisschop van Mechelen worden. 
    Deze man hield van kunst en schoonheid. De gotische Sint-Romboutskathedraal kreeg onder zijn bewind een andere look.  Het gebeente van Sint- Rombouts zou een hoofdplaats moeten krijgen
    boven het hoofdaltaar en zijn beeltenis zou er hoog op prijken en de aandacht trekken van alle kerkgangers. Bovendien wou de kerkelijke hoogheid voor zichzelf een grafmonument in marmer, waar hij geknield  de verrezen Christus aanschouwt met achter zich de oude Chronos die de mens de vergankelijkheid van leven in gedachten houdt'. 

    Volledig zicht op het grafmonument van aartsbisschop Cruesen in de 
    Sint -Romboutskathedraal te Mechelen.
     



    Lucas Faydherbe toverde een prachtig kijkstuk uit zijn handen. Hier toont hij hoe fijn en in detail zijn beelden in marmer creëerde. Op deze blog staat dit grafmonument reeds beschreven onder" Van een aartsbisschop en een architect."
    'Zo maakte hij  ook het graf monument van de adellijke echtelieden Jehan de Marchin en zijn eerste vrouw Jeanne de la Vaulx- Renard in Modave, gelegen bij Hoei. Ook uit Trazegnies kwam er opdracht voor een praalgraf van Gilles Othon en zijn tweede echtgenote Jaqueline de Lalaing.


    De bestellingen voor beelden bleven evenmin  uit. Klein of groot het maakte niet uit. Hij modelleerde er erg veel. In ivoor, terracotta, zandsteen, marmer. Zijn creaties staan zowat in alle belangrijke musea. De meeste vinden we in Mechelen. Wij beperken ons tot de voornaamste, de mooiste. 
    Lucas terracotta's vinden we vandaag zowel in Oxford, Londen, Amsterdam, Brussel,Antwerpen, Mechelen en Duffel terug'. Hij moet een voorliefde hebben gehad voor de mythische figuren als Hercules, Omphale en Bacchus. Misschien omdat het ruwe figuren waren ontdaan van fijne manieren. Hercules de sterkste van alle Olympianen, een worstelaar van de bovenste plank, een kolos van een vent, geschonden door de klappen en kloppen van zijn belagers. Je hebt hem liever niet aan je tafel. Omphale, de geschiedenis weet het niet zo goed hoe ze werkelijk was. Ze heeft een zwoele erotische verhouding gehad met Hercules. We zien haar in een wolventenue paraderen en de knots van Hercules hanteren. Ze weet de mannen te verleiden en hun tot slaaf te maken. Bacchus wordt meestal afgebeeld als  een klein vet manneke, een vies ventje, die de wijn lief heeft en aan tafel ferm ligt te boeren. Ze zijn dus in de literatuur en in de kunstwereld niet al te fraai voorgesteld. 
    'Lucas Faidherbe daarentegen sublimeerde hen in zijn beeldhouwwerken. Alle drie kregen ze een beschaafder aanzicht.  Ze lijken burgerlijker en rustiger in hun extreem gedrag. Vooral de kleding valt op, alsook de haartooi en  het fijnere gelaat van de drie wezens. Geen enkele van de gemaakte Hercules, Omphales en Bacchussen zijn identiek. Vooral kleding en de aanwezigheid van ierraden verschillen al eens'. Die klassieke touch van Faidherbe moet hij hebben geërfd van Rubens. Ook hij had een boon voor de Griekse en Romeinse personages. Niet ongewoon dus dat we Bacchus buste in het Rubenshuis tegenkomen.
    'Mooi ogend is ook het ivoren beeldje van Leda en de zwaan dat in het Louvre te Parijs is te zien.
    Het kunstwerk  aanziet men als van de hand van Lucas Faydherbe en zou gelijkenissen vertonen met één van de laatste schilderijen van Rubens " Het oordeel van Paris".  Het beeldje dateert van rond de jaren1640.

    De beeldhouwer zou zich ook specialiseren in de altaarbouw, zoals het hoogaltaar van de Sint-Martinus kerk in Beveren- Waas, die van Onze-Lieve -Vrouw-Hemelvaartskerk in Watervliet, het inmiddels afgebroken altaar van de Sedes Sapientiae in de noordelijk transeptarm van de Sint -Pierskerk te Leuven. Verschillende ontwerpen realiseerde hij heel gedetailleerd maar werden niet uitgevoerd. In Mechelen daarentegen is het hoofdaltaar van de Sint-Romboutskadedraal het pronkstuk bij uitstek. Hij verkreeg de opdracht op 19 januari 1665 en diende het ontwerp van architect Willem Hesius te volgen. Ook het altaar van de kerk Leliëdaal, waarover verder meer, is van zijn hand, alsook het Sint Jozefsaltaar in de Sint -Katelijnekerk'.  

    Het monumentale barokke  altaar in een Brabants- gotisch kader. Opgetrokken in witte en zwarte marmer met centraal de  deuren waarachter de kist met de relieken van Sint -Rombouts  staat.
    Boven zien we Sint- Rombouts met aan zijn voeten de twee metselaars die hem om het leven brachten. De beelden zijn gemaakt door Faidherbe 



    Architect(17)

    'Faidherbe kreeg ook bekendheid als architect. In die tijd was dat niet zo vreemd. Kunstenaars beoefenden ook de kunst van het bouwen, die ze van  Vitrivius uit de Romeinse tijd hadden geleerd in diens boeken welke ondertussen de drukpers hadden gepasseerd. Hij is zowat de stamvader van de architectuur.  Lucas had de stiel van het bouwen  geleerd van Jacques Francart, een hofarchitect, alsook van Willem Van Hees een jezuïet. In Antwerpen liet hij zich inspireren door de geringde pilasters van de tuinportiek van het Rubenshuis en van de Korintische pilasters op de gevel van het Jordaenshuis. Ook de gordijnvensters van Rubens tuinpoort moeten hebben bekoord alsook die van het Jordaenshuis welke waren versierd met bossages. Deze decoraties  zijn terug  vinden in vele van zijn latere constructies'.


    De geringde pilasters van de tuinportiek van het Rubenshuis aan de Wapper bekoorden de jonge Lucas.



    Keine werken (18)

    'Zijn eerste creatie, eerder bescheiden, was de grafkapel,  het mausoleum van de familie Thurn und Taxis in de Onze-Lieve- Vrouw van de Zavel te Brussel. Hij werd ook aangesteld om een penibel werk uit te voeren in de Sint Michielskerk te Leuven. Daar had hij de opdracht een gebarsten kapiteel en een architraaf - dit is een dwarsbalk die mee zorg diende te dragen om een koepel te ondersteunen- te remplaceren. Zes maanden duurde het werkje en had Faydherbe  150 bomen nodig om de hele  constructie te onderstutten om de kapotte delen te vervangen'.

    Leliëndaal, Bruul,Mechelen(19)


    Kloosterkerk Leliëndaal



    In de 20ste eeuw hebben de
    jesuïeten de binnenkant van de
    kerk 180 graden gedraaid. Ze
    verhuisden het altaar en de koepel
    van de oost- naar de westzijde en
    het doksaal ging richting Bruul, oostelijk
    gelegen.
    De kerk had drie ingangen,
    één langs de zijde van de
     toren en
    twee langs de
     Bruul.
    Een zicht van de gevel gezien
    vanuit de Bruul. Een prent uit
    1734 van Coster D,
    Totaalzicht van de
    opgetrokken gebouwen door
    Faidherbe

    (foto SAM  
    Beeldbank Mechelen
    )
     


    'Groter waren zijn werken binnen het klooster van Lelieëndaal in de Bruul te Mechelen, waar hij de kapel moest vervangen door een ruime éénbeukige kerk. Die opdracht ging niet van een leien dakje. De kerk moest in een tijdsbestek van drie jaar klaar zijn. Het werden er acht. Het begon belovend in 1662 met de eerste steenlegging door prior Gisbertus Mutsaert, de tweede door priorin Eilisabeth van Beke waarna al de andere zusters hun steentje bijdroegen. De contractbesprekingen verliepen moeizaam en werden verschillende malen gewijzigd, zodat Faydherbe spijt had de bouwwerken te hebben aangenomen. De priorin liet zich vooral opmerken met haar bazig karakter, terwijl Lucas zich liet zien als een niet bepaald toegeeflijk type. Het hek ging helemaal van de dam toen in 1664 de voorgevel van de kerk scheef kwam te staan. Lucas probeerde zijn hachje te redden en bijkomende kosten te vermijden door de scheefstand te camoufleren. Al de voorstellen daartoe veegde de zuster overste kordaat van tafel. Alle nonnen stonden als één blok achter haar:  Een gevel die scheef staat blijft scheef en kan niet meer rechtgemaakt worden, luidde het eensgezind.  Tegen de hemelse machten kon Faidherbe niet optornen met als resultaat; tijdverlies en een zak extra kosten voor hemzelf.  De vertrouwensrelatie leek dermate geschonden dat Lucas er aan dacht ontslag te nemen, terwijl de priorin de wanhoop nabij was toen ze de rekeningen van haar architect alsmaar hoger zag oplopen. Het gerecht moest nu maar het geschil oplossen ,dacht zuster Elisabeth van Beke. Door bemiddeling van de abt van  de abdij van Park kwamen de werken opnieuw op gang  in maart 1667. Drie jaar later op 26 oktober 1670 zegende de abt van de abdij  van Park de kerk in. Het kerkje viel erg duur uit. In de plaats van de afgesproken 58.000 gulden bij aanvang afgesproken bedroeg de uiteindelijke kostprijs  90.000 gulden! Bovendien werd bij de oplevering tal van mankementen ontdekt zoals het gebruik van minderwaardig materiaal op heel wat plaatsen'.  
      
                                                                          


    De Onze Lieve-Vouw van Hanswijk te Mechelen.(20)


    De Hanswijkkerk aan de Dijle. De foto is genomen vanuit het Reiscafé Via- Via gelegen aan de volmolen aan de Botaniek. Men ziet
    nog duidelijk de achterbouw met de drie verdiepingen.


    'De grote realisatie van Lucas Faidherbe is tenslotte de koepelkerk van Hanswijk. Terwijl hij met Leliëndaal van start was gegaan begon  hij op de linker oever van de Dijle met de funderingswerken te laten uitvoeren. Kardinaal Cruesen had de eerste steen gelegd op 10 mei 1663. Ook hier zou de bouwheer de knoop in zijn beurs houden. Guilielmus Cool prior van het klooster der dalscholieren van Hanswijk wou niet opdraaien voor de kosten van de kerk. De Mechelaars moesten het maar betalen. Die waren gecharmeerd door het wonder van de H.Maagd, die haar beeld liet stranden aan de Mechelse Dijleoevers. Het schip dat haar representatie vervoerde liep vast en zou pas in beweging komen wanneer de houten sculptuur van boord werd gebracht. Het wonder van het jaar 800 groeide uit tot een steevaste devotie. Het kapelletje dat tot dan het wonderbare Mariabeeld had geherbergd verdiende nu een monument van een kerk. Niet alleen in Mechelen had de Hemel-se  Moeder het door haar gezonden beeldje wonderen  laten verrichten, ook in Brabant en elders leek dat te zijn gebeurd en rezen er plots Mariale bedevaartskerken uit de grond zoals in Scherpenheuvel al het geval was. 
    Het geld, via giften, aalmoezen, schenkingen, kwam vlotjes in het kloosterkas van de dalscholieren terecht.
    Inmiddels had Faydherbe reeds heel wat werkuren van zijn werkmannen en kosten voor materiaal en werktuigen voor zijn rekening gehouden. Hoe hij zich ook gul kon opstellen. Het hele project had wel de aandacht van alle Mechelaars getrokken. Helaas dekten de giften en de omhalingen helemaal niet de kostprijs voor het model van kerk dat men wou laten bouwen. Regelmatig zou prior Cool de burgers en de stad aanzetten tot het geven van het nodige geld.

    Houten paneeltje dat zich aan het donker portaal
    van Hanswijck bevindt en een
    tafereel weergeeft van het gestrande schip.
    (foto
    poskaart uitgeverij Thill, NV Brussel) ©

    De opdracht was niet simpel. Een zware kerk bouwen aan het water vereiste extra verstevigingen. Zo liet de Mechelse architect een grote muur bouwen langs de Dijlekant en zou hij het gehele bouwwerk laten onder kelderen. Tussen Dijle en de te bouwen kooromgang voorzag Lucas een achterbouw van drie verdiepingen, waarvan de eerste verdieping toegang zou verlenen tot de sacristie van de kerk. Het monument dat Faidherbe ontwierp, verschilde fundamenteel van die van zijn tijdgenoten. Alle Mariale kerken van die tijd hadden een zeshoekig centraalplan. Faidherbes kerk is gebouwd op een driebeukig basilicaal plan, waarbij midden en zijbeuken bij het koor uitlopen tot een even brede koorkapel, halfrond gesloten in het midden, vierkant of  halfrond opzij. Het schip ontvouwt zich tot een rotonde in het midden dat via opengewerkte vier dubbele zuilenpartijen de koepel draagt. Voor kenners een unicum. Zodoende kon het Mariabeeld onder de koepel staan prijken en konden de gelovigen via de zijbeuken rond het Mariabeeld wandelen en respectievelijk via de linkse of rechtse deur binnen en of buiten gaan. Op de tweede Pinksterdag, 30 mei 1678, droeg men plechtig het miraculeuze beeld van Jezus moeder de kerk binnen.
    Uiteraard moeten we melden dat de bouw bloed, zweet en tranen heeft gekost. Verschillende bouwperikelen deden zich voor.  Ernstig was wel de verzakking van de de zuidelijke zuil bij het koor die gevaarlijk ging overhellen. Faidherbe stak de schuld op zijn metselaars te weinig cement te hebben gebruikt. Bleek, later, te zijn bewezen dat  er een diepe put moet zijn geweest om  de nodige watertoevoer aan te brengen teneinde de vaat van cibories en kelken te kunnen reinigen. Ook zouden zware stenen van grafzerken die mee de stabiliteit dienden te verstevigen onjuist te zijn geplaatst en zou er een probleem zijn geweest, volgens Faidherbe, met " de proportionering van de zuilen..."  Feit is dat Lucas,  de dag van vandaag voor het tribunaal zou zijn veroordeeld voor toezicht fouten, voor situaties die hij, zoals de kwestieuze put, had moeten weten. De gevolgen van de verzakking bracht de stabiliteit van de koepel met zich mee die gedragen werd door vier blokportieken.
    Hier heeft onze Mechelse architect al zijn kunde uit zijn hersenpan moeten halen om de kerk te redden van een instorting. Vandaag staat de Hanswijkkerk nog steeds in haar volle glorie te pronken aan de oevers van Dijle. Mits wat camouflagewerk verdoezelde hij de noodingrepen aan de vier blokportieken  en kon hij een schijnbare architecturale gaafheid behouden. De rondzuilen van elke blokportiek klonk hij bij elkaar door middel van ijzeren beugels en door ijzeren ringen rond de zuilen aan te brengen. Het aanbrengen van epitafen en  vier geleerde kerkvaders verwezen het incident naar de geschiedenis boeken.(15'-') Geniaal toch?' 


    We zien drie verschillende bouwaspecten, de koepel die steunt op vierdubbele zuilenpartijen. Links een halve koepelbouw versiert met cassettes en rechts tafereel over de geboorte van Jezus in de stal te Bethlehem

    In aansluiting met de foto boven hebben we zich op twee dubbele zuilenpartijen die medede koepel dragen. Om de stabiliteit re garanderen camoufleerde Faidherbe de ingrepen door het aanbrengen van epitafen en beelden van kerkvaders.
    ( foto Wikipedia)






    Beelden bekijken






    v.l.n.r Het mooie beeld van Maria als Koningin der hemelen gemaakt in de aanvangsperiode rond de jaren1640. Het  beeld staat in de Onze-Lieve-Vrouwe-van-over-de-Dijle sinds 1642. Kijk naar de kleding en naar de uitdrukking van Maria's vlezige gelaat die het kind fier laat zien. Toeval of niet, de plaatsing van het beeld staat zodanig dat het Rubens wonderbare visvangst kan aanschouwen.(zandsteen)
    -Vervolgens De Mater Dolorosa, het werk dat Faydherbe maakte als proefwerk. en waarover Rubens zeer opgetogen was. Het beeld kan je bezichtigen in de Begijnhofkerk te Mechelen. (zandsteen)
    -De middelste foto toont de Mater Dolorosa die in de grafkapel van Rubens in de Sint- Jacobs Antwerpen staat. De gelijkenissen zijn treffend, beiden beelden hebben een dezelfde houding, met een smartelijk gelaat naar de hemel gericht, is er  een zelfde smaak voor de plooien in het kleed. Enkel het zwaard van de Mechelse Mater zit verborgen achter de kleding.(marmer)
    -Er naast een buste van de Heilige Maagd ( 1646)dat ooit deel uitmaakte van een volledig beeld.  De gelijkenis met het proefwerk van Lucas is hier treffend en geeft de gelegenheid het volle en vlezige gelaat en hals in detail te bekijken. De buste bevindt zich boven een deur in de linkse koorgomgang van de Sint-Romboutskathedraal.

    (zandsteen)
    -De laatste foto toont een reliekhouder(1674)
    met een fragment van het heilige kruis welk te bekijken is in de St-Janskerk te Mechelen. Treffend is de gelijkenis met het altaar van de kathedraal. Het is gemaakt uit witte en zwarte marmer, de fictieve deuren zijn  hier uit hout gesneden. Merk het gebruik van voluten en festoenen om het geheel een élégance te geven. Boven staat de jonge  Christus, gaaf en vrij van wonden. 


    Aldus een kleine greep uit de talrijke werken van Faidherbe die te  Mechelen en elders te zien zijn. 
    ------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------                                               

    Voetnoten

    1) Rombaut Hans, redactiesecretaris Vlaams Instituut voor geschiedenis (Viges).   Nationaal Biografisch woordenboek, 20ste deel,  en Rutger Tijs, medewerker Ruimtelijk ordening Antwerpen, deel Nieuwe biografie van P.P Rubens.(3de proef)
    2)idem, de auteurs verklaren waarom zij Antwerpen als geboorteplaats aanwijzen
    3)
     Nationaal Biografisch woordenboek, 20ste deel, en Rutger Tijs, medewerker Ruimtelijk ordening Antwerpen, deel Nieuwe biografie van P.P Rubens.(3de proef)
    4)Huet L. De Brieven van Rubens, Meulenhoff, Manteau.
    5)Nationaal Biografisch woordenboek, 20ste deel, en Rutger Tijs, medewerker Ruimtelijk ordening Antwerpen, deel Nieuwe biografie van P.P Rubens.(3de proef)
    6)idem
    7)idem
    8)idem: waren nog aanwezig-Jan Wildens, Lucas van Uden, Paul de Vos, Jan Fijt, Bonaventura Peeters, Cornelis Schut, Thedoor van Thulden, Schelte a Bolswert, Cornelis I Galle, Paulus Pontius, Pieter van Lint, Gaspar de Crayer, Lucas Vorstemans.
    9)Nationaal Biografisch woordenboek, 20ste deel, en Rutger Tijs, medewerker Ruimtelijk ordening Antwerpen, deel Nieuwe biografie van P.P Rubens.(3de proef)
    10)idem
    11)idem
    12)De Nijn H, e.a, Lucas Faydherbe, Mechels Beeldhouwer Arcitect, 1617-1697, uitgifte naar aanleiding tentoonstelling Faydherbe 1997 in het Stedelijk Museum van Busleyden te Mechelen van 13 september tot en met 16 november 1997 of 15 jaar geleden.
    13)idem
    14)Brief Rubens 17 augustus 1638
    Huet L. De Brieven van Rubens, Meulenhoff, Manteau.
    15'-' 20) op basis gegevens: De Nijn H, e.a, Lucas Faydherbe, Mechels Beeldhouwer Architect, 1617-1697, uitgifte naar aanleiding tentoonstelling Faydherbe 1997 in het Stedelijk Museum van Busleyden te Mechelen van 13 september tot en met 16 november 1997 of 15 jaar geleden.

    Illustraties: eigen foto's tenzij andere vermelding.


     
     
     

    Aan Daniël



    03-08-2012 om 00:00 geschreven door BELLON MARC


    Categorie:Om niet te vergeten
    >> Reageer (0)
    26-05-2012
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Margareta van Oostenrijk aan het Spaanse Hof

    Zo eindigde ons vorig verhaal met de aankomst van Margareta van Oostenrijk in Santander en dit na een miserabele zeereis.
    In de Plaza Espagna te Sevilla kan u deze keramische schilderij bekijken.
    ex:

    http://leyendasdesevilla.blogspot.com/2011/11/plaza-de-espana-version-extendida-i.html




    Van Santander naar Burgos


    Cordillera Cantàbrica foto:Mick Stephenson (Picture of the Year 2007 Public Domain Dedication)
    ex:

    http://en.wikipedia.org/wiki/File:SotresPanorama.jpg





    Margareta's vertrek uit Santander verliep niet onopgemerkt. Haar stond enkele zware dagen te wachten. Aragonese en Castiliaanse ruiters stonden klaar aan de poorten van Santander om haar en haar gevolg te begeleiden richting Burgos. De bergen doortrekken was niet echt een plezierreisje. Nu al hadden de royale milities de bergpas, waar de karavaan van Margareta overheen moest, onder controle. Niet alleen zouden ongure idividuen weggeplukt worden, ook de transitstrook was bewaakt door boogschutters in geval een beer het zou wagen het pad te naderen waarlangs ze zou langs komen.

    Een zwarte sliert kroop doorheen de Cordillera Cantàbrica ten noorden van Spanje. Een ferme bergketen die parallel loopt met de noordelijke kustlijn en die je over moet steken wil je in het binnenland geraken. Boeren keken verbaasd op naar de voorbijtrekkende colonne soldaten, naar de beladen paarden, ezels en karren, naar de menigvuldige draagstoelen, de wapperende wimpels, de glinsterende hellebaarden. Bij het naderen van een dorp dreven ruiters de inwoners weg van de stoet.

    Op een hoogte van 1.500 meter had de Spaanse lucht nog niet haar vertrouwde warme temperatuur, zeker niet in de maand maart. Een koude neus en voeten had zowat iedereen.
    Zo'n 25 km verder hielden ze halt in de streek van Toranzo.
    Ze tuurde door het raampje en verwachtte elk ogenblik haar hofdames. Aan het andere venster zag ze haar bescheiden tent staan waarop de twee kleurige banier der Habsburgers in de lucht wapperde. Die tent was door de voorhoede van haar prinselijke legerschaar geplaatst. Het kleine pronkstuk bestond aan de buitenzijde uit zijde waarop haar blazoen met gouddraad geborduurd stond. De binnenkant was getooid met fluweel. Margot zag nog één van haar zes wandtapijten, die ze had meegenomen, in de tent brengen. Een gewoonte van de Bourgondiërs als ze op reis gingen of ten oorlog trokken. Hun imago en rijkdom stelden ze graag tentoon zeker wanneer belangrijk volk op visite kwam (1). Ze wist zodoende niet ver meer af te zijn van Puerto del Escudo en zij hier de Spaanse koning met haar toekomstige zou verwelkomen. De blijheid nam de overhand. Ze aaide haar onafscheidelijke groene papegaai die op haar schouder zat. De tocht van de kust over de hoge toppen van de Cordillera Cantabrica tot hier, zo’n 25 km, hadden enerzijds haar kou gebracht, terwijl ze, anderzijds, op de glooiende plateaus opnieuw de aangename warme zon waarnam. Gelukkig waren er heel wat momenten van bewondering voor het uitgestrekte, onherbergzame en contrasterende landschap. Jonge magere kinderen hadden haar rosbaar kilometers gevolgd. Die konden hun ogen niet afwenden van de door hun vaders en moeders aangekondigde doorgang van een mooie prinses welke ze maar één maal in hun leven zouden ontmoeten. Die ouders evenwel, kregen door de escorte soldaten, nauwelijks een glimp van haar te zien. Margareta’s leven bezat voortaan de hoogste staatswaarborg.

    Haar hofdames kwamen haar al schertsend uit de koets halen met de grap dat haar prins reeds in de buurt was en ergens achter een rots stond te wachten en te gluren. Margareta, kon er om lachen en gaf haar olijke jonge meiden van repliek dat haast en spoed zelden goed zijn. “Laat hem maar wat wachten dat scherpt zijn verlangen naar mij nog meer aan”, moet ze zo ongeveer hebben geantwoord en waarna het gegiechel opnieuw de overhand kreeg. De dames amuseerden zich verder tijdens het toiletteren van hun idool. Margareta hield er graag de pret in maar was toch fel benieuwd naar wat komen zou. Wat velen niet weten, zo zijn staatsgeheimen nu eenmaal, was het feit dat zij en Juan in alle intimiteit hier in de buurt zouden huwen. Dat laatste werkwoordje gaf haar wel een angstig gevoel. Ze kende deze kerel niet. Alleen haar pa had wat verteld over deze jonge man, maar dat had haar helemaal geen geruststelling gegeven. Ze liet de hofmeisjes opdraven om niets onverlet te laten. Haar prachtige lange hoog - blonde haren kregen een wasbeurt. Het drogen duurde wat langer dan anders omdat het buiten nog tamelijk fris was gezien de hoogte waar ze zich bevonden. Vervolgens besteedden twee meisje veel tijd aan het maken van vlechten. Het geheel van heur prachtige haartooi verborgen ze onder een zwarte kap waarvan de punt diep op Margaretas rug eindigde. Ze zag er schitterend uit!

    Margot was een jonge vrouw. Amper 17 jaar was ze. Haar gezicht had nog de trekken van een kind en toch bezat ze een ernstige blik die een waardige persoonlijkheid liet zien. Ze wist haar gevolg zonder enig bevel tot stilte en ernst te brengen . Niemand zou dan nog een kik hebben durven wagen. Beiden waren zodanig op elkaar ingesteld om een speciale situatie perfect in te schatten.

    Vanuit de tent keek ze naar het punt dat één van haar officiers had aangewezen. Boven het opwaaiende stof, door heel wat paarden veroorzaakt, zag ze kleurrijke vlaggen naderen. Haar hart bonsde. Het karmozijn-rode fluwelen kleed dat ze droeg, waarvan de mouwen afgeboord waren met brede witte hermelijn, zou genoeg zjn om als Bourgondische prinses te worden herkend.

    Op een vijftigtal meter stopte de cavallerie die de koning van Aragon en diens zoon aanvoerden. Ze tuurde zonder haar ogen te verpinken naar de jonge gestalte die naast de zijde van zijn vader dichter bij kwam . Op enkele meters afstand gekomen knielde Margo haar meerdere (2). Haar strakke schoonheid bekoorde zijne hoogheid waardoor hij haar meteen recht hielp en haar de hand kuste. Het Spaans dat ze sprak klonk voortreffelijk waardoor het protocollaire ophield en Ferdinand II van Aragon diens zoon Juan, die zich onderwijl achter zijn rug had opgesteld , voor haar bracht. Hun ogen wisselden met elkander een gemoedelijke communicatie uit waardoor een glimlach het liefelijke gezicht van Margareta nog meer verfraaide. De ontmoeting kende een sterk begin en alles liet het beste verhopen.

    Na de ontmoeting trok een kleine groep, waaronder de vermomde koning , Margareta en Juan naar het kerkje van Villasevil (3), waar, in het geheim en in alle intimiteit Margo en Juan voor God en kerk trouwden. Het koningspaar Ferdinand en Isabella sliepen vanaf dan op beide oren: het huwelijk was meteen consumeerbaar.

    Gezien de Geschiedenis niet tijdig op de hoogte was van dit vervroegd programma kan ze ons ook niets met zekerheid vertellen van wat er na de huwelijkheidsplechtigheid gebeurde. Heel wat vragen blijven nog onbeantwoord. Waarom juist hier in Villasevil, een klein dorp, een stip in het groene landschap? Waarom niet in Santander? Waarom niet in Burgos, zo'n 85 km verder? Had het te maken met de gezondsheidstoestand van kroonprins Juan? Moest hier de controle plaatsgrijpen van de maagdelijkheid van Margareta van Oostenrijk? Was het liefde op het eerste zicht?
    Er zijn echter feiten die de beweerde gechiedenis van Villasevil ondersteunen. Er zou in Burgos nog een huwelijksinzegening plaats grijpen en zou Karel V of Karel I van Spanje in het jaar 1522 in het Sint -Cecilia kerkje voor het altaar zijn komen knielen waar zijn tante met de Spaanse kroonpredentent voor de kerk huwde.

    Burgos een parel, een stad die blinkt en die wacht om te feesten


    Ze hadden mekaar heel wat kunnen vertellen op weg naar Burgos. Blijkbaar een drukke karavaanweg. Een weg van een belangrijke stad naar zee had ook toen een voorname economische impact. Eens de poorten in Burgos zich openden voor de Spaanse en Bourgondische-Habsburgse stoet schoten woorden tekort en kregen de ogen geen rust meer. De straten stonden rijen dik met volk dat zich dicht bij de draagkoets van Margareta opdrong. Bloemen kwamen haar richting uit. Mensen zagen een zich amuserende Margareta van Oostenrijk. Het enthousiasme steeg ten top toen ze één van de toegesmeten bloemen terug wierp in het aanklampende publiek. Zo’n gebaar was totaal onverwacht en ging tegen alle royale regelgevingen in(4). Het volk koesterde die geste waardoor het gejuich heviger en jovialer werd.

    Het kon niet anders of de nakende huwelijksinzegening zou een topper worden. Prinsenhuwelijken hebben dat al eeuwen in zich. Mensen zijn dol op zo’n momenten en nu is dat nog altijd zo voor een grootdeel onder het volk.

    De casa del Cordon Burgos
    leden van de Mechelse Bourgondische familie verbleven hier,zoals Margareta van Oostenrijk, Filips de Schone en Karel V
    Hier ook stierf Filips de Schone in 1506

    (foto: Eltitomac PDD)

    Margareta van Oostenrijk
    1480 -1530
    Het Hof van Kamerrijk te Mechelen
    Paleis van Margareta van York
    verwantschap met de casa Del Cordon
    (eigen foto)


    Ondertussen had Margareta onderdak gekregen in het Casa del Cordon, de woonst van de Spaanse vorsten. Ze had kunnen uitrusten op de binnenkoer van het paleis dat de allure had van een kloostergang opgetrokken met een dubbele rij ronde bogen. Daarboven bevonden zich de kamers en de andere vertrekken(5). De omgang met Isabella van Castillië, haar toekomstige schoonmoeder, verliep zeer vlot. Ze kende haar reeds een beetje via portretten door Vlaamse kunstenaars gemaakt. Haar fletse ogen gaven niet weer wie ze eigenlijk was. Deze machtige vrouw had een boeiende intelligentie alhoewel zij zich politiek hard opstelde. Ze wist heel goed dat het aanstaande huwelijk voor haar zoon belangrijk was voor Castillië en Aragon. Samen met de Habsburgers hoopte ze roem, welzijn en het katholicisme wijd te kunnen verbreiden. In die zin hadden Ferdinand en Isabella met de hulp van de Dominicanen, de Joden en Moslims, wilden ze in hun koninkrijken blijven, verplicht het katholieke geloof aan te nemen(6). Dit mondde uit in een grote emigratie van deze anders gelovigen. Bovendien genoot Isabella het voordeel als eerste de verhalen van Columbus ontdekkingen te hebben mogen aanhoren en wist zij welke schatten Indië verborgen hield. Columbus was voor haar een held en ze keek uit naar 23 april om hem hier in haar paleis te ontvangen(7). Ze had hem gesponsord voor zijn tweede reis met haar juwelen om op zoek te gaan naar de wereld die Marco Polo reeds voorheen had ontdekt. Zowat heel Spanje zat in de ban van de verassende ontdekkingen die de zeelui hadden weten te vertellen na die eerste uiterst afmattende zeetocht. De matrozen waren nog geëxciteerd als ze hun verhaal uit de doeken deden over mensen die ze naakt hadden zien rondlopen getooid met enkele pluimen.” Ze waren vriendelijk”, getuigden ze, “niet vijandelijk en hadden hen gastvrij ontvangen”. De bemanning noemden hen Indianen gezien hun kapitein de overtuiging had in India te zijn beland. Columbus had, ondanks zijn kompas, figuurlijk en letterlijk het noorden verloren gezien hij nog niet wist dat het noorden, naargelang de plaats waar hij zich op zee bevond, al eens kon verschuiven (8).
    De buit die de kleine vloot had meegebracht was maar pover. Enkel tabak, katoen en papegaaien alsook kleine hoeveelheden goud waren zowat de blikvangers. De vondsten die Marco Polo had vernoemd, in zijn fantastische reisdocumentaire naar Azië, hadden ze niet weten te vinden.

