BOEK WAYN PIETERS: XINGU, DE INDIANEN, HUN MYTHEN mythologische verhalen der Xingu Indianen- midden-Brazilië vert. van uit Portugees/uitg. Free Musketeers - Het boek is verkrijgbaar bij boekhandel 'DE TRIBUNE' aan de Kapoenstraat te Maastricht
4 VIDEOS (Portugees) -sprekende beelden- KUIKURO INDIANEN IN HET XINGU PARK MATO GROSSO -soms moet u even geduld hebben voor de verbinding met de site GLOBO tv, die af en toe traag is- (mocht u vragen hebben, u kunt me mailen)
Roman over Brazilië: over het volk, Xavante Indianen, aanwezigheid van de Vikingen, Umbanda-cultus erotiek, geschiedenis, politiek en Intriges.
plot: In het Xavante reservaat in de Mato Grosso worden stenenplaten met Vikingschrift ontdekt door archeologen. Bij de opgravingen worden Indianen en houtkappers gedood. Er volgt de moord op een Amerikaanse Indianen beschermer en Couto, van Japanse komaf, wordt als inspecteur erop afgestuurd. Het wordt een tijding van intriges en moorden, haat en liefde. Het leven van de Xavante-stam loopt centraal door het verhaal, net als de stelling dat Noormannen al in Brazilië waren vóór Cabral, terwijl de Umbanda cultus belangrijk is in het geheel. De roman schreef ik, geinspireerd door mijn reizen, en indrukken.
UItgegeven in eigen beheer; BRAWABOOKS 2005 281blz. in a-4 druk
stuur een e-mail met adres en het boek wordt toegestuurd, euro 17,00,- inc. verzendkosten, u betaald met giro op bijgevoegd reken.nr opbrengst voor kleinschalig project
Op zoek naar de ware ziel - Een alternatieve en rechtvaardige kijk op Brazilië
15-03-2010
TIRADENTES, MINAS GERAIS NOV. 2009
Tiradentes is vernoemd naar Joaquim da Silva Xavier, beter bekend onder de naam 'Tandentrekker'. Het plaatsje heeft ongeveer 7.000 inwoners en is een toeristische atractie. Ik besloot immer het plaatsje vroeg te bezoeken zodat ik de mensenstroom kon ontvluchten. Vanuit Sâo Joâo del Rey kan men met het kleine pitorreske stoom treintje gaan, Maria Fumaça, zoiets als 'Rokende Marie'. Deze schone zwarte Maria brengt je met felle fluittonen in een half uur naar Tiradentes tussen de Sâo Joâo bergen. Doch ik neem de bus, een wervelende rit, die met een omweg het plaatsje bereikt. Mooi gelegen tussen de heuvels en met straatjes die af en toe omhoog lopen. Het is voor de historie dat ik hier kom, anders is de omgeving rustgevender. Hier was het dat de tandentrekker zijn plot smeedde, het eerste om Brazilië te bevrijden van de hebzuchtige Portugezen. Dit gebeurde samen met o.a José Maciel, Claudio da Costa, Tomás Antonio Gonzaga en Alverenga Peixoto. Ze hadden zich een beeld gevormd van een vrij Brazilië, ook geinspireerd door de onafhankelijkheid in de Verenigde Staten en de Franse revolutie. Ze werden ten slotte verraden door een persoon genaamd Joaquim dos Reis, die als tegenprestatie een soort belastingvoordeel verkreeg. Alleen de tandentrekker werd ter dood veroordeeld in Rio de Janeiro, de anderen kregen genade en werden verbannen naar verre oorden. Op 21 april 1792 werd hij opgehangen in Rio, bij het tegenwoordige 'Tiradentes Plein'.
werk onbekend
Zijn lichaam werd in vier delen uitelkaar getrokken. Met zijn bloed werd een document geschreven bevattend dat zijn herinnering infameus waren. Zijn ledenmaten werden op palen gespietst om het volk af te schrikken om revolutionaire ideeën te opperen. De Portugezen waren als de dood voor onafhankelijkheid. Maar Tiradentes was al martelaar, en 21 april is een nationale feestdag in Brazilië.
SCHILDERIJ VAN PEDRO AMERICO -TIRADENTES GEVIERDEELD-
Natuurlijk ook hier kerken zoals de Nossa Senhor do Rosario dos Pretos, gebouwd door de slaven en die van de Matriz de Santo Antônio. ---------------
Rosario--der zwarten slaven----------------------
Voor de rest is het stadje vergeven van winkeltjes voor de vreemde koper, en lopen er paardjes rond die de mensen in karretjes rondtrekken. Ik liep langs de plekken die de geschiedenis verrijkten. Zoals het pand waar de 'plotsmeders' samenkwamen en hun plannen uitwerkten en de oude gevangenis, waar ontsnappen een heel werkstuk moest zijn. Door het plaatsje slenterend kwam ik in een steegje, waar ik een verbrijzeld affiche zag van Johnny Cash, een gegeven dat natuurlijk verder geen betekenis heeft, maar toch frappant. Nog voor de middag aanbrak was ik alweer vertrokken en liet Tiradentes voor wat het was. Alleen de geest van de Tandentrekker zweefde nog boven de kerken en het plothuis.
STRAATJE ---foto Wayn
OUDE GEVANGENIS ---foto Wayn
STRAATBEELD foto Wayn
ZIJSTRAATJE WAAR IK EEN JOHNNY CASH POSTER ONTDEKTE -- foto Wayn
HET HUIS WAAR DE GEHEIME BIJEENKOMSTEN PLAATSVONDEN VAN DE 'SAMENZWERING' --- Wayn
TEGELSCHILDERIJTJE DAT IK OOIT MAAKTE in Itaborai, RJ MET DE TITEL 'SLAAF VAN TIRADENTES' (helaas verweerd door de natuur)
STRAATHOND OP TYPISCHE TIRADENTES KEIEN ---- fot Wayn
korte reisimpressie Sâo Joâo Del Rey 2002 uit mijn boekje 'Het trieste van Brazilië'
April 2002,
Op goed 5 uur verwijderd van Belo Horizonte, hoofdstad van Minas Gerais ligt Sâo Joâo Del Rey. Een bekoorlijke plek waar de natuur de kans gaf aan engelen om hun bazuinen te laten klinken. Daar waar mooie negerinnen, mulata's, morena's en blanke vrouwen het stadsbeeld sieren. Natuurlijk zijn er kerken, en waar vindt men die niet, in het toch kuise Minas Gerais. Desalniettemin is alles een tatoeëring over het lichaam van deze stad gesticht in 1696 aan de Sâo Joâo rivier. Daar was gouddelven geen vrijetijdsbesteding, maar een dwang naar edelgesteente dat aanzien verwierf. Maar als ik contact zou kunnen leggen de toenmalige slaven van het goud die allang vervlogen waren, over het bizarre verleden van hun delfkunst, dan zouden ze zeggen: -goud is de waarde van armoede. Het is doods metaal als de levenslucht je lichaam dreigt te verlaten en je hart pijn doet van treurnis. De stichters van SJDR waren de Bandeirantes, de avonturiers en Indianenslavenhalers. Ze moesten natuurlijk eerst de plaatstelijke Indianen verslaan, hetgeen lukte en zo werd de stad vrij voor andere doeleinden. De goudmijnen ontstonden. Daar zwoegden de negerslaven, biddend tot hun goden wat hun stokslagen deed bekomen van de Portugese beulen. Geketend aan het 'Tronco', de martelpaal, verlangend naar hun oerbos in het verre Afrika waar het leven zo anders was dan hier in Minas Gerais. SJ is ook de stad waar Tiradentes werd geboren. Hij die voor het eerst in zag dat Brazilië geen wurm moest blijven van de Portugezen. Hij zette een samenzwering op touw genoemd de 'Confidencia Mineiro' om bevrijd te worden van de imperialisten. Maar het complot werd een echec. Ze werden verrraden. Tiradentes werd opgehangen in Rio en later uitelkaar gereten door paarden, anderen verbannen. Ook werkte de kleine kreupele Aleijadinho hier. De meester van de Minas barok, hier in de stad waar de reuk van de bergen aanlokkelijk is en de vriendelijkheid van de bewoners parten speelt. De kleine kreupele stierf aan een vreemde ziekte, na men later zei, lepra. Ik vind mijzelf hier terug, de omgeving, rustiek, waar je kunt nadenken, schilderen, schrijven en... muziek maken. Een plek waar van Gogh of Gaugin zeker inspiratie zouden hebben gevonden. Het landschap van rode aarde, waar de historie een bizar gegeven is en het heden een verschoonde film. Bedekkend al de ruwheid die zich hier afspeelde tussen de mooie bergen.
Het is goede vrijdag als ik aankom op het kleine busstation. Een dag dat hier alles allang in voorbereiding is voor het paasfeest. Ik neem wederom het kleine hotel met de naam 'Aparecida', genoemd naar de patroon heilige van Brazilië, een piepklein kamertje, maar netjes en funcioneel. Niet ver er vandaan ligt het koloniale hotel 'Brasil', oude kamers, maar zonder ontbijt. Ik bleef maar bij het eerste, daar toen ik de eerste maal hier in de late avond aankwam, stoffig en vermoeid, dit het eerste was dat ik tegen kwam. Vriendelijke mensen en waar ik in de morgen goed bediend werd door donna Lourdes. (Zij was heden nog steeds aanwezig.) Ze vroeg altijd of alles naar wens was en ik dacht dan aan de rampspoed de verdwaaldheid, de paria in de betonnen sahara van de lichtenloze steden. Dolend in de diepe gangen van hel, gekleed in monnikskleren en slapend in de kerkbanken. Zij die te moe waren om een gebed te richten tot de geconsacreerde. Zij die verstoten waren door het magistrale instituut, de gebieders die resprestanten van God noemden, maar helaas de armen verdoemden. En is men niet barrevoets welkom in het huis van de Heer? Ik weet dat dit alles niet rijmt. Dat de hele kerkelijke subfaculteit verdwaald is in de machtige jungle van praal en geld. Ik weet dat de gelovige uitgebuit wordt door alleen die alleen maar dromen van macht op de kansel. De straten worden versierd voor de processie die zondag zal uittrekken. De kerken een en al pracht van binnen, waar Christus aan een geweldig kruis hangt en sterft. Ja, hier sterft Hij ieder jaar weer voor de mensen van SJDR. Drommen toeristen komen naar hier en maken fotos van de kerk van Frans van Assis. Buiten de 5 meter dikke kerkmuren, op het plein, staan de geweldige palmen en daaronder voor de kerk staat een kleine ezel met karretje. Ik heb nu eenmaal een teerhartig gevoel voor ezels. Dat komt denkelijk door de trieste blik in hun ogen. Hij die somber naar de grond staart. Ogen uitgeput door ouderdom, hij die veel leed voelde in SJ en veel vrachten voor zijn hopelijk goede baas vervulde. Zij worden veelvuldig gebruikt in Brazil om de 'frete' karretjes te trekken, die voor alle soorten vervoer dienen.
De stad is gesplitst in twee koloniale gedeelten. Gescheiden door de Avenida Trancedo Neves. Die is genoemd naar de voormalige President, die in 1985 werd gekozen en de Braziliaanse dictatuur verwierp. Door onverklaarbare reden stierf hij enkele dagen voor zijn beëdiging. Men zegt door ziekte. Maar hij was een persoon die veel veranderingen wilde brengen in Brazilië. De geruchten gingen dan ook dat hij veel tegenstanders had en zich van hem ontdeden. Was het niet op een puriteinse manier dan op een verborgen mysterieuze manier. Hier bevindt zich het zaken-centro dat bereikbaar is via twee kleine bruggen. Het is een levendige boel door de week, handel, eethuizen, kerken, dronken mannen en het beeld van Tiradentes. In sommige straatjes zie ik de open kapellen. Vol van bloemen die de heilige vrouwen moeten eren. Overal hoor ik gezang. Liederen van geestelijkheid. Gospels. Mensen zijn in de weer om het paasfeest tot een deugd te maken in hun ziel. Anderzijds zullen anderen bezig zijn met het leven, het bereiden van hun rijst, bruine bonen of maispap met wat vis. Zij zullen hun dagen toevertrouwen aan de heiligen, de martelaren, die ze eigenlijk zelf zijn in het aanzien van de heilige geest. Of zou de geest van de zwarte slaven hun doen geloven dat geschiedenis een ander spel is dan het huidige? De dagen van de slavenarbeid en het senzala, het slavenverblijf waar men bidden tot Ogun en Oxalá. En waar de capoeiera grote betekenis had. De dag erop ben ik vroeg uit de veren. De zon lijkt en spotlight vanuit de heuvels en ik begeef me naar het beeld van Tiradentes, waar mannen hun verhalen vertellen. Ik lees de muurkrant die de nieuwtjes van de stad vertellen en kuier door de straatjes en kom Maria Madalena tegen. Ze is op gevorderde leeftijd en vraagt me om wat geld. Ze is een ex-hoer, maar nu uitgerangeert, met een doorgroeft gelaat, wat me doet denken aan een nordestina, die haar leven doorbracht in het dorre landschap van de wildernis in het noordoosten. Ik denk nog aan die andere Madalena, de zondares die door Jezus gekerstened werd. Ja, hier in Sâo Joâo mag ik dit denken. Madalena zegt mij dat ze vroeger een goede tijd had en ik weet dat deze Maria overal aanwezig is, zelfs hier in het toch ingetogen Sâo Joâo. Doch aan sexuele gevoelens heeft iedereen behoefte, zelfs de eenzaamste de eenzamen. Hij zich afsluit van de wereld. En de publieke vrouw is de filantrope. In ieder geval een door de heilige geest gezonden protagoniste, die mannen laat voelen dat de wereld een verlangen is. Ze geeft mij haar zegen en zegt dat ik een 'goeie man' ben, en dat God mij mag belonen. Nou ja. "Een verdwaalde gringo,' antwoord ik lachend, en ze lacht bizar om haar tandeloze mond te verbergen. En wat God betreft, zou hij mij belonen? Ik loop een soort cafe binnen waar andere klanken te horen zijn. De eigenaar verteld me dat hij uit het zuiden van het land komt en tranen-muziek adoreert. Ik had al teveel gezegd en meteen werd iemand weg gestuurd om een gitaar te halen. Ik zong maar enkele nummers, plus Hank Williams en een (wat ik vaker doe en jammer dat ik de tekst niet kon registreren) een improvisatie stuk. Doch was het niet Walt Whitman die ooit zei: Please don't shoot the piano pianist. He is doing his best! De mensen vinden het geweldig en ik drink nog maar een fles bier op de gezondheid van Sâo Joâo, Minas en Brazilië. Buiten loop ik pardoes een bomvolle kerk binnen. Daar zingt een koor uit volle keel, waardoor een tapdanser voor een moment zijn voeten even zou stil houden. Hoe vreemd dat me dit overviel, dat de tapdanser hier tot zijn recht zou komen. Misschien door de vele zwarte mensen? De blues? Zei men niet dat Tiradentes stiekem, als hij allen was op zijn kamer, de blues zong? Een vorm van braziliaanse slavenliederen? Nu is de stad omgetovert tot een soort paradijs met bloemen. En dan de luidende klokken als was het dat de gebochelde klokkenluider Quasimodo teruggekeerd was uit den dood. Ik zie mannen en vrouwen die aan dikke koorden trekken van de kerkklokken, die de dingen bijna doen dubbelslaan. Tegen een muur hangend filosofeer ik over het leven en Minas Gerais, de plek van rust, armoede, omringd door de mooie heuvels waar de Indianen ooit rondzwierven. De mensenmeute voor de kerk lijkt een bonte kermis, een finesse uit een schilderij van de helse Brueghel. Dit alles overgoten met een kluchtig vernis. Een heilg ornament gedompt in een vurig rustig einde van een dag waarvan de zon ondergaat boven de hemel van Minas Gerais. Een hemel die nu op het aadse lijkt, toch met vagevuur momenten. De zondagmiddag is stil en heilig. Mensen bidden voor de grote muurnissen tot Jezus en moeder Maria en ik loop door dekleine sfeervolle straatjes van de oude binnenstad. Ik denk aan de vrijheid waar velen naar verlangen. Revolutionairen en zondaars, slaven en helden. Gek? Ik voel me thuis in deze regionen. Het is een zoveelste ander Brazilië. Nog eenmaal bezoek ik de bar op de hoek en drink een fles ijskoud Antartica bier op het hoertje aande tafel, en allen die Sâo Joâo Del Rey liefhebben.
