Uw eigen gratis blog? Klik hier!
Ga naar willekeurig blog, klik hier.
" " @ UIT DE BUNDEL @ " "
Foto
WAT of WIE
          =
    IK en JIJ

Zelf beteken ik niets bijzonder,
ware vrienden zijn mijn wonder.
Foto
Foto

De groei
van een dorpje. 

Op 22 juli 1836
zes jaar na
de onafhankelijkheid
vanBelgië,
richten de bewoners
van enkele gehuchten
voor de eerste maal
aan de hogere 
overheid een verzoek
tot afscheiding.
Dit werd echter
verworpen,
net zoals
de tweede 
en derde aanvraag
( 1852 en 10 mei 1853 ).
Vijf jaar later geeft
de Kamer van 
Volksvertegenwoordigers
een gunstig advies,
de Senaat stemt in en
Koning Leopold I tekent
op 29 december 1858
het besluit.
Oud Turnhout is vanaf
1 januari 1859 een
zelfstandige gemeente.
Zij telt 2.807 inwoners.
Foto
Beoordeel dit blog
  Zeer goed
  Goed
  Voldoende
  Nog wat bijwerken
  Nog veel werk aan
 
Zoeken in blog

Foto
Hoofdpunten blog mindervaliden
  • Lolleke en Bolleke
  • Overlijden Jeecee 31-01-2010
  • Overlijden Jeecee 31-01-2010
  • Georgia (administratie)
  • Vanda
  • Piromirco
  • Ram
  • Herman Coppens
  • Henver
  • Flyboy
  • Beautyfulllady
  • Frummel
  • Big Ietie, Big Flappy en Paula
  • Chauffeurke
  • Bulky
  • Bernardinneke
  • Bert van Eck
  • Andre
  • An1
  • Adila
  • Brochures voor Fibro en Chronische aandoeningen
  • 5 jarig bestaan van de mailgroep MZDV
  • Overlijden Johan Vandevelde
  • Ritepetite
    Rondvraag / Poll
    Waarom lees je mijn gedichten?
    Om te reageren aan de schrijver.
    Om de woordspelingen.
    Om de poëzie.
    Om ooit te gebruiken.
    Uit symphatie.
    Om de inhoudelijke boodschap.
    Om de schrijfstijl
    Bekijk resultaat

    De Clercq, René

    Romantisch dichter van natuurgedichten, ambachtsliederen, bijbelspelen, libretto’s van zangspelen en gedichten in het kader van de Vlaamse Beweging (tijdens de Eerste Wereldoorlog was hij de “bard van het activisme”) en in het kader van de arbeidersbeweging (Anseele zag in hem de enige potentiële dichter voor zijn beweging). De Clercq gebruikte echter nooit marxistische noties maar werd filosofisch definitief beïnvloed door de Leidse hegeliaanse filosoof Gerardus Bolland die in 1911 sprak in de Gentse aula. Verscheidene van zijn gedichten werden gemeengoed als liederteksten, bv. Tinneke van Heule, De Gilde viert e.a. Vanaf 1920 waagde hij zich ook aan de toondichtkunst. Meest gekende bundels: Natuur (1902), Liederen voor het volk (1903), Toortsen (1909, algemeen beschouwd als ‘socialistische’ poëzie), De Noodhoorn (1916, activistische strijdgedichten, cultbundel bij jonge flaminganten in de twintiger jaren, meerdere sterk aangevulde herdrukken). Hij werkte mee aan talrijke politieke en literaire tijdschriften en hij was lid van de  Maatschappij der Nederlandse Letterkunde te Leiden (1908). De ministers Helleputte en Poullet vroegen hem, een Nederlandstalige tekst voor de Brabançonne te schrijven (mei 1912). Van 1915 tot de zomer 1921 was hij propagandist en mecenas van Frits van den Berghe, Gust de Smet en Jozef Cantré en van het jonge expressionisme dat zich ontwikkelde in het Gooi (Nl). Met literaire prijzen werd hij niet bedeeld, zeker niet meer na zijn terdoodveroordeling op 17 april 1920 (wegens zijn politieke bedrijvigheid).

    R. De Clercq en Gent

    In 1896 schreef De Clercq zich in voor ‘sciences naturelles’ aan de Gentse universiteit. Professor Paul Fredericq die van zijn dichterlijke kwaliteiten gehoord had, zorgde ervoor dat hij in de Germaanse Filologie terechtkwam. Tussen professor en student ontstond een heuse vriendschapsrelatie. Via Fredericq leerde René het intellectuele, liberale flamingantisme kennen.  Zijn medestudent Karel van de Woestijne leerde hem zichzelf ontdekken als dichter. Hij ging op kot in de Kalvermarkt. Als student was De Clercq een gekend fuifnummer; niettemin werd hij voorzitter van de Vlaams-katholieke studentengilde ‘Rodenbachs vrienden’ die een belangrijke rol zou spelen in de strijd voor de vernederlandsing van de universiteit en de eentaligheid van Vlaanderen. Via Jan Lefèvre leerde hij in 1901 het Gentse socialisme kennen en waarderen. Tijdens zijn studententijd publiceerde hij in de laatste nummers van Van nu en straks (1901) en was hij betrokken bij de kunstkring Open Wegen in Sint-Martens-Latem (1902). In 1902 doctoreerde hij op een proefschrift over Gezelle.

    Vanaf 4 december 1902 werd hij leraar, aanvankelijk in Nijvel en nadien, vanaf 1 december 1904, in Oostende. Toen hij in januari 1906 werd aangesteld als leraar in het Koninklijk Atheneum aan de Ottogracht in Gent, vestigde hij zich met zijn jong gezin in Sint-Amandsberg, eerst in de Schoolstraat, kort daarop in de Gentstraat en op 23 december 1908 in de Beeldhouwerstraat. In mei 1910 trok hij naar Destelbergen (Dendermondse Steenweg) en op 5 augustus van dat jaar verhuisde hij naar de Driesstraat in Ledeberg.
    Als leraar Duits en Nederlands had hij als collega’s, o.m.Victor Fris, Maurice Basse, Hyppoliet Meert, Oscar de Gruyter, Jozef Goossenaerts , Philip van Isacker en Adiel Debeuckelaere. Zijn bekendste leerlingen waren Richard Minne (die hij begeleidde als piepjonge dichter), Marcel Minnaert, Michel van Vlaenderen, Edzard Domela, Gaston Mahy, Andries Mac Leod, Firmin Parasie, August Remouchamps en Paul de Keyser.
    Zijn poëziebundel De Vlasgaard (met muziek Jozef Vandermeulen) werd vanaf 8 oktober 1905  niet minder dan 23 maal opgevoerd in de Koninklijke Nederlandse Schouwburg. Het maakte van hem ‘een bekend Gentenaar’. Voor de socialisten was het een zodanig succesnummer dat een via hen vertaalde Franse versie in 1910 en 1912 ook nog 7 maal zou lopen in de Franse Opera. De Clercqs gedichten werden gesneden koek voor componisten als Emiel Hullebroeck. Hun liedjes worden succesnummers op Vlaamse liederavonden. De samenwerking met Hullebroeck sprong in 1912 af op een meningsverschil over auteursrechten.
    De Clercq was redenaar bij de officiële vieringen van Cyriel Buysse (1911) en Virginie Loveling (1912) en op Vlaanderens Kunstdag (16 juli 1911 in Gent) waarvoor - volgens Karel Van de Woestijne in de Nieuwe Rotterdamsche Courant – 100.000 mensen warmliepen. Intussen was De Clercq met zijn vriend Alfons Sevens actief in de campagne voor de vernederlandsing van de universiteit, o.m. via het blad De Witte Kaproen. Door een zekere teleurstelling in de politiek en na de dood van zijn vrouw hield hij zich vanaf 1912 vooral bezig met de Gentse kunstscène, wat  in 1914 uitmondde in de stichting van het Algemeen Kunstverbond der Beide Vlaanderen (100 leden). Na zijn vlucht naar Nederland was De Clercq de bezieler van een voornamelijk Gentse kunstenaarskolonie in het Gooi. Als propagandist voor de activistische Raad van Vlaanderen kwam hij nog verscheidene malen spreken in Gent, o.m. ter gelegenheid van 100 jaar Gentse universiteit (november 1917) en bij de verkiezingen voor genoemde Raad (27 januari 1918; eed van trouw aan Vlaanderen op de Vrijdagsmarkt). Op de grote propagandameetings van Jan Wannyns Nationalistische Bond gaven zijn opzwepende strijdgedichten ‘een grote zedelijke stootkracht’.