    De stijl van Juan was anders. Hij moet meer een katholieke humanist getinte middeleeuwer zijn geweest . Hij beoefende de letteren en was opgeleid in de wapenkunde. Blijkbaar had hij de trekjes van diens schoonvader Maximilliaan die, zoals we zeker weten, het ridderschap nog zeer genegen was.

    Het was een stille, tengere, ingetogen man, daar is iedere historicus over eens. Ook hij had het met Margot over de zee- ontdekkingen en had hij haar reeds op enkele kaarten laten zien waar India wel zou liggen. Hij kon niet zwijgen over de schepen, De Santa Maria, de Pinto en de Nina, waarmee Columbus ongekende zeeën had bevaren.

    Margareta luisterde graag naar zijn avontuurlijke passie, zijn blik was bovendien teder, zijn woorden lief en zacht. Zijn onwennigheid en schroom hadden plaats gemaakt voor openheid jegens haar . Hij omhelzde haar regelmatig in de grootse bibliotheek waar ze regelmatig verbleven(9). Twee verliefde mensen: een feit! Hun huwelijk zou geen stuntelig gedoe worden als dat van twee jonge toekomstige vorsten die met elkaar om politieke redenen dienden te trouwen. De eerste huwelijks consumptie, ginder op de hoogvlakte van de Toranzo leek alle verwachtingen te hebben ingelost.

    Burgos blinkt op 3 april 1497. Het volk, de kardinaal en de koninkrijken Castillië en Aragon moeten ook wat hebben van het spektakel. Het kader waarin de inzegening zou gebeuren is kolossaal.

    De stad is als geen ander opgetut met vlaggen en wimpels. De marktpleinen liepen vol, heel wat troubadours ontvouwden hun straatgezang, jongleurs lieten hun kunsten zien terwijl aan de poorten pelgrims(10) de toegang tot de stad werden geweigerd. Geen gewone sterveling kon in en rond de Casa del Cordon. Daar heerste een drukte van jewelste en liepen de hofdames en kamerheren van het Castiliaanse hof als die van Margareta door elkaar. Hoge eminenties uit de verschillende Cortes verzamelden zich op de Plaza del Mercado Mayor(11), terwijl in de kathedraal de koren zich aan het inoefenen waren, en de koster de handen vol had met de cibories en de kelken nabij het altaar te plaatsen en hij verder nog zorg moest dragen om de talrijke prachtige gekleurde goud geborduurde stijve kazuifels klaar te leggen voor de verschillende bisschoppen en kanunniken die de huwelijksinzegening zouden verzorgen. In de sacristie herlas kardinaal Cisneros(11) zijn preek.

    Koning Ferdinand kwam onder escorte de stad binnen gereden samen met de pauselijke afgevaardigde van Alexander VI, die hem en zijn echtgenote de titel van Katholieke Koningen had gegeven(12). Het volk troepte samen aan en rond het kerkplein om een glimp van het prinsenpaar te kunnen opvangen. De majestueuze kathedraal overheerste heel het gebeuren, de Germaanse opengewerkte gotische torens en de onovertroffen koepel maakten haar tot mooiste van Spanje(13). Een mooier decor kon Margareta niet krijgen. Enkele zware klokken trokken de festiviteiten op gang. De koninklijke stoet begaf zich naar de kathedraal. Margareta schitterde in haar goudgele zijden kleed versierd met rode motieven en versterkt door een blauwe ceintuur. Haar brede zwarte mouwen met gouden sterren gaven aan het geheel een koninklijke tint. Haar zwart kapje waarop haar kroon stond, verhief haar tot een ware prinses.

    De kathedraal van Burgos nu de dag van vandaag.
    foto: Jebulon Public Domain Dedication via Wikipadia


    Welke geweldige indrukken heeft zij opgeslagen toen ze de kerk binnentrad, waar het orgel haar intrede vergezelde? De machtige ruimte van de gotische kerk, het volk, de brandglasramen, het imposante altaar. Alleen… zonder haar broer, zonder haar vader, zonder haar meter… alleen... omwille van Habsburg! Mechelen was ver weg. Gelukkig had ze Juan aan haar zijde en het moet als eeuwen hebben geduurd om tot het altaar te komen waar Gods gezanten in een halve cirkel hun stonden aan te staren. Margareta nam het huwelijk zeer ernstig op. Ze was katholiek grootgebracht en zou haar leven in die zin kleuren. Ze was niet fanatiek. Ze hekelde de misbruiken binnen de kerk die toen reeds hoog scoorden.

    Burgos barstte in feesten uit. De mensen van toen keken naar zo’n evenement uit. Voor iedereen was het feest, voor arm en rijk. Eten en drinken genoeg, men zag op geen cent. En dat duurde nog zo'n enkele weken lang.

    Spanjaarden en Bourgondiërs samen aan één tafel is de wellust hoogmoedig tarten. Het feesten krijgt voorwaar meer dan vijf sterren toebedeeld. Juan en Margareta kregen een maal toebedeeld dat geen ander jong en dartel koppel uit die tijd te beurt zou vallen. Het geluk kon niet op. De cadeaus die ze daarbij kregen staan de dag van vandaag nog beschreven. Het prinsenpaar beleefde een periode van fel geluk, rijkdom, genegenheid, beroemdheid, vrienden…

    Geen enkel kledingstuk zou nog in haar kamer te vinden zijn. Daar hadden de meisjes voor gezorgd. Dat was de regel. Deze nacht die bezig was te gebeuren moest eveneens een memorabele voor haar zijn. Margareta, de jonge vrouw, door kerk en staat zonder dwang gelaten, zou wederom haar plicht moeten bewijzen. Alleen gelaten in haar kamer met enkel een zacht nachtkleed aan, keek ze even door het raam en zag de stad zich dolfeesten. Vuurpotten verlichtten de donkerte waardoor er geen ster meer te zien was aan het firmament. Toen klopte iemand aan de deur! Het was haar prins. Ze deed aarzelend open en liet hemzonder dralen binnen. ..

    Hier wordt “De Geschiedenis” meestal een halt toegeroepen en moet ze aan deur blijven staan. Dat was zo in die tijden. Voyeurisme zou men toen zeker hebben bestraft met een hels leven op de galeien of met een geketende verre bedevaartstocht naar Jeruzalem. Uiteraard gingen kroniekschrijvers dromen en gingen vermeende verhalen neerpennen die hun eigen leven gingen leiden en die de ware geschiedenis gingen verdoezelen. Over dit huwelijk bestaan de meest onstuimige verhalen. Wij blijven evenwel bij de werkelijkheid.

    Margot schreef naar haar vader:" Mijn echtgenoot is edel en van zo'n beminnelijke natuur, dat ik snel mijn angst verloor. Ik heb deze dagen en groot wonder beleefd en weet nu , hoeveel lieflijkheid erin het woord 'Minne' schuilt. Omdat ik hierover echter niet méér kan zeggen, moet ik zwijgen, omdat mij bij het schrijven de tranen in de ogen springen. Maar ik huil niet van verdriet...'

    Feit was dat Margareta moest vaststellen hoe vlug Juan vermoeid raakte. Mager als hij was- een koene ridder zou hij nooit worden- al had hij de leeftijd van 19 jaar. De prins raakte door de festiviteiten ernstig over zijn toeren, maar bundelde dagelijks al zijn krachten om met Margot aan zijn zijde het volk van Burgos te blijven verrassen. Hij liet evenwel geen dag onverlet om ’s avonds bij haar op bezoek te gaan.

    De dagen die volgden hadden hun agenda. Columbus bezoek binnen de muren van het Casa del Cordon hadden hun effect niet gemist. Niet meteen had Margareta de onvoldaanheid van Isabella door op de beperkte ontdekkingen van Columbus tweede reis. Margot was in de wolken oog in oog te mogen staan met de wereldberoemde expeditieleider. Ze hadden het wellicht over papegaaien en zeker over de hare die ze nog als geschenk had gekregen van haar moeder.


    Almazan, ongerustheid over Juans gezondheid.


    Na de grootse feesten verhuisden Margareta en Juan naar het paleis van Almazan. De lente fleurde alles op, de natuur en de temperaturen stegen in waarde. Hier leerde ze Juan nog beter kennen en smaakte ze zijn liefde voor muziek en dieren. Deze twee jonge zielen hadden elkaars gezelschap graag en zoiets bleef niet on- opgemerkt.

    Rijen genodigden van belangrijke heren deden hun opwachting om de handen te kunnen drukken van het prinsenpaar. Het ene galabal volgde het andere op. De ene stad na de andere kwam aan de beurt om Juan en Margareta blij te ontvangen, “Blijde Intochten “noemden ze dat vroeger. Het feesten hield niet op. Juan verlangde weliswaar elke avond naar haar. Haar kamerdeur ging alsmaar open. De katholieke plicht had Margareta duidelijk gemaakt om te zorgen voor een opvolger van haar man. Ze had daar wellicht geen moeite mee en moet als jonge vrouw blij verrast geweest zijn een tedere jonge minaar naast haar in bed te mogen hebben . Jeugdig als ze beiden waren!

    We overdrijven niet. De geschiedenis laat het ons na en mogen het dus naar waarheid vertellen. Juan geraakte meer en meer in ademnood. De chirurgijns hadden de koning ingelicht en die had paniekerig gereageerd en voorgesteld om die twee van elkaar te scheiden. Vervolgens moest Margareta het komen uitleggen bij Isabella. Het gesprek verliep niet sereen, gezien ze het verwijt kreeg Juan des ’s nachts af te matten, waarop Margareta met al haar diplomatie naar de drukke dagelijkse agenda verwees en de koningin toch diende te weten dat haar zoon recht had op een nakomeling en ze door de kerk daartoe de plicht had telkens de prins erom vroeg. Ze wees haar schoonmoeder ook op de harde realiteit dat Juan altijd een zwakke gezondheid had gehad. Zo had hij haar toch verteld. De Castiliaanse Queen begreep de situatie en kon zich vergenoegen met de argumentatie van Margot die de hele situatie nuanceerde.


    Medina del Campo; pokken komen de pret bederven.

    Het robuuste fort van Mota in Medina del Campo in de provincie Valladolid ( foto;Quinok PDD-)


    De drukte en de uitnodigingen bleven het paleis bestoken om het jonge paar te mogen ontvangen. Margareta had op een dag haar hofdames gewaarschuwd dat ze mogelijk zwanger was. De zomer bracht nog meer vermoeidheid door de hitte die het land ontwikkelde. Voorzien was, dat ze moesten verhuizen naar Medina del Campo een andere residentiestad van de katholieke koninklijke familie. Deze stede had een sterke omwalling. Op het hoogste punt stond een waar middeleeuws kasteel omringd door een slotgracht en een ferme ophaalbrug. Veilig moet het er in ieder geval geweest zijn. Misschien is dit ook de reden dat binnen de muren van Medina er aan geldhandel werd gedaan. De koninkrijken van Aragon en Castilië zouden hier in 1489 met de Engelsen een handelsakkoord hebben gemaakt.

    Onze tortelduiven zouden in deze cité de zomer doorbrengen. Dat was toch de bedoeling. Ze verbleven in de palacio reynal van Ferdinand en Isabella. Op het programma stond nog een bezoek aan de stad Salamanca waar hun opnieuw een hele resem festiviteiten de beurt zouden vallen.

    Op een dag maakt de prins hevige koorts en moet het bed houden. De hofartsen deden de nodige ingrepen door bloed af te tappen zodat de koorts kon dalen. Men vreesde evenwel dat hij door de pokken was besmet. Een dodelijke ziekte waarvan men maar 50 % kans had ze te overleven. De hoest die hij regelmatig liet horen baarde ook zorgen. Mogelijk had hij een lichte variant van de vreselijke pokken gezien hij genas zonder blijvend letsel. Juan kwam evenwel verzwakt uit het ziekenbed en moest totale rust nemen. Dit kwam goed uit, nu Margareta zwanger was kon hij alzo op krachten komen. Blijkbaar recupereerde hij niet al te vlug en leek er wat anders aan de hand. Artsen vreesden dat de prins aan tuberculose leed.

    Het is 20 september. De kroonprins is aan de beterhand. Salamanca maakt zich op om eindelijk het pas gehuwd paar te mogen en kunnen ontvangen. De voorziene festivals krijgen hun plaats op de royale agenda. Verschillenden daarvan gingen door in het paleis van Fray Diego Deza. Deze beroemde man was bisschop van Medina en was bovendien de leermeester van Juan die zich, sinds 1486, sterk spiegelde aan deze prelaat(14).

    De burgers keken uit naar deze happening van het jaar. Bedoeling was dat Margareta en Juan, elk gezeten op een paard, de stad zouden binnen rijden onder de veilige ogen van de militaire escorte. Hij voelde zich plots niet goed. Margareta zag zijn gelaat wit worden. Zweetdruppels borrelden op zijn voorhoofd. Hij kon het volk niet meer begroeten. Zijn hand werd zwaar als lood. Het zwart kwam voor zijn ogen en viel vervolgens van zijn paard. De verbijstering was groot. Margareta steeg af en rende op hem af. Geen enkele grimas zag ze nog op zijn gelaat. Wat ze tot dan toe niet wou aanvaarden leek werkelijkheid te worden. Juan was stervende. De feeststemming van Isabella en Ferdinand sloegen om in een dramatisch onbehagen. De omstaanders hadden door dat er wat vreselijks was gebeurd. Het Koninkrijk kreeg hier in Salamanca een dreun van jewelste. De stadsvreugde doofde gestaag uit. Zo ook het leven van Juan. Chirurgijns bevestigden de dood van zijne prinselijke hoogheid. Volgens hen zou hij zijn gestorven aan tuberculose. Het is 4 oktober 1497. Salamanca treurt, ook het Spaanse hof. Margareta ziet men niet meer. De smart voor haar is te groot. Opnieuw sloeg het noodlot toe; l' Infortune, zoals ze later verklaarde. Ze verwijt God niets, alleen de leegte en het verdriet zijn ongemeen hard. Ze sluit zich op. Haar tranen kan ze niet bedwingen. Het kind in haar buik voelt het drama, het verdriet van de moeder is voor het ongeboren kind te sterk…

    De hoop van Spanje op een mannelijke opvolger leefde nog weken sterk door. De geboorte van de baby was een dramatische tegenvaller: het kindje overleefde de geboorte niet. Enige troost misschien; het was een meisje (15).


    Terugkeer naar de Nederlanden

    Ze had zich lang van de buitenwereld afgesloten. Ze had naar haar vader geschreven met verzoek er voor te zorgen dat ze Spanje kon verlaten. Dat duurde nog twee jaar. Ondertussen hielp ze mee in de bestuurszaken van Isabella.

    In de herfst van 1499 kon ze beschikken en had ze het geluk vrijgeleide te krijgen van de nieuwe koning van Frankrijk Lodewijck XII. Door hem vernam ze dat haar vorige man Karel VIII was komen te overlijden door een stom ongeval.Hij had in een dronken bui, alhoewel hij maar 1 meter 50 was, zich hevig gestoten tegen een balk van een plafond waarbij zijn schedel verbrijzeld werd!? Ongelovig toch?

    Het nieuws zal haar geen deugd hebben gedaan. Heel wat herinneringen aan de Franse tijd borrelden opnieuw in haar op.

    Ongedwongen kon ze Frankrijk doorreizen. Ze werd bejubeld door velen. De reis door het land, waar ze koningin van zou worden, eindigde vrij laat. Ze arriveerde in Gent op vier maart. Enkele dagen nadien schonk Joanna van Castilië, echtgenote van Filips de Schone, haar broer, het leven aan een jongen, die Karel werd genoemd. Niemand kon voorspellen dat dit jongetje ooit keizer zou worden van een rijk waar de zon nooit onder zou gaan.

    ------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------

    Fortune, Infortune, Fortune, moet de jonge Margareta dikwijls hebben gepreveld. Het is tenslotte haar lijfsperuk geworden.

    ----------------------------------------------------------------------------------------------------
    Geconsulteerde werken:

    Triest M, Macht, vrouwen en politiek 1477-1558, Van Halewijck Leuven
    Leitner T, Margareta en Maria, Landvoogdessen der Nederlanden, Bekking Amersfoort.
    Morren P, Van Karel de Stoute tot karel V 1477-1519, Garant Antwerpen -Apeldoorn
    De Maesschalck E, De Bourgondische Vorsten 1315-1530, Davidsfonds
    Marti S, Karel De Stoute, Pracht en praal in Bourgondië, Mercatorfonds


    Voetnoten

    1) Haar grootvader Karel de Stoute had in verband met zijn tentenkamp een grote faam weten op te bouwen. Wanneer hij sneuvelde hadden zijn overwinnaars geheel het kampement als buit genomen. Niet vreemd wanneer de hertogelijke tent met parels versierd was en reuze tapijten zijn interieur sierden. Bovendien hoefden de kampeerders geen honger te lijden. Heel wat handelswaren en specerijen lagen er gestockeerd. In het stadhuis te Mechelen zijn twee schilderijen te bewonderen waarop het beleg van Neuss staan afgebeeld. De tent van Karel de Stoute is een blikvanger in het geheel van het beleg.( Uit Karel de Stoute, Pracht en praal in Bourgondië, Mercatorfonds.) Margareta's tent had zeker niet de grandeur als die van haar grootvader. Het Hof van Savoyen, haar paleis ,was klein en sober in vergelijking van andere Bourgondiërs van haar rang. De appartementen voor haar gasten had ze eenvoudig ingericht zonder al te veel waardevolle pronkstukken.

    2)In Frankrijk had Anne de Beaujeu, dochter van Lodewijck XI, Margareta streng opgevoed, met regels en voorschriften die ze van buiten diende te kennen. Hoe ze zich nederig diende te gedragen wanneer de koning haar wat vroeg. Ze raakte erg gewend aan Anne die haar bovendien talen leerde en haar in de kunsten onderwees. ( Thea Leitner en Monica Triest)

    3) Hier hebben we naar mijn mening een nieuw spoor gevonden. Het lijkt een beetje een raadsel te zijn waar Margareta van Oostenrijk en Juan voor de kerk trouwden:
    Paul Morren en Monica van Triest schrijven enerzijds dat ze in alle intimiteit in het San Trinidadklooster te Burgos officieel in de echt verbonden werden, terwijl anderzijds Monica Triest citeert: "Haar huwelijk met Juan werd in alle intimiteit afgesloten op 18 maart 1497 en vervolgens plechtig ingezegend door de aartsbisschop van Burgos. Daarna was het een week lang feest.'
    Thea Leitner gaat resoluut voor een huwelijk in de kathedraal van Burgos dat doorging op 3 april 1497. Ook Edward de Maesschalck laat ons koppel in Burgos het ja-woord zeggen op 3april 1497 zonder evenwel te vernoemen in welke kerk.
    Dankzij het internet geraken we ook op het Spaanse net. Verwonderlijk toch dat heel wat websites het hebben over het huwelijk van Juan en Margareta van Oostenrijk. De meesten schrijven over een huwelijk in Burgos, zelfs Wikipedia bevestigt dit. Door het natrekken van de weg tussen Santander en Burgos, de N 623, kwam ik via een site over Puerto del Escudo terecht op het web waarvan de link ons brengt in Villasevil. Een andere website verwijst ook naar dit dorpje en meldt dat mogelijk ook het stadje Reinosa de huwelijkskandidaten in de echt zou hebben verbonden. Echter zijn er meer bronnen die verwijzen naar Villasevil, waaronder één die Karel in 1522 in het desbetreffende kerkje van Villasevil voor het altaar zien knielen! Ook komt de naam van hofarts Toledo naar voor die het plaatske Villasevil voor de geschiedenis zou hebben prijsgegeven. Kortom in de fotoreeksen van Villasevil komt het kerkje Sint -Cecécilia dikwijls voor, zelfs op youtube! Misschien moeten we maar eens in contact komen met ons Spaanse internetschrijvers; zij moeten nog heel wat interessante informatie hebben over onze Mechelse Bourgondiërs.

    Het Spaanse web:

    Het landschap rond Villasevil

    http://wiki.worldflicks.org/villasevil_(santiurde_de_toranzo).html

    Verwijzing naar het huwelijk Juan van Aragon en Margareta van Oostenrijk in 1497 in dit kerkje, Sint Cecilia genaamd. Hiet schrijft men dat Keizer Karel in 1522 het kerkje kwam bezoeken.

    http://canales.eldiariomontanes.es/patrimonio/bics/bic38.htm

    Ook Wikipedia Spanje verwijst naar Villasevil en het bezoek van Karel V in 1522.

    Eventjes verder scrollen en je komt bij het dorpje Villasevil. Hier ook verwijzing naar het ja-woord van Juan en Margot in dit kerkje.

    http://www.cantabriajoven.com/santiurdedetoranzo/index.html

    Een Spaanse blogger of blogster die Margareta van Oostenrijk belangrijk genoeg vond om erover te schrijven.
    http://mujeresdeleyenda.blogspot.be/2010/02/margarita-de-austria-gobernadora-de-los.html


    Het volgende haalt de situatie aan van Reinosa als mogelijke plaats van het intieme huwelijk van Juan en Margareta. Hier verwijst men naar de hofarts Toledo, die naar Villasevil verijst.

    http://personales.mundivia.es/flipi/cuadernos/Cuaderno_18/Viajeros_ilustres.htm


    Een interessante Spaanse biografie rond het huwelijksgebeuren van Juan van Aragon en Margareta van Oostenrijk.( waarmee ik rekening hield)

    http://www.mcnbiografias.com/app-bio/do/show?key=juan-principe-de-asturias 


    4) Margareta moest zich wel aanpassen aan de strenge regeltjes inzake protocol. Het Spaans koningshuis had meer een afstandelijke houding tegenover volk en gezanten, terwijl het Bourgondische huis meer opener en jovialer was.

    5) Volgens de Spaanse Wikipedia ontstond bij de tweede bouwfase de binnenkoer met een bovenverdieping, later nog verhoogd met twee etages.

    6) De anders gelovigen met name Joden en Moslims vormden bedreiging voor het katholicisme. Joden waren volgens de toenmalige Kerk woekeraars die zonder arbeid geld verdienden. Meestal zaten ze mee in het circuit van de geldwisselaars. De moslims moesten het Iberisch schiereiland vrijgeven; zij waren de overwonnenen en bijgevolg konden zij niet meer thuishoren in de toenmalige katholieke wereld.

    7) Zie Wikipedia onder 5. Ook op de gevel van het paleis staat een aandenkinsplaat over het bezoek van Columbus op 23 april 1497.

    8)Nu magnetische variatie genoemd

    9)Margareta wordt andermaal geconfronteerd met bibliotheken. Zij zal tijdens haar verdere leven gedurig haar arsenaal aan boeken, manuscripten e.d. zien uitbreiden.

    10) Burgos ligt op de weg naar Compostela. In die tijd waren het niet alleen boetedoeners die op pelgrimstocht gingen. Ook heel wat gestraften waren onderweg, diegenen die door een vonnis op bedevaart moesten. Wellicht werd de stad algemeen afgesloten voor andere stedelingen, tenzij ze beschikten over een uitnodiging.

    11) Met grote zekerheid zegende Cisneros( Wikipedia Spanje) het huwelijk in wat ook een Spaanse blog ( zie hoger: Mucjeres De Leyenda) vermeldt.

    12) Die titel kregen ze in 1494.

    13)Joahannes van Keulen is de architect van de opengewerkte torens.Deze kerk bestaat uit zowel Franse als Germaanse gotiek. De torens zijn gebouwd in de 15 e eeuw. Tijdens zijn periode bestond er reeds een verhoogde vieringtoren maar die is in de 16e eeuw vervangen tot wat hij nu is.
    De bouwfase staat meer uitgebreid beschreven op de Spaanse Wikipedia. Margareta van Oostenrijk heeft wellicht een groot gedeelte van de hedendaagse Kathedraal kunnen bewonderen.

    14 Fray Diego Deza was nauw verbonden aan het Spaanse hof en verdedigde de ideeën van Columbus. Hij werd bisschop van o.a. Salamanca en later werd hij benoemd tot aartsbisschop van Sevilla. Door de paus stelde hem aan tot groot-inquisiteur van Spanje.
    Hij bestreed het onrecht binnen de Kerk en ijverde voor meer discipline. Bisschoppen namen het niet zo nauw met het celibaat en eigenden zich op onrechtamtige wijze gelden toe. De kiem tot de komende godsdienstoorlogen gistte reeds.

    15)Ook hier zijn meningen niet eenparig. In Spanje lijkt men meer overtuigd dat het een meisje was.


    Om te eindigen enkele Youtube filmpjes:

    Het mysterieuze Burgos: http://www.youtube.com/watch?v=c5iq1cb0_Sk
    Het hedendaagse Burgos: http://www.youtube.com/watch?v=nhp1AH1LpXY
    Een bezoekje aan het kerkje Sint Cecilia in Villasevil: 
    http://www.youtube.com/watch?v=WcngvcYPyig  (opent zich niet, u kan wel mits copiëren van de sleutel via google wel op het filmpje tercht komen)
    ----------------------------------------------------------------------------------------------------


    26-05-2012 om 00:00 geschreven door BELLON MARC


    Categorie:Paleizenstory
    >> Reageer (0)
    27-03-2012
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Leeuwse en Diestse getuigen over de ketting van de Zenne

    Zoutleeuw?

    Oude kronieken meldden dat de lucht in Zoutleeuw heel ongezond was, dat er niemand lang kan blijven zonder ziek te worden. Vorsten zouden gestraften naar Zoutleeuw zenden omdat ze alzo vlug naar de eeuwigheid zouden gaan.

    (De Seyn E. Geschied- en Aardrijkskundig woordenboek der Belgische Gemeenten. Brussel Bieleveld – Warmoesberg 66.)

     

    Zoutleeuw is gelegen in de provincie Brabant in het arrondissement Leuven, tussen de steden Tienen en St-Truiden.   Haar grond heeft  een rijke geschiedenis.

    Op het einde van het Diestiaan, ongeveer zo’n 6 miljoen jaar voor Chr. en het late Tertiair, trok de zee zich voor een laatste maal naar het noorden terug. Zo ontstond er een stelsel van evenwijdige rivieren met een noordelijke en noordoostelijke oriëntatie, gericht naar de toenmalige zee in het noorden.

    De Gete behoorde hiertoe. Later werden de te diep ingesneden rivierdalen alluviale vlakten en werden de droge delen langzaam begroeid met loofbos, de belangrijkste vegetatie van de streek.

    In de vroege middeleeuwen werden grote delen van Haspengauw  ontbost en omgezet naar akkerland. Het gevolg was dat grote overstromingen optraden. Om dit te verhelpen werden vloedgrachten gegraven. De Vloedgracht en de ‘s Hertogengracht zijn zo ontstaan.

    Zoutleeuw ligt in een open landschap dat gevormd wordt door de beekvalleien die noord-zuid lopen. Ze vormen de grens tussen het Hageland in het westen en Haspengauw in het oosten. Het betreffen  de valleien van de Grote en Kleine Gete die nabij Budingen  samenvloeien. Even verder komt de Vloedgracht in het water van de Kleine Gete.  De beekvalleien zijn lager gelegen gebieden omringd door  plateaus of heuvels zoals de Ransberg met het Tienbundersbos, het coulissenlandschap tussen Zoutleeuw centrum en Dormaal en het open landschap met holle wegen.

    Dus wees gerust: Er is niets mis met de lucht van Zoutleeuw. In tegendeel, het groen is hier groener. Een stad met zuivere lucht!  Voor beesten en vogels is het een paradijs.

    --------

    (Geologie ex:  Ruimtelijk structuurplan Gemeente Zoutleeuw)


    Zoutleeuw heeft alle kenmerken van een middeleeuwse stad.  Het stadje op zich  is niet groot maar bezit  rijke  monumenten. Niet verwonderlijk gezien ze  één van de acht grote steden van Brabant was samen met Leuven, Brussel, Antwerpen,Mechelen,   ’s Hertogenbosch, Tienen en Nijvel . Ze noemde toen nog “Leeuw”.  Ze bezat een bloeiende handel in wol en laken alsook in haring, zout en turf. Ze kon bogen op een jaarmarkt en bezat een eigen muntatelier. Zoutleeuw had daarbij een strategisch belang. De hertogen van Brabant maakten van haar een speerpunt op het Prinsbisdom Luik en de achterliggende Duitse staten. Zoutleeuw, de garnizoenstad zag er in 1307 stevig uit met heel wat soldaten.  Het stadje lag bovendien op de belangrijke handelsweg Brugge- Keulen waar ze economisch kon van profiteren. Heel wat goederen arriveerden  per schip alsook via de handelsweg en kenden hier hun overslag.   Zoutleeuw  had een sterke reputatie in verband met goederenvervoer langs he water.  De Leeuwen ontmoette men zowel in Engeland, Vlaanderen,  Zeeland, Antwerpen en Mechelen  als in Luik, Loon, Namen en binnen de regio van Tienen.  Op de waterweg tussen Zoutleeuw en Mechelen lag Diest. Ook deze stad  profiteerde van de Zoutleeuwse welvaart. Ze hield markt en ontwikkelde  een binnenhaven.  De hoogconjunctuur van beide steden zou tot halverwege de 15e eeuw duren.


    (Ex: Hasquin H, Van Uytven R, Duvosquel J.M, Gemeenten van België, geschiedkundig administratief-geografisch woordenboek, Gemeentekrediet van België 1980.

     

    De Mayer J en Heysman P, Geuren en kleuren- een sociale en economische geschiedenis van Vlaams –Brabant.

    ex:  Ruimtelijk structuurplan Gemeente Zoutleeuw)

     



    Laat ons  even surfen naar die tijd. We waggelen zowat tussen de 14e en de 15 e eeuw.(1)

    Het is druk in de Schipstraat. De kleine Gete zorgt hier voor een mooi  tafereel. Kaarsrecht vloeit ze de straat verder af en wordt  ze  overbrugd om karren te laten passeren. Die kleine niet brede waterweg loopt in het midden van de straat. Gebouwen flankeren haar . In de voor Zoutleeuw belangrijke 14e eeuw meerden hier jaarlijks 400 scheepjes aan . Op de kade  lagen zakken met brokken zout  alsook ijzer dat uit Namen en Luik kwam .  Dragers losten een klein schip met turf, terwijl men wat verder  een andere boot netjes vulde met graan om naar Brussel te vervoeren. Dat graan  kwam uit de landen van Luik en Loon en werd droog gehouden op de zolders  van de lakenhalle wat verder gelegen. Je moest dan  voorbij de imposante Sint-Leonarduskerk met zijn robuuste vierkante torens. Het bolwerk  zat in haar laatste bouwfase. Grote namen van architecten  hadden hier hun kunsten in stenen gelegd, zoals Mathys de Layens, Sulpicius van Vorst en  Mechelaar Rombout II Keldermans.(2)  Het gerucht deed de ronde dat deze laatste ook de bouw van het stadhuis op zich zou nemen.

    Bij een  O.L.Vrouwbeeldje, dat de mensen daar “ Ster der Zee” noemden, stond schipper Renier van Liefkenrode. Die stond op het punt te vertrekken richting Mechelen met een partij tarwe. Zijn vader Henric had in het refugium  van de abt van Villers, vlakbij de Dijle aan de Kraanbrug, een zolder gehuurd om de goederen er in  op te slaan. Ook bezat hij een gebouw aan de Zoutwerf om er zout in onder te brengen.  Het specimen bleef er soms een half jaar liggen en moest dan in stukken gekapt worden om het vervolgens in zakken op een berrie naar de boot te versjouwen.  Het zout kwam meestal  uit Steenbergen. Toen leek dat stadje inderdaad  een belangrijke zoutproducent te zijn geweest. Vooral  veenzout bezat een hoge kwaliteitsgraad en zag witter dan andere gewonnen zouten. Het zout uit Steenbergen werd bekomen door het veenturf te verbranden en de as daarvan in zeewater  te laten  koken. Wanneer het water  was verdampt bleef er wit zout achter.  Hoe witter het zout er uitzag  hoe meer je er moest voor betalen. Renier wist ook te vertellen dat hij zout uit Steenbergen en Tholen aan de Mechelse  kraanbrug liet overslaan van een Haarlemmer(3) in zijn eigen schip.  Renier  voer  ook regelmatig via de Zenne naar Brussel met een vracht appelen.  Nimmer had hij hinder ondervonden door de ketting in Heffen. Voor zijn zoutaanvoer en zoutuitvoer betaalde hij in Mechelen  telkens  één groten Vlaams voor zijn schip, meer niet.
    Vader  Henric  had de stiel van schipper lang uitgeoefend. Hij begon in het jaar 1372 en hield het voor bekeken in het jaar 1407 of zo’n 35 jaar lang. Deze man had faam opgebouwd en bracht het tot schepen van Zoutleeuw.

