Achter de onrust van haar ogen ruisen de dromen. Ik leg mijn oor tegen haar borsten. Ik hoor alleen de muziek van doorzichtige vleugels op haar rug. Ze is nooit uit mijn stilte verdwenen. Altijd is ze tegen me blijven botsen. De avond sluipt het strand op om de sterren aan te steken. Ze kijkt me recht in de ogen en ik zie in haar blik de contouren van het geheim dat we delen. Ik moet maar eens gaan , zegt ze. Tot nog eens, zeg ik. Mijn voetstappen blijven achter mij als broodkruimels. De lucht hangt vol vogels.
hier liggen wij twee schimmen geknipt uit het stof van de nacht je schaduw ruikt naar het begin van de zomer nu we ontwaakt zijn uit de baarmoederlijke warmte van de slaap je spreekt als een trage tango dicht tegen me aan ik steek een lamp aan in mijn lijf ik gloei alleen jij en de wind weten waar ik woon
de lente is zot geworden ze tuimelt langs de huizen op hoge benen en omwikkelt het plein met geel inpakpapier de zon schettert want ik streel je ogen met mooie woorden straks lopen we weer door de velden en verzamel je bessen in je haar en wilde rozen gaan we zoals toen op de beken drijven en ik zie je graag in het water schrijven
in onze prille jeugd sprongen wij over de muren van de jaren om zo vlug mogelijk ouder te worden nu willen wij die muren met de grond gelijk maken terug gaan naar het landschap waar de stilte de lippen van de seizoen op elkaar klemt maar de muren verdwijnen niet we geraken ze niet kwijt in het water van de tijd
ik heb je verstopt op de zolder van mijn hoofd waar niemand komt daar zit je met de rug naar me toe in het schemerdonker alleen de noodverlichting brandt en gelukkig kan ik niet zien of je verdrietig bent ik mag je niet aanraken niet aan je denken je moet uit mijn geheugen slijten zeg ik tot mezelf wegdansen als een trage tango
de winter heeft zich in mijn tuin genesteld met witte plooien in zijn kleed droomt van kwikstaartende lentevogels en meisjes in het zomerkoren door de dooi op zijn tenen getrapt snijdt hij met grote gebaren vijvers uit de lucht en zet er merels op ze schaatsen in het blauw op bange poten
ik draag je woorden behoedzaam in mijn handen alsof ze kostbaar zijn voor de jaren die met de tijd gaan komen het zijn alledaagse woorden rustend op een bank naast elkaar maar langzaam worden zij ondeugend en speels als jij ze tegen het licht houdt
geef mij maar de gevaarlijke bocht van de illusie liever dan de armoe van de doordeweekse dagen
ik droom van jou in een wit kleed met alle knopen open
knutsel voor dit nieuwe jaar een woord voor jezelf in mekaar bijvoorbeeld geluksvogel en geef het alle kleuren die je kent gooi het woord naar omhoog en kijk het fladdert naar de nok van de regenboog ga nu naar buiten om een pot goud te zoeken
merels schrijven rusteloos smartlappen op het zilverlicht van de morgen witte blaadjes van de magnolia fladderen tegen de tijd in door de tuin de winter is zot geworden ! en jij zit met mij aan het ontbijt je ene borst loert met pretoogjes om de hoek van je pyjama het wordt en mooie dag zeg je terwijl je een eitje pelt en daarna je lepeltje door de koffie draait ik ben het roerend met je eens
als ik aan je denk en ik niet kan slapen trek ik de nacht als een deken over me heen en leg me in een blauw geschilderde boot met ontelbare vlaggetjes en lampjes ik verzin een meer zo groot dat ik de oever niet kan zien ( een meer heeft maar één oever, een rivier twee) ik drijf op een plas licht mijn adem zwelt tot zacht geklots van water tegen de zijkant van mijn boot mijn boot smelt en ik sijpel langzaam in een heerlijke slaap ik ruik je schouders als zweet van hyacinten en leg mijn armen over je heen als brandend struikgewas nu duurt het niet lang meer voor de nacht verandert in een gedicht met open ramen