De stad Sâo Joâo Del Rey (+- 85.000 inwoners) ligt in de staat Minas Gerais op een 330 kilometer, zevental busuren van Rio de Janeiro. Het is een zogenaamde 'historische stad', gesticht in 18de eeuw en bezit vele koloniale gebouwen en zo'n 70 kerken. Het is tevens de stad waar Tiradentes werd geboren in 1746. De man die de leider was van de 'Inconfidencia Mineiro', de samenzwering tegen de Portugese overheersing. Ik kom hier in het volgend hoofdstuk op terug als ik het stadje Tiradentes bezoek. Ik bezoch de stad SJ velen malen, daar het een uitstraling heeft die mij enigzins rust brengt.
fotos Wayn, november 2009.
Het oude koloniale hotel BRASIL in het centro, goedkoop en simpel
Moacir die zijn spulletjes verkoopt voor de kerk van Franciscus v. Assis. Ik ontmoette hem aldaar en hij was een vriendelijke en vertellende man, die overleeft met de verkoop van fotos en zelf gemaakte schilderijtjes. Een van zijn uitspraken was dat racisme nog veel voorkomt in Brazil en de slavenarbeid nog geen verleden is.
Souvenierwinkelje in het centro
repetitie ruimte van orkest en banda Ramalho
Foto genomen vanuit het hotel 'Aparecida', typish straatje met op de achtergrond één van velen kerken
straathond 'vira lata' (bet. blik omdraaien) in het centro. Ik noemde hem 'olhos azul' (blauwe ogen)
straatje op weg naar hotel, links om de hoek
Storyteller voor de kerk van Sâo Francisco de Assis, foto gemaakt door Moacir, die mij instruerend er een mooi werksuk van maakte
Homage beeld van Tiradentes, (tandentrekker) in de stad waar hij werd geboren. Hij was de eerste opstandeling tegen het Portugese regiem en werd opgehangen en vierengedeeld, de martelaar der vrijheid
MET DE NA-SMAAK VAN WHISKEY ========Column door Wayn
Ik droomde vannacht dat de wereld beter werd. Een wereld zonder oorlog. Want wijsheid en voorzichtigheid is beter dan alle oorlogsinstrumenten en hebzucht. Een wereld zonder armoe, zonder pijn en verdriet. Een wereld zonder blues. Het regende. Ik was alleen in bed met de na-smaak van whiskey. Bourbon. Hoewel de Schotten wedijveren met Ieren dat men whiskey anders moet spellen. 'y', als uiteinde. Doch ik prefer maïsdrank, o land der Cherokees, land van de oogsten, land van de voorvaderen, toen de bleekgezichten nog geen bezit hadden genomen van de vlaktes. Miljoenen bisons dwaalden over de eindeloze weides. Totdat huid hun dood werd, hun tong als delicatesse in de grote steden, hun botten voor lijm, ten slotte hun stront voor stook. Vlees was er voor te rotten. Het regende. Ik was alleen in bed met de na-smaak van whiskey. Bourbon. Jack Daniels. En was het niet God die Brazilië verkoos als land voor zijn vakanties. Land van vogels, planten, dieren van het Godsrijk. O paradijs, zei Hij, maar zie eens wat voor mensen ik er heen stuur. Vertrapt door eenlingen. Nu verworden tot voetbalnatie en samba. Land van Indianen en slavenkinderen. favela's, krotten waar de kogels vliegen als tekens der waanzin, moeders, kinderen, onder hun bedden. Politie roemt om wraak. In mijn droom renden paarden in woeste gebieden onder de vlaag van wittevogels. Bossen waren groener dan ooit, een besef dat Indianen weten te verwezelijken. Dat de een mens de ander niet verloochend, waar de bergtoppen zijn als borsten van magische heksen. Armoede is een verschijnsel van een andere tijd. Toen waren alleen natuurwetten en de mens was allang geëvolueerd van uit de zee. De vis kroop aan land en verwerd tot iets zoals wij, langzaam als een slak. Vinnen, poten, rechtop, lopend, denkend, apen en manipuleren. Miljarden jaren geleden. Miljoenen. Beseffen is een vaag begrip. Dus wat is de tegenwoordige mens die zich opwerpt als hoogste bieder? Niets. Een stofje, meer niet. Dat er armoede en rijkdom bestaat is het uitvloeisel van afgunst. Hij die niet genoeg krijgt van wat moeder geeft. Wij zullen ons moeten realiseren dat de tijd komt dat we vervagen tot splinters. wij zijn gewoon hier om te overleven en niet om te overleeft te worden. Vernietiging is al om aanwezig en kijk naar de rampen, de vloedgolven, bevende aarde. Honger, oorlog, vernietiging en Dafurconflict in Soedan is iets anders dan de Canarische eilanden. My God! Is dit een waarschuwing of alleen maar een voorteken? Zullen wij met ons allen niet meer moeten nadenken over de verdere wereld? Zal morgen voor kinderen van gisteren een optie zijn. Er is redding, beste lezer! Het regende. Ik was alleen in bed met de na-smaak van whiskey. Bourbon. Maar dan moet iedereen zijn nek uitsteken. Rook der schoorstenen en gassen der wagens, wie ruilt? Smog van Sâo Paulo, of Tokio. Wie kan het een moer schelen? De leiders? Slaapkoppen, egoïsten die gemanipuleerd worden door geldschieters. We zijn overgeleverd aan de goden. We leven in een consumptie maatschappij. Sommigen in ieder geval. Vreten, zuipen en verbruiken. Dit kan nooit goed gaan. Ieder moet voor zich een punt maken wat voor hem het dichtst bij de natuur staat. Leven. Liefde. Begrip. In de hemel is rust (In caleos quis), maar wie wil naar de hemel? Of naar de hel? Wie wil terugkeren? Reincarnatie van het bovenmenselijke. Ik wil misschien weer zijn als een mustang, hollend over de prairies. Leven op aard is een gunst, doch niet voor ieder. De gevaarlijkste idioot is de broer van arrogantie, de mens zonder scrupules. Hij die denkt dat alleen hij loopt. Laat de doden rusten zei de arend tot de raaf, en hij verslond een levende duif. Hij zal ten onder gaan aan eigen hoogwaan. Een studie is niet moeilijk, de armoede gemaakt door de mens zal ooit verworden tot gelijkheid in de zin van het woord. De kapitalist zal eens moeten toegeven dat hij maar een eenzame gast is in zijn eigen huis. Hij die met zijn kist onder de arm loopt. Gerechtigheid zal zegenvieren, alhoewel ik misschien te optimistisch ben. Maar de noten op mijn zang zullen hard zijn. De wetenschapper zal beter moeten denken, de filosoof zal zich achter het oor krabben en de zielenprikkers moeten leren van de mens die krank of zinnig is? Ik ben soms verbitterd door de mensheid, de laksheid, de onnozelheid van personen die zich leiders noemen. De vuilste varkens willen altijd het beste stro. Ik droomde dat de wereld beter was. Het regende. Ik was alleen in een bed met de na-smaak van whiskey. Ik droomde. Ik werd verliefd op een zwarte vrouw. Zij reed op een witte merrie, zij zong als een engel. Liederen van 'saudade', een niet te omschrijven woord als 'verlangen'. Liederen van Maria Bethania. Bahia. Liefdesliederen van het land met timbres van Afrika. Het regende. Ik was alleen in bed met de na-smaak van whiskey.
3de kort verhaal Eduardo Galeano- MET houtsneden VAN José Francisco Borges
HET VERHAAL VAN DE NOODLOTTIGE ONTMOETING TUSSEN DE WOESTIJNROVER EN DE BEROUWVOLLE DICHTER
Hij was de overlevende. Firmino, oude meester in de kunst van het roven. Vluchtte naar de onherbergzaamheid van Pernambuco (deelstaat in het noordoosten van Brazil, noot Wayn). Legerkogels hadden een eind gemaakt aan het leven van zijn vrouw en van al zijn vrienden, in een hinderlaag aan de voet van een steile helling. Zonder hen, verminkt, stapt hij in zijn eenzaamheid droevig voort. Die nacht stortregende het in de woestijn, een ongehoord verschijnsel, en de bliksemflitsen verlichtten een aantal in de lucht trappelende skeletten in uniform en met de militaire pet op het doodshoofd. De slachtoffers van vele jaren vuige schandaden kwamen de tijd innen die Firmino hun schuldig was, omdat hij hen uit de wereld had verjaagd voor hun uur gekomen was. Hun afgrijselijke kreten schreeuwden om wraak. Met messteken en kolfstoten vocht Firmino tegen het in de storm omhoog gerezen gebeente. Tenslotte stopte de regen even plotseling als hij was gekomen. En in een oogwenk was al het nat verdampt en hadden de doden hun slaap onder de droge aarde hervat. Firmino, de grootste booswicht van het rijk, kon zijn vlucht voortzetten. Maar na vele uren lopen, toen hij wat takken afsneed om een vuur te maken, kwam er bloed uit de struiken. En Firmino begreep het. Maar hij liep verder.
De verlorenen zullen de gevondenen zijn, zong de dichter Sabino, en aan de aarde zullen sterren ontspruiten die de sterren aan de hemel zullen vernederen. De stommen zullen omroepers zijn en er zullen ziekenhuizen zonder zieken zijn waar nu allen maar zieken zonder ziekenhuizen zijn. Sabino, zanger van het levenslied op de markten van afgelegen dorpen langs de kust, zong de voorspellingen van de rode koe. De koe, die in zijn dromen vloog, had hem verkondigd dat de woestijnzee en de dorre vlakten groen zullen zijn, en wie het weten kon wist dat er geboorte zonder dood zal zijn en dat het alle dagen zondag zal zijn. Dat zong hij, tot hij er genoeg van kreeg. De dichter Sabino kreeg er genoeg van zingend te wachten. En hij had er spijt van zijn leven te hebben verdaan met het in deze stenige hel rondzwerven onder armen en vertrapten, en ontdekte dat de dingen zijn zoals ze zijn omdat ze altijd zijn geweest en zullen zijn zoals God wil dat ze zijn. En hij verjoeg de zotte koe, die haar dwaasheden in hem droomde, uit zijn nachten. En hij trad bij de regering in dienst. Zijn houten zwaard werd niet meer verheven om de slang van de droefenis te onthoofden, maar om de vijand van de openbare orde te straffen.
Firmino zette zijn tocht voort naar de onherbergzaamheid van Pernambuco of naar waar zijn benen hem maar konden brengen. Op een ochtend, niet ver van een gehucht, werd hij wakker van het geluid van voetstappen. Firmino dook weg en trok zijn mes. Maar toen hij Sabino, een gekookte kip in een net pak en met een stropdas om tussen de struiken zag staan, haalde de bandiet rustig zijn tabakszak te voorschijn. De dichter stelde zich voor: Sabino, eenvoudige volkszanger, om u te dienen, en hij zei dat hij altijd de hoop had gekoesterd de wrede gesel van de woestijn, de heer van het kwaad, te leren kennen, en nu berreidt het lot mij deze verrassing, die ik zonder twijfel onwaardig ben en die voor mij meer, veel meer dan... Traag, ongeïnteresseerd, rolde Firmino een sigaret en stak hem aan. 'Een grote eer betekent,' fluisterde Sabino en slikte. Er was geen ander publiek dan wat vliegen. De struikrover blies een paar rookkringentjes de lucht in en keek even naar de nietige woordkunstenaar om hem met één ademstoot omver te blazen. Sabino, met het hoofd naar de grond, telde de mieren, maar plotseling trok hij zijn zwaard. Het houten zwaard trilde in zijn hand. Zijn stem trilde nog meer: 'Ik wil u een gunst vragen,' kwam er als een zucht uit. Met zijn zakdoek wreef hij over zijn voorhoofd en zijn ogen en stamelend bracht hij zijn verzoek naar voren: 'Dat u mij toe staat... u het hoofd af te slaan.' Firmino schaterde het uit. Hij lachte, tot alle lach op was die hij sinds de laatste, lang vervlogen keer had opgespaard. Toen strekte hij zijn nek: 'Gaat uw gang, geleerde heer.' De dichter Sabino greep het houten zwaard met beide handen vast en ging er vol overtuiging stevig voor staan. De rover Firmino stond op en streelde zijn hals. De dichter knipperde met de ogen. Hij liet een konijnengepiep horen en wist eindelijk uit te brengen: 'Zeg nee.' De struikrover was hem ter wille. Nee? Waarom niet. Zoiets kun je niemand weigeren. Dus zei de schrik van het noordoosten: 'Nee.' Maar de dichter fluisterde: 'Zeg nee met het hoofd.' En toen de bandiet nee schudde, liet zijn hoofd los en rolde het over de grond.
De overwinning van de Beschaving op de Barbaarsheid haalde de voorpagina's van de plaatselijke, regionale, landelijke, continentale en mondiale kranten. Sabino ontving de uitgeloofde beloning en schonk deze in een door de BBC live uitgezonden openbare plechtigheid aan de werken van barmhartigheid. Het boek dat zijn heldendaad beschreef werd in het Engels, het Frans, het Duits en het Esperanto vertaald en de dichter Sabino werd door het weekblad TIME tot Man van het jaar gekozen.
