Romenu is een blog over gedichten, literatuur en kunst Maar Romenu is ook een professionele freelance vertaler Du-Ne en Ne-Du http://www.roumen-vertalingen.nl/
Georg Trakl werd op 3 februari 1887 in het conducteurshuis aan de Waagplatz 2 in Salzburg geboren. Zijn vader, Tobias Trakl, was een handelaar in ijzerwaren en zijn moeder, die ook psychische problemen had, was Maria Catharina Trakl, (meisjesnaam Halik). Voorts had hij nog drie broers en drie zussen. Margarethe (doorgaans Grethe genoemd) stond hem het naast, zelfs zodanig dat sommigen een incestueuze verhouding vermoeden. Zijn jeugd bracht hij door in Salzburg. Vervolgens bezocht hij van 1897 tot 1905 het humanistische gymnasium. Om toch een academische opleiding te kunnen volgen, werkte hij tot 1908 in de praktijk bij een apotheker. Sommigen vermoedden dat hij dit vooral deed om zichzelf opiaten te kunnen verschaffen. Bij het uitbreken van WO I werd Trakl als medicus naar het front in Galicië (heden ten dage in Oekraïne en Polen) gestuurd. Zijn gemoedsschommelingen leidden tot geregelde uitbraken van depressie, die verergerd werden door de afschuw die hij voelde voor de verzorging van de ernstig verwonde soldaten. De spanning en druk dreven hem ertoe een suïcidepoging te ondernemen, welke zijn kameraden nochtans verhinderden. Hij werd in een militair ziekenhuis opgenomen in Kraków, alwaar hij onder strikt toezicht geplaatst werd.Trakl verzonk daar in nog zwaardere depressies en schreef Ficker om advies. Ficker overtuigde hem ervan dat hij contact moest opnemen met Wittgenstein, die inderdaad op weg ging na Trakls bericht te hebben ontvangen. Op 4 november 1914, drie dagen voordat Wittgenstein aan zou komen, overleed hij echter aan een overdosis cocaïne
Paul Celan
Paul Celan werd onder de naam Paul Antschel op 23 november 1920 geboren in Czernowitz, toentertijd de hoofdstad van de Roemeense Boekovina, nu behorend bij de Oekraïne. Paul Celans ouders waren Duitssprekende joden die hun zoon joods opvoedden en hem naar Duitse christelijke scholen stuurden. In 1942 werden Celans ouders door de Duitse bezetter naar een werkkamp gedeporteerd en daar vermoord. Hijzelf wist aanvankelijk onder te duiken, maar moest vanaf juli 1942 in een werkkamp dwangarbeid verrichten. Celan overleefde de oorlog. Via Boekarest en Wenen vestigde Celan zich in 1948 in Parijs. Daar was hij werkzaam als dichter, vertaler en doceerde hij aan de prestigieuze Ecole Normale Supérieure. Vermoedelijk op 20 april 1970 beëindigde hij zijn leven zelf door in de Seine te springen.
Gerard Reve
Gerard Reve over: Medearbeiders ”God is in de mensen, de dieren, de planten en alle dingen - in de schepping, die verlost moet worden of waaruit God verlost moet worden, door onze arbeid, aangezien wij medearbeiders van God zijn.” Openbaring ”Tja, waar berust elk godsbegrip op, elke vorm van religie? Op een openbaring, dat wil zeggen op een psychische ervaring van zulk een dwingende en onverbiddelijke kracht, dat de betrokkene het gevoel heeft, niet dat hij een gedachte of een visioen heeft, maar dat een gedachte gedachte of visioen hem bezit en overweldigt.”
Simon Vestdijk
Simon Vestdijk (Harlingen, 17 oktober 1898 – Utrecht, 23 maart 1971) was een Nederlands romancier, dichter, essayist en vertaler. Zijn jeugd te Harlingen en Leeuwarden beschreef hij later in de Anton Wachter-cyclus. Van jongs af aan logeerde hij regelmatig bij zijn grootouders in Amsterdam, waar hij zich in 1917 aan de Universiteit van Amsterdam inschrijft als student in de medicijnen. Tijdens zijn studie die van 1917 tot 1927 duurde, leerde hij Jan Slauerhoff kennen.Tot 1932 is hij als arts in praktijken door heel Nederland werkzaam. In 1932 volgt zijn officiële schrijversdebuut met de uitgave van de bundel Verzen in De Vrije Bladen. Doorslaggevend voor Vestdijks uiteindelijke keuze voor de literatuur is zijn ontmoeting in 1932 met Eddy Du Perron en Menno ter Braak. Deze ontmoeting had tot resultaat dat hij redactielid werd van het tijdschrift Forum Kort daarop, in 1933, wordt zijn eerste novelle, De oubliette, uitgegeven. In hetzelfde jaar schrijft hij Kind tussen vier vrouwen, dat, eerst geweigerd door de uitgever, later de basis zal vormen voor de eerste drie delen van de Anton Wachter-romans. In 1951 ontvangt Vestdijk de P.C. Hooftprijs voor zijn in 1947 verschenen roman De vuuraanbidders. In 1957 wordt hij voor het eerst door het PEN-centrum voor Nederland voorgedragen voor de Nobelprijs voor de Literatuur, die hij echter nooit zal krijgen. Op 20 maart 1971 wordt hem de Prijs der Nederlandse Letteren toegekend, maar voor hij deze kan ontvangen overlijdt hij op 23 maart te Utrecht op 72-jarige leeftijd. Vestdijk was auteur van ca. 200 boeken. Vanwege deze enorme productie noemde de dichter Adriaan Roland Holst hem 'de man die sneller schrijft dan God kan lezen'. Andere belangrijke boeken van Simon Vestdijk zijn: "Kind van stad en land" (1936), "Meneer Visser's hellevaart" (1936), "Ierse nachten" (1946), "De toekomst de religie" (1947), "Pastorale 1943" (1948), "De koperen tuin" (1950), "Ivoren wachters" (1951), "Essays in duodecimo" (1952) en "Het genadeschot" (1964).
