Romenu is een blog over gedichten, literatuur en kunst Maar Romenu is ook een professionele freelance vertaler Du-Ne en Ne-Du http://www.roumen-vertalingen.nl/
Georg Trakl werd op 3 februari 1887 in het conducteurshuis aan de Waagplatz 2 in Salzburg geboren. Zijn vader, Tobias Trakl, was een handelaar in ijzerwaren en zijn moeder, die ook psychische problemen had, was Maria Catharina Trakl, (meisjesnaam Halik). Voorts had hij nog drie broers en drie zussen. Margarethe (doorgaans Grethe genoemd) stond hem het naast, zelfs zodanig dat sommigen een incestueuze verhouding vermoeden. Zijn jeugd bracht hij door in Salzburg. Vervolgens bezocht hij van 1897 tot 1905 het humanistische gymnasium. Om toch een academische opleiding te kunnen volgen, werkte hij tot 1908 in de praktijk bij een apotheker. Sommigen vermoedden dat hij dit vooral deed om zichzelf opiaten te kunnen verschaffen. Bij het uitbreken van WO I werd Trakl als medicus naar het front in Galicië (heden ten dage in Oekraïne en Polen) gestuurd. Zijn gemoedsschommelingen leidden tot geregelde uitbraken van depressie, die verergerd werden door de afschuw die hij voelde voor de verzorging van de ernstig verwonde soldaten. De spanning en druk dreven hem ertoe een suïcidepoging te ondernemen, welke zijn kameraden nochtans verhinderden. Hij werd in een militair ziekenhuis opgenomen in Kraków, alwaar hij onder strikt toezicht geplaatst werd.Trakl verzonk daar in nog zwaardere depressies en schreef Ficker om advies. Ficker overtuigde hem ervan dat hij contact moest opnemen met Wittgenstein, die inderdaad op weg ging na Trakls bericht te hebben ontvangen. Op 4 november 1914, drie dagen voordat Wittgenstein aan zou komen, overleed hij echter aan een overdosis cocaïne
Paul Celan
Paul Celan werd onder de naam Paul Antschel op 23 november 1920 geboren in Czernowitz, toentertijd de hoofdstad van de Roemeense Boekovina, nu behorend bij de Oekraïne. Paul Celans ouders waren Duitssprekende joden die hun zoon joods opvoedden en hem naar Duitse christelijke scholen stuurden. In 1942 werden Celans ouders door de Duitse bezetter naar een werkkamp gedeporteerd en daar vermoord. Hijzelf wist aanvankelijk onder te duiken, maar moest vanaf juli 1942 in een werkkamp dwangarbeid verrichten. Celan overleefde de oorlog. Via Boekarest en Wenen vestigde Celan zich in 1948 in Parijs. Daar was hij werkzaam als dichter, vertaler en doceerde hij aan de prestigieuze Ecole Normale Supérieure. Vermoedelijk op 20 april 1970 beëindigde hij zijn leven zelf door in de Seine te springen.
Gerard Reve
Gerard Reve over: Medearbeiders ”God is in de mensen, de dieren, de planten en alle dingen - in de schepping, die verlost moet worden of waaruit God verlost moet worden, door onze arbeid, aangezien wij medearbeiders van God zijn.” Openbaring ”Tja, waar berust elk godsbegrip op, elke vorm van religie? Op een openbaring, dat wil zeggen op een psychische ervaring van zulk een dwingende en onverbiddelijke kracht, dat de betrokkene het gevoel heeft, niet dat hij een gedachte of een visioen heeft, maar dat een gedachte gedachte of visioen hem bezit en overweldigt.”
Simon Vestdijk
Simon Vestdijk (Harlingen, 17 oktober 1898 – Utrecht, 23 maart 1971) was een Nederlands romancier, dichter, essayist en vertaler. Zijn jeugd te Harlingen en Leeuwarden beschreef hij later in de Anton Wachter-cyclus. Van jongs af aan logeerde hij regelmatig bij zijn grootouders in Amsterdam, waar hij zich in 1917 aan de Universiteit van Amsterdam inschrijft als student in de medicijnen. Tijdens zijn studie die van 1917 tot 1927 duurde, leerde hij Jan Slauerhoff kennen.Tot 1932 is hij als arts in praktijken door heel Nederland werkzaam. In 1932 volgt zijn officiële schrijversdebuut met de uitgave van de bundel Verzen in De Vrije Bladen. Doorslaggevend voor Vestdijks uiteindelijke keuze voor de literatuur is zijn ontmoeting in 1932 met Eddy Du Perron en Menno ter Braak. Deze ontmoeting had tot resultaat dat hij redactielid werd van het tijdschrift Forum Kort daarop, in 1933, wordt zijn eerste novelle, De oubliette, uitgegeven. In hetzelfde jaar schrijft hij Kind tussen vier vrouwen, dat, eerst geweigerd door de uitgever, later de basis zal vormen voor de eerste drie delen van de Anton Wachter-romans. In 1951 ontvangt Vestdijk de P.C. Hooftprijs voor zijn in 1947 verschenen roman De vuuraanbidders. In 1957 wordt hij voor het eerst door het PEN-centrum voor Nederland voorgedragen voor de Nobelprijs voor de Literatuur, die hij echter nooit zal krijgen. Op 20 maart 1971 wordt hem de Prijs der Nederlandse Letteren toegekend, maar voor hij deze kan ontvangen overlijdt hij op 23 maart te Utrecht op 72-jarige leeftijd. Vestdijk was auteur van ca. 200 boeken. Vanwege deze enorme productie noemde de dichter Adriaan Roland Holst hem 'de man die sneller schrijft dan God kan lezen'. Andere belangrijke boeken van Simon Vestdijk zijn: "Kind van stad en land" (1936), "Meneer Visser's hellevaart" (1936), "Ierse nachten" (1946), "De toekomst de religie" (1947), "Pastorale 1943" (1948), "De koperen tuin" (1950), "Ivoren wachters" (1951), "Essays in duodecimo" (1952) en "Het genadeschot" (1964).