De ziel van Firmino steeg ten hemel. Op aarde bleef zijn in tweeën gedeelde lijk achter. Het lichaam werd door de gieren en het hoofd werd de geleerden toegeworpen. Alvorens het hoofd, dat een plaats in een vitrine van het Museum van Cangaceiros (outlaws van het woesteland, noot Wayn) zou krijgen, te mummificeren, stelden de wetenschappers vast dat Firmino een hoger zoogdier van het ectomorfische type en behorend tot de xantodermo-brasiliano groep was geweest. Het onderzoek wees uit dat het hier om een psychopatische persoonlijkheid ging, die werd bepaald door zekere verdikkingen van het schedeldak, zoals deze kenmerkend zijn voor de uit de bergen en verborgen landen afkomstige kille moordenaars. Het misdadige levenslot van de man werd eveneens bepaald door een verschil van negen millimeter tussen beide oren, door een punthoofd en door buitensporige grote kaken met lange snijtanden, die ook na de dood bleven kauwen.
Firmino ging naar de hemel omdat zijn vrouw daar was en omdat iemand hem had gezegd dat er boven ook plaats was voor in de edele krijgskunde gesneuvelde dolende ridders. Hij was een ridder zonder paard. Te voet ging hij naar de hemel, de hele lange, hoge weg van de gelukzaligheid, met zijn geweer als stok en met een zilveren dolk in zijn riem gestoken. Trage gang, staatsiewapenrusting, parfum en brillantine. Op Firmino's borst prijkt een groot kruis van glimmende kogels, zijn Napoleonshoed hangt vol medailles en ponden sterling en andere versierselen, en aan elke vinger van beide handen schittert een ring. En na een lange, lange klim komt Firmino aan de hemelpoort. Maar Petrus doet niet open. God heeft persoonlijk bevolen hem niet toe te laten. De Schepper kon zich niet doof houden voor de unanieme protesten van engelen, aarts-engelen en heiligen. Want Firmino's vrouw, die de hemel bij vergissing was binnengekomen, slaapt met iedereen. Zij is het enige brandende vuur in her eeuwige leven en alleen wanneer zij liefheeft en met vlammende navel danst wordt de onvergankelijke verveling van de hemelse vrede opgeheven.
Daarom deed Petrus niet open. En Firmino vraagt niets, zegt niets. Hij bleef rustig zitten wachten. Lange tijd is voorbijgegaan en Firmino staat nog steeds met de hoed in de hand voor de drempel van het paradijs te wachten. Vanuit zijn heelwacht bekijkt Lucifer bezorgd de situatie. Lucifer ziet hem naar zich toekomen en gromt: 'Ik krijg altijd het uitschot.'
2 de Kort verhaal van Eduardo Galeano - houtsneden José Borges
HET VERHAAL VAN DE DOLFIJN DIE ZONDER HARPOEN EN ZONDER HAAK DOOR SATAN WERD GEVANGEN
De Volle maan zette het water van de Amazone in gloed. Een dolfijn sprong door de fonkelende golven en maakte vrolijke circuscapriolen. Er was feest in het dorp, veel opwinding en dansplezier, en het lawaai van de muzikanten riep de dolfijn vanaf de oever. En voor het eerst gaf de maan, die zich nooit iets van hem had aangetrokken, hem toestemming: voor deze nacht en zolang de nacht duurde mocht hij aan land gaan. De dolfijn richtte zich naakt op het zand op en de maan gaf hem een nieuw lichaam en nieuwe kleren. Hij stortte zich in het feest. Hij danste met zijn hoed op, zodat het gaatje waardoor zijn hoofd adenhaalde, niet zichtbaar zou zijn. En hij liet de mensen versteld staan: iedereen was verbaasd over zijn rossige huid, waarover een blauwe glans lag, en over de blik van zijn wijd uiteen staande oegen, en over zijn dorst die door liters en nog meer liters rum niet werd gelest; en zijn manier van dansen zonder de grond aan te raken, onderduikend in de muziek en zich asl een vis in het water van de muziek bewegend, wekte hij ieders bewondering. Golvend danste hij op de muziek in de armen van een vrouw en later dansten ze beiden door, zonder kleren en zonder iemand anders, op de muziek die uit hun armen voortkwam. Hij was eraan gewend in het water te spelen, maar hij had nog nooit in het binnenste van een vrouw gezwommen. Hij lag op haar, toen hij een klopje voelde, tok, dat op zijn rug brandde. Hij draaide zich om en zag hoe een fosforachtig licht in de lucht groeide en vorm kreeg en klauwen en horens en een baard had. De zeer rode figuur wiegde en schitterde in het duister: 'Sta op, indringer,' zei hij. De verbouwereerde dolfijn begreep er niets van. De op deze vreemde manier verschenen man was schor, hoewel een zijden halsdoek zijn keel tegen de tropische kou beschermde. Op het horloge aan zijn pols wizend zei hij: 'Ga terug naar de rivier, mormel, het is tijd.' En de dolfijn herinnerde zich wat hij vergeten was. Spoedig zou de nacht ten einde lopen en met de nacht zou zijn tijd aan land ten einde lopen. Hij keek naar de vrouw, die opgerold naast hem lag, naar de lagenslingers van haar lange, zwarte haar, en de schorre stem streelde zijn oor: 'Niet gek.' En hij lachtte zijn tanden bloot: 'Een mooi cadeautje. En dat nog wel vandaag. Goede vrijdag, mijn dag.' En hij strekte een klauw naar dat lichaam uit, dat klopte op het ritme van de slaap. De dolfijn gaf hem een klap, maar sloeg in lege lucht. Zij voelde de beweging van de lucht, knipperde met haar ogen en sliep verder.
De duivel die in deze wereld de kwellingen van de hel oefent, fluisterde een raadsel: 'Met wie zal deze vrouw morgen slapen?' En hij gloeide op en verdween in het donker. Het laatste donker: de askleurige nevel van de dageraad kwam al opzetten. geleende nacht, geleend lichaam. Hij vervloekte de zon voor alles wat de zon hem ging afnemen. Zij mompelde iets, nog steeds in haar slaap, en drukte hem tegen zich aan. En hij wilde haar met zich meenemen, maar kon het niet, en hij wilde bij haar blijven, maar dat kon ook niet.
De ochtenbries rimpelt de rivier. Op een paar passen van de waterlijn ligt en dolfijn te sterven. De zon stijgt en vanuit de hemel brengt de zon de kleuren en de geuren van de wereld tot leven.
EDUARDO GALEANO (VERHALEN) HOUTSNEDEN VAN JOSÉ FRANCISCO BORGES
Ik wil graag 3 korte verhalen weergeven van Eduardo Galeano uit zijn boek 'Dolende Woorden' oorsprokelijke titel 'Las Palavras Andantes' uit 1993. De vertaling is van Dick Bloemraad en uitgegeven door Van Gennep bv, isbn 90-5515-025-8 / nugi / cip
Eduardo Galeano (Montevideo 1940) reisde naar een klein dorpje in het noordoosten van Brazilië om daar houtgraveur José Francisco Borges (Bezerro, Pernambuco 1935) te ontmoeten en hem te vragen om met hem samen te werken. Hij wilde een boek maken en Borges zou de houtsneden leveren. De mannen gingen akkoord en zo ontstond een schitterend boek waarvan ik drie verhalen wil publiceren.
Het verhaal van de wederopstanding van de papegaai
De papegaai viel in de dampende pan. Hij vloog er na toe, werd duizelig en viel. Hij viel uit nieuwsgierigheid en verdronk in de hete soep. Het meisje, dat zijn vriendinnetje was, huilde. De sinaasappel trok zijn schil uit en bood zich tot troost aan haar aan. Het vuur dat onder de pan brandde kreeg spijt en ging uit. Uit de muur maakte zich een steen los. De boom, die zich over de muur boog, huiverde van verdriet en al zijn bladeren vielen op de grond. Zoals iedere dag kwam de wind de lommerrijke boom kammen, maar trof hem kaal aan. Toen de wind hoorde wat er was gebeurd, verloor hij een vlaag. De vlaag maakte het raam open, trok doelloos door de wereld en ging naar de hemel. Toen de hemel het slechte nieuws hoorde, werd hij bleek. En toen de man de witte hemel zag, werd hij sprakeloos. De pottenbakker van Ceara wilde het weten. Eindelijk kreeg de man zijn spraak terug en vertelde dat de papegaai was verdronken en het meisje had gehuild. en de sinaasappel zijn schil hat uitgetrokken en het vuur was uitgegaan ende muur een steen had verloren en de boom zijn bladeren had verloren en de wind een vlaag had verloren en het raam was opengegaan en de hemel zijn kleur had verloren en de man zijn spraak had verloren.
Toen bracht de pottenbakker al het verdriet bijeen. En met dat materiaal konden zijn handen de dode weer geboren laten worden. De papegaai die aan het verdriet ontsproot had rode veren van het vuur en blauwe veren van de hemel en groene veren van de bladeren van de boom en een snavel zo hard als steen en zo goudgeel als de sinaasappel en hij had menselijke woorden om te praten en water van tranen om te drinken en zich te verfrissen en hij had een open raam om te ontsnappen en in de windvlaag vloog hij weg.
BOUW VOOR ENORME KRACHTCENTRALE VRIJGEGEVEN IN XINGU
'Noticias Triste' (droevige berichten) schilderij van Antonio Parreiras
Na jarenlange discussie heeft de Braziliaanse regering de toestemming gegeven tot voor de bouw van de omstreden dam de Belo-Monte aan de Xingu rivier, een zij-arm van de Amazone. Er zijn wel vele voorwaarden verbonden aan de licentie volgens de Braziliaanse milieu dienst IBAMA. Die houden in dat de toekomstige exploitanten in totaal 1,5 miljard reais (576 euro) aan milieu en sociale projecten moeten uitgeven. Dit volgens de IBAMA voorzitter Pedro Bignelli, die verder zei 'dat alle voorwaarden bindend zijn'.
De uiteindelijke aanbesteding voor de bouw van de op twee na grootste waterkrachtcentrale, die al 40 jaar gepland staat, zal aanvang nemen in april. Er wordt een oppervlakte van 500 km2 onder water gezet. 20.000 mensen moeten hun huizen verlaten en tegenstanders spreken zelfs van 40.000.
Een van de grootste tegenstanders is de van Oostenrijkse afkomstige bisschop Erwin Kräutler, die sprak van een niet overziene ramp voor de omwonenden en het milieu. Hij noemde het gedrag van de regering van president Luiz Inancio Lula da Silva, 'dictatoriaal en arrogant'.
Waar bevindt zich Marc van Roosmalen? Volgens een bericht, sinds november 2009 ergens in Amsterdam. Op de vlucht, paspoort ingetrokken, ver weg van zijn geliefd Amazonas. Bij mijn terugkeer uit Brazilië kwam ik weer op zijn spoor, daar ik een herhaaluitzending zag van het programma 'netwerk', van november 2009. Marc leefde zijn leven in zijn geliefd Amazone woud, als bioloog van belang voor de wetenschap en aapjes. Deze aapjes werden zijn schavot. Neen! Niet die aapjes, maar Marc zijn idealisme, zijn openheid omtrent de vergaande vernietiging van het woud, waarvoor in de plaats grootschalige soja-plantages worden aangelegd en waar Brazilië miljarden aan verdient. Nederland? ja, die doen alsof hun neus bloed, want zij hebben immers grote belangen hierbij. Helaas te groot voor Marc te helpen. Want het gevaar loert als een schobbejak, als een vuile moordenaar. De grootgrondbezitters, die samen met projectontwikkelaars zich door zijn uitspraken en gegevens onder de gordel getrapt voelen. In de Braziliaanse Amazonia regio kun je rustig functioneren, als je maar geen interesse heb in duistere aangelegenheden van anderen. Ze tegen de schenen schoppen, tegenspreken, kan je dood betekenen, overgesneden keel of een kogel.
De Braziliaanse rechter vooroordeelde hem, na danig opgedrongen wijze voor ' het illegaal opvangen en verhandelen van apen uit het Amazone'. Ze eisten 14 jaar cel, dit was twee jaar geleden. Hij zat daar als een groot crimineel in een gevangenis van Manaus, daar waar de ratten dansen en moorden worden uitgevoerd met toestemming van corrupte funcionarissen. Hij kwam tijdig uit de cel, wist voorlopig vrij te komen en vluchtte uit Amazonas op het moment dat zijn Nederlands paspoort nog geldig was. Hij had tevens een Braziliaans paspoort en werd daarom niet meer beschouwd als Nederlander. Dit is nu ingetrokken en nu verder? De Nederlandese regering wist zelfs druk op hem uit te oefenen, door te oordelen dat hij in Brazilië zijn Nederlands paspoort moest inleveren. Er is een hogerberoep ingdiend en wacht nog op de beslissing. Ondertussen leeft hij ergens waar? Wat is de toekomst van Marc, zal hij ooit terugkeren naar Amazonas? Zal hij uitgeleverd worden aan Brazilië? Zal hij terug kunnen keren naar het oerwoud en zijn werk? Of zal de moordenaar hem weten te vinden. De dood-eskaders van het woud, want in Amazonas is geen recht. Hoe open kan een mens zijn, en net als mijzelf is het soms moeilijk je mond te houden als men de onverbiddelijke teloorgang ziet van de natuur. Waar ligt het lot. Ik weet dat Van Roosmalen een psychish moeilijk tijd doormaakt, een periode dat overpeinzing een vraag is. Marc moet de blues hebben, een eenheid die gerelateerd is aan muziek en gevoel, een triestheid. Het 'saudade' het onzegbaar verlangen naar Amazonas. Doch het belangrijke voor een mens is zijn standvastigheid. Ik wens Marc van Roosmalen sterkte. Tegen de betreffende politici, die altijd de belangen van kapitaal voorop stellen ten aanzien van menselijke gevoelens, zeg ik dat niemand gediend is met deze situatie, alleen degene die angst hebben voor uitspraken van mensen die zich in zetten voor de natuur. Wij mogen niet verkwanselen dat het amazonewoud, mens en dier verdwijnt en de soja-velden, die veelal dienen als veevoer, een drijfveer zijn voor politieke beslissingen.