K.P. Kavafis K.P. Kavafis werd als kind van Griekse ouders, afkomstig uit Konstantinopel, geboren in 1863 in Alexandrië (tot vandaag een Griekse enclave) waar hij ook het grootste deel van zijn leven woonde en werkte. Twee jaar na de dood van zijn vader verhuist het gezin in 1872 naar Engeland om na een verblijf van vijf jaar naar Alexandrië terug te keren. Vanwege ongeregeldheden in Egypte vlucht het gezin in 1882 naar Konstantinopel, om na drie jaar opnieuw naar Alexandrië terug te gaan. In de jaren die volgen maakt Kavafis reizen naar Parijs, Londen en in 1901 zijn eerste reis naar Griekenland, in latere jaren gevolgd door nog enkele bezoeken. Op de dag van zijn zeventigste verjaardag, in 1933 sterft Kavafis in Alexandrië. De roem kwam voor Kavafis pas na zijn dood, dus postuum. Deels is dat toe te schrijven aan zijn eigen handelswijze. Hij was uiterst terughoudend met de publicatie van zijn gedichten, liet af en toe een enkel gedicht afdrukken in een literair tijdschrift, gaf in eigen beheer enkele bundels met een stuk of twintig gedichten uit en het merendeel van zijn poëzie schonk hij op losse bladen aan zijn beste vrienden.
Thomas Mann
Thomas Mann, de jongere broer van Heinrich Mann, werd geboren op 6 juni 1875 in Lübeck. Hij was de tweede zoon van de graankoopman Thomas Johann Heinrich Mann welke later één van de senatoren van Lübreck werd. Zijn moeder Julia (geboren da Silva-Bruhns) was Duits-Braziliaans van Portugees Kreoolse afkomst. In 1894 debuteerde Thomas Mann met de novelle "Gefallen". Toen Thomas Mann met 21 jaar eindelijk volwassen was en hem dus geld van zijn vaders erfenis toestond - hij kreeg ongeveer 160 tot 180 goldmark per jaar - besloot hij dat hij genoeg had van al die scholen en instituties en werd onafhankelijk schrijver. Kenmerkend voor zijn stijl zijn de ironie, de fenomenale taalbeheersing en de minutieuze detailschildering. Manns reputatie in Duitsland was sterk wisselend. Met zijn eerste roman, Buddenbrooks (1901), had hij een enorm succes, maar door zijn sceptische houding tegenover Duitsland na de Eerste Wereldoorlog veranderde dit volledig. Stelde hij zich tot aan de jaren twintig apolitiek op (Betrachtungen eines Unpolitischen, 1918), meer en meer raakte hij bij het Politiek gebeuren betrokken. Zijn afkeer van het nationaal socialisme groeide, zijn waarschuwingen werden veelvuldiger en heftiger. In 1944 accepteerde hij het Amerikaanse staatsburgerschap. Tussen 1943 en 1947 schreef Mann Doktor Faustus (zie Faust), de roman van de 'Duitse ziel' in de gecamoufleerd geschilderde omstandigheden van de 20ste eeuw. In 1947 bezocht hij voor het eerst sinds de Oorlog Europa, twee jaar later pas Duitsland. In 1952 vertrok hij naar Zwitserland. Op 12 augustus 1955 stierf hij in Zürich. Twintig jaar na zijn dood, in aug. 1975, is zijn literaire nalatenschap geopend: dagboekaantekeningen van 15 maart 1933 tot 29 juli 1955, alsmede notities uit de jaren 1918 tot en met 1921.Belangrijke werken zijn: Der Zauberberg, Der Tod in Venedig, Dokter Faustus , Joseph und seine Brüder en Die Bekenntnisse des Hochstaplers Felix Krull.
Rainer Maria Rilke
Rilke werd op 4 december 1875 geboren in Praag. Hij had al naam gemaakt als dichter met zijn bundels Das Stundenbuch en Das Buch der Bilder, toen hij de literaire wereld versteld deed staan en wereldfaam verwierf met de publicatie van zijn twee delen Neue Gedichte in 1907 en 1908. Hij verzamelde daarin het beste werk uit een van zijn vruchtbaarste periodes, die hij grotendeels doorbracht in Parijs. Rilke was daar diep onder de indruk gekomen van Rodin, bij wie hij een tijdlang in dienst was als particulier secretaris. Rodin, zei hij later, had hem leren kijken. Dit kijken kwam neer op intense concentratie, om het mysterie te kunnen zien ‘achter de schijnbare werkelijkheid'. Latere en rijpere werken als Duineser Elegien (1912-1923) en het ronduit schitterende Die Sonette an Orfeus (1924) illustreren Rilkes metafysische visie op het onzegbare, dat haar verwoording vindt in een hermetische muzikale taal. Op 29 december 1926 overlijdt Rilke in het sanatorium in Val-Mont aan de gevolgen van leukemie. Enkele dagen later wordt hij, overeenkomstig zijn wens, begraven op het kerkhof van Raron.
Op een zonnige dag in september met een stelletje andere fietsers wachtend op de pont van Maassluis hoorde ik een vrouw met een vachtje van bonterig spul op haar zadel geflankeerd door een brandweersnor op een toon van let even goed op aan een stel dat het ook eens een keer op de tandem wilde proberen, vertellen dat zij wel de baas was in huis, maar dat hij, die daar naast haar, mooi altijd het laatste woord had.
Op Rozenburg, op de veerdam, ging de gewaarschuwde tandem – zij voorop; vier stampende benen – vol op het orgel. Binnen geen tijd kwamen ze los van de grond, stegen op, en waren uit zicht verdwenen.
Bij Warder
Bij gunstige stroming en voldoende zout ontstonden er schelpenbanken.
En nog steeds, op de strandjes bij Warder, tussen Hoorn en Edam, vind je schelpen, kokkels, strandgapers vooral, uit de tijd van de Zuiderzee die pas zijn losgewoeld, opgestuwd, aangespoeld.
Er staat me nog heel wat te wachten.
Den Haag Centraal
Wat laat u mij nu toch weer lijden, Heer! Weet u niet, hoe ik aan het tobben ben en tastend rondga? Waarom moet mijn blik zich dan nog hechten aan een apparaat met knoppen en met gleufjes en de tekst ‘Zoek uw bestemming en druk dan de knop in?’