    Zoutleeuw: De Schipstraat, de Leonarduskerk, de kleine  Gete nabij het centrum.(eigen foto)

    Hij vervoerde regelmatig zout. Reden  om hem, lang na zijn vaarleven, nog als getuige te horen voor het Groot Stedenproces.  In opdracht van Filips de Goede, startte de verhoren te Gent in het jaar1433. Vijf Leeuwenaars en twee schippers uit Diest legden hun verklaringen af te Brussel op 12 juli. Uit Henrics verklaring blijkt dat hij  zout  invoerde uit Tholen en Steenbergen. Het zouttransport  binnen Brabant was hoofdzakelijk bestemd voor  Antwerpen en Mechelen.   In deze laatste stad betaalde hij enkel één oude groot voor de doorvoer van zijn zoutlading naar   Zoutleeuw.   In opdracht van de families  Riquarts vervoerde hij het wit goedje met regelmaat naar Brussel via de Zenne. Hij verklaarde geen  hinder te hebben ondervonden van  de ketting  te Heffen en werd  hij ook nooit omgeleid naar Mechelen. Volgens hem zou de ketting er gekomen zijn als reactie op het bolwerk te Rumst(4).  De schipper bleef erg vaag omtrent het gebruik van de ketting in Zemst. Hij had wel gehoord over incidenten met Antwerpse en Brusselse schepen. Maar of Mechelen in die situaties onrechtmatig zou hebben gehandeld liet hij in het midden.

    Zijn verklaringen zijn op zijn minst gezegd erg karig. Dat had te maken met zijn handelsrelatie die hij had met de stad Mechelen.  Wat hij ook zou getuigen, het zou hem nadeel berokkenen. Deze commerciële houding  zien we veelvuldig opduiken in het Groot Stedenproces.  Eens de raadsheren beslisten alle verklaringen betreffende inbreuken op de stapelrechten  te publiceren met de volledige identiteit van de getuige, ontstond er  een enorme terughoudendheid bij de schippers en weigerden ze  deze maatregel te aanvaarden.

    Ook Renier bleef in de mist zitten en kon geen beschuldiging vinden aan het adres van de stad Mechelen.

    Hun collega Jehan de le Gehuchte vaarde 34 jaar tussen Zoutleeuw en Antwerpen via Mechelen. Hij had nooit hinder gehad, noch in Mechelen, noch op de Zenne bij Heffen. Dat er schepen aan de ketting lagen ontkende hij niet.  Hij meende echter dat God maar moest oordelen of de ketting  op een niet correcte wijze door de Mechelaars werd gebruikt. Wel interessant om vernemen is wat deze schipper regelmatig vervoerde. Hij vertrok met appelen in Zoutleeuw en kwam terug met een vracht haring, gerst en zout uit Mechelen. Voor het zout moest hij voor de doorvaart van Mechelen  twee kromstaarten betalen, dat waren zilveren munten die een waarde hadden van twee grote VLaams. De haring, zo liet de schipper ons na, kwam toen uit het Zweedse Schonen, terwijl hij gerst en haver respectievelijk uit Holland en Zeeland invoerde. 


    Gerard de le Gehuchte beaamde de verklaringen van voorgaande getuige. Ook hij had nooit hinder ondervonden in en rond Mechelen. "Het geschil is voer voor advocaten", zo liet hij acteren.
    Tenslotte was er nog leeuwenaar Jehan Stevens. Maar ook die beweerde dat voor hem Mechelen nooit lastig had gedaan.

    De twee schippers uit Diest weken met hun verklaringen niet ver af van hun collega's uit Zoutleeuw. Wel boeiend zijn hun vrachten die ze vervoerden. Bellen de Breden, 62 jaar, vaarde 40 jaar naar Antwerpen en Gent via Mechelen. Hij legde in Zoutleeuw aan met tarwe en rogge dat hij insloeg in Antwerpen. Die twee producten kwamen uit het toenmalige Kalingrad en Lijfland(5). Zijn zout ging hij halen niet alleen in Steenbergen en 
    Tholen(6) maar ook in Remerswael en Zevenbergen(7). 
    Hij vertelde aan de ondervragers wel een geschil dat hij had meegemaakt te Mechelen. Zo moest hij eens onverwacht  accijns betalen voor het zout, wat tegen de gang van zaken leek te zijn. In 1413 zou Mechelen dit initiatief hebben genomen, wat ook in het verkeerde keelgat schoot bij invloedrijke mensen uit Zoutleeuw en Mechelen twee van hun gezanten op bezoek kreeg. Maar voor het overige geen kwaad woord over de heerlijkheid Mechelen.
    De andere Diestenaar laat ons genieten over de toepassing van het stapelrecht. Jehan Vaerman vertelde dat in de periode van het bolwerk op de Rupel er geen gram zout in Mechelen te bekomen was. Hij diende het zout te halen in Antwerpen. Hij moest dan drie getijden wachten alvorens hij het zout naar Diest mocht vervoeren. Dat recht noemde men de stapeldwang.  Een truc om het product in kwestie bij voorrang in de stapelplaats te koop aan te bieden.

    Dit verhaal leert ons veel over het vervoer van goederen, van waar ze afkomstig waren, het zout voor Brabant enkel bestemd was voor Mechelen en Antwerpen, op zout geen accijns werd geheven, men wel moest betalen voor de uitvoer ervan, wat stapeldwang betekende, over een nieuwe munt de Kromstaart, de Leeuwen een zeker privilegie moeten hebben gehad binnen de heerlijkheid Mechelen en blijkbaar enkel Antwerpenaars en Brusselaars te maken kregen met de ketting in Zemst, over appelteelt in en rond Zoutleeuw en wat we niet hebben verteld hoe Aarschot wat met wijnteelt heeft gehad.

    Het is dankzij de auteur J.P Peeters, we een beter beeld krijgen over handel, producten en gewoonterecht in die tijd; zegge en schrijven rond 14e en 15e eeuw. Heerlijk om dit uit het archief te halen. Niets is mijn verdienste, enkel de vreugde hem te kunnen citeren. Dank zij hem wordt nog maar eens bewezen hoe belangrijk Mechelen was ten tijde van de hoogconjunctuur in Brugge. 

                                                             Zicht op de Demer toen ze bovengronds door Diest vloeide(*)
     
    -------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------

     

     Voetnoten:
    1)Op basis gegevens  Uit handelingen Koninklijke Kring voor Oudheidkunde, Letteren en Kunst van Mechelen, J.P Peeters, Getuigen uit Zoutleeuw en Diest op het Groot Stedenproces omtrent de Mechelse stapelrechten 1433. Boekdeel 2002 DL 106.
    2) Michelin, De Grote Gids België, uitgeverij Touring:Lannoo 2004.
    3)Schip gemaakt in Haarlem. Zo ook maakte Mechelen in die tijd schepen zoals de gekende Mechelse schuit.

    4)Anton van Bourgondië was toen hertog  over Antwerpen en was de broer van hertog Jan zonder Vrees. Het is onder zijn bewind dat het bolwerk over de Rupel werd geplaatst om er de schepen naar Mechelen te controleren. 
    5)Auteur J.P Peeters verduidelijkt in zijn voetnoten: Kalingrad was toen een gebied gelegen in Noord Duitsland,Pruisen alsook delen van Polen en Litouwen. Lijfland was een gebied in de huidige Baltische staten als Letland en Estland.
    6)ex: http://islas.ruudbijlsma.nl/tln_nl.htm
    7)ex:http://www.plaatsengids.nl/zevenbergen

    *foto, auteur onbekend, kan nog onder auteursrechten vallen, publicatie onbekend. 

     

    27-03-2012 om 00:00 geschreven door BELLON MARC


    Categorie:Stapels
    >> Reageer (0)
    10-03-2012
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.De Zenne
    De kronkelende Zenne die in de Dijle uitmondt. Ook zien we de rechte Leuvense vaart die zich op hetzelfde punt  in de Dijle uitlaat
    Een luchtfoto van Alcide
    overeenkomstig de GNU-licentie voorwaarden voor vrije documentatie


    De Zenne, ooit  haatte ze tijdens de middeleeuwen de Dijle.  Die twee konden van elkaar niet watertanden. Immers Brussel groeide, wou beroemd worden, wou groter zijn dan Mechelen.  In de waterspiegel zag ze haarzelf als de stad van een één gemaakt Europa  groter dan de Nederlanden.

    Aan de Scheldekaaien van Antwerpen nam het maritieme leven eind 15e eeuw gestaag toe. Portugezen, Spanjaarden, Engelsen, grootse Hanzaschepen,  Zeelanders en Hollanders ze brachten met  gemak hun waar aan land en vulden hun schepen met inheemse goederen zoals Vlaams en Brabants laken.

    In Brugge  zag men de cijfers dalen, de druk vanuit Antwerpen nam toe.  De Bruggelingen hadden niet het fanatisme hun handelstroeven krachtig aan te prijzen. Een jaarmarkt hielden ze niet. Andere steden zoals Antwerpen en Mechelen deden dat wel!  Die quasi kustjongens  misten hier de enorme kans hun belangrijkheid aan te tonen.  Ook namen ze het niet zo nauw met hun hertogen. Filips de Goede zou nooit vergeten hoe de Bruggelingen in paniek raakten wanneer hij met een leger van Picardische soldaten doorheen Brugge trok. Zowel verschillende inwoners van de stad als een handvol doortrekkende soldaten vonden er de dood door Brugse handboog-schutters. Hun stedelijke handelaars  en kooplieden zullen zeker verbolgen zijn geweest. Het bleef  helaas niet bij die ene onhandigheid.

    Mechelen, die  stevige heerlijkheid,  een beetje het Monaco van toen met een handvol sterke visitekaartjes van graven en hertogen, wist goed hoe de zaken evolueerden en verdedigde haar maritieme  economie met verve tot spijt van wie het benijdde. Het zwaartepunt van de economie was bezig zich te verplaatsen. 

    Tenslotte waren het de wereldheersers die de touwtjes in handen hadden en verdomd goed wisten hoe Antwerpen, Brugge en Mechelen te hanteren voor hun materiële welzijn, hun doel, hun streven.

    Misschien komt de stapelkwestie wat  overdreven over. Mensen hebben altijd de neiging een moeilijke situatie, dikker in de verf te zetten dan ze eigenlijk was. Daarom is geschiedenis zo boeiend.


    Feit is dat handelaars zich het niet permitteren konden voortdurend strijd te voeren. In het vooruitzicht van het groot stedenproces  bestaan er geschriften over  enkele schippers uit Zoutleeuw die  te Mechelen een stapelruimte hadden. Hun verhaal geeft heel wat details vrij over de handel op het water. (Kortelings te lezen)

    10-03-2012 om 00:00 geschreven door BELLON MARC


    Categorie:Rond het onderwerp
    >> Reageer (0)
    24-01-2012
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Stapels concreter: Filips de Goede (3)
      Tweede commissie krijgt herkansing
     

    Wanneer  grote gebeurtenissen de overhand halen blijven de plaatselijke  problemen in de schaduw.

     

    'Het jaar 1430 luidde het begin in van het einde van de Honderdjarige Oorlog. Filips de Goede trok met een leger naar Frankrijk waar hij op 29 mei in de stad Compiègne Jeanne kon gevangen nemen. De toestand in Frankrijk verbeterde er evenwel niet op.

    De plotse dood van   Filips van  Saint- Pol, hertog van Brabant  in augustus 1430, verzwaarde de agenda van Filips nu Brabant als het ware te koop stond.  De moeder van Jacoba van Beieren had zich gepresenteerd  als kandidate erfgenaam voor Brabant, alsook Filips de Goede  zelf die een volle neef was van de gewezen hertog. Ook de Duitse keizer Sigismund kwam opdagen.

    Het lukte de Brabanders de Bourgondische hertog te kiezen. Zij wilden zekerheid en kapitaal met het doel  de zenuwachtige Duitse keizer buiten Brabant te houden. Met een hand vol geld leek moeder Margaretha tevreden om afstand van haar eis te doen.

    We zien vervolgens  Filips de Goede zijn blijde intrede  doen in Leuven, Brussel als in Antwerpen tijdens de maand oktober van datzelfde jaar. Brabant en Vlaanderen hadden voortaan eenzelfde vorst.

    Op 21 november verkoopt Filips de Goede Jeanne D’Arc aan de Engelsen. Haar dood op de brandstapel bracht niet onmiddellijk een verandering in de oorlog.

    De maanden die volgden kregen de Bourgondische bezittingen in de  zuidelijke grensgebieden het zwaar te verduren. Charolais, Rethel, Artesië en Picardië lagen regelmatig onder vuur.

    Het is Nicolas Rolin, de Bougondische kanselier, die zijn hertog ging overtuigen om alles in te zetten tot het bekomen van een vredesbestand.'(1)

    Uitzicht Mechelen rond de periode die hier aan bod komt. De tekening werd gemaakt vanop de Grote Markt. We zien de talrijke houten huizen. De Sint -Romboutstoren zou pas in 1452 worden gebouwd. De spitstoren van de toenmalige Sint -Romboutskerk staat nu elders in Mechelen naar de hemel te wijzen. Tekening JB d de Noter 'copyright SAM

    Het dossier Mechelen komt opnieuw op tafel bij de Bourgondische hertog.

     

    Hoe het handelsleven in Mechelen verliep tussen Brussel en Antwerpen tijdens heel deze periode  weten we niet goed. Hield Mechelen zich aan het bevel van hertog Filips de ketting te Heffen niet meer te spannen over de Zenne? Blijkbaar zijn er niet veel schermutselingen meer geweest sinds 1425  of wel?  Zou het  kunnen dat de politieke instabiliteit reden was dat klachten rond de stapels geen kans kregen om te worden behandeld? Was de stapelkwestie wel zo’n ernstig probleem als steeds werd beschreven?

    Uit de Mechelse archieven komt er een muffig document te voorschijn dat Mechelen schreef aan de poorters van de stad Brussel in de maand november van het jaar 1431. De inhoud van het perkament is sterk aan argumenten. (2) Blijkbaar was er wat gebeurd. Er is sprake dat een schip geladen met haver in Heffen aan de kant moest.(3)

    “Aan de poorters van de stad Brussel willen wij niet het minste kwaad berokkenen, maar gijlieden moogt niet uit het oog verliezen dat wij Mechelaars, door de hertogen van Brabant vanouds merkwaardiger wijze zijn geprevilligeerd geworden. Voornamelijk moeten haver, vis, zout en allerhande vlot te Mechelen aan wal worden gebracht en te worden gestapeld. Ten dien einde hebben de graven  van Vlaanderen in uitvoering van dit privilegie, ons toegelaten over de Zenne te Heffen de ketting te spannen, niet om die van Brussel te verontrusten en de benadelen, doch om de rechten van onze stad te vrijwaren en te verzekeren.”(4)

    'Deze reactie zette kwaad bloed bij de Brusselaars. Samen met de Antwerpenaars namen ze economische sancties tegen Mechelen. Er kwam een algemeen verbod noch goederen, noch proviand naar Mechelen te vervoeren. Inbreuken zouden worden bestraft met een boete van 20 gulden peters plus een in beslagname van de goederen en zouden de verantwoordelijken worden veroordeeld tot een pelgrimstocht naar Sint- Pieter en Paulus te Rome. Bovendien verloren de betrokkenen hun job of zouden uit hun ambt worden gezet.

    Deze actie kreeg onmiddellijk respons van Filips de Goede. Half januari 1432 stelde hij  opnieuw een commissie samen zoals in 1423. Er stonden evenwel enkele andere namen op de lijsten. Stuk voor stuk wijze heren, zoals doctors in het kerkelijk recht, een  erfkamerling, licentiaten  in de rechten, rechtsgeleerden waaronder de bekende Wielandt. Mechelen rekende op haar vertegenwoordigers Roeland van Uutkerken kapitein van de Mechelse troepen en de hertogelijke raadgevers  Colart de Commines, meester Symon de Fourmelles en meester Jan van de Keythulle. Zij werden bijgestaan  door de Vier Leden van de Staten van Vlaanderen. De Brusselaars zonden hun kanselier, Jan Bont, de Brabantse drossaard, Jan van Hoorn en hun hertogelijke raadgevers Raf de Grave en Hendrik Magnus naar de commissie  waar ze werden bijgestaan door de Staten van Brabant.   De commissie zou haar besluiten moeten voorleggen op 24 juni 1432 aan een  twaalfkoppige raad, samengesteld uit zes leden van de Vlaamse en zes van de Brabantse raden, om vonnis te vellen. Indien deze raad zich niet kon verzoenen zou ze advies  kunnen  inwinnen bij het Hof van Kamerijk. Gedurende heel die tijd was het niet toegelaten de ketting te Heffen op te halen en de scheepvaart voor en van Brussel te hinderen. De economische sanctie, genomen door Brussel en Antwerpen moest worden opgeschort. Tegensprekelijk werd toegezien op de naleving van de hertogelijk besluiten.'(5) De gewone mens, de havenarbeiders, de neringdoeners  konden opnieuw rekenen op arbeid terwijl de bevolking haar broeksriem niet vaster moest gespen.

      
    De tijd wanneer visersschepen op de Ijzerenleen aanmeerden. Tekening J.B. de Noter copyright SAM

    Er leek hoop in de maand maart. Had de hertog goed nieuws ontvangen van de commissie? De Mechelse schout had een vriendelijke  brief gekregen van zijne hoogheid waarin hij zijn verlangen uitte het geschil tussen Mechelen en de Brabantse steden persoonlijk op te lossen.

    Het is spijtig dat we tot hiertoe weinig of niets weten over het dagelijkse leven van de commissie, over haar agendapunten, haar discussies en meningsverschillen. Veel meer nieuws was er niet te rapen. Communicatie naar buiten leek er niet te zijn. Ook de hertog scheen weinig te weten.

    'Droefenis alom toen Filips op 24 juni moest vaststellen dat er geen noemenswaardige vooruitgang werd geboekt en men geen vonnis kon uitspreken. Reden hiertoe zou de tegenwerking zijn van de steden Antwerpen en  Brussel.'(6)

    Half juni bezoekt Filips de Goede  Mechelen  om haar privilegies en  charters persoonlijk te lezen. Het volk zag de Bourgondische vorst in volle ornaat. Zijn zwarte kledij en diens  kaproen maakten grote indruk.  Iedereen had het over zijn gouden ketting die rijkelijk om zijn hals hing. Velen wisten nog niet goed wat de Orde van het Gulden Vlies inhield. Enkelen konden  verduidelijken dat die door de vorst was ingesteld tijdens de  huwelijksfeesten in Brugge in 1430. Dat huwelijk met Isabella van Portugal, zo herinnerden de meesten, moet een enorm evenement zijn geweest waarbij het volk gedurende enkele weken  feest kon vieren en de wijn uit  speciaal gemaakte fonteinen vloeide. (7)

    Enkele dagen na zijn bezoek kreeg Mechelen van hem een brief met de melding dat hij de rechten van de Mechelaars zal handhaven  tenzij  Antwerpen en Brussel hun eisen konden bewijzen.  Filips de Goede verdaagde de uitspraak  naar 1 oktober. Mocht er op die datum geen verdict  zijn kon Mechelen haar rechten opnieuw laten gelden en de ketting te Heffen terug operationeel maken.   De inhoud van dit schrijven was speciaal genoeg om het te laten aflezen voor het volk. De mensen stroomden samen in het klooster der Minderbroeders waar de leden van het Hof en van de magistraat dit goede nieuws met fierheid verkondigden. (8)

    Opnieuw  zwijgt de geschiedenis tot 1 oktober.  Voor Antwerpen weten we dat zij heel wat brieven en getuigen hadden om aan te tonen dat zij van oudsher over de stapels van zout, vis en haver beschikten. Grote steden, als Keulen, Aken, Roermond, Gullik, Maastricht, Dinant, Namen, Luik, Hoei, Sint-Truiden, Bergen, Valenciennes, Edingen, Doornik, Kamerijk, Atrecht en Saint- Quentin bevestigden dit. Mechelen  bewees aan de hand van charters en oorkonden dat zij rechtsgeldig de voornoemde stapels mochten uitbaten. Brussel hekelde de vervloekte ketting op de Zenne die de vrije vaart  van en  naar Antwerpen hinderde. Mechelen verdedigde zich hierop met de verwijzing naar de akkoorden die ze had met de graven van Vlaanderen.

    Bizarre situatie gezien Filips de Goede  het hertogelijk paleis op de Coudenbergin Brussel stelselmatig aan het verfraaien was.(9) Brabant groeide uit tot een ware macht.  Samen met het oppermachtige en rijke  Vlaanderen  beheersten ze het economische leven. Bovendien hield Jacoba van Beieren zich niet aan haar gegeven woord. Door haar wispelturigheid probeerde  Filips de Goede haar aan banden te leggen door haar in 1428  een niet onbelangrijk document te laten ondertekenen waarin een volgend huwelijk dat ze zou aangaan de onmiddellijke overdracht zou betekenen van Holland, Zeeland en Henegouwen in zijn vorstelijke handen. Die akte  kreeg de naam  van: “De kus van Delft”.(10) En zie wat een kus kan veroorzaken in de geschiedenis. Jacoba moet op en bepaald ogenblik Frank van Borselen, gouverneur van Holland, heel  zoet hebben gekust,  waardoor deze haar ten huwelijk vroeg(11). Liefde is blind en zodoende verloor Jacoba door haar onbezonnenheid  heel haar onroerend goed. Alzo komt een nieuwe staat  tot ontwikkeling:  “de Nederlanden”. Of hoe Filips de Goede een sluwe strateeg was tot het verkrijgen van onnoemelijk  veel land en dit zonder bloedvergieten.  Je moet maar geduld hebben in het leven!

    Met de Blijde Intocht van Filips de Goede in Antwerpen tijdens de maand oktober  van 1430  had de magistraat een privilegetekst aan de vorst voorgelegd waarin onder andere bedongen werd de hindernissen voor een vrije doorvaart op de vaarroutes als in Hellegate, Hansbrugge en op de rivieren Schelde en Zenne binnen een termijn van vier jaar te laten beslechten door de  Brabantse en Vlaamse Raad.(12)

    De mislukking van de  tweede commissie had te maken met enerzijds de fameuze kus. Gezien Holland en Zeeland nu vrije doorvaart kregen binnen Brabant  zou dit klantenwinst opleveren voor Antwerpen,  Brussel en Leuven.(13) Maar de kanskaarten lagen bijzonder goed voor Mechelen. De stad zou het meeste voordeel halen uit die nieuwe economische situatie gezien haar verworven privilegies.  Aldus verstaan we  het  halsstarrig verweer van de Brusselaars en de Antwerpenaars. Anderzijds was het privilege dat de Antwerpenaars hadden voorgelegd aan de Bourgondische hertog bij diens Blijde Intocht een doorn in het oog van de Mechelaars.  Met de inhoud van die tekst zou men raken aan de aloude vaarrechten die Mechelen zo bijzonder maakten. Reden waarom de Mechelse magistraat dwars ging liggen en geen akkoorden wou afsluiten zolang die privilegietekst deel zou uitmaken van de commissiewerkzaamheden.  Het Brussels, Antwerps, Mechels probleem  zat zodoende in een patstelling.  

    Alzo bracht de eerste dag van oktober  geen soelaas in het geschil tussen Mechelen, Brussel en Antwerpen. Filips besloot uit te voeren  tot datgene wat hij was overeengekomen met de Mechelaars. De ketting in Heffen sloot de Zenne opnieuw af!   

    Zware schermutselingen met dodelijke slachtoffers.

     

     'De meiers van Kampenhout, Moerbeke en Wespelaar, die instonden voor de goede naleving van het Brussels-Antwerps embargo tegen Mechelen, werden prompt in de kraag genomen door de dienaars van de Mechelse magistraat en uit de stad en heerlijkheid verbannen. Antwerpen en Brussel reageerden als de paus van Rome door een ban uit te spreken over de twee burgemeesters en twaalf schepenen van de stad Mechelen. Ze werden allen veroordeeld tot de doodstraf.

    Geen gram graan kwam nog op de Mechelse kaden terecht.

    De schermutselingen gingen over in zware  handtastelijkheden, als we de kroniekschrijvers mogen geloven. Mechelaars moet je inderdaad niet onderschatten.  In  geheel de omgeving van de stad  gingen deurtjes en venstertjes dicht wanneer ze ten aanval trokken. Bij huidig geschil  zien we hen opnieuw schepen bewapenen.  Heel wat krijgers gingen aan boord.

    Op de Antwerpse stadsmuren zag men de Mechelse vloot naderen.  De kadepoorten gingen dicht. Men kon niet vermoeden dat de woede van de Mechelaars zo hevig zou zijn zodat  Antwerpen de strijd na een tijd  staakte. De Mechelse kroniekschrijvers riepen hun stadsgenoten tot grote overwinnaars uit. Hun daden werden bezongen. Hoe en wat die overwinning juist inhield is niet duidelijk.

    Een andere groep Mechelaars trok richting Brussel.  In Ruysbroek zou het tot zware gevechten zijn gekomen. Brusselaars hadden er zich  verscholen en vielen de Mechelse soldaten aan. De zwaarden kletsten hevig.  De Mechelse strijders dreven de Brusselaars  naar het kerkhof. Werden er kopjes kleiner gemaakt? Zijn hier buiken  opengereten? Spoot het bloed uit menig slagaders?  Inmiddels groeide het aantal Brusselaars aan. Die veroverden de kerktoren, ontmantelden  de klokken en smeten de klepels naar beneden. Als we de heroïsche geschriften lezen moeten hier heel wat doden zijn gevallen. De Mechelaars vochten verwoed verder maar moesten uiteindelijk het strijdveld, of  de dorpsguerrilla verlaten en opgeven  wat ze des nachts zouden hebben ondernomen.' (14)Volgens Antwerpse bronnen zouden vijf Mechelaars zijn gesneuveld.(15)

    Wellicht beperkte  al het geweld zich tot enkele groepjes milities om het probleem in de picture te plaatsen of  te laten escaleren  tot  een ware revolte.

    'Filips de Goede zat wel degelijk verveeld met de uit de hand gelopen gebeurtenis. Hij verzocht, begin november via door hem aangestelde commissarissen, de steden Brussel, Antwerpen, Mechelen de strijdbijl te begraven en alle uitgeroepen banvloeken te herroepen en de ketting opnieuw te laten zakken. Dit resulteerde in gesprekken waarbij Antwerpen en Brussel hun Mechelse acties opgaven. Mechelen kreeg bovendien he t akkoord van Antwerpen dat de zo gehekelde privilegetekst geen deel zou uitmaken van het hangend geschil.' Alzo eindigde het jaar 1432 in een hoopvolle toekomst. Nieuwjaar 1433 zal in Brussel, Antwerpen en Mechelen fel gevierd zijn geweest, althans tussen heel wat handelsmensen. De crisis leek echter niet voorbij. Een groots historisch proces zou uiteindelijk een einde moeten bewerkstelligen aan het Brabants- Mechels handelsconflict.  Een nooit geziene manifestatie kwam op dreef om getuigen op te sporen die inbreuken hadden vastgesteld van zowel Brussel, Antwerpen als Mechelen inzake de stapel- en vaarrechten. Zowel Brabant, Vlaanderen,  leverden ooggetuigen. Honderden verklaringen stroomden binnen, wat tot een administratieve chaos leidde en tot een juridisch steekspel uitgroeide.

     

     

     

     

    -------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------

    voetnotas

    1)('-') op basis De Maesschalck E, De Bourgondische vorsten 1315 - 1530,Davidsfonds.

    2) Van Balberghe J. Mechelen contra Antwerpen en Brussel. De strijd om de stapelrechten 1233-1785. Uitgave 1953 (SAM)

    3) Prims, Geschiedenis van Antwerpen, 4de deel, Kultuur en beschaving, G Lebonlaan 115, 1160 Brussel uitgave 1980.

    4) Van Balberghe J. Mechelen contra Antwerpen en Brussel. De strijd om de stapelrechten 1233-1785. Uitgave 1953 (SAM)

    5)De LaetBM, De strijd om het bezit en het behoud van de stapels voor vis, zout en haver, 1233 - 1467, verschenen in de Koninklijke Kring voor Oudheidkunde, Letteren en Kunst van Mechelen, uitgave 1986.

    6)idem.

    7) De Maesschalck E, De Bourgondische vorsten 1315 - 1530,Davidsfonds.

     

    8)Van Balberghe J. Mechelen contra Antwerpen en Brussel. De strijd om de stapelrechten 1233-1785. Uitgave 1953 (SAM)

     

    9)De Maesschalck E, De Bourgondische vorsten 1315 - 1530,Davidsfonds.

    10) idem

    11)idem het huwelijk greep plaats in het jaar 1432

    12)Prims, Geschiedenis van Antwerpen, 4de deel, Kultuur en beschaving, G Lebonlaan 115, 1160 Brussel uitgave 1980.

    13)idem

    14)('-')De LaetBM, De strijd om het bezit en het behoud van de stapels voor vis, zout en haver, 1233 - 1467, verschenen in de Koninklijke Kring voor Oudheidkunde, Letteren en Kunst van Mechelen, uitgave 1986.

    15)Prims, Geschiedenis van Antwerpen, 4de deel, Kultuur en beschaving, G Lebonlaan 115, 1160 Brussel uitgave 1980

    16)('-')De LaetBM, De strijd om het bezit en het behoud van de stapels voor vis, zout en haver, 1233 - 1467, verschenen in de Koninklijke Kring voor Oudheidkunde, Letteren en Kunst van Mechelen, uitgave 1986.

    <

    24-01-2012 om 00:00 geschreven door BELLON MARC


    Categorie:Stapels
    >> Reageer (0)
    25-12-2011
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Havenzegel Mechelen



    Uit Pleyte CM, De Pleit, historisch overzicht ex bib Steen Scheepvaartmuseum D.2857

                                                                     *************************

    25-12-2011 om 00:00 geschreven door BELLON MARC


    Categorie:Scheepvaart
    >> Reageer (0)
    29-11-2011
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Stapels concreter: Filips de Goede(2)

     Filips de Goede, graaf van Vlaanderen , heer van Mechelen

     

     

     

    Een spitsvondigheid met kwalijke gevolgen.

     

    Het is crisis rond de jaren twintig van de 15e eeuw. De Bourgondische hertog Jan zonder Vrees had men in Frankrijk in een hinderlaag gelokt. De Franse kroonprins had hem koelbloedig vermoord.  De daad van deze krankzinnige man ontklede Frankrijk helemaal. Eer en roem veranderden in  smaad en in minachting. Er was geen geweld meer nodig. De eens zo trotse Franse troon moest een Engelsman dulden.  Een aartsvijand! De schande trof  de Fransman tot diep in zijn merg en been. Er zou uit de hemel een Engel moeten komen om Frankrijk uit de modder te halen.

     

    De zoon van Jan zonder Vrees, Filips van Bourgondië, volgde zijn vader op. Hij had mee het verdrag van Troyes op 21 mei 1420 ondertekend waardoor hij  Frankrijk overleverde aan de Engelse koning  Hendrik V, een Lancaster. Filips keerde zich af van het Franse land gezien de laffe daad op zijn vader.

     

    Het klimaat dat jaar, leek mee te spelen om de sfeer nog meer te komen berderven.   Zeeland en Holland kregen een felle storm te verwerken in de nacht van 18 en 19 november van het jaar 1421. De katholieke mensen van toen geloofden in de bemoeienis van God in het strijdgewoel van Kabeljauwen en Hoeksen, of  een strijd van twee groepen rond de bestuursmacht in het Hollandse graafschap. De zee beukte er op  de dijken die het verweer niet aankonden. Deels omdat ze niet onderhouden werden*. Deels door ze te verzwakken met het verwerken van het veen tot zoutwinning en door turf te graven*. Het watergeweld veroverde verschillende dorpen. Mensen vluchtten weg*. Grote verhalen zagen toen het levenslicht, hoe kerken, boerderijen aan het wassende  water werden prijsgegeven en hoe duizenden mensen om het leven kwamen*. De geschiedenis van vandaag relativeert*. De Elisabethvloeden van begin 15e eeuw zijn eerder een symbool, een verzamelnaam van een reeks stormen die Europa toen teisterden*. Feit is wel, dat hier in Brabant  de Schelde oog in oog kwam te staan met de Noordzee. De  eilandjes, die een scheiding vormden met onze grauwe zee smolten weg. De Westerschelde ontstond. Zodoende konden Antwerpse schepen  gemakkelijker de open zee bereiken. Ook eb en vloed zouden dieper in het landschap dringen, wat voorwaar een aanpassing moeten hebben betekend voor verschillende steden en gemeenten wier rivier met de Schelde verbond. Eb en vloed zouden heel wat voordeel bieden aan de plaatselijke economieën, denk maar aan de brouwerijen, de ecologie en het anders maken van schepen. Andere getijden, andere los- en ladingsmomenten. Antwerpen groeide uit tot  een zeehaven. De dagen van Brugge waren geteld, de politiek van de komende vorsten zouden de doodsteek geven aan de eens zo vermaarde havenstad Brugge. Het economische maritieme zwaartepunt verschoof naar het noorden. Ook Mechelen zal haar voornaamheid zien tanen. 

