Romenu is een blog over gedichten, literatuur en kunst Maar Romenu is ook een professionele freelance vertaler Du-Ne en Ne-Du http://www.roumen-vertalingen.nl/
Georg Trakl werd op 3 februari 1887 in het conducteurshuis aan de Waagplatz 2 in Salzburg geboren. Zijn vader, Tobias Trakl, was een handelaar in ijzerwaren en zijn moeder, die ook psychische problemen had, was Maria Catharina Trakl, (meisjesnaam Halik). Voorts had hij nog drie broers en drie zussen. Margarethe (doorgaans Grethe genoemd) stond hem het naast, zelfs zodanig dat sommigen een incestueuze verhouding vermoeden. Zijn jeugd bracht hij door in Salzburg. Vervolgens bezocht hij van 1897 tot 1905 het humanistische gymnasium. Om toch een academische opleiding te kunnen volgen, werkte hij tot 1908 in de praktijk bij een apotheker. Sommigen vermoedden dat hij dit vooral deed om zichzelf opiaten te kunnen verschaffen. Bij het uitbreken van WO I werd Trakl als medicus naar het front in Galicië (heden ten dage in Oekraïne en Polen) gestuurd. Zijn gemoedsschommelingen leidden tot geregelde uitbraken van depressie, die verergerd werden door de afschuw die hij voelde voor de verzorging van de ernstig verwonde soldaten. De spanning en druk dreven hem ertoe een suïcidepoging te ondernemen, welke zijn kameraden nochtans verhinderden. Hij werd in een militair ziekenhuis opgenomen in Kraków, alwaar hij onder strikt toezicht geplaatst werd.Trakl verzonk daar in nog zwaardere depressies en schreef Ficker om advies. Ficker overtuigde hem ervan dat hij contact moest opnemen met Wittgenstein, die inderdaad op weg ging na Trakls bericht te hebben ontvangen. Op 4 november 1914, drie dagen voordat Wittgenstein aan zou komen, overleed hij echter aan een overdosis cocaïne
Paul Celan
Paul Celan werd onder de naam Paul Antschel op 23 november 1920 geboren in Czernowitz, toentertijd de hoofdstad van de Roemeense Boekovina, nu behorend bij de Oekraïne. Paul Celans ouders waren Duitssprekende joden die hun zoon joods opvoedden en hem naar Duitse christelijke scholen stuurden. In 1942 werden Celans ouders door de Duitse bezetter naar een werkkamp gedeporteerd en daar vermoord. Hijzelf wist aanvankelijk onder te duiken, maar moest vanaf juli 1942 in een werkkamp dwangarbeid verrichten. Celan overleefde de oorlog. Via Boekarest en Wenen vestigde Celan zich in 1948 in Parijs. Daar was hij werkzaam als dichter, vertaler en doceerde hij aan de prestigieuze Ecole Normale Supérieure. Vermoedelijk op 20 april 1970 beëindigde hij zijn leven zelf door in de Seine te springen.
Gerard Reve
Gerard Reve over: Medearbeiders ”God is in de mensen, de dieren, de planten en alle dingen - in de schepping, die verlost moet worden of waaruit God verlost moet worden, door onze arbeid, aangezien wij medearbeiders van God zijn.” Openbaring ”Tja, waar berust elk godsbegrip op, elke vorm van religie? Op een openbaring, dat wil zeggen op een psychische ervaring van zulk een dwingende en onverbiddelijke kracht, dat de betrokkene het gevoel heeft, niet dat hij een gedachte of een visioen heeft, maar dat een gedachte gedachte of visioen hem bezit en overweldigt.”
Simon Vestdijk
Simon Vestdijk (Harlingen, 17 oktober 1898 – Utrecht, 23 maart 1971) was een Nederlands romancier, dichter, essayist en vertaler. Zijn jeugd te Harlingen en Leeuwarden beschreef hij later in de Anton Wachter-cyclus. Van jongs af aan logeerde hij regelmatig bij zijn grootouders in Amsterdam, waar hij zich in 1917 aan de Universiteit van Amsterdam inschrijft als student in de medicijnen. Tijdens zijn studie die van 1917 tot 1927 duurde, leerde hij Jan Slauerhoff kennen.Tot 1932 is hij als arts in praktijken door heel Nederland werkzaam. In 1932 volgt zijn officiële schrijversdebuut met de uitgave van de bundel Verzen in De Vrije Bladen. Doorslaggevend voor Vestdijks uiteindelijke keuze voor de literatuur is zijn ontmoeting in 1932 met Eddy Du Perron en Menno ter Braak. Deze ontmoeting had tot resultaat dat hij redactielid werd van het tijdschrift Forum Kort daarop, in 1933, wordt zijn eerste novelle, De oubliette, uitgegeven. In hetzelfde jaar schrijft hij Kind tussen vier vrouwen, dat, eerst geweigerd door de uitgever, later de basis zal vormen voor de eerste drie delen van de Anton Wachter-romans. In 1951 ontvangt Vestdijk de P.C. Hooftprijs voor zijn in 1947 verschenen roman De vuuraanbidders. In 1957 wordt hij voor het eerst door het PEN-centrum voor Nederland voorgedragen voor de Nobelprijs voor de Literatuur, die hij echter nooit zal krijgen. Op 20 maart 1971 wordt hem de Prijs der Nederlandse Letteren toegekend, maar voor hij deze kan ontvangen overlijdt hij op 23 maart te Utrecht op 72-jarige leeftijd. Vestdijk was auteur van ca. 200 boeken. Vanwege deze enorme productie noemde de dichter Adriaan Roland Holst hem 'de man die sneller schrijft dan God kan lezen'. Andere belangrijke boeken van Simon Vestdijk zijn: "Kind van stad en land" (1936), "Meneer Visser's hellevaart" (1936), "Ierse nachten" (1946), "De toekomst de religie" (1947), "Pastorale 1943" (1948), "De koperen tuin" (1950), "Ivoren wachters" (1951), "Essays in duodecimo" (1952) en "Het genadeschot" (1964).
