Er bestaan nog engelen.
Er was eens een tijd waarin niet veel mensen nog in engelen geloofden. Er zijn geen engelen, zeiden de meesten.
Toen deed er een verhaal de ronde: Iemand zou twee engelen gezien hebben. Dat verhaal wekte de nieuwsgierigheid van steeds meer mensen. 'Bestaan er dan toch engelen?' vroeg iemand. 'Hebben die engelen vleugels? Hoe moeten wij die engelen zien?'
Een ander zei: 'Om engelen te zien moet je opnieuw leren kijken. Hoe doe je dat? Je kijkt toch met je ogen? Kan je ook anders kijken?' Er kwamen steeds meer vragen.
In die tijd leefden er ook twee jonge vrouwen. Ze hadden jarenlang zorg gedragen voor hun moeder. Die was almaar meer vergeetachtig geworden. Ze wist zelfs niet meer wie ze was. Het licht in haar ogen was gedoofd. Vele jaren lang leidde ze zo een sluimerend bestaan. Ze leefde lang aan de grens van leven en dood.
Al die tijd werd ze omringd door de liefde van haar dochters. Die dochters lieten haar niet in de steek. Toen de moeder gestorven was, werd zij door de engelen gedragen naar het Eeuwige Licht. In dat licht ontmoette zij God.
God zei tegen haar: 'De mensen geloven, niet meer in engelen, maar ik zend nog steeds engelen naar de aarde. De engelen zijn als gewone mensen, maar zij hebben bijzondere namen. Ze heten: 'de goede geest van trouwe aandacht'.
Als je heel aandachtig leert kijken; kun je ze zien. Ze zijn overal en ze hebben bijzondere aandacht voor mensen die heel kwetsbaar zijn'.
(Marinus van den Berg: ‘De kracht van weerloze liefde’)


|