NIEUW: Blog reclamevrij maken?
Welkom bij saagje!
Foto
Inhoud blog
  • Het aardmannetje van de Röhrerbühel 2
  • Het aardmannetje van de Röhrerbühel
  • Nikola staat borg
  • De vurige man van de Geute
  • De geschiedenis van de boerendochter Ketilrídur 2
  • De geschiedenis van de boerendochter Ketilrídur
  • Op reis gaan
  • De luie hasjverslaafde en zijn verstandige vrouw(vervolg)
  • De luie hasjverslaafde en zijn verstandige vrouw
  • Het toverfluitje en het toverhoedje (vervolg)
  • Het toverfluitje en het toverhoedje
  • Waarom de bomen in de herfst geel worden
  • Tijl Uilenspiegel en de paardenkoopman
  • De nimf Daphne
  • De geschiedenis van de reuzenkreeft
  • De toren van Medemblik
  • Theseus en Hippolytus
  • Duimedik
  • De vuurman van Soest
  • Maan, Djabu en de dood
  • De jakhals en de patrijs
  • Goudsbloempje
  • Afspraak is afspraak
  • Het spook van de Zeedijk
  • Rata's wonderbaarlijke reis-einde
  • Rata's wonderbaarlijke reis-vervolg
  • Rata's wonderbaarlijke reis
  • Waarom de hyacint maar zo kort bloeit
  • De citerspeler
  • Van een opgeverfde haan
  • Het land van moeder Soemba
  • Het zwanennest
  • De engel
  • De gebarsten emmer
  • De hondenmarkt van Boedapest (slot)
  • De hondenmarkt van Boedapest
  • Billy de coyote (slot)
  • Billy de coyote(vervolg)
  • Billy de coyote
  • Garuda
  • De dood van de sprookjesverteller
  • Het boertje in de hemel
  • De verdwaalde boodschappenjongen-vervolg
  • De verdwaalde boodschappenjongen
  • De bijenkoningin
  • De spijze gods
  • Tijl Uilenspiegel danst op het koord
  • De brandende schaapherder
  • Heilig Huis bij Vierhouten
  • De doedelzakspeler en de Pooka
    Foto
    Zoeken in blog

    Beoordeel dit blog
      Zeer goed
      Goed
      Voldoende
      Nog wat bijwerken
      Nog veel werk aan
     
    Hoofdpunten blog waaroemni
  • Peter Minuit
  • Buick Model 43
  • Tommy (rockopera)
  • Buick Model 36
  • Brand in de Innovation
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Categorieën
  • aardgeest (21)
  • avonturenverhaal (6)
  • dierenverhaal (5)
  • duivels (46)
  • fabels (56)
  • gedichten (1)
  • geesten (griezellen) (10)
  • heksen (51)
  • historisch verhaal (13)
  • historische sagen (35)
  • legende (41)
  • Luchtgeest (30)
  • Mythe (24)
  • parabel (7)
  • Plaaggeest (10)
  • sagen (87)
  • Sinterklaasverhalen (4)
  • sprookjes (115)
  • Tovenaars (38)
  • toverboeken (13)
  • volkssprookje (40)
  • volksverhalen (139)
  • vuurgeest (26)
  • watergeest (19)
  • weerwolven (15)
  • Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    'VOLKSVERHALEN'

    problemen
    Verhalen, sprookjes, fabels, mythen, sagen en legenden
    welkom!
    Problemen
    Er zijn nogal wat problemen met het lezen van de teksten, daarom volgende tip :
    Met de muis links klikken en over de tekst schuiven.
    De tekst verschijnt duidelijk leesbaar.
    06-04-2011
    nieuwsgierig héDe geest van een...
    De geest van een schimmelplant redt een Indiaans meisje
    - Een sprookje van de Surinaamse indianen over een bosgeest -
    Twee meisjes bleven omdat ze dat zelf wilden alleen in een hut achter, terwijl de ouders een drinkgelag bijwoonden. De ouders hadden er bij de dochters op aangedrongen dat ze mee zouden gaan, maar deze hadden er geen zin in. Tegen zonsondergang daalde nu een Joroka van een nabij staande kankantrie: hij had pijl en boog, waarmee hij een papegaai schoot. Hij bracht de vogel aan de beide meisjes en vroeg hun om het dier te koken. Omdat ze niet wisten, dat de bezoeker een bosgeest was voldeden ze maar al te gretig aan zijn verzoek. Toen ze gezamenlijk de vogel hadden verorberd, verdween hij met een zwaai in de hangmat, die hij had opgehangen. Joroka vroeg het jongste meisje om hem gezelschap te komen houden, maar die voelde er niets voor en ze zond haar oudere zuster in haar plaats.

    Na een tijdje hoorde de jongste een vreemd geluid en daarbij huilen, dat uit de hangmat van de bezoeker kwam. Het geluid werd steeds erger, en nadat ze het vuur wat opgestookt had vermande ze zich. Ze ging naar de hangmat toe, en daaruit zag ze tot haar grote schrik bloed druppelen. Nog erger schrok ze, toen ze haar zuster dood in de hangmat zag liggen. De bezoeker zelf was verdwenen, maar aan bepaalde kentekenen begreep ze, tot welke stam de bezoeker behoorde. Om aan een dergelijk lot te ontkomen, haastte ze zich nu naar buiten en liep ze naar het maïsveld, dat haar eigendom was. Het veld was door de schimmel geheel aangetast en verrot; in dit veld verborg ze zich. Om zich nog beter te beveiligen, waarschuwde ze de geest van de schimmelplant; ze zei dat ze hem nooit meer koren zou geven, als Joroka haar hier mocht vinden en haar mocht pakken. In de vroege ochtend verscheen Joroka en vroeg aan de Geest van de Schimmel of hij toevallig een meisje had gezien, maar deze gaf geen antwoord, omdat hij druk bezig was maïs te eten. Joroka ging toen aan het zoeken, overal tussendoor kruipend, maar toen hij haar met het aanbreken van de dag nog niet had gevonden moest hij wel naar zijn verblijf in de kankantrie terugkeren.

    Het arme meisje had de hele nacht tussen het maïs rondgekropen, en pas toen de zon hoog aan de hemel stond durfde ze eruit op te staan. Ze zocht nu haastig het pad op, dat naar haar hut leidde en ontmoette er haar ouders, die net van het drinkgelag terugkeerden. Zodra ze hen zag, begon ze te huilen en te schreeuwen.

    "Wat is er aan de hand?" vroeg haar moeder.

    "De Komaka-Joroka heeft mijn arme zuster gedood," antwoordde ze.

    "Zie je nu wel," klaagde de moeder, "jullie hadden met ons mee moeten gaan, in plaats van alleen achter te blijven."

    Zodra ze allemaal in de hut waren teruggekeerd, was het lichaam van de gedode zuster verdwenen. Zo snel als ze konden deden ze alle pepers die ze bijeen konden rapen in manden om daarmee naar de kankantrie te gaan, die de dochter als het verblijf van Joroka had aangewezen.

    Een groot vuur werd nu om de boom aangelegd, en daarin peper gestrooid. Er moest wel een grote Joroka-familie in die kankantrie wonen, want toen de prikkelende rook in de boom omhoog steeg, kwamen er veel kleine brulapen naar beneden, waarmee het vuur korte metten maakte. Nog meer pepers werden nu in het vuur geworpen, en een heleboel veel grotere brulapen kwamen naar beneden en ondergingen hetzelfde lot.

    De ouders wierpen nu de rest van de pepers in het vuur en daar kwam Joroka zelf, die de oudste dochter had gedood, naar beneden. Terwijl de vader hem toeriep: "Ik dood je, om mij te wreken op de dood van mijn dochter," brachten ze hem met hun allen om. Het lichaam van Joroka werd nu geopend, en ze vonden er vrouwenvlees in.

    Van die tijd af heeft de jongste dochter altijd haar ouders gehoorzaamd.


                                            * * * einde * * *
    Bron : - "Westindische sprookjes"
               uitgegeven door Elmar, Rijswijk, 1994. ISBN: 90389-02719
               - www.beleven.org

    06-04-2011 om 01:16 geschreven door saagje

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 0/5 - (0 Stemmen)
    Categorie:sprookjes
    » Reageer (3)
    30-03-2011
    nieuwsgierig héDe ooievaars
    De ooievaars
    - Een sprookje van Hans Christian Andersen -
    4021 (9K)Op het laatste huis in een klein stadje stond een ooievaarsnest. De ooievaarsmoeder zat op het nest bij haar vier kleintjes, die hun kopje met het zwarte snaveltje naar buiten staken: maar die waren nog niet rood. Een eindje daarvandaan op het dak stond stijf en stram vader ooievaar. Hij had zijn ene poot opgetrokken om het zich niet al te gemakkelijk te maken terwijl hij op wacht stond. Je zou heus denken dat hij uit hout was gesneden, zo stil stond hij. "Het staat wel heel voornaam, wanneer mijn vrouw een schildwacht bij haar nest heeft!" dacht hij, "ze kunnen toch niet weten dat ik haar man ben, ze geloven vast dat ik opgecommandeerd ben om hier te staan. Dat maakt een flinke indruk!" En dus bleef hij op zijn ene been staan.

    Beneden op straat speelde een troepje kinderen en toen ze de ooievaars zagen zong een van de moedigste jongens, en daarna allen te zamen, het oude liedje van de ooievaars; ze zongen het, voor zover hij het zich kon herinneren:
    "Ooievaar, ooievaar,
    Vlieg weer naar je nest!
    Daar ligt je wijfje
    Met vier dikke jongen.
    De ene wordt gehangen,
    De tweede gespietst,
    De derde verbrand,
    En de vierde gaat binnenstebuiten!"
    "Hoor toch eens, wat die jongens daar zingen!" zeiden de kleine ooievaartjes. "Ze zeggen dat we gehangen en verbrand worden!"

    "Dat moeten jullie je niet aantrekken!" zei de ooievaarsmoeder. "Luister er maar niet naar, dan doet het er ook niet toe!"

    Maar de jongens bleven doorzingen en ze wezen met hun vinger naar de ooievaars. Alleen één jongen, hij heette Piet, zei dat het niet aardig was de dieren voor de gek te houden en hij wilde helemaal niet meedoen. De ooievaarsmoeder troostte haar jongen dan ook: "Trek het je niet aan!" zei ze. "Kijk eens hoe rustig jullie vader daar staat, en dat nog wel op één been!"

    "Wij zijn zo bang!" zeiden de jongen en zij trokken hun kopje diep in het nest terug.

    "Wacht es!" zei de ooievaarsmoeder. "Daar bedenk ik wat! Ik weet waar de vijver is, waar alle mensenkindertjes liggen tot de ooievaar ze komt halen om ze naar hun ouders te brengen. Die lieve kindertjes slapen en dromen zo heerlijk, als ze later nooit meer zullen dromen. Alle ouders willen graag zo'n kindje hebben en alle kinderen willen graag zo'n zusje of broertje hebben. Nu vliegen we naar de vijver en we halen er eentje voor ieder kind dat niet mee heeft gezongen en de ooievaar voor de gek gehouden; de andere kinderen krijgen er helemaal geen!"

    "Maar de jongen die met zingen begonnen is, die akelige nare jongen!" riepen de jonge ooievaars, "wat doen wij met hem?"

    "Er ligt in de vijver een dood kindje dat zich dood heeft gedroomd, dat zullen we meenemen voor hem. Dan moet hij huilen omdat we hem een dood broertje gebracht hebben. Maar die aardige jongen, die hebben jullie toch niet vergeten, die zei: het is niet lief dieren voor de gek te houden!, hem zullen we een broertje en een zusje brengen, en omdat die jongen Piet heette zullen jullie ook allemaal Piet heten!"

    En het gebeurde zoals ze gezegd had, en sindsdien heetten alle ooievaars Piet en zo heten ze nu nog.


                                            * * * einde * * *
    Bron : - "Sprookjes en vertellingen" door Hans Christian Andersen.
               Van Holkema & Warendorf, Bussum, 1975. ISBN: 90-269-0924-1
               - www.beleven.org

    30-03-2011 om 01:05 geschreven door saagje

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 0/5 - (0 Stemmen)
    Categorie:sprookjes
    » Reageer (6)
    22-03-2011
    nieuwsgierig héDe hond, die...
    De hond, die geen hond was
    - Een Nederlands sprookje over een in een hond betoverde prins -
    Er was eens een schipper en die voer met zijn schip over zee en toen verging het schip en hij kwam op een stuk hout aan land drijven. Hij was droevig, omdat hij zijn schip verloren had en toen kwam daar een zwarte hond bij hem en die vroeg hem, wat hem scheelde.

    "Och, je kunt me toch niet helpen," zei de schipper, maar de hond hield aan. "Ik zal het je maar zeggen," zei die, " ik kan je wel helpen." De schipper was bang, dat die hond de Duivel was en hield zijn mond, maar toen het beest volhield, zei hij het op het laatst toch en hij vertelde, dat hij zijn schip had verloren en nu geen nieuwe meer krijgen kon.

