Op 15 januari 2010 zou de wekelijkse stroomuitval op maandag afgelopen zijn.
Rond 18:15 viel op maandag steeds de elektriciteit uit voor een uurtje of 3. Er werd gewerkt aan de infrastructuur volgens de PLN (PT Perusahaan Listrik Negara), de nationale elektriciteitsmaatschappij.
Je zou denken dat er op 6 maanden tijd toch wel een en ander kon gerenoveerd worden. Afgelopen maandag gebeurde het ongelooflijke: de hele avond stroom! Ik was bereid mijn visie over de efficiëntie van de Indonesische openbare diensten bij te stellen. Als het goed is mag dat ook gezegd worden.
Vrijdag 18:30 Listrik mati! (elektriciteitspanne)
Volgens de PLN was er een probleem op Java. Visie bijstellen? Ik dacht het niet.
Hoe komt het eigenlijk dat bij het bezoek van de president aan Ambon er geen enkele stroompanne is geweest? En dat terwijl Ambon de officieuze wereldrecordhouder is op het gebied van onregelmatige stroomvoorziening?
Zou het kunnen dat de centrale overheid de deelgebieden in het gareel houdt via de stroomvoorziening die in handen is van een staatsbedrijf?
De Belgische eigenaar van een hotel in Sanur had het idee om het overal aanwezige afval te gebruiken als grondstof voor een verbrandingsoven die elektriciteit zou opwekken. Een win-win scenario: minder vervuiling en meer elektriciteit. Je zou denken dat die man een standbeeld zou krijgen in het centrum van Denpasar. Niets is minder waar. Er werd geen bouwvergunning verleend door de centrale overheid. Terug naar af.
Zou het kunnen dat de overheid stroomtoevoer gebruikt als de ring door de neus van de melkkoe Bali? Ik ben bang van wel. Mocht Bali inderdaad een eigen energiebevoorrading hebben dan bood de staat Indonesië geen enkele toegevoegde waarde meer. Cultureel en religieus is Bali sowieso al de vreemde eend in de bijt.
Ik schrijf dit bij het licht van een olielamp. Petromax lampen zijn al maanden uitverkocht. Alle Balinese hotels en restaurants van enige omvang hebben een generator (Genset) zodat de gasten haast niets merken van de elektriciteitsproblemen.
En waarop draait die generator?
Juist op diesel. En wie levert die diesel? Juist, de staatsoliemaatschappij. De cirkel is rond.
Vaak moet je het allemaal niet zo ver zoeken.
Politiek is soms erg eenvoudig.
foto: orchidee in een gastenkamer van Villa Sabandari in Ubud, Bali
Een van de aangenaamste aspecten van het leven in de tropen zijn de warme avonden en nachten.
De temperatuur in Bali daalt zelden onder de 20°C.
Wanneer de avondlucht daarenboven geparfumeerd is met heerlijke aroma’s, dan is gewoon buiten zitten al een belevenis.
Na enig opzoekingswerk kwam ik te weten dat de belangrijkste ingrediënten van de twee best verkopende parfums ter wereld, gemaakt worden van bloemen uit de Indo-Maleisische regio. De temperatuur, bodem, hoogte en regenval in Ubud blijken dan ook nog eens ideaal te zijn voor de optimale groei en bloemvorming van de twee bomen die deze bloemen voortbrengen.
Chanel N°5, het best verkopende parfum ter wereld, is gecomponeerd in 1921. Elke 30 seconden zou er ergens ter wereld een flesje van worden verkocht. Een van de basisingrediënten is een olie, gedistilleeerd uit de bloemen van de Cananga Odorata of ylang ylang boom. Die boom groeit tot 5 meter per jaar en kan een hoogte van 20 meter bereiken. Per jaar geeft een volwassen boom een opbrengst van circa 100 kg aan heerlijk ruikende, geelgroene bloemen. Om de oogst te vergemakkelijken wordt de hoogte door snoeien beperkt tot 3 meter. Ik heb twee kleine exemplaren van net geen meter geplant. Een bij het pad naar de kamers en een andere naast het zwembad.
Nummer twee op de ranglijst is het parfum ‘Joy’ van het huis Jean Patou.