K.P. Kavafis K.P. Kavafis werd als kind van Griekse ouders, afkomstig uit Konstantinopel, geboren in 1863 in Alexandrië (tot vandaag een Griekse enclave) waar hij ook het grootste deel van zijn leven woonde en werkte. Twee jaar na de dood van zijn vader verhuist het gezin in 1872 naar Engeland om na een verblijf van vijf jaar naar Alexandrië terug te keren. Vanwege ongeregeldheden in Egypte vlucht het gezin in 1882 naar Konstantinopel, om na drie jaar opnieuw naar Alexandrië terug te gaan. In de jaren die volgen maakt Kavafis reizen naar Parijs, Londen en in 1901 zijn eerste reis naar Griekenland, in latere jaren gevolgd door nog enkele bezoeken. Op de dag van zijn zeventigste verjaardag, in 1933 sterft Kavafis in Alexandrië. De roem kwam voor Kavafis pas na zijn dood, dus postuum. Deels is dat toe te schrijven aan zijn eigen handelswijze. Hij was uiterst terughoudend met de publicatie van zijn gedichten, liet af en toe een enkel gedicht afdrukken in een literair tijdschrift, gaf in eigen beheer enkele bundels met een stuk of twintig gedichten uit en het merendeel van zijn poëzie schonk hij op losse bladen aan zijn beste vrienden.
Thomas Mann
Thomas Mann, de jongere broer van Heinrich Mann, werd geboren op 6 juni 1875 in Lübeck. Hij was de tweede zoon van de graankoopman Thomas Johann Heinrich Mann welke later één van de senatoren van Lübreck werd. Zijn moeder Julia (geboren da Silva-Bruhns) was Duits-Braziliaans van Portugees Kreoolse afkomst. In 1894 debuteerde Thomas Mann met de novelle "Gefallen". Toen Thomas Mann met 21 jaar eindelijk volwassen was en hem dus geld van zijn vaders erfenis toestond - hij kreeg ongeveer 160 tot 180 goldmark per jaar - besloot hij dat hij genoeg had van al die scholen en instituties en werd onafhankelijk schrijver. Kenmerkend voor zijn stijl zijn de ironie, de fenomenale taalbeheersing en de minutieuze detailschildering. Manns reputatie in Duitsland was sterk wisselend. Met zijn eerste roman, Buddenbrooks (1901), had hij een enorm succes, maar door zijn sceptische houding tegenover Duitsland na de Eerste Wereldoorlog veranderde dit volledig. Stelde hij zich tot aan de jaren twintig apolitiek op (Betrachtungen eines Unpolitischen, 1918), meer en meer raakte hij bij het Politiek gebeuren betrokken. Zijn afkeer van het nationaal socialisme groeide, zijn waarschuwingen werden veelvuldiger en heftiger. In 1944 accepteerde hij het Amerikaanse staatsburgerschap. Tussen 1943 en 1947 schreef Mann Doktor Faustus (zie Faust), de roman van de 'Duitse ziel' in de gecamoufleerd geschilderde omstandigheden van de 20ste eeuw. In 1947 bezocht hij voor het eerst sinds de Oorlog Europa, twee jaar later pas Duitsland. In 1952 vertrok hij naar Zwitserland. Op 12 augustus 1955 stierf hij in Zürich. Twintig jaar na zijn dood, in aug. 1975, is zijn literaire nalatenschap geopend: dagboekaantekeningen van 15 maart 1933 tot 29 juli 1955, alsmede notities uit de jaren 1918 tot en met 1921.Belangrijke werken zijn: Der Zauberberg, Der Tod in Venedig, Dokter Faustus , Joseph und seine Brüder en Die Bekenntnisse des Hochstaplers Felix Krull.
Rainer Maria Rilke
Rilke werd op 4 december 1875 geboren in Praag. Hij had al naam gemaakt als dichter met zijn bundels Das Stundenbuch en Das Buch der Bilder, toen hij de literaire wereld versteld deed staan en wereldfaam verwierf met de publicatie van zijn twee delen Neue Gedichte in 1907 en 1908. Hij verzamelde daarin het beste werk uit een van zijn vruchtbaarste periodes, die hij grotendeels doorbracht in Parijs. Rilke was daar diep onder de indruk gekomen van Rodin, bij wie hij een tijdlang in dienst was als particulier secretaris. Rodin, zei hij later, had hem leren kijken. Dit kijken kwam neer op intense concentratie, om het mysterie te kunnen zien ‘achter de schijnbare werkelijkheid'. Latere en rijpere werken als Duineser Elegien (1912-1923) en het ronduit schitterende Die Sonette an Orfeus (1924) illustreren Rilkes metafysische visie op het onzegbare, dat haar verwoording vindt in een hermetische muzikale taal. Op 29 december 1926 overlijdt Rilke in het sanatorium in Val-Mont aan de gevolgen van leukemie. Enkele dagen later wordt hij, overeenkomstig zijn wens, begraven op het kerkhof van Raron.