    "Bestel maar een schip," zei de hond, en de schipper bestelde een schip en toen ze dat aan het timmeren waren, liep de hond daar de hele tijd omheen, want hij moest het geld ervoor geven. Toen het schip klaar was, betaalde de hond het, maar het had nog geen zeilen en touwen.

    "Hoe moet ik daaraan komen?" vroeg de schipper aan de hond.

    "Hier heb je geld," zei de hond, "koop daar zeilen en touwen voor."

    En toen die erop waren, zei de schipper: "Nu heb ik nog geen knechten en geen eten om op reis van te leven." De hond gaf hem weer geld. "Koop daar eten voor en huur knechten."

    Dat deed de schipper en zo kwam hij klaar voor de reis. "Nu moet ik ook meevaren," zei de hond toen. Goed, en ze staken in zee. "Je moet maar al noord-aan zeilen," zei de hond. Goed, dat deed de schipper.

    Toen ze drie dagen gezeild hadden, zei de hond: "Je moet je gereed maken, we krijgen een storm van anderhalve dag." Goed, toen kregen ze ook die storm.

    En toen de storm over was, zei de hond: "Nu hebben we lange tijd mooi weer."

    En zo gebeurde het ook. Maar daarna zei de hond: "Nu krijgen we weer een storm van een dag of drie, maak je maar gereed." En het gebeurde weer, zoals de hond gezegd had.

    En nadat ze weer lange tijd mooi weer hadden gehad, zei de hond, dat er een storm van een week lang zou komen en dat ze het anker maar moesten laten vallen. Dat deed de schipper toen en die storm ging ook weer voorbij. "Nu hebben we net zo lang mooi weer, als we nog op zee zijn," zei de hond toen. En dat hadden ze ook.

    Ze voeren lange tijd door en toen vroeg de hond: "Zie je ook haast land?"

    "Nee," zei de schipper.

    "Zeil vooral noord-aan," zei de hond.

    Dat deed de schipper en na een dag of drie vroeg de hond weer, of de schipper nog haast geen land zag. "Nee," zei de schipper, "ik zie geen land, maar ik zie wel een groot vuur. Het lijkt de hel wel."

    "Nee," zei de hond, "het is de hel niet en het is ook geen vuur. Het is mijn vaders kasteel, dat is van goud en daar schijnt de zon op."

    Toen zeilden ze nog een dag of drie en daarna kwamen ze bij het land, maar ze konden niet dicht genoeg bij de wal komen, want het was daar niet diep genoeg. De hond zei, dat ze maar een boot uit moesten zetten en daar gingen ze toen mee naar het kasteel.

    Daar was geen mens en de hond zei: "Nu moet je drie kwade nachten uitstaan, maar hou je maar stil."

    "Goed," zei de schipper.

    De eerste nacht brak aan, en toen de kaarsen opkwamen, was er een kamer vol volk en ze grepen de schipper en kaatsten hem elkander toe, van de een naar de ander. Zo de gehele nacht door en toen de dag aanbrak was al dat volk weg en ze waren weer met hun beiden en des daags aten ze met hun beiden.

    Toen de kaarsen de tweede nacht weer opkwamen, ging het weer net zo en ze zeiden: - Dat is een mooie kaatsbal! En de derde nacht alweer zo. Maar toen zei de hond, dat het genoeg was, en ze kwamen in een kamer, waar een groot zwaard op tafel lag.

    "Daar moet je me de kop mee afhouwen," zei de hond toen. Maar dat zinde de schipper niet. "Nee, dat kan ik niet doen, je bent veel te goed voor me geweest," zei hij.

    "Je moet het toch doen," zei de hond, "anders moet jouw kop eraf."

    Toen deed de schipper het en toen de hond zijn kop er af was, werd hij een mens.

    "Zie je wel," zei hij, "zo is het beter. Mijn vader had mij in een hond omgetoverd en op zo'n manier moest ik weer een mens worden."

    De schipper was natuurlijk heel blij. En hij kreeg nog zoveel geld van de hond toe, dat hij daar zijn hele leven genoeg aan had. Hij bedankte de hond, maar die zei, dat het niet nodig was. "Ik mag jou wel bedanken," zei hij. En de schipper ging voort met zijn geld.


                                            * * * einde * * *
    Bron : - "Nederlandse sagen en volksverhalen" door Cor Bruijn. Fibula, Houten, 1989.
               Oorspr. titel: Nederlandse sagen. Ploegsma, Amsterdam, 1946. ISBN: 90-269-4419-5
               - www.beleven.org

    22-03-2011 om 00:46 geschreven door saagje

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 0/5 - (0 Stemmen)
    Categorie:sprookjes
    » Reageer (3)
    17-03-2011
    nieuwsgierig héHet meisje dat...
    Het meisje dat niet wilde trouwen
    - Een Swahili-sprookje over vooroordelen t.a.v. het huwelijk -
    Er was eens een man die drie dochters had. Twee van hen waren al uitgehuwelijkt maar de derde weigerde te trouwen. Op een dag kwam een aanbidder haar het hof maken. Hij vroeg haar vader om haar hand. Haar vader antwoordde: "Ik wil hierover geen beslissing nemen. Ga maar naar haar toe en vraag wat ze er zelf over denkt!"

    Die aanbidder riep haar kamermeisje en gaf haar veel geschenken. Daarna ging hij met het meisje zelf spreken. Ze dacht verschrikt: "Ik word uitgehuwelijkt!" en liep weg van huis om zich in het bos te verbergen. Niet lang daarna kwam een tweede vrijgezel om haar hand vragen, maar haar vader zei: "Ik heb geen huwbare dochter meer, ze is namelijk weggelopen omdat ze niet wil trouwen." De jongeman zei: "Ik zal haar gaan zoeken. Als ik haar vind en bij u terugbreng, mag ik dan met haar trouwen?" - "Als je haar vindt mag je haar houden," antwoordde de vader.

    De jongeman ging naar het bos. Het meisje had zich verborgen vlak bij een meer. Toen het meisje de jongeman zag naderen liep ze vlug weg. Hij rende haar achterna. Ze riep: "Alsjeblief meneer, blijf staan, waarom loop je me achterna?" Hij riep terug: "Ik zie een wonder. Ik kwam me verbergen in het bos en heb sinds lang geen meisje gezien. Nu zie ik een meisje dat voor me wegvlucht." Het meisje riep: "Heb je dan geen andere reden om hier door dit bos te hollen?" - "Toch wel," antwoordde de jongen, "mijn vader wil dat ik met een meisje trouw, maar daar heb ik helemaal geen zin in. Daarom ben ik eigenlijk naar het bos gekomen!" - "Ach," zei ze, "ook ik ben hier omdat ik niet wil trouwen." De twee sloten vriendschap.

    's Middags werd het bijzonder warm. Het meisje zei dat ze wilde zwemmen in het meer. Dat vond de jongen wel een goed idee en hij stelde voor: "Laat ons samen in het meer gaan." Ze antwoordde: "We kunnen samen zwemmen, maar je moet je rustig houden!" - "Ik ben al sedert mijn geboorte een uitgesproken rustig iemand," verzekerde de jongeman haar. Ze gingen beiden het water in.

    Maar toen de jongen de stevige borsten van het meisje zag werd hij vervuld door begeerte. Hij omhelsde haar steeds inniger en ook het meisje werd aangestoken door een vurig verlangen. Ze kwamen uit het water en de jongen fluisterde haar tedere woordjes in en liefkoosde haar zacht tot het meisje tevreden was, en hij ook.

    Na drie dágen van intens beminnen vroeg het meisje hem: "Wat is dit hier?" De jongen antwoordde: "Heb je ooit al eens van een huwelijk gehoord? Wel, een huwelijk is als dit." - "Als dit op een huwelijk lijkt wil ik onmiddellijk trouwen en liever vandaag dan morgen. Ik was gek vroeger, want ik geloofde de mensen die me zeiden dat het huwelijk iets slechts was. Ze zeiden me dat een echtgenoot zijn vrouw slaat en uitscheldt. Maar als een huwelijk is wat we hier al drie dagen doen, wil ik onmiddellijk naar mijn vader teruggaan en met je huwen."

    Haar vader was zeer opgelucht zijn dochter behouden weer te zien, vooral omdat ze haar afkeer voor het huwelijk had opgegeven. Ze trouwden nog diezelfde dag, ze hielden een groot feest en leefden in een mooi huisje samen als man en vrouw.


                                            * * * einde * * *
    Bron : - "Swahili sprookjes" samengesteld en vertaald uit het Swahili door Kris Berwouts.
               Uitgeverij Elmar, Rijswijk, 1993.
               - www.beleven.org

    17-03-2011 om 00:30 geschreven door saagje

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 0/5 - (0 Stemmen)
    Categorie:sprookjes
    » Reageer (4)
    10-03-2011
    nieuwsgierig héDe wollef en de seve geitjes
    De wollef en de seve geitjes
    - Het bekende sprookje in plat Amsterdams -
    Der ware es seve geitjes en op een dag mos de ouwe geit naar de markt om de bonkaarte te ferpatse en toen see se tegen de geitjes: "Jongens, moe mot effe weg, geen rottigheidjes uithale en as de wollef komp, zeg dan as dat ie dood ken falle en niet ope doen."

    "Das hartstikke krent," seeje de geitjes.

    "Das dan voor ze ruige roodkopere," see de ouwe, "Nou, de mazzel hoor."

    Toen de ouwe weg was, gonge de geitjes spelletjes doen en alles was kits tot er op de deur wies gerammeld.

    "Daar heb ie het gedonder in de glase!" riepe de geitjes.

    "Wat mot je?" vroeg er een.

    "Maak de deur es effe ope, knapie," see de wollef, die buiten sting en de boel wou vernaggele.

    "Je suster," seeje de geitjes, die hoorde dat het de wollef was. "We kijke wel uit hoor, laser maar op, hufter, neem je tante in de feiling."

    Affijn, de wollef drukte se porem, want ie foelde wel, dat de geitjes in de smiese hadde dattet een fuil bakkie was. Effe later kwam ie terug en see ie met een vrouwestem dat ze de deur ope moste make, want de tent zat nog steeds op slot. De geitjes dachte dat alles jofel was, maar eentje was er toch zo link om de wollef te vrage se poot te late sien, dus drukte ie se snor. Nou mossie wat anders versinne en ie douwde se jatte in 't meel, om se wit te late schijne.

    Toen de geitjes weer vroege om se grijpstuivers te late sien, doche se dat alles oke was en se seeje: "Goeje soep jongens, ope die tent."

    De wollef kwam binne en see: "Nou heb ik jullie an je staart, vuile stinkers."

    De geitjes schrokke sich 't laseres. De wollef sloeg se hallef lens en frat se op. Alleen 't sevende geitje was zo link om in de klok te duike en bleef daar sitte tot de wollef pleite was. 's Avonds kwam de ouwe geit in de lierum thuis en 't kleine geitje see dat die rottige wollef de andere ses in se muil hat gedouwd.

    "Soon een stuk schorem," see de ouwe geit, die er meteen gloeiend de schurft in kreeg. "Die rottigheid sal ik die goser es effe aflere!"

    De ouwe nam een end hout en gong met het geitje naar 't hol van de wollef, die met se folle pens voor pampus op se flooienbunker lei te snurken.

    "Heb jij me kindere opgevrete, loeder?"

    De wollef wier wakker en schrok se eige een rotje.

    "Be je belaserd," see die gauw: "Ik heb geen poot buite de deur geset."

    "Hij liegt dat ie barst," riep het geitje, "Ik heb het sellef gesien."

    De ouwe sprong naar de wollef toe en sloeg um met een opdonder se harsens in. De wollef lag meteen kassie weine en was in een mum van tijd de laan uit. De ouwe nam een neifie en snee de pens van de wollef ope.

    De ses geitjes spronge er meteen uit en songe: "Daar benne we weer!"

    "Jullie kenne van geluk spreke," see de ouwe: "Daar wasse jullie sowat de pieneut geweest."

    Om kort te gaan, se douwde de bast van de wollef vol met keie en se laserde um de majum in. De geitjes leefde nog lang en gelukkig.