de bomen kleden zich uit in afwachting van een dik pak sneeuw het is alsof de bladeren zelfmoord plegen wanneer ze zich voelen vergelen mijn straat is in de rui met grote onverschilligheid hebben de kappers van de herfst de takken uitgekamd
wanneer komen de vlinders terug om met volmaakte lippen de rozen te zoenen tot dan schrijf ik met verkleumde vingers de warmte van je lichaam in spiegelschrift
de bomen van het kerkhof regenen waar is ons huis, de zomer, de avond die je ooit als een nachtzoen voor me plukte moeder, ik vind zelfs geen handen om te zeggen : hou mijn warmte vast maak mijn tranen droog
nu heb ik maar twee ogen om naar de regen te luisteren in deze duisterblauwe kilte hoe graag zou ik nu God zijn dan was jij zeker mijn grootste heilige hoor er gaat een rilling langs de graven je stilte doet nog altijd zo'n zeer, moeder
de wind zet een grote mond op een merel zit stil op een tak heeft beslist om pas weer in de lente te zingen bomen, ze herkennen me, buigen zich luisterend over mijn gedachten ze zijn de steile trappen waarlangs de avond behoedzaam afdaalt het laatste licht tikt me op de schouder met het geluid van dromen van honden die slapen
in de lucht blijft de afdruk van de zomer achter ik ben herfst
de duisternis van de tuin drukt als een hongerige kat haar neus tegen het raam mijn vingers glijden over het landschap van je ribben betasten bijna bang je hoogste toppen siddering ik weet de nacht in stukken uiteen vallen mooi zoals een vrouw de benen over elkaar slaat dit is het uur van de hyena die ik ben die lacht om het zweet op je huid zout op mijn tong ik los je woorden op in zuivere adem bewaar elke letter als een relikwie voor later
hier kruipt gesponnen uit de mist en flarden van zon de stilte uit het dal langgerekt geeuwend over de rug van de morgen de velden in ...
woorden groeien traag en breken zuur op tegen het feestgedruis van gisteravond toch zuigt het lappendeken met stippen van wit, geel, rood en blauw de gekromde lijven naar de grond grijpgrage handen gaan met scherpe tanden op zoek naar druiven in de ochtendkou...
tergend langzaam heft sepember haar rokken op de zon breekt middendoor en schrijft geschiedenis op ons gezicht de dag weegt zwaar op de aarde teistert elke vezel, elk gewricht en niemand verstaat waarom men lacht met zeven meter kiekendraad...
maar onze champagne zal gebrevetteerd worden als "half sap, half zweet" en zoals ge weet verspreid worden op grote schaal laat ons fier en dankbaar zijn en knielen op onze ruggen ...
De druivenpluk (voor de insiders vendange) in de Champagne is voorbij ... Wie daar nooit de wind, de regen of de verzengende zon langs zijn kaken gevoeld heeft, is zich niet bewust van die moeilijk te beschrijven schoonheid van groene velden, beladen met druiven die wachten om geknipt te worden. De vriendschap en het wij-gevoel van de plukkers, de intensieve arbeid in volle natuur, de dolle avonden, de korte nachten, de vele flessen champagne die er moeten aan geloven ... daar doen we het voor. Het is mijn jaarlijkse Parijs-Dakar : je weet dat je er kapot van terugkeert, maar je kunt het niet missen... En dan ... als alles voorbij is : het thuiskomen. De kus van vrouwlief, een lekker lang warm bad, een koffietje zonder pain français en eindelijk je eigen bed. Zalig ! Wat nog het meeste deugd doet, is de stilte van je eigen huiskamer, ver weg van het rumoer van de groep ginder. Maar boven alles komen de versmachtende knuffels en kussen van de kleinkinderen. Het is twijfelen op de dunne draad van vertrekken en terugkomen. Misschien zal ik het de volgende zomer weten als ik voor het twaalfde jaar richting Damery rijd... Of niet.
Nog enkele dagen en we rijden weer richting Champagne om er aan de druivenpluk te beginnen . Familie Casters .... zet de glaasjes maar klaar ! Tot de 26ste !