Of de eerlijke Huronen de stijgende luchtdruk konden compenseren – ik heb hen nooit ontmoet. Ik denk aan gaven die veel verder gaan dan eerlijkheid. Terwijl die toch zou kunnen voldoen als troost, als ontroost, als weerobservatie, een souvenir van een reis en verlichting van het jichtige sterven.
Neem een vrouw. Neem haar niet in de woorden, vriend. In de wetenschap van een gedicht wordt niet bemind. Hooguit staat er berekend wat niet overbleef van een bestaan. Neem een hoofd en zoen het ver, ver weg van de taal. Verschroei een schoot en hoor, de zucht in je werkelijke oor. Ga dan naast haar liggen, al de lege eeuwen van je zinnen worden een zondagmiddag in haar waar.
Dwaling
Dagelijks hebben wij elkaar ontwaard, nooit hebben wij elkaar gevonden.
Nooit hebben wij elkaar geraakt, dagelijks hebben wij elkaar getroffen.
Dagelijks hebben wij elkaar gehoord, nooit heeft iets ons verstaan.
Nooit heeft iets ons verklaard dagelijks hebben wij elkaar gezien.
Nooit hebben wij elkaar ontweken, dagelijks hebben wij de omweg gedaan.
Nooit hebben wij elkaar verzwegen, dagelijks hebben wij elkaar verstomd.
Dagelijks hebben wij om elkaar bewogen, want wij wilden niet verdwalen.
Nooit hebben wij nader bewogen dan toen wij dwaalden om elkaar.
Verlies
Omdat ik me zo vaak verloren heb in dat zingen van de dingen, in de momenten van de mensen,
omdat het me het liefste was zo te verdwijnen, zo het lichtst en dichtst te zijn
bij de oorzaak van het gedicht
omdat ik me zo vaak vergeten ben in de klembeet van middagen immer de gapende schaduwen
omdat het mijn natuur was, mijn onmetelijk gewicht, mijn neiging tot daadwerkelijkheid,
was er niemand.
Bernard Dewulf (30 januari 1960 – 23 december 2021)
Denk eraan, dat de mens de mens een wolf is, dat hij loert op een slachtoffer, denk er altijd aan, ook nu, op dit ogenblik, in april, onder deze betrokken lucht, terwijl het is of je heel zacht het koren kunt horen groeien, terwijl de meisjes het onkruid wieden en de leeuwerik jubelt, denk eraan, ook nu!
Als je van de wijn proeft in de kelders van Randersacker, als je sinaasappels eet in de tuinen van Alicante, als je inslaapt in hotel Miramar, vlakbij het strand van Taormina, als je op allerzielen een kaars offert op het kerkhof van Maastricht, als je vissend je net ophaalt boven de Doggersbank, als je in Detroit een schroef van de lopende band pakt, als je rijstplantjes poot op de sawah’s van Sumatra, als je per muildier over de Andes trekt – denk eraan!
Denk eraan als een hand je streelt, als je vrouw je omhelst, als je kind lacht!
Denk eraan dat als de katastrofe weer achter de rug is iedereen zijn onschuld zal weten te bewijzen! Denk eraan: niet op de kaart liggen Nieuw Guinea en Bikini, maar in je eigen hart. Denk eraan dat je schuld hebt aan al het verschrikkelijke dat ver van je bedreven wordt.
„Der Waldplatz ist nicht einmal Teil der Tour, dieser hinterste und schlechteste aller Fußballplätze, der keine Ban-den und keine Netze hat, in dessen Mitte ein einzelner Baum steht, der gleichzeitig aber auch der beste Platz ist, weil man sich nirgendwo sonst auf dem Schulgelände weiter von allem anderen entfernen kann und weil direkt dahinter, beim Theater Akzent, in Sichtweite der Nuntiatur, der päpstlichen Botschaft, die beste Stelle liegt, um über die Mauer zu klettern. Wenn die Kinder wieder nach Hause kommen und ihre Eindrücke mit den Eltern besprechen, das Marianum mit anderen Schulen vergleichen, Pro-und-Kontra-Listen anfertigen, um eine wohlüberlegte Entscheidung zu treffen, erwähnt kein Einziger von ihnen die Mauer. Auch Till nicht, ein kleiner rothaariger Junge, dem sie sehr wohl aufgefallen ist, der sie angeschaut, sie wahrgenommen hat, im Gegensatz zu vielen anderen Kindern, für die sie nicht mehr war als eine altmodische Theaterkulisse, ein in grauen Pastelltönen zum Horizont führender Übergang. Es wäre aber falsch, Tills abweichenden Eindruck mit einer besonderen Auffassungs- oder Beobachtungsgabe zu begründen, ihm die Hellsichtigkeit zu attestieren, jetzt schon zu erkennen, was den anderen erst mit 14 oder 15 wirklich ins Auge stechen wird, nämlich dass sie, anders als andere Jugendliche aus anderen Schulen, hier eingesperrt sind und dass die Mauer dabei eine sehr pragmatische Rolle spielt. Es liegt auch nicht daran, dass Till sich schon bei der Aufzählung der Fußballplätze, erst recht aber bei ihrer Besichtigung langweilt, keinen Elfmeter schießen will, noch weniger, als er dazu gedrängt wird, Probier es doch einmal! Trau dich!, so wie immer alle zum Fußball gedrängt werden, als gäbe es nichts anderes auf der Welt, bis er sich schließlich doch fügt, weil das Warten der anderen hinter ihm einen Druck erzeugt, den er von Sprungtürmen und Wasserrutschen im Schwimmbad kennt, wo umzudrehen und gedemütigt abzusteigen irgendwann gleich unmöglich ist, wie zu springen. Seine Beine werden beim Anlaufnehmen so lang, dass er Höhenangst bekommt, während das Tor immer weiter schrumpft und die Arme des Tormanns in die Breite wachsen, und er stolpert schließlich über seine eigenen Füße, ohne den Ball zu berühren. Till steht auf und denkt keine Sekunde darüber nach, ob das gerade peinlich war. Es ist Samstag, und als seine Mutter ihn mit einem «So, jetzt müssen wir aber wirklich los!” aus seinem Zimmer geholt und die paar Hundert Meter zu der Schule gebracht hatte, lagen schon drei Stunden Assassin’s Creed hinter ihm, weshalb er sich noch immer in diesem angenehmen, von der realen Welt losgelosten Zustand befindet, den das Eintauchen in andere Welten erzeugt.“
Verrotte paperassen (- intussen zijn de woordsplitsing en de spelling veranderd -) wij verzamelen alles –
telefoonnummers dwaze afspraken, vliegenpoten.