* * * * * * * * * * * * * * * *
Romenu
Over literatuur, gedichten, kunst en cultuur
25-02-2025
Marijke Schermer, Friedrich von Spee, Jane Goodwin Austin
“Nemen we jouw auto?’ ‘We zijn veel te laat.’ Haar man komt uit de keuken. Hij is lang, mager en zijn gezicht is uitgesproken knap. Hij heeft een zwierig pak aan. De pan in zijn handen en de theedoek over zijn schouder verraden toewijding. Hij zet de pan op tafel, werpt de lap terug in de richting van het aanrecht dat hij net niet haalt. Leo lacht met een hoog en helder stemmetje. Alicia, het buurmeisje dat oppast, knoopt Osip een slabbetje om. Ze is in een paar weken tijd van een androgyn kind in een kermisattractie veranderd. Haar wangen en lippen zijn rood geverfd, ze draagt idiote, veel te blote kleren. Emilia moet zich bedwingen haar niet ook over haar bol te aaien. Ze kussen de kinderen gedag. ‘Jij rijdt. We gaan het halen.’ Ze scheurt de oprijlaan af en draait de weg op. Het eerste deel van de rit voert over de dijk, door de glooiende rivierdelta, over een smalle tweebaansweg tussen de populieren. Er is een zakkend zomers zonnetje met weinig kracht en er staat een flinke wind. In de weilanden rechts van hen staan schapen. Even later, op de snelweg, kan ze echt hard rijden, iets wat ze graag doet. Ze praten niet veel. Door het raam waait een herinnering binnen aan lange tochten naar het zuiden, blote benen uit het raam, zingend. Vlak voor Amsterdam voeren ze een korte discussie over de beste route naar het Leidseplein. ‘Waarschijnlijk heb jij gelijk,’ zegt ze terwijl ze haar eigen idee ten uitvoer brengt. Ze gokt op een vrije plek, gokt goed en parkeert vlak bij het theater. Ze besluiten dat betalen precies de tijd kost die ze niet meer hebben. Ze rennen, steken over, worden rakelings gepasseerd door een fietser. Bruch roept dat ze de volgende keer een hotel moeten nemen; even worden ze gegrepen door de wens te worden opgeslokt door het leven in de stad, in plaats van straks en ongetwijfeld weer met haast, terug te moeten keren naar de stilte.Ze rennen de schouwburg in, de trap op naar de zaal, waar zij als laatsten arriveren voor de deuren rondom sluiten. Hij vouwt hun jassen in elkaar onder zijn stoel en knijpt haar in haar zij.”
“As she spoke, the merry gleam died out of the captain’s eyes, and grasping his beard in the left hand, as was his wont in perplexity, he said gravely,— “These are large matters for a woman’s handling, Priscilla, and it may chance that Barbara’s silence is the better part of your valor. But still,—what do you mean?” “I mean that Master Oldhame and Master Lyford as the head, and their followers and creatures as the tail, are maturing into a very pretty monster here in our midst, which if let alone will some fine morning swallow the colony for its breakfast, and if only it would be content with the men I would say grace for it, but, unfortunately, the women and children are the tender bits, and will serve as a relish to the coarser meat.” “Come, now, Priscilla, a truce to your quips and jibes, and tell me what there is to tell. I cry you pardon for noting your forwardness in what concerned you not”— “Nay, Myles, you’ve said it now,” interposed Barbara, with a little laugh, while Priscilla, gathering her work in her apron, and looking very pretty with her flaming cheeks and sparkling eyes, jumped up saying,— “At all events, John Alden’s dinner concerns both him and me, and I will go and make it ready; a nod is as good as a wink to a blind horse, and a penny pipe as well as a trumpet to warn a deaf man that the enemy is upon him. Put your nose in the air, Captain Standish, and march stoutly on into the pitfall dug for your feet.” “Come, come, Mistress Alden! These are no words for a gentlewoman,” began the captain angrily, but on the threshold Priscilla turned, a saucy laugh flashing through the anger of her face, and reminding the captain in his own despite of a sudden sunbeam glinting across dark Manomet in the midst of a thunder-storm. “Here’s the governor coming up the hill, Myles,” whispered she, “and you may finish the rest of your scolding to him. I’m frighted as much as is safe for me a’ready.” And light as a bird she ran down the hill just as Bradford reached the door and, glancing in, said in his sonorous and benevolent voice, “Good-morrow to you, Mistress Standish. I am sorry to have frighted away your merry gossip, but I am seeking the goodman— Ah, there you are, Captain! I would have a word with you at your leisure.” “Shall I run after Priscilla, Myles?” asked Barbara, cordially returning the governor’s greeting.”
Jane Goodwin Austin (25 februari 1831 – 30 maart 1894)
Uit:Prins Peper (Vertaald door Reintje Ghoos en Jan Pieter van der Sterre)
“We vormden een kleine kring en herhaalden onze choreografie, die ons zou achtervolgen tot in onze dromen. En we keken niet verbaasd op als we midden in de nacht ineens geneurie hoorden van onrustig slapende jongens met in hun hoofd die oude melodieën in de gedateerde taal van Papa Moupelo, die rechtschapen man die ons Hoop verkocht voor de schappelijkste prijs omdat hij het als zijn taak zag om de zielen, alle zielen van de instelling, te redden. Papa Moupelo had me nooit opgebiecht dat hij verantwoordelijk was voor die kilometerslange naam, de langste van het weeshuis van Loango, en zeker van de stad, ja zelfs van het land. Misschien kwam het omdat zijn Zaïrese landgenoten de gewoonte hadden om eindeloze, onuitspreekbare namen te geven. Kijk maar naar die van hun president, Mobutu Sese Seko Kuku Ngbendu Wa Za Banga, wat zoveel betekent als ‘de krijger die van overwinning naar overwinning gaat en niet te stuiten is’. Als ik klaagde dat de een of ander mijn naam had afgekort of niet goed uitgesproken, drukte Papa Moupelo me op het hart niet boos te worden en ’s avonds voor het slapengaan te bidden om de Almachtige te bedanken. Volgens hem lag het lot van een mens verborgen in zijn naam. Om me te overtuigen nam hij zichzelf als voorbeeld: ‘Moupelo’ betekent ‘priester’ in het Kikongo, en dus was het geen toeval dat hij een boodschapper van God was geworden, net als zijn vader. Hij vond het mooi dat de jongens die me treiterden me alleen maar ‘Mozes’ noemden. Mozes was niet zomaar een profeet, betoogde hij vleiend: geen mens kon tippen aan Mozes, ook niet de oudtestamentische profeten met een baard die langer en peper-en-zoutkleuriger was dan de zijne; God had hem uitverkoren om de kinderen van Israël uit Egypte weg te voeren naar het Beloofde Land. Mozes was diep verontwaardigd over het treurige dagelijks leven van zijn volk en toen hij veertig was sloeg hij een Egyptische opzichter dood die een Israëliet strafte. Daarna vluchtte hij noodgedwongen de woestijn in, waar hij herder werd en trouwde met een van de dochters van de priester die hem onderdak had geboden.”