                                              * * * einde * * *
    Bron : - http://www.meertens.nl/medewerkers/theo.meder/MagischeVlucht/inhoud.html
               - www.beleven.org

    10-03-2011 om 00:15 geschreven door saagje

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 0/5 - (0 Stemmen)
    Categorie:sprookjes
    » Reageer (6)
    06-03-2011
    nieuwsgierig héVan het zingende zeemeerminneke
    Van het zingende zeemeerminneke
    - Een sprookje van Nelly Kunst -
    Er was eens een vissersweduwe. Ze woonde met haar enige dochtertje in een klein huisje aan zee. Het meisje hield veel van de zee. Iedere dag speelde ze op het strand en in het water. Ze ging dikwijls zo ver, dat ze met moeite weer terug kon komen. De vissersvrouw had enige jaren geleden haar man verloren. Hij was verdronken op zee. Nu was ze bang, dat ook haar dochtertje zou verdrinken. Daarom sprak ze keer op keer:

    "Kind, wees toch voorzichtig. Het water sleurt je nog eens mee en dan kun je niet meer terugkomen. Ga toch niet te ver in zee!" Ze had echter geen tijd om voortdurend op haar dochtertje te letten. Ze moest iedere dag uit werken om de kost te verdienen. Op een middag, toen ze wat later dan anders thuiskwam, was het meisje nog niet thuis. Ongerust liep de moeder naar de zee en tuurde over het water. Maar ze zag haar kind nergens. Ze liep langs het strand en riep haar naam.

    Toen het avond begon te worden, had ze haar dochtertje nog niet gevonden. Diep bedroefd ging de arme moeder naar huis. Eensklaps klonk er een wondermooie stem uit de zee, die zong:
    "In mijn paleis, op de bodem der zee,
    spelen mijn kinderen heel tevree."
    De vissersvrouw liep snel terug naar het water. Daar zag ze een zeemeermin, met lange, losse haren, op de golven wiegen. "Hebt u mijn dochtertje ook gezien?" vroeg de moeder met angstige stem.

    "Ja, zeker," antwoordde de zeemeermin. "Uw dochtertje is meegenomen door de golven, maar ze is gezond en wel. Ze speelt met andere kinderen in mijn paleis op de bodem van de zee." De vrouw begon luid te snikken. "Geef mijn kind terug. Ze is alles, wat ik bezit," smeekte ze. De zeemeermin gaf geen antwoord. Ze zong en haar stem klonk galmend over het klotsende water.

    De moeder bleef smeken en toen kreeg de zeemeermin medelijden met haar. "Wat de zee genomen heeft, geeft ze niet terug. Maar ik wil toch iets voor u doen. Ik zal u meenemen naar het paleis. Dan kunt u zelf uw dochtertje zien. Durft u met mij mee?" - "O, ja," riep de vissersvrouw. "Dat durf ik wel!" De zeemeermin bracht haar naar de bodem van de zee. Daar stond een prachtig paleis, dat schitterde als kristal. Er straalde goud licht. De zeemeermin bracht de vrouw naar een klein kamertje. Daarin was een raampje, dat niet veel groter was dan een sleutelgat. "Kijk daar maar eens door," lachte de zeemeermin. Verwonderd gluurde de bedroefde moeder door het kleine raampje. Ze zag een grote zaal met lachende, spelende kinderen. Haar dochtertje was er ook bij. Het lachte en speelde heel tevreden, net als de anderen. Wat was de moeder gelukkig, toen ze zag, dat haar kind nog leefde. "Mag ik naar haar toe?" vroeg ze.

    "Nee," zei de zeemeermin. "Het kind is van de zee! En wat de zee genomen heeft, geeft ze niet terug!" - "Ach," smeekte de moeder verdrietig. "Mag ik hier dan blijven kijken?" - "Zo lang u dat wil," sprak de zeemeermin. Dagen en weken bleef de ongelukkige moeder door het kleine raampje kijken. Maar op een dag kon ze het niet langer volhouden en vroeg weer aan de zeemeermin: "Geef mij toch m'n kind terug. De zee heeft mijn man genomen en nu ook nog mijn kind. Ik ben zo alleen!" De zeemeermin kreeg medelijden en sprak:

    "Goed! Maar dan moet u eerst voor mij een mantel breien van uw eigen haar. Ik zal u een wonderdrank geven. Daar gaat uw haar sneller van groeien. U krijgt ook een paar fijne breipennen en een schaar." Dadelijk begon de moeder haar lange haar af te knippen en dronk toen een slok van de wonderdrank. Daarna zette ze steken op de pen en begon te breien.

    Het werd zo'n fijn weefsel, dat het lang zou duren, voor de hele mantel klaar zou zijn. Na een half jaar was de mantel gereed. De zeemeermin was zeer tevreden en bracht de vissersweduwe met haar kind terug naar het strand.


                                              * * * einde * * *
    Bron : - "Er was eens; bekende sprookjes van Nelly Kunst" door Nelly Kunst.
               - www.beleven.org

    06-03-2011 om 00:44 geschreven door saagje

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 0/5 - (0 Stemmen)
    Categorie:sprookjes
    » Reageer (3)
    17-02-2011
    nieuwsgierig héKat en muis samen thuis
    Kat en muis samen thuis
    - Een sprookje van Grimm -
    Een kat had kennis gemaakt met een muis en haar zoveel voorgespiegeld over haar grote liefde en vriendschap, dat de muis er vriendelijk in toestemde, met haar samen in één huis te wonen en samen ’t huishouden te doen. "Maar voor de winter moeten we voorraad opdoen, anders lijden we honger," zei de kat. "Jij, kleine muis, kunt je niet overal heen wagen, want dan kom je tenslotte nog in een val terecht."

    De goede raad werd opgevolgd, en een potje met vet aangeschaft. Ze wisten niet, waar ze het vet bewaren zouden; eindelijk, na lange uren nadenken, sprak de kat: "Ik weet niet waar je het beter zou kunnen bewaren dan in de kerk, want daar durft niemand iets weg te nemen; we zetten het onder ’t altaar en komen er niet eerder aan, dan wanneer de nood aan de man komt."

    Het potje werd dus in veilige bewaring gebracht; maar het duurde niet lang, of de kat kreeg er zo’n trek in, en hij sprak tot de muis: "Wat ik nog zeggen wou, muisje, mijn nichtje heeft gevraagd of ik peet wou zijn; ze heeft een zoontje gekregen, wit met bruine vlekjes, en dat moet ik ten doop houden. Laat mij vandaag uitgaan, dan kun jij ’t huishouden wel eens alleen doen vandaag." - "Ja, best," gaf de muis ten antwoord, "ga in Gods naam; en als je wat lekkers krijgt, denk dan aan me; die heerlijke zoete kandeel, daar zou ik best wat van willen hebben."

    Maar ’t was niet waar, de kat had helemaal geen nichtje en was niet als peet gevraagd. Hij ging rechttoe rechtaan naar de kerk, sloop naar het potje met vet, begon te likken en likte er het bovenste vel af. Toen ging hij een wandeling maken over de daken van de stad, keek overal eens rond, strekte zich toen heerlijk uit in ’t zonnetje en likte zich z’n snorrebaard zodra hij weer aan dat vetpotje dacht. Pas toen de avond viel, kwam hij weer naar huis. "Zo, ben je daar weer," zei de muis, "je hebt zeker een prettige dag gehad." - "Dat ging wel," antwoordde de kat. "En wat voor naam heeft het kind gekregen?" vroeg de muis. "Velaf," zei de kat droogjes. "Velaf!" zei de muis, "wat is dat een wonderlijke en rare naam; is die in de familie gebruikelijk?" - "Hoezo?" zei de kat, "het is niet erger dan Knabbeldief, zoals jouw familie heet."

    Niet lang daarna overkwam het de kat weer, dat hij zo’n trek kreeg. Hij zei tegen de muis: "Je moet me een plezier doen en nog eens de huishouding alleen doen vandaag. Ik ben weer gevraagd om peetoom te zijn, en het kind heeft een witte ring om zijn hals, dus afslaan kan ik het niet." De goede muis vond het best, maar de kat sloop achter de stadsmuur om naar de kerk en at het vetpotje half leeg. "Niets smaakt beter," zei hij, "dan wat je alleen eet," en hij was zeer voldaan over zijn dagtaak. Toen hij thuiskwam, vroeg de muis: "En hoe was de doopnaam van het kind?" - "Halfop," zei de kat. "Halfop! Wat je zegt. Die naam heb ik van mijn levensdagen nog niet gehoord; ik wed, dat hij niet eens in de kalender staat."

    Weldra begon de kat weer te watertanden van honger naar de lekkernij. "Alle goede dingen bestaan in drieën," sprak hij weer tot de muis, "nu moet ik weer peet zijn; en het kind is helemaal zwart met witte pootjes, verder heeft het geen wit haartje over z’n hele lijfje, dat komt maar eens in de paar jaar voor, je vindt toch ook dat ik gaan moet?" - "Velaf, Halfop," zei de muis, "het zijn zulke bijzondere namen, ik moet er steeds over peinzen." - "Jij zit maar thuis in je donkergrijze pelsjas met je lange pruik," sprak de kat, "en vangt muizenissen; dat komt ervan als je overdag nooit eens uitgaat." De muis ruimde, toen de kat afwezig was, het hele huis keurig op, maar de snoepgrage poes at het hele vetpotje leeg. "Als alles helemaal schoon op is, dan heeft men pas rust," zei hij bij zichzelf, en kwam rond en dik pas diep in de nacht terug. De muis vroeg dadelijk naar de naam van het petekind. "Die zal je ook wel niet bevallen," zei de kat, "hij heet Schoonop." - "Schoonop!" riep de muis, "dat is toch wel de raarste naam die ik gehoord heb, gelezen heb ik hem zeker nooit. Schoonop! Wat moet dat betekenen?" Hij schudde z’n kop, rolde zich ineen en ging slapen.

    Sindsdien wilde niemand de kat meer als peetoom hebben, maar toen het winter geworden was en er buiten niets meer te vinden was, dacht de muis aan de inmaak en sprak: "Kom, poes, we zullen eens naar onze vetpot gaan; wat we opgespaard hadden, dat zal smaken." - "Jawel," zei de kat, "dat zal smaken, alsof je je tong uit ’t venster steekt." Ze gingen samen op weg, en toen ze de plaats van hun bestemming hadden bereikt, stond het potje er wel, maar het was leeg. "Ach," zei de muis, "nu zie ik wat er gebeurd is, nu komt alles uit! Dat is ook de ware vriendschap! Opgegeten heb je alles, toen je peet moest staan: Velaf, dan Halfop, dan…" - "Wil je wel een zwijgen!" riep de kat, "nog één woord en ik eet je op!" - "Schoonop!" had de arme muis al op de tong. Nauwelijks had zij het gezegd of de kat sprong op haar af, pakte haar beet en verslond haar. Zo gaat het in de wereld.


                                              * * * einde * * *
    Bron : - "De sprookjes van Grimm; volledige uitgave" vertaald door M.M. de Vries-Vogel.
               Unieboek BV - Van Holkema & Warendorf, Weesp, 1984.
               - www.beleven.org

    17-02-2011 om 00:00 geschreven door saagje

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 0/5 - (0 Stemmen)
    Categorie:sprookjes
    » Reageer (6)
    15-02-2011
    nieuwsgierig héSchraalhans keukenmeester
    Schraalhans keukenmeester
    - Een wijze les van Gerard Reve over bijzondere eetgewoontes -
    Beste jongens en meisjes! Jullie hebben natuurlijk allemaal heerlijk gegeten vanavond, maar hebben jullie er wel eens over nagedacht hoeveel werk er verzet moet worden voordat al die overheerlijke spijzen en toetjes in evenzovele dampende schotels op jullie tafeltjes staan?

    Sommige mensen koken weer heel uiteenlopend en jullie hebben natuurlijk allemaal wel eens gehoord dat in diverse landen en volken de zeden en gewoonten heel verschillend zijn. Het Vlaams is bijvoorbeeld meer zoals het wordt uitgesproken. In het ene land eten ze het loof en gooien ze de knol weg, maar in het andere land, daar eten ze juist alleen de knol en laten ze het groen liggen. Er zijn natuurlijk ook landen waar ze alles opeten: de knol en het groen, allebei dus, al dan niet smakelijk toebereid. Van een rammenas bijvoorbeeld kun je plakjes op je brood doen. Soms lijkt een rammenas op iets heel anders.

    In die landen waar ze dus alles opeten, daar eten ze dus ook de maag, de darmen, de Geheime Delen, de oren, de kop en ook het gehemelte. Maar ze eten natuurlijk niet ècht alles, want er zijn ook dingen die je niet kunt eten. Die noemen we vergiftig, of ze zijn vaak vies, zoals haarballen, oude kammen, haarzakjes of uitgekakte drollen van vleeseters en van alleseters. Soms lijkt een drol op iets heel anders. Dan is het een rammenas of nog iets heel anders. Daarom ben ik ook een alleseter.

    Drollen van planteneters daarentegen zijn niet vies, maar ze hebben geen nut, want een drol, daar is al het waardevolle allang uitgehaald door de wonderbaarlijke economie van het menselijk lichaam, dat 129 keer zo economisch werkt als de zuinigst rijdende automobiel. Want de mensen gooien veel te gauw alles weg, door de welvaart!