Hier wachten we op de monnik van Heisterbach, op zijn ronde gezicht, dat wij ooit hadden. ‘Ach, de balans!’ Hij komt buiten adem. Zijn wij het? Wij herkennen hem niet meer.
Vertaald door Jan Gielkens
Günter Eich (1 februari 1907 – 20 december 1972)
Onafhankelijk van geboortedata
De Oostenrijkse schrijfster Margit Mössmerwerd geboren in 1982 in Hollabrunn. Mössmer studeerde theater-, film- en mediastudies, evenals Spaanse studies in Wenen. Ze was redacteur en afdelingshoofd bij het onafhankelijke tijdschrift FM5. Vanaf 2007 werkte ze bij quartier21 in het MuseumsQuartier Wenen, waar ze verantwoordelijk was voor communicatie en verspreiding .Ze is getrouwd met de schrijver Tonio Schachinger. Na talrijke literaire en journalistieke publicaties in diverse tijdschriften zoals EIKON, corpus, VICE, schau Kunstmagazin en betonblumen, verscheen in het voorjaar van 2015 Margit Mössmers debuutroman, *Die Sprachlosigkeit der Fische* (De sprakeloosheid van de vis). Fragmenten uit de roman hadden in 2010 al een prijs gewonnen bij de WÖRTER.See literaire wedstrijd van de Oostenrijkse radiozender Ö1 en werden uitgezonden op Ö1. De losjes met elkaar verbonden episodes draaien om de protagonist Gerda, die zich door tijd en ruimte beweegt. Zo werkt ze in de ene episode als au pair in Londen, terwijl ze in een andere episode haar pensioen doorbrengt in Ecuador. Ze wordt ook afgebeeld als burgemeester van een Siciliaanse stad en als de geliefde van een stierenvechter in Madrid. Irmi Wutscher omschreef de roman in een segment op de Oostenrijkse radiozender FM4 als “magisch realisme gemaakt in Oostenrijk”. In de zomer van 2015 verscheen de tweede editie van de roman, die een extra verhaal bevatte. Het boek is nu verkrijgbaar in een derde, uitgebreide editie. Margit Mössmer werd, samen met vier andere Duitstalige auteurs, genomineerd voor de Franz Tumler Literatuurprijs, die in september werd uitgereikt. In 2020 was Margit Mössmer fellow aan het Bundesländeratelier voor Schrijvers in Paliano bij Rome en fellow aan het Praagse Literatuurhuis.
Uit: Das Geheimnis meines Erfolgs
“Dag dag dag, tschewi tschewi dag! Mit dein Ruf der Am-sel musste ich einsehen, dass ich kein Bandit war. Ich er-hob mich von meinem Sessel, riss Henry Fonda von der Wand, schlüpfte aus der Hose, nahm endlich den Hut ab, zog die falschen Stiefel aus und kickte sie mit dem Fuß unter den Schreibtisch, wo der falsche Revolver lag. Ich spürte die Butterkeksbrösel unter meinen nackten Sohlen. Sie erinnerten mich daran, wie lange die Nacht gedauert, wie sehr sie aus Stunden, Minuten und Sekunden bestanden hatte. Butterkeksbrösel, wenn man nahe genug he-rangeht, sehen aus wie Himmelskörper. Sie können von Raum und Zeit berichten. Sie sind Zeugen von Vergangenheit und Gegenwart. Leben und Tod. Ich ging quer durchs Zimmer über die roten Spuren auf dem Boden. Sie sahen aus wie kleine Flugzeuge. Vor dem Fenster blieb ich stehen, zog das Hemd aus, machte einen großen Schritt auf den Stapel IKEA-Kataloge, lehnte mich mit dem Oberkörper hinaus und blickte zur Amsel in die Wiese hinunter, senkrecht. Es ist nicht weiter bemerkenswert, dass mein Fenster offen stand, auch wenn draußen der Schnee lag. Mir war heiß, heiß wie an jedem Tag. Die Amsel wendete ihren Kopf und sah zu mir nach oben. Sie beobachtete mich dabei, wie ich mich auf das Fensterbrett setzte, wie ein nackter Reiter auf sein Pferd. Wie ich schließlich auch mein linkes Bein über den Rücken des Pferdes schwang, sodass beide Beine in der Luft hingen. Die Amsel war eine gewöhnliche Amsel und hatte daher auf die angenehmste Weise nichts dazu zu sagen. Sie wippte dreimal mit ihrem Schwanz auf und ab und flog in den blätterlosen Holunderbusch. Ich blickte an meinen Zehen vorbei in die Tiefe. Der Schnee dort unten war Februarschnee, wässrig und von der frühen Morgensonne beschienen. Ich rutschte mit meinem Hintern einen Zentimeter nach vorn. Meine Fingerkuppen waren noch dagegen und hefteten sich ans Mauerwerk. Unten in der Küche war Nina schon mit dem Herrichten des Frühstücks beschäftigt. »Nina!«, rief ich. »Nina!« »Was?« »Kannst du mir helfen?« »Ich habe zu tun!« »Nina!« Sie ging endlich die Treppe hinauf. Unsere Treppe bestand aus zwölf knarzenden Holzstufen, also konnte ich ihren Weg nach oben mitzählen. Eins, zwei, drei, vier, bei fünf zitterten meine Arme vor Anstrengung, mein halber Kör-per hing schon in der Luft.”
De dag kan komen en ik wens hem niet waarop het hart, gevuld met spechten lol op de pof, gedane liefjes of de scherven van een slordig onbeheerd verdriet kortom waarop elk rammelhart plots kalm wordt als een koffer.
Een vers is maar een regel lang één letter diep en elk gedicht, elk boek herbergt een piepklein afgelijnd gevang dat je voor even laat ontsnappen. Op ons papier woedt oorlog veilig rijmt massagraf op poëzie.