     

    Mechelse bakkers moesten hun deuren sluiten omdat er te weinig graan was om het dagelijkse brood te bakken. De landbouwgronden binnen de heerlijkheid konden de roep naar graan niet beantwoorden. Buiten de grenzen van de enclave hadden verschillende rijke Mechelaars gronden opgekocht die ze verpachten aan de lokale Brabantse boeren die er graan op oogsten en die in natura konden geven als pachtvergoeding. Die bijdrage leek evenmin onvoldoende.  De Mechelaars hadden weinig keuze; er diende graan ingevoerd te worden.

    Een deel kwam uit Brussel, niet bepaald een bevriende stad. In die tijd hadden de steden veel macht. Iedere stad had haar privilegies. Men sprak toen over de stadsstaten. Men zou kunnen stellen dat onze term “nationalisme” zich beperkte tot de steden. Een Brusselse nationalist, een Mechelse of Antwerpse.  

     

     

    Het graantekort zorgde voor vindingrijkheid binnen het Mechels stadsbestuur. Wat doe je zoal om de honger van je burgers tot een minimum te beperken?

    Mechelen had de stapel van haver. Haver is een (zachte) graansoort. Mechelse bestuurders  argumenteerden dat bijgevolg alle andere graantypes onder de stapel van haver vielen. Zeker van hun filosofie gaven ze het bevel te Heffen op de Zenne de ketting te hijsen om een graanschip voor Brussel op te houden en te verplichten de koopwaar op de markt  aan te bieden.

     

    In Brussel kon men er niet om lachen! Op 1 februari 1422 kraste de Brusselse magistraat een  verontwaardigd perkament naar hun collega’s te Mechelen. De inhoud  was een bombardement van explosieve zinnen.  Vooreerst hekelden zij dat hun schip met tarwe zonder enige vorm van wettelijkheid aan de ketting werd gelegd om vervolgens, zonder enige motivatie de koopwaar op de Mechelse markt te verkopen. Mechelen heeft wel altijd beweerd een stapel van haver te hebben toegewezen gekregen van de hertogen, wat niet impliciet betekende dat alle graansoorten hieronder zouden vallen. Het verweerschrift  ging verder met de expliciete  weigering de Mechelse stapels van zout, haver en vis te erkennen. Ze eisten de normalisatie van de toestand, hun schip met tarwe vrij te geven en alles te laten zoals het vroeger was. Bij aankomst van de brief in Mechelen kwam ook het bericht dat alle Mechelaars die zich in Brussel bevonden gevangen genomen waren en hun goederen aangeslagen.

     

    De zoveelste prikactie was een feit. Mechelen had nu een tweede vijand. Brussel vond het tergend dat Mechelen, willekeurig de ketting kon spannen over de Zenne, rivier die Brussel via de Dijle met de Rupel en de Schelde verbond. Antwerpen voerde aan, met heel wat brieven van steden dat ze van oudsher de genoemde stapels bezat en aldus dit privilege als, zo zouden wij het noemen, een verworven recht beschouwde. Beide steden vonden in elkaar een bondgenoot om resoluut de strijd aan te binden met de heerlijkheid Mechelen.

     

    Het geschil leidde niet onmiddellijk tot een hertogelijk ingrijpen. In 1422 stief de eerste echtgenote van Filips, Michelle van Frankrijk, dochter van de Franse koning op 26 jarige leeftijd. Gezien haar vroeg overlijden keek men met een argwanend oog naar de Bourgondische hertog. Het Mechels – Brussels geschil  loste zich inmiddels op in een minnelijke regeling waarbij elkaars eisen werden ingewilligd door de  vrijgave het schip en goederen als de vrijlating van de Mechelse kooplieden in Brussel.

     

    Een eerste onderzoekscommissie bleef in haar besluiteloosheid steken

     

    Niettemin laat Filips de Goede in begin 1423 samen met hertog Jan IV van Brabant een Vlaams-Brabantse onderzoekscommissie oprichten. Hijzelf zou samen met de Vier leden van Vlaanderen, Ieper, Gent, Brugge en het Brugse Vrije de Vlaamse kant vertegenwoordigen, terwijl de Brabantse hertog zich kon omringen met zijn gezanten alsook met afgevaardigden van vier zijner steden, Leuven, Antwerpen(!), Tienen en ’s Hertogenbosch. Men kwam zelfs de datum van 1 augustus 1423 overeen waarop  vonnis diende geveld. Men voorzag de mogelijkheid tot een uitstel evenwel beperkt tot tweemaal twee maanden. De partijen verklaarden zich akkoord de uitspraak te eerbiedigen en te aanvaarden op straffe van een boete van 28.000 kronen, wat een zeer hoog bedrag was. Bovendien mocht Mechelen gedurende de gehele periode van onderzoek de ketting te Heffen niet gebruiken. De commissie ging van start op 23 april van dat jaar. Al vlug bleek de materie te complex en te delicaat dat zelfs de twee termijnen van twee maanden onvoldoende leken en men op tegenspraak een nieuwe datum voor uitspraak vastlegde op 2 februari 1424. Ook ditmaal moest men geen uitspraak verwachten. De commissie verwees het vonnis naar 28 mei maar ook dan geraakte men niet tot een akkoord. We weten dat Filips de Goede in dat jaar huwde met zijn tante Bonne van Artsië, weduwe van graaf Filips van Nevers de jongste zoon van Filips de Stoute en Margareta van Male. Nevers moet een interessant hapje zijn geweest voor Filips de Goede. Spoedig verwachtte de nieuwe gravin van Vlaanderen een kind. Helaas de geboorte liep  slecht af en stierf de moeder in het kraambed. Wellicht hebben de onderhandelingen van de  Vlaams –Brabantse commissie  onder de familiale aangelegenheden geleden.

    De stad Mechelen leek machteloos en moest blijven toekijken hoe men haar stapelrechten regelmatig overtrad. Gezien er geen datum van verderzetting van de commissie in het vooruitzicht was legde Mechelen tijdens de maand september 1425 enkele schepen aan de ketting. Hertog Jan IV reageerde onmiddellijk met een schrijven aan zijn neef,Filips, die op zijn beurt de Mechelaars contacteerde en hen verzocht geen verdere acties te ondernemen tot 30 november.

    Helaas ook dan kwam er geen verder initiatief. Het jaar 1425 was een druk jaar voor Filips de Goede, graaf van Vlaanderen en heer van Mechelen.

     

    Sinds de ex van hertog Jan, Jacoba van Beieren, in 1421 een vrijgeleide had gekregen van de Engelse koning en ze daar in het huwelijk trad met de Humphrey, hertog van Cloucester,  had Filips de Goede het graafschap Holland in gedachte niet meer losgelaten.  Goed omringd door de Hoeksen die haar steunden wist ze macht te verkrijgen en op te tornen tegen haar oom Jan van Beieren, prins bisschop van Luik die van de Duitse keizer, Sigismund, Holland, Zeeland en Henegouwen had toegewezen gekregen. De Vlaamse graaf moet hebben geweten hoe de situatie zou escaleren nu Cloucester zich had uitgeroepen tot graaf van de drie voornoemde graafschappen. Het lukte hem in het geheim om de erfopvolging van de bisschop te bemachtigen. Ondertussen beraamde Jacoba een giftige list en wist ze aan de macht te komen via een familielid om haar kabeljauwse tegenstrever en oom om het leven te brengen.

    De strijd ging verder. De hertog van Cloucester viel in 1425 Henegouwen binnen. Om een militaire clash te vermijden daagde Filips de Engelse hertog uit tot een gewapend duel.

    Dit gevaarlijk spel, dat eerder als een diplomatieke zet werd aanzien liep goed af. Filips de Goede wist de publieke belangstelling te wekken. Hij ging dagelijks trainen in het kasteel van Hesdin. Het volk vergenoegde zich al op het spektakel en werd er al duchtig gewed wie het duel zou winnen. Cloucester begon het benauwd te krijgen en nam de biezen richting vaderland. De laffe charmeur nam nog de tofste hofdame van Jacoba mee. Op de koop toe wist Filips  Jacoba gevangen te nemen en haar op te sluiten in het Gravensteen te Gent. Eind goed al goed, dacht graaf Filips. In Holland beraamden de Hoeksen een plan om Jacoba te gaan bevrijden. Dat leek aardig te lukken, waardoor de miserie opnieuw begon. Alzo ontstond een burgeroorlog die drie jaar zou duren en Filips met de wapens moest optreden.

     

    Alzo kwam er van het Vlaamse-Brabantse commissiewerk niets meer in huis. Het zou voor Mechelen nog lang gaan duren nu ook een belangrijk commissielid, de hertog van Brabant, in 1427 kwam te overlijden. Hij wordt opgevolgd door Filips van Saint Pol die een goede relatie was van Filips. De nieuwe hertog hield  het niet lang vol. Hij stierf reeds  reeds op 4 augustus 1430. Hij kwam te overlijden aan een leverkwaal.  De erfopvolging voor Holland, Zeeland en Hengouwen leek niet voor direct te zijn, nu de paus van Rome, in 1428 het huwelijk van Jacoba met de overleden hertog Jan IV als wettig beschouwde en bijgevolg Cloucester huwelijksvrij werd.

     

    Het geduld te Mechelen raakte op.

     

    ---------------------------------------------------

    Voetnoten

    Op basis teksten:

    De Laet M, De strijd om het bezit en het behoud van de stapels voor vis, zout en haver, 1233 - 1467, verschenen in de Koninklijke Kring voor Oudheidkunde, Letteren en Kunst van Mechelen, uitgave 1986.

    De Maesschalck E, De Bourgondische vorsten 1315 - 1530,Davidsfonds.

    Foto's van geschiedkundige personnages via wikipedia

    ----------------------------------------------------------

    Op het Internet, is er een interssante film van Frank Peeters en Marc Reintjes  op Youtube rond de Elisabethvloeden.

    Lees meer over de geschiedenis van de Schelde op de site van het Sigmaplan en over het ontstaan van de Westerschelde

    29-11-2011 om 00:00 geschreven door BELLON MARC


    Categorie:Stapels
    >> Reageer (0)
    03-11-2011
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Stapels concreter: Filips De Goede (1396+1467 ) 1

    Inleiding

    Het verhaal over die stapels is verre van gedaan. De situatie Mechelen glijdt af naar een drama. Brussel en Antwerpen zouden liever de stad Mechelen van de kaart willen zien verdwijnen. Het monopolyspel  verandert in een bitter geruzie waar pesterijen de bovenhand halen en uitmonden in een economische boycot van de stad Mechelen en uiteindelijk in bloedvergieten eindigt.

    Het is een ernstig conflict dat vlug een oplossing moet krijgen. Helaas komt die er niet, alhoewel Filips de Schone bij het begin van zijn regeringsperiode daartoe initiatieven neemt. Het rivierengeschil lijkt een moeilijk dossier te zijn. De meest intelligente personages, hoge ambtenaren, rechtsgeleerden, pijnigen hun hoofden op de problemen. Het dossier komt in het slop terecht. Het klinkt hedendaags.

    Wanneer we het regeringswerk van Filips De Goede aandachtig lezen, krijgen we stilaan de indruk hoe de Europese problemen van toen een weerslag hebben op het uitblijven van een oplossing voor het Mechels -Brabants aanslepend geschil.
    Vandaag een boeiende brok geschiedenis waar Brabant onder Bourgondische voogdij komt, de strijd losbarst voor het bezit van Holland, Zeeland en Hengouwen waarin de onfortuinlijke Jacoba van Beieren een burgeroorlog ontketent, haar rivaal de prins bisschop van Luik onheus weet uit te schakelen en haar man Jan IV, de Brabantse hertog, verlaat om samen wat te gaan ondernemen met een Engelse hertog. Ook de Duitse keizer Sigismund komt roet in het eten strooien. De paus van Rome heeft heel wat te zeggen en rommelt in het kegelspel van Jacoba waardoor ze Holland, Zeeland en Henegouwen in de handen van Filips De Goede ziet terecht komen. Jeanne D' Arc verliest haar hemelse opdracht en valt onder de ogen van de Bourgondische hertog in de handen van zijn soldaten. Met de vrede van Atrecht in 1435 kiest Filips De Goede voor Frankrijk waardoor de Engelsen vrij vlug represailles nemen en oprukken in Vlaanderen. Op de Noordzee gaat er geen dag voorbij of schepen worden gekaapt. Heel wat rookpluimen van brandende boerderijen en dorpen verduisteren de Vlaamse hemel.  Filips De Goede krijgt het moeilijk, de crisis zit tot op de bodem. Zijn echtgenote weet hem en heel Europa te redden en slaagt erin een handelsakkoord te bekomen met Engeland. De zware wolken drijven weg. Schippers kunnen opnieuw zonder angst gaan varen, Engelse en Bourgondische kooplieden kopen opnieuw bij elkaar en is er vrije handel tussen Vlaanderen, Brabant en Mechelen.

    Alle kwellingen lijken voorbij. Tijdens heel die periode zocht men in Brabant naar oplossingen voor het Mechels stapelprobleem en speurde men naar honderden getuigenissen als voorbereiding op een groot stedenproces.

    Alzo weten we op welke achtergrond het Brabants-Mechels syndroom zich afspeelt.

    In een volgend hoofdstukje belichten we de lokale geschiedenis rond de rivieren de Zenne, Dijle en Nete. Brieven, commissies, afspraken, prikacties, getuigenissen passeren de revue. Putten we uit de geschriften verhalen van kroniekschrijvers die, naargelang in welk kamp ze staan, het beste van hun superlatieven op papier zetten.
    Is de splitsing van Halle- Vilvoorde een symbool, de Mechelse stapels waren dat ook. Alleen heeft het heel wat langer geduurd eer het zaakje uitdoofde

    03-11-2011 om 00:00 geschreven door BELLON MARC


    Categorie:Stapels
    >> Reageer (0)
    02-11-2011
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Het Spaans hospitaal te Mechelen
       
     

     Foto Uit de reeks De Noter SAM (copyright)

    Ontstaan en werking

    Het is in 1567 dat regentes Margareta van Parma het idee opvatte om te Mechelen een ziekenhuis op te richten enkel voor Spaanse en Italiaanse krijgers die gekwetst raakten of chronisch ziek waren. Na verzorging zouden  zij dan via de zee ( haven Mechelen?) naar Spanje kunnen terug keren.De noodzaak  had ook te maken met het feit dat de burgerlijke ziekenhuizen al vol lagen met soldaten en burgers van de lage landen.

    Een geschikt pand scheen het Hof van Sacksen te zijn gelegen in hartje Mechelen en welk toebehoorde aan de calvinist Bernard de Merode. Dit huis werd door de beeldenstormers onder handen genomen en werd dermate toegetakeld dat het moest worden afgebroken.

    Het is Alex Farneze die in 1585 het idee van Margareta van Parma zal uitvoeren. Het ziekenhuis kwam er in Mechelen aan de Wollemarkt en stond ten dienste voor de legers verspreid over geheel Vlaanderen. Het bestond uit 5 naast elkaar liggende gebouwen waarvan de aanhorigheden zich uitstrekten tot de Recolettenlei. Ook werden er Spaanse en Italiaanse  invaliden opgenomen die ver van hun woonst verwijderd waren. Spanje gaf subsidies maar enkel voor de verzorging van Spaanse en Italiaanse regimenten. Soldaten stonden een vast bedrag af van hun soldij, 1 real per dag wat hen een toelatingsrecht verschafte tot opname.

    In noodsituaties konden militairen van de lage landen  terecht in de ziekenhuizen te Mechelen o.a. O.l.Vrouwenziekenhuis, dit tegen betaling van 6 sous per dag. 

    In het militair ziekenhuis gaf men onderricht aan laag geschoold personeel. De hoofdchirurg had de plicht zijn ondergeschikten op te leiden zowel voor chirurgische ingrepen als voor anatomische ontledingen. De opleidingssessies gingen meestal in de winter door. De bezetting van het personeel bestond uit vier geneesheren, negen chirurgen, zes assistenten en een aantal barbiers. Assistenten en verplegers bestonden tot de orde van Sint Joannes de Deo. In dit ziekenhuis werd ook de farmaceutische dienst van het Vlaamse leger opgericht. Geneesheren hadden hun opleiding genoten in  de medische faculteiten van Leuven en Douwaai(?) of Alcala, Salamanca, Valencia in Spanje of in Italië, Pisa, of Padua. Uit de Zuidelijke Nederlanden zijn gekend André Carton, Remius van Blink en Antoine Denis.  

    Het militaire ziekenhuis stond in om hulp te bieden aan ziekenhuizen met een tekort aan personeel. Ook veldhospitalen die zich dicht bij het front van de vijand bevonden kregen hulp vanuit Mechelen. Dat was ook het geval voor de hospitalen Rhijnberg( 1614), Palatinaat (1618), Breda ( 1625), Cambrai (1636), Genappe (1635) en Roermond (1674). Het hospitaal sloot de deuren in het jaar 1707. Toen waren er nog 700 bedden en die konden aangevuld worden tot 1000 à 1200 bedden. Samen met de andere ziekenhuizen kon Mechelen zorgen voor een totaal van 2000 bedden en dat voor een leger ( Spanjaarden en Italianen) van maximaal 60.000 man. 

    De Habsburgers bleken een voorsprong te hebben op gebied van mobiele en vaste ziekenhuizen. In Frankrijk nam enkel het Hôtel Dieu (Parijs) soldaten op. In het jaar 1606 richtten de Fransen te Longpré – les - Amiens het ziekenhuis “Maison des Blessés op. Er kwam een tweede in Sedan en een derde in Soissons. Het is Richelieu die er voor zorgde dat de ziekenhuizen een structurele functionering opgelegd kregen.

    Welk waren de te behandelen wonden en ziekten?

    Er was de wondverzorging. Men kon toen bloedvaten dicht schroeien, ledematen amputeren en kogels verwijderen. 

    Pest

    Uiteraard kwam de pest regelmatig langs.

    Als soldaat kon men op een behandeling  rekenen als aderlating en  op purgeermiddelen. Er bestond een tegengif, antimonium genoemd, dat blijkbaar een succes kende in de jaren 1564 -1565. Om de builen te reinigen gebruikte men blaartrekkende kruiden en papperige pleisters (cataplasmen). Na rijping sneed de chirurg ze open en verzorgde de wonde.  

    Longpest leek niet te genezen of te verzorgen. Meestal stierf de patiënt na enkele dagen.

    Dysenterie

    De meest gevaarlijke is de bacteriologische dysenterie. Ze loopt over van mens tot mens. Meestal het gevolg van het drinken van besmet water. Symptomen zijn koorts en diarree. In het 1415 brak in het legerkamp van Henry V tijdens zijn beleg van Harfleur ( vorige haven van le Havre) dysenterie uit. Tweeduizend krijgers stierven en dienden er vijftigduizend soldaten gerepatrieerd te worden. Als behandeling zou men koemelk toedienen waarin een stuk geroest ijzer had gelegen!

    Malaria

    Deze vorm van ziekte, hoe eigenaardig ook, kwam in heel de Nederlanden voor en veroorzaakte heel wat leed binnen de legers.

    Tyfus

    Deze vorm van epidemie kenden verschillende variaties.

    Zo was er de buiktyfus. De meeste gekende. Een bacteriologische aandoening van de darm en maag veroorzaakt door slechte voeding. Ziekenhuisopname was nodig.

    Tyfus kon fataal aflopen, waarbij de darm  perforeerde en er bloeduitstortingen konden ontstaan.   

    Syfilis

    Gekend als een geslachtsziekte veroorzaakt door de bacterie Treponema pallidum. De ziekte brak uit tussen de 2de en 12de week na de besmetting. De aandoening begon met een pijnloze zweer. Na genezing kreeg de patiënt huiduitslag, hij voelde zich algemeen ziek, de lymfeklieren zwollen op en kreeg hij in de zone van zijn onderlichaam wratten zeer besmettelijk van aard. Noch was de ziekte niet bedwongen. Na enkele maanden kroop de ziekte naar zijn organen. In de huid ontstonden overal knobbels en diepe zweren. Niet alleen hart en lever maar ook het skelet werd aangetast alsook het zenuwstelsel. De betrokkene kreeg hallucinaties. Syfilis werd zelfs tot in de baarmoeder doorgegeven zodat kinderen met deze ziekte geboren werden. Er was veel kindersterfte onder hen. De bacterie kon afwijkingen van de schedel veroorzaken.

    Het militaire hospitaal te Mechelen heeft heel wat syfilispatiënten verzorgd.

     “ In het Spaanse leger van de Lage landen werden syfilis en gelijkaardige huidaandoeningen er op een heel aparte manier behandeld.

    De slachtoffers dienden overmatig te zweten in speciaal daartoe ingerichte kamertjes, stoofplaatsen genoemd, om daarna op rustplaatsen of azufadores te worden gelegd voor een behandeling met zwavel. Men maakte eveneens gebruik van beroking, kwikhoudende zalven, infusies  en baden. Los van de individuele zorgen aan deze patiënten in de loop van het jaar, organiseerde het ziekenhuis in het voorjaar ook een grote collectieve kuurbehandeling. Men begrijpt dat in dergelijke omstandigheden de drie stoofplaatsen van het ziekenhuis tegelijkertijd nodig waren. Stoofplaatsen en baden dienden dan ook telkens vanaf begin april in orde te zijn voor deze massabehandeling. Het aantal zieken dat te lijden had van wat de Spanjaarden de Franse ziekte noemden, moet zeer hoog  geweest zijn gezien in 1598 een inspecteur voorstelde, omwille van de hoge behandelingskosten, de zieke soldaten uit het leger weg te sturen. Deze maatregel werd evenwel niet opgevolgd.

     

    Uit: Van Hee R. e.a. Ziek of gezond ten tijde van keizer Karel.Vesalius en de gezondheidszorg in de 16e eeuw. Academia Press. ISBN 90382 2482. Een boek samengesteld door medici.

     

    02-11-2011 om 00:00 geschreven door BELLON MARC


    Categorie:Om niet te vergeten
    >> Reageer (0)
    06-10-2011
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Jan II hertog van Brabant gaat Engelse koning Mechelen presenteren
    De hertogen Jan I en II hadden een uitstekende relatie met de Engelse koning Eduard I. J De Sturler schrijft hierover uitgebreid in zijn werk "Les relations politiques et les échanges commerciaux entre le duché de Brabant et l' Angleterre au moyen âge... Ook voor Mechelen had dit zo zijn voordelen

    Bij het einde van de 13de eeuw pronkte Mechelen met twaalf stadspoorten. De tweede stadsomwalling was een feit. Een bedrijvig volkje wist van aanpakken. Deels had de prins- bisschop van Luik zijn invloed bij de mensen aan de rechter Dijleoever van de stad, terwijl de Berthouts meer heil zagen in de arbeid aan de Dijlekaden.

    De stad Mechelen straalde ontzag uit, ze had reeds een stevige reputatie opgebouwd ver buiten haar grenzen en bezat voor die tijd stevig uitgeruste schepen, waarover straks meer.

    Op politiek vlak ging het haar voor de wind. Ze was onafhankelijk. De Mechelaars waren geen Vlamingen, geen Brabanders, geen Limburgers. Misschien kon je ze betittelen als Luikenaars, maar juist is dat ook niet. Dat volk dat ooit in de Waverse bossen op jacht ging, behoorde tot Austratië dat in 843 bij de dood van Karel De Grote mee in de erfenis zat en in het bezit kwam bij één van zijn drie zonen die geen lang leven beschoren was. Het land van Lotharius viel uiteen in twee delen waarbij de Schelde de grens vormde. Mechelen lag te oosten van de stroom en kwam in handen van Oost Francië, het deel dat wij nu Duitsland noemen. Het is de Duitse Keizer Hendrik II die in 1008, voor bewezen diensten een lapje Mechels bos weggaf aan de prins- bisschop van Luik. Dat lapje werd ingekleurd als een heerlijkheid. De geschiedenis wijst verder uit hoe die heerlijkheid een belangrijke strategische economische waarde bezat. Naar mijn bescheiden mening hadden de prins- bisschoppen dat niet onmiddellijk door. Die Berthouts daarentegen hadden meer inzicht in de mogelijkheden van het Mechelse landschap. Ze keken daarbij naar het westen waar Brugge  Italiaanse welvaart binnenhaalde en naar het oosten waar de Rijn rijke producten aanvoerde die het leven meer kwaliteitsvol  maakte.

    De Berthouts kregen geen monopolie over Mechelen. Een jonge generatie Brabantse hertogen wist de Rijn te bereiken. Ze wisten Brabant gelegen naast  Vlaanderen, dat ten westen van de Schelde lag, uit te breiden tot  een groots gebied. Door hun verworven machtspositie kregen ze regelmatig van de  de prins- bisschoppen van Luik  Mechelen in bruikleen. Die kans wisten ze te
     volle te benutten en plukten er overvloedig de vruchten van.

    Het stukje geschiedenis dat we hierna vanonder het stof halen  zal  een beetje interesse opwekken bij de bewoners van Dordrecht.  Dit artikeltje  legt nogmaals het belang van de Mechelse haven bloot. De heerlijkheid zal op een gouden blaadje door de jonge hertog Jan II van Brabant  worden gepresenteerd aan de toenmalige Engelse koning. Tijdens de tweede helft van de 13e eeuw en de eerste helft van 14e, zijn Mechelen, Steenbergen en Antwerpen voor Brabant de belangrijkste internationale maritieme handelshavens, citeert J. De Sturler in zijn hierboven genoemd werk.

    Verder verduidelijkt hij voor Mechelen...

    Le rôle commerciale de Malines, pour n'être pas comparable à celui d'Anvers, est cependant loin d'être négligeable. Cette ville, que tant de raisons d'ordre économique. Contribuent à orienter vers le duché de Brabant, représente sans contredit l'un des principeaux marchés internationaux de la laine et du drap aux Pays-Bas. C'est principallement a ce titre que les Anglais les fréquentent: on se rappelera même qu'en 1295 les angents du roi y installent un trésorie et y transfèrent momentanément l'étape des laines du royaume. Par le cours de la Dyle en duRupel, Malines communique avec les bouches de l'Escaut; les vaisseaux Malinois s'aventurent dans la haute mer et visitent régulièrement les ports de la côte Anglaise." 

    Hoe is het zover gekomen?.

    Reeds lang onderhielden  de Brabantse prinsen goede commerciële relaties met de Engelsen. In de 12e eeuw immigreren heel wat Brabanders in Engeland. Hendrik I van Brabant  zorgde voor een eerste anglo- brabantse alliantie. In het jaar 1278 ontvangt Eduard I ( °1239+1307) in Londen Jan I hertog van Brabant ( °1254+1294). Daar worden belangrijke beslissingen genomen. De driejarige Jan, zoon van de hertog,  zou  huwen met Margareta van York, de vierde dochter van de koning. Zij had ongeveer dezelfde leeftijd als Jan. Trouwens vier van zijn vijf dochters zullen huwen met graven en hertogen uit de Nederlanden! Koning Eduard kon vader Jan zelfs overtuigen om zijn zoon te laten opvoeden aan diens hof!

    Het is dan ook niet verwonderlijk dat we in de tweede helft van de 13e eeuw   Mechelse schepen naar Engeland zien varen. Jan de Munter zeilde met zijn "Starkenborg" naar Linn en Great Yarmouth. Ook is er sprake van Jan Jonkhede en Jan Alaerdszoon die met hun kleine driemasters het kanaal overstaken. Vooral Jan Schernier* is een bekende. Die zou aan   de Dijle hebben gewoond,  dicht bij de huidige Kraanbrug. Daar zou hij voor die tijd uitgestrekte magazijnen hebben gehad. Deze schippers hadden we reeds achterhaald in onze eigenste literatuur. In Engeland kent men nog meer Mechelse schippers zoals Robert Herman, Renaud Sohier, Paul Simon, Henri Rombaud, Philippe Pierre, Jean Etienne, Gerard Godefroid, Arnauld Christian, Jacquet "Gilottus", Everard Gauthier, Adam Blanchard, Gilbert Vande Sande, Jan De Bruyn, Walter de Leest. In andere lijsten staan de namen van Jean en Christian Schernier. 

    Great Yarmouth wemelde van de overzeese schepen. De haven stonk er naar de vis. Ze was gelegen ten zuid- oosten van Engeland en goed bereikbaar voor de Nederlanders. Great Yarmouth stond bekend als de belangrijkste en grootste vissershaven. Engelse vissers kwamen er hun haring verkopen. Tezamen met de kooplieden van het continent ontstond er een grootse handel. De regelmatige jaarmarkten zorgden voor nog meer bekendheid en uitwisseling van allerlei soorten waren. Heel wat schepen keerden terug met gezouten haring, tin, lood en de onmisbare wol voor Vlaanderen, Brabant en Mechelen(1).

    De tienjarige  Jan, zoonlief van Jan I, kwam onder de indruk van het schouwspel. De flapperende zeilen, het kletsen van de touwen tegen de masten,  het geroep van kapiteins en zeelui, het gewriemel van ezels die hun karren doorheen de menigte trokken, dragers wier manden uitpuilden van de nog spartelende vissen, wegers en meters, noteerders,tellers,  mannen met aanzien, arbeiders die balen wol aan boord van een driemaster brachten, hielden zijn ogen bezig. Vol spanning keek hij uit wanneer zijn  begeleiders  hem naar het kasteel van koning Eduard I zouden brengen. Hij zou er tien dagen mogen verblijven. Zo legitimeerden documenten zijn komst in het jaar 1284.

    'Eduard I, de Engelse koning, was een Plantagenet. Het woordje betekende "brem", het bekende struikje dat in de lente gele bloemetjes draagt. Die bijnaam verwees evenwel naar drie dynastieën die de Engelse troon konden bestijgen; die van Anjou, Lancaster en York. Dat laatste klinkt bekend in de oren van de Mechelaars. 

    Eduard bracht nieuwe wetten tot stand, reorganiseerde de rechtspraak en installeerde een rechtbank voor hoger beroep, wat men tegenwoordig de Court of the Exchequer noemt. Hij  bestuurde het land met leden uit de lage adel en vertegenwoordigers uit de burgerij. Hij had de hoge adel en hoge geestelijkheid gehekeld omwille van hun anarchie en machtsmisbruik. De koning beschikte over een eigen leger van beroepssoldaten. Zo wist hij een jarenlange opstand in 1284 te Wales tot een goed einde te brengen.'(2)  Dat jaar moet een feestjaar zijn geweest vermits zijn vrouw Eleonora van Castilië( °1241+1290) hem op de koop toe een opvolger bezorgde; de eerste Engelse kroonprins van Wales. Wellicht lijken die blijde evenementen een reden te zijn geweest om belangrijke heerschappen uit te nodigen op de feestelijkheden die er hebben  plaatsgegrepen. Kleine Jan heeft dus in de koninklijke wieg de  latere koning Eduard II kunnen bewonderen.

    Een jaar later zien we Jan terug keren naar Londen. Hij blijft er tot in 1288. Het is het jaar waarin zijn vader de beroemde slag bij Woeringen wint en Limburg onder zijn gezag komt. Deze overwinning zal er toe bijdragen dat Brabant een vrij verkeer kan realiseren met Keulen aan de Rijn. Twee jaar later wapperen in Londen de vlaggen en kondigden  de klokken van de Westminster cathedral het tienerhuwelijk (3) aan van de toekomstige hertog van Brabant, Jan II en prinses Margareta van York, dochter van koning Eduard I en koningin Eleonora van Castilië. Na het huwelijk verblijft de hertogelijke prins nog twee jaar op Brabants grondgebied om dan opnieuw te verschijnen in de salons van het Londense paleis. Hij verblijft er tot de dood van zijn vader, die in 1492 tijdens een riddertornooi komt te overlijden. Heel die tijd genoot hij van de koninklijke weelde. "It was a life of pleasure in an atmosphere of luxury". De Engelse koning liet niets ongemoeid om de toekomstige Jan II voor zich te winnen en hem plezierige en ontspannen jaren te bezorgen. Met de dood van zijn vader lag er voor hem  heel wat moeilijk werk te wachten.   De politieke situatie tussen Frankrijk en England vertroebelt. De vrede binnen Europa komt aan het wankelen. De nieuwe hertog kan echter rekenen op de steun van de Engelsen. Hij ondervindt heel wat sympathie van hen. 