gisteren heb ik zesenzestig rolluiken opgehaald in het huis van mijn lichaam de deuren en de ramen wijd open gezet en in grote letters op mijn gezicht geschreven VRIJE TOEGANG soms komt er iemand soms komt er niemand en dan praat ik even met niemand
vanaf nu doe ik elke dag opnieuw zesenzestig rolluiken dicht en elke dag haal ik ze weer omhoog want ik wil elke morgen koesteren met grote o's van verbazing voordat ik te moe word en op mijn schouder ga leunen
langs golven van glas klimt rooddoorbakken het stapelhuis naar de duik in het verleden naar de sprong in de toekomst ik vraag me af hoe zullen de komende generaties de jaren van vandaag noemen zullen ze nog de gedichten lezen van tom lanoy luisteren naar de muziek van eric sleichim vragen stellen bij de wereld van luc tuymans
waarschijnlijk zal de tijd mij en het MAS overwoekeren zoals een koraalrif de opengescheurde romp van een scheepswrak doet vergeten
bij het buitengaan schuurt de regen over het scheldewater en jaagt de wind meeuwen en oude kranten de straat uit
ik hou mijn kleinzonen bij de hand en koester hun stemmen vers als brood, warm uit de oven het geluk heet nu
is de schaduw van de zon anders dan die van de maan ja, dat moet wel, want beide schaduwen komen van een ander hemellichaam ook al lijken ze op elkaar zoals je zout en suiker door elkaar haalt ze lijken op elkaar tot je ze proeft
ook jij leek op al die anderen tot ik jou geproefd heb
Opa, riep hij, nu ben ik nooit meer kleuter ! Hij liep naar me toe met zijn kleuterdiploma in de hand. Zoals gewoonlijk sprong hij naar omhoog en ik klemde hem tegen me aan, terwijl hij zijn armpjes rond mijn nek knoopte. Niets op de wereld voelt beter aan dan dit. Ik snoof zijn geur en zijn blijdschap op en probeerde niet te merken dat hij groter was geworden ...
de wolken hebben het gevecht met het blauw gewonnen ik gooi de regen als bloemen terug naar de schetterende vogels want wat blijft er over behalve onze woorden van gepelde lucht en onze kussen die in lippen verdeeld zijn
de schaterlach van je glanzende ogen ben ik kwijt met een krop in de keel schrijven mijn vingers je adem neer op vloeibaar papier ik ruik hoe mooi je voor me was
wat blijft er over behalve een lange ritssluiting van je voetafdrukken op het strand
kom binnen zeg ik in mijn huis van wind en wolken dag verzamelaar van mijn behangpapier met spreuken uit de voorbije winter luister naar de ademhaling van het land hier sliepen gisteren de insecten als pelsdieren in de gietvorm van de eeuwigheid zie hoe het licht wiegt als water warmwaait naar de klanken die mekaar met smaak naar binnen spelen hoor de zon kookt de tongen van de vrouwen als mossels los ik spring van vreugde op mijn schouders onze magazijnen zitten vol zomer
vijf keer werd de morgen dag zodat het feest zou kunnen beginnen zon op de huizen zon op beton het vertrek naar de verre velden en naar de druiven waarmee alles begon
zodat ik alleen zou kunnen achterblijven in het binnenland van mijn gedachten in de nagelaten zomer van een dorp dat Damery heet
zodat ik stil als een beek tussen de tedergroene ranken van de chardonnay zou kunnen verdwijnen zodat ik niets meer dan wat gerimpel zou voelen terwijl de namiddag van de warmte achterover valt
deze bomen met het geluid van water waaronder wij als haastig opgekalkte muren van elkaar hielden met zoekende vingers stootte je de stilte om de volgende dag lag het gras nog plat
ik streel je je huid smeekt mijn vingers : ga niet weg nee , ik ga niet weg, ik wil het keer op keer horen dat spreken van je huid tegen mijn vingertoppen dat vragen stellen en antwoorden geven terwijl ik in het donker lig en met grote ogen luister hoe de geur van je haar me vertelt hoe goed je voor me bent
Enkele oude mannen onder de schaduw van de lindebomen. Ze deden me denken aan oude wolven. Aan oude dieren die de overtocht hadden gehaald, de schaduw opzochten en tevreden waren. Ze wonden zich nergens meer over op en spraken nauwelijks met elkaar. Ze hoefden niet meer zo nodig, ze wilden enkel nog een beetje petanquen... Op een gegeven moment liep een jonge vrouw voorbij, een mooie vrouw, een vrouw die je nakeek, die ook wilde dat je ze nakeek. Maar die kerels zagen haar niet gaan, echt waar, ze raapten enkel hun ballen op. Zou ik dat later ook voor mekaar krijgen ? Gewoon niet kijken ?