En dit alles kan afgelopen zijn... reportage over journalist/doc. filmmaker Washington Novaes die de doc. XINGU- bedreigd land / maakte
In 1984 reisde reporter Washington Novaes, van de Sâo Paulo Tv Cultura, naar Mato Grosso en maakte aldaar de documentaire XINGU- A TERRA MÁGICA, over de Indianen en hun cultuur. Buiten de video resulteerde dit in het boek Xingu- Uma flecha no coraçâo (Xingu- een pijl in het hart). In de tekst zegt Novaes dat zijn toenadering tot de stammen van de Xingu begon in 1980, toen hij ter plaatste was om een programma te maken voor de REDE Globo tv. Het idee was om te laten zien hoe het leven was in het park Xingu, waar zich onder de Indianen geen hart en vaatziektes voordeden. "Er was geen overgewicht, alcoholisme, lichamelijk inactiviteit, en gebruikte geen zout met natriumchloride, dus de indianen waren gezond,'' zegt Novaes. Na de jaren 1980 bleef Novaes het park bezoeken en noteerde de veranderingen: "Momenteel, de heeft de Xingu te maken met problemen van buitenaf, maar ook van binnen," bevestigd hij. Volgens Novaes heeft de Xingu te maken met de opmars van de landbouw. "Het park is een eiland omgeven door weidenland en de soja-cultuur, hetgeen velen problemen veroorzaken, buiten het feit van de periodieke invasies van houtkappers en goudzoekers." Novaes verklaart dat de rivieren die de Xingu vormen buiten het park ontstaan, en lood en bestrijdingsmiddelen in het millieu brengen, en sedimentatie, hetgeen een verhoogde temperatuur teweeg brengt en schade tot de belangrijkste voedingsbron, de vis. "Tevens worden er waterkracht centrales gebouwd in de belanrijkste rivieren in het Xingu gebied. Volgens specialisten, kunnen de vissen niet meer de rivier opkomen en in sommige waterkracht centrales, zoals die van de Kuluene rivier, zal het reservoir een gebied doen overstromen, dit belangrijks voor de lokale cultuur, " verklaart Novaes. In de Xingu werden wegen geopend om het gemakkelijker te maken voor het verkeer tussen de dorpen en steden in de buurt van het park. "Deze situatie heeft het contact met de blanke cultuur intensiefer gemaakt. Dat heeft verschillende consequenties, op de eerste plaats de jongeren, die deze cultuur bezien, ze willen de blanken hun kleding hebben, DVD'S, opname apparatuur, en de Forro (muziekstijl uit het noordoosten) dansen. Daarom maken ze handwerk, zoals armbanden, halskettingen en hangmatten, om ten slotte te verkopen en geld te verkrijgen om dit alles te consumeren, " zegt Novaes. Maar het probleem is, volgens de journalist, dat de jonge Xingunezen geen interesse hebben om de agri-cultuur te verdedigen en verder verliezen ze de interesse voor hun tradities. "In bijn alle dorpen is er geen enkel die 'Pajé' (sjamaan) wil zijn, omdat het een lange weg is vol van opofferingen," zegt hij. De Pajé is de intermediar van de menselijke wereld met de wereld der geesten. "Als er dit niet meer is, zullen de culturen verdwijnen. Alles in hun leven heeft deze relatie. Ieder boom heeft een geest en alle dansen en liederen zijn in dit universum. De cultuur wordt vanuit deze hoek bedreigd, net als de sociale en politieke organisatie, " bevestigd Novaes. Volgens de journalist, ziet de blanke maarschappij de Indianen door hetgeen zij niet hebben en zij niet de waarde van die cultuur kan herkennen. "Op een legale manier hebben ze geen afgevaardiging van macht. Diegene die meer weet en meer ervaring heeft, wordt het meest gerespecteerd. Ieder is vrij en ze hebben hun grenzen, in de vrijheid van de ander. Dit is een buitengewoon voorrecht," zegt hij. "Zij weten hun eigen huis te bouwen, het land te bewerken, jagen, ambachten en het vastellen van de soorten der natuur. Wanneer Brazilië de helderheid van geest had, zou ze het park transformeren in een historisch en cultureel erfgoed, en ecologische aspecten voor de mensheid. Milieu gezien is de Xingu een eiland vol van biodiversiteit," zegt Novaes. Over het werk van de broers Villas-Bôas zegt de journalist: " Er waren velen die bekritiseerden dat de broers verschillende etnische groepen samen brachten, maar in hún tijd kon niemand anders dit beter doen. Vele stammen zouden nu zijn uitgeroeid, zoals de Paranás, die toen werden overgeplaats binnen het Xingu park (nu hebben zij een eigen reservaat)." In 2007, nam Novaes een nieuwe documentaire op in het park: "XINGU- A TERRA AMEAÇADA (Xingu- Een bedreigd land), welke de werkelijkheid laat zien van het huidige Xingu.
Einde van de verhandeling over het XINGU gebied en de VILLAS-BÔAS gebroeders vertaling Wayn Pieters
Washington Novaes bereidt zich voor om de documentaire XINGU-A TERRA AMEAÇADA, IN 2007 op te nemen
EEN LEVEN GEWIJD AAN DE INDIANEN -DE BROERS VILLAS-BÔAS
Orlando en Claudio waren de voorgangers van het parque Indígena do Xingu tot 1975. Buiten dat de broers in de hele wereld werden gewaardeerd voor hun werk, waardoor ze tweemaal de Nobelprijs ontvingen, kregen zij ook veel kritiek. Op hetzelfde moment dat de broers werden geprezen voor hun werk ten behoefte van het Indiaanse volk en het nemen van een initiatief voor een gezondsheids programma, zoals vaccinaties en medische hulp voor de Indianen, die veelal stierven aan griep, dysenterie en het uitbreken van mazelen in het decenium 1950, door het contact met blanken, werden de broers zwaar bekritiseerd daar zij materialen en goederen aan de Indianen zouden verstrekten en zich hierdoor bemoeiden met de interne macht in de dorpen. Volgens de FUNAI (het insituut dat in 1967 werd opgericht, als vervanging van het voormalige SPI, om de indianen te beschermen, zou dit hebben bijgedragen tot vermindering van de traditionele ambachtelijk handwerk en afbraak van de Indiaanse cultuur. In de jaren 1960 was het leven van de broers zo verbonden met de Xingu, dat toen Orlando zijn vrouw leerde kennen, die momenteel 71 jaar is, dit al snel leidde dat zij naar het park vertrok, om aan zijn zijde te staan. In 1963, ging Marina naar het park en was de eerste verpleegzuster in de lokale gezondheid aldaar. "De Xingu was de uitbreiding van mijn huis. De gemeenschap en de overheid moeten beoordelen hoeveel de indianen ons leren, de sociale structuur en wereldvisie, ' zegt zij. Marina woonde 12 jaar in het park waar zij haar kinderen opvoedde. 'De Indianen hebben een groot respect ten aan zien van levende wezens, met name kinderen, ouderen en 'de natuur',' zegt ze. Van haar zijde laat ze haar respect zien ten aanzien van de Pajés (sjamanen): 'Zij zijn de spirituele verwijzing in de Indiaanse cultuur. De glorie der genezing is van hen'. Noel Villas Bôas, 33 jaar, zoon van Orlando, verteld dat zijn vader 6 dagboeken bewaarde (postuum geconserveerd), die hij in 1943 begon te schrijven, het jaar van de eerste expeditie naar de Xingu. Delen van de optekeningen werden uitgebracht in boeken, inclusief het postume 'Orlando Villas Bôas - Expedições, reflexções e registros' georganiseerd door Orlando Villas Bôas, in 2006. Het erfgoed bewaard door de familie behoudt relikwiën zoals correspondenties van Orlando met Marechal Rondon, en met de antropologen Darcy Ribeiro en Claudio Levi-Strauss, tevens honderden fotos en optekeningen. 'We zijn bezig met proces om het 'Instituto Orlando Villas Bôas' te creëren, om het materiaal voor het publiek toegankelijk te maken. Betreffende de Roncador-Xingu expeditie is het praktisch geen vergelijkbaar materiaal in Brazilië, het is een kloof van 20 jaar in de Braziliaanse geschiedenis,' bevestigd Noel, die jaarlijks het Indiaans park van Xingu bezoekt.
wordt vervolgd door het slot : "En dit alles kan afgelopen zijn..." over journalist en filmmaker Washinton Novaes
wayn
Marina Villas Bôas, weduwe van Orlando, bij haar eerste reis naar Xingu, in 1963, met een Kalapalo jongentje aan haar zijde
Orlando omhelst een Txi"kão (Ikpeng) Indian, in 1967
.... Deze groep zijn de Kamaiurá en Kaiabi (familie Tupi-Guarani); Juruna (taalstam Tupi); Aweti (taalstam Tupi); Mehinako, Wauja en Yawalapiti (familie Aruak); Kalapalo, Ikpeng, Kuikuro, Matipu en Nahukwá (familie Karib); Suyá (familie Jê); Trumai (geisoleerde taal). Volgens de 'site Povos Indígenas no Brasil, van het 'Sociaal-milieu Instituut' (ISA), leven er meer dan 4.000 Indianen in de Xingu regio, (gegevens 2002).
Toen de broers Villas Bôas arriveerden in het noorden van de staat Mato Grosso, waren de Indianen die een deel van centraal Brazilië bewoonden gedecimeerd door diverse ziekten zoals griep, dysenterie en uitbraken van epidemieën, dit door de interventie van blanken in hun gebied sinds de 19de eeuw. Toen de broers zich geconfronteerd zagen met deze situatie besloten ze een campagne te starten voor behoud van de stammen, welke voor tientallen jaren doorging, volgens een een 'protectief-model'. De broers overtroffen het officiële doel van de federale expeditie. Ik het boek A Marcha para o Oeste - A epopeia da expediçâo Roncador-Xingu,(De mars naar het westen- Een epos van de Roncador-Xingu expeditie) geschreven door Orlando en Claudio, de broers beschrijven hoe het eerste contact van de blanke Sertanistas werd gelegd met de Xavante Indianen. Dit gebeurde op 25 juli 1945. Volgens hun, was die context tamelijk onvriendelijk, omdat leden van de expeditie schoten afvuurden in de lucht, hetgeen een reactie veroorzaakte bij de Xavantes, maar er vieln geen slachtoffers. Ze ontmoeten meer etnische groepen als de sertanistas verder het bos in gaan, allereerst de Kalapalo stam, in de regio van de Kuluene rivier, een zijrivier van de Xingu. In maart 1948 werd de expeditie opgeheven door de regering van Vargas, doch de Villas Bôas broers hadden op dit moment al de nominatie ontvangen als afgezanten van de SPI (Stichting ter protectie van de indianen) van de boven-Xingu, door Marechal Cândido Rondon (grondlegger van de Indianen pacificatie, noot Wayn). De broers begonnen een nieuwe onderneming met de expeditie Xingu-Tapajós, toen ze contact wisten te maken met de Juruna Indianen. In deze periode, voegde zich de Oekrainiër Noel Nutels (1913-1973), een wetenschapper bij de groep. Tenzelfde tijd, begonnen de eerste ideeën om het park te verwezelijken werkelijkheid te worden, door de sertanistas met steun van de brigadier Raymundo Vasconcelos Aboim (1898-1990) en de antropoloog Eduardo Galvâo.
UM PARQUE PARA OS INDIOS Een belangrijk punt voor de conceptie van het park kwam in 1952. Dit jaar, presenteerden Orlando Villas Bôas, de antropoloog Darcy Ribeiro, Heloísa Alberto Torres (1895-1977) en brigadier Raymundo Vasconcellos Aboim, een voorontwerp van de wet aan de vice-president in die tijd, Café Filho, om het Xingu-park te creëren, met steun van Marechal Rondom. Het voorstel van het project gebeurde op 19 april 1961, door het federale decreet n0 50.455, gesancioneerd door president Jânio Quadros. Hetzelfde jaar overleed Leonardo, de jongste van de Villas Bôas broers aan hartproblemen. De uitdagingen voor de oprichting van het park waren velen, te beginnen met de afmetingen van het grondgebied en de diversiteit van de verschillende taalkundige stammen, reeds omschreven als Aruak, Jê, Karib en Tupi. Het land werd afgebakend voor een uitgestrektheid van land en rivieren, met de Xingu rivier als voornaamste. Het gebied is 27 duizend km2 en is gelokaliseerd in de noord-oostelijke regio van de staat Mato Grosso. Het gebied toont een rijke bio-diversiteit, met een vegatatie die reikt tot aan het Amazone regenwoud. De demarcatielijn reikt tot een gedeelte van de gemeemnten Canarana, Paranatinga, Sâo Felix de Araguaia, Sâo José do Xingu, Gaúcha do Norte, Feliz Natal, Querência, Uniâo do Sul, Nova Ubiratâ en Marcelândia. Vanwege de bijzondere geografie is het grongebied verdeeld in een hoog, midden en laag Xingu, in de richting van zuid naar noord. Met de opzet van het park, kwamen sommige stammen nader tot elkaar en er onstond een rassenvermenging. Maar andere volken, op hun beurt, hadden weinig contact, door de afstanden en de diversiteit van taalstammen. Orlando en Claudio werden benoemd tot de eerste leiders van het park, die tevens onder bevoegdheid viel van SPI, het nationale museum in Rio, het instituut Oswaldo Cruz, en andere organasaties. De Villas Bôas bevorderde de toetreding van enkel etnishe groepen tot het park, 'zodat ze beschermd zouden zijn in dit gebied'. Volgens de de 'site van de Indiaanse volken van Brazilië' gebeurde dit met de Kaiabi, Ikpeng en Tapayuna, die werden getransformeerd naar het noorden. Twee andere volken, Tapayuna en Paraná ( van de familietaalgroep Jê) traden ook in contact met de Villas Bôas broers en werden in het park ondergebracht tijdens het deccenium 1960, doch enkele jaren later besloten zij weer te vertrekken. In het geval van de Paraná, bereikten ze de bevestiging van hun oud terrotorium in Paraná. In 1987 waren de Tapayuna al vertrokken naar de dorpen Metyktire en Kremoro, van het Metyktire volk, op het reservaat Capoto/Jarina.