    In het jaar 1295 komt er op het Engelse commerciële en financiële wolcentrum te Dordrecht een bevel van de Engelse kroon om het huurpand op te zeggen. Robert de Segre doet het nodige. De opzeg  begint te lopen vanaf 13 maart en zal aflopen op 7 augustus 1295. Ondertussen gaat de beambte op zoek naar een huurpand te Mechelen.

    Eduard I en Jan II hadden elkaar, enkele dagen tevoren in spoed ontmoet op het eiland Anglesey. Door het gerucht dat de wolstapel te Dordrecht zou worden verplaatst had de hertog het idee opgevat die naar Mechelen  over te brengen. Eduard ging akkoord en tekende de overeenkomst (4).

    Op zeven augustus 1295 bezit Mechelen een wolstapel. In Dordrecht was men verrast alhoewel de mededeling gepaard ging met een voetnota waarin gesteld werd dat het om een voorlopige maatregel ging. 

    De huur te Mechelen liep echter tot 1296. De stapel zou dan verhuizen naar Brugge en nadien naar Antwerpen.

    Eduard kwam in 1298 naar Brussel op statiebezoek bij Jan II. De hertog werd financieel beloond omwille van zijn trouw aan de Engelse troon. Hij bekwam tevens  Antwerpen, Lier en Herentals in leen(5).  De koning kondigde ook aan dat zijn zoon, de toekomstige Eduard II, zou huwen met Phillipina van Vlaanderen, dochter van de graaf van Vlaanderen. De  alliantie met Vlaanderen en Brabant leek stevig op poten te staan. Voortaan liepen doorheen Brabant Engelse ambtenaren en financiële vertegenwoordigers rond. Floris V, graaf van Holland, moest dit alles met lede ogen aanzien. De Brabantse collaboratie met Engeland dreef hem in de armen van de Franse koning. De oorlogsdruk nam toe waardoor de Engelse koning besloot vrede te sluiten met Filips III van Fankrijk door met zijn dochter Margaretha te huwen. Door enerzijds geldgebrek van de koning Eduard I en anderzijds door het verbod van zijn adel om hogere belastingen te betalen  bleven verdere  conflicten uit.

    Alzo weten we iets meer over de achtergronden hoe de stapel wol van Dordrecht naar Mechelen kwam. Jan II was voor deze laatste vernoemde stad een enorme economische troef. Het was ook hij die de stapels van zout, haver en vis resoluut toewees aan de heerlijkheid Mechelen i.p.v. aan Antwerpen.

    ----------------------------------------------------------------------

    voetnoten

    (1) Degryse R. Vlaanderens haringbedrijf in de middeleeuwen; 1944 NV De nederlandse Boekhandel Antwerpen.

    ('2') Winklerprins uitgave 1984.

    (3) Jan en margareta moeten ongeveer 15 jaar oud geweest zijn. het is niet exact geweten welke de juiste geboortedatum was van beide kinderen.

    (4)Jan II verbond zich er eveneens toe, mits vergoeding, de Engelse koning bij te staan met 2000 soldaten in zijn strijd tegen Frankrijk.

    (5)Het is Jan II die Antwerpen, Herentals en Lier aan Eduard I overhandigde om die later in bruikleen terug te krijgen!

     

    06-10-2011 om 00:00 geschreven door BELLON MARC


    Categorie:Stapels
    >> Reageer (0)
    17-08-2011
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.De Mechelse schippers (1)

     

    De heude- en pleitschippers
     

    Dit ambacht werd opgericht in de 14e eeuw. Het was aanvankelijk een koepelorganisatie op basis van twee  scheepstypes, de heude -en pleitschippers.  In het jaar 1591  viel de vereniging uiteen en telde de stad twee schippersambachten. De Mechelse schippers verenigden zich opnieuw in het jaar 1616. De samensmelting tot één ambacht had heel wat voeten in de aarde. Men moest daarvoor financiële aanpassingen verrichten om de offergelden voor de beide groepen gelijk te stellen; ze hadden beiden immers een andere patroonheilige.

    'Het nieuwe  ambacht kreeg het monopolie voor het vervoer van koopwaar op de Dijle, De Demer en alle andere wateren die naar Mechelen leidden. Bovendien kregen zij rechtstreeks hun privileges van de vorst! Ze telden 199 leden en werden bestuurd door een leiding van 4 Dekens. Deze grote corporatie zetelde in de Brede Raad maar had evenwel geen vertegenwoordiging in de Schepenbank. Kerkelijk stond ze binnen de top tien van de ambachten. Bij processies kreeg ze de achtste plaats toegewezen. Hun altaar stond in de Onze Lieve Vrouwe van- over- de-  Dijle. Daar vereerden ze hun patroonheiligen.

    De heudeschippers voeren onder de bescherming van de H. Clement, de anderen hadden de geestelijke steun van de H. Catherina.'('1')  Die eerste is niet zo beroemd als de tweede. 'De H. Clement  draagt een anker waarmee hij, omwille van zijn geloof, in de zee werd geworpen en alzo als martelaar aan zijn einde  kwam. Er is ook sprake van een derde beschermeling  die zich ontfermde over de schippers. Zijn naam was Olaf, een Noors koning.  Zijn beeltenis is vereeuwigd met de ciborie. Hij is gekend als bestrijder van de zeerovers('2) wat hij dapper bleek gedaan te hebben. In de heilige boeken staat hij genoteerd als martelaar. Hij is omgekomen door een strijdbijl, wapen dat met zijn beeltenis onafscheidelijk is verbonden.  De drie Sinten waarvan sprake, staan uitgebeeld op de tuin van hun kapel.

    Hun laatste ambachtshuis was gelegen op de Tichelrij, de bouwmaterialenwerf, recht tegenover de Kraanbrug. Hun woning droeg de naam, “Den Goudblomme ” . Eerder bewoonden ze op diezelfde werf het huis “Den Inghel 1536”. Op de geveltop van “Den Goudblomme stond een verguld schip. In de 19e eeuw zou dit er zijn afgenomen.

    Twee schippersambachten dus te Mechelen.

    De heudeschippers zitten niet direct in ons geheugen. Deze groep was minder in aantal dan de pleitschippers. Uit de literatuur vernemen we dat de heude een koopvaardijschip is met een vlakke bodem die een gaffelmast met een mars en stagzeil voert. Hoe zo’n heudeschip eruit zag is niet zo duidelijk. We hadden de kleine en grote heude. Tot hiertoe zijn er twee afbeeldingen  uit de 16e eeuw die ons een idee kunnen geven. 

    Onze noorderburen zijn specialisten in de geschiedenis van de  scheepvaart en hebben tenminste heel wat afbeeldingen van zeilschepen gaande van de middeleeuwen tot de 19e eeuw.   

    In het boek Zeilschepen Prenten van de Nederlandse meesters van de zestiende tot de negentiende eeuw, bijeengebracht door Irene De Groot en Robert Vorstman, uitgegeven door het Rijksprentenkabinet te Amsterdam en Gary Schwartz Maarsen, zien we op blz. 29 een kleine heude. Omwille van de  lokale en  cultuurhistorische waarde laat ik een zelfgemaakte tekening van de heude zien die op een gravure van Muller voorkomt die hij overnam  van een prent van  Jan Porcelis uit de 16e eeuw.

    De tekst die naar de heudeprent verwijst vertelt ons dat de heude een binnenschip was  dat voornamelijk op de Zeeuwse en Zuidhollandse wateren werd aangetroffen. Het vaartuig werd zowel voor het vervoer van vracht als passagiers gebruikt. Het hierbij afgebeelde vaartuig vertegenwoordigt een kleinere versie van het type.

    In dat verband willen wij wijzen op de verbondenheid die wij hadden met Nederland. Het was de glorieperiode van de stad Mechelen door de Bourgondiêrs uitgeroepen tot hoofdstad der Nederlanden

    Het is dus meer  dan waarschijnlijk dat dit afgebeelde vaartuig op de Dijle, Zenne, Rupel, Schelde voer.

    In de Onze -Lieve-Vrouwe kerk -van- over- de -Dijle zien we  op de tuin van het schippersambacht verschillende vaartuigen uitgebeiteld.  Hieronder zien we een klein schip dat veel gelijkenis treft met de heude van Jan Porcelis. Het scheepje meert aan, blijkbaar bij de Mechelse kraan en heeft vis afgeleverd. Een man gaat van boord via de loopplank. Bij nader toezien draagt het bootje de Bourgondische vlag.

     

    Interessant om weten is hoe grote broer “heude” eruit zag.  De foto (3)die u hierna kan bekijken boeit, temeer er zich op de achtergrond  de belangrijkheid van Mechelen afspeelt. Hoofdspeler op de ets is de Brusselse heude, die op de Schelde vaart. Rechts onder zien we de rede van Antwerpen.  We zien een fors schip voorzien van geschut. Er is weinig vergelijkbaars met de kleinere heude.  De scheepsmakers zouden  het type schip hebben verhoogd en opgetuigd. De ets dateert uit  de 17e eeuw.  Let op het aantal passagiers dat met het koopvaardijschip meevaart.

    Of dit grotere schip ook  op de Mechelse scheepswerven zou gemaakt geweest zijn blijft nog een raadsel.             

    Links van de Brusselse heude trekt een andere zeiler de aandacht. De beide schepen gaan dezelfde richting uit. Boven de zeilboot staat een tekst.  Men verduidelijkt hier dat het om een Mechels konvooischip gaat. In een tijd van oorlog en het kapen van handelsschepen werden voornamelijk vissersboten door het hoogste gezag beschermd. Vis, voornamelijk haring, was belangrijk voor de levensbehoefte van de burgers. Geen eten, geen arbeid!  Gezien Mechelen de stapel van vis had was  ze ook verplicht voor de visaanvoer van de zuidelijke Brabantse steden te zorgen. Zowat in heel Brabant en Vlaanderen hadden schippers om veiligheid gevraagd. Dat hadden ze al gedaan tijdens de Honderdjarige oorlog tussen Frankrijk en Engeland. Dat gebeurde ook tijdens de regering van keizer Karel wanneer hij oorlog voerde tegen Frans I van Frankrijk. Dat deed hij zo’n vier maal tussen 1521 en 1544. In het jaar 1535 besliste de Mechelse magistraat dat de schepen in formatie moesten varen onder de begeleiding van drie konvooischepen die elke morgen vertrokken vanaf de Hoog- en Winketbrug, zowel tijdens de winter als de zomer. De keizer liet ook Mechelse boten uitrusten met wapens en manschappen voorzien van handvuurwapens, pieken en hellebaarden, lange en korte spiesen, kruisbogen en bijlen om tezamen met het keizerlijk konvooischip de Schelde optimaal te helpen beschermen!

    'Uiteraard moest voor die veiligheid worden betaald. De meeste schippers, lieten zich op de koop toe  voor hun vracht verzekeren wat de visprijs deed stijgen. De Nederlanders zouden zich veiliger hebben gevoeld.  Franse schepen kwamen niet dikwijls tot in Holland. Daarom was hun vrachtprijs lager en lieten de  schippers zich minder verzekeren wat  leidde tot hevige discussies omtrent het verschil in prijs. Het fenomeen mondde uit in de ordonnantie van 1550 waarbij de veiligheid van schepen beter zou worden georganiseerd in functie van de belangrijkheid van de vracht. Bovendien raadde men de schippers aan zich minder te laten verzekeren en het uitgespaarde geld te besteden in een betere bewapening.' ('4') Dit even terzijde.      

    Omtrent de heude hebben we nog wat geschiedkundige materiaal gevonden.

     J. Uytterhoven publiceerde in 1964 verschillende weken in  Gazet van Mechelen enkele  grote kolommen over de Mechelse haven. Hij haalde zijn informatie bij de 19e eeuwse geschiedenisschrijver Jean de Sturler. Deze professor wist te bewijzen dat Mechelen in de XII en XIIIe eeuw van zulk danig belang was dat we ons heden daar een flauw idee kunnen van vormen. Ook CM Pleyte, reeds genoegzaam vernoemd op deze blog, getuigt ervan. 

    De Sturler verwijst(4), inzake de heude naar Mechelse stadsrekeningen van 1484 en 1485. Daarin las hij dat de stad drie scheepjes kocht.  Een kleyn steynschip  met sijnder toebehoorten, een boeye geheeten.  ‘den Vogel’ en de ‘ de Gans’ zijn de namen van de twee andere boten die men allebei een hoeye noemden. De schrijver verwijst naar de naam van Verdam die het over een Hoede, Huede, Hode heeft en wat  een klein vrachtschip zou zijn geweest. Men noemt de heude ook  jachtboeier of een hoedeschip. Kiliaen, die Schoeffer meermaals citeert, vertelt ons dat een heude hetzelfde is als karveel (klein type) of een kleine kogge.

    Als we de studie lezen van de eminente schrijver Degryse R over de koggeschepen( 5)zien we hier ook over dit type van schip verschillende namen de revue passeren als daar zijn de cogga die meer getaxeerd werd als de scuta of schuit en de scarpoisa die meestal zout vervoerde. De scouda leek dan een groter schip te zijn, 'de magna navis'. Terloops las ik dat een pleytschip tijdens de middeleeuwen ook een scoude werd genoemd en zelfs een coggepleyt. Geraak er maar wijs uit. Je zou gaan beweren dat de kogge de moeder van alle binnenschepen is.

    Degryse R. onthult ons ook(6) het laadvermogen van de toenmalige binnenvaartuigen. De grootte van de schepen bepaalde  men aan de hand van het aantal vaten dat men kon laden. Zo had men schepen van 70, 100,150, 170 en meer vaten. Volgens de Gryse zou een schip van 240 vaten overeenkomen met een gewicht van 120 last.

    De Sturler definieert(7) een last als 12 x een dozijn  of 13 ton of 14.400 haringen. Zo kan men zich al beter een idee verkrijgen omtrent de massa van de ladingen.

    Het tweede schippersambacht, de pleitschippers, had meer aanzien en had een sterke    vertegenwoordiging.  Hun vloot was ook groter. Zij definieerden een pleitschip als een breed plat schip bijzonder geschikt om volk en goed te laden: ”daer men tot over dry eeuwen alles binnen het land met schepen vervoerde, zoo werd het ambacht zelf van het pleytschip benoemd”: wy hebben onder het oog den zegel van het ambacht toehoorende aen den achtbaren heer Van Melckenbeke; men ziet daer op een schip met de legende in het rond: pleytschippers ambacht van Mechelen: de zegel is van zilver en draegt op den hecht het jaer 1594.” Dixit Schoeffer.

    De beschrijving van hun type vaartuig kan u nog eens nalezen onder de hoofding: De Volkswagen van de scheepvaart in het ancien regime.

    Het ambacht zal ophouden te bestaan in het jaar 1797(8). Met de komst van de Fransen in 1793 verlieten de schippers Mechelen om een veiligere haven op te zoeken in Nederland...(9) 



    1.Verzamelinventaris van de nog niet geherinventariseerde archieven van de Mechelse ambachten Johan Dambruyne  SAM=Stadsarchief Mechelen

    2.Brochure Dekenale kerk Onze-Lieve-Vrouw-over-de-Dijle Mechelen blz 42 en 43

    3.Ex website: http://www.vaartips.nl/zeevaart.htm

    4.Sicking Louis, Zeemacht en onmacht, Maritieme politiek in de Nederlanden 1488-1558, De Bataafse Leeuw Amsterdam 1998

    5.Handelingen van het Genootschap voor geschiedenis en oudheden van Vlaanderen, jaargang 120/1-2/1992 Conscience Bibliotheek Antwerpen.

    6. idem als 5

    7. De Sturler, Les relations politiques et les échanges commerciaux entre le duché de Brabant et l'Angleterre au moyen âge: l'étape des laines anglaises en Brabant et les origines du développement du port d'Anvers. Conscience bibliotheek.

    8.Verzamelinventaris van de nog niet geherinventariseerde archieven van de Mechelse ambachten Johan Dambruyne  SAM=Stadsarchief Mechelen


     

    17-08-2011 om 00:00 geschreven door BELLON MARC


    Categorie:Havenambachten
    >> Reageer (0)
    28-05-2011
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.De jeugdstormen van Margareta van Oostenrijk

     

    De jeugdstormen van Margareta van Oostenrijk  (1480-1530)

     

    Tussen Frankrijk en Spanje

     

    14 juni 1493

    Dertien was ze wanneer ze arriveerde in Mechelen en haar intrek nam bij haar meter, Margareta van York, weduwe van haar grootvader Karel die  in 1477 sneuvelde bij Nancy.  De kleine Margareta zag er vermoeid uit. Haar Frans avontuur kende een brutaal  einde. Zij was voorbehouden om koningin van Frankrijk te worden. Als kind, nog geen 3 jaar oud, zond haar vader Maximiliaan haar naar het Franse hof  waar de intrigerende koning Lodewijck XI regeerde.

     

    Maximiliaan van Oostenrijk doet zijn dochter oneer aan.

     

    De Franse prins Karel zou zijn vader Lodewijck XI opvolgen en  was tevens uitverkoren om te huwen met Margareta, dochter van Maximiliaan I van Oostenrijk en Maria van Bourgondië het petekind van diens vader.  Margareta kende een mooie jeugd daar aan de boorden van de Loire in het nu nog beroemde kasteel van Amboise. Margot, zo noemde ze zichzelf,  kreeg een prima opvoeding. Ze omringden haar met de  beste leermeesters en opvoedsters met het oog om in alle waardigheid  Frankrijks voornaamste dame te worden.

    Ware het niet dat haar vader in 1491 gulzig uitkeek naar Bretagne, waar de gelijknamige schone Anne  regeerde. Ze was al enkele jaren weduwe. Maximiliaan, had zijn   jonge echtgenote verloren door een paardenongeluk. Het beest kwam op haar terecht waarbij een rib haar longvlies doorboorde en daar aan gestorven is. Maximiliaan zag zijn kans schoon om met Anne van Bretagne een procuratiehuwelijk af te sluiten en zodoende haar hertogdom te bemachtigen. Frankrijk kwam alzo in een  politieke en staatkundige tang te zitten. Met in het Noorden de Habsburgse -Bourgondische grootmacht,  ten zuiden, achter de Pyreneeën,  de samengesmolten rijken  van Ferdinand van Aragon met dat van Isabella van Castilië.

    De sluwe Anne de Beaujeu, dochter van Lodewijck XI die inmiddels was gestorven, zag het gevaar snel in en zond haar broer Karel, de verloofde van Margareta, met een leger naar Rennes in Bretagne.  Gezien er geen vleselijk contact was geweest tussen Maximiliaan en Anne vond Lodewijcks dochter het nodig de  paus in te lichten om  het perkamentenhuwelijk  te ontbinden. Om Frankrijk uit de greep te houden van de opkomende  Habsburgers   moest  Karel Margareta dumpen. Anne van Bretagne stond eveneens schaakmat; het was ofwel haar hertogdom opgeven en Maximiliaan volgen of Karel huwen en koningin van Frankrijk worden met de kans haar hertogdom te kunnen behouden. De keuze was voor haar vlug gemaakt.

    Margareta werd verstoten en gevangen genomen. Ze was veel waard omwille van haar status. Aan haar lijf kleefden Artesië en de Franche –Comté. Als puber  moet het een kwelling zijn geweest tot besef te komen op welke wijze ze verraden, vernederd en verlaten werd door haar toekomstige held en koning. Wist ze op dat ogenblik wel dat haar vader zo lomp was geweest zijn imperialistische drang uit te voeren en haar met die toestand op te zadelen?  'De wereld en zijn directe entourage spraken schande over Maximiliaan. Hij die zich de prins van alle christenen noemde'(1). Maar wat was de waarde van een gevoelig en wijs vrouwelijk kind ten opzichte van landgewin en enorme rijkdommen? Het doel heiligt de middelen. Vader Maximiliaan moest stevige onderhandelingen voeren. Hij wist zijn dochter pas na een jaar te bevrijden tezamen met Artesië en de Franche-Comté. Zijn aanspraken op Bretagne moest hij echter laten varen.

    Lodewijwijck XI, koning van Frankrijk, periode 1461-1483,ex Wilipedia Karel VIII, zoon van Lodewijck XI, huwelijkskandidaat, Margareta van Oostenrijk,exWikipediaAnna Van Bretagne, periode 1488 -1514 uiteindelijke echtgenote van Karel VIII,

     

    Tussen 1493 en 1496

     

    Te Mechelen vond Margot eindelijk rust bij haar stiefgrootmoeder. Ze noemde Margareta van York “La Dame Grande(1)”. Pittig moet het zijn geweest haar twee jaar oudere broer, Filips  terug te zien. Hij was ongeveer vijf jaar wanneer ze naar Frankrijk vertrok. Hij, nog speels van karakter, zal wel zijn kaartspellen aan haar hebben geleerd en  zal zij zijn boogschieten hebben kunnen bewonderen. Vader Maximiliaan had ondertussen niet stilgezeten. Hij wist zich te binden met sympathieke Bianca Maria Sforza, een adelijke vrouw uit een belangrijk vorstenhuis dat over Milaan regeerde. Alzo had hij de Milanezen en de paus op zijn hand in de strijd tegen Frankrijk. Zijn nieuwe vrouw bleef evenwel verweesd achter en stierf kinderloos.

    Margareta deed er alles aan om vader te begrijpen. Het zou best kunnen dat ze in deze tussentijdse periode met "haar broer over een toenadering met Engeland heeft gediscussieerd. Ze ziet hem , in weerwil van zijn vader,  met de Engelse koning Henry VII onderhandelen om een liberaal handelsverdrag te sluiten, waarbij hij een oud geschil, tussen zijn vader en de Engelse kroon, weet te doorbreken. Een valsspeler, die zich uitgaf als enige erfgenaam van het koninkrijk Engeland wist Maximiliaan en Henry tegen elkaar op te zetten, wat tot een breuk leidde tussen die twee. Henry VII wou geen handel meer drijven met de Nederlanden waarbij Engeland haar lakenhandel naar Calais overbracht en er alzo een vredesband ontstond met Frankrijk" ("3").  Dat was natuurlijk een doorn in het oog van Maximiliaan. De onderhandelingen zouden begin 1496 tot een overeenkomst leidden. Het onderlijnt hoe de jonge Filips reeds onafhankelijk kon handelen ten opzichte van zijn vader. Mogelijk zat Margareta van York er ook voor iets tussen, gezien zij zeer goed de situatie kende in de troongeschillen tussen de Huizen van York en Lancaster.          

     

    Een dubbel opgezet huwelijk in de maak.

     

    Wellicht begreep Margareta van Oostenrijk  beter de situatie toen haar vader  kwam aankondigen dat zij en haar broer naar Spanje mochten afreizen. Margot zou er mogen huwen met de brave jongen Juan van Aragon terwijl broerlief content moest zijn met het ietsje  speciale meisje Joanna van Castilië.

    De machtsverhoudingen  binnen het toenmalige Europa begonnen zich duidelijk af te tekenen. Maximiliaan had uiteindelijk een stevig rijk opgebouwd en had, zoals zijn wens was,  Frankrijk in zijn wurggreep. Het is tevens het moment dat het huis van Habsburg het Bourgondische overneemt. Bovendien groeide het fait divers van  Columbus ontdekking uit tot een goudmijn voor Spanje waarbij voornamelijk Azteken en Inca’s hun rijken zagen ten ondergaan omwille van paarden, vuurwapens en de honger naar goud.

     

    Mechelen 5 november 1495.

     

    De stad lag  bedekt onder vlaggen en  wimpels. De Mechelse Sint Joris- schutters hadden de handen vol met controles  aan de stadspoorten  en in de straten. De Sint- Romboutstoren had zo’n hoogte van 56 meter bedekt met een voorlopig dak. Er in hingen al zware klokken  zoals de Rombout, de werkklok Maria, de Magdalena en de Libertus. Twee “schellekens” gaven reeds een eerste primitieve “beyaerde”(4).

    In de  Keizersstraat mocht geen enkele kleine ziel binnen. De straat kreeg het bezoek van vorsten en prinsen door Maximiliaan uitgenodigd om het procuratiehuwelijk van zijn zoon en dochter bij te wonen. De gotische Sint- Pieters en Paulus kerk, recht tegenover het paleis van Margareta van York, zat afgeladen vol. Muziek kondigde de intrede aan van de Habsburgse – Bourgondische familie. Margareta schitterde in haar goudlaken kleed met rond haar middel een blauw lint op een wijze gestrikt zoals ze van haar moeder moet hebben overgenomen(5). Haar rosse haren zaten onder een wit kapje waarover ze een sierlijk zwart hoofddoekje droeg omzoomd met gouddraad. Naast haar Filips, getooid met het Gulden Vlies dat hij als toekomstig natuurlijk vorst reeds van zijn derde jaar mocht dragen. Zijn verschijning overtrof alle verwachtingen. Hij liet zich als een  ware Bourgondische heerser zien. Statig hield hij de hand van zijn zuster vast. De ernst van zijn gelaat sprak boekdelen. De erfelijkheid  van de familie weerspiegelde er zich in. Zijn lange haren trokken de aandacht.   Reeds vele jonge meiden vonden hem schoon. Die schoonheid zou hem parten gaan spelen. Hij gaat trouwens de geschiedenis in als Filips de Schone.

    De twee  stonden in alle pracht en praal klaar om zich op papier te binden met de twee Spaanse uitgezochte jonge huwelijkspartners. Er zijn anwijzingen dat ze van elkaar een schilderijtje hadden ontvangen(6).

    Francisco Rojas, de Spaanse diplomaat, die de twee Spaanse prinsenkinderen vertegenwoordigde, zal zijn ogen wel hebben uitgekeken op het Bourgondisch opgezette feest.  Bourgondiërs imponeerden nu eenmaal met hun macht en praal en lieten niet na bij elke officiële aangelegenheid hun voornaamheid en rijkdom te etaleren.

    Het Mechels feestje was maar een aperitiefje.

    Filips zou het jaar daarop huwen te Lier, terwijl Margareta zich te Burgos in Spanje  voor God zou binden met haar  toekomstige smoorverliefde gemaal. Spanje beloofde een groots feest van formaat! Een mooie Bourgondische zou de harten van vele Spanjaarden gaan veroveren.  Ook de wereld van toen keek belangstelend uit naar het nakende sprookjeshuwelijk.      


      

     

    Voorbereiding van een uiterst gevaarlijke zeetocht.

     


     

     

     

     

     

     

    'Ferdinand II van Aragon en echtgenote Isabella van Castilië, bijgenaamd de Reyes Catolicos, hadden de handen vol met de organisatie van de huwelijksplechtigheden die hun twee kinderen Joanna en Juan te wachten stonden. Spanje zou verbonden worden  met het machtige huis van de Oostenrijkse Habsburgers. De laatste generatie streefde naar de uitbreiding  van hun territoriaal bezit  via een duidelijk uitgekiende huwelijkspolitiek.

    Isabella van Castilië kende Christoffel  Columbus heel goed. Ze hadden samen heel wat gesprekken gehad over zijn memorabele nieuwe zeeweg naar Indië. Ze nodigde hem uit om raad te vragen voor een groots opgezette zee-expeditie naar de lage landen. De ontdekkingsreiziger had het druk. Hij was zijn tweede reis aan het voorbereiden.

    Dochter Joanna moest in Lier zien te geraken. Na de plechtigheid zou Margareta van Oostenrijk met de vloot terug keren naar het schiereiland om er kerkekijk te gaan huwen met haar enige broer. De koningin was uiterst bezorgd en ongerust over de zeereis die haar kind zou moeten gaan ondernemen. Het was een verre reis. Frankrijk doorreizen leek helemaal uitgesloten gezien de politieke situatie en de oorlogsspanning tussen de Habsburger Maximiliaan en de Franse koning Charles VIII.

    De scheepvaart stond nog jong in haar schoenen. De Spaanse schepen, die de jonge dame Joanna zouden vervoeren, zouden ver van de Franse kust moeten blijven. Bretagne stak  een eind in zee en herbergde tal van Franse vloten. Piraten en kapers lagen op de loer naar rijkgevulde handelsschepen. Gelukkig had  Filips een handelsakkoord kunnen afsluiten met England. Het  kanaalwater tussen het eiland en het continent kon hevig tekeer gaan. Een vriendelijk toevluchtsoord leek dan welkom. Isabella had reeds Henry VII een brief gezonden en hem de situatie uitgelegd(7).

    'De meest ervaren admiraals en kapiteins kregen een oproep van het paleis. Dagen en dagen lagen  grote tafels bedekt met zeekaarten. Een kleine man sloeg als eens op de tafel. Koningin Isabella kende Fadrique Enriquez reeds goed. Door zijn opvliegendheid en zijn overdreven temperament hadden ze hem al eens tijdelijk moeten verbannen naar Sicilië. Maar hij had zijn strepen verdiend met de veldtocht naar Granada om er de Moren te gaan verdrijven en was hij tevens een zeeman met ervaring. In het jaar 1490 werd hij door  Ferdinand II en Isabella tot admiraal van Castilië benoemd.  Samen met de adviezen van Columbus en die van een hele resem zeespecialisten van de Mare Cantabrico  kwam er een vloot tot stand waarvan men het aantal niet juist weet te bepalen'(8).

    De Spaanse professor Miguel A Zalama van de universiteit van Valladolid schrijft dat de grootte van de vloot is af te leiden uit de hoeveelheden eetwaren die men insloeg voor de gewaagde tocht.

    Hij citeert: 552.000 bizcocho of ongedesemd brood, 320.000 liter wijn, 10.000 huevos of eieren. Er waren echter ook nog tonnen gedroogd varkensvlees en kippen aan boord(9). Te zwijgen van het aantal koffers met de persoonlijke goederen van zijne jonge vrouwelijke hoogheid en haar bedienden. Juwelen, tapijten, fluwelen stoffen, geschenken in zilver en goud het ging allemaal mee.    

    De Estudos Extremenos di Revista Historica, Literaria y Artistica an 2001 Numero I, meldt een aantal van 12 Genueese schepen en 108 karvelen of 120 zeilboten  in het totaal.  Auteur Vermoortel Fr. citeert in zijn boek over Margareta van Oostenrijk dat de Spaanse armada 135 schepen groot was en een totale bemanning telde van 2.400 Spaanse zeelieden (10). Ook Ruben Stuart, in haar boek “ Isabella of Castile- The First Renaissence Queen meldt een totaal van 130 schepen waaronder zeven gecharterde oorlogsschepen.

    Buiten de officieren en het begeleidend personeel, stonden  tussen 1500 en de 2500 bewapende lui paraat, waaronder heel wat boogschutters.(11)

     

    Vlissingen! Er is belangrijk volk op komst.(12)

     

    20 augustus 1496.

    In Laredo hing een zware lucht. De haven wriemelde van soldaten, mariniers, karren, en paarden. Daartussen de koninklijke garde die de koningin en haar dochter Joanna naar haar schip zouden brengen. Op zee dobberde de vloot. De talrijke wimpels staken fel af tegen de bedroevende hemel.   Velen moesten inschepen via een roeiboot. Anderen konden via tijdelijke aangelegde steigers hun vaartuig bereiken. Op het dek van de  Lomelina stond Fadrique Enriquez terecht te brullen tegen de matroos die moest instaan voor het slampampen van het anker. Dat had hij vergeten te doen zodat bij hevig weer de ketting van het anker van het schip zou loskomen en het hele zootje op de bodem van de zee zou komen te liggen. Toen hij de koninklijke familie zag ging zijn bloeddruk de hoogte in.  Het was niet het moment om te komen inschepen. Ergens leek de berichtgeving over het nakende weer het paleis niet tijdig te hebben bereikt.

    “ Je kon beter twee dagen langer thuis aan de haard gebleven zijn!”, moet hij gemopperd hebben. Inderdaad er hing een storm boven de golf van Biskaje. Uitvaren was onmo-gelijk. Bovendien zou het aan de kust woest kunnen worden. Aangenaam zou het aan boord van het schip niet worden.  Die wijsheid liet Joanna zich niet aan haar voorbijgaan. Eens wat spannende momenten beleven leek haar beter dan droogweg en veilig te zitten wachten aan die reeds moe gekeken haard. Het temperament van het meisje haalde het op de bezorgdheid van moeder Isabella. Joanna, haar moeder tezamen met  haar gevolg gingen  aan boord en installeerden zich ergens onder het kasteel aan de achterkant van het schip. De hevige wind zwiepte de golven hevig op zodat de scheepjes hevig slingerden van links naar rechts of van achteren en naar voren. De Cantabrische zee liet haar van haar meest stormachtige kant zien.  