Alain Mabanckou (Congo-Brazzaville, 24 februari 1966)
We zitten buiten, luisteren naar het zingen van de vogels, dat lijkt op zwervende lijnen en spatten natte verf, op een abstracte expressionist aan het werk – zijn zwierige streken, en dan de lichtere toetsen, nauwelijks zichtbaar – en dat zich afspeelt op het hele doek van de hemel. Als ik iets voorlees uit de krant valt ze meteen in slaap. Ik strijk over haar gezicht en ze wordt wakker, kijkt me strak aan en zegt iets als: ‘Dat was een mooie stok.’ Een andere keer, toen we zo bij elkaar zaten, zei ze, uit het niets: ‘De woestijn is een tong.’ ‘Een rode tong?’ ‘Precies, het is een een soort je weet wel – het is, het is een lange auto.’ Toen ik haar vertelde dat ik misschien een tijdje naar Cambridge zou gaan, zei ze: ‘Cambridge is een oeroude zetel van de wetenschap. Zorg dat je…’ maar het werd te veel – ‘Zorg voor de korte kerstbloemen.’ Ik word duizelig, misselijk, wanneer ik probeer te bedenken wat er in haar hoofd gebeurt. Ik blijf urenlang buiten met haar, haar overeind sjorrend als ze doezelt, en wakker begint te worden; weg van de stank en het geschreeuw van de afdeling. Het ergste van dit alles is, voor mij, dat ze nu, ondanks haar gemompel, vrediger is dan ik haar ooit heb gekend. Even leeft haar geheugen op, en ze denkt dat ik een lang geleden gestorven broer van haar ben.‘’t Was wel mooi op die paarden, hè, toen we klein waren!’ zegt ze, terwijl ze haar krachteloze hand op haar dij laat vallen. Alzheimer is nirvana, in haar geval. Ze heeft het nooit over de kwellingen van haar volwassen jaren – God, de boze passages in de bijbel, de lange, zware dood van haar moeder, en mijn vader. Niets, helemaal niets over mijn vader, en niets over haar obsessie: het geloof waartoe hij haar dreef. Ze zegt dat het lied van de ekster, dat altijd maar doorgaat, als een vrolijk in zichzelf pratende Ier, en waar ik haar rolstoel naartoe heb gekeerd, haar herinnert aan een kopje. Een gebroken kopje. Ik denk dat de chaos in haar hoofd voor haar alleen draaglijk is omdat hij zich wentelt, langzaam, heel langzaam, als stofjes in een lege kamer. De ziel? De ziel is allang verslagen, al bijna verdwenen. Ze brengt nu slechts stoppels voort op haar kin, en een geur van oude kranten op een vochtige betonnen vloer, verward gestamel, een paar versplinterde herinneringen en een soort warmte (die er altijd al was, de buideldierlijke toewijding) een warmte die nu alleen in haar ogen zit, vooral als ik haar vasthoud en een tijdje wieg, als ik haar in bed til – een opgevouwen pakje, zoals – dat heb ik op foto’s gezien – de ‘IJsman’ gevonden werd. Ze zegt: ‘Ik vind het fijn als je – als als je…’ My brown-eyed girl, zeg ik tegen haar. Hoewel ze zich het nummer niet herinnert, of hoe ik die keer thuiskwam, zing ik het haar voor: ‘Ta ta-dum, ta-dum…’ En zij kijkt op: ‘Jij bent het, jij bent het’ – en glimlacht me toe – ‘jij bent my brown-eyed girl.’
In one of the side streets of a small hot town off the highway
we saw the garage, its white boards peeling among fronds and palings.
The sun had cut a blaze off the day. The petrol pump was from the sixties—
of human scale and humanoid appearance it had a presence,
seemed the attendant of our adventures on the road, the doorman of our chances.
We pulled in, for nostalgia, onto concrete. From where did that thing’s almost
avoidable sense of sacrifice, or remorse, arise? One felt it
as though a line in the hand, drifted far off somewhere, unweighted.
Who was this, in faded cream outfit, with badge, expressionless small head,
and rubbery hose laid on the breast, dutifully or out of diffidence?
Were arms being shown, and in servitude or consent? The stoic discomforts,
suggests a rebellion. Elusively, such feelings are wafted through us, but how
interpret them? A person relied upon and yet dangerous. Was this
another, or oneself? Were we familiars of something never to be known? I looked
down a blank street, of pines, lightpoles, old houses in shady yards, where it made
a genuflection, in approaching the gentian-coloured hills; then at the long workshop, a dim
barn, or empty corridor, in the galaxy, with somewhere far along it one star
crackling and bursting. Then at the greasy dog, in its narrow shade;
and at the old bowser— a sense still proclaimed but ungrasped, though everything
lay open. Someone shouted acknowledgement, so we sat quietly. The light
had become an interest of this place, pronounced in contrast with the peculiar
matt blackness of sump-oil that was soaked widely on earth, gravel, and cement—
an obscurity as opaque as the heart’s, which was keeping on with its tunnelling there.