    Laatst hoorde ik bijvoorbeeld bij mensen, daar was een oude haarkam uit een verzorgingshuis middenin een schaal met bitterkoekjespudding gevallen. Toen was die pudding niet kosjer meer en ze wilden hem niet meer eten. Ik zei nog tegen die mensen: "Je kan toch tot vlak om die kam heen eten?" Maar ze zeiden: "Het is het idee, het oog wil ook wat." Terwijl je niks kon zien! Want die kam was helemaal naar onderen in de diepte naar beneden gezakt. Ze hadden die pudding dus nog net zo goed gewoon aan de buren kunnen geven, waar of niet? Ik zeg maar: "Tast toe! Smakelijk eten!"


                                              * * * einde * * *
    Bron : - "Ik bak ze bruiner. Gerard Kornelis van het Reve leest 4 eigen sprookjes"
               uitgegeven als EP door Catfish Records, 1969, LP-nummer: 5C 023-24110 M
               - www.beleven.org

    15-02-2011 om 00:07 geschreven door saagje

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 0/5 - (0 Stemmen)
    Categorie:sprookjes
    » Reageer (6)
    11-02-2011
    nieuwsgierig héDe twee bultenaren
    De twee bultenaren
    - twee bultenarenEen Turks sprookje over feeën in een badhuis -
    Er was ooit, of was er nooit? Ja ooit, in vroegere tijden, toen de zeef nog in het stro lag, toen de kameel nog boodschapper en de vlieg nog kapper was, toen waren er twee bochelaars; ze waren vrienden. Hun bochelruggen waren zo krom dat hun neuzen bijna de grond raakten.

    Op zekere dag ging een van die bochelaars naar het badhuis. Omdat hij dacht dat van goed wassen zijn bochel misschien wel kleiner zou worden, bleef hij zich maar wassen tot het avond werd. Terwijl iedereen al lang weer naar huis was gegaan, bleef hij zich wassen. Zelfs de badmeester was de arme bochelaar helemaal vergeten, had het badhuis afgesloten en was weggegaan. Nu was er niemand meer behalve de bochelaar. Deze had er helemaal geen idee van dat het al avond was geworden. Toen hij eindelijk klaar was met wassen, kwam hij uit bad, kleedde zich aan en pas toen hij de deur uit wou gaan, bemerkte hij tot zijn schrik dat deze op slot zat. De arme man riep en schreeuwde uit alle macht, maar ten slotte besefte hij dat er niemand meer was. Hij ging in de hoek op een muurbank zitten om de nacht door te brengen.

    De tijd verstreek en de bochelaar werd moe. Hij ging liggen en viel in slaap. Midden in de nacht brak er een hels kabaal los. De bochelaar schrok wakker. Hij keek om zich heen. En wat zag hij daar! Het badhuis liep vol met mannen. Maar nee, dat waren geen mensen zoals iedereen ze kent, het waren feeën. Ze kleedden zich allemaal uit en begonnen zich te wassen. Na het wassen maakten ze een grote kring. En ze dansten en sprongen in het rond.

    Terwijl ze stampend ronddansten zongen ze op de maat steeds maar weer: "Het is woensdag, woehoensdag." De bochelaar vond hun rondedans zo leuk, dat hij ging meedoen en "het is woensdag, woehoensdag" ging meezingen. Nu wist hij dat het in werkelijkheid die dag geen woensdag, maar donderdag was. Maar hij paste zich aan en zei ook steeds: "Het is woensdag, woehoensdag."

    Tot de ochtend dansten ze springend rond. Toen de hemel licht begon te worden kleedden de feeën zich weer aan en maakten zich klaar om te vertrekken. Maar precies op het moment dat ze naar buiten zouden gaan, draaiden ze zich om naar de bochelaar en zeiden: "Jij hebt je aan ons aangepast. Jij hebt ook de hele tijd 'woensdag' gezegd. We willen daarom graag iets voor je terug doen."

    Toen sloegen ze één voor één eerst op de bochel op zijn rug en dan op de muur, en waren daarna verdwenen. Op zijn rug was helemaal niets meer over van de bochel, hij was weer recht van lijf en leden.

    's Ochtends kwam de badhuismeester en deed het badhuis open. De man ging zonder zich aan de badmeester te laten zien de deur uit en liep naar huis. Maar degenen die hem onderweg zagen bleven stomverbaasd staan kijken. Toen zijn vriend, de andere bochelaar, hem zag, vroeg die meteen: "Wat heb je gedaan? Hoe komt het dat je bochel weg is?" En de man vertelde wat hem was overkomen. De tweede bochelaar dacht toen: Ik ga ook een keer op donderdag naar het badhuis.

    Toen het weer donderdag werd ging de tweede bochelaar 's ochtends vroeg naar het badhuis. Hij waste en waste zich tot het avond werd. De badmeester vergat ook hem, sloot het badhuis af en ging weg. De man ging op de bank zitten, en ten slotte ging hij ook liggen en viel in slaap. Weer werd het middernacht. Toen schrok ook deze bochelaar wakker van een enorm lawaai: hij deed een oog open en zag dat het hele badhuis vol was met feeën. De man werd blij en dacht: "Daar heb je ze dus, oké, dat klopt."

    Op dat moment begonnen de feeën zich allemaal te wassen. Dat vond de man maar raar: "Wassen is iets voor mensen, toch niet voor feeën!" en hij begon ze uit te lachen. De feeën werden erg kwaad op hem, maar ze zeiden helemaal niets.

    Na het wassen vormden zij weer een grote kring en begonnen te dansen en "het is woensdag, woehoensdag" te zingen. Daar klopte volgens de bochelaar niets van en hij begon tegen hun in "het is donderdag, donderdag" te zingen. En als de feeën naar rechts draaiden, dan draaide hij naar links, en als de feeën naar links dansten, dan danste hij expres naar rechts.

    Toen werd het ochtend. De feeën kleedden zich aan en toen ze wilden vertrekken zeiden ze: "Hé, mensenkind, wat wij ook zeiden en wat wij ook deden, jij zei en deed precies het tegenovergestelde. We zullen je jouw beloning geven." Allemaal gaven ze hem, één voor één, een tik op de rug en ze verdwenen. Maar de tweede bochelaar voelde dat het gewicht op zijn rug was verdubbeld: er was nog een bochel bijgekomen.

    Zodra de badmeester 's ochtends het badhuis opendeed, glipte de man naar buiten. Hij ging zijn vriend zoeken. Die verbaasde zich toen hij hem zo zag en vroeg: "Wat heb je in vredesnaam gedaan, dat je bochel verdubbeld is?"

    Tja, toen vertelde de tweede bochelaar alles wat hij had gedaan. Maar de eerste bochelaar, die geen bochelaar meer was, zei: "Maar vriend, ik deed precies hetzelfde als die feeën, terwijl jij het tegenovergestelde deed."

    Die arme bochelaar had nu wel spijt van wat hij had gedaan. Maar ja, het was te laat. Zijn leven lang heeft hij verder met die twee zware bochels op zijn rug gelopen.


                                              * * * einde * * *
    Bron : - "Volksverhalen uit kleurrijk Nederland. Draken en andere vreemde wezens. Verhalen uit de Chinese, Joodse,
               Nederlandse, Indiase, Turkse, Surinaamse, Marokkaanse en Indonesische verteltraditie"
               verschenen bij Uitgeverij Lemniscaat, Rotterdam, 1991.
               - www.beleven.org

    11-02-2011 om 00:51 geschreven door saagje

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 0/5 - (0 Stemmen)
    Categorie:sprookjes
    » Reageer (14)
    10-02-2011
    nieuwsgierig héDe smid van Fumel(einde)
    De smid van Fumel - einde
    - Een Frans sprookje over een smid en een droevige prinses -
    Toen nu de 'Droevige Prinses' hem, die zich haar toekomstige echtgenoot noemde, daar voor zich zag staan met de krekel, zwart als roet, geankerd op zijn kin, de kleine rat geankerd op zijn muts, en de moeder der vlooien geankerd op het puntje van zijn neus, schaterde ze het op eens uit van het lachen. "Hendrik IV," zei toen de smid van Fumel, "de eerste helft van het werk is mij al gelukt! De 'Droevige Prinses' heeft voor het eerst van haar leven hartelijk gelachen."

    "Smid van Fumel, je hebt gelijk! Ga nu mee naar de stal, en besla alle vier de poten van mijn groot wit paard IJzerbreker."

    "Hendrik IV, ik ben tot je dienst."

    Alle omstanders volgden hen nu naar de stal. Daar aangekomen, nam de smid van Fumel zijn leren ransel en haalde daaruit zijn hamer, de vier zilveren hoefijzers en de achtentwintig gouden hoefnagels te voorschijn. Hendrik IV en de Droevige Prinses zetten grote ogen op, toen ze dit zagen! "Smid van Fumel, die hoefijzers en die hoefnagels hebben huns gelijke niet op de gehele wereld!" - "Droevige Prinses, ik ben dan ook geen gewone smid. Aan goud en zilver heb ik geen gebrek! Hendrik IV, ik ben geen gewone smid. Je zult eens zien, wat ik ga doen."

    Maar het grote witte paard 'IJzerbreker' wou niets van hem weten. Het schudde zijn kop, het schopte, en het hinnikte zo hard, dat je 't zeven mijlen in de omtrek kon horen. "Krekel, doe je plicht!"

    Dadelijk sprong nu de krekel in het oor van het grote witte paard en begon zijn eentonig liedje te zingen. "Kri, kri, kri, kri, kri, kri, kri, kri, kri." Geheel overbluft door dit ongewone geruis in zijn oor, hield het paard weldra op met springen, schoppen, kopschudden en hinniken. Zacht als een lam, boog het de kop naar beneden.

    "Kleine rat, doe je plicht!"

    Dadelijk sprong nu de kleine rat op de neus van het paard en begon hem de geur van de tabaksbladeren, die ze gegeten had, in de bek en in de neusgaten te ademen. De sterke tabaksgeur maakte het paard suf, en het viel in slaap. Nu besloeg de smid van Fumel zijn vier poten, legde een zadel op zijn rug, greep de teugels en sprong zonder aarzelen op het wilde paard. "Hop, hop, paardje, vooruit!"

    Het grote witte paard werd wakker, sprong op en wou er woest van doorgaan. Maar de smid van Fumel trok aan de teugels en commandeerde: "Halt!" En het paard gehoorzaamde aan de teugels en aan zijn stem. Het stond opeens onbeweeglijk stil. "Hendrik IV, nu heb ik ook de tweede helft van mijn opdracht volbracht. Ik heb al de vier poten van het grote, wilde witte paard 'IJzerbreker' beslagen, en meteen het beest getemd. Maak mij thans tot je schoonzoon en erfgenaam."

    "Smid van Fumel, je hebt recht op de beloning, door mij uitgeloofd. Je huwelijk met de prinses zal nog deze morgen worden voltrokken. Intendant, ga vlug de geestelijke roepen. En gij, knechten en dienstmaagden, zorgt dat er dadelijk een schitterende bruiloftsmaaltijd wordt aangericht!"

    En zo gebeurde het. Nooit is er in heel Frankrijk een grootser bruiloft gevierd geworden en nooit en nergens zal ooit een bruiloft worden gevierd, grootser dan de bruiloft van de smid van Fumel en de prinses, die nu geen 'Droevige Prinses' meer was.


                                              * * * einde * * *
    Bron : - "Oud-Fransche sagen, volksoverleveringen en sprookjes" bijeengebracht door S. Troelstra-Bokma de Boer.
               W.J. Thieme & Cie, Zutphen, 1930, p. 19-24.
               - www.beleven.org

    10-02-2011 om 00:13 geschreven door saagje

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 0/5 - (0 Stemmen)
    Categorie:sprookjes
    » Reageer (21)
    09-02-2011
    nieuwsgierig héDe smid van Fumel(vervolg)
    De smid van Fumel - vervolg
    - Een Frans sprookje over een smid en een droevige prinses -
    Drie uur later gebruikte hij zijn middagmaal aan de kant van de weg, en in het veld aan de overkant knabbelde een kleine rat op een tabaksblaadje.

    "Kwiek, kwiek, kwiek, dag smid van Fumel!"

    "Dag kleine rat, wat is er van je dienst?"

    "Kwiek, kwiek, kwiek, smid van Fumel, ik wou graag weten waar je naar toe gaat."

    "Kleine rat, ik ga naar Nérac om de 'Droevige Prinses' aan het lachen te brengen en om alle vier de poten van het wilde paard 'IJzerbreker' te beslaan."

    "Kwiek, kwiek, kwiek, neem mij mee, smid van Fumel. Misschien kan ik je van dienst zijn."

    "Met plezier, kleine rat, vooruit! Hop! Anker je maar vast en stevig boven op mijn muts."

    Zo gezegd, zo gedaan; en de smid van Fumel zette zijn reis weer voort met de krekel, zwart als roet, geankerd op zijn kin en de kleine rat, geankerd boven op zijn muts.

    Diezelfde avond snorkte hij als een gelukkig mens tussen twee heldere lakens in een herberg te Agèn. Maar bij het aanbreken van de dag schrikte hij opeens wakker door een prik in zijn neus.