DE INDIAANSE STRIJD GAAT DOOR Tientallen jaren verstreken en de 14 etnische goepen in het Xingu park, beschermd voor te overleven, worden momenteel geconfronteerd met een voortdurende strijd om het behoud van cultureel erfgoed en eigen natuurlijke omgeving. De nieuwe generatie van velen stammen hebben de blanken cultuur al aanvaard, met tweetalig onderwijs en kleding van de blanken in de dorpen. Hierdoor, vrezen de ouderen dat de wortels van hun voorouders verloren gaan. De strijd om te overleven en ruimte gaat eveneens door, mede door de druk van de grootgrondbezitters met de uitbreiding van agri-cultuur - speciaal soja en de winning van rubber en hout, dit rond het park verhandeld wordt. De constructie van waterkrachtcentrales in rivieren die uitmonden in de Xingu is te meer een bedreiging met het oogpunt op milieu en zeker de duurzaamheid van de Indiaanse mensen. Volgens de site Povos Indígenas no Brasil, is de roofzuchtige bezetting zorgwekkend. De soja cultuur is een van de meest gevaarlijke die vordert in de richting van het park. Een ander voorzichtigheid met betrekking tot behoud van het park betreft de autowegen Cuiabá-Santarém (BR-163) en de BR-158, die in de buurt van het Xingu-park circuleren.
wordt vervolgd door 'EEN LEVEN GEWIJD AAN DE INDIANEN' over de broers Villas Bôas
bijlagen: Darcy Ribeiro Een jonge Marechal Rondon Dokter en Indiankenner Noel Nutels, met aan zijn zijde Marina Villas Bôas, de weduwe van Orlando, links Ikpeng vrouw 1968
In 1973 bracht Orlando Villas Bôas het boek 'Xingu: Os Indios, Seus mitos' uit. In de 2008 vertaalde ik alleen de mythes, van het boek, in het Nederlands en gaf dit uit in boekvorm. Voor meer info hierover zie linkerbalk - boven
Links boven in de balk vindt u VIDEOS OVER DE KUIKURO stam en HUN CULTUUR - XINGU Data 10-01-2010 globo rural
XINGU, EEN PARADIJS ONDER BEDREIGING en de broers VILLAS BÔAS deel 1
Deze reportage heb ik vrij vertaald uit het Portugees artikel 'XINGU- EEN PARADIJS ONDER BEDREIGING' van Sucena Shkrada Resk bron het blad 'Leituras da Historia', Brasil wetenschap&leven (c) 2009
In de jaren 1940 reisden de broers vermomd als 'Sertanejos' (inlanders, ook soort 'kenners der wildernis') naar de Mato Grosso om daar de lokale inheemse bevolking te bestuderen. Velen jaren later, namen zij het intiatief om het 'Parque Indígena do Xingu' te bewerkstelligen, dit om de entnische waarde te bewaren, en ontvangen twee maal de Nobelprijs der vrede. Vandaag, ondanks dat de Xingu een bijna onaangeroerde oase blijkt, wordt de regio bedreigd door landbouw, aanleg van wegen en hydro-elektrische centrales op het land van de indianen.
De creatie van het eertse Indiaanse park in Brazilië in 1961 in de Mato Grosso, begon eigenlijk 2 decenias eerder door de gebroeders Leonardo, Claudio en Orlando Villas Bôas. Anoniem als 'Sertanejos', gingen de 'paulistas' (inwoners van Sâo Paulo), ze kwamen uit een middenklasse, zich aansluiten bij de expeditie Roncador-Xingu, georganiseerd door de regering van Getúlio Vargas. De campagne was ook bekend onder de naam 'De mars naar het westen' en had het doel om het binnenland van Brazilië open te leggen. In eerste instantie hadden de broers zich aangemeld voor de expeditie, maar werden gewijgerd door de organasitoren, daar zij niet als onderzoekers gingen en ook niet mannen waren, die een nieuw leven wilde beginnen in de binnenlanden. Hierdoor, lieten de broers hun baard groeien, kleedde zich eenvoudig en deden zich voor als analfabeten, om de toestemming te krijgen met de expeditie mee te kunnen reizen. Zo begon de expeditie van de broers Villas Bôas, wat later, met de steun en medewerking van antropoloog Darcy Ribeiro (1922-1997) resulteerde in de demarcatie van het Indiaans park.
DE KOMST VAN DE BLANKEN Vóór de broers Villas Bôas het avontuur naar het interieur maakten met de expeditie in 1940, had het gebied al reeds kennis gemaakt met interventies van blanken. Een van de eersten blanken die deze gebieden betrad was de Duitse tekenaar en ondekkingsreiziger Karl von den Steinen (1885-1929) die, in 1884, vergezeld door geograaf Otto Claus, vanuit Cuiabá vertrok en de Xingu rivier afvoer. Hij bestudeerde de Indianen en classificeerde de stam Bakairi, als afstammelingen der Caraíbas en niet de Tupi-Guarani, zoals men in de 19de eeuw veronderstelde. Volgens Orlando Villas Bôas, in het boek Orlando Villas Bôas: expedições e registros, waren de volkeren waar men contact mee legde in de tijd van Steinen, de Bakairi, Juruna, Suyá, Waurá en Trumai. Al in 1887 ging Steinen naar het gebied in gezelschap van antropoloog Paul Ehrenreich (1885-1914) en de geograaf Peter Vogel. Ditmaal, benaderde de Europeanen de stammen van de Aweti, Kalpalo, Kaymayurá, Mehináku en Yawalapiti. Andere expeditie vonden pas plaats vanaf 1896, zoals die van ondekkingreizigers Hermann Meyer en Henri-Anatole Coudreau (1859-1899), in opdracht van de regring van Pará. In 1920 begint de generaal Ramiro Noronha een expeditie over de Kuluene rivier- zij-rivier van de Xingu, waarna hij de indianen-post 'Simôes Lopes (Bakairi) stichtt aan de Paranatinga rivier. In de periode tussen het eind van de 19de eeuw en begin van de 20ste, is er een duidelijke aanwezigheid te zien van vreemdelingen: Duitsers, Fransen, Amerikanen en Italianen, waarvan velen werden gedood in conflicten met Indianen. In 1944, met de expeditie Roncador-Xingu, aan welke de broers Villas-Bôas deelnam, wordt het een keerpunt voor de goedkeuring van een 'politiek inheems beleid', hetgeen jaren later een feit wordt.
HET AVONTUUR VAN DE DRIE BROERS De expeditie Roncador-Xingu had zijn begin in Uberlândia, in Minas Gerais, en werd gestuurd door de 'Fundaçâo Brasil Central' (Centrale Stichting Brazilië) tijdends het bewind van de 'Estado Novo', (nieuwe staat, een autoritair regime dat duurde van 1937 tot 1945) onder dictator Vargas, gericht op het consolideren van de nationale soevereiniteit door het koppelen van centraal Brazilië aan Amazonas. De broers Leonardo, Claudio en Orlando waren doordrongen in dit avontuur in de bossen om te helpen bij de afbakening en vorming van populaire ' blanke' nederzettingen, terwijl ze zich dus voordeden als sertanejos. Op de reis werden de broers geconfronteerd met een 'inheems' Brazilië dat voor hun onbekend was. Als eerste ontmoeten ze de Xavante stam, en door de jaren heen, veertien andere stammen, die een van de meest gerespecteerde taalkundige diversiteit in de wereld vertegenwoordigden, volgens de organisatie der Verenigde Naties voor educatie, wetenschap en cultuur (Unesco): de taal der Aruak of Arawak, Jê, Karib en Tupi.
WORDT VERVOLGD...
Claudio en Orlando met een Indio van de boven-Xingu in de jaren '60
bijlagen: Karl von den Steinen met twee mede-avonturiers in Brazilië Suyá Indiaan (achetudoeregiao.com.br)
AMAZONE INDIANEN KRIJGEN RESERVATEN in Amazonas, Roirama en Pará
De Braziliaanse regering heeft op 22 december 2009 naar verluid 9 reservaten toegewezen aan Amazone Indianen. De demarcatie is voltooid van het Trobetas-Mapuera gebied. Dit beslaat een oppervalkte van 50.000 Km2, of zowel 2 maal België, of de grootte van de deelstaat Espirito Santo. In het gebied leven 7.000 Indianen. Trombetas Mapuera is het grootste reservaat, 40.000 km2 bos en bijna de grootte van Nederland en Zwitserland. Er leven 2.800 mensen van diverse etnische komaf, waarvan sommige stammen geen enkel contact hebben met de buitenwereld. Het gebied ligt in de staten Pará, Amazonas en Roirama. De reservaten zijn gedeeltelijk gelokaliseerd midden in en nabij die van de volken van Waimira-Atroari en Mapuera, deze drie samen vormen het vijfde reservaat van grootte in Brazilië, na het Xingu-Kayapo (het grootste), Alto-Rio Negro, Yanomami en Javari. President Lula: 'We kunnen nooit genoeg doen voor de Inheemse volkeren. De schuld is historisch en we kunnen geen geld teruggeven. We kunnen dit enkel doen door concrete gebaren." Deze woorden sprak hij tijdens de overdracht van de gebieden. De woorden lijken op een schuldgevoel, en het is een gebaar dat de oorspronkelijke bewoners van Brazilië moeten helpen, doch er liggen gevaren op de loer. In Brazilië zijn decreten en demarcatie lijnen soms vage tekens op papier en grootgrondbezitters of multi-nationals houden zich niet aan deze papieren. Afwachten. Volgens de optimisten moet de afbakening twee doelen dienen: 1 Het land teruggeven aan de oorspronkelijke bewoners 2 Het beschermen van het Amazone woud Dit is het uitganspunt van de Braziliaanse regering die tegen 2020 de ontbossing van het Amazone woud met 80% wil terugdringen en dat de belangrijkste factor is van de uitstoot van broeikaseffecten in Brazilië. De droom gaat door, Wayn hulpbron De Morgen, be
persmap: inheemse volkeren bron De Morgen, België reportage Lode Delputte
Indianenrechtenverenigingen luiden de noodklok voor het lot van het Akunstuvolk in het Braziliaanse Amazonegebied.Nu onlangs matriarch Ururu overleden is, telt het volk nog vijf leden, verdeeld over twee hutjes. De Akuntsu zijn lang het enigste volk niet dat met uitsterving bedreigd wordt.
Lode: '...BRASILIA.
De gestage kolonisering van het regenwoud heeft het lot van de Akuntsu bezegeld. In totaal worden 66 Amazone volkeren met uitsterven bedreigd.Wie via officiële bronnen meer over de Akunstu te weten wil komen, stuit in Brasilia als in westelijke deelstaat Rondonia, waar de etnie al eeuwen woont, op vragen. "Nooit van gehoord," klinkt het bij de nationale stichting voor Indianen (Funai), die onder het ministerie van justitie ressorteerd. Ook Vilhena, Porto Velho, Ji-Paraná of andere andere vertegenwoordigingen lijkt het volk een nobele onbekende. Zelfs enkele gespecialiseerde antropologen en specialisten inheemse demografie zijn niet vertrouwd met het lot van de bewuste groep.
Op de valreep geregistreerd, finaal de uitsterving nabij, alsof ze amper bestaan hebben: zo leven de laatste vijf Akuntsu, verdeeld over twee 'malocas' (hutten) op de oevers van de Igarapé Omerê, een zij-rivier van de Corumbiara, Pal in het Amazone bassin.
Uiteindelijk schijnt alleen Funai medewerker Moacir Góes, die in de buurt woonachtig is, meteen te weten over wie het gaat. Góes kende Ururu, die 75 was; de man Kunibu ook, die moet 65 zijn; de 35 jarige man Pokak voorts, en drie jongere vrouwen.
Het Funai doet dan wel forse inspanningen voor de Braziliaanse inheemsen, dat ze in 2002 alsnog een reservaat van meerder honderden km2 voor elkaar kreeg voor de Akunstu mag een wonder heten (of, van de pessimistische kant gezien een slag in het water, want 'too little too late')
"Niemand spreekt de taal van de Akunstu," zegt Sophie Baillon van Survival International, dat voor de rechten van inheemse volkeren wereldwijd opkomt. "Ururu was de laatste die de geschiedenis en rituelen van haar voorouders nog beheerste. Ze nam haar geheimen mee in het graf. Een van haar vijf overlevende volksgenoten is ziek, zodat ze straks nog met hun vieren dreigen te zijn."
Geweld; de Akunstu behoren tot de zogenaamde 'niet-gecontacteerde' volkeren, mensen die in hun, natuurlijke, culturele en rituele habitat zijn blijven wonen, en niet blootgesteld werden van invloeden van buiten af. Maar juist daardoor is hun weerbaarheid gering en hun kans op overleven klein.Op een agrarische grens als ze liggen, bedreigd als ze worden door houtkap, extensieve veeteelt, oprukkende boeren en alle geweld dat daarmee gepaard gaat, zijn ze gedoemd om de tweede helft van de 21ste eeuw niet meer te halen.
"De Akunstu leven van jacht en visvangst. Maak het leefmilieu van die mensen kapot en ook zijzelf sterven," klinkt het bij Survival. "Soms gebeurd zulks zelfs letterlijk:In 2000 kwam een Akunstu meisje om toen ze in een storm een half afgezaagde boom over zich heen kreeg."
Moeder des volks Ururu kon amper met de buitenwereld communiceren, het weinige dat ze wel vertelde ging over slachtpartijen en geweld, over hoe de Akunstu in de jaren tachtig, toen ze nog tientallen leden telden, bijna helemaal afgeslacht werden door blanke kolonisten. Zijzelf en Kunibu behoorden tot de enkelingen die het strijdgewoel overleefden. Kunibu en Pupak, toen nog een kind, hielden er zelfs littekens aan over.
Veel kolonisten wisten maar al te goed dat zich diep in het woud onbekende stammen bevonden, informatie over hun aanwezigheid sijpelde echter maar zelden naar buiten, aangezien die de economische belang op de helling dreigde te zetten waar de nieuwe, trans-Braziliaanse BR-364 aanleiding toe gaf. Geen wonder dat het eerste reële contact tussen overheid en Akunstu, 19 jaar geleden, uiterst moeizaam verliep. De Akunstu trilden van angst. Meer nog, onderzoek wees immers uit dat angst een permanent onderdeel van hun cultuur geworden is, in zoverre dat iedere aanraking met het vreemde en het andere een sjamanistisch ritueel tot gevolg heeft.
66 volkeren bedreigd
Het lot van de Akunstu is niet enige wat voor beroering zorgt. Wereldwijd worden ongeveer 100 inheemse groepen bedreigd, in het Amazone gebied gaat het liefst om 66 volkeren.
"Door de recente inheemse revival en groeiende bewustwording hebben veel groter volkeren vandaag flink war weerbaarheid ontwikkeld," zegt Baillon. "Erger is het gesteld met kleinere groepen. In Brazilië hebben we zelfs één man 'de man in het gat" daar hij gaten graaft waarin hij woont, die de enige overlever van een onbekende etnie is. Zijn volk redden gaat niet, maar veel andere situaties bewijzen ons dat uitsterven geen fataliteit hoeft te zijn."
Het Akunstu volk: wat rest van hun cultuur, is angst voor de blanken.
Dank van STORYTELLER
Wayn: In 1996 verscheen het boek 'ROOKSIGNALEN' van Ineke Holtwijk, uitgever ATLAS isbn: 9045006995. Het boek is een uiteenzetting van de problemen der Amazone Indianen, de houtkap, drugshandel, illegale houtkap en de strijd tegen de grootgrondbezitters. Ineke werkte als correspondente van de Volkskrant lange tijd in Brazilië.