K.P. Kavafis K.P. Kavafis werd als kind van Griekse ouders, afkomstig uit Konstantinopel, geboren in 1863 in Alexandrië (tot vandaag een Griekse enclave) waar hij ook het grootste deel van zijn leven woonde en werkte. Twee jaar na de dood van zijn vader verhuist het gezin in 1872 naar Engeland om na een verblijf van vijf jaar naar Alexandrië terug te keren. Vanwege ongeregeldheden in Egypte vlucht het gezin in 1882 naar Konstantinopel, om na drie jaar opnieuw naar Alexandrië terug te gaan. In de jaren die volgen maakt Kavafis reizen naar Parijs, Londen en in 1901 zijn eerste reis naar Griekenland, in latere jaren gevolgd door nog enkele bezoeken. Op de dag van zijn zeventigste verjaardag, in 1933 sterft Kavafis in Alexandrië. De roem kwam voor Kavafis pas na zijn dood, dus postuum. Deels is dat toe te schrijven aan zijn eigen handelswijze. Hij was uiterst terughoudend met de publicatie van zijn gedichten, liet af en toe een enkel gedicht afdrukken in een literair tijdschrift, gaf in eigen beheer enkele bundels met een stuk of twintig gedichten uit en het merendeel van zijn poëzie schonk hij op losse bladen aan zijn beste vrienden.
Thomas Mann
Thomas Mann, de jongere broer van Heinrich Mann, werd geboren op 6 juni 1875 in Lübeck. Hij was de tweede zoon van de graankoopman Thomas Johann Heinrich Mann welke later één van de senatoren van Lübreck werd. Zijn moeder Julia (geboren da Silva-Bruhns) was Duits-Braziliaans van Portugees Kreoolse afkomst. In 1894 debuteerde Thomas Mann met de novelle "Gefallen". Toen Thomas Mann met 21 jaar eindelijk volwassen was en hem dus geld van zijn vaders erfenis toestond - hij kreeg ongeveer 160 tot 180 goldmark per jaar - besloot hij dat hij genoeg had van al die scholen en instituties en werd onafhankelijk schrijver. Kenmerkend voor zijn stijl zijn de ironie, de fenomenale taalbeheersing en de minutieuze detailschildering. Manns reputatie in Duitsland was sterk wisselend. Met zijn eerste roman, Buddenbrooks (1901), had hij een enorm succes, maar door zijn sceptische houding tegenover Duitsland na de Eerste Wereldoorlog veranderde dit volledig. Stelde hij zich tot aan de jaren twintig apolitiek op (Betrachtungen eines Unpolitischen, 1918), meer en meer raakte hij bij het Politiek gebeuren betrokken. Zijn afkeer van het nationaal socialisme groeide, zijn waarschuwingen werden veelvuldiger en heftiger. In 1944 accepteerde hij het Amerikaanse staatsburgerschap. Tussen 1943 en 1947 schreef Mann Doktor Faustus (zie Faust), de roman van de 'Duitse ziel' in de gecamoufleerd geschilderde omstandigheden van de 20ste eeuw. In 1947 bezocht hij voor het eerst sinds de Oorlog Europa, twee jaar later pas Duitsland. In 1952 vertrok hij naar Zwitserland. Op 12 augustus 1955 stierf hij in Zürich. Twintig jaar na zijn dood, in aug. 1975, is zijn literaire nalatenschap geopend: dagboekaantekeningen van 15 maart 1933 tot 29 juli 1955, alsmede notities uit de jaren 1918 tot en met 1921.Belangrijke werken zijn: Der Zauberberg, Der Tod in Venedig, Dokter Faustus , Joseph und seine Brüder en Die Bekenntnisse des Hochstaplers Felix Krull.