IN STRIJKEND LICHT (Fragment)
Mijn moeder, negentig al, moet aan haar rolstoel worden vastgegespt, en leunt toch nog vervaarlijk opzij; ze steekt uit, als gebroken, en kan iemand die dichtbij komt met haar aanblik doorklieven. Ze hangt scheef als haar scheve mond, in haar wazige waardigheid, en zegt dat ze het prima maakt. Het is onmogelijk haar een verwijt te ontlokken of haar aandacht langer dan een seconde op iets te vestigen. Vergeleken bij haar ziet Stephen Hawking er nog gezond uit. Het is of ze zijwaarts door een patrijspoort uit het leven wordt gezogen en wij haar vasthouden bij haar voeten. Ze is erg kalm. Als je lang genoeg leeft ben je niet bang voor de dood maar voor wat het leven nog vermag. En ergens schijnt ze dat te weten, ook al is er geen hoop dat ze het uit zou kunnen spreken. Toch is ze zo kalm dat je aan onsterfelijken denkt – een voor eeuwig aan de rand van het leven verschrompelende Tithonus, zij het zonder één klacht. Als je haar mee naar buiten neemt lijkt mijn moeder bezig aan een motorrace, zij de zijspanrijder die de machine op de weg houdt door zo ver mogelijk naast het wiel te hangen. Ernstig, geconcentreerd tuurt ze naar de finishlijn terwijl we in cirkels voortkruipen door de taaie stroop van een tuin achter het tehuis. Haar mond is vol chaos. Mijn moeder maalt de helften van haar gebit als knikkers knarsend op elkaar of laat ze losjes kletteren, beschadigd, gebarsten. Omdat ze niet op haar tandvlees blijven zitten spuugt ze ze uit, met een bruuske stotende kuch, die haar laatste adem uit haar lijkt te persen. Haar tanden trekken de speekseltrossen los en belanden op haar schoot of in het gras. Wat we in zulke ouderdom zien, is voor ons de voortijdige ontbinding van een lichaam, terwijl het van de botten glijdt, terug naar protoplasma, voordat het fatsoenlijk kan worden verborgen. Het is of haast alle synapsen tussen haar hersencellen kapot zijn en nog zwakjes natrillen op de tocht van mijn stem, lukrake en verkeerde verbindingen leggend: ze werd een surrealistische dichteres. ‘Is het lekker, de zon op je rug?’ vraag ik. ‘De zon is mechanisch,’ deelt ze me mee op zakelijke toon. Wacht even, denk ik, wordt ze nu diepzinnig? (Want zonder aanleiding zegt ze: ‘Het meer wordt stoffig.’ Er is geen meer, hier noch in het verleden. ‘Je moet het meer afstoffen.’) Het zou kunnen, ‘Die jongen in de sterren is eten;’ of misschien: ‘De jongen is de ster in het eten’ en je denkt: nee, dit appelleert gewoon aan mijn soort bijgeloof. Het is een en al verwarring, en interpretaties en misverstanden, alleen maar de verraderlijke gladheid van haar neergang.
“Mijn vader handelde in postzegels, in ieder geval dat dachten mijn moeder en ik. Mijn moeder had me verteld dat zijn vader een drogisterij had. Dat was een drogisterij op een karretje. Die man liep de hele dag door Berlijn met dat karretje. ‘Op een dag troffen ze hem dood boven zijn karretje aan,’ zei ze, ‘maar dat kwam niet door de SA, dat kwam door de neunundneunziger.’ Even later zei ze: ‘Maar mijn ouders hadden een meubelzaak, en later zelfs twee, en daar hebben we geen cent voor gekregen, geen cent.’ Wij woonden in Düsseldorf in een hotel, waar aan de muur een soort gedenksteen was bevestigd: ‘Hier heeft de jonge dichter Heine gelukkige jaren doorgebracht’. Daarvan moesten we natuurlijk een foto maken, met mij ervoor. Ik werd gek van de jonge dichter Heine. Toen ik nog op de lagere school zat, ging ik weleens met mijn vader mee op reis. Hij bleef nooit lang weg, een of twee dagen. In de trein aren we broodjes met koosjere worst, die hij zelf had klaargemaakt. Maar we aten ook wel niet-koosjere worst, en veel poffertjes en gebak. Dat was net zo goed als warm eten, volgens hem. Hij ontmoette mensen in cafés. Het was warm. Ik droeg mijn korte broek. Mijn vader was kaal. Ze dachten dat hij mijn opa was. Ze vroegen: ‘Lekker op stap met opa?’ We gingen een café binnen, en daar zat dan de man met wie hij had afgesproken. Ook oud en ook kaal. Ze dronken een paar wodkaatjes. Ik kreeg ijs, altijd ijs. Ze praatten urenlang met elkaar. Mijn vader wilde nooit zeggen wat hij met die kale mannen had besproken. Als we klaar waren in het café, gingen we naar de kermis. We aten braadworstjes. Hij zei dat God niet op een braadworstje meer of minder keek. God misschien niet, maar mijn moeder wel. ’s Avonds gingen we weer naar een café, daar ontmoetten we nog zo’n grijze man. Zo’n man die voor God zou kunnen spelen in een slechte film. Er werden weer wodkaatjes gedronken. Mijn vader wond zich op. Zijn haren leken op stro. Hij had ze namelijk heel lang laten groeien om de kale plek op zijn hoofd te bedekken, maar als hij zich opwond vielen ze voor zijn ogen. ‘Auf bessere Zeiten,’ riepen ze. Mijn vader sloeg op tafel. Niemand lette op hem. Ze sloegen daar allemaal op tafel. Het ging over het Majdanek-proces. Of misschien wel weer over de jonge dichter Heine. Allemaal één pot nat. Mijn moeder dacht dat ik met hem mee was gegaan om postzegels te verkopen, maar ik had geen postzegel gezien. Ik vroeg of hij ze verkocht had. Hij wilde niets zeggen. Ook regen mijn moeder niet. Als je verder vroeg, zei hij alleen maar ‘Iedereen heeft zijn verhaal, ook de dommen en de onwetenden.”
de tijd heelt alle wonden? leugenaar! mij maak je dat soort dingen niet meer wijs, ik mis hem op het strand en op het ijs, ik mis hem onder nul en zonneklaar.
de tijd stuurt oude bladeren op reis en goochelt met de sneeuw van vorig jaar, en kan veel doen verkeren weliswaar, maar mijn verdriet ontsnapte aan zijn zeis.
er zijn wel honderd oorden die ‘k vermijd, alleen maar omdat hij ze indertijd gewijd heeft met zijn voetstap en zijn stem.
op onbekend terrein zoek ik respijt, en denk: hier ben ik al mijn heimwee kwijt, en sta aldus weer oog in oog met hem.