     

    Twee dagen later trok de storm  voorbij. De hemel klaarde op. Het sein voor vertrek werd gegeven. Het is echter een hele opdracht om een vloot van meer dan honderd schepen hun zeilen tegelijk te laten ontrollen om vervolgens tezamen zee te kiezen. Het schouwspel moet spectaculair zijn geweest. Mannen kropen in de wanten. Op de dwarshouten hingen zeebonken om de zeilen te ontrollen. Met verenigde krachten moesten de scheepslui op het dek de lijnen aanspannen en ze goed vastbinden op de karveelnagels.

    Gezien de wind vlak op de kust woei moesten de zeilboten  laveren om  de wind zijdelings op te vangen en al zigzaggend de juiste richting trachtten in te stevenen.

    Het duurde enkele uren tot alle schepen de haven hadden verlaten. De horizon vulde zich stilaan op met vierkante meters  bolstaande zeilen. Joanna van Castilië, bevond  zich ergens temidden van die grootse vloot. Isabella, de koningin, maakte het spektakel mee en zag haar dochter verder en verder in zee wegdrijven. Voorwaar een emotioneel moment voor haar!

     

    De wind milderde in kracht. De zee deinde zachtjes. Sierlijk maalde de vloot haar knopen af. Geen vreemd schip was er te bespeuren. Zo gingen de dagen voorbij. Geen melding van incidenten of vijandelijke acties. De zon stond geregeld te blinken en de oceaan bleef haar kalmte bewaren. Joanna genoot van het leven aan boord. Al die blote lijven, al die samengebalde adrenaline moet haar niet zijn ontgaan. Ze zag voorwaar hoe  mannen uit de hoeken van hun oogkassen naar haar loerden. Anderen knikten vriendelijk  terwijl één enthousiasteling  haar durfde te wuiven.

    Toch plots melding dat de Bretoense kust niet meer ver af was. De spanning steeg. Alle bemanningsleden concentreerden zich op de kustlijn.  De kop van de vloot dook het kanaal in. Aan bakboord lag  Engeland aan stuurboord Frankrijk.  De golven begonnen te zwellen,  de blauwe hemel vergrauwde,   de wind kreeg meer en meer vrijheid.  Al die symptomen wezen op een nakende prille herfststorm.

     

    En alzo verging het. De brief van Isabella aan Henry VII kreeg het verhoopte effect. De vloot kon gaan schuilen  in de haven van Portsmouth. Eén boot leek vermist te zijn, wel een belangrijke, juist die met de outfit van Joanna. Ook een deel van haar juwelen ging teloor.

    Na de prima gastvrijheid die Henry de vloot en al hun opvarenden had gegeven, was het nog enkele uren varen naar Vlissingen.

    Op 15 september kreeg Zeeland een primeur van jewelste. Eén voor één gleden de Spaanse schepen de Schelde op. De zeereis had een goed einde gekend. Achttien dagen had het geduurd. Zo snel kon men het niet doen over land. De feestelijkheden konden beginnen. In Vlissingen stond Margareta van Oostenrijk aan de kade, omringd door duizenden nieuwsgierigen, haar toekomstige schoonzus op te wachten. Met een binnenschip vaarden ze verder naar Arnemuiden om vandaar naar Antwerpen te varen. Filips zat nog met zijn vader in Insbrük te jagen. Hij zou wat later naar Lier komen om haar te huwen.

    Opmerkelijk toch, dat ze beiden niet aawezig waren. De diplomatische welvoeglijkheid leek nog niet te zijn ingeburgerd. Trouwens het Spaanse koninklijk paar moest hemel en aarde bewegen om te weten te komen of  hun dochter  al dan niet was aangekomen.

    De terugvaart naar de costa Cantabrica

    Stormen maken van de reis een ware hel     

     

    Neen,  geen woord schrijf ik hier over het huwelijk van de schone Filips en de uitverkorene  speciale Joanna van Castilië. Dat moet Lier maar vertellen. Dat die huwelijksplechtigheid vandaag de dag hoge kijkcijfers zou behaald hebben daar mag je zeker van zijn.

     

    De feestroes zinderde nog na toen een bode het Mechelse paleis van Margareta van York kwam melden dat het tijd was om naar Vlissingen af te reizen. Margot keek zeker uit naar dit evenement. Er stond een  tocht te wachten, zowel over zee als over land. Ze had er met haar  dames, die haar zouden vergezellen, over gesproken. Haar persoonlijke lijfwacht stond klaar.

    De tocht ging  naar Antwerpen waar ze wellicht zou inschepen richting Zeeland.Via Arnemuiden, toen nog gelegen aan de Arne en vlak bij zee, zou ze de Spaanse vloot te Vlissingen vervoegen.

     

    Ik moet jullie vertellen dat de geschiedenis nu wat wazig wordt. Details omtrent deze terugreis zijn schaars. Wel is het zo dat de zeetrip bijzonderlijk pijnlijk moet zijn verlopen.  Verschillende auteurs hebben het over de persoonlijkheid van Margareta, die de stormen binnen de buik van een op hol geslagen boot, weet te trotseren.

    De auteurs Vermoortel en de  vooral vermaarde André Besson, die op Téléfrance bekend was voor zijn historische reportages, geven een prachtig schouwspel over dit historisch gebeuren. 

    Er is één briefje door Margareta geschreven waaruit blijkt dat de hevigheid van de storm de dood haar nabij moet zijn geweest. De ervaring hoe een  jonge meid een brutale zee meemaakt kan je zowel sentimenteel opvatten als realistisch beschouwen. Margot heeft voorwaar van haar stiefgrootmoeder stevige verhalen gehoord over de tragische expeditie die haar grootvader opzette om met een vloot naar Engeland te varen teneinde Eduard IV opnieuw op de troon te plaatsen. Hoe goed de admiraliteit de tocht had voorbereid, tegen een storm was niets te beginnen. De kleine scheepjes waren niet opgewassen tegenover zoveel watergeweld. Doden vielen er sowieso, terwijl steeds enkele boten in een  mum van tijd  in de golven verdwenen. De Spaanse kroniekschrijvers vertellen over Margo's zeereis dat er heel wat drenkelingen waren. De uiteengedreven schepen bereikten wel de Cantabrische kust.   

    Margareta moet echt alle pech van de wereld hebben gekend. Al vroeg wordt ze geconfronteerd met een hachelijke situatie. Ze moet van haar schip dat door een ander is aangevaren en in een roeibootje overstappen en naar een ander karveelschip  worden overgebracht. Hoe dat verliep is niet duidelijk.

    Ik probeer het verhaal wat aan te vullen:

    'De inscheping  verloopt onder een niet onaardige hemel. Margot en haar gevolg kreeg een warm onthaal op de Lomelina, het schip dat haar schoonzus naar hier bracht.

    Het was 22 januari wanneer de Spaanse vloot onder bevel van de bazige Don Fadrique , onder enorme belangstelling Vlissingen verliet  richting Noordzee.

    Het varen verliep rustig, alhoewel de zuidwestenwind de vloot eens te meer tot laveren noopte en het een hele dag in beslag nam om de Engelse kust in zicht te krijgen. Margot  kwam regelmatig op het achterkasteel verse lucht inademen en sloeg het werk van de hardwerkende zeemannen gade. Tussen haar en de bemanning groeide een wederzijds gevoel van jovialiteit en sympathie. 

    De zee werd onstuimiger. Enkele schepen kropen dichter bij de Lomelina. Een plotse golf slingerde een kraak tegen de karveel. De gehele bakboordzijde van het schip kraakte uiteen, enkele wanten schoten los en rukten  karveelnagels los waardoor lijnen losschoten en de grote zeilen begonnen te flapperen. De Lomelina leek zwaar gehavend en het zou een hele krachttoer zijn om de haven van Southhamton te bereiken. Men nam de toestand ernstig op. Margareta moest het schip verlaten om haar via en kleine roeiboot naar een ander schip te brengen. Moedig en vol overgave onderging Margot de bevelen van de officieren en hun matrozen. Alles deinde, de golven brachten haar evenwicht in verwarring. Enkele stevige armen wisten haar in het slingerende roeibootje te brengen. De woeste zee sloeg het reddingsbootje regelmatig met een harde slag tegen de romp van de gehavende boot. Handige roeiers wisten zich af te stoten van het schip en de zee in te wagen. De kracht van de roeiers konden de golven de baas, alhoewel de baren  hoog opzwelden zodat de einder niet te zien was laat staan het schip dat moest worden bereikt.

    Dankzij  de ervaren stoere matrozen kon Margareta aan boord klimmen van een andere karveel. Velen waren verbaasd over de moed van de jonge dame. 

    Wat volgens mij zeker is:

    De vloot bereikte zonder al te veel verliezen Southhampton. Margareta  kreeg  een onderkomen bij koning Henry VII. Ze was daar een stukje thuis, bij familie. Henry, die de vrede bewerkstelligde tussen de twistende huizen van Lancaster en York, was getrouwd met Elisabeth, dochter van Eduard IV van York broer van Margareta van York, La Dame Grande van Margot. Bovendien had haar vader ooit de intentie gehad haar aan hem uit te huwelijken(13), initiatief dat niet lukte. Margot zal dus zeker benieuwd zijn geweest wie die man eigenlijk was. 

    De herstellingen aan de Lomelia vorderden traag. Het is 21 februari wanneer de vorstelijk vloot in alle veiligheid Margareta opnieuw kon laten inschepen.  Haast een maand was voorbijgegaan.

    We varen verder in onze boeken en in onze gedachten:

    De zeilen van de schepen bolden één voor één. Het weer was ijskoud.  De wind samen met het opspattende water geselden de gezichten van de zeebonken. Hun handen voelden ze niet meer. Binnen het schip was het minder koud. Margareta en haar dames hadden zich evenwel dik aangekleed en zich verder toegedekt met wollen mantels. Gezien de verveling hield Margot er de pret in en hadden de jonge dames het gibberen niet verleerd. De wijn deed het lichaam wat opwarmen terwijl het wiegen van de boot het hele gezelschap gemakkelijk de slaap deed vatten.

     

    Zoals gebruikelijk ging Margot meermaals  het achterdek opzoeken. Er was daar altijd wat te beleven. Alleen al  het zicht van de vele schepen die haar vergezelden boeiden haar. Regelmatig staarde ze naar de richting van Frankrijk waarbij ze haar gedachten liet gaan naar Karel die nu de vijand was van haar vader. Ze mijmerde over het goede leven dat ze daar had. Ze had er heel wat prinsenkinderen leren kennen allemaal zonen en dochters van koningen, hertogen en graven. Toen speelden ze nog  tezamen. Ze glimlachte bij de gedachte aan de fratsen van ene Filibert uit de Savoye.   Haar generatie zou stilaan  de meeste tronen gaan bestijgen. Verschillende onder hen zouden zich vijandig moeten gedragen omwille van politieke standpunten die ze door de houding van  adel, ridders en kooplieden moesten aannemen. Je moest karakter hebben om zelfstandig te zijn en boven alle machten en krachten te staan.

    De golven begonnen nukkig te doen. De tijd leek niet zo geschikt te zijn om veilig te varen. De gevaarlijke plekken van de verschillende zeeën kende men nog niet goed.

    Er kwam bevel iets meer naar bakboorzijde te draaien om beter de wind op te vangen. De Golf van Biscaye leek te slapen. De vreugde kwam bij iedere zeeman opzetten. De thuishaven was niet ver meer af.

    Het water besliste er echter anders over. Als een wispelturige vrouw begon de zee een andere emotie aan te nemen. Neptunus kon haar niet de baas en zweepte in al zijn frustratie het water op tot immense deiningen. De wind kwam zijn vriend  helpen, waardoor heel de golf helse krachten ging ontwikkelen.

    Het was zover. De dames verzocht men naar de buik van het schip te begeven, zich kranig te houden en de tijd rond te maken met bidden.

    Met de minuut werd  de zee agressiever. Het zeewater begon  door alle spleten van het bovendek naar beneden te sijpelen. De krachten beukten hevig in op het scheepshout. Het gekraak maakte enkele jonge dames gek. Eentje begon haar lijf uit te braken, een andere ging plat op de vloer liggen terwijl anderen zich vastklampten aan houten zuilen en er hun nagels indrukten. Jonkvrouw Margareta  sprak haar gevolg moed in en riep dat zijzelf in een goede afloop geloofde, gezien haar schip het stevigst was, de beste bemanning had en over de meest ervaren kapitein beschikte. In haar diepste wist ze dat het einde wellicht nabij was en er veel kans bestond dat ze  haar nieuwe uitverkoren man nooit zou zien. Ze greep naar een stuk perkament. Ze wist waar de loden inktpot stond en schreef enkele zinnen op. Ze kon met veel moeite het perkament nog met was insmeren. Ze bond het briefje aan  haar linkerarm vast terwijl ze haar beurs met enkele goudfranken vastbond aan de andere arm. Zo zouden ze haar lichaam vinden en aan de hand van het briefje te weten komen wie ze was.

     

     

    Al het diepe water kwam naar de oppervlakte. Boven op het dek vocht ieder voor ieders welzijn. Mannen verdwenen in zee. De masten stonden op breken. De zeilen scheurden aan flarden. De Lomelia leek nog alleen te drijven. Van de andere boten zag men noch mast, noch zeil. Wat moest gebeuren, gebeurde. De voormast kraakte en donderde naar beneden en bedolf verschillende matrozen. De mannen aan het roer hielden  de boot nog in een goede richting. Van hen zou het afhangen dat  schamele schuit de golven bleef induiken. Benedendeks snikten de vrouwen en baden om hun heil. Uren gingen voorbij.

     

    Er moet een eind aan komen:

    Een paar vissersboten uit Santander zagen aan de horizon enkele zeilschepen naderen. Ze schenen allen gehavend. Je kon uit hun silhouetten  niet opmaken welk type van vaartuigen het waren. De vissers hadden vlug door wat er was gebeurd en het om een deel van de vloot moest gaan die uit de Nederlanden moest komen met aan boord Margareta van Oostenrijk, de Bourgondische prinses. Enkele vissers zetten de zeilen strak om het dichts nabije schip tegemoet te varen. Andere vissers zeilden naar de kust om het nieuws te melden. Op slag  stroomden mensen naar het strand. Velen wisten  te vertellen dat de schepen eerder in Laredo moesten aankomen. Er leek dus wat dramatisch te zijn gebeurd. Welk schip betrof het dat er kwam aanvaren. Hoe zou het de andere schepen zijn vergaan? Waren er doden? Leefde  Margareta?  Naargelang de boot naderde zag het volk hoe zwaar beschadigd de karveel was. Het grootzeil hing gescheurd aan de grote mast. De fokkemast stond half gebroken ontdaan van zijn zeilen en  zijn mars. Het bezaanszeil zat onder de scheuren en gaten. Geen enkel schild, noch wimpel had de watervloed kunnen overwinnen. Stuk getrokken koorden zwiepten doelloos rond. Het leek wel een spookschip. Op het dek stonden enkele mannen te wuiven. Geen ander volk  viel er te bespeuren. Het werd stil aan het strand. Het schip liep vast en ging overhellen naar stuurboord. Enkele opvarenden sprongen van boord en kwamen uitgeput het strand opstrompelen. Eén ervan werd bij de communiemeester en enkele schepenen van Santander gebracht. Hij presenteerde zich als bootsman van de Lomelia en vervolgde dat zijne hoogheid Margarita y su senioritas allen de storm hadden overleefd. "Ze hadden nu de slaap gevat"voegde hij er aan toe. Blij gezind omhelsde de communiemeester de bootsman. Het goede nieuws liep als een vuurtje doorheen het strand. Het gejuich was zo enorm dat Margot wakker werd. Afgepeigerd, de haren helemaal in de war huilde ze van de  voorbije nacht opgedane spanning. Haar dames troosten haar, monterde haar op, kamden haar lange prachtige haren en kleedden haar in haar rode fluwelen kleed, met brokaat afgeboorde zwarte kap. Als juweeltje droeg ze een gouden sieraad met een edelsteen met daaraan een grote parel. Was het een traan van ellende?

    Eens ze vaste grond onder de voeten kreeg, lachte ze en wuifde ze naar de menigte die opgetogen en met volle bewondering naar haar keken. Ze kreeg een warme Spaanse ovatie en moest zich een weg banen tussen een massa mensen. Men roemde haar karakter  -jovial y abierto-.

    Zo zou het kunnen verlopen hebben. Alleen Margareta zou haar zeereis juist hebben kunnen vertellen. Maar je zal toegeven dat die enkele woordjes die ze bij het begin van de storm opschreef wat dramatisch klinken:

    "Ci - git Margot, la gentil demoiselle, qui ha deux marys est encore est pucelle"

    "Zie hier Margot, het aardige juffrouwtje, die twee echtgenoten had maar nog maagd is.  werd."

     

    Ze zou nog een lange weg naar Burgos moeten afleggen...                         

     

    -----------------------------------------------------------------------------------------------------------

     

    voetnoten:

     

    1)De Maesschalck, De Bourgondische vorsten 1315 -1530, Davidsfonds Leuven.

    2)Besson A, Marguerite  D’Autrice, Nouvelles Editions Latines, 1 rue Palatine, 75006 Paris.

    3)Struye L e.a., Kroniek van België, Standaard uitgeverij

    4)Cossaert K, Beiaarden in Vlaanderen, Mechelen Sint-Rombouts 5: twee beiaarden in één toren, Klapgat Echo Gidsenbond Mechelen 2009 nr 29O

    5)Zie afbeelding  De Maesschalck, De Bourgondische vorsten 1315 -1530, Davidsfonds Leuven.

    6)Eichberger D e.a. Dames met Klasse Margareta van York, Margareta van Oostenrijk, Davidsfonds.Diptiek van Filips & Margareta en hun wapenschilden over hun erfgoed, blz 140 (Diptiek bevindt zich te Londen in The National Galery)

    7)Miguel A Zalama- internet, zie onder Cubi Colombinos 5

    8) Wikipedia: onder Ferdinand II van Aragon en Isabella van CastiLië

    9)NancyRuben Stuart, Isabella of Castile- The First Renaissence Queen

    10) Vermoortel Fr, Margareta van Oostenrijk, het boeiende leven van een grote Dame, De Vlijt 198O.

    11)NancyRuben Stuart, Isabella of Castile- The First Renaissence Queen

    12)Geheel de zeetocht op basis van de geschriften Miguel A Zalama, Nancy Ruben, Vermoortel F, Besson 

    13)Eichberger D e.a. Dames met Klasse Margareta van York, Margareta van Oostenrijk, Davidsfonds.blz 143

    Beeldmateriaal: zet marker op foto. Foto Sint Pieter en Paulus kerk kan nog onder auteursrechten vallen:ex collectie Berlemont (SAM).

     

    Sfeerbeeld           

     

    28-05-2011 om 00:00 geschreven door BELLON MARC


    Categorie:Paleizenstory
    >> Reageer (0)
    06-04-2011
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Laat de goederen maar komen!
     
    Tijdens de middeleeuwen

     

    Uit een toltarief van 1392 (1) zijn enkele opmerkelijke citaten te lezen. Het is quasi zeker dat de Berthouts reeds honderd jaar eerder tol opeisten aan de Mechelse Dijlekaden en op de Steenweg die de rivier kruiste. De plaats waar zich nu het tolhuisje bevindt is dus een plek die tot ver in de geschiedenis gaat. Vrij van tol waren de inwoners van Grimbergen  alsook de Duffelaars die verwant waren aan de Berthouts. Nergens is sprake dat de bisschoppen van Luik toleigendom hadden, zoniet zouden hun bewoners van hun eigendommen vrij van betaling zijn geweest.

    Het is pas na 1308 dat de prins- bisschop van Luik tol eist en  regelmatig afwisselt met de hertogen van Brabant. Vervolgens vulde de graaf van Vlaanderen zijn schatkist met Dijlegeld wat ook de Bourgondische vorsten deden. Er is een kleine periode geweest waar de stad Mechelen zelf de accijnsen kon innen en beheren. Ze stond echter dit recht af aan Karel V. Verder verduidelijkt de tekst dat er tussen tol en accijns een verschil was. Een tol is een heerlijk, en een accijns een stedelijke instelling.

     

    De tol kon op twee manieren worden geïnd; met klinkende munt of, tijdens de vastenperiode in natura. Het was de tiendgaarder en zijn knaap die aan boord gingen van een visschuit. Hij nam de nodige rechtmatige tol in ontvangst om nadien een tiende belasting in goederen op te eisen. Bestond de vracht bijvoorbeeld uit honderd  kilogram vissen dan mocht hij er tien  kilo uitkiezen. Bij verschillende vissoorten had hij de keuze om zijn tiende belasting op te delen  in bijv. drie kilo pladijzenijzen  en zeven kilo kabeljauw. De vis werd verkocht en de opbrengst kwam terecht in de koffer van de heer van Mechelen. Het tienderecht was niet alleen een bezit van de Kerk, ook de wereldlijke macht mocht dit recht uitoefenen.


    Het tolhuisje laat nog een geheimpje vrij. Tol kon dag en nacht geheven worden. Buiten de aanwezige koffer, was het huisje voorzien van een bed opgemaakt met een "pulewe" en "slapelaken", huisgerief als pannen, potten en kruiken. Op een tafel stond een "loeden"pot met "inct" en een baksken voor "rekenghelt".  Alzo is het duidelijk dat de havenactiviteiten niet noodzakelijk ophielden wanneer de avondklok luidde.  


     

    Tijdens die middeleeuwen zijn aluin, laken, zout en koren belangrijke goederen.

     

    Aluin, een mineraal, gebruikte men voor het ontvetten van Engelse ruwe wol.

    De Medici, samen met de Kerk, hadden een belangrijke greep op dit product dat zowat in geheel Europa werd verkocht. De grondstof werd gedolven in de Golf van Izmir aan de Egeïsche zee alsook in de bergen van Tolfa in centraal Italië.

    De Italiaanse aluin zou de paus Pius II in 1460 gebruiken om de Turkse  te weren. Hij zou op straf van excommunicatie de katholieke landen verbieden het Turkse mineraal te kopen. Blijkbaar had men in onze contreien minder angst gekregen voor de dreigingen van de paus. Londen en Brugge kochten verder Turks aluin waardoor het  pauselijk monopolie  werd doorbroken en de verwachtte inkomsten hun doel misten. De aluin markt verzadigde en de prijs stortte in. De Bourgondiër Karel de Stoute ( 1433-1477) ondervond het, door Turks aluin te blijven opkopen waardoor Brugge met een hoop van dat product bleef zitten.(2)

     

    Zout, eveneens een mineraal, is altijd een belangrijk middel geweest. Vooral als bewaring van voedingswaren zoals o.a. vis. Rond de 15e eeuw kostte een vaatje zout ongeveer een 3 gulden(goudmunt). Een schipper die zout vervoerde had met een schip zo ongeveer 750 gulden netto winst. In Mechelen moest men een voor een "scip souts" 9 d oude leuvense betalen wat al veel was. Voor een "sac" wol

    bedroeg de tol 12 d oude leuvense. Een "sac" is een inhoudsmaat. Een  Engelse "sac" woog 364 ponden of 165 kg. Eén vierde "sac" noemde men een pochet. Eén Engelse "sac" wol kostte in de jaren 1370 gemiddeld 6 1/2 pond Sterling.(3) Weze herhaald dat Mechelaars met eigen gemaakte schepen hun wol in Engeland gingen halen. Van alle Brabantse steden was Mechelen de grootse opkoper. De Engelsen beschouwden de heerlijkheid Mechelen als Brabants.    

     

    Ten tijde van Margareta van York (1477 – 1503) kwamen regelmatig aan de Tichelrei, schepen met bouwstenen aanleggen. Zo’n schip kon 12.500 tot 28.500 stuks bakstenen vervoeren.(4)

    De vervoerprijs over het water bleef binnen de perken gezien de stenen  uit het Boomse kwamen alsook, en dat is minder gekend, uit de Dielegemse steengroeven nabij Jette in Brussel.  Daar bevond zich een Norbertijnenabdij. Wat nu het Poelbos is zouden vroeger  steengroeven zijn geweest waaruit heel wat bouwstenen werden gekapt en vervoerd naar Brussel en Mechelen.(5) De O.L.Vrouwe kerk van- en- over -de- Dijle  kreeg trouwens een relikwie van de heilige Sint- Blasius als dank voor de aankoop van stenen, wat meteen betekende dat deze parochiekerk een patroonheilige bijkreeg en Dielegem inderdaad een belangrijk ontginningsgebied moet zijn geweest(6).

    "Colenscepen" meerden regelmatig aan. Een "scip colen" betaalde eveneens een belasting van 9 d.oude Leuvense. Uiteraard betrof het turf. Turf kon uit Noord Brabant komen rond de streek van Roosendaal of Etten en Leur. Of uit  Oostelijk Zeeuws Vlaanderen als Carniveele en Saaftinge.(7)

    Over de turfdragers moeten we het nog hebben. Zij brachten in Mechelen het goedje tot bij de klant.


    Het toltarief van 1392 geeft geen gegevens omtrent bont en pelzen die in Brugge aan wal werden gebracht door de Duitse Hanze met hun befaamde schepen. Wel is er sprake van "dekenen hude" waar een tol van toepassing was van 2d. oude Leuvense. Ook zien we kaas

    op karren laden, nadat een kleine belasting van 2 d. oud Leuvense werd betaald. 

     

       

     

     

     

    Specifieke goederen die begin 18 e eeuw te Mechelen werden gelost.(8)

    Geldwaarde en inhoudsmaten

     

    Geldwaarde

    Wij vonden voor het jaar 1775 dat 1 gulden 20 stuivers waard was. Voor 1 stuiver kreeg men 4 oorden en 1 oord stond gelijk met 20 negenmannekens.

    Vergelijkend met Antwerpen bedroeg het jaarloon van een metser 5.280 stuivers of 264 gulden.

    ( uit Remue Isabel, verhandeling VUB 200-201 Sam M10080b)

     

    Inhoudsmaten

     

    Meestal zijn de maten vaag omschreven.

     

    Zo sprak men van een carteel wijn. Het zou een vierde van een aem zijn. Eén aem stond gelijk met 48 stopen of 131,808l. Een pype  was een langwerpig vat.  Langwerpig in de zin van schouwpijp, loospijp, orgelpijp.

    Wijn stapelde men op een voederstuk waarop 6 aem wijn kon liggen. Men noemde het een voederstuk omdat men dit stapelstuk kon aanvullen. Er bestonden  vaten van 3 tot 6 aem groot.  Men sprak ook van een fustagie, wijn die rustte op een stapelstuk, blijkbaar voor  vaten tot 3 aem. 

    Een schoof is een bussel en een poos is een hoeveelheid van iets, zoals een poos kastanjes. Met sprak ook van een barille,  een  vat met banden. Men had het dan blijkbaar over een verpakking dat uit Italiê kwam. Men sprak hier ook over een pottiesch olijven( olie), dat zou een aarden pot zijn geweest met oren aan. 

    Een boseu noten kwam overeen met ongeveer 13 liter. Het betrof een maataanduiding voor droge materies, zoals noten, met een wijzigend inhoudsgewicht. Boseu, zoals men het hier te Mechelen uitsprak kwam van het  Franse woord boisseau.

    Een cruys als maataanduiding stond gelijk aan een getal van tien. Me bestelde dus een cruys kalk of tien maten kalk. Drie cruysen zand stond gelijk aan dertig maten.  

     

    Prijslijst goederen door de kraan gelost.

     

    Transportprijzen werden bepaald door de lonen van de schippers, de scheepstrekkers, de kraanprijs. Richtprijs voor de goederen zou het vervoer zijn van molenstenen. 

    In Mechelen betaalde men voor het lossen van een grote molensteen 1 gulden en 8 stuivers. Een seventhiender, een iets kleinere maat van molensteen  18 stuivers. Men kon verder een sesthiender, een vijfhiender , een veerthiender bekomen. Die laatsten noemde men ook jouffers. Wou je de kleinste dan vroeg je naar een wolff. Een te lossen vracht met verschillende maten molenstenen had een prijskaartje van 12 stuivers.

     

    Voor het lossen van Franse, Spaanse of inlandse wijnen, niet groter dan 1 carteel  2 stuivers.

    Zo ontdekken we wijn uit Portugal, die men hier  als "spaenschen" wijn betitelde, uit de stad Beja.  Champagne wijn vervoerde men in kleine vaatjes en kwam uit het stadje Ay nabij Reims en vermaard voor zijn goede kwaliteit.

    Elke "pype" wijn 4 stuivers. Zulke smalle tonnen zouden ongeveer een inhoud hebben gehad van 144 stopen.

    Het lossen van grote wijnvaten (3 tot 6aem) 6 stuivers.

    Je kon je waren aan huis laten brengen. Toen noemde men dat kelderen. Het kelderen van de wijn had een prijs van 2 stuivers per aem. Voor het brengen van een voederstuk 3 stuivers per aem. Het waren de craenkinderen die  deze job klaarden. Wellicht bevonden zich stapelkelders van de kooplieden dichtbij de Haverwerf. 

    Verder werden tonnen gelost gevuld met siroop, olie, smout en wijnazijn. Een boot pruimen werd gelost voor 4 stuivers, prijs die overeenkwam met een "pype" wijn.

    De kraan loste ook "potasschen of weeasschen", dat was gebrande beenstof die bij de blekers, ververs en suikerbakkers gebruikt werden. De suikerbakker maakte er steevast gelatine van, terwijl de blekers het gebruikten om de lakens te stijven en de verver het bezigde als bindmiddel voor het maken van zijn verf.

    Ook stenen  van zes voet en meer moesten door de kraan worden gelost. Hiervoor vroeg men 18 stuivers, wat gelijk stond met een molensteen maat zeventien of een seventhiender.

    Niet alleen schepen werden door de kraan gelost. Ook karren met wijn moesten beroep doen op de craenkinderen en kostte toen 6 stuivers.

     

    Goederen door Nieuwe Natie, Kraan en of schippers te lossen

     

    In het jaar 1718 barstte een zware opstand tussen kooplieden en de ambachten van de lijntrekkers en de buideldragers uit. Graanhandelaars waagden het schepen te lossen buiten de stad en alzo de kosten te ontwijken van de buideldragers en de lijntrekkers. Deze broodroof zette zodanig kwaad bloed  bij de arbeidende klasse dat militair ingrijpen noodzakelijk was. De Oostenrijkse Keizer ontbond als gevolg van deze opstand  het ambacht van de lijntrekkers en richtte de Nieuwe Natie op. In deze nieuwe constructie werd het monopolie van de oude lijntrekkers doorbroken gezien bepaald werd onder welke omstandigheden men beroep kon doen op de lijntrekkers en onder welke condities men vrijelijk schepen kon laten lossen, hetzij door de Craenkinderen, de Nieuwe Natie en of de schippers. Verder werden de losprijzen bepaald voor elke categorie van goederen in functie van hun gewicht.

     

    Voor alle soorten  packen die meer dan 600 pond wogen moest men een prijs betalen  van 4 stuivers. Elk meergewicht van 100 pond stond gelijk aan 2 oorden.

    In de gegeven rekeningen zien we dat regelmatig lijnwaetpakken en vooral smackbaelen gelost werden. Die smackbaelen waren pakken heesters die veelvuldig werden gebruikt door de leertouwers.

    Men citeert ook het lossen van suikerkisten( 4 stuivers) en een ton nagels van 600 pond. Het uithalen van een affuit bedroeg 7 stuivers en een cartauw, een kleiner soort kanon, 1 gulden.

    Voor de prijs van zes stuivers hielp men kleine bootjes in en of uit het water halen, terwijl de grotere schuiten daarvoor het dubbele betaalden.

     

    Om wellicht schade te vermijden, moesten de masten van sommige schepen uitgenomen worden om de lading in of uit het schip te kunnen hijsen. Vandaag de dag zijn er nog altijd juridische discussies omtrent schepen die niet geschikt zijn om bepaalde goederen te laden of te lossen zonder schade. Toen bleek dat ook al te zijn. Uiteraard had de kraan maar een beperkte actieradius.

     

    Goederen die helemaal niet door de kraan moesten worden gelost.

