Genadige maart
Men had gezeid, o maart, dat gij zoudt kruien
dreigende wolkgevaarten door de lucht,
en dat ge de aarde, voor uw toorn beducht,
gingt geselen met slag van schuine buien!
En zie! Het gouden haantje kijkt in ’t zuien.
Er ritselt nauw een schichtig windgerucht.
Het laatste wolkje is uit het blauw gevlucht.
Zeg, wrede maart, wat moet dat àl beduien?
Zijn het de lentebotten, die het hout
bespikken met ontelbare knopjes goud,
wier teder oog uw strengheid heeft verbeden?
Of liet ge u door de vleitaal overreden
der loze vinkjes, die ik overal,
u groetend, hoor met kwetterend geschal?
Hilarion Thans






|