Vertaald door Willem Wilmink
Edna St. Vincent Millay (22 februari 1892 – 19 oktober 1950)
Een dag om je prettig te voelen, om de 1000 meter te lopen, Hemingway te lezen en van je te houden
De zon is een gulle welgedane man, de directeur van de sunkistfabrieken bij voorbeeld, hij kan alles gedaan krijgen.
O.a. dat jij in de laatste strofe van dit gedicht staat, in nog enkel een broekje zo dun als het ogenblik voor je het uittrekt.
Zomeravond
Zomeravond. We hebben woorden en tijd. Behaaglijk is het om van mening en geslacht te verschillen, waarna alleen nog van geslacht, een verschil van dag en nacht, waarna nacht.
Laat je strelen, kom. Ik hou ervan je lichaam te verdelen in van alles twee, zoals ik deze zomer de zee verdeelde toen ik schoolslag zwom.
Even
Geluk is ineens, zaterdagmiddag in de trein naar Amsterdam, weten dat het niet voor jou is weggelegd. En daar hoe dan ook erg rustig van zijn. Goed, dat weten we dan, dat hoeft niet meer gezegd.
Er vallen tenslotte nog andere dingen te beleven. We gaan naar Amsterdam kijken, en niet naar elkaar. En er is een voorzichtig-zijn met wat je even mag hebben, hooguit voor een paar jaar.
Zoiets als elke dag opnieuw weer honger krijgen, zoiets als elke keer met jou weer hijgen en hijgen en hijgen. En dan is het voorbij. En wie weet, nooit gebeurd. Dan blijven ik en jij.
Geluk is vandaag nog dingen willen schrijven als ‘jouw ogen en hun sterrelingse pracht’. Godgod, nee zeg. Maar het is koud. En ik wil blijven bij jou. Omwille van de nacht.
Herman de Coninck (21 februari 1944 – 22 mei 1997)
Meestal is handlezen, net als een handschrift, en ook gezichten lezen Een soort vertaalwerk, want er is menig verleider geweest Die een heer leek te wezen, Dat fronsende schoolmeisje snakt misschien wel naar Een invitatie; maar 't Fysiek van deze oude dame geeft een scherp beeld van haar geest. Ook zonder Rorschach of Binet ziet zelfs een dwaas aan haar Dat het goed met haar gaat, dat ze leeft; Want als je tachtig jaar En ook al is het nog zo'n beetje hebberig bent, Ben je zwaar patiënt, Iemand aan wie één dag van wanhoop al meteen de doodklap geeft: Of de stad ooit schuimwijn dronk uit haar schoentjes of dat Ze gouvernante was, goed aangeschreven In christelijke kring, of ze een man heeft gehad Die haar verwende, of een zoon die niet meer leeft, Dat is nu alles één. Zij heeft Wat er ook is gebeurd overleefd; ze wérd; ze heeft vergeven. Dus de schilder kan doen wat hij wil, haar een Engels park geven, Rijstvelden in China, of een afbraakpand, Een lichte of donkere lucht, dat is om het even, Groen pluche als achtergrond of een rode baksteenmuur. Zij geeft de dingen eenheid en duur, Door haar zie je hun wezenlijke, menselijke kant.
Vertaald door Peter Verstegen
W. H. Auden (21 februari 1907 – 29 september 1973) Portret door Andrea Ventura, 2023
Uit: Gesprekken met vrienden (Vertaald door Gerda Baardman)
“Bobbi en ik ontmoetten Melissa voor het eerst in de stad op een poëzieavond waar we samen hadden opgetreden. Melissa maakte buiten een foto van ons waarop Bobbi stond te roken en ik schutterig met mijn rechterhand mijn linker pols vasthield alsof ik bang was dat hij zou weglopen. Melissa had een grote professionele camera en een speciaal tasje met allemaal verschillende lenzen. ze praatte en rookte onder het fotograferen. Zij had het over om optreden en wij hadden het over haar werk, dat we op internet waren tegengekomen. Rond middernacht ging de bar dicht. Het begon te regenen en Melissa nodigde ons uit om bij haar thuis nog iets te drinken. We stapten alle drie achter in een taxi en deden onze gordel om. Bobbi zat in het midden met haar hoofd opzij om met Melissa te praten, dus ik zag alleen haar nek en haar lepelvormige oortje. Melissa gaf de chauffeur een adres in Monkstown en ik keek uit het raam. Op de radio zei een stem de woorden eighties… pop… klassiekers. Toen kwam er een jingle. Ik was opgewonden, klaar voor de uitdaging van het bezoek aan het huis van een vreemde, en bedacht al complimenten en bepaalde gezichtsuitdrukkingen om leuk over te komen. Het huis was de helft van een twee-onder-een-kapwoning van rode baksteen met een plataan ervoor. In de straatverlichting leek het alsof de bladeren van oranje kunststof waren. Ik keek graag naar interieurs van andere mensen, vooral als die een beetje beroemd waren, zoals Melisse. Ik nam me voor alles in haar huis te onthouden, zodat ik het voor andere vrienden kon beschrijven en Bobbi het kon bevestigen. Toen Melissa om binnenliet, stoof er een kleine rode spaniël de gang in en begon tegen om te blaffen. Het was warm in de gang en het licht was aan. Naast de deur stond een laag tafeltje, waarop iemand een stapeltje muntgeld, een haarborstel en een lippenstift zonder dop had achtergelaten. Er hing een prent van Modigliani boven de trap, een liggende naakte vrouw. Ik dacht: een heel huis. Hier zou een gezin kunnen wonen. We hebben bezoek, riep Melissa. Er kwam niemand, dus volgden we haar naar de keuken. Ik herinner rne een donkere houten schaal met rijp fruit, een glazen serre. Rijkelui, dacht ik. Ik dacht in die tijd voortdurend aan rijke mensen. De hond was meegelopen naar de keuken en snuffelde aan onze voeten, maar Melissa zei niets over de hond, dm wij ook Met. WIM? vroeg Melissa. Wit of rood?”