Rainer Maria Rilke
Rilke werd op 4 december 1875 geboren in Praag. Hij had al naam gemaakt als dichter met zijn bundels Das Stundenbuch en Das Buch der Bilder, toen hij de literaire wereld versteld deed staan en wereldfaam verwierf met de publicatie van zijn twee delen Neue Gedichte in 1907 en 1908. Hij verzamelde daarin het beste werk uit een van zijn vruchtbaarste periodes, die hij grotendeels doorbracht in Parijs. Rilke was daar diep onder de indruk gekomen van Rodin, bij wie hij een tijdlang in dienst was als particulier secretaris. Rodin, zei hij later, had hem leren kijken. Dit kijken kwam neer op intense concentratie, om het mysterie te kunnen zien ‘achter de schijnbare werkelijkheid'. Latere en rijpere werken als Duineser Elegien (1912-1923) en het ronduit schitterende Die Sonette an Orfeus (1924) illustreren Rilkes metafysische visie op het onzegbare, dat haar verwoording vindt in een hermetische muzikale taal. Op 29 december 1926 overlijdt Rilke in het sanatorium in Val-Mont aan de gevolgen van leukemie. Enkele dagen later wordt hij, overeenkomstig zijn wens, begraven op het kerkhof van Raron.
“Toen de gedaante van de twee mannen verscheen, vlogen de vogels op, vreemd genoeg lichtgevend door de maan die nacht, van het ondiepe water waar de rivier bij de zee uitkwam. De mannen bereikten het strand, legden het pakket op de stenen, en toen ging de dikste terug om de motor te halen. Het licht van de maan had een diepe, blauwe toon, en de witte rand van de zee zag er poederachtig uit. Waar die brak was het net de rand van gescheurd papier. Het maakte niet meer dan een zacht ratelend geluid. Terwijl de dikkere man weg was, maakte de magere de banden van het pakket los, vouwde de opblaasboot uit en begon hem op te pompen. Hij zag eruit als een nerveuze waadvogel, extra mager door de wetsuit die hij droeg, staand op één been terwijl zijn andere been omhoog en omlaag ging op de pomp. De wetsuit zat vol vaalgrijze terriërhaartjes, alsof ze erdoor werden aangetrokken. Toen de dikkere man terugkwam, met de motor op zijn schouder, stegen de meeuwen weer op, en deze keer vertrokken ze naar de overkant van de rivier. Toen de boot was opgeblazen droegen ze hem naar het water. De grotere man ging in de boot zitten en ontving de rugzak en jassen, en de vishengels die ze hadden meegenomen voor het geval ze gezien zouden worden; toen liep de magere man tot aan zijn middel in het water en sleepte de boot naar zee. De kou stak door zijn wetsuit. Toen hij terugliep voor de buitenboordmotor vingen de hondenharen het maanlicht, zodat het leek alsof het pak op sommige plekken was geweven met gloeidraad. Samen monteerden de twee mannen de motor op de spiegel, hingen hem voorover zodat hij niet bleef hangen in het ondiepe water, en draaiden ze de klemschroeven vast. Toen klom de magere man onhandig aan boord. Door het extra gewicht zakte de boot een beetje tegen de keien onderwater, en de zwaardere man gebruikte de korte peddel om de boot af te duwen naar het kalme water voorbij de brandingsgolven. Toen ze los waren, liet hij de motor zakken. Gaf drie harde rukken aan het startkoord. Het plotselinge kabaal toen de motor tot leven kwam werd meteen gedempt toen hij het toerental verlaagde. De motor sputterde wat, murmelde, en toen stuurde hij de boot naar open zee.”
That Frenchman really had the trick Of figure skating in this stanza But I, thank God, cannot read Gallic And so escape his influenza. Above my head his rhetoric Asks emulation. I do not answer. It is as though I had not heard Because I cannot speak a word. But I invoke him, dirty dog, As one barker to another: Lift over me your clever leg, Teach me, you snail-swallowing frog To make out of a spot of bother Verses that shall catalogue Every exaggerated human claim, Every exaggerated human aim.
I entreat you, frank villain, Get up out of your bed of dirt And guide my hand. You are still an Irreprehensible expert At telling Truth she’s telling lies. Get up liar; get up, cheat, Look the bitch square in the eyes And you’ll see what I entreat.
We share, frog, much the same well. I sense your larger spectre down Here among the social swill Moving at ease beside my own And the muckrakers I have known. No, not the magnitude I claim That makes your shade loom like a tall Memorial but the type’s the same.
You murdered with a knife, but I Like someone out of Oscar Wilde Commemorate with a child The smiling victims as they die Slewing in kisses and the lie Of generation. But we both killed. I rob the grave you glorify, You glorify where I defiled.
O most adult adulterer Preside, now, coldly over My writing hand, as to it crowd The images of those unreal years That, like a curtain, seem to stir Guiltily over what they cover – Those unreal years, dreamshot and proud, When the vision first appears.