Een groep Xavante indianen uit de staat Mato Grosso bezochten in november (ik was in Rio op dit tijdstip, maar niet op de hoogte van hun bezoek) het 'Musea do Indio' in Rio. Ze waren daar op uitnodiging van het Museum en Funai, om daar een workshop bij te wonen. De vraag is of er buiten dit belangrijkere dingen besproken zijn, de problemen van de stam, de gezondheidszorg, hun indentiteit... Het FUNAI, als regerings orgaan, heeft een grote invloed op dit alles. De jongeren van de stam hebben de drang naar een modern leven, het geldend systeem, de ouderen leven in hun tradities... hoe lang zullen de Xavantes hun trad. behouden, hoelang zullen zij het volk van Mavutzinim zijn? Dit geldt niet alleen de Xavantes; vele stammen worden bedreigd om hun eigen 'ik' te verliezen... Anderzijds is de gang naar het 'blanke leven' reeds begonnen in de jaren '40 van de vorige eeuw... toen de ontginning van midden Brazilië een feit werd. Ik zal hier later uitgebreider op terugkomen in een reportage over de XINGU Indianen en de broers Villas-Boás.
de fotos zijn van de site van het Indianenmuseum te Botafogo, Rio
Deze foto nam ik in het 'museum van de Indiaan' in Rio de Janeiro, een blijk van hoe de blanke beschaving onherroepelijk een stempel drukte op het leven van de Guarani, de kleding is sprekend foto denkelijk jaren 1930
'O GOD, IF THERE BE A GOD, SAVE MY SOUL, IF I HAVE A SOUL...'
O BRASIL, LAND VAN ZON EN WATER, RIVIEREN, BOSSEN EN GEESTEN O BRASIL LAND VAN CANDOMBLÉ, ZWARTE GEESTEN VAN AFRIKA O BRASIL LAND VAN MUZIEK; SAMBA, BOSSA NOVA, FREVO, FORRÓ, INDIAANSE TIMBRES O BRASIL LAND VAN DICHTERS MET EENZAME NATUURLIJKE WOORDEN, DRONKEN IN DE LETTERS VAN DRUMMOND ANDRADE OF DE ASSIS O BRASIL LAND VAN ARMOEDE, TRANEN EN DOOD, DRUGSDEALERS EN OORLOG, FAVELA´S, STATEN ZONDER EENHEID, VERDWAALDE KOGELS, HUILENDE MOEDERS, STRAATKINDEREN O BRASIL LAND VAN CORRUPTERENDE POLITICIE, LAND VAN UITBUITERS, IMPERIALISME, TOTALISME O BRASIL LAND VAN VRIJHEID? O BRASIL, WAAR DE COBRAS DANSEN MET DE ROZE DOLFIJNEN, PANTERS MET REUZE URUBU´S OP HUN RUG VRIJEN MET GORDELDIEREN, APEN LACHEN OM DE ONOZELHEID VAN DE MENS EN RESPECT HEBBEN VOOR MAVUTZINIM, DE HOGE GEEST DER VOLKEN, DE INDIOS O BRASIL LAND VAN ONTELBARE LIEFDES, ZOALS DE MIJNE, VERBONDEN AAN DE STRENG VAN EEN MANGABOOM, VRUCHTEN DIE KUNNEN VALLEN, GERIJPT OM TE ETEN, OF TE ROTTEN O BRASIL,LAND VAN ZUMBI, IANSA, XANGO, OXOSSI, EXÚ, LAND VAN DE CABOCLOS, DE INDIAANSE GEESTEN, DE WARE VRIENDEN VAN HET ´LAND VAN HET HEILIG KRUIS´ O BRASIL, HOE KAN EEN MENS ALS IK, VAN U, HOUDEN?
De mensen van het noordoosten liggen me aan het hart. Ik reisde veel in het gebied en zag de cultuur met een venijnige achtergrond, de geschiedenis en droogte die de binnelanden teisteren. Onlangs bezocht ik in Rio de Janeiro de wekelijkse ´feira nordestino´, een markt gewijdt aan het volk dat lange tijd geleden en nog steeds naar het zuiden afzakt, met hoop op werk en voorspoed. Klote, de meeste belanden in de favelas en werk is hard te vinden. Ze leven met ´saudade´ naar hun geboorteland, waar het land droog is en kaal; Piuai, Ceará, Alagoas, Pernambuco, Paraiba, Bahia. In Rio zoeken velen troost in hun muziek, de forró, doch het blijft een illusie. Maar muziek weet de harten ter roeren en tranen doen gelden. Ik kreeg een document in handen van de ´LigaNordestina´, een beweging die zich inzet voor de belangen van het noordoosten. Uit dit manifest citeer ik op mijn eigen manier:
´... de droogte van het noordoosten is een ideologish-politiek probleem. In andere regios zoals de in de USA en landen als Israel en Rusland, hebben de problemen veroorzaakt door droogte opgelost door irrigatie, zelfs in de meest afgelegen gebieden. (enige twijfel. noot Wayn) De miserabale toestand in het noordoosten in niet alleen de droogte. De rotzooi begint als de politiek de hand reikt aan lokale oligargien: de droogte industrie. Een desperate omschrijving van een misselijkmakend orgaan. Deze industrie funcioneert al sind de tijden dat de Hollander Maurice van Nassau Brazilie bezette. Deze industrie geeft vrijheid aan politiekers, die van de situatie profiteren en, gecamoufleerd, rendamenten innen. Het logishe maakt dat explotatie van het menselijke wordt teweeggesteld, in een tijd van droogte of in een tijd van oorlog, het blijft een klassieke vernedering, met de verwoording dat de problemen meer winst geven dan de oplossingen, en zo is het niet allen in Brazilie, voor sommigen is armoede een winstgevend project. De bodem van het noordoosten heeft 110 biljard kubike meter water van uitstekende kwaliteit, met de mogelijkheid om jaarlijks 20 billioen kb naar boven te brengen, zonder vermindering van de druk, genoeg om een populatie van 200 miljoen mensen te voorzien. In het programma van het ´Roda Vida` van 8 juni 2008, is de volgende bekendmakning van de minister van agrarische ontwikkeling Jungman, die stelt dat PETROBRAS (de grote Braziliaanse oliechef bij uitstek) in het noordoosten geboord heeft naar olie. Die werd niet gevonden, wel water! Liefst 2.500 putten met zoet water. Luister goed; de putten werden in opdracht van Petrobras afgesloten, om ten slotte het imagem van de maatschappij niet te schaden, want men vond water en géén olie! Ondertussen stierven mensen van honger en dorst, onze broeders nordestinos! De slechte toestand in het noordoosten is niet het gebrek aan water en regen. Neen! De verdorvenheid is de afwezigheid van menselijk inzicht, het lak hebben aan het volk, het lak hebben aan het verhelpen van het droogte probleem! Het noordoosten moet gelijk behandeld worden, want in het programma van de regering 2000/2003 kreeg het noordoosten 11% van het geld, terwijl 65% bestemd was voor het zuidoosten. Hoe dan ook de slechte behandeling van het noordoostengbied gaat niet ver terug: bijvoorbeeld het geld dat verspild werd met de bouw van de nieuwe hoofdstad Brasilia, ( en niet alleen geld, erger was het mensenleed, de verdrijving van velen Indianen) was genoeg geweest om 15 gebieden in het noordoosten van de droogte te redden, door middel van irrigatie. Dezelfde periode gaf de regering van Fernando Henrique een steun van 50 billioen dollar om de ten grond gegane Braziliaanse banken te redden, terwijl 10 billioen voldoende zou zijn geweest om in het noordoosten het droogte probleem op te lossen. Tevens zou dan een opbrengst gegarandeerd zijn van 200 milllioen ton graan. De koppen van politiekers zijn vaak allen gericht op het speculeren en corrupteren! Ik wil alleen zeggen en tevens in naam van de voorman van de ´Liga Nordestino´ João Pinto, dat het probleem van het noordoosten niet meteen het gebrek aan water is, maar het gebrek aan etisch verantwoorde politiek bedrijvende mensen en het gebrek van gerechtigheid, dit om de moeilijkheden in het noordoosten op te lossen. De mensen verdienen beter.´
´... en ik zeg mijn lieve Rosinha, bewaar met jou mijn hart...´ uit Luis Gonzaga´s ´Asa Branca´ de witte vogel die het noordoosten verlaat als de droogte het uiterste bereikt heeft en de man vertrekt om ooit terug te keren? Wayn
SP at night[[[[[foto genomen vanuit appartement in Bela Vista, Wayn
Sâo Paulo is niet Rio de Janeiro. Zo ligt dat, de Carioca van Rio is meer speels, houdt van dans, strand en sluimeren. De Paulista opgewonder, is meer bewegelijker en al werd al eens gezegd dat er een rivaliteit is, en dat de Paulista harder werkt dan de Carioca. Het is natuurlijk onzin, doch in SP hangt een andere sfeer. Hier is het kapitalistisch hart van Brazilie, hier vindt men de grote banken en verzekeringsmaatschappijen, die alles voor je regelen. Hier is de welvaart aanzienlijk, hier rolt het geld in de hoofdstad van het kapitalistish Brazilie, de armoede ontziend, de onderlaag geplaagd met het woord ´paria´. Ja, dit is Sâo Paulo, de betonnen kom, omringd door de velen houten krotten van de paulistas favela´s. Ik? Ik zie hier veel zwervers en bedelaars, op het eerste zicht meer als in Rio. Fantasierijke personen dwalen door de stad met uitgeproken leuzen, anderen om aandacht, levende standbeelden, dronken idioten, hoeren en zwervers. In de wijk waar ik verblijf Bella Vista is alles overheersend door de mensen van Italiaanse komaf, en waar het uitgaand leven des nachts aangenaam is en waar de pizza tenten rivalueren. Niet verder daarvandaan ligt Liberdade, de Japanse buurt, waar een Tokio-sfeer ontspringt. De eerste Japanners die in 1908 in Santos aankwamen en Sp verlichten met hun cultuur. Maar in Sp ziet men vele gezichten: negers, arabieren, blanken, Koreanen en moslims. Het rijke gezicht van SP, rijkdom en het paria-gevoel. De gewone mensen lijken te dromen, in de metro die je naar alle richtingen vervoert zoals een moderne stalen slang. Wolkenkrabbers lijken op betonnen punten uit de grond te komen waar ooit alleen de Indianen hun domein hadden. De Jesuieten moesten hen wel beschermen tegen de woeste opkomst van de ´bandeirantes´ de slavenhalers bij uitstek, maar de godsdienaars waren ook alleen maar gemanipuleerd, door een hoger hand. Ze wilden de Indianen beschermen tegen de bandeirantes, maar bedreven ook zij geen zonden door het ´volk´ te bespelen. God! De heilige geest! Dat was wat de Indios moesten leren. Ze waren het bloedvlees van de bijbel, werken op de velden, dat was hun leven, maar dit is een lang verhaal wat ik ooit uitgebreider zal beschrijven. Doch hoe zou de stichter van SP José de Anchieta nu wel denken, als hij deze wonderbaarlijk stenen woestijn zou zien? Zoe hij lachen om het rumoerig verkeer, de schreeuwende evangelische predikers op het plein van Sé? De bedelende zwervers, de straatkinderen? Zou hij huilen? Nadenken? Een nieuwe strategie uitwerken, of zou hij gewoon bij de jappaners in de kroeg zitten en een sake drinken? God Knows. En de Banderirantes? Zij zouden de moderne terroristen zijn, die, ongenaakbaar de leiding zouden hebben over velen zaken. Ergens voel ik me thuis in deze grote betonnen stad, die dans op het ritme van het alledaagse. Maar wat is het een triest gegeven als je ziet dan de zwerver dood ligt aan de voet van van de grote basiliek? Is dit het geven van alledaagse? Men loopt voorbij, alles is mogelijk en de mens steekt nog een kaars op een in de kerk bij Liberdade, bij het plein waar ooit de misdadigers werden gemarteld en opgehangen. Er gingen drie miljoen mensen naar de wijk Santana om een evangelische show bij te wonen? Zeker is dat het gevoel van religie hier aan de voeten van de mensen ligt en men ziet hier de tempels van de rijke evangelische kerken! De rijken stelen de show, door grote luxe en zien SP als een zuid-amirkaans Parijs, maar dit is onzin want SP is grootser dan Parijs en Chigaco samen. SP is de gelddraak, het ondier dat niemand wil doden en kan doden, en de zwerver? Die kan het geen bal schelen, zijn leven is al bepaald, het fatum! Deze stad heeft het voordeel van de twijfel en de Heilige Paulus is nog steeds ongenaakbaar. SP is een ´palavra´ een woord geworden, de heilige is verworden tot een gewone sterveling. SP staat niet voor heiligdom, maar is een levendige poel de mensheid. En hoe glinsteren de ogen van het jonge hoertje dat tegen de muur hangt langs de ´laan van de vrijheid´, O mijn God wat is ze mooi, een bloem die gekocht mag worden, in de het heelal van de stad. En alleen al om de Sâo Paulo roos te zien die ik zag in de metro, die leek op een Ierse met een vleugje negerbloed, zou ik terugkomen naar de stad van ondeugden en duizelendwekkende vermenging der rassen. Doch ook hier vindt men de verdwaalde zielen van jonge meisjes die hun lichaam verkopen voor soms 1 euro, het zijn de kinderen die geld nodig hebben om enig voedsel te kopen of crack. Hier in de stad van Paulus zou dit niet mogen, hier zou de geest van de allermachtige een hand in moeten hebben. Maar God is soms verdwaald, de weg kwijt. Wie sluit zijn ogen voor dit? En als ik een kaartje koop voor de metro, staat de straatjongen al klaar om enig wisselgeld. En wie kan dit weigeren in de stad die nooit slaapt?