    "Smid van Fumel, sta op, sta op! Je hebt lang genoeg geslapen, jij luilak!"

    "Zeg, wie ben jij, die daar praat? Ik hoor je wel, maar ik zie je niet."

    "Smid van Fumel, ik ben de moeder der vlooien en ik heb mij vast en stevig geankerd op het puntje van je neus. Smid van Fumel, ik wou graag weten, waar je naar toe gaat."

    "Moeder der vlooien, ik ga naar Nérac om de 'Droevige Prinses' aan het lachen te maken en om alle vier de poten van het wilde witte paard 'IJzerbreker' te beslaan. Als mij dit gelukt, word ik de schoonzoon en erfgenaam van Koning Hendrik IV."

    "Smid van Fumel, neem mij mee. Ik kan je misschien van dienst zijn."

    "Met plezier, moeder der vlooien. Blijf maar stevig geankerd zitten op het puntje van mijn neus."

    Zo gezegd, zo gedaan! De smid van Fumel zette zijn reis voort met de krekel, zwart als roet, geankerd op zijn kin, de kleine rat geankerd op zijn muts, en de moeder der vlooien, geankerd op het puntje van zijn neus.

    Drie uur na het opgaan van de zon zat de smid van Fumel al te Nérac op een stene bank, vlak naast de ingangspoort van het kasteel van de koning. Al de knechten en dienstmaagden kwamen naar buiten en ze lachten, toen ze hem zagen.

    "Smid van Fumel, wat kom je hier doen?"

    "Beste vrienden, ik wens koning Hendrik IV en de 'Droevige Prinses' mijn opwachting te maken."

    "Smid van Fumel, kijk, daar komen ze juist uit de mis."

    De smid van Fumel begroette de prinses zonder enige verlegenheid. "Dag Droevige Prinses," zei hij, "ik ben hier naar toe gekomen om je aan het lachen te maken. Dag Hendrik IV! Ik ben hier naar toe gekomen om al de vier poten van je wild wit lievelingspaard 'IJzerbreker' te beslaan. En dan wou ik daarna graag je schoonzoon en erfgenaam worden."


                                        * * * wordt vervolgd * * *
    Bron : - "Oud-Fransche sagen, volksoverleveringen en sprookjes" bijeengebracht door S. Troelstra-Bokma de Boer.
               W.J. Thieme & Cie, Zutphen, 1930, p. 19-24.
               - www.beleven.org

    09-02-2011 om 00:21 geschreven door saagje

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 0/5 - (0 Stemmen)
    Categorie:sprookjes
    » Reageer (7)
    08-02-2011
    nieuwsgierig héDe smid van Fumel
    De smid van Fumel
    - Een Frans sprookje over een smid en een droevige prinses -
    In het plaatsje Nérac, de hoofdstad van het département Lot-et-Garonne, woonde vroeger een koning. Hij heette Hendrik IV en hij was zo rijk als de zee, zo liefdadig als een priester, zo dapper als een leeuw, en zo rechtvaardig als goud. Toch was de arme koning niet gelukkig. Dag en nacht hoorde men hem zuchten: "Ach, zelfs een galeiboef is minder te beklagen dan ik! Wel heb ik een dochter, schoon als de jonge dag en zachter dan een heilige, maar ach, ze is zo treurig, zo treurig, dat het nog geen enkele jonkman heeft mogen gelukken, haar ook maar één ogenblik te doen lachen! Ze is en blijft treurig, en daarom noemt mijn volk haar de 'Droevige Prinses'.

    Verder bezit ik weliswaar zevenhonderd prachtige raspaarden, zwart en glanzig als git, maar het grote witte paard, dat ik veel meer liefheb dan al die zevenhonderd anderen, is zo wild, dat het geen smid ter wereld nog ooit heeft mogen gelukken, het aan alle vier poten te beslaan. En daarom noemt mijn volk dit paard 'De IJzerbreker'. Nee, zelfs een galeiboef is minder te beklagen dan ik!"

    Eindelijk kon Hendrik IV het niet langer uithouden! "Er moet een eind komen aan deze toestand! "riep hij uit en hij liet de stadstrommelslager roepen. "Trommelslager, ziehier duizend goudstukken. Ga heen en trek door het ganse land, aldoor trommelend en aldoor uitroepend: 'De man, die het gelukt de Droevige Prinses een enkele keer te doen lachen en die verder in staat blijkt te zijn, al de vier poten van 's konings lievelingspaard IJzerbreker te beslaan, zal de schoonzoon en erfgenaam worden van koning Hendrik IV."

    "Koning, ik zal uw bevel getrouwelijk opvolgen!" Zo gezegd, zo gedaan, de man trok al trommelend en overal zijn boodschap uitroepend, door het gehele land, en van alle zijden kwamen prinsen, graven en hertogen naar Nérac, om te beproeven of het hun misschien mocht gelukken, aan de eisen van de koning te voldoen. Maar geen van allen kon ook maar het kleinste glimlachje te voorschijn roepen op het gelaat van de schone prinses, en nog minder gelukte 't hun, het wilde witte paard te beslaan.

    In die tijd woonde te Fumel een jonge, sterke smid met zijn oude moeder. "Moeder," zei de smid eens onder het avondeten, "morgen ga ik naar Nérac. Ik weet heel zeker dat ik de Droevige Prinses aan het lachen zal kunnen brengen en dat het me ook zal gelukken, al de vier poten van de wilden IJzerbreker te beslaan. Op die manier word ik dan de schoonzoon en erfgenaam van Hendrik IV."

    "Beproef het, mijn zoon, en dat de goede God u geleide."

    Terwijl de oude vrouw dien nacht rustig lag te slapen, haalde de jonge smid al het geld, dat hij bezat - honderd kronen van zes pond en vijftig louis d'or, tevoorschijn uit zijn koffer, en smeedde uit de honderd kronen van één pond vier prachtige zilveren hoefijzers. En uit de vijftig louis d'or vormde hij acht en twintig gouden hoefnagels, zeven voor elk hoefijzer. Tegen zonsopgang was hij met alles gereed, en de smid van Fumel ging op weg naar Nérac, met zijn leren ransel op zijn rug.

    In die ransel bevond zich een brood, een veldfles vol wijn, een hamer, de vier zilveren hoefijzers en de achtentwintig gouden hoefnagels. Drie uur later zat hij te ontbijten aan de kant van de weg. En in het korenveld aan de overzij zong een krekel, zo zwart als roet: "Kri, kri, kri, dag smid van Fumel!"

    "Dag, krekel, wat is er van je dienst?"

    "Kri, kri, kri, smid van Fumel, ik wou graag weten, waar je naar toe gaat."

    "Krekel, ik ga naar Nérac om de 'Droevige Prinses' aan het lachen te maken en om alle vier de poten van het grote witte paard 'IJzerbreker' te beslaan. Als mij dit gelukt, word ik de schoonzoon en erfgenaam van Koning Hendrik IV." "Kri, kri, kri, neem mij mee, smid van Fumel! Misschien kan ik je van dienst zijn."

    "Met plezier, Krekel! Anker je maar vast en stevig op mijn kin."

    Zo gezegd, zo gedaan, en de smid van Fumel zette zijn reis weer voort, met de krekel, zwart als roet, geankerd op zijn kin.


                                        * * * wordt vervolgd * * *
    Bron : - "Oud-Fransche sagen, volksoverleveringen en sprookjes" bijeengebracht door S. Troelstra-Bokma de Boer.
               W.J. Thieme & Cie, Zutphen, 1930, p. 19-24.
               - www.beleven.org

    08-02-2011 om 00:00 geschreven door saagje

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 0/5 - (0 Stemmen)
    Categorie:sprookjes
    » Reageer (11)
    05-02-2011
    nieuwsgierig héKoning Merelbaard(slot)
    Koning Merelbaard (slot)
    - Een sprookje over de vernedering van een hoogmoedige prinses -
    Een paar dagen leefden ze zo op deze manier zo goed en zo kwaad als het ging en aten hun hele voorraad op. Toen zei de man: "Vrouw, dat gaat zo niet, alleen maar opeten en niets verdienen; jij moet maar manden gaan vlechten." Hij ging uit en sneed wilgentenen en bracht haar die thuis; ze trachtte te vlechten; maar de harde staken maakten haar tere handen vol wonden. "Ik zie wel dat dat niet gaat," zei de man, "probeer dan maar te spinnen, misschien gaat dat beter."

    Ze ging zitten en poogde te spinnen, maar de harde draad sneed haar zo in haar tere huid, dat 't bloed erlangs drupte. "Zie je," zei de man, "voor geen enkele arbeid deug je, ik ben slecht uit met jou. Wat ik nu wil proberen is, een handeltje in potten en pannen op te zetten, ga dan naar de markt en verkoop ze."

    "Ach," dacht ze, "als dan op de markt mensen komen uit 't land van vader, en ze zouden me daar zien zitten en potten en pannen verkopen, wat zullen ze me dan voor de gek houden!"

    Maar er hielp niets aan, ze moest zich wel schikken, wilde ze niet van honger omkomen. De eerste keer ging het heel goed, want de mensen kochten graag van zo'n knappe vrouw, en ze betaalden haar wat ze vroeg, ja sommigen gaven haar geld en lieten haar de waren houden. Van die verdiensten leefden ze zo lang het duurde, en de man kocht weer een grote hoeveelheid nieuwe potten in. Daar ging ze mee op de hoek van de markt zitten, stalde het rond zich uit en bood ze te koop aan.

    Opeens kwam er een dronken huzaar over de markt jagen, hij reed juist door haar potten en alles sprong in duizend scherven. Ze begon te schreien en wist van angst niet, wat ze moest beginnen. "O, wat zal er nu gebeuren!" riep ze, "en wat zal mijn man zeggen!"

    Ze liep naar huis en vertelde hem het ongeluk. "Wie gaat er nu ook op de hoek van de markt zitten met breekbare waar!" zei de man. "Huil nu maar niet, ik zie wel dat je voor geen enkel werk geschikt bent. Nu ben ik in het slot van onze koning geweest en ik heb gevraagd of ze geen keukenmeisje konden gebruiken, en ze hebben beloofd dat ze je nemen zouden: vrije kost."

    Nu werd de prinses keukenmeid, moest doen wat de kok zei en het vuilste werk doen. In allebei haar zakken stopte ze een potje, waar ze alles in deed wat ze aan restjes kon verzamelen; en dat was hun voedsel.

    Toen gebeurde het, dat de bruiloft van de oudste prins gevierd zou worden; het arme mens liep naar boven om van achter de zaaldeur een kijkje te nemen. Toen de lichten waren ontstoken en de gasten, de één nog fraaier uitgedost dan de ander, binnenkwamen, en alles vol pracht en heerlijkheid was, dacht zij bedroefd aan haar lot en verwenste haar trots en haar overmoed, die haar ten val hadden gebracht en oorzaak waren van haar bittere armoede. Van de heerlijke gerechten die in- en uitgedragen werden, wierpen de lakeien haar soms resten toe, ze deed de brokken in de voorraadpotjes in haar schort en wilde dat stil naar huis meenemen.

    Opeens was daar de zoon van de koning, hij was gekleed in zijde en fluweel en had een gouden keten om de hals. Toen hij de schone vrouw aan de deur zag staan, greep hij haar hand en vroeg haar ten dans, en ze schrok, want ze zag opeens dat het koning Merelbaard was, die naar haar hand gedongen had en die zij met een spotnaam had afgescheept. Zij weigerde, maar haar tegenstreven gaf niets, hij trok haar in de zaal, daar scheurde de band, waarmee ze de potjes bevestigd had en ze rolden de zaal in en de soep en de brokken bemorsten de vloer.

    Toen de mensen dat zagen ontstond er een algemeen gelach en gehoon; en ze was zo beschaamd, dat ze zich liever duizend mijl onder de grond had gewenst. Ze vloog naar de deur en wilde ontsnappen, maar nog op de trap haalde iemand haar in en hij bracht haar weer naar de zaal, en toen ze hem aankeek, was het weer koning Merelbaard.

    Hij zei vriendelijk tegen haar: "Wees niet bang; ik en de bedelaar die met u in het armoedig hutje gewoond heeft, zijn één en dezelfde persoon, ter wille van jou heb ik me zo verkleed en de huzaar die je potjes en pannetjes in gruzelementen reed, dat was ik ook. Dat alles is gebeurd om je hoogmoed te breken, waarmee je mij bespot had."

    Toen begon ze bitter te schreien en zei: "Groot onrecht heb ik tegen je gedaan en ik ben 't niet waard, je vrouw te zijn."

    Maar hij zei: "Troost je, de boze dagen zijn nu voorbij; nu gaan we onze bruiloft vieren."

    Daar kwamen de kamerjuffers aan en kleedden haar in de prachtigste gewaden, en haar vader kwam, en het hele hof en ze wensten haar geluk met haar huwelijk, en met koning Merelbaard, en dat begon nu pas. Ik wou dat jij en ik er ook bij geweest waren.