The unveiled vision of all things Walking towards us as we stand And giving us, in either hand, The knowledge that the world brings To those her most beloved, those Who, when she strikes with her wings, Stand rooted, turned into a rose By terrestrial understandings.
Come, sulking woman, bare as water, Dazzle me now as you dazzled me When, blinded by your nudity, I saw the sex of the intellect, The idea of the beautiful. The beautiful to which I, later, Gave only mistrust and neglect, The idea no dishonour can annul.
Vanquished aviatrix, descend Again, long vanished vision whom I have not known so long, assume Your former bright prerogative, Illuminate, guide and attend Me now. O living vision, give The grave, the verity; and send The spell that makes the poem live.
I sent a letter to my love In an envelope of stone, And in between the letters ran A crying torrent that began To grow till it was bigger than Nyanza or the heart of man. I sent a letter to my love In an envelope of stone.
I sent a present to my love In a black bordered box, A clock that beats a time of tears As the stricken midnight nears And my love weeps as she hears The armageddon of the years. I sent my love the present In a black bordered box.
I sent a liar to my love With his hands full of roses But she shook her yellow and curled Curled and yellow hair and cried The rose is dead of all the world Since my only love has lied. I sent a liar to my love With roses in his hands.
I sent a daughter to my love In a painted cradle. She took her up at her left breast And rocked her to a mothered rest Singing a song that what is best Loves and loves and forgets the rest. I sent a daughter to my love In a painted cradle.
George Barker (26 februari 1913 – 27 oktober 1991)
De Franse dichter en schrijver Victor Hugo werd geboren in Besançon (Franche-Comté) op 26 februari 1802. Zie ook alle tags voor Victor Hugo op dit blog.
Morgenvroeg
Als morgenvroeg de zon de velden gaat beschijnen, Ga ik hier weg, naar jou, want jij wacht daar op mij. Dan trek ik door het bos en langs diepe ravijnen. Hier blijven kan ik niet, want te ver weg ben jij.
Mijn blik is strak vooruit, verzonken in gedachten. Kijk ik niet op of om, en rond mij is het stil. Vergeten en alleen, de dagen en de nachten, Ze lijken op elkaar, ik zie niet het verschil.
Het goud dat ’s avonds valt, leidt niet mijn ogen af, En ook de zeilen niet die naar Harfleur toe glijden, En ben ik eenmaal daar, dan leg ik op je graf Een bosje groene hulst, vermengd met paarse heide.
Vertaald door Arie van der Krogt
Victor Hugo (26 februari 1802 – 22 mei 1885) Standbeeld door Laurent Marqueste, 1901, op de cour d’honneur van de Sorbonne, Parijs
“Het voltrekt zich altijd min of meer hetzelfde: ze zeggen een paar dingen tegen elkaar, ze drinken een glas bier of tonic of water, soms neemt hij een douche, en dan gaan ze naar bed. Het heeft de juiste verhouding tussen lichtheid en ernst. Het is opwindend, onbeschaamd, maar ook emotioneel. Soms snikt hij in haar armen. Daarna zijn ze ontspannen. Soms vallen ze bijna in slaap. Ze praten over hun werk, over hun kinderen, hij vertelt over de natuurramp, zij neemt het op voor zijn vrouw. Tijdens het eten kijken ze naar het uitzicht. Sev woont heel hoog, vanuit haar raam zie je de stad en hoe de rivier zich erdoorheen slingert. Als er tijd genoeg is gaan ze daarna weer naar bed. Hij neemt nooit iets mee, geen wijn, geen bloemen. Hij blijft nooit slapen. Hij zegt altijd dat het de laatste keer is. Zij belt een taxi voor hem en kijkt hoe hij beneden instapt en zich weg laat rijden. De balkondeuren staan open maar het gordijn is dichtgetrokken tegen de hitte van de zon. Sev leunt in de halfduistere keuken tegen het aanrecht en schrijft een bericht aan David. Ze stelt zich voor hoe hij thuis aan de Gorterlaan, waar ze nooit is geweest, in zijn keuken staat. Hoe hij de wanhoop te lijf gaat door te zorgen voor zijn dochters. Hoe die dat zich laten welgevallen, oud genoeg al om er ook het hunne van te denken. Ze heeft ze nooit ontmoet; alles wat zij weet van hen, van hem en van zijn vrouw, weet ze van hem. Ze stelt zich alles voor. Zijzelf heeft die middag Hendrik, haar zoon van acht, naar zijn vader gebracht. In haar vermengt het gevoel van ruimte die de vrijheid van de week in het verschiet haar geeft zich met een vaag gemis. Ze wacht tot David haar woorden ziet en haar laat weten dat die geland zijn, ze weet dat haar woorden dat doen, het is precies dat doel waarmee ze ze verstuurt. Via een draadloos geluidssysteem vult Satie de verschillende kamers van haar huis. David zegt dat zijn huwelijk vijfentwintig jaar gelukkig was, dat zijn leven gelukkig was, tot de natuurramp. Ze pakt een flesje bier, denkt na over wat ze zal eten, iets pittigs, iets kind-onvriendelijks. Ze leegt haar tas op tafel, ze kan wat werken nog, straks, als het eindelijk koeler geworden is. Vijfentwintig jaar geluk aan gruzelementen, Sev weet niet wat voor haar het grootste mysterie is, die vijfentwintig jaar of de genadeklap.”