    In 1916 schreef De Clercq zijn bekende gedicht Gent! (Vol klinkt uw naam / kort als een daad, vast als ‘t cement…). In tal van andere teksten zou hij naar Gent verwijzen, zo in de bundel Toortsen (1909), in zijn sleutelromans Harmen Riels (o.m. Renés lotgevallen met het Gentse socialisme, 1913) en Een wijnavond bij Dokter Aldegraaf (de kunstenaarskolonie van het Gooi zit samen aan de vooravond van WOI, 1928).
    Alfons Siffer, toen gevestigd op het Sint-Baafsplein, gaf verscheidene van zijn werken uit, de dichtbundels Echo’s (1900) en Ideaal (1900), de verhalen in verzen Halewijns’ straf (1898) , Roeiwedstrijd te Terdonk (1900) en De Vlasgaard (1902). Siffer gaf ook het tijdschrift Jong Vlaanderen (1900-1902) uit, waarvan René de Clercq en Alfons Sevens hoofdredacteurs waren.

    Karel van de Woestijne hielp Julius de Praetere bij het drukken van De Clercqs bundel Natuur (1902), op de handpers die bij de Van de Woestijnes in Sint-Martens-Latem stond opgesteld.

    Blijvende aandacht

    In juni 1991 opende de Stichting René De Clercq een museum in het geboortehuis van de dichter. Naast de zuiver literaire aspecten komt daar ook de brede evolutie van Gent tussen 1896 en 1914 aan bod evenals de relatie van De Clercq met Frits van den Berghe (De Clercq koopt en verkoopt o.m. De Schilder, De Zaaier, De Sterrenvisser, De Baadsters en Malpertuis en wordt zelf vijfmaal door Frits geportretteerd), én de verhouding met Gust de Smet en Jozef Cantré.
    Laatstgenoemde kapte het grafmonument van De Clercq (dat zich thans naast de kerk van Deerlijk bevindt) uit groene diabaas; het stelt de dichter voor ‘die oprijst met het aangezicht met gestrekte baard naar de zon gekeerd, de kamper houdt in de ene hand zijn bundel De Noodhoorn zijn andere rust op moeder Dietsland, de aarde’. Na 50 jaar op het stemmige kerkhof van Lage Vuursche te hebben gestaan, kreeg het in 1982 zijn huidige plaats. Een bronzen ontwerp bevindt zich in het Gentse Museum voor Schone Kunsten. In 1987 werd door dr. Koen Hulpiau een doctoraatsthesis aan hem gewijd die werd gepubliceerd bij de Koninklijke Academie voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Zichtbare sporen te Gent blijven aanwezig in het standbeeld van De Clercqs geesteskind Tinneke van Heule en een straat met dezelfde naam, beide in Gentbrugge.

    ANNA BIJNS Antwerpse dichteres uit de 16e eeuw

    Anna Bijns is niet de eerste bekende vrouw in de literatuur (Hadewijch leefde vroeger), maar ze is wel de eerste zelfstandige Nederlandse schrijfster, aangezien ze niet gehuwd was, en ook niet in het klooster zat, maar als alleenwonende in haar eigen onderhoud voorzag. Met schrijfster bedoelt men natuurlijk dichteres want het proza was toen nog niet uitgevonden. Haar gedichten gaan over allerlei wereldlijke onderwerpen, ook de liefde, wat haar als maagd niet altijd in dank wordt afgenomen.. (wanneer Hadewijch over liefde schrijft wordt dit altijd vertaald als de liefde tot god).

    Anna Bijns schrijft ook over het geloof, waarbij ze het roomse geloof verdedigt tegen de aanvallen van Luther, wat haar natuurlijk tegenstanders geeft in het kamp van de ketters. Ze heeft dus zeker geen gemakkelijk leven, wat ook wel tot uiting komt in het veelvuldig gebruiken in haar werk van haar motto 'meer zuurs dan zoets'.

    Zoals steeds is er niet echt veel bekend over haar leven maar de belangrijkste punten zijn wel gedocumenteerd. Haar ouders, Jan Bijns, kleermaker, en haar moeder Lijsbeth Voochs kopen een pand aan de Grote Markt in Antwerpen waar ze een winkel beginnen, 'De Cleyn Wolvinne'. Anna, hun eerste kind wordt geboren op 5 maart 1493, gevolgd door Margriete in 1495 en Marten in 1497.
    Jan Bijns, verscheidene malen verkozen tot deken van de kousenmakersgilde, sterft in 1516, en weinig later is Lijsbeth Voochs verplicht de winkel te verkopen omdat dochter Margriete haar kindsdeel opeist als bruidsschat wanneer ze in het huwelijk treedt met de zilversmid Jan Pauwels. Met het geld dat overblijft na de verkoop wordt een ander, minder gunstig gelegen huisje aangekocht waar Marten, ingeschreven als meester, een schooltje begint. Het huisje krijgt de naam 'De Patiencie' en waarschijnlijk helpt Anna zowel in de huishouding als bij het onderwijs. Blijkbaar kent ze de bijbel zeer goed en is ze ook niet onkundig in klassieke oudheid en geschiedenis. Bovendien is ze een grote bewonderaarster van het werk van de Rederijkers.

    Vanaf 1517, ze is dan vierentwintig jaar, begint ze met het schrijven van strijdrefreinen die verschijnen in druk, onder haar eigen naam. Waarschijnlijk heeft ze daarvoor reeds godsdienstige poëzie en misschien ook liefdesgedichten geschreven maar dan anoniem en overgeleverd in handschrift. Toch heeft ze een voor de kenners herkenbare stijl : het verwerken van haar motto 'meer zuurs dan zoet' en soms ook het gebruik van haar naam als beginletters van de dichtregels zijn aanwijzingen dat ze ook andere poëzie schrijft.

    In het Antwerpen van haar tijd zijn er drie Rederijkerskamers : De Goudsbloem, De Violiere en De Olijftak. Alhoewel Anna zeer productief is, bestaat er nergens een bewijs dat ze hiervan deel uitmaakt. Waarschijnlijk is het zo dat een christelijke maagd niet kon deelnemen aan de nogal met wijn overgoten bijeenkomsten van deze kamers van Retorica. Ze schrijft in elk geval kritische gedichten over deze heren, waarin ze ook hun gewoonte hekelt om te schrijven voor geld. Zelf staat ze nog met één been in de Middeleeuwen, toen de kunstenaar niet erkend werd als eenling en er geen copyright rechten bestonden. Haar gedichten worden op losse blaadjes geschreven en rondgedeeld in de kennissenkring, waar ze ook weer gekopieerd worden en verder verspreid. Sommige van deze handschriften hebben een datum van vervaardiging. Anna schrijft soms stichtend en verheven, maar ook sierlijk en geestig of met bijtende spot. Blijkbaar beschikt ze over een ruime woordenschat en als het nodig is vindt ze gewoon een nieuw woord uit. Alhoewel ze zeer gemakkelijk te begrijpen Nederlands schrijft, beheerst ze ook de meest ingewikkelde rederijkersvormen zoals b.v. het ketenrijm waar het laatste rijm van een regel steeds het eerste woord van de volgende zin is, of de retrograde die zowel van voor naar achter als van achter naar voor gelezen kan worden.

    De tijd waarin ze leeft is er één van grote veranderingen. De in 1425 uitgevonden boekdrukkunst, die op steeds grotere schaal gebruikt wordt, is één van de oorzaken. De tijd van de gemeenschapskunst gaat over in de Renaissance, invoerder van het individualisme. Bovendien zijn er grote veranderingen in de godsdienst : op 31 oktober 1517 heeft Luther zijn 95 stellingen op de slotkerk van Wittenberg gespijkerd, waarin hij vooral de kerk van Rome en de aflatenhandel op de korrel neemt.
    Ook in Antwerpen zijn het verval van het kerkelijk gezag en de zedeloosheid zo groot dat de Magistratuur een plakkaat uitvaardigt (in maart 1514) tegen het verhuren van huizen om als bordelen te gebruiken en tegen overspel. De ketterij, ontstaan als reactie op de houding van de kerk die haar eigen regels niet meer naleeft, neemt steeds meer toe. De alsmaar strengere straffen kunnen hier niets aan veranderen.