                                              * * * einde * * *
    Bron : - "De sprookjes van Grimm; volledige uitgave" vertaald door M.M. de Vries-Vogel.
               Unieboek BV - Van Holkema & Warendorf, Weesp, 1984.
               - www.beleven.org

    05-02-2011 om 00:00 geschreven door saagje

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 0/5 - (0 Stemmen)
    Categorie:sprookjes
    » Reageer (6)
    04-02-2011
    nieuwsgierig héKoning Merelbaard
    Koning Merelbaard
    - Een sprookje over de vernedering van een hoogmoedige prinses -
    Er was eens een koning, en hij had een dochter. Zij was zeldzaam mooi, maar ook zo trots en overmoedig, dat er geen vrijer goed genoeg was. De één na de ander wees ze af, en bovendien bespotte ze hen nog. Eens liet de koning een groot feest aanrichten, en nodigde daartoe van nabij en van verre de jonge mannen uit, die nu wilden trouwen. Ze werden allen op een rij geplaatst, naar rang en stand. Eerst de koningen, dan de hertogen, de vorsten, graven en baronnen, tenslotte de edellieden. Nu werd de prinses langs de rijen geleid; maar er was niemand op wie ze niet wat aan te merken had. De één was te dik: "Een wijnvat!" zei ze. De ander te lang! "Slank en lang heeft geen gang," zei ze. De derde was te kort: "Dik en kort, moet maar vort," zei ze. De vierde te bleek: "De bleke dood!" zei ze. De vijfde te rood: "Kalkoen!" zei ze. De zesde was niet recht genoeg: "Groen hout dat achter de oven gedroogd is!"

    En zo had ze op ieder wat aan te merken, maar vooral koos ze als mikpunt een goede koning, die een enigszins spitse kin had. "Kijk," riep ze lachend, "die heeft een kin als de snavel van een merel," en sindsdien heette de koning Merelbaard. Maar toen de oude koning zag, dat zijn dochter niets anders deed dan de mensen uitlachen, werd hij boos. En hij zwoer een dure eed, dat ze de eerste de beste bedelaar tot man zou krijgen, die aan de deur kwam.

    Een paar dagen later was er een muzikant die op het slotplein begon te zingen, om een kleine aalmoes te krijgen. Toen de koning dat hoorde, zei hij: "Laat hem maar boven komen." Daar trad de speelman binnen, met zijn vieze lompen aan, om een milde gave. Toen zei de koning: "Uw zingen beviel mij heel goed, ja, zo goed, dat ik u mijn dochter tot vrouw zal geven." De prinses schrok. Maar de koning zei: "Ik heb een eed gezworen je te geven aan de eerste de beste bedelaar, en die eed zal ik houden." Daar hielp geen praten tegen; ze haalden de dominee, en ze moest meteen met de muzikant trouwen. Toen dat alles gebeurd was, zei de koning: "Het past nu niet, dat je nog als een bedelvrouw hier in het paleis blijft; trek nu maar weg met je man."

    De bedelaar leidde haar aan de hand naar buiten, en ze moest te voet met hem gaan. Ze kwamen bij een groot bos; toen vroeg ze:
    "Ach, aan wie behoort dat mooie bos?"
    "Dat is van koning Merelbaard,
    Had hem gehuwd, het was van u!"
    "Ik arme jonkvrouw fijnbesnaard
    Was ik gehuwd met Merelbaard!"
    Toen kwamen ze bij een weiland. En ze vroeg weer:
    "Ach, aan wie behoort die groene wei?"
    "Die is van koning Merelbaard:
    Had hem gehuwd, zij was van u!"
    "Ik arme jonkvrouw fijnbesnaard
    Was ik gehuwd met Merelbaard!"
    Daarna trokken ze door een grote stad. Toen vroeg ze weer:
    "Aan wie behoort die grote, mooie stad?"
    "Die is van koning Merelbaard:
    Had hem gehuwd, zij was van u!"
    "Ik arme jonkvrouw fijnbesnaard,
    Was ik gehuwd met Merelbaard!"
    "Dat vind ik vervelend," zei de bedelaar, "datje aldoor iemand anders tot man wilt hebben: ben ik soms niet goed genoeg?" Ten slotte bereikten ze een heel klein huisje. Toen zei ze:
    "Wat is dat voor een hutje klein,
    Van wie kan dit armzalig huisje zijn?"
    De bedelaar antwoordde: "Dit is mijn huis en ook jouw huis, het huisje van ons beiden waarin we samen wonen." Ze moest bukken om door het lage deurtje te gaan. "Waar zijn de bedienden?" vroeg de prinses. "Wat bedienden!" antwoordde de bedelaar, "je moet zelf maar doen, wat je gedaan wilt hebben! Maak meteen vuur aan en zet water op, zodat je gauw wat eten kookt, want ik ben flink moe." Maar de prinses kon geen vuur aanmaken en geen eten koken, en de bedelaar moest zelf helpen, als er nog wat van terecht moest komen. Toen ze het magere maal hadden gegeten, gingen ze naar bed, maar vroeg in de morgen haalde hij er haar uit, want ze moest het huis in orde maken.


                                     * * *dit is niet het einde * * *
    Bron : - "De sprookjes van Grimm; volledige uitgave" vertaald door M.M. de Vries-Vogel.
               Unieboek BV - Van Holkema & Warendorf, Weesp, 1984.
               - www.beleven.org

    04-02-2011 om 02:07 geschreven door saagje

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 0/5 - (0 Stemmen)
    Categorie:sprookjes
    » Reageer (10)
    31-01-2011
    nieuwsgierig héEva's ongelijke kinderen
    Eva's ongelijke kinderen
    - Een sprookje van Grimm -
    Toen Adam en Eva uit het paradijs waren verdreven, moesten ze een huis bouwen op onvruchtbare grond, en hun brood eten nadat ze er heel hard voor gewerkt hadden. Adam hakte de akker en Eva spon wol. Eva kreeg ieder jaar een kind, maar de kinderen waren zeer ongelijk, sommigen mooi, anderen lelijk. Na een lange tijd zond God hun beiden een engel, en liet hun zeggen, dat hij wilde komen en hun huishouding wilde zien.

    Eva, vrolijk omdat de Heer zo genadig was, maakte het huis ijverig schoon, versierde het met bloemen en strooide riet op de vloer. Dan haalde ze de kinderen, maar alleen de mooien. Ze waste hen en stopte hen in bad, kamde hun haar, kleedde hen in schone hemden en vermaande hen om zich in de tegenwoordigheid van de Heer fatsoenlijk en flink te gedragen. Ze moesten een passende buiging maken, een hand geven en bescheiden, maar verstandig antwoorden op wat hij vroeg.

    Maar de lelijke kinderen mochten zich niet vertonen. Eén verborg ze onder 't hooi, het andere stopte ze onder het dak, het derde in het stro, het vierde in de oven, het vijfde in de kelder, het zesde onder een vat, het zevende onder de wijnkuip, het achtste onder haar oude pels, het negende en het tiende onder de stof waar ze hun kleren altijd van knipte, en het elfde en het twaalfde onder het leer waarvan ze hun schoenen altijd sneed.

    Ze was daar juist mee klaar, toen er aan de voordeur werd geklopt. Adam keek door een kier en zag dat het de Heer was. Eerbiedig deed hij open, en de Hemelse Vader trad binnen. Daar stonden al de mooie kinderen op een rij, bogen, gaven hem een hand en knielden dan. Maar de Heer begon hun de zegen te geven; hij legde de handen op het eerste kind en sprak: "Deze zal een machtig koning worden,"; en de tweede: "Deze een vorst,"; en de derde: "Deze een graaf,"; en de vierde: "Deze een ridder,"; en de vijfde: "Deze een edelman,"; en de zesde: "Deze een burger,"; en de zevende: "Deze een koopman,"; en de achtste: "Deze een geleerde." Hij gaf hun dus zijn rijke zegen mee.

    Toen Eva nu zag, hoe mild en genadig de Heer was, dacht ze: "Ik zal de minder fraaie kinderen ook maar laten komen, misschien krijgen die ook nog wel de zegen." Ze ging hen dus overal ophalen: uit het hooi, het stro, de kachel en waar ze verder verstopt waren, vandaan. Daar stond een plompe, vuile, schurftige, roetzwarte schare. Onze Heer moest glimlachen, maar hij bekeek hen allen en sprak: "Ook aan deze wil ik mijn zegen geven." En op de eerste legde hij de handen en sprak: "Deze zal een boer worden,"; en de tweede: "Deze een visser,"; en de derde: "Deze een smid,"; en de vierde: "Deze een leerlooier,"; en de vijfde: "Deze een wever,"; en de zesde: "Deze een schoenmaker,"; en de zevende: "Deze een kleermaker,"; en de achtste: "Deze een pottenbakker,"; en de negende: "Deze een koetsier,"; en de tiende: "Deze een schipper,"; en de elfde: "Deze een bode,"; en de twaalfde: "Deze een huisknecht, zijn leven lang."

    Toen Eva dat alles mee had aangehoord, zei ze: "Heer, wat wordt die zegen ongelijk verdeeld! Het zijn toch allemaal mijn kinderen, ik heb ze allen gebaard, en Uw genade moest toch over allen gelijk worden verdeeld." Maar God gaf ten antwoord: "Eva, dat kun je zo niet begrijpen. Voor mij is het nodig - en de wereld heeft het nodig - dat ik de wereld vervul met al je kinderen. Als het nu allemaal vorsten en heren werden: wie zou dan het koren verbouwen, dorsen, malen en bakken? Wie zou smeden, weven, timmeren, bouwen, graven, kuipen, snijden en naaien? Ieder moet zijn eigen stand inrichten, de één moet de ander onderhouden, en allen moeten gevoed en verzorgd worden, zoals de leden aan het lichaam." Toen antwoordde Eva: "O Heer, vergeef mij. Ik was te haastig, dat ik u tegen ging spreken. Uw wil geschiede, ook aan mijn kinderen."


                                              * * * einde * * *
    Bron : - "De sprookjes van Grimm; volledige uitgave" vertaald door M.M. de Vries-Vogel.
               Unieboek BV - Van Holkema & Warendorf, Weesp, 1984.
               - www.beleven.org

    31-01-2011 om 00:11 geschreven door saagje

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 0/5 - (0 Stemmen)
    Categorie:sprookjes
    » Reageer (14)
    23-01-2011
    nieuwsgierig héDe boze weefster(slot)
    De boze weefster (slot)
    - Een Indonesisch sprookje over hoe een lief meisje verbitterd raakt -
    Bij het aanbreken van de dag kwam de vorst kijken, of de graftempel werkelijk in één nacht was opgebouwd, en de arme jongeman wees hem met een treurig gebaar op de ruïne. Hij sprak met zachte stem: "U ziet het, o vorst, hij ligt in puin, en toch had ik hem bijna klaar... Nu zal ik de lieve prinses Sakira wel nooit meer terugzien..." Toen boog hij diep voor de vorst en wilde weggaan. Maar met een bevelend: "Blijf," hield de vorst hem tegen: "Je wil was goed en daarom zal ik je nog één kans geven. Vertrek morgen voor zonsopgang, als bedelaar vermomd, naar Tjelaga. Zodra je daar bent ga je naar het verblijf van de prinses, je vraagt er een onderkomen en bespied haar dan zeven dagen en zeven nachten, en als je haar daarna nog tot vrouw wilt, dan kan je haar hier terugbrengen..."

    Verheugd dat hij prinses Sakira zo spoedig zou terugzien, kon Djaka Bandoeng nauwelijks wachten tot de dag was aangebroken; nog lang voor zonsopgang steeg hij te paard en begaf zich op weg naar het verbanningsoord. Maar toen hij daar was aangekomen en prinses Sakira de bedelaar zag, die heel nederig een onderkomen vroeg, joeg ze hem met boze woorden weg. Toen de bedelaar zei, dat hij een lange weg had afgelegd en sinds de vorige dag niet gegeten had, wierp ze hem de weefspoel naar het hoofd en schold hem uit voor 'onreine hond'. Hierdoor zag Djaka Bandoeng hoe kwaadaardig het prinsesje was geworden, en toen hij haar daarna nog twee dagen en nachten in het geheim had bespied, begreep hij dat zo'n boze heks nooit zijn vrouw kon worden. Maar nog gaf Djaka Bandoeng de moed niet op; hij wilde haar nog eenmaal bespieden. Daarom klom hij de volgende dag, terwijl prinses Sakira in de tuin van haar verblijf wandelde, in een hoge boom, juist tegenover het vertrek waar Sakira's bedienden zaten te weven. Toen een poosje later de prinses dit vertrek binnentrad, zag Djaka Bandoeng door de openstaande deur juist haar gezicht, dat nog bozer en wreder leek dan de twee vorige dagen. Dit gelaat was als dat van een afschuwelijke, oude heks met van boosheid uitpuilende ogen, terwijl haar vingers, die zij gekromd hield, op de klauwen van een roofdier leken. Met deze klauwen greep ze nu ook de weefspoel uit de hand van een van de vrouwen en sloeg haar daarmee zo hard, dat de arme vrouw het uitschreeuwde van pijn.