Met Auden gegeten. Hij was net terug van drie dagen Milwaukee, hij had voor studenten gesproken. ‘Ze vonden het prachtig. Ik had ze in trance.’ Zijn gezicht Verlichtte het tafereel. Ik kreeg daar de foto te zien, hij In vagebondplunje gepropt, op trijpen pantoffels, Zijn gezicht alleen levend alleen boven hen. Blijkbaar heeft hij zichzelf dat vertrek in weten te krijgen Als object, als een prijs, een geschenk dat weet wat het waard is, En dat voor hen zijn waarde afmat op een weegschaal, Woorden die woorden wogen, verdiept in zijn eigen stem. Hij weet dat zij jong zijn en, meer nog, dat hij oud is. Hij deelt, als een grap, in de afstand die hen scheidt. Daarom houden ze van hem. Omdat ze voelen dat hij Aan niemand toebehoort en toch alles geeft. Ze zien hem als object, artefact, een gezicht Dat tijd met al die groeven kriskras doorkerfd heeft, Dat ondoorschijnend is, maar wel een kern heeft die brandt, Met albastachtig licht door barnsteen. Met al hun ogen en oren omgeven ze hem, En kennen een tederheid gehouwen uit steen.
„Der Teller, fast eine Platte, war bis über den Rand bepackt mit drei Scheiben Blutwurst, in ihnen rötliche Streifen von Zunge, zwei Stück Leberwurst, einer kleinen, scharf geräucherten Knackwurst, zwei Gürkchen, vier Quadraten Schnittkäse und einem Würfel Butter, den Mannschatz auf knapp fünfzig Gramm schätzte. Es war tatsächlich Butter und keine Margarine, das merkte er beim Streichen und dem ersten Bissen, den die Zunge drehte und wendete, gegen den Gaumen drückte, durchspeichelte, dem alle Geschmacksnerven überrascht beizukommen suchten und die ans Gehirn meldeten: Genuß, Hochgenuß, Mann, wann hast du zum letzten Mal derartig duftige Knacker zwischen die Kiemen gequetscht, zur Hälfte Speckbrocken, und dir bleiben noch dreißig, vierzig Bissen. Nun Leberwurst kosten, Lebenswurst hatte sie ein Kumpel in der Gefangenschaft gepriesen. In der Mitte des Tischs, an dem sie zu sechst saßen, waren Brotscheiben getürmt, pro Nase nicht weniger als acht; hoffentlich führte sich keiner unverschämt auf. Schüsseln mit Kartoffelsalat, für jeden eine Flasche Bier – der Genosse ihm gegenüber fand den treffenden Ausdruck: Total friedensmäßig! Mannschatz richtete schon die zweite Scheibe her, während er noch an der ersten kaute. Er überlegte, wann er sich zum letzten Mal ähnlich üppig hatte vollschlagen können, in Rußland organisierten sie zwei Schweine für dreißig Mann, hatten aber weder Brot noch Kartoffeln und mampften wochenlang Makkaroni – Völlerei und Barbarei in einem. Jetzt paßte alles zueinander, höchstens Senf fehlte zur Blutwurst, aber schon dieser Gedanke grenzte an Meckerei. Behaglichkeit überkam ihn, er ließ Bier einlaufen und hatte vergessen, daß man dabei das Glas schief halten muß; gerade noch rechtzeitig schlürfte er Schaum ab. Als auf seinem Teller ein wenig Platz geworden war, hob er Kartoffelsalat in die Lücke und reichte die Schüssel weiter, schmeckte Zwiebel, Möhre auch und mahnte sich zur Vorsicht: Mayonnaise konnte steinern im Magen liegen. Rascher, peinigender Gedanke: Bloß nicht alles rauskotzen müssen. Ihm gegenüber saß einer mit Schlips und grobkariertem Jackett, hell die Augen über freundlichen Grübchen, und Mannschatz wunderte sich beim Aufblicken: Der Genosse belegte geruhsam eine Scheibe Brot mit Schnittkäse und bedeckte sie mit einer anderen.“
Erich Loest (24 februari 1926 – 12 september 2013)
Omdat ik vrouw ben en behoorlijk heb te lijden van al de grillen en behoeften van mijn soort, laat jouw nabijheid iemand in mij aan het woord die zegt (wat ze niet meent) hoe goed ze met je vrijde.