Ooit zei mijn oom pater Tum Pieters tegen mij; ´kijk, alle mensen die politiek bedrijven in Brazilie zijn blank... of van Portugese komaf of Joods, en die met de krulharen en snorren zijn Arabieren...´ Hij heeft gelijk, hier ziet men in de hogere politiek, doch ook lagere, zo goed als geen zwarte. De blanken vullen de hoge posten, en velen hebben Italiaanse namen. De huidige president Lula da Silva, heeft volgens mij ook arabiers bloed. Nu is dit in Brazilie geen uitzondering met de vele vermengingen waardoor het soms moeilijk wordt een mulat (neger/blank) te onderscheiden van een Moreno (iets lichtere huidskleur) of de vele Indiaanse invloeden. De Indiaan, de ware Braziliaan, heeft totaal geen optie in de politiek, alhoewel ooit in de jaren tachtig van de vorige eeuw Mario Jurana, een Xavante Indiaan het het parlament schoptte in Brasilia, doch hij werd al snel overboord gegooid. Hij was te slim, en nam alle gesprekken met zijn vijanden op op een micro-cassette recorder, neen, dit soort mensen mag men niet toelaten tot het parlement! Soms wordt het een familie kwestie als de burgervader zorgt gat zijn schoonzoon in de raad komt, het wordt goed betaald, ook al weet de aangestelde van geen ballen. Ook het ambtenaren systeem is een wassen neus; er verdwijnen jaarlijks miljarden door een overvloed aan personen die aangesteld zijn op papier; waar b.v twintig man nodig zijn zitten er letterlijk veertig. Er zijn verhalen dat sommigen gewoon niet verschijnen op de werkplek en toch een salaris ontvangen. Het is een systeem dat nooit werkt. Corruptie, noemt men dit. En dit geldt voor velen aangelegenheden. In de krottenwijken is het niet al veel beter en de regering heeft geen antwoord op de problemen, is gewoon niet bij machte het probleem op te lossen, of wil het niet oplossen? Rio de Janeiro is politiek gezien een puinhoop, en de gemiddelde inwoner mag dan zijn belasting betalen, de grote meerderheid ziet er van af. Velen mensen leven zonder arbeidskaart, en dit zijn de ´zwarte´ markt mensen, die van alle handel thuis zijn. Ja, moet ten slotte overleven. Politiek in Brazilie. Lula zal volgend jaar niet herkozen kunnen worden, hij heeft er twee ambstermijnen opzitten. En wat heeft hij bereikt? dat de mensen 50 euro meer loon hebben gekregen, maar van de andere kant zijn de prijzen ontzettend gestegen; hij heeft als socialist hard geschreeuwd om dingen te verwekelijken, doch eenmaal aan het roer blijkt hij een gematigd iemand. Ik hoop dat zijn opvolger dezelfde lijn zal volgen, minstens, bedoel ik, want als er wederom een rechtse maniak aan het roer komt dan zal het erger worden voor de ´minderbedeelde´. De Communisten? ja, die zijn er ook, maar hebben bijna geen invloed. Hun programma is humaan en leunt aan tegen het Russische communisme, met leiders als Stalin en Lenin. Hoe bereikt men het gewone volk, want het woord ´communist´ is nog steeds een heet hangijzer, en de mensen zijn bang voor de ´hamer en sikkel´. Op mijn reizen zag ik plekken, gebouwen en fazendas (grote ranches) waarvan ik dacht: hier ben ik niet in een 3de wereldland, hier is luxe, dikke auto´s en opgedirkt vrouwelijkvlees naast een oom Dagobert. Dat is wat ik bedoel met het verschil in klasse. In India noemt men dit kastes, hier heeft dit geen naam; of je bent rijk of je bent arm, en heb je die laatste titel dan ben je te stom voor het leven. Rio de Janeiro heeft de titel gekregen om de olympishe spelen te organiseren over 7 jaar. Rio? De ´Cidade Maravilhoso´, de wonderlijke stad. Met de genots oorden langs de oceaan, zoals Copacabana, Ipanema, Leblon, Barra de Tijuca, waar de ´nieuwe rijken´ leven. Maar het is tevens het Rio waar de kakkerlakken door sommige ziekenhuizen paraderen, waar geen zuiver laken is, waar armen voor de poort sterven, alhoewel de medici en verpleegers hun best doen. Je hebt natuurlijk staatsziekenhuizen en... particuliere. Hier in Rio waar jaarlijks meer geld wordt uitgeven aan plastiek-chirurgie, dan aan sociale gezondheidszorg. Het is een ´vergonga´, een schaamte om te laten zien dat het zorgstelsel te wensen overlaat, een tekort aan inzicht, op papier is alles geregeld, maar in praktijkt is het een puinhoop. Kreupelen die zich voortbewegen op een skateboard of met stukken autoband rond de knieen gebonden, daar er geen rolstoel is en bedelaars niet meer weten waarom ze bedelen. Oude mensen die als de winkels sluiten in de afvalzakken op zoek gaan naar iets bruikbaars. Dan de grote problemen in de favelas, de oorlogen, het geweld, het andere Rio. Doch hier in dit Rio zou het moeten plaatsvinden. De vlam der Olympik? Wie gaat dit betalen? Geld? Macht? Corruptie? De president oppert dat het goed is voor het land, promotie en nadien brengt het wel iets op. Lula was ook bezig met het afbetalen van de buitenlandse schuld die zowat 350 billioen dollar bedraagt. Schuld die opgebouwd is door leningen aan grote banken, zoals de wereldbank. Veel van dat geld verdween spoorloos in zakken van bepaalde personen of instellingen. Het volk is de dupe. Eens was Brazilie rijk, doch is veelal leeggeroofd door de Portugezen, later kwamen de ´imperialisten´, de buitenlandse rovers, grote multi-nationals. Brazil is nog rijk en nog steed gaat veel van het product naar het buitenland. Brazilie heeft andere dingen die belangrijker zijn als het Griekse spektakel: zorg voor het volk. En het volk? Zij kijken naar het voetbal en de ´novelas´ de soapseries van Brazil, waar het echte leven aan voorbij gaat, waar de hoofdrollen alleen voor de mooie blanken zijn. Het volk, dat niet waarneemt dat hun eigen leven één grote ´reality-novela´ is, in een scenario dat geen filmmaker kan bedenken. Ja politiek, beste lezer, is een gevaarlijk item, en sommige die oprechte politiek willen bedrijven worden in landen als Brazilie gewoon opgeruimd. Het kapitaal is schijnbaar belangrijker dan het menselijk leed dat het veroozaakt en de vernietiging van het wereldvolk.
Het is oorlog in Rio. ( ) In de noordzone, tussen bandieten van de favelas de Morro Sâo João (heuvel van de heilige Jan) en de Morro dos Macacos (apenheuvel). Het is tevens voor de eerste maal dat een helikopter van de politie werd aangevallen en neergehaald tijdens een vuurgevecht met de traficantes (drugsdealers) van Rio. De helikopter werd geraakt toen hij boven de favela Sâo Joâo vloog op het moment dat de politie een einde probeerde te maken aan de oorlog tussen de bandieten van se favela en die van Macacos, in Vila Isabel, die in de vroege morgen van 17 oktober een aanvang nam. De helikopter werd in de motor geraakt en de piloot probeerde nog een noodlanding te maken op een voetbalveld, om woningen te vermijden, maar explodeerde. Van de zes inzittende wisten zich vier te redden, de andere twee verbranden levend. Volgens gegevens (19okt) zijn er 16 doden in totaal, waarvan drie onschuldigen. Hetgeen de politie ontkent, die zegt dat het tevens bandieten waren. Daar de wegen rondom de favelas werden afgezet had de brandweer 50 minuten nodig om bij de ramp te komen. De strijdt tussen de dealers begon om 2.30 in de morgen. (Volgens) de politie vertrokken rond 22.00 uur vrijdag, leden van de grootste drugsbendes vauit de favelas Jacarezinho,Manguinhos en Mangueira om zich te verzamelen in Engenho Novo. Het doel was om de bocas-de-fuma (verkooppunten) van de favela Dos Macacos. Volgens bewoners hoorden ze de gehele nacht schieten en velen ontvluchten hun woningen om verdwaalde kogels te voorkomen. In de morgen probeerden bewoners van de Apenheuvel een nabij gelegen politiemagazijn in te komen, en gooiden stenen en verbranden autobanden. De miltaire politie trok begin de morgen de krottenwijken van Sâo João en de Macacos binnen. Dit was rond 8.30 met ongeveer 120 man en het beruchte Bope, de elite troepen. Er volgde een enorm vuurgevecht. Tijdens dit gevecht en de omsingeling van de favela, gaf de leiding van de bandieten opdracht om op diverse punten in de stad bussen in brand te steken. Er werden acht bussen en autos in de fik gezet. Er waren geruchten dat de leiders van de criminele organisatie zich verscholen hielden in de favelas Macacos en Sâo Joâo en wachten op de terugtrekking van de politie om te vluchten. De dag erop heeft het politieapparaat bijna 5.000 man ingezet op verschillende punten bij favelas, dit om de orde te handhaven. De politie heeft gezegd dat het niet uit is op vergelding, maar een rechtzetting, waar de bevolking op wacht. Doch het is duidelijk dat de politie wraak wil, zoals velen malen voordien. De slachtoffers zijn de bewoners, die geen andere keus hebben en leven in de favelas. De dealers hebben de macht en het is onmenselijk te zien dat de mensen niet ontzien worden in de oorlog, alsof ze niet bestaan. Het probleem van de drugdeal ligt dieper en corruptie is een hoofdpunt. Een oplossing? Die zal er nooit komen, er is teveel geld mee bemoeit en te verdienen. Rio de Janeiro is de grote arena van Brazilië, het alles overtreffende, en de oorlog, want zo mag men het noemen is nooit ten einde, en zal voortduren tot dat God of Exú, de macumba-intellect, een einde maakt aan dit onmenselijk schouwspel, want revolutie lijkt uitgesloten in dit, wat men noemt democratisch continent.
p.s Zie fotos bijlagen. bron 'o globo' - t.v jornal
Peruaanse Indianen protesteren sinds 2 maanden op vreedzame wijze om het het recht te verkrijgen om inspraak te hebben betreffende de decreten die onmiddelijk dramatische gevolgen hebben voor het Indiaanse volk en ecologie, buiten dat het een ramp is voor het globale klimaat. Vorige week heeft de Peruaanse president Garcia fel gereageerd door speciale eenheden te sturen om geweld en conflicten te onderdrukken, en noemde de manisfestanten: terroristen. Van het Peruaanse regenwoud is meer als 70 % in bezit van de industrie en grote olie en gas multinationals zoals het anglo-franse Perenco en de noord-amerikaanse bedrijven Conoco Phillips en Talisman Energy hebben reeds miljarden geinvesteerd in de regio. Deze imperiaslistische bedrijven brengen geen enkele lokale ontwikkeling voor het volk op de plekken die ze exploiteren, en hebben totaal geen interesse voor de natuur. Hierom eist het Indiaanse volk hun rechten om betrokken te worden bij de ontwikkelingen van de nieuw wetten.
Sinds lang kijkt de wereld en Indiaanse volken naar de grote industrieën die alleen maar uitbuiten en het Amazone woud vernietigen, het grootste woud onzer planeet. Het bos dat de natuurlijke schatten der mensheid beschermd en de atmosfeer zuiverd van de gevaarlijke c-2 uitstoot, die de oorzaak is van de globale opwarming.
Doch deze Indianen staan voorop om onze planeet te beschermen en hebben het recht om een dialoog aan te gaan met de regeringsleiders.
Bij aankomst in Rio regende het fel met zo´n 25 graden. De douane had het natuurlijk weer op me voorzien en haalde me uit de file. Papieren en terugvlucht. Wat ik wel kwam doen in Brazil? Idiote vragen. Het is een persoonlijke zaak. Ze hebben het voorzien op bepaalde mensen. Dan komen de idiootste vragen: wat is mijn beroep? Muzikant verdomme! En wat voor een instrument ik dan bespeelde, en welk soort muziek! Nou ja, ik neem ze dan ook nooit te serieus, maar je moet ze in de kijk houden. Verder had ik geen problemen, en was niet verplicht mijn gitaarkoffer te openen. Ik was dan ook verheugd weer in de rammelende bussen te zitten die me naar Itaborai bracht, zo´n een 50 kilometer aan de andere kant van de baai. De waarde van het geld, voor de armsten, is gedaald. De prijzen slaan de pan uit en het is moeilijk overleven met een min. salaris van rond 170 euro. Criminaliteit? dat is het vervolg van de structuur die een puzzel is. De contrasten maken alles harder en in Rio stad zijn dit jaar volgens gegevens tot en met juli 6.300 moorden gepleegd. De favela is het knelpunt, daar waar de armsten samen met de drugsdealers leven. Het zal ook niet snel veranderen maar de favelas, vooral in de noordzone zijn dagelijkse kost voor de tv zenders. Gisteren werd een bus overvallen door enkele jongeren van rond de 18 jaar, staken die in de fik, en bewogen de chauffer naar de ingang van de favela te rijden, waar de bus in vlam werd gezet. Daders? Spoorloos. Ondertussen doet de politie invallen in de favelas waarbij slachtoffers vallen aan beide zijden, en vaak gewone burgers. De favelas zijn geregeld in het nieuws en de situatie is hopeloos door gebrek aan inzicht en structuur, en er zijn er tegen de 700 in groot Rio. De dochter van mijn vriendin werkt in een staatsziekenhuis in de wijk Penha, daar bij een van de grootste favelas. Het is een puinhoop en dagelijks worden er mensen binnengebracht, bewoners, kinderen en bandieten met kogelwonden. Na behandeling wordt men teruggestuurd naar de wijk, zonder begeleiding waardoor het leven zijn normale gang weer hervat. Van ene kant is het in Rio geen uitzondering, de burger heeft geen keus, de bandiet voelt zich sterk. Men kan crack kopen in een vodje papier voor 1 real, wat moet de waarde er van zijn? De meesten kopen dan ook maconha (cannabis) en cocaine is weggelegd voor degene die meer geld heeft. De gewone arme werkman of meestal werkloos drinkt zijn bier of cachaça, hetgeen ook vaak uitmondt in droevigheid. Bij sommige bandieten is tegenwoordig de ´granaat´ populair, ze wordt gebruikt bij overvallen of gijzelingen als de bandiet in het nauw wordt gedreven en dreigt de pin eruit halen. Meestal help onderhandelen niet en komt een soort scherpschutter van de politie, die de bandiet uitschakelt met een gericht schot in het hoofd. Ook gangbaar zijn de bendes van meer als 10 man, die in de betere wijken gebouwen binnen dringen (die omheind zijn en bewaakt) en de bewoners uitroven. De politie staat machteloos, doch het apperaat van de wet is in vele gevallen traag. Niet traag zijn de evangelische kerken, die nog steeds als zijnde paddenstoelen uit de grond schieten, ´God´s assemblee´ of ´God is liefde´, zijn nog klein vergeleken bij de ´Universele´ die een grote aanhang heeft, en halleluha is het woord, terwijl boven op de heuvel, tegenover waar ik woon,vrouwen staan te schreeuwen naar waar God ergens moet zijn. Ergens? Ik bezocht Marica nabij Rio, aan het strand waar verdwaalde jongelingen boven op de heuvel hun kofferbakken opende en waar geweldige luidspeakers met hoge volume funk muziek produceerde en de rust verstoorde van het badende volk. Ik prefer de rust van de door de weekse stranden, waar alleen de zeevogels het geluid maken samen met de golven. Het is de laatse dagen fris en veel regen, de temperatuur ligt ver beneden peil, 26 graden, terwijl het in het noorden van Brazilië droger is dan ooit, het klimaat heeft aanvallen. Doch het zal snel weer warmer worden hetgeen de ~cigaras~ doen zingen, de wonderbaarlijke insecten in de bomen. Ik heb ook weer een nieuwe vriendin de kleine hond ~pretzinha--, die me welkom heet als ik thuiskom. Andere honden hebben het niet zo uitmuntend en de straathonden, oftewel ´vira-latas´, wat letterlijk ´blik-omdraaien´ betekend, moeten verdomd oppassen niet het slachtoffer te worden van een of andere auto. Ze kijken me immer droevig aan, of geintereseerd en zelf vragend met een intulectuele blik. Ik heb besloten een reportage over hen te maken. Alles leeft en gaat zijn gang en in de avond uren klink wel ergens een samba geluid of dit van de forró, meegenomen door de mensen uit het noordoosten, die hun geliefd land verlaten hebben om een beter bestaan te zoeken in Rio of Sâo Paulo, vaak een disillusie, maar ook jongeren die met versterkers een soort braziliaanse rock proberen te spelen, of die in de favela´s met hun ´bailles´ met funk en hiphop, terwijl het braziliaanse klaaglied, een aftreksel is van country muziek, veelal aanleunend tegen de stijl ´Sertanejo´, gezongen door veelal duo´s met cowboyhoeden. Ik voel me thuis in het ritme van Brazilië, tussen de heuvels van Rio, de sinas, manga en cocos plantages, mijn bord met rijst en bonen, (soms aardappelen)engelse worden die hier genoemd, als het niet de zoete rode is, groente zoals ciabo en xuxú, en een suk vis direct uit de zee, wat kan een mens toch rijk zijn... Doch ik leef met het volk dat ze een weg baant door de wildernis van Rio. De kleuren en liefdevolle ogen van kinderen en mijn ´amor´...en mijn muziek dit onmisbaar blijkt in mijn, en deze wereld.