    "Nee, haar wil ik niet trouwen," dacht Djaka Bandoeng en hij keerde nog diezelfde dag terug naar het betelwoud. Hij vertelde aan zijn moeder, hoe wreed prinses Sakira was geworden. Hij durfde niet meer naar de vorst te gaan, die hem misschien zou doden, als hij wist dat hij al op de derde dag was teruggekomen.

    Maar de vorst, die twee dagen later van Djaka Bandoeng's terugkeer hoorde, liet hem bij zich komen. Bevend van angst was toen de jongeman naar het paleis gegaan, maar toen hij voor de vorst was neergehurkt en deze hem vroeg: "Wel, waarom ben je nu al teruggekomen?" durfde hij, hoewel met bevende stem, te antwoorden: "Ik kon de prinses niet bij u brengen, o vorst, want uw voorheen zo schone, lieve dochter is nu een afschuwelijke, wrede heks geworden. U, mijn vorst, zou uw eigen dochter niet meer herkennen, en ik... ik kan niet met een heks trouwen! Dood mij, mijn vorst, want prinses Sakira zal nooit mijn vrouw worden..."

    De vorst had zijn woorden zonder enige boosheid aangehoord. Heel kalm vroeg hij de jongeman: "Welzo, is mijn dochter een heks geworden? Nou, dan zal ze niet alleen bij haar leven, maar ook nog na haar dood heksenwerk verrichten. Zelfs in haar graf zal ze spinrag weven, niets dan spinrag en daarna een kleed van alang-alang."

    En zo gebeurde het werkelijk. De prinses stierf aan een vreselijke ziekte - melaatsheid - en juist toen ze, even voor haar dood, een van haar trouwe bedienden met de weefspoel wilde slaan, drong die spoel in de wonden van haar hand en zo stierf ze. Met de weefspoel werd ze toen begraven, maar toen kon ze zelfs nog geen rust in het graf vinden; bij dag moet ze nu de spinrag weven, en 's nachts het kleed van alang-alang, dat nimmer gereed kan komen, omdat het alang-alang scherp is en weer afsnijdt, wat eens geweven is. En daarom zal de prinses eeuwig blijven weven...


                                              * * * einde * * *
    Bron : - "Nieuwe Indonesische Sprookjes" samengesteld door Bert Oosterhout.
               Uitgeverij Elmar, Rijswijk, 1993. ISBN: 90-389-01461
               - www.beleven.org

    23-01-2011 om 00:00 geschreven door saagje

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 0/5 - (0 Stemmen)
    Categorie:sprookjes
    » Reageer (3)
    22-01-2011
    nieuwsgierig héDe boze weefster
    De boze weefster
    - Een Indonesisch sprookje over hoe een lief meisje verbitterd raakt -
    Radja Baka, de vorst van Mendang Kemoelan, was boos op zijn dochter Sakira, omdat ze geen ander wilde trouwen dan Djaka Bandoeng, de zoon van een oude heks, die zich uitgaf voor een vrome kluizenaarster. Hij was zo boos, dat hij haar naar een verafgelegen oord verbande. De prinses ging erheen, vergezeld door twee vrouwelijke bedienden, die de weefstoel droegen, terwijl de prinses zelf de weefspoel droeg. Want ze moest weven tijdens haar verblijf in het afgelegen oord, weven moest ze al het linnen, dat voor haar ouders en de rijksgenoten was bestemd. Als al dat linnen zou zijn geweven, dan pas mocht zij weer naar het rijk van haar vader terugkeren. Maar prinses Sakira, boos over de verbanning, wilde niet weven; zij keek de hele dag naar buiten, want ze dacht dat Djaka Bandoeng wel zou komen om haar van hier weg te halen en mee te nemen naar het betelwoud, waar hij met zijn moeder woonde.

    Als de prinses zo in gedachten verdiept zat te turen, schudden de twee bedienden hun hoofd en spoorden hun gebiedster tot weven aan: "Weef toch, o weef toch, prinses," smeekten zij, "uw vader, onze vorst, heeft het toch bevolen. O, als u niet weeft zult u nog zwaarder gestraft worden."

    Maar de prinses luisterde niet naar hun woorden en keek niet om naar de weefstoel, of de spoel, ze keek alleen naar de kant waar Djaka Bandoeng vandaan moest komen.

    Eens, toen de vrouwen haar weer tot weven aanspoorden, werd prinses Sakira zo woedend, dat ze haar weefspoel nam en daarmee de trouwe bedienden zo hard ze kon om de oren sloeg. Sinds die dag scheen het prinsesje nog bozer te worden en weldra was ze zo wreed, dat ze de twee vrouwen het onmogelijkste werk op de onmogelijkste uren liet verrichten. Soms zond zij ze zelfs in het holst van de nacht naar het nabijgelegen kerkhof om kruiden te zoeken. Zo kreeg zij dan ook weldra de naam van 'de boze weefster'. Iedereen die in de omtrek van Tjelaga, zo heette het verbanningsoord, woonde noemde haar zo.

    Djaka Bandoeng, die van zijn moeder had gehoord dat prinses Sakira door haar vader naar Tjelaga was verbannen en dat men haar daar 'de boze weefster' noemde, kon niet geloven dat het prinsesje, dat voorheen zo lief was, zo veranderd kon zijn. "De verbanning heeft haar hart verbitterd," dacht hij, en met deze gedachte vroeg hij gehoor bij de vorst en probeerde, toen hem dit was toegestaan, de vertoornde vader te bewegen zijn kind weer in genade aan te nemen. Hij, Djaka Bandoeng, wilde dan in haar plaats verbannen worden en zou gaan waar de vorst hem zou sturen hoe woest en onherbergzaam dat oord ook was.

    De vorst, getroffen door zoveel opoffering, zei: "Verbannen zal je niet worden, omdat alleen vorstenkinderen met verbanning worden gestraft, maar je mag naar Tjelaga gaan en daar met de prinses trouwen als je in één nacht een volledige graftempel kunt bouwen met beelden en al erin. Kan je dit echter niet, dan zal je prinses Sakira nooit terugzien."

    De jongeman, die wel inzag dat het onmogelijk was om in één nacht een tempel te bouwen, al was het ook maar een graftempel, ging terneergeslagen naar het betelwoud terug en klaagde zijn nood bij zijn moeder. Maar de oude heks wist raad; ze vertelde hem, hoe hij in één nacht een graftempel zou kunnen bouwen en gaf hem toen nog de volgende goede raad: "Ga meteen na zonsondergang aan het werk, luister naar niets en kijk niet op of om, want als je dat doet terwijl je aan het bouwen bent, zal dit je ongeluk zijn."

    Djaka Bandoeng bedankte zijn moeder voor haar wijze raadgeving, en nog diezelfde dag na zonsondergang begon hij aan de graftempel. En hij deed juist zoals zijn moeder hem had gezegd, hij luisterde naar niets, keek niet op of om, en werkte vlijtig door. Maar toen de tempel op een tiental beelden na gereed was, begonnen de meisjes uit de omliggende desa's op hun rijstblokken te stampen, als teken dat de dag weldra zou aanbreken, en Djaka Bandoeng keek op, door dat onverwacht geluid verschrikt. En toen hij had opgekeken stortte plotseling de tempel met donderend geraas ineen.


                                        * * * wordt vervolgd * * *
    Bron : - "Nieuwe Indonesische Sprookjes" samengesteld door Bert Oosterhout.
               Uitgeverij Elmar, Rijswijk, 1993. ISBN: 90-389-01461
               - www.beleven.org

    22-01-2011 om 00:07 geschreven door saagje

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 0/5 - (0 Stemmen)
    Categorie:sprookjes
    » Reageer (3)
    12-01-2011
    nieuwsgierig héHet zuiderkruis en zilver op het water-vervolg
    Het zuiderkruis en zilver op het water (vervolg)
    - Een sprookje van de Guarayu-Indianen (Bolivia) -
    Toen Moroti de volgende morgen nog steeds niet in het dorp terug was en het opperhoofd hoorde wat er was gebeurd, ging hij naar de rivier. Zijn dochter was nergens te zien maar op het water bloeiden bloemen, die hij nooit tevoren gezien had - bloemen waarvan de bloembladeren aan de randen glansden als zilver.

    "Pita en uw dochter Moroti leven in het water. Door hun liefde is hier vannacht de bloem Irupe gaan bloeien, opperhoofd." Het was de oude sjamaan uit het dorp die had gesproken. Hij legde een hand op de schouder van het opperhoofd en vervolgde: "Gentsera houdt ze allebei in haar hol gevangen en ze zal ze vrijwillig nooit laten gaan."

    "Dan zal ik voor ze vechten!" riep het opperhoofd en draaide zich om. Maar de sjamaan schudde zijn hoofd.

    "Als u in het water zou springen, heeft Gentsera ook macht over u, daarom geef ik u een andere raad. Vele mijlen van hier ligt in de zee een klein eiland. Daar rust Gentsera vaak uit en daar kan u met haar vechten, omdat haar kracht op het vasteland niet groter is dan die van een Indiaan."

    "Zeg me, waar dat eiland ligt!" riep het opperhoofd.

    "Je boot zal je er heen brengen, maar vergeet niet, dat de toverkol het water nooit verlaat zonder haar lans uit walvisbot. Ik geef je er net zo een - verdedig je daarmee!"

    Het opperhoofd bedankte de sjamaan. Daarna liep hij een stukje langs de rivier, klom in zijn boot en stootte hem van de oever. De golven speelden met de boot alsof het een eierschaal was, maar hij stuurde onbeschadigd verder.

    Eindelijk, op een nacht, bereikten ze het eiland. Het opperhoofd sprong met de lans in de hand aan land en Gentsera - die de boot op het water al lang had ontdekt, riep met krijsende stem: "Daar ben je dan eindelijk Tacu, ik verheug me er nu al op, dat jij straks ook voor eeuwig in mijn hol zult zitten."

    Dan lichtte het in het duister en het opperhoofd zag, hoe een lange, witte lans op hem af kwam. Hij hanteerde zijn wapen, maar de witte lans sloeg hem de zijne uit zijn handen. Beide lansen werden echter ogenblikkelijk als door een onzichtbare kracht opgetild en meegedragen, in de nachtelijke hemel omhoog. Tacu merkte het niet want Gentsera stortte zich met een schelle kreet op hem.

    De hele nacht vochten de toverkol en het opperhoofd op leven en dood. Beiden verloren meer en meer hun krachten en toen de dag aanbrak, lieten Gentsera en de dappere Tacu hun leven.

    Korte tijd later liep de oude sjamaan naar de rivier, naar de plaats waar hij wist dat Gentsera's hol moest zijn. Het water was rustig, maar toen de bloemen van de Irupe zich sloten, zodat ze er weer als tranen uitzagen, verhief zich een hoge, grote golf. Ze sloeg over en spoelde voor de voeten van de sjamaan. Uit de golf kwamen Moroti en Pita te voorschijn.

    "Je hebt ons bevrijd!" riep Moroti, gelukkig en mooier dan ooit.

    "Ik niet, maar je vader, de dappere Tacu deed het," zei de sjamaan en toen vertelde hij, dat hij het opperhoofd had aangeraden met zijn boot naar Gentsera te varen.

    "Wat is er verder gebeurd?" wilde Pita weten.

    "Ik weet het niet, maar kijk eens naar die gekruiste lansen aan de hemel. De langste is van Gentsera en de korte van Tacu. De lansen aan de hemel tonen dat er gevochten is en jullie zijn het bewijs dat het opperhoofd de toverkol heeft overwonnen!"

    Aldus is het verhaal dat de Indianen vertellen over de mooie bloem Irupe en over het zuiderkruis, dat ze de naam gekruiste lansen gaven.


                                              * * * einde * * *
    Bron : - "Sprookjes van de Indio's. Mythen, sprookjes en legenden van de Indianen uit Midden- en Zuid-Amerika"
               door Vladimir Hulpach, vertaald door Anke Eggink.
               Uitgeverij Ankh-Hermes, Deventer, 1979. ISBN: 90-202-0044-5
               - www.beleven.org

    12-01-2011 om 00:53 geschreven door saagje

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 0/5 - (0 Stemmen)
    Categorie:sprookjes
    » Reageer (13)
    11-01-2011
    nieuwsgierig héHet zuiderkruis en zilver op het water
    Het zuiderkruis en zilver op het water
    - Een sprookje van de Guarayu-Indianen (Bolivia) -
    Sinds oeroude tijden stralen aan de horizon de sterren van het zuiderkruis, zodat de schepen 's nachts hun weg kunnen vinden. Maar wie weet dat, zolang het dag is, op een van de sterren van dit sterrenbeeld een wondermooie bloem bloeit waarvan de bloembladeren aan de randen als zilver glanzen. De Indianen noemen de bloem Irupe - zilver op het water, en ze vertellen elkaar ook, hoe hij is ontstaan. Aan de oever van een brede rivier, juist daar, waar hij in het meer uitloopt, woonde een Indianenstam. De rivier was niet diep en toch schonk hij iedereen een rijke visvangst. Maar op een bepaalde plaats kwamen de Indianen niet, want daar woonde in een hol de boze toverkol Gentsera en wie in haar netten kwam, keerde nooit meer terug. In het dorp aan de oever van de rivier woonde ook de mooie Moroti. Ze was de enige dochter van het opperhoofd en daarom vervulde hij al haar wensen.