Maar het is niet omdat ik op mijn borsten duldde jouw tachtig kilo en jouw pompen en jouw zweten – passie verheldert ’t bloed en verduistert ’t weten – dat ik mij niet herinner hoe je lulde.
Je moet niet denken dat dit zielige verraad van mijn sterk bloed tegen mijn zwak verstand volstaat om jou in liefde te gedenken.
Dit hitsige gedoe van ’t wijf dat in mij praat vind ik hoegenaamd geen reden tot een konversatie als ik je nog eens tegenkom op straat.
Vertaald door Herman de Coninck
Edna St. Vincent Millay (22 februari 1892 – 19 oktober 1950) Portret door Charles Ellis, 1934
Lamps through the quiet house; outside, there’s rain. Open windows; verandah; TV moon next door, amongst dark fronds; the typewriter sounds of wetness; and bougainvillea entwining each carved white pole with a vine cruel as wire. The petals make their clamour silently; held by heat of the houselights in high arc, above the steps — hovering, a red surf, blown from darkness. Down the street’s the light-pole, that stands as though a fountain, its cowl soda-white, in rains that thicken. And, going in, my hand again searches quietness, along the books. I come sidling into the deep presence of these flowers.
Summer, Summer
A game of cricket on the English grass, in the slow-motion blast of the sun and amid the slow hand-claps — the bats’ are similar but even slower strokes. Aimless as a blowfly on its motorbike, or as some real bike among distant lanes, the afternoon. Canvas chairs and crumbs and the match from Lords kept low on a portable, and some are stretched along the turf, and half turning the head, at times, can watch from under cover, a pair who, laughing near, wine-flushed, have each begun their slow ticklings with grass stalks. The clouds are soap froth built up on the hands of someone who pauses indoors above the sink, in silhouette even to himself, and that hold; that still, still nothing can dissipate. This frosted glass that’s pushed up in the changing room invites a glimmer, as there passes the white figure quickly scissoring across the wide lawn, although nothing comes undone. Whatever the bird is called, whether it’s a wood pigeon or a dove, it faithfully makes its rich idle bubblings like a Moroccan pipe — the brief billows, loose as summer wash. And now you notice the young couple have got up and gone, and you see, too, how the man who has become so quiet is one who must realise he will never have his hands upon a firm breast again.
Laat ons het wilde onkruid zingen, Waaruit de grauwe lewerk stijgt, Als hij met nietige vlerken Zich in het eigen lied vertakt. Van de schermvormige sterrebloem Leer de bestuiving, Beschouw de schuwe mier En glijd bij neerwaarts Genijgden, verzonken gang Uw vinger de bedauwde stengel langs.
Nu is de tijd gekomen Dat aarde zelf ons aanzet Verrukt te prijzen, wat de vrome Graanakkers eenmaal krenkte: De tere winde, Het licht gepeupel Der verwaaide grassen, De gloeiende glazen Der bedwelmende papaver op de slaperige barm, En zie het doorwaskruid steekt zijn hazenoren uit.
Ach, de verzwonden marsyas drijven De stenen zelf nu weder uit, Wij voelen bevend hoe we blijven En luisteren in een ledig huis. Het cymbelkruid wendt, Terwijl het reeds sterft, Zich af van de dag, En strooit dat het drage Van muur tot muur het aardse geluk Het heilige zaad in het donker terug.
Vertaald door René Verbeeck
Elisabeth Langgässer (23 februari 1899 – 25 juli 1950)
“Zijn trein gaat om 17.56 uur, elke dag weer. Toch loopt hij nooit rechtdoor naar het perron. Hij heeft de gewoonte op het laatste moment links af te slaan, alsof het een ingeving is, snel de trap op, om aan de bar van het Italiaanse restaurant, waar een bord pasta net zo duur is als een nacht in een fatsoenlijk motel, een cocktail te drinken, en vervolgens neemt hij de trein van 18.34 uur naar huis. Eigenlijk mist hij vijf dagen per week zijn trein en rent hij de trap van het restaurant op alsof hij niet een trein maar een cocktail moet halen. ‘Er gaat altijd een volgende trein, Tom,’ zegt de barkeeper, maar later dan 18.34 uur wil Tom het niet maken. Hij heet trouwens helemaal niet Tom, ze zijn hem hier Tom gaan noemen en hij heeft zich dat laten aanleunen. Hij laat zich veel aanleunen, niet uit gemakzucht maar omdat het zijn manier van leven is. Hij volgt wegen die anderen voor hem hebben uitgestippeld, maar op werkdagen tussen 17.56 en 18.34 uur is hij Tom en drinkt hij een gin-tonic of een martini, afhankelijk van zijn stemming. Verder drinkt hij nooit, verder permitteert hij zich geen uitspattingen. Het is niet meer van deze tijd, hoe hij leeft. Het is niet meer van deze tijd om tussen 17.56 en 18.34 uur Tom te zijn en een cocktail te drinken; zijn hoed is niet meer van deze tijd, zijn schoenen evenmin. Hij heeft drie dochters, de middelste belt hem geregeld op en zegt dan: ‘Even kijken hoe het met mijn favoriete bejaarde gaat.’ Ook dat laat hij zich aanleunen, terwijl hij helemaal niet bejaard is, hij heeft nog niet eens de pensioengerechtigde leeftijd bereikt. Hij is uit de tijd gevallen, maar dat was al zo bij zijn geboorte. Toen zijn oudste dochter trouwde moest hij vreselijk huilen, wat niets voor hem is, hij is geen man die te koop loopt met zijn emoties, hij is überhaupt geen man van grote emoties, althans dat heeft hij lang gedacht. Maar hij kon het niet helpen, hij liep over het grasveld van een hotel tussen allemaal mensen die hij amper kende, met zijn oudste dochter aan zijn hand, en de tranen stroomden over zijn wangen.”