    In deze omgeving schrijft Anna haar strijdrefreinen als reactie op de spotpoëzie van de ketters, maar ze spaart ook de roomse geestelijken niet. Deze strijdrefreinen maken grote indruk, want 23 van haar scherpste worden in 1528 samen uitgegeven, een boek van 176 pagina's in gotische letters, dat waarschijnlijk bekostigd is door de roomse geestelijkheid zelf, aangezien Anna geen geld had om drukkerskosten te betalen.
    Deze bundel moet meteen grote indruk gemaakt hebben want hij wordt vertaald in het Latijn, wat haar roem verder verspreidt in Europa : ze is bekend tot in Zuid-Frankrijk.
    Ondertussen zit ze thuis en verzorgt haar zieke moeder die overlijdt in 1530. Ze blijft bij haar broer wonen en verzorgt het huishouden, er was geen geld voor andere hulp, helpt mee in de school en schrijft minder poëzie door gebrek aan tijd.

    In 1536 besluit haar broer te trouwen en de 43-jarige Anna moet verhuizen naar een klein huis aan de overkant van de straat. Hier begint ze meteen zelf een school, haar enige bron van inkomsten, na zich ingeschreven te hebben in de Ambrosius-gilde, wat haar het recht geeft om te onderwijzen.

    Ze leidt een zelfstandig maar zeer eenzaam bestaan, maar na een tweede druk van haar boek in 1541 schrijft ze toch weer schimpdichten o.a. over de Gelderse Marten van Rossem, die Antwerpen heeft aangevallen, en tegen de ketters. In november 1548 is er een derde druk van haar eerste boek plus een nieuw boek De tweede bundel Refereinen ingeleid door een hoogdravend voorwoord in Latijn waarin ze de Brabantse Sappho (de bekendste dichteres uit de oudheid) wordt genoemd. Als antwoord op kwetsende tegenaanvallen worden ook haar gedichten bitser en zelfs grover van toon. In 1564 verschijnt een vierde druk van haar eerste boek en een tweede van haar tweede boek.
    Wanneer de Prins van Oranje afkondigt dat de Inquisitie niet meer wordt uitgevoerd breken er ernstige conflicten uit. Het klooster van bevriende minderbroeders gaat in vlammen op zonder dat iemand een hand uitsteekt om te blussen, integendeel. Toch bekostigen zij nog de druk van een nieuw boek van Anna's geschriften, samengesteld door Pater Hendrik Pippinck, hun meest gevreesde redenaar tegen de afvalligen. Het verschijnt op 6 maart 1567, 265 pagina's in gotische letters.

    In augustus 1567 komt de landvoogd Alva naar Antwerpen en wordt de Bloedraad ingesteld. Duizenden ingezetenen, geleerden, ambachtslui, magistraten vluchtten weg en zetten zo het verval in van Antwerpen als welvarende koopmansstad. Toch schrijft Anna Bijns geen gedichten om deze 'overwinning op de ketters' te vieren.

    Na de vakantie van 1573 sluit ze haar schooltje, ze is dan tachtig jaar. Ze verkoopt haar huisje aan het echtpaar Stollaert-Boots, onder voorwaarde dat ze tot het einde van haar leven voor haar zullen zorgen en haar een waardige begrafenis zullen geven. Na enige wederzijdse strubbelingen wordt de overeenkomst getekend, maar wanneer Anna op 10 april 1575 overlijdt houdt de inmiddels weduwe geworden mevrouw Stollaert zich niet aan de overeenkomst. Anna wordt na de allergeringste kerkdienst begraven in de algemene groeve.

    Vanaf 1985 kent de Anna Bijns Stichting om het jaar een prijs van € 10.000 toe aan een vrouwelijke auteur. Deze Anna Bijns prijs, een tegenwicht voor de P.C. Hooft prijs, wil de aandacht vestigen op de Nederlandstalige literatuur van vrouwen. In oktober 2005 werd de prijs toegekend aan Anneke Brassinga voor haar bundel Timiditeiten.

    De gezusters Loveling

    Rosalie en Virginie waren dichteressen en prozaïsten die opgroeiden als jongsten in een groot gezin waar aandacht voor cultuur, lezen en de kennis van verschillende talen vanzelfsprekend was.
    Na de zelfmoord van hun vader Herman Anton Loveling (21.07.1846) belandden ze bij hun halfbroer Cesar Fredericq, derde zoon uit het eerste huwelijk van hun moeder Marie Comparé. Het huis van Cesar Fredericq in de Sleepstraat werd snel een verzamelplaats van jonge progressieve intellectuelen rond de sociaal en politiek vooruitstrevende Franse hoogleraar François Huet. Onder hen: Gustave Callier, Emile de Laveleye, Constant Leirens en Jean Stecher. Franssprekend, liberaal en Vlaamsgezind. In deze Cercle Huet werd besloten tot de oprichting van De Broedermin (1848-1859), een voor Vlaanderen uitzonderlijk hoogstaand blad waarin volksverheffing, de rol van het onderwijs, solidariteit en zedelijke bewustwording centraal stonden. Rosalie zou de naam hebben bedacht. De meisjes, hoewel erg vroegrijp, waren uiteraard te jong om aan gesprekken deel te nemen, maar de cultureel-intellectuele sfeer in het huis heeft hen diepgaand beïnvloed. Rosalie en Virginie bleven enkele jaren in Gent en ontmoetten er ook een aantal vooraanstaande figuren uit de Vlaamse Beweging
    In Nevele behielden ze de contacten die ze in Gent maakten. Ze keerden er vaak terug en bezochten o.m. alle zittingen van het Wetenschappelijk Internationaal Congres in 1863. In de jaren ’70 stond Virginie erop te worden uitgenodigd als redenaars met talent, als Bara en Frère-Orban, kwamen spreken.
    Van Gent is in Rosalies oeuvre nagenoeg geen spoor te vinden. Ze stierf te Nevele maar wilde in Gent begraven worden. Het ‘Geuzenkerkhof’ van de Brugse Poort was noch voor haar moeder, noch voor zus Pauline en Louis Buysse een optie, het later Campo Santo genoemde kerkhof van Sint-Amandsberg wel. Haar graf vindt men in park C, graf 31b, rij 1, 12de graf.
    Rosalie en Virginie waren al heel snel beroemde figuren in letterkundige kringen in Noord en Zuid.
    Met hun gezamenlijk uitgegeven Gedichten (1870) lieten ze zich meteen opmerken in het Nederlandse literaire landschap. De realistische gedichten waren ongecompliceerd en erg beschrijvend van aard, af en toe met een sociale ondertoon. Via het maken van vertalingen van Nederduitse verhalen van Klaus Groth kwamen ze tot het schrijven van eigen novellen die ze ook samen uitbrachten: Novellen (1874), Nieuwe Novellen (1876).

    HADEWYCH

     

    In de late middeleeuwen geraakte Hadewych in de vergetelheid.
    Pas in 1838 is er weer sprake van Hadewych als drie mediaevisten (J.F. Willems, F.J. Mone en F.A. Snellaert) twee Hadewych-handschriften vinden in de Koninklijke Bibliotheek van Brussel.
    Beide scripten bestaan uit vier geschriften, twee in proza en twee in poëzie. Ze bevatten geen aanwijzingen over de auteur en ze zijn in het Middelnederlands geschreven. Daarna zijn er al heel wat studies over de handschriften verschenen, maar men is het nog altijd niet eens over haar identiteit (=Bloemardine?!) en de exacte periode waarin zij leefde.
    Er is dus nog werk aan de winkel voor filologen en historici zonder jezuïetenstreken.

    EVEN TUSSENDOOR

    Mieke en Herman verwelkomen U hier van harte. U mag vrijblijvend gedichten kopiëren voor persoonlijke doeleinden mits bronvermelding, voor publieke verspreiding is de schriftelijke toestemming van de auteur vereist.
    °

    Website Zoom


    Om de teksten te vergroten of te verkleinen KLIK op de bovenstaande + of - Website Zoomfunctieknoppen.