Maar de dag kwam, en hij kan weer komen waarop uw woorden eetbaar worden kaal en schaars, levend onder aarde. Inkt weegt er zwaarder. Papier ontvouwt. Je werd toen vermoord om een drukpers in de kamer. Rauwe mens, van zijn beeldspraak ontdaan.
Iemand schrijft ‘De mensen stierven staande’. Je denkt bij wijze van. Leest het opnieuw beseft: ze vielen pas neer bij het uitladen. Als deze dag nadert, niet zo exact, maar gewoon als letterlijkheid aan uw hart komt knagen wees dan ongenood – en treed binnen.
Hang eerst uw doodsangst in de gang. Leg familie, vrienden op de bestemde plank. Veeg voeten, handen, eigenschappen. Trek uw beroep uit. Laat alles gaan. Staat u mij toe de laatste metaforen en versiersels van u af te slaan.
Ik moet u, als in vroeger dagen vragen het ras voorzichtig los te pellen. Afkomst verwijderen, kleur ontkennen. Wandel nu rond, bleek-doorschijnend door de bezige kamers van het huis waar we eetbaar zijn. En o ja: zeg jij tegen mij.
We zijn nu bijna zonder opsmuk. Ontkleed je. Ga tot op de huid. Kijken we samen naar je buik. Je rug. Tien vingers, één navel. Het vet in je zij. Alle botten, wervels en kiezen verzameld. Alle trilharen, smetten, rafels: dat ben jij.
En in deze schaamte zijn wij vrij. Ik denk vandaag aan onze naaktheid in de hoop dat niemand ooit het grote gelijk in je ontdekt onze longen bezet, opvult met honger of zijn geloof in je plant als een schep.
Als het komt – zet je schrap tegen mij. Alleen hier, in weerloosheid zijn wij vrij.
DE ONDERMENS EN ZIJN HABITAT
welkom in het land van melk en honing hier groeien vijgamandelabrikozen zonder beeldspraak aan gewillige bomen eet ervan word mijn gast vandaag ik betaal je taxi naar de eerste blokkade
mijn vader staat achter de tweede blokkade wees van de nacht ook zijn eregast met olie brood oregano sesam bij hem liggen sterren stil op plat dak slaap bij hem breng groeten van nadir
de dag naar mijn vader is minder maar moet probeer een jochie met handkar te vinden neem ezels of klim te voet langs de rotsen volg anderen en spreek met jezelf af nu zijn we dieren dit mag
daar stuiteren rolstoelen door het stof terug van de stad waar men zieken geneest met kanker suiker in volle zon veel bejaarden veel zieken veel zwetende dieren maar zo is dat ook bedoeld geweest
overdag zijn wij zwetende klimdieren omdat het zo bedoeld is geweest ze slaan en schoppen de dieren met reden ooit zullen wij melk en honing geven ontstaat uit mensenhand mannaregen
indien je dit krankzinnig vindt habibi bedenk dan kilometers verderop zitten echte meisjes en jongens angstvallig als daad van verzet op terrassen van starbuck luidkeels te vrezen voor het leven
Een leeg Grieks restaurant. Er lopen mensen langs, Duitsers, Schwaben en wat niet al, er wordt geen muziek gespeeld. Het restaurant heet MYTHOS.
Een Griek brengt het eten. Fijngesneden reepjes vlees, knapperig varkensvlees, salade en rode rijst. Ik kijk uit het raam, eet, werp een blik op mijn bord en
zie plotseling: Griekse letters. Gyros. Poleites. Mesogaios. Helos. Op elk reepje vlees staat een naam. Natuurlijk, dat zijn de mannen van Odysseus,
die Circe in varkens had veranderd. Nu is hun vel uiteindelijk ook bij mij aangekomen. De Griek komt, glimlacht, geeft de orchidee water uit een kan, PHALAENOPSIS. MYTHOS.
Uit: Beneden in het dal (Vertaald door Yond Boeke en Patty Krone)
“Dat had het teefje nog nooit een hond zien doen. Ze voelde een nieuw soort opwinding toen ze zag dat de grijze zijn kaken op elkaar geklemd hield en de keel van de spartelende herder niet losliet. Net zolang totdat ook zijn maten, die rusteloos om hen heen draaiden, zagen dat het lichaam van hun leider verslapte, dat er bloed uit zijn nek gutste en dat de grond ervan doordrenkt raakte. Nu leek ook hij op een oude autoband, en even later waren de twee in de velden verdwenen. Op de provinciale weg reed een tankwagen voorbij; op het dak lag een vingerdikke laag rijp die door een windvlaag werd weggeblazen. November. Het teefje sprong van de autostoel af en kwispelde naar de reu, die op haar toeliep. Zijn razernij van even tevoren was al geluwd, hij besnuffelde haar goedmoedig, liet zich besnuffelen. De geur die ze rook was die van bos, aarde, bladeren, van het bloed van de hond die hij zojuist had gedood. Ze kreeg zin om hem te likken, en likte hem. Daarna nam hij haar en zo kwam er voorgoed een einde aan haar jeugd. Ze volgden de rivier die dag stroomopwaarts, uitgelaten hollend omdat ze elkaar hadden ontmoet, over de grindbanken, de eilandjes en de verlaten stukken grond in de benedenloop van het dal. Op de bergkammen in de verte was maagdelijke sneeuw te zien, maar langs de rivier stonden cement- en meubelfabrieken, groothandels in landbouwmaterialen en bouwmarkten. Ze zagen ratten in de afvoerkanalen en kraaien op de stortplaatsen, roken de geur van over de velden uitgestrooide mest, en toen ze op mensen stuitten, in een bestelbusje op de oever, begreep zij, die niet bang was voor mensen, dat hij die juist uit de weg ging, want ze waadden de rivier door om hun weg aan de andere kant te vervolgen. Ze liepen langs een omheining en niet veel later eindigde hun tocht bij een engte waar de rivier was versperd en waar pijpleidingen begonnen. Ze konden het wegverkeer daarvandaan horen, ergens aan de andere kant van de hoge oever. Het begon te schemeren, maar hij wilde pas tevoorschijn komen als het helemaal donker was. Terwijl ze wachtten kreeg ze honger, ze had al urenlang niets gegeten en maakte het hem duidelijk zoals puppy’s dat doen, door hem te likken en zachtjes in zijn snuit te bijten, alsof hij haar vader was en haar van eten moest voorzien. Hij kon die kwelling ergens wel waarderen.’