Kleine vlinders, wit en blauw. Heel het veld voor mij en jou. Geef me éénmaal nog je hand, Eéns voor ’t laatst. – De dood komt gauw.
As zal wezen, lauw en grauw, Wat ons ’t leven bood en biedt. Morgen is de vlinder dood, Die daar van zijn bloem geniet.
Geef me éénmaal nog je hand. Laat me zijn je liefst’ en vrouw, Eéns nog tot aan ’t morgenrood! Of ik ontrouw ben of trouw – Hoe dan ook – de dood komt gauw.
Vertaald door S. Fischer-Kunst
Edna St. Vincent Millay (22 februari 1892 – 19 oktober 1950)
middenin de grote vlakte van je vreugde kwam ik je tegen. ik woon hier, zei je. ik keek naar de bloemen. ja, dat zie ik, zei ik, en waar leerde je de kunst om niet lang te duren? ook hier, zei je.
je was lenig; en je woorden waren zo doorschijnend, ik kon je er helemaal door zien. en daar lag ik al in het gras en wat hield ik in mijn hand? een oortje, waarin ik het lange woord ‘lieveling’ uitgoot, zonder morsen.
3.
dag na dag trok ik liefde aan als een steeds wisselende jurk. en hij lag laag bij de gronds op het strand, niet verhevener dan zijn meest aardse verlangen (dat torenhoog opstak boven hem uit.)
en nadien, o emma, o, dan stak hij een sigaret op, net als in franse films. en het was alsof hij zeggen wou ‘dat hebben we weer goed gedaan’ wanneer hij me in de borsten kneep met een knipoogje van zijn handen.
4.
wat heb je vandaag gekocht, vroeg ik. een halsuitsnijding, zei je. trek ze eens aan, vroeg ik, en je trok alles uit: dat is ze helemaal, zei je, maar met de jurk erbij komt ze tot hier-
en toen wees je midden op mijn handen.
Herman de Coninck (21 februari 1944 – 22 mei 1997)
Haar maal gedaan met de Dagschotel Speciaal En nu aan de koffie toe, zat ze Te roeren in haar kop, Een wat vormeloos soort vrouw, Qua leeftijd moeilijk te schatten, Met een heel gewoon hoedje op.
Toen ze opkeek zag je meteen aan haar Dat onze furieuze planeet, Onze mondiale afgrond Van zonde en zwaar materieel En stervenden bij de vleet Voor haar gewoon niet bestond.
Welke hemel het was van de zeven Die zo’n glimlach bracht op haar gezicht, Zag je niet, maar je werd je bewust Dat een god, welke god ook, voor wie het Goed knielen ís, haar had bezocht, In háár tempel had uitgerust.