Als je nooit geboren was, had je dit niet gelezen. En dat zou geen verschil gemaakt hebben. En als je er niet meer bent, is het alsof je dit nooit gelezen hebt. Het maakt ook geen verschil... Maar nu, terwijl je dit leest, gebeurt er iets : het knabbelt een paar seconden aan je lijf, alsof een beestje van letters knagend de weg tussen jou en je volgende minuut verspert. Het peuzelt je tijd op. Het raakt nooit verzadigd. Je haalt het nooit meer in. De tijd is gekomen om bang te worden...
je lichaam is een snoepwinkel met die glimlach van suiker en daartussen je lippen met al die zoetjes en zuurtjes
van kop tot teen wil ik je proeven als een klein kind kan ik nergens mijn vingers afhouden van je oren niet, van je dijen niet of van één van je borsten niet
kijk eens, zeg je, ik heb er zo twee ooh ! antwoord ik vol verbazing ooh ! daarom ben je twee keer zo mooi
vandaag is het een heel goede dag om bij me te zijn de zon schijnt, maar we kunnen regen spelen of koffie met croissants onder de lakens delen of een bord met gerookte zalm en muziek of niets weet je wat we spelen honger en laten niets van mekaar over
in het land van de tomaten is iedereen gelijk hoewel, er zijn verschillen wanneer ik ze goed bekijk de ene met een hoedje al de anderen poedelnaakt maar toch moet je bekennen dat die ene beter smaakt
wierook zwaaiend over de kleinkinderen zich genoegzaam wentelend in de dagelijkse ongemakken ingelijfd bij de vergrijsde babyboomers
onder zachte dwang zijn we de Schelde afgezakt op het schip "Abendrot" koffie en gebak helemaal gratis een theedoek om mee naar huis te nemen hè, hè, deze dag kunnen ze ons niet meer afpakken
het veld laat de gordijnen neer groen op groen rukkend aan het licht tot bij het gras de regen is het langverwachte teken het applaus van de wolken het geluid de bliksem gaat fier als een gieter de donderslag vooraf we vullen onze lippen met vogels zacht
Ik weet wel : ik ben geen spiegel, kleurloos, gemaakt van puur licht. Ik ben een deur, waarachter ik gevangen zit. Ik wou dat je me hier zag languit met mijn handen vol vingers. Maar waarom sta je hier voor mij lachend je haar te kammen ?
met gezwollen borst ligt het brood op tafel in de schaal de appels te lui om rood te worden de kamer duwt de schaduwen voort de tijd ineengekrompen tot een handvol woorden achter het zonlicht wacht in de vorm van een autobus ons afscheid
koning winter heeft zich gekroond tot Witte Kerstmis met lichtblauwe ogen
hij geniet en jaagt met volle borst de wind door het kreupele hout recht op zijn paard schreeuwt hij dromen aan flarden beledigt hij de hardnekkige rozen van de zomer
geef hem maar de macht laat hem de wegen met ijs bezetten de treinen halt toeroepen de aarde dolkdiep treffen
wie ben ik gemaakt uit ledematen en ogenblikken een toevallig mens van decennia geleden al is dat minder dan een zoutkorrel opgelost in het water van de tijd
mijn ouders en mijn kinderen leven in mijn gewrichten ik voel het ik ben de som van hun vragen de echo van hun antwoorden ik ben onaf en onderweg tot de dag van de grote motorpech
er lag sneeuw op het strand en we maakten grapjes over die gekke kerel die kaarsen op zijn hoed stak om 's avonds de zee te schilderen
helemaal alleen bleef hij scheelkijken naar het donker onrustig zwaaiend met zijn penseel de ene donkere verf op de andere stapelend terwijl wij om ons heen stonden te kijken hoe de kaarsen op zijn kop flakkerden en vervolgens één na één uitdoofden achterna gezeten door de schaduw van de wind
Je woorden liggen topless voor het oprapen maar ik loop er omheen bang om me te snijden aan de scherpe medeklinkers
Zwijgend zoek ik mij een weg door het alfabet van twijfels en beloftes tussen de regels door over de komma's en de punten rakelings langs het grote vraagteken