Op mijn bureau liggen de rekeningen van de levenden en in mijn slaap liggen de rekeningen van de doden.
“Leegte is de moeder der uitvindingen,” zegt mijn gelukskoekje. 23 juli 2010. Brooklyn. Ik loop in de zachte regen, nog nooit zo voldaan, nog nooit zo gelukkig.
Waarom zou ik twijfelen aan de zin van de wereld als ik zelfs in mezelf mysterieuze doelen zie?
Een kraai daalt even neer, zwart, in rabbijnse kleding, en krast Kaddisj.
Uit: Der Mann hinter dem Nebel (Vertaald door Peter Groth)
„Prolog Ich hatte nicht gedacht, dass ich jemals so eine Angewohnheit entwickeln würde, doch vor ein paar Jahren, als das Apartment, in dem wir wohnten, von Grund auf renoviert wurde und wir mehr als einen Monat in einem anderen wohnen mussten, bemerkte ich, dass in der ganzen muffig riechenden Wohnung voller Kakerlaken die Badewanne der einzige Ort war, an dem ich mich halbwegs gut fiihl-te, und zwar deshalb, weil sie — aus einem dieser seltsamen Zufälle, die einen nachdenk-lich machten —, identisch mit jener war, die wir hatten, also in der alten Wohnung hatten, die nun renoviert wurde. Ohne mir groß be-wusst zu machen, was ich tat, verbrachte ich immer mehr Zeit in der Wanne. Wie in einem gusseisernen Sarkophag streckte ich mich darin aus, legte mir ein Handtuch unter den Kopf und begann zu lesen, ohne Wasser einlaufen zu lassen. Das Deckenlicht machte ich nie an; manchmal musste ich nicht einmal die Kerze anzünden, die ich mitbrachte, denn es genügte, das Fenster zu öffnen, sodass sich der Goldschimmer des Mondes über die Buchseiten ausbreitete, ein sanfter und schmaler Strahl, wie eine Laterne, die nur das beleuchtete, was beleuchtet werden musste, und die übrigen Dinge im Schatten ließ. So verbrachte ich während jener anderthalb Mo-nate fast jede Nacht, wie ein nachtaktives Tier, das seine Beute in den Büchern suchte und am Tage ruhte, um neue Kraft zu schöp-fen. Als wir dann in die alte, doch auf gewisse Weise auch neue Wohnung zurückkehrten, verzichtete ich zunächst auf diese Angewohn-heit, da ich nun keinen Grund mehr dazu hat-te, doch nach einer Weile, und ich weiß nicht warum, verspürte ich das Bedürfnis, wieder damit anzufangen. So kam es, dass ich in einer jener späten Nächte, als der Rest des Hauses schlief und ich diesmal im heißen Wasser in der Wanne lag und beim flackernden Kerzenlicht ein Buch las, in eine Art Traum sank. Ich hafte den Eindruck, nicht mehr in jenem Buch zu lesen, einem Roman, den ich bereits vor einer Weile angefangen hatte und nicht zu Ende be-kam, sondern mein eigenes Buch, ein Buch, das ich nicht einmal zu schreiben begonnen hatte.“
Toen ik ging vroeg ik ze om mee te komen Ik hield de deur open en mijn ogen neergeslagen zodat ze eruit konden, vrij werden In het nieuwe huis woonde zij bij het woonkamerraam Hij in de werkkamer bij de deur Ze zagen hoe ik worstelde En hun armen lagen om mijn schouders zonder gewicht of gevolg Mijn gedachten mijn hart en toen ik weggeroepen werd pakte ik alles, verscheepte, verzond nam afscheid en werd minder op deze plek en ik vergat ze te vragen mee te gaan naar mijn oude leven dat ze uit den treure kenden en volgens mij woonden ze nog steeds in het huis dat ik verliet Tegen een vriendin zeg ik: ben mijn geesten vergeten en zij weet te zeggen : die komen na
Vertaald door Elbert Besaris
Nora Gomringer (Neunkirchen an der Saar, 26 januari 1980)
“Lieve Jilles, Toen mijn moeder, Marie, jong was, legde je om de zoveel tijd scheepskaarten op de woonkamertafel om de veranderde vaargeulen van de rivieren bij te tekenen. Je legde de kaarten op een houten bord en ging te werk met een passer, een speciale liniaal en een potlood. Eb, vloed, de diepte van de rivier, stroming, de plaatsing van betonningen; de elementen veranderden constant, jij hield het precies bij. Je was loods, jij zorgde dat schepen goed van haven naar haven kwamen. Je had totale controle over wat er voor je lag. Jij wist de weg, als enige. De tientallen scheepskaarten lagen opgerold in je werkkamer, netjes opgeborgen. Zo kende ik je ook als kind: strikt en opgeruimd. Je verzamelde postzegels, munten en telefoonkaarten, je hield van mathematische spelletjes, sport, klaverjassen en schaken. Je was streng maar rechtvaardig. ‘Je moet zorgen dat je alles altijd op dezelfde plek neerlegt. Je moet blindelings alles kunnen vinden,’ zei je ooit tegen je dochter Anna, mijn tante. ‘Dat had hij van zijn marinetijd,’ vertelt ze me, ‘je moet weten waar alles ligt in je hut.’ Ik sta altijd wantrouwig tegenover totaal geordende ruimtes, opa, daar klopt iets niet, ik krijg er jeuk van. Wie al zijn bezittingen steriel en overzichtelijk neerlegt, heeft meestal ergens een kast of een kist of een doos waar allerlei onverwachte dingen uit kunnen donderen. Wie het oppervlak beheerst, verbergt het meest: stille wateren hebben diepe gronden. Opa, je lag al jaren in de totaal ongeordende la (sorry) van mijn kleine schrijfbureau te wachten. Je zat in een houten bakje vol zwart-wit, kleur en sepia kiekjes van onze familie. Altijd als ik door dat bakje ging om in een verhaal te duiken, hield ik twee zwart-witfoto’s van jou vaak wat langer in de lucht: een uit de winter van ’44 en een uit de zomer van ’43. Ik noemde ze ‘de Zweedse hout-hak-foto’s’. In de winter van ’44 sta je met je handen op je rug op een besneeuwd pad.”