“Na het ontbijt moeten ree aan het werk. Iedere patiënt heeft een werkplek. De Regenboog heeft een professionele houtwerkplaats, er is een metaalwerkplaats en er wordt verf gemengd. Sommige bewoners hebben schoonmaakdienst, volgen een opleiding, werken in do keuken of in de tuin. Ik werk in de tuin en samen met Grover wandel ik zo langzaam mogelijk naar onze werkschuur. De tuin is niet zomaar een tuin. We hebben een grote binnentuin in de zomer als een gezellig, doldwaas speelparadijs fungeert. Compleet met vijver, twee grasheuvels en een tafeltennisgebied prijkt hij als een paradepaardje op de homepage van de website van de kliniek. Center Parel schijnt jaloers te zijn. We onderhouden de sierruin, maar we verbouwen ook groente en Wit. Met onze kas zijn we bijna een zelfvoorzienende gekkenbiotoop. Ongeveer dertig rasidioten beginnen elke ochtend met het verdelen van de taken. Grover en ik bieden aan om het grasveld van de binnentuin in orde te maken. ‘Opkomen voor je groepsgenoten’ heet dat officieel; ‘lummelen met een hark en een sigaretje’ heet dat officieus. Langzaam strompelen we mm een kruiwagen en wat interessant uitziend tuingereedschap door de sneeuw naar het verbrande stukje gras. Grover is een poezelig, oud, tandeloos koekiemonster. Zijn bijnaam is uitstekend gekozen, want hij ie absoluut een bepaalde combinatie van die twee Sesamstraatfiguren en daar lijkt hij ook trots op te zijn. Hij was dertig jaar lang de directeur van een van de grootste koeriersdiensten van Nederland. Het was zijn eigen bedrijf rel hij had het van de grond af opgebouwd. Hij bestuurde bet eerste busje, en uiteindelijk bestuurde hij de bestuurders van ruim vijftig vrachtwagens. Hij hield van hard werken. Nu houdt hij van koffiekoeken en shag. Grover werkte ongeveer negentig uur per week tot er op een dag iets knapte in zijn hoofd. Hij begreep niet meer dat zijn werknemers hun eigen gedachten hadden, of een ander idee van werken, en toen hij op een nacht, tijdens zijn zesenveertigste welverdiende en pikzwarte koffie, geconfronteerd werd met een veeleisende chauffeur, ontstond er een tijdelijke kortsluiting in zijn hersenen. Met eenzelfde soort schop als die hij nu in zijn handen heeft, rende hij op de chauffeur af. Die verdedigde zich en sloeg nog flink wat tanden van Grover aan gruzelementen, maar kon niet voorkomen dat de schop uiteindelijk in zijn maag belandde.”
“But the bear only grunted. Perhaps it would be a long wait. She pawed her way into the broken helicopter’s cockpit. Rummaging about, she was pleased to discover a spiral-bound flight manual. She hooked it with a claw and carried it out to the grass. The bear looked at helicopter diagrams, the horse ate, and soon the dog dozed off. He hadn’t been asleep long when a striped cat arrived. Purring, she rubbed along the horse’s great hooves, then nodded respectfully at the bear and found herself a perch in the crashed helicopter, upon one of its soft, upholstered seats. The cat had just begun grooming a leg when, with a sharp caaw!, a crow announced himself. He descended in spirals and landed on one of the propeller blades. “Bird blessings on you,” said the crow, by way of greeting. And then, almost as soon as the crow had landed, the ringing of a bell cut the seaside air. As one, the animals looked up to the source of the sound. It was a yellow-eyed baboon, peering at them from a hatch in the yacht’s deck, high above. In one pink hand this baboon held a brass bell, which he shook again with great vigor before stowing it in a small bag he wore over his shoulder. “Order!” shouted the baboon. “We’ll begin! For victory!” The bear closed the flight manual and the horse stopped chewing dandelions. This baboon seemed very excited. He clambered down the deck and landed neatly beside the dog. “I’m up, I’m up,” insisted the dog, though he’d been fast asleep. “But, baboon,” said the bear, “we can’t begin. We’re not all here.” “Yes, the cats are late as usual,” added the dog. “Very disrespectful.” “This dog must still be sleeping,” said the cat in the cockpit, and the horse whinnied with laughter. A look of great frustration darkened the dog’s square face. “I was just… thinking!” “We are all here—” said the baboon. “Bird blessings,” interrupted the crow, “on all creatures!” “Bird Gods are important! Very important,” agreed the baboon, before turning to the bear. “All of us are here. Anyone who is not here is not us. That’s we. So we can begin.” “But if the others aren’t here,” said the bear, slowly, focusing on one bit of the problem, “how will they decide how to vote?” “They vote as we tell them,” said the baboon. “Animals like that.”
Nick McDonell (New York, 18 februari 1984)
De Duitse dichteres en schrijfster Elke Erbwerd geboren op 18 februari 1938 in Scherbach in de Eifel. Zie ook alle tags voor Elke Erb op dit blog.