Ik vraag me af : waar blijf ik staan wat neem ik mee van al die chaos die hier ligt, van alle woorden misschien dat ene die ene lettergreep:
wandelend bij avond onder de bomen vanop de oever liepen wij door tot het water aan onze lippen stond onze haren dreven hand in hand op het maanlicht we werden één met het water en niemand zal het geloven maar je kuste er nog beter dan aan land
't Is plotseling koud, vooral 's morgens. Je adem wordt wolkjes, je vel trekt zich strak, het is alsof de winter reeds in je enkels hapt. Die dikke jas komt al van pas, bedenk je, terwijl je de deur achter je dichttrekt en er stevig de pas in zet, slalommend tussen grijs en nat, naar de bakker. Enkele dagen maar, denk je, als ik nu eens voor enkele dagen naar de zon zou vliegen, nog gauw even bijtanken voor de echte winter me nog strammer maakt. Even lekker morsen met de zon... Ik weet niet waarom, maar ineens denk ik aan die meer dan 6.ooo asielzoekers in ons land, die geen bed voor de nacht hebben. En die zigeunerkinderen die op de stoep slapen: het ene jongetje in een veel te kleine regenjas, het andere jongetje in geen regenjas... Zouden mijn twee kleinzonen, mijn prinsenkinderen, dit overleven ? Hoe zou het met mij zijn, moest ik weten dat ze voor mijn deur kamperen op een kartonnen doos ? Nee, ik blijf maar lekker thuis en even aan iets anders denken. Ik ga mijn pantoffels opzoeken, een Duvel binnen handbereik en de verwarming toch maar een graadje hoger...
ik had nooit gedacht dat je langgerekte zinnen rond mijn mond zou kunnen vouwen een taal zou willen maken voor mij, voor ons met woorden zoals jij en ik in het begin waren er alleen jouw handen tussen mijn eenzaamheid en mezelf plotseling sloegen wagenwijd de deuren open tot aan je mond daarna kwamen je gezicht je ogen je lippen vervolgens trok je de schaamte uit en hing hem nonchalant aan de muur en toen kwam jij tevoorschijn als een schaterlach
ik denk en ik hoop dat de dood een mooie vrouw is die na het laatste glas champagne en na de laatste dans me naar het bed leidt me even onder de oksels optilt me bij mijn enkels neemt en me zo op het laken legt dan de kussens opklopt en ze achter mijn heupen en mijn rug schikt en tenslotte traag de gordijnen dichttrekt
alleen de nevel van de muziek ruist dan door de kamer
Wat kon ik je schenken ? Ik had maar gaven voor honger en dorst en ik had je zo vertederd lief. Ik zei : ik geef je de lucht, omdat ze zo blauw is vandaag en jij zo lief.
Je was zo blij en zo mooi als je ogen… Dit was de droom : ik had gezegd de lucht is blauw vandaag, pluk mijn geluk. En ’s avonds hing je het op als een hemel boven je bed.
Je zei : kom bij me, toe. Ik heb sterren voor je gekocht. In je ogen zag ik wind en wolken. De nacht droeg bloemen in je slaap. Het was alsof ik langzaam bloedde op zacht gras.
naast de beek die pas kan lopen trekken de huizen zich terug om droog te liggen de merels wandelen met hun armen op de rug en niemand ziet hoe een hond een hap neemt uit de avondzon de straat slentert door het dorp en valt even verder op de kasseien languit in slaap het licht rinkelt als goudstukken door je haar en de takken naar beneden ik leg mijn woorden tussen je lippen je handen bladeren lauw en voorzichtig door mijn huid in mijn droom val ik in slaap
in mijn wilde tuin zaai ik wispelturige letters die kiemen tot klanken fezelend tussen het loof van mijn woorden pluk ze als ze rijp zijn als handvolle vruchten en bereid me een avondmaal van geuren en late strelingen ik heb zo'n honger
Zie ze daar hangen ... De druiven in de Champagne vragen stilaan om geplukt te worden. Volgende week vrijdag rijden we richting Damery om er weer gedurende een lange week de schaar in te zetten. Hopelijk zijn ze er weer allemaal, de vrienden en vriendinnen van vele voorbije jaren ... Zet de bubbels al maar klaar !
