Polder met jouw witte wegen
En jouw sloten aan de kant,
Met jouw wijde, allerzijde
Vredig bloeiend waterland,
Met de dromerige zegen
Van jouw welig zachte vee,
Voel ik mij jouw ziel genegen,
Deelt hij zich de mijne mee.
Polder met jou ben 'k verwant:
Wij zijn dingen van een land!
Polder – van de duinen dalen
Weer mijn voeten naar jouw kant –
Ach, wat restte mij ten leste
Dan jouw kleine waterland!
Dan te dromen en te dwalen
Door de bloemen van jouw wei,
Dan te leven en te stralen –
En te sterven zoals zij!
Polder, met jou ben 'k verwant:
Ziel van 't eigen lieve land!
Carel Steven Adama van Scheltema








|