    Elektronische versie van de dichtbundel EVEN TUSSENDOOR ISBN 978-90-79033-13-3 Voor meer informatie hierover bel naar: 0496684876 ------>>>>>

    PUBLIEKE BIJSLUITER (even tussendoor) (Nederlandstalig*)
    PROZABENAMING: Gedichtenlitanie (gefabriceerd door Herman van Mie)
    SAMENSTELLING: Zielenroerselen in 375 dosissen verpakt als luchtige microscopische zuurstofplasma (dosis afhankelijk van de oogopeningen en het opslorpingsvermogen der grijze massa)
    LITERAIRE VORM EN ANDERE VOORSTELLINGEN: Zuurstof en microscopische waterdeeltjes in rugrillendeboekverpakking voor ogen blikkende toediening met snuifjes (een gouden ei van en voor tortelduifjes)
    LITERAIRE GROEP: Middel tegen stress en aanvallen van opvliegrazernij (denk aan wat schoonmoeder zei)
    REGISTRATIEHOUDER en FABRIKANT: Herman Coppens. (het is alles of noppens)
    Al deze spinsels zijn in boekvorm bestelbaar 20 €( pay en go!)
    Info-Adres-GSM:0496684876 = B- 2360 Oud-Turnhout (WEB-URL = gratis op http://blog.seniorennet.be/uit_de_bundel(die in HTML blauwt)
    AANGEWEZEN BIJ: Syndroom van stressfobie, andere stoornissen van opjagende aard (hier niet vergaard)
    OMSTANDIGHEDEN WAARBIJ DEZE LECTUUR MOET VERMEDEN WORDEN: Overgevoeligheid aan kalmte en rust (op het naaktstrand aan de kust)
    Negatieve ingesteldheid voor dit geneesmiddel (openstaande mind is een must)
    Niet geschikt voor personen die niet begrijpend kunnen en willen lezen (of die de waarheid en het daglicht vrezen)
    BIJZONDERE ATRIBUTEN EN VOORZORGEN: Voorzie U van een dichtbundel of een PC met een Internetaansluiting (en vraag niet steeds wat kost zo 'n ding)
    Zorg voor voldoende tijd en licht (energielampen zijn niet verplicht)
    Patiënten met zwakke ogen wordt een leesbril aangeraden (anders oogjes baden)
    Positieve ingesteldheid is aangewezen bij zwartgalligheid (spijt voor wie benijdt)
    WISSELWERKING MET ANDERE LITERAIRE VOEDING: Wisselwerkingen zijn onbekend (uitgenomen dat het verwent)
    ZWANGERSCHAP EN BORSTVOEDING: De veiligheid van gebruik van Antistresswoordenbijmarie tijdens de zwangerschap en borstvoeding is gewaarborgd (als men de zithouding verzorgt)
    Voorzichtigheid is geboden bij het in aanraking komen met elektrisch geladen componenten (telt ook voor blonde venten)
    BESTUREN VAN VOERTUIGEN EN MACHINES: Antistresswoordenbijmarie beïnvloedt de bekwaamheid om een voertuig te besturen en de bekwaamheid om machines te hanteren (laat ze dus staan en alles zal beter marcheren)
    Het gezamenlijke gebruik wordt ten sterkste afgeraden en is bij wet verboden (lees de wetgeving over het verkeer voor verdere informatie die daar wordt geboden)
    HOE GEBRUIKEN EN HOEVEEL: In de meeste gevallen volstaat het om één dosis Antistresswoordenbijmarie per dag te laten bezinken, gewoonlijk is al na enkele dagen na het begin van de behandeling een positieve verbetering merkbaar (als het lezen niet aanzet om te drinken)
    Aanbevolen wordt de behandeling niet af te breken om nieuwe aanvallen te voorkomen (wie dat niet gelooft, moet maar zelf gedichten beginnen dromen)
    TOEDIENINGSWIJZE EN TOEDIENINGSWEG: Antistresswoordenbijmarie dient bij voorbaat opgenomen te worden via de ogen (eigenlijk meer moeten dan mogen)
    Antistresswoordenbijmarie kan opgenomen worden via de oren (garantie gaat wel verloren)
    Verstrek Antistresswoordenbijmarie NOOIT anaal (anders verstropt het darmkanaal)
    MAATREGELEN BIJ GEBRUIK VAN TE GROTE HOEVEELHEDEN: Ga in geval van overdosering of vermoeden van overdosering naar een psychiater op zoek (spaar dat geld en sluit PC of boek)
    ONGEWENSTE EFFECTEN: Uitzonderlijke gevallen van stalking zijn bekend maar zijn niet bedreigend voor het leven (ook stalkers worden moe en dan rusten ze even)
    Een overconcentratie van de geest kan optreden maar meestal verdwijnt deze klacht door de dosering geleidelijker te verdelen over de dagperiode van 24 uren (zelden werd er een lezerdrang waargenomen die lang bleef duren)
    Voor boekenwurmen met andere vormen van eventuele neveneffecten hier niet beschreven, is er geen afreageerplaats voorzien om hun zielenroerselen te plaatsen naar de fabrikant (natte ogen schuren bij het in aanraking komen met zand)
    BEWARING EN HOUDBAARHEID: Antistresswoordenbijmarie dient bij voorkeur in zijn originele verpakking te worden bewaard (zo wordt naijver bespaard)
    Een unieke onbeperkte houdbaarheid in de originele verpakking wordt door de Fabrikant gegarandeerd (hopelijk heeft de bijsluiter of de inhoud U iets geleerd)
    LAATSTE REVISIE VAN DE BIJSLUITER: Januari 2008
    * Voor een anderstalige bijsluiter dient men zich op eigen verantwoordelijkheid te wenden tot een vertaalbureau (volgens de auteur is dit goed genoeg zo)
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen. COVERGEDICHT


     

    Ontdek wie ik ben, volg mijn spoor,

     

    mijn dank omdat je mij ter hand nam,

     

    lees mij, zoals mijn titel zegt,

     

    op een andere wijze dan een roman,

     

    dan druppel ik je, Even Tussendoor,

     

    parels die men in woorden legt.

     

    auteur © Herman Coppens.


    » G A S T E N B O E K
    (groetjes, tot later)
    KLIK HIER!!! (79)
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.BLZ 6 BALLETDANSERESJE - BEZIGE PEUTER


    BALLETDANSERESJE

     

    Lieve Lene, je bent een zonnetje om te zien,

    je bent nog maar vier maar ijverig als tien,

    jij kan zo moederlijk bezorgd om je zusjes zijn,

    als balletdanseresje beweeg je sierlijk en fijn.

     

     

     

    BEZIGE PEUTER

     

    Hey Liezl, kleine rakker en bezige peuter,

    jij houdt niet van lanterfanten en geleuter,

    al ben je nog zo klein je weet goed wat je wilt,

    het geluid verstomt waar jouw stemmetje gilt.

     

    Jij gaat nu al naar het eerste kleuterklasje,

    je bent droog, in het potje hoort jouw plasje,

    na een hele dag zo bij je juf en vriendjes te zijn,

    voelt die knuffel van je mama en papa echt fijn.


    » G A S T E N B O E K
    (groetjes, tot later)
    KLIK HIER!!! (7)
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.BLZ 5 MOGE - VOETBALDUIVELTJE


    MOGE

     

    Moge je kleine voetjes nog lang op hun wolkje zweven,

    moge ze vruchtdragende sporen aan het leven geven,

    moge je kleine onschuldige handjes die amper grijpen,

    moge het instrumenten worden die nooit zullen knijpen.

     

     

     

    VOETBALDUIVELTJE

     

    Dag Mike, jij bent oma en opa’s grote vriend,

    net zoals je mama in jullie gezin het eerste kind,

    nu je opgegroeid bent tot een kleuter van vijf,

    krijgt jouw leventje dagelijks veel om het lijf.

     

    Spelen, ravotten, sporten en leren op school,

    bij de voetbalclub ben je mama’ s grootste idool,

    als jong voetbalduiveltje ben je goed bij de les,

    zelfs als verdediger maak je al een goal of zes.

     

    We laten je nu verder er is niets dat ons spijt,

    geniet van je jong leventje voor dat het slijt,

    waak over je drie zusjes want het leven is mooi,

    dank zij jullie papa en mama valt alles in zijn plooi.


    » G A S T E N B O E K
    (groetjes, tot later)
    KLIK HIER!!! (13)
    Foto


    Inhoud blog
  • BLZ 6 BALLETDANSERESJE - BEZIGE PEUTER
  • BLZ 5 MOGE - VOETBALDUIVELTJE
  • COVERGEDICHT

    Archief per week
  • 15/03-21/03 2010

    Welkom bij De Vrolijke Bloggers

    Herman de Coninck

    Herman de Coninck, Vlaams dichter en criticus (Mechelen, 21.2.1944 - Lissabon, 22.5.1997)

    Herman de Coninck werd op 21 februari 1944 te Mechelen geboren. Hij doorliep de humaniora aan het St.-Romboutscollege van zijn geboortestad. Vanaf 1962 studeerde hij Germaanse filologie te Leuven en werd er redacteur van het studentenweekblad Universitas.

    In 1966 werd hij licentiaat in de Letteren en bleef daarna vijf jaar in Heverlee wonen, dichtbij Leuven. Nadien verhuisde hij naar Berchem-Antwerpen. Na een periode als lesgever (1966-1970), onderbroken door zijn militaire dienst in Duitsland (1967), werd hij vanaf augustus 1970 redacteur bij het weekblad Humo. Samen met Piet Piryns verzamelde hij de voor dit blad verzorgde interviews in Woe is woe in de Nedderlens (1972). De Coninck werkte voor poëzie mee aan Ruimte, De Standaard en Tirade.