Het werd gecreëerd door Henri Alméras in 1935. De bloem van de Michelia Champaca zou aan de basis liggen van de heerlijke geur. De bloemen zijn oranje van kleur. Er bestaat ook een witte variante. De bloemen worden gebruikt in tempelceremoniën of gedragen in het haar door de vrouwen. Vaak worden ze ook, drijvend in een platte schaal met water, gebruikt om een kamer te parfumeren. De bladeren zijn voedsel voor de zijdeworm. De boom wordt in Java gbruikt voor herbebossing van sterk geërodeerde gronden.
Onze tuin is twee exemplaren rijk, elk circa twee meter hoog. De boom kan tot 50 meter hoog worden en groeit ongeveer 2 meter per jaar. Vanzelfsprekend zullen we ook deze exemplaren door snoei in toom trachten te houden.
Bij een avondlijke wandeling door de tuin of tijdens het zwemmen onder de sterrenhemel gratis genieten van de twee meest verkochte parfums ter wereld: alleen in Villa Sabandari.
Je mag tot einde Januari een gelukkig Nieuwjaar wensen meen ik me te herinneren. Dus bij deze: aan alle lezers van deze blog een gelukkig, succesvol en vooral een gezond 2010 toegewenst! Zelf heb ik het nooit zo nauw genomen met data. Driekoningen wordt gevierd op 6 januari. Dat heeft me er nooit van weerhouden om met de voorbereidingen van start te gaan ergens tussen Kerstmis en Nieuwjaar. Er moesten drie kronen geknipt worden uit karton en bedekt met een laagje zilverpapier. Een weckfles moest worden voorzien van een handvat en beplakt met zilveren of gouden sterretjes. Die kocht je toen niet bij de Blokker in een pakje van vijftig, maar moest je zelf uitknippen. Daar gingen toch ook gauw een paar uurtjes in zitten. Wat kaarsvet op de bodem laten smelten en een stompje kaars erin vastzetten en we hadden onze lantaarn. De planning voorzag natuurlijk een paar reserve stompjes, dat spreekt vanzelf. We droegen om beurt de lantaarn om onze verkleumde vingers weer wat op te warmen want het kon flink koud zijn begin januari en van al dat zingen werden je handen heus niet warm. Jongens, wat hebben wij kou geleden tijdens die zangexpedities! Er moesten mantels komen voor de koningen natuurlijk. Gelukkig was onze moeder wereldklasse met naald en draad en veranderde ze dat blauw geblokt tafelkleed en dat stuk gebloemd gordijn in gewaden van brokaat en hermelijn. Enfin, dat vonden wij toch. De jaren dat vader's hulp werd ingeroepen bij het maken van de ster kon die ook echt draaien boven op de bezemsteel en dit dankzij een ingenieus mechanisme waarop hij (dachten wij) wel het patent moest hebben. Je trok aan een touwtje en de, met goudpapier beplakte, kartonnen ster begon te draaien tot verbazing van onze toehoorders. Dat leverde dan, naast de obligate koekjes of snoepjes toch algauw een extra muntje van een frank of (halleluja!) een stuk van 5 frank op. Sinaasappels hadden we niet graag. Veel volume en gewicht dat je de hele tijd maar liep mee te zeulen. Snel opeten die handel. Het belangrijkste attribuut was natuurlijk het blikje. Dat was vaak een potje van Kwatta chocopasta want daar zat een deksel op dat goed sloot en waarin je bovenaan een gleufje kon maken. Ook ons geldblikje werd gewikkeld in zilverpapier natuurlijk. De kunst bestond er nu in om tijdens het zingen van: Draai keeuninge, draai keeuninge,geft maai ne nieven (h)oed.Menenouwen is verslee-eete,ons moeder magget nie wee-eete.Ons vader hévet geld,oep de rooster geteld. discreet maar met nadruk en gevoel voor timing met het blikje te schudden. Voor we thuis vertrokken hadden we er al enkele één frank muntjes ingestoken. Anders heeft in het begin van de avond dat schudden niet veel effect natuurlijk. De mensen konden dan makkelijk denken dat je het gewoon koud had. Het gerinkel van de centjes was een subtiele indicatie naar ons publiek toe dat we geen neen zouden zeggen tegen een beperkte hoeveelheid letterkoekjes of van die ronde met gekleurde suiker erop, maar dat het ons eigenlijk te doen was om de pecuniën. Als we dan weer eens, na een doorleefde uitvoering van bovenstaand lied, beloond werden met zo'n zielig bruin muntje van 50 of (godbetert!) 