     

    Bijvoorbeeld een koets, een berline, gemaakt in Berlijn toen nog Pruisen,8 stuivers. Een kar potaerde 2,50 stuivers. Honderd bussels biezen, 2 stuivers. Een paard, een os, een koe 5 stuivers, terwijl een varken 2 stuivers kostte.

    We lezen ook over het lossen van kinnekens. Dat had niet onmiddellijk met kinderen te maken maar eerder met zeep. Als we het goed hebben begrepen  werd hier de maat voor zeep bedoeld en dat overeenkwam met het achtste deel van een vat. Het woordje kin werd gebruik om kleine ronde voorwerpen aan te duiden, zoals een kindsoog groot of  zo groot als een zaadje.

    Men at toen ook stinkende kaas, niet uit Brussel maar uit Tessel of Thesselt, een dorp in de Kempen. Men noemde het hier rotten kaas of een stinkaerd. Tot dusver een greep van wat er zoal op de kade kwam.

     

     

     

     voetnoten

    1) Koninklijke Kring voor Oudheidkunde, Letteren en Kunst van Mechelen, jaar 1937, Een Mechels Toltarief.

    2) Parks T, Het Medici geld, de Arbeiderspers Amsterdam- Antwerpen.

    3) Koninklijke Kring voor Oudheidkunde, Letteren en Kunst van Mechelen, jaar 1934 nr 341, In Engeland gevestigde Mechelse kooplieden. De Stürler.

    4)Vermeulen K, Openbare werken te Mechelen tijdens het verblijf van Margareta van York (1477 - 1503); masterproef SAM/ M10583b)

    5)Jacobs R. Een geschiedenis van Brussel, Lannoo.

    6)Gids dekenale kerk Onze-Lieve-Vrouw van-over-d Dijle (1/09/1971), blz48

    7)Asaert G, De Antwerpse Sceepvaart XVe eeuw (1394-1480).Bijdrage tot de economische geschiedeis van de stad Antwerpen.

    8) Schoeffer,"Historische aantekeningen rakende de kerken, de kloosters, de ambachten en andere stichtingen der stad Mechelen, Uitgave Frans Verhaevert 

    Link Hanze schepen: 1-3 Keulse schepen; 2 schip uit Wismar; 3 schip uit Lübeck;5 schip uit Danzig.

    Foto's: havenzichten, collectie SAM Stadsarchief, Mechelen,

     

     

     

     

    06-04-2011 om 00:00 geschreven door BELLON MARC


    Categorie:Kaaien
    >> Reageer (0)
    23-02-2011
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Stapels concreter: De Bourgondiërs
     

    Mechelen onder de Bourgondiërs                                            

     

    1384

    'Het speelbord ligt er momenteel gevuld bij. De meeste Vlaamse steden hebben heel wat hotels, stapelhuizen, markten. Er is grote welvaart.  De spelers concentreren zich op de steden Brugge , Ieper, Doornik, Gent,  de heerlijkheden Antwerpen en Mechelen. Maar ook in Frans Vlaanderen schitterde de stad Rijsel. Vlaanderen en Bourgondië hadden elkaar gevonden en zouden samen  een machtig blok worden en Frankrijk de stuipen laten krijgen.

    Vlaanderen heeft veel te danken aan Lodewijk van Male. Hij bracht Artesië terug, reden waarom hij verkoos in Rijsel  te worden begraven. De stad zou later uitgroeien tot bestuurlijke hoofdstad van Vlaanderen.

    Het geld stroomde de schatkist binnen. Voornamelijk het economische sterke Vlaanderen bracht het meeste geld op. Het  bleek een onuitputtelijke goudmijn.  Vooral tolgelden  alsook opbrengsten uit vastgoed  maakte de opvolger van Lodewijk, Filips de Stoute, tot wellicht de rijkste hertog van toen.' 

    Mechelen profiteert mee van de Vlaamse welvaart. Haar politiek statuut van heerlijkheid maakt haar bovendien tot een bijzonder gebied waar gezag verdeeld is en haar kleinheid de groten in verborgenheid houdt. Liggend binnen Brabant concurreert ze met de grote Brabantse steden en is ze een drukke bezochte stad met faam voor haar laken en is ze het belangrijkste handelspunt in de doorvoer van goederen tussen Brugge en het Rijnland     

    De dood van een vorst brengt evenwel hier en daar  onzekerheid  mee. Alle verdrongen en onopgeloste problemen dreigen opnieuw aan de oppervlakte te komen. Brabant ligt er wat verscheurd bij, nu Mechelen en Antwerpen onder Vlaamse voogdij vallen.  Voor Mechelen liggen de kaarten niet zo goed. Het is   ouwe tante Joanna, de weduwe Wenceslas van Luxemburg die, rond het spelersbord, voor ongewenste animo komt zorgen.

     

     

    '-' De Maesschalck E, De Bourgondische vorsten 1315 - 1530, Davisfonds

      Filips de Stoute (1364-1404)

    Dochter Margareta erft van haar vader Lodewijk van Male de graafschappen Vlaanderen, Artesië, Nevers, Rethel , de Franche-Comté en enkele dorpen uit de Champagne alsook Mechelen en Antwerpen. Samen met haar man, Filips de Stoute van Bourgondië  zouden ze deze gebieden gaan besturen. 

    Filips de Stoute verbleef lange tijd aan het Franse Hof waar hij een leidende figuur was en er een grote invloed had op de jonge dauphin Charles VI. Zijn bemoeienissen  binnen  het paleis gingen zo ver dat  hij op het einde van zijn leven diens vier kleinkinderen met vier Franse koningskinderen kon laten trouwen(1). 

    Het is de tijd van de pracht en de praal, de  schone lange jurken, opgesmukt met goudbrokaat, keukens met heel wat koks en dienstpersoneel, sausmakers, kruidenkenners, fruiteniers. Alle dagen vlees, waar fazanten, kapoenen, patrijzen dagelijks op het menu stonden. Prachtige lange tafels, zilveren bestek, bekers waarin men klasse wijnen schonk komend uit de Bourgondische wijngaarden, als uit Talant, Marsannay, Pommard. De adelelijke dames en heren   kwamen naar het banket in comfortabele koetsen en  draagstoelen.(2)    

    Staatsbezoeken waren dan ook lange stoeten. Alleen al Margareta had enkele karren ter beschikking om haar garderobe te vervoeren.  'Dat moet men, op 23 maart 1384 te Antwerpen hebben gezien  toen de vorsten er op bezoek kwamen.

    Dit beleefdheidsbezoek was opnieuw een topper qua spektakel maar last but not least kwam het oud zeer, de Mechelse eksteroog, opnieuw aan de orde.

    Filips de Stoute toverde een handigheidje uit zijn mooi door een commissie op te richten dat het probleem rond de stapelrechten Mechelen-Antwerpen moest bestuderen.

    Uit dat rapport besloot de Bourgondische hertog Antwerpen het recht te geven één derde van alle vis, haver, en zout voor zich te houden. Niets nieuws onder zon. Een oud gekend voorstel was opnieuw aan de orde.  De beslissing zou voor Antwerpen geen soelaas brengen. Mechelen behield de stapels met alle voordelen daaraan verbonden.(3)

     

    Alles bleef bij het oude. Buiten enkele schermutselingen bleven Mechelse klachten uit, zodat we er kunnen vanuit gaan dat de dagelijkse handel niet gehinderd  werd en de regeltjes van het goed fatsoen door Antwerpen werden opgevolgd.

    Het bleef  rustig tot 1390. Ouwe tante Joanna van Brabant werd in die periode bedreigd door Gelderland.  Niet ongewoon. Regelmatig werd Brabant, omwille van de handel met Keulen, bestookt door  de vorsten uit het maasgebied. Filips de Stoute hielp haar graag maar vroeg haar in het geheim afstand te doen van Brabant ten gunste van zijn echtgenote Margareta van Male. Joanna  aarzelde niet en gaf Filips zijn zin! Onbegrijpelijk hoe een hertogdom als een piece of cake in één adem van eigenaar veranderde.  Brabant ontdekte evenwel de onderhandse deal. Het protest leidde tot lange onderhandelingen.

    In 1403 komt er  een beslissing uit de bus: Antwerpen en het kleine Limburg zullen samen met de rest van Brabant onder de bevoegdheid vallen van de tweede zoon van Filips de Stoute, Anton van Bourgondië, een pientere en diplomatieke man. De heerlijkheid Mechelen blijft onder hoede van Filips  en zijn echtgenote.(4)

    Het nefaste van deze genomen beslissing zal pas na de  dood  van Johanna, Filips de Stoute en Margareta van Male tot uiting komen wanneer een  soort koude oorlog ontstaat tussen Antwerpen en Mechelen.

     

    --------------------- 

    1.De Maesschalck E, De Bourgondische vorsten 1315 - 1530, Davisfonds

    2 idem

    3.De Laet M, de strijd om het bezit en het behoud van de stapels voor vis, zout en haver, 1233 - 1467, verschenen in de Koninklijke Kring voor Oudheidkunde, Letteren en Kunst van Mechelen, uitgave 1986 (SAM), De Pauw Willem, www ethesis.net/mechelen    

    4.idem

     

      Jan zonder Vrees( 1371–1419)

     

    'Zijn naam heeft hij niet gestolen. Hij was een vechtersbaas en zou beter Risk spelen dan Monopoly.

    Net als zijn vader verbleef hij aan het hof in Parijs om de jonge koning Charles VI bij te staan. Die knaap leek niet in staat het land te besturen. Hij had waanideeën  en zou  aan schizofrenie hebben geleden. Op die wijze kon hertog Jan  de schatkist beheren en geld putten om zijn  Bourgondië te verbinden met onze gewesten.

    Een mooie economische droom ware het niet dat Lodewijck van Châlon, graaf van Tonnerre,  regio  gelegen ten noorden van het Bourgondische land,  voortdurend de troepen van Jan zonder Vrees verhinderde  door zijn gebied te trekken. Die Châlon had dan nog het lef de knappe  Margaretha van Beieren echtgenote van Jan te gaan verleiden. Dat pestgedrag eindigde in een drama. Op last van Jan zonder Vrees werd de graaf van Tonnerre vermoord. Dit feit leidde tot een burgeroorlog tussen de voorstanders van Châlon en die van Jan zonder Vrees.

    Bovendien wakkerde de Honderdjarige Oorlog tussen Frankrijk en Engeland weer aan  en is er oorlog met het prinsbisdom Luik  waar een broer van Margaretha van Beieren door de paus van Avignon als bisschop geweerd wordt. Op vele plaatsen kletterden de wapens. Jan zonder Vrees zou in al dat geweld uiteindelijk slachtoffer worden van zijn moordcampagne op zijn rivaal Châlon'.(1)

     

    Dit verhaal, dat het mijne niet is, lijkt me interessant om de situatie in Vlaanderen,  onder de periode van deze Bourgondische vorst te schetsen alsook de problematiek tussen Mechelen, Brussel, Leuven en Antwerpen een beetje te verklaren.

     

    'Al de oorlogen van Jan zonder Vrees werden voor het grootste gedeelde betaald door het zeer welvarende Vlaanderen. De Maeschalck schat 55% van de totale inkomsten van de hertog of zo’n 247.500 pond tournoois!  Voor die tijd een haast waanzinnig bedrag.

    De hertog was  heel beleefd  als hij op Vlaamse bedeltocht ging om de financiering van zijn krijgsplannen rond te krijgen'.(2)

    Vlaanderen lijkt altijd braaf te zijn geweest maar handelde toen wijs. Het eiste bijzondere en hoge  privilegies die in grote mate werden ingewilligd. Vlaanderen moet werkelijk in het geld hebben gebaad!

     

     'Zo verkreeg het de Raad van Vlaanderen, een hertogelijke rechtbank, waar vonnissen in laatste aanleg konden worden gewezen. De voertaal was niet helemaal het Frans. Op de zittingen was het voortaan een recht dat het Diets met Diets moest worden beantwoord. Met andere woorden de Vlaamse rechtzoekende kon zijn  eisen of verdediging in eigen taal vertolken en uitdrukken.

    Jan zonder Vrees maakte een punt, ondanks zijn oorlogvoering,  om met Engeland regelmatig handelsakkoorden  af te sluiten  waarbij Vlaamse vissers, pelgrims en reizigers op zee met rust zouden gelaten worden ondanks dat Vlaamse schippers regelmatig Engelse schepen kaapten.  

    Gezien de drukke agenda van de hertog zou hij en zijn echtgenote niet voortdurend in Vlaanderen kunnen   resideren. Zijn jongste zoon, de latere Filips de Goede zou dat komen doen in zijn plaats wat hier  bij de bevolking stevig werd geapprecieerd.

    Inderdaad we zien Filips de Goede in Gent arriveren tijdens het jaar 1911.

    Deze jonge prins, zou handelsakkoorden afsluiten met Portugal, Genua, Firenze en Aragon.  Bovendien realiseert hij een verdrag met Henegouwen en  Holland  ten voordele van Brabant om  de problematiek rond Mechelen op te lossen.' (3)  

    Misschien een lange aanloop om de lokale situatie te duiden. Onderlijnen we nog dat Antwerpen opnieuw onder Brabant ressorteert en te luisteren heeft naar hertog Anton van Bourgondië, broer van Jan zonder Vrees! Alhoewel de drie broers goed overeen schenen te komen, zou de situatie Antwerpen de relatie tussen Jan en Anton bemoeilijken gezien de laatste de intentie scheen te hebben de belangen van Brabant stevig te verdedigen. De heerlijkheid Mechelen, gelegen in het grote welvarende Brabant, werd  aanzien als een vreemde rijke eend, zodat ze  niet alleen mikpunt werd van aartsrivaal Antwerpen maar ook van Brussel en Leuven.

    In 1410 begint de koude oorlog.        

     

    --------------------------------- 

    ((-)1-3)De Maesschalck E, De Bourgondische vorsten 1315 - 1530, Davisfonds 

     

     

    De spelers rond het monopoly bord zitten er gespannen bij. De fondskaarten hebben het spel wat door elkaar geschud en ontstaat er ruzie gezien de Antwerpenaars andere spelregels opleggen.

    We zetten de gebeurtenissen even op een rijtje.

     

      

     

     

     

     'Op 24 juli vaardigde de Antwerpse magistraat een ordonnantie uit waarbij alle visschepen die Antwerpen voorbijvaren aan de kade dienen aan te leggen om hun scheepslading op de Antwerpse markten te koop aan te bieden.

     

    Mechelen reageert vrijwel snel op deze maatregel en tracht via gezanten hertog Jan zonder Vrees in te lichten.

     

    Drie Mechelse schepen komen in Antwerpen aan de ketting te liggen. De schippers Jan van de Velde, Jan Speelbout en Peter Pijl weigeren hun lading, bestaande uit haring, specerijen en andere koopwaar aan wal te brengen.

     

    Mechelen krast perkament vol en vraagt hun hertog om in te grijpen, zijn broer aan te zetten de schepen  en hun lading vrij te geven, een schadevergoeding te eisen van 10.000 Franse schilden en de verantwoordelijken van deze aanslag te straffen. De magistraat licht tevens de Staten van Vlaanderen in.

    De Mecheleaars verwijzen naar hun privileges verkregen van graaf van Male en Filips de Stoute en ze reeds van 1301 een vrije Scheldedoorgang genoten in Antwerpen.

     

    Antwerpen antwoordt hierop niets verkeerd te hebben ondernomen en gehandeld te hebben overeenkomstig de privileges van de stad. De Antwerpse magistraat herhaalde dat de stad reeds van oudsher  het recht heeft  schepen aan hun werf te laten aanleggen met het oog op verkoop van stapelgoederen.

     

    In Mechelen ontstaat fel protest en dreigt men met oproer.

     

    De stad Mechelen zendt een bode naar Parijs met een brief voor de aldaar verblijvende Mechelse gezant met verzoek Jan zonder Vrees te laten ingrijpen. Tevens licht ze de Vier Leden van Vlaanderen in.

     

    Die reageren vrij snel en vraagt Antwerpen zich te komen verantwoorden op de Mechelse aanklachten.

    Er komt een akkoord uit de bus dat evenwel niet duidelijk is in de  beschreven geschriften. Antwerpen verklaarde zich wel akkoord tot vrijgave van goederen en schepen.

     

    Op 1 december nam Mechelen genoegen met de Antwerpse voorwaarden.'  

     

    ex:(-)De Laet M, de strijd om het bezit en het behoud van de stapels voor vis, zout en haver, 1233 - 1467, verschenen in de Koninklijke Kring voor Oudheidkunde, Letteren en Kunst van Mechelen, uitgave 1986 (SAM),

     

    Op 28 maart doet Anton van Bourgondië broer van Jan zonder Vrees, een gewaagde  uitspraak door Antwerpen het recht te geven op het stapelen van vis, zout en haver!

     

    In de tijd dat de heerlijkheid Mechelen onder invloed stond van de Brabantse hertogen

    kon het gezag Antwerpen in bedwang houden. Nu de heerlijkheid onder Vlaamse voogdij gedijde  was er naar mijn mening geen juridische hinder om Antwerpen te verbieden het stapelrecht op vis, zout en haver toe te eigenen.

     

    Op 4 juni reageert  de latere Filips de Goede, bij afwezigheid van zijn vader Jan zonder Vrees, bijzonder hard. Hij verbiedt zijn onderdanen naar de Antwerpse markten te gaan op straffe van verbanning voor een periode van drie jaar!   

    Hierop reageerde broerlief een blokkade te zullen oprichten voor de bevoorrading van Mechelen.(1)

     

    Van Balberghe citeert(2) hier het Blokhuis dat te Boom over de Rupel werd gebouwd om de scheepvaart richting Mechelen te controleren.

     Of het in praktijk zo’n vaart liep weten we natuurlijk niet. 'Wel is er sprake dat ook de steden Leuven en Brussel zich in de acties mengden en zich niet hielden aan het Mechels stapelrecht zodat  de magistraat aldaar een Brabants schip in beslag nam.  De spanning bleef een jaar en een half aanhouden. Her en der is er melding van buitgemaakte handelsschepen.(3)

    -----------------------------------

    1)De Laet M, de strijd om het bezit en het behoud van de stapels voor vis, zout en haver, 1233 - 1467, verschenen in de Koninklijke Kring voor Oudheidkunde, Letteren en Kunst van Mechelen, uitgave 1986 (SAM),

    (2)Van Balberghe J, " Mechelen contra Antwerpen en Brussel. De strijd om de stapelrechten 1233 -1785 uitgave 1953 SAM

    (3)De Laet M, de strijd om het bezit en het behoud van de stapels voor vis, zout en haver, 1233 - 1467, verschenen in de Koninklijke Kring voor Oudheidkunde, Letteren en Kunst van Mechelen, uitgave 1986 (SAM), 

     

     

    14 maart

     

    Bij Saaftingen  en Kalloo liggen zeven schepen met 200 gewapende Mechelaars om graanschepen te begeleiden en ze veilig in Mechelen te brengen. Ook in Battel en Wintam als te Rupelmonde  staan Mechelse schutters op wacht om de doorvoer van eetwaren te verzekeren!

     

    12 december

     

    'Op die dag stelt men een bemiddelaar aan om het geschil tussen de twee Bourgondische broers op te lossen.  De keuze viel op de graaf van Saint –Pol.

    Die besliste dat Leuven en Brussel zich moesten onderwerpen aan de Mechelse zoutstapel. In ruil zou Mechelen een aangeslagen vrachtschip vrijgeven.

    Bovendien liet hij een commissie oprichten om de geschillen rond de stapels te onderzoeken.  Jan zonder Vrees en Anton kregen elk drie gezanten toegewezen, de steden Antwerpen en Mechelen elk zes.

    De commissie van de Bourgondische hertog zou de stukken en documenten rond de Mechelse stapels onderzoeken in Antwerpen, Leuven en Brussel, terwijl de commissieleden van Anton van Bourgondiê de waardepapieren rond zout, haver en vis in Mechelen moesten bestuderen. Men verwachtte resultaat op 20 januari 1413'.(1)

    ---------------------------

     ((-)1)De Laet M, de strijd om het bezit en het behoud van de stapels voor vis, zout en haver, 1233 - 1467, verschenen in de Koninklijke Kring voor Oudheidkunde, Letteren en Kunst van Mechelen, uitgave 1986 (SAM),  

     

     

     

    'Jan zonder Vrees moet vaststellen dat op 9 januari de commissie er nog weinig had van gebakken. Dat stemde hem niet. Hij stond er op dat de ketting te Heffen aan de Zenne nabij Mechelen opnieuw in gebruik zou worden genomen om de scheepvaart van en naar Brussel te controleren.(1)

     

    De schrijvers rond de stapelkwestie merken op dat die ketting sinds heugenis in onbruik was geraakt. Wellicht hebben Mechelse gezanten het bestaan van die ketting in het hertogelijke oor gefluisterd. De Antwerpenaars raakten buiten zinnen. Een opstand en of  oorlog met Mechelen dreigde te ontstaan. Dat blijkt uit een  volgende beslissing.

     

    Tussen 23 januari en 3 februari :

    Jan zonder Vrees, de Vier Leden van Vlaanderen en een Mechelse delegatie beslisten acht oorlogsschepen ter beschikking te houden van  kapitein Uutkerke, bevelhebber van de Mechelse troepen. Bovenop verlengde men het verbodsbezoek aan de Antwerpse markten.

    De Vier Leden van Vlaanderen leken er niet gerust in en besloten  een onderhandeling op touw te zetten met de betrokken  Brabantse steden om een einde te maken aan het conflict. Dit initiatief resulteerde in een resultaat.(2)

     

    31 mei

     

    Te Aalst werd een akkoord bereikt waarbij de leden overeenkwamen de agressie te bannen en vrije vaart op de Schelde te garanderen voor  schepen met levensmiddelen en handelswaren.(3)

     

    Op het ogenblik dat men een dronk hield op het resultaat van de vergadering, gingen twee Mechelse zeeschepen beladen met 52 balen wol  voor anker enkele kilometers voor Antwerpen. Teneinde zekerheid te hebben omtrent een vrije doorvaart langs Antwerpen informeerde de bemanning zich bij de Antwerpse magistraat. Die had helemaal geen bezwaar  en gaf groen licht voor de Mechelse boten.

    De zware schepen zetten de trip verder richting Mechelen. Nabij of even voorbij Burcht werden de twee zeilboten ingehaald door enkele kleinere en daardoor sneller varende bootjes. De Mechelse vaartuigen werden geënterd. De aanvallers sloegen de bemanning van de twee schepen in de boeien en legden beslag op de goederen. Nog op andere plaatsen was er melding van aanslagen op Mechelse zeilbootjes'.(3)

     

    Het is zeer de vraag of dit een actie was van de overheid gericht  op de beslissingen te Aalst. De Antwerpse magistraat zal wel reeds op de hoogte geweest zijn hoe de besprekingen verliepen of in welke richting ze zouden gaan verlopen.  Het is evengoed mogelijk en eerder zeker dat het kapers waren  die op de hoogte werden gebracht over  de komst van de Mechelse wolschepen. De lading had een hoge geldwaarde. We bevinden ons in een tijd waar kaperij toegelaten werd met ambtelijke brieven ondersteund. Dit soort bezigheid treft men meestal aan  in tijden van oorlogen en conflicten. De grens tussen  kaperij en piraterij – het laatste strikt  verboden – was uiterst klein. Controle was er haast niet. De Honderdjarige oorlog laaide tijdens deze periode op. Langs onze  kust kaapten Vlamingen geregeld Engelse schepen. Het is Jan zonder Vrees en diens zoon Filips ( de Goede)die regelmatig met Engeland kortstondige maritieme bestanden kon bewerkstelligen. Kapingen gebeurden niet alleen op zee maar ook op de binnenwateren. Al viel Mechelen onder Vlaams bewind, het zal de Engelse wol geweest zijn waarop men aasde. Het was ook niet uitzonderlijk  dat zelfs bevriende schepen werden aangevallen!(5)

     

    02 juni

     

    Het feit zal wel uitgelegd geweest zijn als een Antwerpse daad. Jan zonder Vrees was erg boos, wat niet uitzonderlijk was, en nam wellicht de impulsieve beslissing alle Antwerpenaars  die zich bevonden binnen het graafschap aan te houden en hun goederen te confisqueren tot  de Dijlestad volledig werd vergoed.(4)

    Het is niet zeker of deze maatregel is doorgevoerd geweest. Mogelijk brengen andere bronnen meer duidelijkheid.       

    ------------------------------ 

    ((-)1-4)De Laet M, de strijd om het bezit en het behoud van de stapels voor vis, zout en haver, 1233 - 1467, verschenen in de Koninklijke Kring voor Oudheidkunde, Letteren en Kunst van Mechelen, uitgave 1986 (SAM), De Pauw Willem, www ethesis.net/Mechelen 

    5)Sicking Louis ,Zeemacht en onmacht, Maritieme politiek in de Nederlanden 1488 –1558, De Bataafse Leeuw Amsterdam 1998

     

     

       

     

     

     

    'De rest van het verhaal onder Jan zonder Vrees maken we kort.

    Er is het geschil met een Brussels zoutschip bestuurd door kapitein Jan Scape dat door de Mechelaars aan de ketting werd gelegd nabij de brug van Heffen. Het zout afkomstig van Zevenbergen, had niet de nodig tolpapieren en werd evenmin in Mechelen aangeboden tot eerste verkoop.  Anton van Bourgondië, meestal bij de pinken,  verwees naar de scheidsrechterlijke beslissing van Saint - Pol – 12.12.1412 en dreigde met harde maatregelen. Van die dreiging is niets gekomen. Zijn broer, Jan, antwoordde doodeenvoudig dat het akkoord in Aalst bereikt niet geratificeerd, bekrachtigd, werd door Mechelen, gezien, zo luidt het,  het al te zeer inging tegen de stedelijke belangen.(1) 

     

    Gezien de commotie van de laatste jaren en het aanhoudende tumult rond de stapels ging Mechelen op bezoek bij de Duitse keizer Sigismund van Luxemburg (1410 – 1437) teneinde een advies te bekomen inzake het bezitsrecht over de stapels.  De keizer baseerde  zich op  de  verleende privileges van 13.09.1358 en die van 1376 ten tijde van graaf Van Lodewijck van Male. Zijn besluit was klaar en duidelijk. De stapels waren een exclusief recht van Mechelen.(2)

    De stad moet fier geweest zijn en zwaaide voorzeker met de oorkonde van Duitse keizer.

    Antwerpen dacht er het zijne over en ging eveneens op bezoek bij keizer Sigismund. Wat daar gebeurde weten we niet. Het is toch eigenaardig dat die man het geweer van schouder veranderde en het stapelrecht van zout, vis, haver aan de Antwerpenaars toekende'.(3) Wie laatst lacht, lacht het best. De methodiek van onderzoek en het gebruik maken van de regel van  tegenspraak   moeten de keizer vreemd zijn geweest. Of werd zijn beurs door de Antwerpenaars beter gevuld voor het geven van zijn advies?

    Alzo blijven wij, geschiedenisvorsers in het ongewisse omtrent de oorsprong van het stapelrecht.

    23-02-2011 om 00:00 geschreven door BELLON MARC


    Categorie:Stapels
    >> Reageer (0)
    26-01-2011
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.De kordewagenaars
     Speciale werfarbeiders

    Hun naam is tot hiertoe al verschillende malen vernoemd. De betekenis van het woord kordewagenaar stamt af van het woord koordenwagen. Dit waren primaire kruiwagentjes(1) die met koorden werden voortgetrokken. Zij waren de eerste havenarbeiders die een vervoermiddel gebruikten om hun lasten te verplaatsen.  De kordewagenaars zagen we op de kade verschijnen vanaf de 13e eeuw. Van hen is melding te Antwerpen in het jaar 1263. Voor Mechelen is geen juiste datum gekend. De groep verenigde zich in een ambacht. Het verhaal over deze werfarbeiders haalde ik uit de "Historische aantekeningen rakende de kerken, de kloosters, de ambachten en andere stichtingen der stad Mechelen door den Z.E.H. Schoefer 3e deel, uitgave Frans Verhaevert - Buelens. Hij baseerde zich op informatie  komende uit het jaar 1577 en die hij verwerkte in 1727.

     

    Schoefer schetst de inplanting van de kordewagenaars aan de hand van een prent die hij in zijn werk beschrijft: "Dank zij een prent van kunsttekenaar Van den Eynde, uit de 15e eeuw, zien we, links, hun woning naast de Hoogbrug bij de Zoutwerf vlak naast het water gebouwd en met de kaai ingewerkt. Dit kordewageneers- huysken bereikte men van op de Zoutwerf via enkele trappen omlaag waar men aan de boorden van de Dijle kwam.

    De prent zou dateren van 1491 wanneer een ijzeren kruis op de Hoogbrug werd geplaatst." Op het stadsplan van 1745 van Basire zien we beide bouwsels nog afgebeeld staan.            

    Het kruisbeeld wees de kooplieden op hun christelijke plicht eerlijk handel te drijven. Over de Hoogbrug liep een steenweg, die grote steden verbond. Onder de brug liep de Dijle , een andere handelsweg. Op dit snijpunt bevond zich ook het tolhuis waarvan al sprake is in het toltarief van 1392. Het kruisbeeld bleef de brug beheersen tot de Franse overheersing in de jaren 1794. Bij de volgende prent laat J.B De Noter  ons een tekening na waarop de resten van de onderliggende kade zijn te zien en waarvan een klein gedeelde overdekt blijkt te zijn. Het kordenwagenaarshuis was toen al verdwenen. (19e eeuw). Wellicht kon men bij eb laden en lossen, als bij half hoge waterstand. De overdekte kade behoedde wellicht goederen, zoals graan en zout, tegen regen 

     

      "Later is het ambacht zich gaan vestigen op de hoek van de Zoutwerf en de Guldenstraat. In de 17e eeuw hing er nog het beeld van Maria Magdalena uit hout gemaakt en verzilverd. Die heilige dame was de patrones van deze groep. Ze waren op een bepaald ogenblik met veertig, allen sterk en kloek gebouwd.


    Om toegelaten te worden moesten ze inboorling van de stad zijn. Werd er eentje ziek dan moest men toestemming vragen aan de magistraat om  hem te vervangen. De zieke liet men niet aan zijn lot over. Zolang hij onbekwaam was te werken kreeg hij een half dagloon of een halve gagie, zoals ze dat in de 16e eeuw zeiden. Dat de magistraat deze ambachtsmensen goedgezind was lag hem in feit dat ze het monopolie verkregen om goederen te vervoeren waarop taks geheven werd zoals  zout, kaas, boter, spek, smout, reuzel, bier, wijn, honing, pruimen, vijgen, rozijnen en haring.   

    Ze stonden ook in voor het plaatselijk vervoer naar klanten van zware goederen als tonnengoed, alle soorten balen, pakken, smakken of heesters voor de leertouwers, zakken garen en hop. Zij waren de enigen die schepen aan de Kraanbrug mochten lossen en laden en waren zij ook gemachtigd te zorgen voor de overslag van goederen van het ene naar het andere schip." Het is een feit, dat op momenten van veel werk,  derden inbreuken pleegden door het verplaatsen of dragen van getaxeerde goederen. Het is best mogelijk dat ze, in tijden van hoog conjunctuur, bepaalde taken in een soort onderaanneming gaven, zoals aan de neringdoeners zoals de zoutdragers. 

    De koopwaar ging men na verloop van tijd vervoeren  op een straetwagen, een platte lage wagen geschikt voor zware ladingen. Zodoende kon men de goederen gemakkelijker, vlugger en veiliger op- en afladen. 


    Gezien het ontbreken van leidingwater en het water van de Dijle niet te drinken was, werd heel wat bier gedronken. Brouwers waren er in Mechelen genoeg zoals trouwens in elke stad of gemeente waar een rivier doorstroomde.

    De kordewageneers toerden dan ook regelmatig met bier rond. "De verkoop van bier ging door op de maandag, de woensdag en de zaterdag,  beter gekend als de bierdagen. Op die dagen moesten dertig van de veertig mannen klaar staan om de bieren te vervoeren en mochten ze ondertussen niets anders transporteren op straffe van een boete. Bij veel werk was het de Dekens toegelaten hun 'knaep' uit te zenden naar de familie van de leden om er de sterke en kloeke jongens op te eisen voor bijstand. Weigeren was verboden. Men had geen medelijden met plantrekkers en straatvoetballers. Trouwens elke verwensing, vloeken of het uitspreken van onbehoorlijke woorden werden bestraft met een bedevaart naar ’s Hertogenbosch of Maastricht."


    Mechelen is gedurende het ancien regime een belangrijke afnemer en producent geweest van goede en alcoholrijke  bieren.