    In 1983 verliet hij het weekblad Humo om hoofdredacteur te worden van het Nieuw Wereldtijdschrift. De relativerende en vaak ironiserende gedichten in zijn debuut Lenige liefde (1969) verraden invloed van o.a. de Tirade-dichters. Voor zijn debuutbundel ontving De Coninck de Yang-prijs (1969) en de Prijs van de Provincie Antwerpen (1971). De volgende bundel Zolang er sneeuw ligt (1975) is sterk bepaald door persoonlijke ervaringen, in het bijzonder de dood van zijn echtgenote (1971). Deze bundel werd bekroond met de Dirk Martensprijs van de Stad Aalst (1976) en de Prijs van de Vlaamse Provincieën (1978). In latere bundels als Met een klank van hobo (1980, Prijs van de Vlaamse Gids 1982) en De hectaren van het geheugen (1985, J. Campertprijs 1986) evolueerde hij in een meer romantische richting. Hij bundelde zijn essays over poëzie onder meer in Over de troost van pessimisme (1983), De flaptekstlezer (1992) en Intimiteit onder de melkweg (1994; Gouden Uil 1995). Voor zijn vertaling van Edna St. Vincent Millay, Ter ere van de goedertieren maan, werd hem de Koopalprijs toegekend (1981).

    Op 22 mei 1997 overleed De Coninck in de Portugese hoofdstad Lissabon tijdens een congres over literatuur plots aan een hartstilstand. Hij was 53 jaar oud.


    GUIDO GEZELLE

     

    Dichter, taalgeleerde, vertaler en publicist, werd te Brugge geboren op 1 mei 1830. Na zijn collegejaren en priesterstudies, waarin hij al blijk gaf van een vlotte talenkennis en schrijftalent, werd hij in 1854 leraar aan het kleinseminarie te Roeselare. Gezelle gaf er onder meer talen, begeleidde de vrij uitgebreide kolonie buitenlandse leerlingen, vooral Engelsen, en kreeg tijdens twee schooljaren (1857-1859) een eervolle opdracht als leraar in de poësis, het voorlaatste jaar van de humaniora.

    Het waren voor hem topjaren van taalstudie, pedagogische inzet, spirituele begeleiding en poëtische activiteit. In een idealistische sfeer zette hij zich in voor de herwaardering van zijn moedertaal, het Vlaams. Hij wist zich hierbij gestimuleerd door zijn overheid en door een algemeen gunstig cultureel klimaat, een renouveau van het West-Europese katholicisme. Gezelles actie concentreerde zich op de studie van de volkstaal en een zoektocht naar een oorspronkelijke Vlaamse poëzie die hij met een groep van jonge katholieke intellectuelen, een school van Vlaamse dichters, wilde realiseren.
    In die context ontstonden vanaf 1858 zijn eerste publicaties en poëziebundels, Kerkhofbloemen, Vlaemsche Dichtoefeningen  en de in 1862 verschenen verzamelbundel Gedichten, gezangen en gebeden die zich vooral onderscheidde door een gedurfde vernieuwing. Hij inspireerde zich onder meer op de procédés van de bijbelse poëzie om een eigen en authentieke Vlaamse poëzie te realiseren die baanbrekend is in de ontwikkeling van de Nederlandse poëzie.

    Nadat missioneringsplannen voor Engeland niet werden ingewilligd, werd Gezelle leraar aan het Engels Seminarie te Brugge. Opnieuw had hij een belangrijke intellectuele en spirituele invloed op jonge katholieke studenten, die hij ook wist te vormen in hun nationale bewustzijn. Op hun beurt zouden zijn leerlingen in het laatste kwart van de negentiende eeuw Gezelle als een boegbeeld van hun katholieke Vlaamsgezinde studentenbeweging gaan beschouwen.


    HUGO CLAUS

     

    Wordt geboren te Brugge op 5 april 1929. Hij verblijft vanaf zijn 18 maanden tot 11-jarige leeftijf in een pensionaat. Hij woont thuis van 1940 tot 1946. Hij verlaat het ouderlijk huis en de school en maakt reizen naar verschillende landen. Van 1950 tot 1953 woont hij in Parijs waar hij in contact komt met surrealisme (1), existentialisme (2) en Cobramodernisme (3). Van 1953 tot 1955 verblijft hij in Rome in het filmmilieu. In 1955 huwt hij met de filmactrice Elly Overzier, met wie hij in Gent gaat wonen (tot 1965). Vervolgens neemt hij gedurende vijf jaar zijn intrek op een boederij in de Vlaamse Ardennen. In 1970 gaat hij in Amsterdam wonen, waar hij een verhouding heeft met de actrice Kitty Courbois. Van 1973 tot 1978 woont hij in Parijs samen met de actrice Sylvia Kristel. Uiteindelijk verhuist hij opnieuw naar Gent. Hij huwt in 1993 met Veerle De Wit.
    Hugo Claus' werk is even veelzijdig en wisselvallig als zijn leven, zonder "rode draad".
    Na in 1947 zijn debuut te hebben gemaakt met de lyrische (4) "Kleine reeks", evolueert hij in zijn poëzie naar het modernisme van de jaren vijftig met als hoogtepunt zijn "Oostakkerse gedichten" uit 1955. Zijn later dichtwerk mag dan weer klassiek genoemd worden, echter steeds getuigend van een kenmerkende eigenheid en een matriarchale mythologie.
    Op toneelgebied wordt hij internationaal bekend met de tragikomedie (5) "Een bruid in de morgen" (1955). Zijn populairste toneelstuk wordt het naturalistische (6) "Suiker" (1958). Zijn navolgende toneelwerken zijn in hoofdzaak historische bewerkingen zoals o.a. "Thyestes" (1966), "Het spel Masscheroen" (1968) en "Orestes" (1976). Het succesvolle "Vrijdag" uit 1969, door Claus zelf verfilmd in 1980, raakt het delicate incestthema aan en doet denken aan het naturalisme van Cyriel Buysse.
    Dezelfde verscheidenheid vindt men ook terug in zijn romans. In vele romans treft men mytische elementen aan, zo o.a. in "De hondsdagen" (1952) en "Schaamte" (1972), naast een duidelijk realisme zoals in "Verlangen" (1978). Zijn lijvige roman "Het verdriet van België" uit 1983 is een semi-biografische familiekroniek waarin op subtiele wijze het politieke en sociale leven tijdens Wereldoorlog II beschreven wordt. Deze roman wordt voor televisie bewerkt in 1994.
    In zijn geheel genomen kan men stellen dat Claus' werk een mengeling is van het beschrijven van tragische gebeurtenissen, klassieke verhalen en een expressie van een heimwee naar verheven waarden, dit alles doorweven met het banale, ja soms het vulgaire van het menselijk bestaan.
    De veelzijdige Hugo Claus is niet alleen schrijver van gedichten, romans, filmscenario's, toneelstukken en essays, maar tevens schilder, librettist (7), film- en toneelregisseur. Hij schreef zelfs chansons voor de zangeres Liesbeth List. Hij kreeg talrijke literaire prijzen, waaronder de "Henriette Roland Holstprijs" voor zijn toneelwerk in 1963, de "Constant Huygensprijs" voor zijn gehele oeuvre in 1979 en de "Prijs der Nederlandse letteren" in 1986.
    In zijn laatste levensjaren leed Hugo Claus aan de ziekte van Altzheimer. Hij koos voor euthanasie en overleed te Antwerpen op 19 maart 2008.


    Van de Woestijne, Karel

    Dichter, prozaschrijver, criticus en journalist. Hij is de enige echte vertegenwoordiger van het symbolisme in Vlaanderen. Zijn debuutbundel Het vader-huis (1903) is het begin van wat hij zelf een “symbolistische autobiografie” noemde: elk gedicht is de uitdrukking van bepaalde gevoelens of indrukken. In latere bundels wordt dit weemoedige symbolisme barokker. De gedichten uit de trilogie De modderen man (1920), God aan zee (1926) en Het berg-meer (1928) krijgen een toenemende transcendente, mystieke inhoud. De trilogie verscheen in 1942 onder de overkoepelende titel Wiekslag om de kim.  