    Toen Moroti volwassen was, kwamen er veel minnaars uit de verre omtrek naar haar toe. Maar ze moesten al gauw inzien, dat het meisje de spot met hen dreef en hen uitlachte. Dan maakten ze toch liever een meisje het hof dat hen serieus nam. Maar één, Pita, verliet de dochter van het opperhoofd niet. Hij bleef en las iedere wens uit haar ogen. Hij lette niet op het geplaag van de mensen uit het dorp, hij bracht Moroti iedere dag de mooiste bloemen en toen hij eens hoorde dat de vrouwen in het noorden armbanden van puur goud droegen, ging hij dadelijk op weg om voor de dochter van het opperhoofd ook zo'n armband te halen. Een heel jaar was hij onderweg en hij beleefde veel avonturen, totdat hij eindelijk een prachtige gouden armband vond en daarmee naar haar huis, in het dorp aan de rivier terug kwam.

    Maar wat deed Moroti? Ze keek naar de armband, draaide hem rond om haar pols, zodat de andere meisjes van jaloersheid verkleurden en zei toen tegen Pita: "Ik wil wel eens weten waarom je zo lang bent weg gebleven. Als je je moed en je liefde wilt bewijzen geef ik je wel een opdracht." "Ik doe, wat je maar wilt," antwoordde Pita.

    Het meisje lachte, riep haar vriendinnen en verklaarde: "Pita zegt dat hij iedere opdracht vervult... Ik heb een hele moeilijke opdracht bedacht en als hij die volbrengt, trouw ik met hem." Ze probeerden allemaal te raden wat Moroti bedacht had, maar het meisje bracht ze naar de rivier. En daar op de plaats waar het hol van de toverkol Gentsera was, bleef Moroti staan - daar deed ze de gouden armband van haar arm, gooide hem in het water en zei: "Breng hem terug Pita, zodat ik weet dat je niet laf bent!" Voordat het iemand lukte de jongen tegen te houden, sprong hij in de rivier, waar het water zich over hem sloot.

    "Laten we afwachten of hij Gentsera kan overwinnen," zei Moroti lachend, maar al gauw week de lach van haar lippen.

    Pita bleef weg, de minuten regen zich aaneen en werden uren en het begon al donker te worden.

    De meisjes gingen terug naar het dorp, alleen de dochter van het opperhoofd bleef aan de oever achter. Nu pas besefte ze hoeveel ze van Pita hield en ze huilde bittere tranen. Haar tranen vielen in het water en lichtten op als zilveren vonken. Dan ging het water uit elkaar en het meisje kon diep beneden de grond zien. Daar zat Pita en strekte zijn handen naar haar uit. Hij was aan een rots vastgemaakt en als een donkere schaduw danste de toverkol om hem heen. "Ik kom, mijn liefste, ik bevrijd je!" riep Moroti en sprong in de armen van de jongeman. Op het water bleven haar tranen achter.


                                      * * * wordt vervolgd * * *
    Bron : - "Sprookjes van de Indio's. Mythen, sprookjes en legenden van de Indianen uit Midden- en Zuid-Amerika"
               door Vladimir Hulpach, vertaald door Anke Eggink.
               Uitgeverij Ankh-Hermes, Deventer, 1979. ISBN: 90-202-0044-5
               - www.beleven.org

    11-01-2011 om 00:02 geschreven door saagje

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 0/5 - (0 Stemmen)
    Categorie:sprookjes
    » Reageer (6)
    03-01-2011
    nieuwsgierig héHoe de dieren op de wereld kwamen
    Hoe de dieren op de wereld kwamen
    - Een scheppingssprookje van de Amerikaanse indianen -
    Lang geleden, toen de wereld nog jong was, leefde het opperhoofd, de Zon, in een tent in de lucht. De hele dag scheen hij en verwarmde de wereld onder hem. De krachtige Napi hielp hem hierbij. Op een dag was Napi eerder klaar dan de Zon. Hij ging bij de bron zitten en rookte rustig zijn pijp. Om de tijd te doden pakte hij een stuk klei en begon het te kneden. Even later had hij een diertje in zijn handen. Hij maakte er nog een en nog een tot hij alle dieren had die nu op aarde leven.

    Napi zette de dieren op een platte steen om te drogen. Toen ging hij weer zitten en rookte zijn pijp. Na een poosje pakte hij het eerste dier, blies erop en zei: "Ga mijn zoon, je bent een bizon en je zult in de bergen leven."

    Hierna pakte hij één voor één de kleidiertjes op, blies erop en zo kwam er een antilope, een hert, een bever, een bergschaap, een das en alle andere dieren. Hij gaf elk dier een naam en vertelde ze waar ze moesten wonen.

    Eén stuk klei bleef liggen op de platte steen. Napi bekeek het en zei: "Ga maar mijn zoon, jij bent een mens en je zult bij de wolven leven!" En zo kwamen de dieren op de wereld en met hen de mens.

    Toen alle dieren een naam en een huis hadden, dacht Napi dat iedereen tevreden was. Maar dat was niet waar. Na een paar dagen kwam Napi weer naar de bron om te rusten. Hij zat net toen alle dieren naar hem toe kwamen gehold om hem te vertellen dat ze niet tevreden waren.

    De eerste die sprak was de bizon en die zei: "Napi, je hebt het niet goed geregeld, we zijn niet gelukkig!" - "Waarom zijn jullie dan niet gelukkig?" vroeg Napi, "ik begrijp het niet, na alles wat ik voor jullie gedaan heb!"

    "Ik kan niet leven in de bergen," zei de bizon, "ze zijn zo steil dat ik niet kan lopen en zo hard dat mijn hoeven pijn doen. Er is ook te weinig gras in de bergen, Napi, daarom kan ik er niet leven."

    Het bergschaap zei: "Napi, ik kan niet leven op de vlaktes, ik kan er niet klimmen en er groeit geen mos om te eten."

    Napi luisterde naar alle dieren, de bizon en het bergschaap, de antilope en de beer, de geit en de wolf. Toen zei hij: "Ik begrijp het, mijn kinderen. Ik zal de wereld opnieuw verdelen tussen jullie. Alle dieren die gelukkig zijn op de vlaktes gaan met de bizon mee, alle dieren uit de bergen gaan met het bergschaap mee. En jij mens, jij mag ook in een gebied leven."

    En zo had Napi de wereld opnieuw verdeeld onder de dieren en ze waren allemaal gelukkig. Alleen de mens nog niet, hij wandelde maar rond en ging naar elk hoekje op de aarde. Daarom kun je nu overal op de aarde mensen vinden.


                                              * * * einde * * *
    Bron : - "Dierensprookjes"
               Uitgeverij: Rebo Productions, Sassenheim, ISBN: 90 36600 766
               - www.beleven.org

    03-01-2011 om 00:05 geschreven door saagje

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 0/5 - (0 Stemmen)
    Categorie:sprookjes
    » Reageer (14)


    Welkom bij saagje !
    Foto


    Laatste commentaren
  • Lieve groetjes (annelien)
        op Het aardmannetje van de Röhrerbühel
  • Dag blogmaatje,wens je een fijne donderdag (annelien)
        op Het aardmannetje van de Röhrerbühel
  • Gelukkig nieuwjaar Saagje :lol: (Jeske )
        op Het aardmannetje van de Röhrerbühel 2
  • fijne maandag (tonja)
        op Het aardmannetje van de Röhrerbühel 2
  • Lieve groetjes (valerieke)
        op Het aardmannetje van de Röhrerbühel
  • Blog als favoriet !

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto


    Kribbelboekboek
  • Goede morgen
  • Moederdag
  • Goede morgen
  • Goede morgen.
  • Zonnige groetjes

    bedankt voor de trouwe bezoekjes
    saagje


    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    E-mail mij


    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Archief per week
  • 07/05-13/05 2012
  • 30/04-06/05 2012
  • 05/12-11/12 2011
  • 31/10-06/11 2011
  • 24/10-30/10 2011
  • 10/10-16/10 2011
  • 03/10-09/10 2011
  • 26/09-02/10 2011
  • 19/09-25/09 2011
  • 12/09-18/09 2011
  • 05/09-11/09 2011
  • 29/08-04/09 2011
  • 22/08-28/08 2011
  • 15/08-21/08 2011
  • 08/08-14/08 2011
  • 01/08-07/08 2011
  • 25/07-31/07 2011
  • 18/07-24/07 2011
  • 11/07-17/07 2011
  • 04/07-10/07 2011
  • 27/06-03/07 2011
  • 20/06-26/06 2011
  • 13/06-19/06 2011
  • 06/06-12/06 2011
  • 30/05-05/06 2011
  • 23/05-29/05 2011
  • 16/05-22/05 2011
  • 09/05-15/05 2011
  • 02/05-08/05 2011
  • 25/04-01/05 2011
  • 18/04-24/04 2011
  • 11/04-17/04 2011
  • 04/04-10/04 2011
  • 28/03-03/04 2011
  • 21/03-27/03 2011
  • 14/03-20/03 2011
  • 07/03-13/03 2011
  • 28/02-06/03 2011
  • 21/02-27/02 2011
  • 14/02-20/02 2011
  • 07/02-13/02 2011
  • 31/01-06/02 2011
  • 24/01-30/01 2011
  • 17/01-23/01 2011
  • 10/01-16/01 2011
  • 03/01-09/01 2011
  • 26/12-01/01 2012
  • 20/12-26/12 2010
  • 13/12-19/12 2010
  • 06/12-12/12 2010
  • 29/11-05/12 2010
  • 22/11-28/11 2010
  • 15/11-21/11 2010
  • 08/11-14/11 2010
  • 01/11-07/11 2010
  • 25/10-31/10 2010
  • 18/10-24/10 2010
  • 11/10-17/10 2010
  • 04/10-10/10 2010
  • 27/09-03/10 2010
  • 20/09-26/09 2010
  • 13/09-19/09 2010
  • 06/09-12/09 2010
  • 30/08-05/09 2010
  • 23/08-29/08 2010
  • 16/08-22/08 2010
  • 09/08-15/08 2010
  • 02/08-08/08 2010
  • 26/07-01/08 2010
  • 19/07-25/07 2010
  • 12/07-18/07 2010
  • 05/07-11/07 2010
  • 28/06-04/07 2010
  • 21/06-27/06 2010
  • 14/06-20/06 2010
  • 07/06-13/06 2010
  • 31/05-06/06 2010
  • 24/05-30/05 2010
  • 17/05-23/05 2010
  • 10/05-16/05 2010
  • 03/05-09/05 2010
  • 26/04-02/05 2010
  • 19/04-25/04 2010
  • 12/04-18/04 2010
  • 05/04-11/04 2010
  • 29/03-04/04 2010
  • 22/03-28/03 2010
  • 15/03-21/03 2010
  • 08/03-14/03 2010
  • 01/03-07/03 2010
  • 22/02-28/02 2010
  • 15/02-21/02 2010
  • 08/02-14/02 2010
  • 01/02-07/02 2010
  • 25/01-31/01 2010
  • 18/01-24/01 2010
  • 11/01-17/01 2010
  • 04/01-10/01 2010
  • 28/12-03/01 2016
  • 21/12-27/12 2009
  • 14/12-20/12 2009
  • 07/12-13/12 2009
  • 30/11-06/12 2009
  • 23/11-29/11 2009
  • 16/11-22/11 2009
  • 09/11-15/11 2009
  • 02/11-08/11 2009
  • 26/10-01/11 2009
  • 19/10-25/10 2009
  • 12/10-18/10 2009
  • 05/10-11/10 2009
  • 28/09-04/10 2009
  • 21/09-27/09 2009
  • 14/09-20/09 2009
  • 07/09-13/09 2009
  • 31/08-06/09 2009
  • 24/08-30/08 2009
  • 17/08-23/08 2009
  • 10/08-16/08 2009
  • 03/08-09/08 2009
  • 27/07-02/08 2009
  • 29/06-05/07 2009
  • 22/06-28/06 2009
  • 15/06-21/06 2009
  • 08/06-14/06 2009
  • 01/06-07/06 2009

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Welkom bij
    Foto

    Foto


    Blog tegen de regels? Meld het ons!
    Gratis blog op http://blog.seniorennet.be - SeniorenNet Blogs, eenvoudig, gratis en snel jouw eigen blog!