met prikkeldraad rond mijn ogen was ik altijd op zoek naar de vrede tastte ik naar woorden en vond een messcherpe pijl in mijn hand op drijfzand bouwde ik muren naar de zon
als ik ziek word of gek spot dan niet met mij of leg me niet aan de ketting zoals een felgeel bootje wanneer ik reik naar de wind maak me dan niet af al is mijn gezicht een verbrand boek en mijn lichaam een verwoeste stad
als ik een schilder was ik zou een huis voor je willen maken met een houten vensterbank om naar de zon te kijken en naar de treinen te zwaaien vanachter zonnebloemen, margrieten,geraniums terwijl een kleine kat kopjes tegen je benen geeft terwijl mussen buiten op de draden op een rij zitten als noten op een notenbalk terwijl op het einde van de straat een piano klinkt als zuiver water o ja, ik zou het nog vergeten... tulpen zou ik ook schilderen alleen voor jou
de liefde heeft iets weg van boksen het is een kwestie van de juiste afstand als je te dicht komt wind ik me op word ik bang raak ik verward en zeg gekke dingen maar als je ver weg van me bent word ik droevig lig ik wakker en schrijf ik zonder ophouden gedichten zoals nu
ik weet niet of er woorden bestaan die de geur van je huid kunnen vangen, het beweeglijke licht in je ogen, de warmte die in me klimt zodra je me aanraakt, het gevoel van je haar aan mijn vingertoppen, de huid van je handen op mijn lippen
als daar woorden voor waren kon ik alles vastleggen op papier
met de grijze armen van de wind om haar heupen kleedt ze haar opgespaarde dromen uit kamt ze met vleivingers door mijn haar tot ik met de inkt van vroeger weer tedere woorden schrijf ik heb mijn tenten opgezet tussen de stilte van haar lippen
je praat de vlinders aan elkaar en drinkt de zon als een glas champagne als je niet bestond zou ik je wel verzinnen je lauwe borsten geven om al het zoete uit je lijf te zuigen je begrijpt me met allebei je handen en als ik schrijf voel ik hoe je over de letters wrijft moet ik wachten tot de vissen in mijn buik niet meer spartelen tot de zee niet meer op mijn schoenen drupt en de meeuwen landen in mijn hoofd kom terug zodat ik je kan vangen want je bent te gek om los te lopen
Morgen vertrekken we met enkele vrienden en vriendinnen naar Damery, een dorp in de Champagne, om er zoals elk jaar een week te helpen bij de palissage, dit is het opbinden van de druivenranken. Hopelijk zit het weer een beetje mee en krijgen we ontspannende en prettige dagen bij de familie Casters. Tot bubbels !
kom binnen zeg ik in mijn huis van wind en wolken dag verzamelaar van mijn behangpapier met spreuken uit de voorbije winter luister naar de ademhaling van het land hier sliepen gisteren de insecten als pelsdieren in de gietvorm van de eeuwigheid zie hoe het licht wiegt als water warmwaait naar de klanken die mekaar met smaak naar binnen spelen hoor de zon kookt de tongen van de vrouwen als mossels los ik spring van vreugde op mijn schouders onze magazijnen zitten vol zomer
Nog enkele dagen scheiden ons van de verkiezingen... en de beloftes vliegen ons bij herhaling als muggen rond de oren. Moesten ze het kunnen, de politici, ze zouden het mooie weer opnemen in hun pro- gramma: zon gegarandeerd de hele week ! Hemelsblauw zouden de affiches kleuren van zowat alle partijen en ze kregen zeker mijn stem en waarschijnlijk ook die van u. Wie wil er nu geen altijd schijnende zon ? De boeren misschien ? Er zal zeker wel een partij opstaaan die verspreide regen voor alle schouders zou beloven, zodat de droogte met veel blabla zou kunnen bestreden worden. Vermoedelijk zouden de niet te vermijden buien ook wat in goede banen geleid worden : enkel op maandag bijvoorbeeld. Maandag ... Toch al een dag waar je niet vrolijker van wordt. Ofwel enkel tijdens de nacht. Maar dat zou dan weer enkele tegendraadse dichters natuurlijk serieus op hun systeem werken. "Niets is zo onproductief als druppels tellen, die trage tranen langs de ramen op het ritme van het eeuwige verdriet", zouden die dan schrijven in lange pamfletten vol zweverige prietpraat en voor dat soort malle figuren zou dan wel gauw een vaag splinterpartijtje worden opgericht. Of die de kiesdrempel haalt ? Wie zal het zeggen ? Zou een gezinspartij pleiten voor zon op woensdagnamiddag als de kinderen thuis zijn ? De partij van de schaatsers, zou die het ganse jaar bevroren kanalen beloven ? Wordt Jill of Frank ( of beter nog Sabine ) dan de nieuwe premier ? En hoe gespreid valt de regen in Brussel-Halle-Vilvoorde ? Wat druppels hier en wat buien daar ? Of blijft het één pot nat ? Krijgen we de depressies van de Walen over ons heen ? Zou er een coalitie kunnen gevormd worden met al dat "eigen wolk eerst'-gedoe" ? Ik vraag het me af ... Ondertussen wijkt de zon voor grijsheid en ik weet niet hoe ik daartegen een duidelijke proteststem moet uitbrengen. Aan de horizont doemt in de mist een wit paard op met daarop een man met een hoge mijter en een even hoge dunk van zichzelf. Kwistig strooit hij cadeautjes en beloftes in het rond. Ik roep nog : "Sinterklaas, u bent een half jaar te vroeg!" Maar hij hoort het niet en lacht met zijn tandpasta-glimlach naar iedereen die aan zijn kant staat. Zal ik maar op hem stemmen ?