Korenbloem, moederkoren, klaproos
Lief, je hoorde, je hoort hen, je broers, gebroeders, de zeven zwanen, je hoorde, hoort de veren – stemmen aan de hemel – Handwortels gonsden gezegend de herderin. Lief, ik dacht, voor mij groeien er geen broers in de akker, broers in de akker. Waarom groette ik niet het koren naar behoren? Stokstijf. Stenen, opgewekt, ogen, ridders, gezondgehekst, spelen nog viool op de gebroken eden.
heb je ook wel eens plotseling de aandrang om iets niet iets van persoonlijke waarde bedoel ik een boek of een foto van een dierbare maar iets onpersoonlijks zoals een prullenbak een bureaulamp een boekenplank zomaar ineens kapot te maken gewoon omdat het je anders misschien zou kunnen overleven?
Vlucht daar klapwiekt een kind het kan kijken met ogen groot als van een jonge nestvogel
het kind houdt iets in de holte van zijn smalle vuist
een onzichtbaar insect met stippen en een breekbaar schild
schoksgewijs beweegt het kind zijn hoofd verscholen in de capuchon van een gele regenjas
het klapwiekt boven bergen versgemaaid gras en rivieren natgeregend asfalt
strijkt neer en schikt zijn kleren
Huis te Vraag
Er is onderhoud gepleegd: een berg dode bladeren en takken bijeengeharkt, gesprokkeld. Een bouwwerk taps toelopend als een piramide een brandstapel op de verbreding van het pad tussen bomen en stenen.
De begraafplaats blaakt van eeuwenoud groen. Een man kijkt toe hoe een kist in de grond verdwijnt. Een keizer die zijn rijk ziet slinken.
Ik dacht nooit dat Michiko zou terugkomen na haar dood. Maar ik wist dat als ze kwam, dan als dame in een lange witte jurk. Het is apart dat ze is teruggekeerd als iemands dalmatiër. Ik zie de man die haar uitlaat bijna iedere week. Hij zegt goedemorgen en ik buk om haar te kalmeren. Zo doet ze bij anderen nooit, zei hij een keer. Soms loop ik langs en ligt ze aan de lijn op hun gazon. Als er niemand is ga ik op het gras zitten. Wanneer ze eindelijk bedaart, legt ze haar kop op mijn schoot en kijken we in elkaars ogen, terwijl ik in haar zachte oren fluister. Het mysterie laat haar koud. Het fijnst vindt ze het als ik haar kop streel en keuvel over mijn dagen en onze vrienden. Daar wordt ze vrolijk van, net als vroeger.
Vertaald door Jur Koksma en Joep Stapel
Jack Gilbert (17 februari 1925 – 13 november 2012)
Voordat ik me terugtrek bij een vrouw van rubber of papier, voordat ik niets meer klaarmaak dan mezelf, wil ik bij jou zijn.
Voordat de laatste ronde ingaat en mijn ziel is weggezwommen in het glas, mijn zinnen opgelost in drank, wil ik bij jou zijn.
Voordat mijn gedichten zijn verjaard tot voorbeeld van het een of ander, mijn talenten zijn vervallen tot verzameld werk, wil ik bij jou zijn.
Voordat het licht uit mijn ogen sijpelt, mijn huid verdort tot vel, voordat ik al mijn goud veranderd heb in lood, wil ik bij jou zijn tot de dood.
SONNET 152
Wij varen met zijn vieren door de tijd, wij en twee mensen die wij vroeger waren. De koers is goed. Ik maak je geen verwijt. Uit liefde kan men heel wat slechter varen. Ooit vielen wij in bijna alles samen; jij hield van mij, en ik, ik hield je vast. Nu dragen onbekenden onze namen op oude foto’s achter in een kast. Vanuit de spiegels zien zij alle dagen in het voorbijgaan, met verschrikte ogen, hoe vaak wij nog maar net kunnen verdragen dat wij ons met onszelf hebben bedrogen. Wat zijn we mooi. Tenminste, voor een kwart. Ik heb je lief met half mijn dubbel hart.
Wie ik ken en wat ik weet en wat er is
Ik ken een vrouw die eigenlijk een perzik is, met een zoete mond. Het zijn heerlijke nachten.
Ik weet een manier om de aandacht te vragen door ergens te gaan staan en doen of je onzichtbaar bent. Dat kan ik je wel leren, als je wilt.
Er is ook een meerval die misschien een zanger is, maar dat gaat mis, ben ik bang, want de winter komt eraan en ik heb nog geen noot van hem gehoord,
maar boven dat alles ken ik een vrouw die eigenlijk een perzik is, met een zoete mond, fluwelen handen en ogen als meren vol sterren, wimpers als vlinders en oren als hondjes of poezen in mandjes, ronde trappenhuizen, ammonieten, tedere wervelstormen. Het zijn heerlijke nachten.
Ingmar Heytze (Utrecht, 16 februari 1970)
De Duitse dichteres en schrijfster Elke Erb werd geboren op 18 februari 1938 in Scherbach in de Eifel. Zie ook alle tags voor Elke Erb op dit blog.
Vlakte bij Leipzig
De vlakte bij Leipzig is kaal, alsof de strenge middag haar platdrukken wil. Heggen en greppels, kreupelhout, een boom wegwijzers, geel als een brievenbus, stoffig of bijgevolg als tabak die een oude man in kruimels valt op zijn knie… Ik was een keer in Tüschen, daar keek een gans mij zwijgend aan, ze liep mee in een rij, wit langs een vochtige schuur. Links, keek me aan, links, en jullie weten het: het oog staat strak, groen geringd. Maar wat had ze te melden, uit verre steentijden komend, het genus, altijd opgewonden, uurwerk, steeds hetzelfde, eenzelvige uurwerk aan vergankelijke muren, maar wat, wanneer er geen muren meer staan, er geen gebouwd worden, wanneer de reusachtige aardwind alleen in het stof stort en huilt? Uurwerken, jullie uurwerken, wie zorgt dat jullie niet doordraaien aan het eind, wie zorgt? Ik was een keer in Tüschen, daar keek een gans mij zwijgend aan, ze liep mee in een rij, wit.