    Van de Woestijne was niet de ivoren torendichter waarvoor hij vaak versleten werd. Als correspondent in Brussel van de Nieuwe Rotterdamsche Courant (NRC) volgde hij van 1906 tot 1929 de politieke en culturele actualiteit in België. Zijn verzameld journalistiek werk uit die krant beslaat vijftien delen (uitgegeven 1986-1995). Hoezeer zijn oeuvre verbonden was met zijn omgeving, blijkt vooral uit zijn proza. Afwisselend is het gesitueerd in de stad (Gent, Brussel, Oostende) of op het platteland, vooral Sint-Martens-Latem waar hij woonde van april 1900 tot februari 1904 en nog eens van mei 1905 tot oktober 1906. Een aantal gedichten uit de bundels De boom-gaard der vogelen en der vruchten (1905) en De gulden schaduw (1910) bezingen het Leielandschap. 

    Voor zijn Interludiën werd hem zowel de August Beernaertprijs van de Koninklijke Vlaamse Academie voor Taal- en Letterkunde (werken gepubliceerd in de periode 1912-1913) als de grote driejaarlijkse staatsprijs voor Nederlandse letterkunde (periode 1910-1914) toegekend. Voor zijn Zon in de rug viel hem de jaarlijkse staatsprijs voor Nederlandse letterkunde (periode 1924-1925) te beurt. Postuum werd hem in 1930 de vijfjaarlijkse staatsprijs voor Vlaamse letterkunde toegekend. 

    K. van de Woestijne en Gent 

    Karel van de Woestijne werd geboren in de Sint-Lievensstraat (nu: Sint-Lievenspoortstraat), een “breede, ledige, bleke straat” zoals zij heet in het verhaal Paidia, dat zijn vroegste kindsheidherinneringen bevat. Aan dit geboortehuis werd een gedenkplaat aangebracht.
    Zijn vader had in de jaren 1880 een koperslagerij in de Slijpstraat. Een tekstplaat met een portretmedaillon en een citaat uit Het vader-huis herinneren daaraan.
    Lager onderwijs liep hij in de Franstalige privé-school “Institut Central”, waar ook Maurice Maeterlinck was geweest. Deze school was gelegen in een van de straatjes die later voor het Sint-Baafsplein werden geruimd. Hij kreeg tevens huisonderricht van de dichter-onderwijzer Pol Anri (1865-1953). Vanaf oktober 1889 bezocht hij het Koninklijk Atheneum aan de Ottogracht, eerst de Moderne Humaniora en vanaf het schooljaar 1893-1894 de Grieks-Latijnse. Hij was er actief in de Vlaamsgezinde leerlingenkring De Heremans’ Zonen. In die tijd dweepte hij ook met het anarchisme. Zijn studies maakte hij niet af. In 1897 en in 1898 zakte hij telkens voor de Centrale Examencommissie. Vanaf 1897 was hij aan de Gentse universiteit vrije student voor de lessen in de Germaanse filologie.
    In 1896, toen hij kunstgeschiedenis aan de tekenacademie volgde, ontmoette hij schilder-decorateur Julius de Praetere (1879-1947). Deze had in het Patershol, in de Korte Kalverstege (nu Trommelstraat) een atelier, de voormalige bidkapel van het Pand van de Geschoeide Karmelieten. Daar ontmoette hij voor het eerst Jules de Bruycker. In een vroeg, door Maeterlinck beïnvloed “Fragment” (1898) legde hij de atmosfeer van het atelier prachtig vast. 

    Al jong publiceerde Van de Woestijne in vele tijdschriften, zo o.m. in het Gentse pedagogische tijdschrift Land en volk van Anri en in het maandblad Neerlandia van Hippoliet Meert (1865-1924). Later werkte hij sporadisch mee aan het Franstalige blad La tribune artistique (1903-1907) en aan Nieuw Leven (1907-1910). Vanaf het seizoen 1899-1900 schreef hij regelmatig voor het Gentse theaterblad Het Tooneel (1899-1902). In de pas voltooide Nederlandse Schouwburg wisselde hij de eerste blikken met zijn aanstaande vrouw Mariette Van Hende. Toen Het tooneel midden 1902 veranderde in Het Kunstblad, werd zijn vriend Adolf Herckenrath (aan wie hij De Laethemsche brieven over de Lente uit 1901 had opgedragen) redacteur. Tijdens zijn lange vrijage kwamen de vrienden op zondag samen op de Kouter, voor de Hoofdwacht (nu: Handelsbeurs), of in hôtel Tivoli (Vlaanderenstraat). Kwamen vrienden naar Latem, dan sprak hij met hen af in gasthof de Nénuphar in Afsnee (nu een restaurant).
    Na zijn huwelijk op 13 februari 1904 vestigde hij zich in Sint-Amandsberg, in de Prins Albertstraat. Om gezondheidsredenen keerde hij met vrouw en zoon Paul terug naar Latem. Wegens Karels werk als journalist trokken zij naar Brussel. Op 31 augustus 1920 werd hij benoemd tot docent Nederlandse letterkunde aan de Rijksuniversiteit Gent. Het gezin verhuisde naar Oostende. Omdat de treinreizen naar Gent steeds zwaarder gingen wegen, keerde de “bestendige verhuizer” ­– zoals Karel Jonckheere hem noemde – terug naar het Gentse, meer bepaald naar Zwijnaarde, waar het gezin woonde in Villa la Frondraie aan de Oude IJzerenweg (nu Leebeekstraat). Daar overleed hij kort nadat zijn vijftigste verjaardag met veel aandacht in kranten en tijdschriften was gevierd. Hij werd begraven op het Campo Santo (park F, kelder 117) in Sint-Amandsberg. In de buurt van de Sterre kreeg een straat zijn naam.  

    Visie op Gent 

    Van grote betekenis voor Van de Woestijnes visie op Gent zijn zijn opstellen over Gentse kunstenaars (George Minne, Théo van Rysselberghe, Jules de Bruycker en Albert Baertsoen) en Franstalige Gentse auteurs (Maurice Maeterlinck, Charles van Lerberghe en Franz Hellens). In het essay over de beeldhouwer Minne legt hij de Coupure vast, in dat over De Bruycker het Patershol en in dat over Baertsoen de Gentse wateren. De schilder Van Rijsselberghe identificeert hij met het beeld van de Man van het Belfort (nu bewaard in de crypte van het Belfort). In dit beeld, “gesloten en breed, ingetogen en uitdagend”, ziet hij het prototype van de Gentenaar, realiteitsbewust en strevend naar vrijheid.
    Van de Woestijne meent dat de kunstenaars sterk bepaald zijn door hun milieu en “overerving”. De Gentenaar zou gekenmerkt zijn door “rauwe norschheid” en “zelfgelokenheid”. De stad drukt hem neer. Een tweede karaktertrek van de Gentenaar zou zijn vrijheidsdrang zijn. Vooral de kunstenaars proberen aan de te neerdrukkende sfeer te ontsnappen. Van de Woestijne zelf had ook die evasiedrang, zoals blijkt uit zijn verblijf in Latem. Deze paradijselijke tijd, al verheerlijkt in een opstel over Albijn van den Abeele uit 1904, werd nog eens vastgelegd in de brievenroman De leemen torens, die hij samen met Herman Teirlinck tijdens de Eerste Wereldoorlog schreef en die in 1928 werd gepubliceerd.  

    Een grote Gentse kroniek 

    De leemen torens, een “vooroorlogsche kroniek van twee steden”, is een sleutelroman met allerlei herkenbare of halfherkenbare figuren, zoals Anseele (Van Aerseele) en de satirisch beschreven Paul Fredericq (professor Hoeck). Om deze roman goed te begrijpen gebruikt men best de aantekeningen bij deel vijf van het Verzameld werk van Herman Teirlinck. Superieur zijn Van de Woestijnes beschrijvingen van een volksbal op de Kouter, een meeting in het Circus, het restaurant naast de Fransche Schouwburg (nu Vlaamse opera) en het halfvastenbal daar, de “rozendag” op de Wereldtentoonstelling van 1913 en de afbraak van de tentoonstelling. Aan de Gentse world’s fair wijdde hij ook vele interessante bladzijden in de NRC
    Andere in het boek kort beschreven of vermelde Gentse plaatsen zijn de weg naar het Galgenhuizeken, het terras van café de Arcades (hoek Vogelmarkt en Kouter), hôtel Ganda (in de Brabantdam), de Nénuphar en de “guinguette” (buitenherberg) het Patijntje, waar het altijd vol is “zelfs ’s winters, met studenten en hunne meisjes”. Bijzonder is ook Van de Woestijnes beschrijving van het interieur van een breiwinkeltje (vermoedelijk het ouderlijk huis van Jules de Praetere in de Burgstraat) en van het Spiegelhof, “een voormalige danszaal, thans niet veel beter dan puin, vlak over de grootste weverij der stad gelegen”. De tocht naar en terug van de Nieuwe Wandeling, waar deze zaal vlak bij de weverij La Lys lag, levert lyrische bladzijden op waarin stad en platteland tegenover elkaar staan.
    De sombere stad met haar zwarte kanalen die Van de Woestijne hier en elders schetst, herinnert sterk aan Franz Hellens’ En ville morte (1906). Van de Woestijne had een voorkeur voor het morbide en in het bijzonder voor het armoedige Patershol, waar het Gravensteen bovenuit rijst. Zijn fascinatie voor deze wijk en de burcht komt ook naar voren in zijn journalistiek werk. In alweer De leemen torens brengt hij het Patershol echter het meest kernachtig tot leven. Het ruige ervan bond hem aan een stad waarvan het provinciale karakter hem maar al te bewust was.