ik wil graag weten of je voelt wat ik voel of je ook lijdt aan schaamte, eenzaamheid hunkering naar gisteren misschien vanbinnen, zonder dat iemand het ziet ik zal het niet vragen en je moet ook niet antwoorden maar we zullen het weten
nog dikwijls loop ik in een witte kamer langs een blinde muur ergens is er een deur, bijna onzichtbaar ik weet het, ik heb ze al gezien ik zoek ze opnieuw en ik zal ze vinden als ik ze opendoe, zal ik bij je zijn ik zal in je ogen kijken en we zullen niet meer alleen zijn kijk de zon knipoogt naar de zomer
de zon schijnt vandaag alsof ze het warm water heeft uitgevonden je hebt twee armen nodig om ze van je lijf te houden maar in de bibliotheek is het lekker fris en leunen de duivels en de engelen in donkere boeken rug aan rug tegen elkaar hun grote geheim sluimert op de planken waar mevrouw Van Geel elke dag voorbijgaat ze houdt haar hoofd een beetje scheef en luistert de boeken fluisteren ik hoor niks, maar zij wel
ik zou zo graag met een natte vinger jij bent mijn hospitalisatieverzekering (of een nog langere zin ) willen schrijven over de volle lengte van je blote rug ik zou je zo graag nu wakker maken al was het maar om je beetje bij beetje te zeggen hoe mooi je gedichten schrijft met je ogen
vandaag kan ik niet schrijven want de meeuwen zijn geland rond mijn leeggezogen hoofd dat beroofd van weten en van willen van zwaarte en van kracht tussen de langgerekte sterren op de roep van de vogelverschrikker wacht
je wordt wakker in het blauwachtige halfduister van de morgen ik luister naar het gemurmel dat op de slaperige daken in onze straat druppelt de echo van de woorden die we dachten achter ons gelaten te hebben vergezellen ons een leven lang samen beitelen we een huis in ons geheugen waar we vroeg of laat naar zullen terugkeren
geen kat, geen hond, geen vrouw als metgezel maar al bij al redt hij het wonderwel want 's avonds voor het slapengaan zet hij zijn computer aan en surft hij naar tieten punt nl
de dag ligt zwaar met een elleboog op de aarde als een log boerenpaard als een eeuwenoude katedraal zijnde een toeristische aantrekkelijkheid
dit is een oeroud verhaal verteld door de vogels uit het zuiden aan de langgerekte schaduwen langs de gevels deze tijd is niet langer een deel van de tijd dit is de dag van lang geleden geklemd in de wrede handpalm van de nacht die met een grijns op de lippen de avond de das heeft omgedaan
hiernaast is iemand wakker geworden laat de kraan lopen tot ook de muur achter ons hoofd volloopt met watermuziek tot vloeibaarheid overal is en wij ons halfdromend laten drijven
een ingebeelde zwaan glijdt ernstig uit het gezicht mat lange zwijgende roeiriemen dit is de morgen van het eerste water het verheft ons als wrakhout tot we wakker worden om zacht aan te spoelen in deze dag
in een vlaag van liefdadigheid heb ik de mantel van mijn laatste woorden in twee gescheurd een deel voor de bedelaar links een deel voor de sukkelaar rechts nu liggen beide stukken op de stenen in de koude keel van de wind
mijn voeten bieden geen weerstand aan het zuigende water van de angst het gras van de onrust groeit tussen mijn tenen en wie morgen het gras maait maait ook mijn voeten zeker weten
mors je kussen over mijn lijf als sneeuwvlokken of glasscherven het doet er niet toe wrijf mijn huid warm met je handen vol vingers giet het bruin van je ogen lauw en voorzichtig in mij zoals je orchideeën water geeft buig je armen om mij als het zweet van rode paprika's vul onze lippen met vogels en roer me langzaam tot een deel van jou zoals olie in mayonaise
standbeelden vervelen zich in het donker vooral zij die in een vorig leven dichter zijn geweest want zij weten om echt gelezen te worden moet je alle lichten uitdoen woorden houden van duisternis zoals het beeld houdt van een donkere kamer onder hen beiden zouden ze het woord en het beeld zonder geluid te maken de dichter kunnen vervangen
Ik heb deze week een verrekijker gekocht... Hij is van zeer goede kwaliteit, had de lieve verkoopster gezegd, en hij vergroot acht keer. Eigenlijk is dat laatste niet waar, want de negende keer deed hij het ook nog...