Ik ben een kleine wereld, knap gemaakt Van elementen en een engelenhart, Maar eeuwige nacht brengt nu mijn zondezwart Aan mijn twee delen, en hun einde naakt. U, die voorbij de hoogste hemel raakt Aan nieuwe sterren, nieuw land, zeer apart, Giet zeeën in mijn oog, zodat mijn smart Tranen spoelt en berouw mijn wereld kraakt; Of was haar schoon, verdronken was zij al; Maar zij moet branden; neen, reeds woedde het vuur Van afgunst, en bracht haar tot verval En gorigheid; maak hun vlam kort van duur En brand in mij een vurigheid voor Uw beeld En voor Uw huis, Heer, die verterend heelt.
Vertaald door Jan Jonk
John Donne (24 januari 1572 – 31 maart 1631) Portret van John Donne, gedateerd 1591, Engelse School. Frontispice van ‘The Poems of John Donne’, gepubliceerd in 1942 (detail)
De Winter heeft, hoe grijs van kin, Een kleur als melk en bloed! Hij tafelt lang; schenkt naarstig in; En ’t maal bekomt hem goed. Hij plant, hij delft, hij ploegt bij daag, Vermand door sneeuw noch buldervlaag; En trekt wel eens, in jagersdragt, Naar ’t glinstrend bosch, ter avendwacht.
Als ’t ijs den radden vloed houdt staan, Voelt hij zijn kracht gesterkt: Zijn schaatsen gonzen langs de baan, Zijn hielen zijn gevlerkt! Bevracht een aardig kind zijn sleê, Hij zwaait er als een veder meê, En ’t meisje tart, tot sneller vaart, Haar speelnoot achter ’t rinklend paard.
Zijn haardsteê lokt de jeugd bijeen; Zij wemelt om zijn stoel. Hij pleegt terwijl zijne oude leên, En schatert in ’t gejoel. Een sprong in ’t ronde mag hij wel, Doch voegt zich liefst bij zang en spel; Of kort den nacht met gul gejok, En heeft geene ooren voor de klok.
Omsingle ’t West, met slibbe en plas, Zijne ongenaakbre stulp, De Tijd gaat met geen trager pas; Dank zij der Muzen hulp! Gemis wordt in genot verkeerd, Als ’t Oosten op zijn beurt regeert; De vorst het grondloos pad bestraat, En vriendschap weêr uit buren gaat.
Wie dan den Winter lastren meugt, Kraait gij ons, na en voor, Van Lenteblijheid, zomervreugd, En Herfstvermaak aan ’t oor? Den Grijsaard zij, als eerbetoon, Een krans van palm bij ons geboôn; En klank van gouden snaren zweev’ Door ’t feestgeroep: ‘De Winter leev’!’
Meizang.
’t Is Lente! Lente! Het feestgeschal Van ‘Lente! Lente!’ Klinke overal!
Hoe geurt de wasem Der berkenspruit! Hoe zacht is de asem Van ’t vriendlijk zuid!
De bijtjes dragen Weêr honig aan; De tortels klagen; De wachtels slaan.
Op weide en akker – Langs vliet en poel – Is ’t leven wakker – Is blij gejoel.
Was ’t meerder weelde, Dan lentevreugd, Die Adam streelde, In Edens jeugd?
Of breidde de aarde, Toen de Eerste Bruid Haar bruidkrans gaarde, Zich schooner uit?
Anthony Staring (24 januari 1767 – 18 augustus 1840) Portret door Johannes Immerzeel, 1840
De Westindische dichter en schrijver Derek Walcottwerd geboren op 23 januari 1930 op St. Lucia, een van de kleine Bovenwindse Eilanden. Zie ook alle tags voor Derek Walcottop dit blog.
GOD REST YE MERRY, GENTLEMEN
Elke straathoek is Kerstavond in het centrum van Newark. De Wijzen lopen in zwarte overjassen en koesteren een fles spiritus, en hoeren loeren vergeefs uit de donkere kribben van portieken. Een gekke koning breekt een fles ter ere van de bijstand, ‘Ik maak ‘m dood, de klootzak’, en voor zwarte woonblokken zonder werk is de lucht vol kristallen splinters.
Een bus breekt uit de zinsbegoocheling van water, een nijlpaard onder natte straatlantaarns, en knarst verder in rook; elke schaduw lijkt te wankelen onder het bijtend zuur van neon – haperend als pis, sommige l tt rs uit- gevallen, gedoofd – op twee witte verpleegsters na, hun roeping nog witter gemaakt door het donker. Over twee dagen zijn er verkiezingen.
Johannesburg is vol sterverlichte kroegen. Het is anti-Amerikaans zulke vergelijkingen te trekken. Denk aan Newark als aan Kerstavond, als alle mensen je broeders zijn, zelfs deze; geef ons vrede in pakketjes, laten er geen gebroken flessen meer zijn in de hemel boven Newark, laat het niet glanzen als spuug op een drempel, denk aan de denneboom- piek met de gouden ster erboven op de fluoriserende bumper-sticker van een passerende auto.
Dochter van je eigen Zoon, Moeder en Maagd, groot is de sprankeling van het wolkenkrabber-firmament in zure plassen, de gouden ster in etalages, en de gele ster op de door mot aangevreten mouw van de avond als de zwarte jas die Hij droeg door mesdunne ellebogen uit het ghetto de veewagen in van Warschau; nergens is Zijn komst meer immanent dan in het centrum van Newark, waar drie lichten de sterverlichte wieg en de evergreen kerstliederen geloven voor het musse-kind: een jochie met zwarte flapperende jas gevolgd door een witte ster terwijl er een politie-auto patrouilleert.
nog denk ik terug aan mijn huis, het kleine, een zomeravond en een zandbak, stekelbaarsjes in een weckfles, buurmans radijzen
en aan de doden die hier woonden, met hun zachte lippen en hun ogen vol onmacht: een jongen die de sloot inliep, een vrouw die viel het bloed vloeide zomaar door mijn kamer
het verleden dat over de drempel strompelde, zwaar bewapende soldaten, een veldheer die het oosten veroverde, bommen op een stad. of eerder nog: zonnestelsels die ontstonden (een vage herinnering), sterren die hun eerste licht smeten het vuur smeult nog na in mijn open haard
mijn huis: zou het nooit groter geweest zijn dan mijn hoofd en niet dikker dan het vlies van mijn huid?