20 centiemen dan zongen we op weg naar het volgende huis: Hoewg huis, leejg huis, der zit een gierige pin in huis. Kwestie van onze frustratie en ontgoocheling even te ventileren en weer met een serene gelaatsuitdrukking bij het volgende huis aan te komen voor een nieuw vokaal hoogstandje. Teneinde deze unieke opportuniteit om wat bij te verdienen maximaal te benutten, beperkten we ons natuurlijk niet tot 6 januari. Neen, soms starten we al op 4 januari en gingen dan tot 7 januari door. Dat gaf toch, na opmaken van de eindbalans een omzet die 2.5 tot 3 keer hoger lag dan de losers die alleen op 6 januari gingen zingen. Natuurlijk werd er wel eens deur voor je neus dicht geslagen wanneer je te vroeg of te laat aanbelde, maar dat namen we dan maar op de koop toe. Onze omzet lag sowieso hoger omdat we in de voorbereidende fase (tussen kerst en Nieuwjaar weet u wel), onze zangroutes optimaliseerden. Geen straten met vrijstaande huizen en lange oprijlanen: de meeropbrengst woog niet op tegen het tijdverlies. Geen winkels want daar had je de kans dat ze je lieten wachten tot een klant bediend was. Neen, rijwoningen in een degelijke buurt zodat je al op de bel van de buren kon drukken wanneer de vrouw des huizes nog op zoek was naar haar portemonnee. Drie stappen zijwaarts en je kon opnieuw zingen. Er zat ook een logica in de te volgen route zodat we op het einde van de avond weer bij ons huis aankwamen. In die vier dagen werkten we een soort spinnewebpatroon af rond huize Weemaes en de buit groeide met de dag. Thuis, de schmink nog op onze gezichten, werden de tassen omgekeerd op de tafel en het geld geteld. We voelden ons telkens weer de koning te rijk.
Wanneer u dit leest is het probleem opgelost. Vorige nacht, zo rond de klok van drie, heeft een blikseminslag namelijk het leven gekost aan mijn kabelmodem.
We zijn van de buitenwereld afgesloten. Geen e-mail, geen kranten lezen online, geen blogs lezen of posten, geen spam verwijderen uit het gastenboek op de website, geen reservaties lezen en ze dan prompt weigeren wegens 'nog niet klaar', geen online betalingen doen (wat dan is dan wel weer positief is ;-) en zo voort. Je merkt pas hoe afhankelijk je bent geworden van het internet als het er plots niet meer is. Dat is toch ook zo met andere dingen zoals gezondheid bijvoorbeeld of mensen die je na aan het hart liggen. Veel dingen zijn vanzelfsprekend tot ze er niet meer zijn. Tot zover dit filosofisch intermezzo. Mijn computerman heeft me beloofd dat hij vandaag een tweedehandsmodem plaatst in afwachting van de nieuwe die besteld is. Hoop doet leven. Heel dit verhaal om te zeggen dat ik niet begrijp hoe dit is kunnen gebeuren. We hebben namelijk een bliksemafleider geplaatst die boven alles uitsteekt en in en straal van 500 meter alle inslagen zou moeten opvangen. Hoe is die modem dan alsnog gesneuveld? Hoe kunnen we dit in de toekomst vermijden? Een vraag voor de technisch geschoolde lezers van dit verhaal. Gebruikt het reactieformulier om dit mysterie op te lossen. Waarvoor bij voorbaat dank.
Een boogscheut van ons verwijderd ligt Maya Ubud Resort & Spa. Ik stuurde een mailtje naar de manager met de vraag om een kennismakingsmeeting. We zijn tenslotte bijna buren.
Er volgde prompt een lunchinvitatie.
Zichzelf uitnodigen is normaal de specialiteit van onze zoon Stephan maar hij heeft het niet van een vreemde zoals u merkt.
Het resort heeft 106 kamers, drie restaurants en het domein is 10 hectare groot. Ons 'intimate boutique hotel' zoals we het dan noemen, verhoudt zich tot Maya Ubud zoals de portierswoning tot het kasteel van de baron in vroegere tijden. Een tikkeltje intimiderend was het wel toen we de oprijlaan opreden.
De general manager stelde voor te lunchen in het restaurant van de Spa. Na een gezonde wandeling kwamen we bij een lift die ons 30 meter lager voerde , door de rotsen heen, tot vlakbij de Petanu rivier. In de Spa werken 23 vrouwen en er worden tot 50 behandelingen per dag gegeven.
Het totale personeelsbestand: 297 medewerkers.