    Zo voerden ze begin van de 14e eeuw meer hopbier in ten nadele van hun eigen gruitbier. In het jaar 1392 fungeerde Dordrecht als doorvoerhaven van Duits bier met bestemming Brabant. In Mechelen gebeurde de overslag. In het jaar 1507 verkochten de Mechelaars Hoegaards bier. Vanaf 1530 is er bierexport vanuit Mechelen naar Antwerpen en het Land van Waas, terwijl Tienen hier een afzetmarkt vond voor haar bier. In het jaar 1560 vertrokken wekelijks nog 4 tot 5  Mechelse schepen naar Antwerpen goed voor een jaarlijks volume van 10.000 aem (1 aem= 131,8080 liter). De bierinvoer werd toen door de Antwerpse magistraat reeds in het jaar 1537 beperkt gehouden. In de jaren 1625 en 1640 verliet er zo'n 23000 aem bruin bier,  made in Mechelen, de Dijlestad. Tenslotte in de 18e eeuw zorgden 23 Mechels brouwers voor een export van bruin bier. Ze waren te smaken in de Oostenrijkse Nederlanden, de Verenigde Provinciën, Amsterdam, Antwerpen en Ieper.( gegevens uit Van Uytven R, Geschiedenis van de dorst, Davidsfonds)

    Om maar aan te tonen dat de kordewagenaars heel wat werk hebben gehad en de Mechelse haven heel wat bier verwerkte.

     

    1) kruiwagentje ex www onserfgoed.be  

     

    26-01-2011 om 00:00 geschreven door BELLON MARC


    Categorie:Havenambachten
    >> Reageer (0)
    11-01-2011
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Stapels concreter 2: Lodewijk van Male
     Mechelen onder het bewind van Lodewijk van Male
       

    Het einde van de Berthouts en de strijd om Mechelen

                         

                                                                                                                                                                                                                                   

    De Luikse Bisschop, Adolf van der Marck, verpandt in het jaar 1316 op zijn beurt  de heerlijkheid Mechelen aan de graaf van Henegouwen, Willem II, omdat die  genegenheid  betoonde voor Jan III (1312-1355), hertog van Brabant zoon van Jan II.  Een belangrijke speler verlaat het strijdtoneel. Floris Berthout, heer van Mechelen, ziet  zijn titel niet verlengd bij gebreke aan erfopvolging. Zijn enige dochter stierf voor hem. Zij was gehuwd met Reinout van Gelderland die in 1328 toch nog in het bezit kwam van de heerlijkheid. (1)    Niet lang daarna zien we   de graaf van Vlaanderen, Lodewijck van Nevers, Mechelen opkopen voor een som van 100.000 pond tournois alhoewel de prins –bisschop leenheer  blijft. Er wordt in Brabant in het hertogelijk paleis duchtig op de tafel geklopt, nu Vlaanderen de strijd inzet om dat economische hapje Mechelen binnen te rijven. Er dreigt echter oorlog tussen Frankrijk en Engeland. Vlaanderen, vazal van Frankrijk, krijgt hierdoor politieke verplichtingen en moeilijkheden. In Sluis verzamelde zich in 1340 een Franse vloot om een invasie voor te bereiden in Engeland. De Fransen zijn nooit de haven uitgeraakt gezien de Engelsen op de hoogte waren en de Franse vloot konden vernietigen.(2)  Door de oorlogstoestand komt  Mechelen opnieuw onder  Brabantse voogdij. Het is hertog Jan III die de  heerlijkheid terugkoopt  van de Vlaamse graaf.(3) Ondertussen zien Mechelaars de Antwerpenaars      in Leuven en Brussel vis verkopen. Er is evenwel een probleem om de haring en de andere soort vissen vers aan te leveren.(4)Niet voor lang echter.              

     

    Hertog Jan III van Brabant sterft in het jaar 1355 . Hij overleefde zijn drie zoons. Heel de Brabantse erfenis ging naar zijn oudste dochter Joanna die met Wenceslas van Luxemburg was gehuwd, broer van de Roomse-Duitse keizer.

    Om de andere dochters van Jan III niet voor het hoofd te stoten kregen ze  een ferme geldsom als schadeloosstelling. Was er echter,  dochter Margareta, die haar trouwbelofte had geschonken aan de graaf van Vlaanderen, Lodewijk van Male. Ondanks de gulle vergoeding van 120.000 gouden schilden in het vooruitzicht legde hij zich niet neer bij de erfelijke verdeling. Had hij niet bij zijn huwelijk met Margareta bedongen dat bij de dood van haar vader hij Antwerpen en Mechelen zou erven?(kring)

    Ruzie in het huishouden. Lodewijk van Male trok naar de Luikse Bisschop om een deal omtrent Mechelen te bekomen terwijl Wenceslas, die zijn plicht om 120.000 schilden te betalen aan Margareta niet nakwam, naar de Engelse koning trok.   

     

     1 Kocken Marcel, Gids voor Oud en Groot Mechelen, C. De Vries - Brouwers BVBA Antwerpen, Rotterdam.  

    .2Tuchman B, De waanzinnige veertiende eeuw,De Arbeiderspers- Amsterdam- Antwerpen.

     3 Installé H. Bestuursinstellingen van de Heerlijkheid Mechelen,Stad Mechelen 2001. SAM

     4Van Balberghe J, " Mechelen contra Antwerpen en Brussel. De strijd om de stapelrechten 1233 -1785 uitgave 1953 SAM

     5 figuren ex Wikipedia

      

    De graaf van Vlaanderen ontneemt Brabant Antwerpen en Mechelen

    Mechelen krijgt gouden eieren!

     

    Lodewijk van Male kan met zijn pionnen de Brabantse velden bezetten.  Wenceslas past en geeft de heerlijkheid Mechelen in handen van Lodewijks vrouw gravin van Vlaanderen. De teerlingen rollen gunstig voor de graaf want ook  Antwerpen, Brussel, Mechelen,  Leuven en Tienen komen in zijn bezit. Hij wordt daarin krachtdadig geholpen door de gildenlegers van de Vlaamse steden(unif), die hierdoor kans zagen te ageren tegen de opkomende handelsmarkt van Antwerpen(unif).  

    Bovendien trekt de graaf een kanskaart waardoor hij van de prins-bisschop van Luik, Englebert van der Marck, de Heerlijkheid Mechelen in volle eigendom krijgt!(1)

     

    Met het Luikse perkament deed hij op 20 augustus 1356 zijn blijde intrede te Mechelen.

    De stad verkreeg op die dag heel wat privileges bij. Zo mochten voortaan de Mechelse kooplieden in gans Vlaanderen goederen kopen verkopen en transporteren onder dezelfde rechten als de steden Gent ,Ieper, Brugge en het Brugse Vrije.

    Gezien de zeer sterk uitgebouwde transportinfrastructuur  kon de stad Mechelen instaan voor de bevoorrading van Zuid  - Brabant alsook ten oosten van Antwerpen.

    Alzo kregen de Mechelse schippers vrije doorvaart op de Schelde zonder enige plichtpleging tegenover Antwerpen.

    Als klap op de vuurpijl installeerde hij officieel de stapels, zout, vis en haver in de Dijlestad. 

     

     

     

     

     

     

    Het jaar 1356 mag  als een belangrijke datum worden beschouwd voor de Mechelse geschiedenis. Ze verkreeg als het ware een handelsvrijdom. Een stad die haar producten kon gaan verkopen in Vlaanderen en Brabant, mee prijzen kon bepalen en handelsvertegenwoordiging kreeg in de grote Vlaamse steden. Bovendien kon zij genieten van de stapels, welke eerder naar mijn mening als verplicht lokaas moet aanzien worden. De groot - en kleinhandel kwamen  naar Mechelen om het noodzakelijke zout, vis en haver op te kopen maar tevens ook andere producten in te slaan, als wijn, bier, honing, laken,olie etc.

    De verklaring van Lodewijk van Male waren geen loze woorden, ze werden in een keur vastgelegd en door vertegenwoordigers van de steden Ieper, Brugge, het Brugse Vrije en Gent bekrachtigd.   

    De graaf van Vlaanderen had een haven bij en kon alzo concurrentie bieden aan het  opkomende Antwerpen.  Economische en politieke strategie zijn van alle tijden.

    Alzo zien we tevens een financiële markt ontstaan te Mechelen, waar Joden en Lombarden hun intrede deden. Mechelen mocht reeds in 1357 munten slaan.(3)(Mechelse munten?)         

     



    Anno 1356. Gezien de toestand  in Frankrijk, waar de Engelsen inmiddels Zuidwest -Frankrijk hadden bezet, ontstond er eens te meer onrust bij de burgerij. Ze eisten controle op de koninklijk beslissingen en wilden de raadgevers van de Franse koning ontslaan en ze vervangen door  een college van burgers. De dynastie stond onder druk(4).  Lodewijk van Male kreeg een koninklijke postbode op bezoek met een uitnodiging als voorname leenman van Frankrijk een vergadering bij te wonen om de dynastie te vrijwaren van een ramp.

     

    De Vlaamse chef was net buitenspel of  Leuven  schaarde zich opnieuw achter Wenceslas en liet er opnieuw de Brabantse vlag wapperen. Ook Brussel kon zich verlossen van de grafelijke bezetting. Een pion bedreigde het Brusselse veld.  De  sluwe Everard ’t Serclaes kon zijn verzet tot een goed einde brengen. Door een opening te vinden in de acht kilometer lange stadsmuur kon hij  binnensluipen en de Vlaamse  soldaten verrassen en verslaan. Brussel was opnieuw een Brabantse stad. Ook op het  Antwerpse veld hield een Brabantse pion halt en verdween de Vlaamse leeuw.

     

    Alleen Mechelen bleef trouw.  Haar privileges wou ze voorzeker niet kwijt. Ze trok zelfs mee ten strijde met de Graaf van Vlaanderen om de stad Antwerpen te bezetten. Het geschil liep uit op de vrede van Aat  waar Vlaanderen en Brabant op 4 juni 1357 verbroederden. In dat verdrag werd Antwerpen een leen van Vlaanderen en opnieuw bekrachtigde men het Mechels stapelrecht  van zout, haver en vis. Mechelen bleef Vlaams bezit.(5)

     

    1Van Balberghe J, " Mechelen contra Antwerpen en Brussel. De strijd om de stapelrechten 1233 -1785 uitgave 1953 SAM 

    2Van Balberghe J, " Mechelen contra Antwerpen en Brussel. De strijd om de stapelrechten 1233 -1785 uitgave 1953 SAM, De Laet M, de strijd om het bezit en het behoud van de stapels voor vis, zout en haver, 1233 - 1467, verschenen in de Koninklijke Kring voor Oudheidkunde, Letteren en Kunst van Mechelen, uitgave 1986 (SAM), De Pauw Willem, www.ethesis.net/mechelen   

    3Installé H. Historische Stedenatlas van België Mechelen II 

    4Encarta96 Encyclopedia Microsoft

    5Van Balberghe J, " Mechelen contra Antwerpen en Brussel. De strijd om de stapelrechten 1233 -1785 uitgave 1953 SAM, De Laet M, de strijd om het bezit en het behoud van de stapels voor vis, zout en haver, 1233 - 1467, verschenen in de Koninklijke Kring voor Oudheidkunde, Letteren en Kunst van Mechelen, uitgave 1986 (SAM),    

     

     

    Antwerpen eist zijn stapels terug, tevergeefs. 

     

     

    Het monopolyspel is nog niet gedaan.  Vrede was er zeker niet. Er was de beginnende honderdjarige oorlog, de pest die Europa teisterde.  Ondanks die feiten verliep de handel evenwel vlot. De economie draaide. Zelfs bij laagconjunctuur. In tijden van oorlog kocht en verkocht men. Transporteerde men goederen al dan niet onder bewapening.

    De geschillen tussen Antwerpen en Mechelen waren evenmin een reden tot een mindere handel. Er waren evenwel lui die overeenkomsten aan hun laars lapten, voor herrie zorgden. De stadsambtenaren waren niet altijd op de hoogte van wat er zich afspeelde op straat of op het water. Wel kon het zijn dat bepaalde ambtenaren schermutselingen gedoogden en ondersteunden.   Een stadsbestuur, wanneer de vorst een blijde intrede deed, mat zich dikwijls  een unanieme politieke houding aan om het  gelijk te bekomen. Het is typerend  in dit verhaal wanneer een nieuwe graaf of hertog aantrad men in Brabant het Mechels zout, vis, haver stapelrecht op de agenda plaatste. Er hing niet meteen een oplossing in de lucht voor Antwerpen. Het economisch zwaartepunt lag nog in Brugge. Men sprak toen over de commerciële hoofdstad van Noordwest- Europa! Inzake Brabant waren de beste economische  kaarten  voor Mechelen. Dat zou nog een tijd zo blijven!  

     

    De Antwerpse bevolking ontving in de prille zomer van 1357 de graaf en de gravin van Vlaanderen. Het onthaal was niet bijzonder hartig. Wat wil je als je plots onderdanig bent aan een vreemde natie.  Bovendien herinnerde de stadsmagistraat de graaf aan de verschillende keizerlijke akten en charters die in de Antwerpse koffer werden bewaard en waaruit het bewijs moest blijken dat Antwerpen van oudsher houder was van de zout-, de vis- en de haver- stapels en het bijgevolg niet rechtmatig was  ze aan de stad Mechelen te schenken.  Lodewijck van Male gaf zich gewonnen om alle desbetreffende documenten inzake de stapelkwestie te onderzoeken en een vonnis daarover te vellen.

    Dat deed hij het jaar daarop. Inmiddels had hij de beide  twistende steden zover gekregen dat ze  zijn vonnis definitief zouden aanvaarden.(unif Kring)

    Heel wat Brabantse en Vlaamse raadsheren werden aangesproken de documenten te bestuderen. Op 13 september 1358 volgde het verdict. Mechelen bleef de stapels behouden. Eén nuance evenwel; de Antwerpenaars mochten uit de stapelschepen zoveel vis, zout en haver nemen als ze nodig hadden voor hun eigen verbruik.(1)

     

    Antwerpen werd terug verwezen naar “AF”.  Een periode van zestien jaar verliep zonder al teveel schermutselingen. Toch een bijzonder lange periode dat er op een hoffelijke wijze aan handel werd gedaan binnen Vlaanderen en Brabant. Antwerpen werd meer en meer een zeehaven, waar goederen als leder, pels, pek, vlas en Engelse steenkool aangevoerd werden. (2)

    'Het is pas in 1374 dat de Mechelaars de graaf van Male op de hoogte brachten dat Antwerpen het vonnis van 1358 schromelijk aan het schenden waren. Zo bleek dat Antwerpese visventers zeevis verkochten in de stad op verschillende plaatsen binnen Brabant zoals te Leuven, ze bovendien meer vis hadden ontladen dan nodig was voor eigen consumptie en ze te Mechelen voor de vis niet meer wilden betalen dan de prijs voor de vis van mindere kwaliteit.  De Antwerpse stadsmagistraat wist van de feiten niets af.  De graaf stelde een onderzoek in dat twee jaar in beslag nam.  Antwerpen zocht opnieuw naar getuigen  om hun stapeleigendom te zien bevestigen.

    De uitslag had een bitter besluit. Acht Antwerpse handelaars werden schuldig geacht de vis op verschillende plaatsen te hebben verkocht. Ze werden uit hun ambt ontzet terwijl al hun bezittingen werden aangeslagen. De overige aanklachten van Mechelen werden niet bewezen geacht.'(3)

    Lodewijk van Male zou nog leven tot 1384. Tot dan hield ieder zich aan de regels.

    Mechelen werd een drukke en rijke handelsstad.

     

    1Van Balberghe J, " Mechelen contra Antwerpen en Brussel. De strijd om de stapelrechten 1233 -1785 uitgave 1953 SAM, De Laet M, de strijd om het bezit en het behoud van de stapels voor vis, zout en haver, 1233 - 1467, verschenen in de Koninklijke Kring voor Oudheidkunde, Letteren en Kunst van Mechelen, uitgave 1986 (SAM), De Pauw Willem, www.ethesis.net/mechelen          

    2 De Pauw Willem, www.ethesis.net/mechelen

    3'-'Van Balberghe J, " Mechelen contra Antwerpen en Brussel. De strijd om de stapelrechten 1233 -1785 uitgave 1953 SAM, De Laet M, de strijd om het bezit en het behoud van de stapels voor vis, zout en haver, 1233 - 1467, verschenen in de Koninklijke Kring voor Oudheidkunde, Letteren en Kunst van Mechelen, uitgave 1986 (SAM), De Pauw Willem, www.ethesis.net/mechelen     

       

    Voor De Pauw Willem zie: http://www.ethesis.net/mechelen_opstand/mechelen_opstand_inhoud.htm 

     Deel 3:stapelmiserie onder de Bourgondiërs

    11-01-2011 om 00:00 geschreven door BELLON MARC


    Categorie:Stapels
    >> Reageer (0)
    28-12-2010
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Stapels concreter: De Berthouts

    Het verhaal over de Brabantse stapelrechten, beginnend in de 13e eeuw,  is een ingewikkelde en een moeilijk te begrijpen materie. Het beheerst fel het politieke en economische leven tot diep in de 15e eeuw. Conflicten, kaperijen, twisten en zelfs handgemeen haalden regelmatig het toenmalige nieuws. Verschillende vorsten probeerden het fenomeen op te lossen. Tevergeefs zoals zal blijken. Misschien is dat ook zo met ons hedendaags probleem, Brussel Halle Vilvoorde.            

    Niet veel auteurs schreven over deze geschiedkunde gebeurtenis. Ik las de studie van Van Balberghe J, " Mechelen contra Antwerpen en Brussel. De strijd om de stapelrechten 1233 -1785 uitgave 1953 SAM, De Laet M, de strijd om het bezit en het behoud van de stapels voor vis, zout en haver, 1233 - 1467, verschenen in de Koninklijke Kring voor Oudheidkunde, Letteren en Kunst van Mechelen, uitgave 1986 (SAM), De Pauw Willem, www.ethesis.net/mechelen en Kocken Marcel, Gids voor Oud en Groot Mechelen, C. De Vries - Brouwers BVBA Antwerpen, Rotterdam.  

    Het verhaal van de Mechelse stapels, zout, haver en vis is een lang verhaal. Je zou het kunnen naspelen, mits wat aanpassingen, op een bord van het monopolyspel.  De spelers zijn de prins-bisschoppen van Luik, de Berthouts, de hertogen van Brabant,  de Bourgondiërs en de graaf van Vlaanderen. Stations bestonden toen niet en daarom zijn ze te vervangen door havens. Grote steden als Brugge, Gent, Antwerpen, Ieper, Doornik, Leuven en Mechelen vallen expliciet op door hun stadswapens als kleurrijke miniaturen geschilderd op het grote spelersveld. Er is een Steen, een gevangenis, alsook een terrein waar je als speler lang buitenspel kan blijven staan. De pionnen hebben de vorm van schaakstukken, scheepjes, waarop men een wimpel kan plaatsen om de herkenbaarheid van de speler aan te duiden. De bank schittert van het goud en van het zilver.  Er is geen papieren geld, tenzij wisselbrieven van de banchi grossi, met handtekeningen van de Alberti, de Bardi, de Peruzzi.  Via de  algemeen fondskaarten is er stofgoud te winnen.  Kopen kan je met allerlei soorten munten, zoals de florijn,  de gulden, de mark, het pond, den groten Vlaams. Tussen al die goudfranken zitten ook oude escus de Malines, gouden leeuwen, de in Mechelen geslagen gulden van Bourgondië en de Sint- Andriesgulden bestaande uit  19 karaat fijn goud, vier karaat zilver en één karaat koper. Die  is te koop voor een som van 20 stuivers (1474).  Buiten de goudmunten bestaat er ook pasmunt, het zilvergeld zoals de Italiaanse piccolli. Daar moet je er al 140 van hebben om één florijn te kunnen kopen. In Mechelen betaalt men met de zilveren penninc van zes grooten, of een penninc van drie grooten. De zilveren royaal heeft een waarde van  acht stuivers( 1487), een dobbele griffoen kanje bekomen tegen betaling van vier stuivers. Deze muntjes werden geslagen te Mechelen.

    De steden kan je kopen en of verpachten, er burchten , torens, kerken en paleizen plaatsen. Een stad kan je meer waarde schenken door er stapelhuizen te bouwen en er marktdagen te bekomen, vrije doorvaarten te kopen of  af te dwingen en door scheepjes te verwerven. Op het spelersbord staan her en der tolhuizen, waar accijns moet worden betaald.

    Onder de steden van het hertogdom Brabant bevindt zich Mechelen, een vreemde kaart, waarop Heerlijkheid staat geschreven. De spelregels omrent deze kaart zijn niet duidelijk en vatbaar voor interpretatie.

    We beginnen het verhaal, het spel, met de prins-bisschop van Luik die de eerste teerlingen werpt en meteen op een kanskaart terechtkomt. Van een  machtig persoon zou hij een geschenk krijgen.

     

    Parks T, Het Medici Geld. Bankieren, metafysica en kunst in Florence van de 15e eeuw. Uitgeverij De Arbeiderspers  Amsterdam- Antwerpen.

    Mechelse munten: Installé H. Historische Stedenatlas van België Mechelen II 

     

     

    Die Heerlijkheid Mechelen

     

    Het is de Duitse keizer Hendrik II die in 1008  te Trier een diploma geeft aan de Prins-Bisschop van Luik Balderic en aan een gelijknamige graaf waarmee die twee bezitter worden van een  stuk grond. In die oorkonde spreekt men van Machlines, het uiteindelijke Mechelen van nu. De lap grond lag op de rechteroever van de Dijle in de omgeving van Bonheiden. Daar waar nu de robuuste toren staat stond er in de nabijheid een abdij die toebehoorde aan Sint Rumoldus die rond de jaren 650 de Mechelaars is komen bekeren. Die abdij  was reeds sinds 965 eigendom van de Bisschop van Luik.

    De burgers hadden reeds de vlieten uitgegraven en met de baggerspecie de terreinen opgehoogd en er straten getrokken. Aan de zuidelijke kant van de Dijle had men de oudste bewonerskern, dat een vijftal meter hoger lag dan de noordelijke site. Hier lag de Korenmarkt, gelegen aan een kruispunt van belangrijke wegen zoals naar Brussel, Leuven, en Gent met verderop de belangrijkste handelsstad Brugge.

    De twee centra groeiden naar elkaar toe via de 'Trans Magnum Pontem', de huidige Grootbrug  en men alzo via de IJzerenleen  de steden Lier, Antwerpen,en Diest kon bereiken. De gemeente deinde uit en ging samen met Muizen, Hever, Heffen, Hombeek, en Leest een district  vormen. Daarbij voegde zich nog het land van Heist- op-den Berg en Gestel.

    In het gebied stroomde een rivier, de Dijle, waarin twee rivieren, de Zenne en de Nete uitmonden. Al dat water stroomde  de Rupel in die op haar beurt in de Schelde vloeide.

     

    Robouts Hans, Mechelen Historische Stedenatlas van België, Ontstaansgeschiedenis Gemeentekrediet  SAM

     

    Dat cadeau van de keizer zal een bijzonder belangrijke politieke en staatkundige inhoud krijgen. De Heerlijkheid Mechelen kwam onder Luiks bestuur en lag op dat ogenblik pal in  het toenmalige  Brabant dat zich naast de boorden van de Schelde zich uitstrekte van Nijvel in het zuiden tot Dordrecht in het noorden. Aan de oostgrens van Brabant lagen de Graafschappen Loon, Namen en het Prins Bisdom Luik.

    Mechelen had bestuurlijk niets te maken met Brabant. Daar zou echter verandering in komen.

     

    De Berthouts

    De volgende speler aan zet is een lid van de Berthouts, een heer van Grimbergen.


    Hij stamde af van  een adellijk geslacht dat van oudsher veel grond kon vergaren. Dat was een grote economische  bezigheid  in de vroege middeleeuwen.  Helaas moesten de Berthouts,  na een strijd van twintig jaar met de hertogen van Brabant, zich gewonnen geven aan hun hegemonie. In het jaar 1143 kregen ze, bij Ransbeek, een aanhorigheid van Vilvoorde, de genadeslag van Godfried III, de toenmalige hertog van Brabant. Hij werd hierbij geholpen door de heren van Diest, van Bierbeek, van Wezemaal en van Wemmel.  De heren van Grimbergen waren hun suprematie kwijt. Uiteindelijk stelden ze  zich vredelievend op en werden trouwe vazallen van de Brabantse hertogen. Ze namen deel aan de kruistochten, stichtten binnen Brabant vele kloosters en kerken.(1)

    Het is Wouter Berthout VI,  eerste helft van de 13e eeuw, die een gulle hand zou hebben toegestoken in de oprichting van het klooster der Minderbroeders te Mechelen alsook in het klooster van de Norbertinessen van Lelieëndaal te Hombeek(2). 'De prins-bisschop van Luik, Hendrik van Gelderland, die blijkbaar veel geld moest hebben, verpandde in 1255 de heerlijkheid Mechelen. Het is Wouter VI die samen met Hendrik III, hertog van Brabant,  het kapitaal konden betalen en alzo toezicht kregen op Mechelen en bestuurlijk konden ingrijpen. Hendrik III zag zijn kans schoon om de handel met Mechelen te verbeteren. Hij vroeg de Antwerpenaars vrije doorvaart voor de Mechelse schepen geladen met vis en zout. Antwerpen beschouwde deze vraag  als een aanval op hun stapels zout, vis en haver. Meteen gingen zij getuigenissen verzamelen om aan te tonen dat Antwerpen van oudsher de rechtmatige bezitters waren van die stapels.

    Brussel, Tienen, Leuven, Aarschot, Turnhout, Herentals, Oosterwijk, ’s Hertogenbos, Breda, Hoogstraten, Zierikzee, confirmeerden dit duidelijk op papier.

    De hertog liet de zaak zo, wou trouwens de rest van zijn neus niet kwijt. Al in 1260 kon de prins-bisschop zijn schulden terugbetalen. Alles viel opnieuw in de oude plooi.'(3)         

     

    (1) De Seyn E, Geschied- en Aardrijkskundig woordenboek der Belgische Gemeenten. Brussel uitgeverij Bieleveld

    (2) Encarta96 Encyclopedia Microsoft

    (3)De Pauw W-zie inleiding

     

    Uit deze geschiedkundige feiten blijkt dat de Berthouts, heren van Mechelen,  een band hadden met  Luik en er een stevige   verhouding op nahielden  met het hertogdom Brabant. Eens de prins-bisschop Mechelen uitleende begon de handelsstrijd om de heerlijkheid. Als de kat van huis is dansen de muizen. Antwerpen weerde zich reeds fel. Het eerste ernstig robbertje rond het spelersbord was een feit.  Mechelen groeide in waarde.

     

    Het spel gaat voort. Alle spelers willen in Brugge een stevige voetafdruk hebben. Daar floreert de handel. Het geld vloeit langs rivieren en binnenhavens. Het Graafschap Vlaanderen kent welvaart terwijl Brabant  goederen ziet binnenstromen in de steden ten zuidoosten van het hertogdom, zoals Lier, Brussel, Mechelen, Leuven, Diest, Zoutleeuw.  De trafiek naar het  noordelijk gelegen Antwerpen is minder.

    De strategie moet reeds in een paar hoofden hebben gerijpt. In Mechelen gaat de Dijle in een flessenhals de stad binnen, met de Zenne die naar Brussel vloeit, de Nete naar Lier. Veel accijns blijkt hier om rapen.

     

    Speler Hertog Jan II (1276 – 1312) krijgt in het jaar 1301 een bijzonder aanbod van de prins-bisschop Hugo de Châlons.  Deze verkoos Mechelen  plus Heist aan hem te verpanden  voor 12.000 gulden en dit voor een periode van vier levens lang of tot het derde geslacht van Jan!(1)

    Dit aanbod was aangebrand, gezien de gift  tot doel had de band tussen de Hertog van Brabant en de Berthouts te breken.  Of deze deal is doorgegaan lijkt nergens duidelijk. De jaren 1301 en 1302 en 1303 worden woelige jaren gezien  het volk in onze gebieden medebestuur ging opeisen. De Gulden Sporenslag  in 1302 op de Groeningen Kouter is daar een gekend voorbeeld van.

    Jan II is in die tijd boos op de Antwerpenaren gezien hun opstandig gedrag. We zien hem op 12 november 1301  een officieel verbond sluiten met de Berthouts om de belastingopbrengsten van de Mechelse stad en haven tussen hen beiden te verdelen. De Mechelaars, die toen ook niet van gisteren waren, konden een maand later, op 13 december, van de beide Jannen een charter afdwingen waardoor ze hun oude vrijheden terug kregen waaronder de stapels van zout, vis en haver. Ze zouden daarvoor 45.000 pond moeten betalen!? Hun eis voor medebestuur bleef evenwel dode letter wat leidde tot een vrijheidsstrijd  die in 1303 uitbrak en hier op deze blog uitvoerig werd uitgeschreven.

    Na de overgave van het Mechelse volk, bleef het patriciaat de stadsrechten behouden en meegenieten van de stapelopbrengsten. Het volk dat in 1302 hun charter hadden bekomen kregen evenwel een boete van 10.000 pond.

    Antwerpen dacht dat de vrijheidsstrijd van de Mechelaars het einde zou inluiden van het stapel conflict. Niets was minder waar.              

     

    (1) Van Balberghe J.

     

    De sfeer rond het spelersbord blijft grimmig. Ruzie alom. Teerlingen vliegen in het rond. Niemand wil  zijn ongelijk toegeven, niemand wil het spel eerlijk  spelen. Het geld is troef. Het Mechelse volk is het machtsspel letterlijk beu. Hoe konden zij profijt halen uit de stapels wanneer ze 55.000 ponden moesten afdokken aan de hertog. Ze trekken naar hun natuurlijke vorst, de bisschop van Luik. Een blijkbaar goede zet  gezien  de hertog Jan II en Jan Berthout naar het vak van de parking, het buitenspelvak, worden verbannen.   

     

    In het jaar 1303 zat er een nieuwe prins bisschop op de herderlijke zetel te Luik. Thibaut van Bar was zijn naam. Hij had de toestand in Mechelen gevolgd. Hij ontving met veel graagte de volkse afvaardiging uit Mechelen. Thibaut leek duidelijk geen aristocraat. In de lente van 1305 vaardigde hij voor de Mechelaars een nieuwe stadskeur uit met een zeer verstrekkend democratisch karakter. De nieuwe stadskeur miste haar doel niet. Wellicht had de bisschop gewacht tot de dood van Jan Berthout die dat jaar stierf en opgevolgd werd door zijn broer Gielis Berthout. Speciaal aan die man was dat hij niet de titel van heer van Mechelen droeg(1). Zodoende lag voor de bisschop van Luik de weg open om de nieuwe stadskeur zonder oppositie te laten uitvoeren.

     

    De nieuwe prins- bisschop trok een algemeen fondskaart die hij in het spel mocht brengen. Op die kaart stond geschreven:” De paus van Rome, Bonifatius VIII, roept   uit dat wat van de Kerk is, de kerk toebehoort. Wie dat niet respecteert riskeert de banvloek!” (2)  

    En zie de kaart van Mechelen steeg in waarde, gezien het pauselijk embleem.

    Het ambachtsleven kwam in de Mechelse stad tot volle bloei. Mechelen beleefde gouden jaren(3). De handel floreerde, alhoewel het niet duidelijk was hoe het met de stapels was gesteld. Normaal bezat Mechelen die niet meer in die periode, gezien het ontbreken van de hertogelijke Brabantse macht.  Maar er was wel  de trafiek uit Brugge die langs kwam.' Antwerpen zien we in 1309 naar de Duitse keizer Hendrik VII  stappen om een oordeel te vellen over de stapels. Die bevestigde het staprecht in het voordeel van Antwerpen! Blijkbaar maakte niemand zich daarover zorgen gezien de Duitse  keizerlijke macht aan autoriteit had ingeboet. (4).

    Mechelen stevent af naar een grootse economische bloeiperiode;  zo beslisten de teerlingen geworpen uit de hand van prins-bisschop Adolf van der Marck.

     

    (1)Encarta96 Encyclopedia Microsoft

    (2)Van balberghe J

    (3)Kocken M

    (4)De Pauw W:http://www.ethesis.net/mechelen_opstand/mechelen_opstand_inhoud.htm

    einde deel 1  

     

     

    28-12-2010 om 00:00 geschreven door BELLON MARC


    Categorie:Stapels
    >> Reageer (0)


    T -->

    Blog tegen de regels? Meld het ons!
    Gratis blog op http://blog.seniorennet.be - SeniorenNet Blogs, eenvoudig, gratis en snel jouw eigen blog!