    Paul van Ostaijen

    Werd geboren te Antwerpen op 22 februari 1896 als zevende kind van Hendrik en Maria Engelen. Hij was een nakomertje. Na de lagere school bezocht hij heel wat middelbare schoolinstellingen om tenslotte terecht te komen in het Koninklijk Atheneum van Antwerpen. Van studeren kwam echter niet veel in huis. In 1913 brak hij zijn studies af. Het gezin was ondertussen verhuisd naar Hove. Hij kwam in contact met componist Jef Van Hoof in wiens huis jonge kunstenaars, journalisten en flaminganten (1) elkaar ontmoetten. In maart 1914 werd hij bediende op het Antwerps stadhuis. Een maand later verscheen zijn eerste artikel in "Carolus", het "Weekblad van de Vlamingen". In zijn vrije tijd las hij enorm veel, leerde hij de Franse en Duitse taal en maakte hij kennis met hun literaturen. Tijdens Wereldoorlog I was hij bevriend met Peter Baeyens, uitgever van "De Vlaamsche Gazet - Het Laatste Nieuws", waarin P. van Ostaijen verschillende artikels publiceerde. Deze Peter Baeyens troonde hem mee naar nachtbars en zette hem aan tot het gebruik van cocaïne. In die dagen was hij een zeer opvallende dandy-achtige verschijning. Hij was medewerker van "Antwerpsche Courant", "Ons Land" en "De Goedendag". In dit laatste blad, een maanschrift voor Vlaamse studenten, profileerde hij zich als flamingant en Groot-Nederlander. In november 1917 behoorde hij tot de groep activistische (2) jongeren die kardinaal Mercier uitfloten tijdens een bezoek aan Antwerpen. Hiervoor werd hij veroordeeld tot drie maanden gevangenisstraf.
    Ondertussen debuteerde hij in 1916 met zijn eerste bundel gedichten "Music Hall". In oktober 1918 verscheen "Het sienjaal". Bij de wapenstilstand vond hij het geraadzamer om naar Berlijn uit te wijken. Hier maakte P. van Ostaijen kennis met het dadaïsme (3). De concipiëring van zijn "Bezette stad" verraadt alleszins de dadaïstische invloed. In Berlijn had hij het niet breed. Om aan de kost te komen was hij o.m. liftboy, boekhandelaar, verkoper van damesschoenen. Na de dichtwerken "Feesten van angst en pijn" en "Bezette stad" schreef hij er, om zijn gevoelens af te reageren, zijn eerste grotesken zoals "Het gevang in de hemel". Paul van Ostaijens grotesken (4) zullen het hoogtepunt van zijn satirisch (5) talent worden.
    In de herst van 1921 kreerde hij naar België terug. Hij kreeg amnestie (6) en werd onder de wapens geroepen. Begin 1923 werd hij gedemobiliseerd. Kort daarop stierf zijn moeder. In 1924 kwam hij in dienst bij een uitgever-antikwaar. Tussen 1923 en 1926 werkte hij mee aan een achttal zeer uiteenlopende tijdschriften. Ondertussen publiceerde hij nog grotesken, o.a. in het letterkundig bijvoegsel van het dagblad "De Schelde".
    In 1925 vertrok Paul van Ostaijen naar Brussel om er kunsthandelaar te worden. Reeds van vroeger had hij grote interesse voor de schilderkunst. In zijn galerij werden werken tentoongesteld van Ensor, Permeke, Magritte, Jespers, Picasso, Klee, enz...., doch in 1926 werd de zaak reeds opgedoekt.
    In 1927 publiceerde hij het belangrijkste werk uit zijn kritisch proza, nl. "Gebruiksaanwijzing der lyriek". Datzelfde jaar ging zijn gezondheid snel achteruit. Juist toen hij op het punt stond om zijn vroegere betrekking op het stadhuis te Antwerpen te hervatten, moest hij op doktersbevel, omwille van zijn longtuberculose, naar het platteland. Hij verbleef een tijdje te Viersel, daarna te Etikhove bij Oudenaarde. Vervolgens nam hij zijn intrek in een privésanatorium te Miavoye-Anthée.
    In 1928 verschenen in het nieuwe tijdschrift "Avontuur" nog twee van zijn bekendste gedichten, nl. "Boerecharleston" en "Alpejagerslied".
    Op 17 maart 1928 schreef hij nog naar zijn vriend Oscar Jespers dat hij terug naar Antwerpen kwam. Hij stierf echter de volgende dag, 18 maart, en werd begraven op het kerkhof van Anthée. Op 19 maart 1932 werd zijn stoffelijk overschot overgebracht naar het Schoonselhof te Antwerpen. Op 8 november 1972 kreeg hij er zijn definitieve rustplaats op het erepark (zie foto).
    Het is de verdienste geweest van Paul van Ostaijen om het expressionisme (7) in de Nederlandstalige literatuur te introduceren. Hij streefde naar een zo groot mogelijke harmonie tussen grafische vorm en inhoud. Mede onder invloed van het dadaïsme was de typografische (8) uitvoering in zijn werk zeer belangrijk. Tijdens zijn leven kreeg hij niet de erkenning waar hij recht op had. Zijn werk had echter een zeer grote invloed op latere dichters.


    PROSPER VAN LANGENDONCK
    Werd op 15 maart 1862 
    in Brussel geboren.
    Hij studeerde wijsbegeerte
    en letteren, maar moest
    de studie wegens
    familieomstandigheden stoppen. 
    Hij werd beambte
    bij het ministerie van Justitie
    (1888-1898)
    en werkte daarna
    als vertaler bij de Kamer
    van Volks-
    vertegenwoordigers
    (1899-1918).
    Vanaf 1890 begon
    zijn erfelijke schizofrenie
    zich te manifesteren.
    Ondanks deze handicap
    trouwde hij in 1899
    met Adèle Wouters.
    Hun huwelijk bleef kinderloos.
    In 1918 moest hij
    wegens
    geestesziekte ontslag nemen.
    Hij stierf krankzinning
    in een Brussels hospitaal
    op 7 november 1920.
    Van Langendonck richtte in 1893
    samen met August Vermeylen,
    Cyriel Buysse en Emmanuel de Bom
    het tijdschrift "Van nu en straks" op.
    Hij speelde een belangrijke rol
    in de vernieuwing
    van de
    Vlaamse letterkunde, in het bijzonder
    door zijn essay (1894).

    "De herleving der Vlaamse poëzie"
    Zijn eigen werk werd behalve
    door het katholicisme vooral
    beïnvloed door zijn
    liefde voor de natuur
    en zijn "weltschmerz".
    Naast zijn artikels in
    "Van nu en straks"
    schreef hij ook
    essays en kritieken in
    "Nederlandse Dicht-
    en Kunsthalle".
    Verder werkte hij mee
    aan het tijdschrift "Vlaanderen".
    Hij liet slechts
    één dichtbundel uitgeven,
    namelijk "Verzen" (1900).

    Van Duyse, Prudens

    (Dendermonde, 17.09.1804 - Gent, 13.11.1859) 

    Prudens van Duyse was een prominent vertegenwoordiger van de generatie schrijvers die na 1830 de Vlaamse literatuur gestalte heeft gegeven. Hij was een uitzonderlijk productief dichter, filoloog, historicus, vertaler, improvisator en componist (het gekende lied Het loze vissertje is bijvoorbeeld van zijn hand). Wat aantal publicaties, beoefende genres en gebruikte talen betreft, werd hij door geen enkele tijdgenoot geëvenaard.
    Voor zijn romantische, naar vorm classicistische poëzie werd hij bovendien tientallen malen bekroond in plaatselijke rederijkerswedstrijden (toen een gangbare praktijk). De Brusselse Koninklijke Academie van Wetenschappen en Fraeye Kunsten onderscheidde hem in 1838 voor zijn De Gentsche vaderbeul; voor Jacob van Artevelde en Nazomer (beide uit 1859) kreeg hij de vijfjaarlijkse staatsprijs voor Vlaamse letterkunde. Hij was lid van de Académie royale des sciences, des lettres et des beaux-arts.  