De overigens uiterst beminnelijke manager, heeft 36 jaar Indonesië ervaring, waarvan een groot gedeelte op Bali. Hij schetste een weinig hoopgevend beeld van de problemen waarmee hij sinds de start van het hotel, 11 jaar geleden werd geconfronteerd.
Het hotel wordt omringd door een aantal dorpsgemeenschappen, banjars. Die stelden allemaal, van tijdens de constructiefase van het hotel, onmogelijke eisen.
Twee chefs van omliggende banjars presteerden het 2000 sollicitatiebrieven te laten afgeven, met de vermelding dat al deze mensen in dienst moesten worden genomen. De vorige eigenaars van de percelen waarop het hotel werd gebouwd, eisten dat hun familie werd tewerkgesteld omdat het hotel op hun (weliswaar intussen verkochte...) grond stond. Om hun eisen kracht bij te zetten, posteerden zich honderden mensen op de hellingen rond het hotel, voorzien van spiegels waarmee ze de gasten voortdurend probeerden te verblinden. Met de regelmaat van een klok werden, voor zonsopgang, bamboekanonnen afgeschoten om de gasten te irriteren. Intimidatie door grote groepen dorpelingen bij de poort van het hotel was ook geen uitzondering. 'Belligerent' noemde de manager de Balinezen, en dat betekent toch zoveel als 'oorlogszuchtig'...
Bij de opening had Maya Ubud 10.000 sollicitatiebrieven ontvangen...
Getalenteerde mensen uit andere dorpen konden niet in dienst komen door de exorbitante eisen die werden gesteld in verband met het percentage 'eigen volk' dat in dienst moest komen. De manager gaf ook het voorbeeld van zijn eigen huispersoneel; 2 mensen komen niet uit het dorp waar hij woont. Maandelijks moet hij daarom een belasting betalen aan de lokale ordedienst, de Pecalang omdat hij 'vreemdelingen' in dienst heeft. Vreemdelingen weliswaar uit een naburig dorp, maar het blijven voor de inwoners van de banjar vreemdelingen.
Uiteindelijk draait het allemaal om geld. Op weg naar het restaurant zagen we op een helling een grote oppervlakte bedekt met wasgoed en midden daartussen een grote spiegel. Het is de manier van de vrouw, van wie het grondstuk is, om haar eis om in dienst te worden genomen kracht bij te zetten. 'Geef me werk of ik verpest je uitzicht', dat is wat het wasgoed zegt.
De politie verleent geen enkele assistentie bij dit soort conflicten. Het zijn sociale problemen en die moet je zelf met de banjar oplossen.
We moeten vooral oppassen voor de eigenaars van de rijstvelden waarop we uitkijken. Die zullen geld komen vragen voor het uitzicht dat de gasten hebben. Het zijn namelijk hun rijstvelden die zorgen voor het panorama en daar moet voor betaald worden.
We mogen ons ook verwachten aan het bezoek van een afvaardiging van de tempel en de vraag naar een substantiële bijdrage.
Tegenover een bekend hotel 'Ubud Hanging Gardens', staat, aan de andere kant van de vallei een grote tempel. De verantwoordelijken van die tempel hebben grof geld geëist omdat de hotelgasten in zwempak een storende aanblik boden aan de gelovigen in de tempel. Enkel al gezien de afstand tussen tempel en zwembad is het duidelijk dat dit een vals argument is. Overigens kijk ik vanuit mijn bureau uit op een afwateringskanaal aan de overkant van de sawah, en word ik daar dagelijks vergast op badende Balinezen in meer of mindere staat van ontkleding. Diezelfde goot wordt ook zonder enige gêne gebruikt als openbaar toilet. Maar waag het niet de overflow van je zwembad te lozen in een afwateringskanaaltje! Dan krijg je problemen met 'de subak', de traditionele verantwoordelijken voor de irrigatie van de rijstvelden. De verklaring is dan dat er geen water in de rijstvelden mag komen waarmee mensen zich hebben gewassen (zwemmen = wassen). Bij de blote konten waarop ik dagelijks uitkijk zal het dan waarschijnlijk niet gaan om 'wassen' maar om 'ritueel reinigen' zeker?
De manager citeerde een westerse auteur die in de vorige eeuw schreef dat wij westerlingen voor de Balinezen zijn als 'bladeren die voorbij drijven in de rivier', eventjes vervelend, maar ook snel weer weg.
Eén ding is zeker, ons talent voor het zoeken naar compromissen en het diplomatisch oplossen van confrontaties zal danig op de proef worden gesteld.