hoe ik loop over smalle planken met het huis in mijn doorzichtige hand
De gave
ik liep nog één keer door de stad om alles weg te geven mijn benen liet ik aan een bedelaar die zijn hand ophield in een schemerig park mijn vingers gunde ik aan een vogel die er zijn jongen mee voerde mijn kleumend hart schonk ik aan jou een vreemde, bloederige gave! toen was ik niets meer dan een lang verlaten, een ongenaakbaarheid, maar ik werd ook het onstilbaar verlangen van de late bedelaar, het vogeljong dat reikhalzend uitvloog en jouw meisjesogen die dorstig dongen naar de broze blijdschap van een nieuwe dag
Mijn slotscène, bepaalt God; pelgrim ik Loopt hier zijn laatste mijl; bijna volbracht Is dit mijn laatste stap in de ijdele jacht; Nog even leef ik; nu de laatste tik, En gulzige dood ontleedt onmiddellijk Lichaam en ziel, en ik rust even zacht, Mijn wakend deel ziet zich nu al gebracht Voor het gezicht, dat mij verlamt van schrik; Mijn ziel vliegt tijdelijk ten hemelpoort, Mijn aardgebonden lijk zoekt aarden cel; Dus val, zonden, terug waar je behoort, Daar waar je mij wou hebben, broedplaats hel. Rechtvaardig mij, gezuiverd van het kwaad, Nu ik wereld, vlees en duivel achterlaat.
Vertaald door Jan Jonk
John Donne (24 januari 1572 – 31 maart 1631) Cover
Mijn grootmoeder heeft veertien wekkers Dat zijn er elf te veel, beweert haar strenge zoon Zonder kersenbonbons is hij binnengevallen Met een zak vol maskers en wijwatervaten verlaat hij zijn moeder Morgen zal hij de wijwatervaten verkopen aan een poëtische neushoornjager.
De neushoornjager is niet echt poëtisch Hij schrijft gedichten, dat wel Zijn het goede gedichten? Ik weet het niet, ik durf mij niet uit te spreken Over de kwaliteit van zijn groteske sonnetten.
Want toen ik ze las was ik gedrogeerd Het spijt me, en ik doe dat nu niet meer Maar mijn oom, mijn oom nee hij is niet braaf Hij is vadsig, hebberig en rancuneus Mijn grootmoeder vraagt me of ik hem wil vergiftigen.
In haar tuin staan kruiden Die zonder sporen dodelijk zijn Toch zal ik mijn oom laten leven Ik ben nog veel te jong om een familielid te liquideren En als ik het een keer doe vrees ik dat ik de smaak te pakken krijg.
Ik verlaat mijn grootmoeder met een borstzak vol teennagels
De zijne, de mijne, de hare In de duinen spot ik de neushoornjager zonder kleren Zijn penis is ondanks de rusttoestand groter dan een volwassen mol Ziet hij mij naderen dan wordt de mol een alerte meerkat.
De neushoornjager vraagt hoe het met mijn rolschaatscarrière gaat Ik antwoord: ‘Heel goed. In Bulgarije telt mijn fanclub meer dan honderd leden.’ Na deze onschuldige leugen valt zijn meerkat evenwel in duigen.
Ik imiteer mijn varaan, ik echo zijn naam
Vorige maand heb ik een varaan gekregen van een achterlijke bakker Die twee dagen na de overhandiging van de magische hagedis is gestikt In een hoefijzervormige magneet waaraan een lege goederenwagon kleefde Het terrarium heb ik zelf moeten kopen De terrariumverkoper zei: ‘Succes met je varaan. Heeft hij al een naam?’
Ik heb de winkel verlaten zonder te antwoorden Omdat ik mij schaamde Eerst een terrarium kopen, en dan pas nadenken over een naam Dat is de verkeerde volgorde, weet zelfs de meest hardvochtige kleuter In de laatste telefooncel van mijn geboortestad vond ik de naam.
De naam van de varaan lag op de grond Tussen een jonge snijtand en een drievork Die een gemberwortel bleek te zijn Ik probeerde mijn muze te bellen Maar hij stond op een telefoonloze dijk zichzelf op te hemelen.
Terug naar vandaag dan maar De varaan met de telefooncelnaam is trots en vadsig Sinds hij mijn woning heeft ingepalmd met zijn fiere landerigheid Blijf ik vaker thuis om van hem te leren Ik imiteer zijn ontzagwekkende apathie, ik faal niet.
We worden stommer en breder Soms likt mijn varaan een ruit, tik ik terug dan glimlacht hij ondubbelzinnig In spiegelschrift schrijf ik onze namen naast elkaar Met een groot hart ertussen uiteraard Want zijn koudbloedigheid is altijd een fabel geweest.
Delphine Lecompte (Gent, 22 januari 1978)
De Duitse dichter en schrijver Rainer Stolz werd geboren in Hamburg op 22 januari 1966. Hij woont nu in Berlijn. Zie ook alle tags voor Rainer Stolzop dit blog.
Huis in We.
Er zijn nog vragen: aan de bewakers van de grijstinten, die ’s avonds zachtjes tegen de ramen kloppen, nog vragen aan alle soorten weer waarvan de types een beetje scheef zijn, zoals het huis waar ze om vechten, vragen ook aan de dakgoot, die soms gelaten overbodig is, waardoor ik me zou kunnen afvragen waarmee de zon hierboven toch zijn geel verdient, waar zelfs de schapen spijbelen voordat ze in het zand bijten, verder zouden er vragen zijn aan de schare der geesten met hun klopsignalen: of ze zich vrijwillig zo laten meeslepen, als was het geen kunst, die onvergelijkbaar nutteloos is, zoals de holtes hier die alle vragen verplaatsen, als voedsel voor de spinnen misschien, die me vertellen: goed hout! is hier te krijgen – en dat ruikt heerlijk wanneer ik weer eens mijn hoofd gestoten heb.