Vertaald door Peter Verstegen
W. H. Auden (21 februari 1907 – 29 september 1973) Portret door Jeffrey Morgan, z.j.
Uit: Intermezzo (Vertaald door Gerda Baardman en Jan de Nijs)
“Het leek niet eerlijk tegenover die jongen. Dat pak op de begrafenis. En dan die beugel, het toppunt van puberale ongemakkelijkheid. Bij zo’n gelegenheid zou je je haast gaan schamen voor je eigen sociale begaafdheid. Maar nu heeft hij tenminste een excuus of althans iemand om smekend aan te kijken tussen het obligate handjes geven door. De stakker. Bijna drieëntwintig nu: Ivan de Verschrikkelijke. Dat pak, niet te geloven. Waarschijnlijk in een muf ruikend tweedehandswinkeltje voor het plaatselijke hospice op de kop getikt, contant betaald, gekreukt en wel in een herbruikbare plastic zak gepropt en er zo mee naar huis gefietst. Ja, dat kon kloppen, zo paste het wel bij elkaar, dat pak, schitterend van lelijkheid, en de persoonlijkheid van zijn tien jaar jongere broertje. Toch had hij wel iets van stijl, op zijn manier. Een zeker lef in zijn totale gebrek aan belangstelling voor het materiële. Brains and beauty, had een tante eens gezegd. Over hen allebei. Of was Ivan de ‘brains’ en Peter de ‘beauty’? Nou, bedankt, hè. Hij steekt Watling Street over naar het appartement dat geen appartement is, het huis dat geen huis is; elf, of is het alweer twaalf dagen na de begrafenis terug in de stad. Weer aan het werk of wat daarvoor moet doorgaan. Of in elk geval weer naar Naomi’s huis. Wat zou ze aanhebben als ze zo meteen opendoet? Op de stoep haalt hij zijn telefoon uit zijn zak, het koele scherm licht onder zijn vingers op terwijl hij tikt. Buiten. Het wordt al donker. De colleges zijn waarschijnlijk weer begonnen. Ze reageert niet, maar heeft het bericht wel gezien. Dan de voorspelbare opeenvolging van vertrouwde, inmiddels indirect opwindende geluiden: haar voeten op de trap van het souterrain naar de gang. Klassieke conditionering: waarom heeft hij er zo lang over gedaan om dat te bedenken? Gewoon gezond verstand. Niet eens. Dagelijkse ervaring. De relatie tussen herinnering en gevoel. De deur die opengaat. Hallo Peter, zegt ze. Korte top van kasjmier, dun gouden kettinkje. Zwarte trainingsbroek, strak om de enkels. Geen elastiek, dat haat ze. Blote voeten. Mag ik binnenkomen? vraagt hij. De trap af, naar haar kamer, zonder de anderen te zien. Kleine ledlampjes gloeien als doffe speldenprikken tegen de muur. Schoenen uit, bij de deur neerzetten. Laptop open op het kale matras. Geur van parfum, zweet en wiet. De lucht van al onze obsessies. Gordijnen dicht, zoals altijd.”
“Look,” says the mother of The Man Who Is Walking Around the Moons of Jupiter, “he’s going so fast.” She snickers to herself and scuttles around the journalist to a table littered with wiring tools and fragmented mechanisms. She loops a long, tangled cord over her son’s intravenous tube and plugs one end into his headset, jostling him momentarily as she works it into the socket. His stride on the treadmill never falters. She runs the cord back to a modified four-track recorder sitting in the dust of the garage floor, then picks up the recorder’s microphone and switches it on. “Good morning, Mission Commander,” she says. “Yes,” grunts The Man Who, his slack jaw moving beneath the massive headset. It startles the journalist to hear the voice of The Man Who boom out into the tiny garage. “Interview time, Eddie.” “Who?” “Mr. Kaffey. Systems Magazine , remember?” “Okay,” says Eddie, The Man Who. His weakened, pallid body trudges forward. He is clothed only in jockey undershorts and orthopedic sandals, and the journalist can see his heart beat beneath the skin of his chest. The Mother Of smiles artificially and hands the journalist the microphone. “I’ll leave you boys alone: she says. “If you need anything, just yodel.” She steps past the journalist, over the cord, and out into the sunlight, pulling the door shut behind her. The journalist turns to the man on the treadmill. “Uh, Eddie?” “Yeah.” “Uh, I’m Ron Kaffey. Is this okay? Can you talk?” “Mr. Kaffey, I’ve got nothing but time.” The Man Who smacks his lips and tightens his grip on the railing before him. The tread rolls away steadily beneath his feet, taking him nowhere. The journalist covers the mike with the palm of his hand and clears his throat, then begins again.”
In deze hoogspanningsnacht, in deze van begin tot eind doordachte, grotedroomfabriek bespioneert de maan, het zandkoekje, de door slierten wolken doorsneden hemel en de handen, waar dienen deze handen voor? vandaag werden 1000 Senegalezen als boodschapperstoffen van Europa teruggestuurd het weerbericht, volgens AOL, wordt geladen en jij, jij hoort het samengroeien van de fontanellen van alle baby’s van deze stad, jij pathos-ezel
Laat de mens flexibel zijn, en moge hij rekbare kinderen meebrengen, tussen functieloosheid en een werkweek van 200 uur zet men de kluis op scherp, er zijn dingen die kan men niet kopen, aan de muur de kaart van Europa een verpletterd insect
in dit van boven tot onder gepureerd recreatiegebied, zijn de dansvloeren van Duitsland een halfbakken licht tussen ideaal en materieel begint het grote haar uittrekken als een aanvullend deel bij de volgende jeugdstudie
wanneer je met opa’s bramengezicht praat als een object, de kleinzoon die vrijwillig het vuilnis buiten zet papierversnipperaar als zijn gewenste beroep noemt de aan de keukentafel besproken dag gaat voorbij als een mislukt landschap
weet je niet meer dan voorheen, meer dan genoeg staan de haren in je nek rechtop tegen alles wat stil, spraakzaam is, alles wat al geweest is zwemt binnen na drie weken in het middelgebergte op de fiets een everzwijnkarkas in het zwembad, dat verder niets dan blauw is