    Na een jaar filosofie te hebben gestudeerd in Leuven, kwam hij in 1827 als 23-jarige voor de eerste maal naar Gent om er rechten te studeren, hoewel hij zich toen reeds hoofdzakelijk met de literatuur bezighield. In hetzelfde jaar werd zijn Lofzang op de Nederlandsche taal bekroond te Brussel en in 1829 verscheen zijn poëticaal manifest De wanorde en omwenteling op de Vlaemschen zangberg.
    De eerste omwenteling in zijn leven was echter niet van literaire maar van staatkundige aard: na de Belgische Revolutie vertrok hij in oktober 1830 naar Nederland waar hij zijn debuutbundel Gedichten zou publiceren en literair-politieke bijdragen zou schrijven voor het Journal de La Haye. Geconfronteerd met de onherroepelijke scheiding van Noord en Zuid keerde hij in 1831 terug naar Gent en promoveerde er in 1832 tot doctor in de rechten. 

    De volgende vier jaar zou hij opnieuw doorbrengen in Dendermonde. Als ambteloos burger – hij voerde de titel van ere-stadsarchivaris – publiceerde hij naast poëzie een groot aantal bijdragen over de geschiedenis van zijn geboortestad. In deze periode verbleef hij slechts gedurende enkele maanden te Gent: na incidenten bij de herdenking van de Belgische Omwenteling werd hij er verpleegd in de psychiatrische kliniek van Jozef Guislain. Zo ontsnapte hij, “uyt hoofde van krankzinnigheid”, aan gerechtelijke moeilijkheden. 

    Van leraar tot archivaris 

    In december 1836, na zijn benoeming tot leraar aan het atheneum, vestigde hij zich definitief in Gent, eerst in de Onderstraat, nadien in de Nederscheldestraat, vanaf januari 1843 aan de Garenmarkt en een jaar later in de Casinostraat. In maart 1852 registreerde de Bevolkingsdienst hem aan de Reep (of de Nederscheldekaai),  waar hij tot aan zijn dood woonde. 

    Zijn leraarschap werd bij gebrek aan leidinggevende vaardigheden geen succes. Een jaar na zijn aanstelling verzochten de curatoren van het atheneum om zijn ontslag – maatregel die alleen dankzij protectie kon worden afgewend.
    Na het overlijden van stadsarchivaris Charles Parmentier deed zich in 1838 een unieke kans voor: Van Duyse werd door de Gentse gemeenteraad benoemd tot diens opvolger zodat hij een functie kreeg die beter aan zijn talenten beantwoordde. Hij maakte zich verdienstelijk door een grondige reorganisatie van de in chaos verkerende instelling en door een actieve acquisitiepolitiek. Zijn publicatie (vanaf 1849) van de Inventaire analytique des chartes et documents appartenant aux archives de la ville de Gand vervulde in het binnen- en buitenlandse archiefwezen een voorbeeldfunctie.  

    Het literaire leven 

    Na zijn definitieve vestiging in Gent werd hij meteen opgenomen in de kring van de jonge Vlaamse letterkundigen. Bijna alle vertegenwoordigers van de heroplevende literatuur verbleven in de stad, zo o.m. Jan Frans Willems, Constant Philip Serrure, Ferdinand August Snellaert en Philip Blommaert.
    Van Duyse publiceerde een nauwelijks overzienbare stroom literaire en historische bijdragen, waarin de stad Gent en een groot aantal bekende (en soms ook minder bekende) inwoners figureerden. Zo schreef hij gedichten op de volkshelden Cornelis Sneyssone (1842) en Jacob van Artevelde (1859), “jubelkransen” op tal van personen en plechtige gebeurtenissen, gedichten bij officiële gelegenheden zoals het aan de stad Gent opgedragen De invloed der ijzeren wegen op de nijverheid en de volksbeschaving (1837) of De feestgroet der stad Gent aen den koning (1856), studies over de regionale geschiedenis of de plaatselijke folklore, evenals verschillende biografieën en necrologieën van markante Gentenaars.
    Hij werkte mee aan ongeveer alle toonaangevende tijdschriften uit de eerste helft van de negentiende eeuw, waarvan een groot aantal werd uitgegeven te Gent: de Gazette van Gent en de Bijdragen voor letteren, kunsten en wetenschappen, het Belgischm Museum, het Nederduitsch letterkundig jaarboekje, het Kunst- en letterblad, De eendragt, de Messager des sciences historiques en de Annales de la Société royale des beaux-arts et de littérature de Gand.
    Daarnaast bezorgde hij ook edities van schrijvers uit het verleden én uit de eigen tijd, zoals het verzameld werk van Leo d’Hulster (1845) en het nagelaten werk van Jan Frans Willems (1856). Ten slotte liet hij in handschrift ook een Gents volkswoordenboek na. Voor een volledig overzicht van zijn werk wordt verwezen naar de bibliografie door Frans de Potter en de tiendelige editie van de Nagelaten gedichten (1882-1885).
    Van Duyse was tijdens de jaren 1827-1832 en 1836-1859 niet weg te denken uit het literaire circuit te Gent. Hij onderhield relaties – overigens niet altijd even hartelijke – met alle tenoren van het toenmalige cultuurleven. 

    De verenigingsman 

    De ontwikkeling van dit omvattende oeuvre hangt nauw samen met een intense betrokkenheid bij het literair-cultureel verenigingsleven. Opnieuw is de lijst van activiteiten en lidmaatschappen te omvangrijk voor een uitputtend overzicht. Als voornaamste realisaties op Gents grondgebied kunnen gelden: de stichting in 1844 en het voorzitterschap van het Vlaemsch-Duitsch Zangverbond, de organisatie van (het eerste) Nederlandsch Taal- en Letterkundig Congres in 1849 en de oprichting in 1857 van De toekomst, tijdschrift dat de intellectuele ontwikkeling van de Vlaamse onderwijzers naar een hoger niveau wilde tillen. Stippen we hierbij ook aan dat de in 1836 gestichte Maetschappy voor Vlaemsche Letteroefening haar kenspreuk, “De tael is gansch het volk”, ontleende aan Van Duyses gedicht Aen België, meizang (1834).
    Tot slot werd Van Duyse, die aan het begin van zijn loopbaan in het onderwijs had gefaald, in 1855 alsnog benoemd tot titularis van het vak vaderlandse geschiedenis aan de Gentse Académie royale de dessin, sculpture et architecture. 

    Postuum eerbetoon 

    Zijn uitvaartplechtigheid, met militair eerbetoon aan het sterfhuis op De Reep, werd door duizenden personen bijgewoond. Twee jaar later werd het stoffelijk overschot onder een praalgraf bijgezet op Campo Santo (park A, kelder 39).
    De nalatenschap van Van Duyse – de handschriften van zijn werk, meer dan 4.000 onuitgegeven brieven en allerhande parafernalia (bv. in wedstrijden gewonnen eremedailles) – is nog steeds in Gent; zij werd in 1920 door de familie geschonken aan de Koninklijke Academie voor Nederlandse Taal- en Letterkunde, waar zij nog altijd kan worden geraadpleegd.
    De Stad eerde zijn nagedachtenis met een naar hem genoemd Prudens van Duyseplein.  


    Frans de Cort

    Cort (Frans Jozef de), te Antwerpen 21 Juni 1834 geb., genoot zijne opvoeding in zijne geboortestad, in het Atheneum. Hij was eerst op een handelskantoor en gaf sedert 1857 met Jan van Rijswijck het dagblad De Grondwet uit, totdat hij in Aug. van het volgende jaar als hoofdopsteller van het Antwerpsche dagblad De Schelde optrad. In 1860 liet hij dit varen en werd agent eener stoombootmaatschappij. Het volgende jaar werd hij secretaris van den auditeur-generaal bij het hooge militaire gerechtshof te Brussel, in welke betrekking hij te Elsene overleed op 18 Jan. 1878. Ter vereering van de nagedachtenis van den rondborstigen Vlaming en talentvollen liederendichter gaf de stad Antwerpen zijnen naam aan een harer straten. Sedert 1861 was hij hoofdopsteller van De Toekomst, tijdschrift voor opvoeding en onderwijs, taal- en letterkunde, enz.



    Blog tegen de regels? Meld het ons!
    Gratis blog op http://blog.seniorennet.be - SeniorenNet Blogs, eenvoudig, gratis en snel jouw eigen blog!