misschien hoef ik dit niet te schrijven en zou ik beter de letters van het papier schudden want straks als ik wakker word zal je voorbij zijn en luister ik naar je naam als een lange kus in lippen verdeeld de stilte vult zich rondom
mijn hart is een leeg strand waar je voetafdrukken voorgoed weggespoeld worden onder de golven die aanzwellen en te pletter slaan die aanzwellen en te pletter slaan die aanzwellen en te pletter slaan ...
buiten ligt het gras in dekking voor de scherpe uithalen van de wind ik hoor mezelf luisteren jeff lacht al zijn tanden min één bloot bij een grappige passage uit zijn boek ( geronimo stilton voor de insiders ) en lowie pas vijf geworden weet met zijn jaren geen blijf tussen de blokjes van zijn boerderij
ik trek een glimlach over mijn kop en het licht dat door de ramen naar binnen tuimelt is nog nooit zo zacht geweest als vandaag ik heb nog nooit zo weinig begeerd
geblinddoekt moet je de winter beschrijven met de wind die op je huid een tekst krast van zacht leer het zal zonderling en uit alle hoeken waaien en de bijlen zullen roesten niet zoals de wind het voorspelt want de tover van zijn schrift verbrandt je hand niet met de wapens van de zomer alleen met de winter begint een nieuw seizoen dat duurt een ijstijd in de sluimering van de breekbaarheid
voor mij niets achter mij niets en daartussen ik op de fiets de kop omhoog de kop omlaag heel veel wind vandaag blauw van de kou rij ik naar die warme handen van jou want het vriest dat het kraakt en ik hoop dat je friet met stoofvlees hebt gemaakt
deze morgen las ik een gedicht en ik dacht direct aan jou ik zag hoe je op hoge hakken langs de wolken stapte terwijl de lucht rijmde op blauw ik was ontroerd en werd emotioneel echt moeilijk om het te begrijpen het leek me plots veel te veel ja, ik moest even in mijn armen knijpen serieus, het was een heel mooi gedicht en toen ik het met tranen in de ogen nog een keer las toen ontdekte ik ineens dat het van mijn eigen was
de winter slaat me om de oren met de gouden sabels van de wind in de bevroren en geluidloze kempen rollen de velden zich op tot een wreed en warm geheim van de zomer ik hoor mijn haar ik ritsel
in de winter zijn er meer bomen dan in de zomer maar dat deert je niet want je draagt de warmte als een baby met roze handjes tussen de huizen je heupen veranderen in wijn en je oksels vallen open vol hemel de stilte plant zich voort langs de vogels die hangen aan het plafond van het bos je woorden heb ik vacuüm getrokken als zachte eenden in de mist de straat begint te blozen de zon glijdt uit en giechelt
poëzie is een wansmakelijk aantrekkelijke vrouw die hinnikend op en veel te hoog paard door de wolken zeilt zo mooi dat je er een knieval zou voor doen wachtend op het fatale schot in de nek poëzie zuigt je leeg en bindt de handen aan je voeten vast de pijn van wit papier ondraaglijk maar zichtbaar verblindt de schaduw van je woorden opgehangen aan de dunne draagdraad van de tijd poëzie is God en dat zou ik best zelf kunnen zijn maar ik weet niet of ik besta … morgen misschien