Rio de Janeiro, 30 september 2009, gecorrigeerd, abraço van storyteller
Sâo Martinho - opvanghuis voor straatkinderen in Rio- 1996
-Sâo Martinho- in Lapa
Ik heb een afspraak met de jonge Belg Jan Daniels die werkzaam is in het sociaal-educatief centrum van 'Sâo Martinho', een huis ooit opgezet door de Nederlands Limburgerse pater Martin Cox in 1986, die toen samen met de 'Carmelitana de Santo Elias' het pand kocht in Lapa, in het hart van Rio de Janeiro. Door een ijzeren poortje bereik ik een speelplaats waar enkele jongens druk bezig zijn tegen een oud versleten rubberbal te trappen. Men zegt me dat ik op de tweede verdieping moet zijn waar Jan zijn bureau heeft. Op de gang is het een drukte van jongens die mij natuurlijk, en terecht, alle soorten vragen stellen. Eentje vraagt geld om een guaranadrank, rent naar buiten en laat niet veel later met trots de sigaretten zien die heeft gekocht van het geld. Een ander zegt me dat hij hier niet woont maar een in ander huis aan de Silvio Romero straat, heeft geen familiebanden meer en komt hier enkele malen per week om iets te leren, en in de middag keert hij weer terug naar zijn tijdelijk huis. Hij wordt in ieder geval begeleid. De jongen is nieuwsgierig en heeft het voorzien op mijn fototoestel. De jongens zijn druk en geagiteerd zoals kleine mannen die een geweldig spektakel moeten opvoeren. Iets later maak ik kennis met Jan, de kleine blonde brildragende Antwerpenaar. Hij werk hier nu drie en een half jaar en de job geeft hem nu en dan hoofdbrekens, doch hij doet zijn werk met toewijding. "De jongens zijn vaak probleematisch, maar zie, ge moet veel geduld hebben," zegt hij enigzins opgewonden in zijn vlaamse tongval. Doorlopend rinkelt een telefoon op het desk en lopen mensen in en uit met vragen. Hoewel hij zegt weinig tijd te hebben is hij toch bereid me te woord te staan. "Ik zal u enig inzicht geven van wat er hier gaande is... onder andere over een collega die in augustus '94 door de militaire politie werd vermoord. De zaak is opgenomen door de mensenrechtencommisiie van de Europese gemeenschap en door het Ministerie van buitenlandse Zaken van de Verenigde Staten. Belangrijke namen he?, en hij kijkt me terluiks aan. Ja, inderdaad dat is wat ik dacht: belangrijke namen, maar wat is de waarde van dit? Jan: ' Ja, er gingen stemmen van verontwaardiging op en de regering heeft beloofd de zaak binnen een jaar op te lossen. Maar de zaak gaat nu al het tweede jaar in... het is een politieke moord, ziet ge... de jongen is in de rug geschoten." Ik vroeg hem op de jongen een sociaalwerker was. "Ja het was een straatwerker... het was in de periode dat we dreigbrieven kregen van "we gaan een heleboel kinderen executeren en tevens hun opvoeders'. Dit waren doodseskaders praktijken. De meerderheid van de leden van de doodseskaders zijn ultrarechtse militaire politieaganten die voor een 'bijverdienste' als 'doders' optreden. De manier waarop de jongen werd geëxecuteerd was echt in militaire stijl... ze wilden het lijk en alle bewijsmateriaal laten verdwijnen. Het gerechtelijk onderzoek werd van alle kanten geboycot. We zijn dus gaan praten met officieren en daarna met de politiechef van Rio de Janeiro. We hadden de officiële belofte van alle medewerking, maar niets, niets is gedaan. Hetzelfde is dus met ettelijke andere dossiers gebeurd. Verleden jaar in mei is een jongentje van tien jaar vermoord, door civiele politiemannen, die een actie ondernamen tegen drugshandelaren. Het jongentje werd vermoord toen hij een baby probeerde te beschremen. De overige slachtoffers waren allemaal burgers met een arbeidskaartje, die geen van allen banden hadden met drugsdealers. En een kind afslachten van tien die een baby beschermd! We hebben enorm goed getuigenmateriaal, maar de zaak wordt geboycot! De zusje en broertjes moeten de herkenning dien van politiemannen die aan de operatie hadden deelgenomen. Wij waren daarbij. De kinderen werden van alle kanten geintimideerd door een politieman, die zei: "Ik smijt jullie in de jeugdgevangenissen!' Voordat de kinderen hun herkenning konden doen, moesten zij voorbij al die verdachten lopen, die hun allemaal teoriepen: 'Straks komen wij wel eventjes bij jullie langs en dan gebeurd er hetzelfde als wat met jullie broertje is gebeurd! Weet ge... de autoriteiten van Brazilië doen niks om het geweld terug te dringen. Ze doen totaal niets! Dus we moeten het wel op internationaal niveau smijten, denk ik.' Dan komt de kleine diue het nog steeds op mijn fototoestel voorzien heeft, niets slechts: 'Ik wil een foto maken!' zegt hij resoluut. 'O.k straks zal ik een foto van je maken en jij van mij,' beloof ik hem. Jan moet hem zachthandig, maar toch met enige overeding buiten de deur zetten en hij schudt zijn hoofd. Ik vraag hem wat er verder gebeurde met het onderzoek naar de moord op het 10 jarig jongentje. "Wordt het voortgezet?" "Het proces van de jongen heeft verschillende verhalen... laatst waren wij bioj de politiechef van Rio, die heeft het overgegeven aan een bijzonder departement van finaal onderzoek, en na een half jaar is dit ook weer stil gevallen, want de man die dáár voor verantwoordelijk was is met pensioen gegaan en zijn opvolger heeft het dossier weer opgestuurd naar een algemene correctie dienst van de 'policia Civil' (burgerpolitie). Daar kunnen ze dan dossiers verbranden, intimidatie plegen, of gewoon boycotten. Ze laten het 3 jaar op het bireau liggen en dan verdaagd het. We hebben nu in mei de eerste verjaardag gehad. De familie van de jongen is heel militant en politiek bewust. Het waren mensen die in de volksbeweging in de favela werkten. Wij ondersteunen die mensen met alle middelen vanuit 'Sâo Martinho', en zij blijven verdomd weerbaar. Maar hoe langer de tijd verstrijkt hoe meer doodsbedreigingen ze krijgen, want een aantal van de politieagenten hebben gereageerd omdat wij zijn gaan praten met hun politiechef. Die agenten voelden zich bedreigd. In Brazilië is een doodsbedreiging een tactiek die de mensen het leven verboedt... dit is het probleem. Heel veel getuigen, ook kroongetuigen, krabbelen terug na een jaar van moeilijkheden. Ze zeggen: We geven het in de hand van God. Totaal uitgeput laten ze het zo, ondertussen hebben ze hun werk verloren, want bijna alle werkgevers, als ze horen dat de familie met de dood bedreigd wordt, vader of de moeder, of dat er politie bij betrokken is die een kindje heeft vermoord, ontslaan hen onmiddelijk. Want de politieagant kan zelfs een moord komen plegen bij de werkgever en dáár problemen zaaien. Dus iemand die aan geweld lijdt van een doodseskader, verliest onmiddelijk zijn werk. Het is heel pijnlijk. Die mensen worden totaal vernietigd. Eerst emotioneel want hun kind gaat eraan, daarna economisch. De eerste dag dat de mensen kwamen getuigen op het politiebyreau, om de zaak weer te geven was heel moeilijk. Ik was ter plekke toen de politieman zei: Ja.. ik wil wel het typewerk doen om dit te registreren, maar eerst 4 reaal op tafel (reaal stond toen ong. gelijk aan dollar, noot Wayn). Voor die mensen is dit misschien twee dagen overleven. Twee dagen rijst en bonen op tafel. Verschrikkelijk. dat hebben we ook aangeklaagd, dat men probeert coorupt te zijn op het moment dat zij een verklaring willen richten, om tegen de moord op hun kind te protesteren. De mensen leven echt schrijnend in hun houten kot. Verschrikkelijk. En een jaar later hebben ze nog de moed om voort te strijden. ja, we pakken de zaak concreet aan. dat kan alleen maar gebeuren met buitenlandse druk. Het dossier is nu door de Organisatie van Amerikaanse Staten aanvaard en wordt voorgelegd aan het Internationale gerecht in Costa Rica, dat nu alle zaken beoordeeld die naar een jaar passiviteit van de lokale overheid op tafel zijn blijven liggen. Dan is de Duitse televisie hier geweest voor een reportage, de Franse televisie en twee Belgische. Dat zijn al vier reportages die naar Europa gegaan zijn. Er kan een officiële aanklacht ingdiend worden onder internationale druk.'
Jan is vermoeid, zijn gesprek is ten einde en ik zie dat hij onder de indruk is van zijn eigen woorden. Voor hem is het een strijd tegen het onrecht. Hij heeft de problemen van de bedreigde straatkinderen op zich genomen, maar het is ook de persoonlijke strijd die Jan Daniels sterkt in het belang van de kinderen. Ik bedank hem voor dit openhartige gesprek en wens hem sterkte, wetend dat al de internationale aandacht een niet gemakkelijk zaak is, daar corruptie in Brazilië nog altijd de bovenhand heeft, en velen gewoon niet doorzetten in hun doel. (Als ik het jaar erop Jan opnieuw wil bezoeken blijkt hij niet meer werkzaam te zijn in Sâo Martinho.)
We verlaten het kamertje en lopen door de gang naar beneden waar ik wordt voorgesteld aan Silvio, een kleine man van rond de veertig die de leiding heeft over het 'creatief-centrum'. In een ruimte zijn kinderen druk bezig met het maken van rariteiten zoals aapjes op stokjes, die door aan een koordje te trekken rare movimenten maken, lijstjes en andere kleine kunstwerken. 'Het is allemaal bestemt voor de verkoop,' zegt de kleine Braziliaan. Dan stormt er een acht jarige jongen de werkruimte binnen, achterna gezeten door een oudere die hem uitscheld en enkele schoppen toedient. Er moet ingegrepen worden om erger te voorkomen. Het komt geregeld voor zegt Silvio, die rustig blijft onder de commotie, want de kinderen zitten vol agressie, meegenomen uit hun verleden. Opgegroeid zonder ouders, verstoten, tot de straat veroordeeld. Oppassen voor politie, doodseskaders en ander scrupule-loos volk. In de werkruimte wordt langzaam opgeruimd want het loopt tegen het 'almoço', het middageten, waar zij aan lange tafels gezeten hun warme maaltijd naar binnen werken, rijst, zwarte bonen, wat vlees en salade en een stuk fruit. Ze converseren druk en anderen zwijgend als het graf. Niet veel later kom ik terecht bij zuster Lydia die in het 'Aula de Alfabetizaçâo' bezig is. Ze geeft les aan kleine groepen in lezen en schrijven, doch tevens in het beheersen van de geaardheid der kinderen. Als ik de kamer binnen kom, is de in witte gewaad geklede non, ijverig bezig met twee jongens van tien jaar, Sebastiâo en Marcos. Ze moeten leren om zich te beheersen, maar al snel blijkt dat dit een harde klus is. Ze zijn zo druk bezig met een spel, waarbij magneetvisjes van onder een plasiekbord met een magneet tokje naar de juiste hoek moeten worden, dat ze mij nog gezien hebben. Opeens, wanneer ik met de non in gesprek ben, explodeert de kleine neger in zijn witte bermudabroek en beschuldigd zijn medespeler van vals spel. Hij schopt en slaat als was hij een kickboxer en slaat daarbij zijn magneetstokje aan diggelen. We moeten ze uitelkaar halen en de kwade non legt hem in harde woorde uit wat hem te doen staat. 'Ga naar beneden en haal lijm om het stokje te plakken!' zegt ze verontwaardigd. Als ze mij aan kijkt zegt ze: 'Dit is discipline, want druk je ze niet niet met de neus op feiten dan doen ze maar aan.' Het blijkt niet eenvoudig, want na vijf minuten komt Marcos terug met een soort tape. 'Dit is niet wat ik bedoel dat weet je verdomd goed. Het moet 'cola' (lijm) zijn,' zegt de onthutste non. Marcos probeert eronder uit te komen, doch de zuster kent geen genade: 'Ga maar terug en haal de lijm!' en scheldend gaat hij weer de kamer uit. (Ik zie hem niet meer terug.) Ook met de ander Sebastiâo krijgt ze problemen, want hij wil de spullen niet opruimen. Hij geeft fel antwoordt tegen haar en springt dan als een lenige jaguar op de vensterbank van het open raam en gaat buiten, langszij op de buitengevel zitten, ongrijpbaar. Ondanks aanmaningen van de non blijft de kleine onverbiddelijk zitten op de gevel rand, als een koppige rebel, die het leven al heeft gezien op zijn manier. 'Muito bem! Blijf maar zitten, straks wordt het raam gesloten en dan blijft je maar buiten!' zegt de non resoluut. Doch het heeft geen enkel effect op Sebastiâo. Zuster Lydia legt me uit dat het vaak moeilijk is de jongens zelfrespect bij te brengen, doch óók respect voor anderen. 'Ze zijn het kwijtgeraakt.' 'Wonen de de jongens vast in het huis?' vraag ik. "Neen, deze hebben geen vaste woonplek. Ze gaan straks als het huis hier sluit weer de straat op. Ja, ze leven nog steeds op straat. (Velen worden hier allen opgevangen voor ontbijt, middageten en onderwijs). Daarom hebben we meer huizen nodig om de kinderen een vaste plaats te bieden." Ik dank de non en wenst haar sterkte met haar werk, alhoewel ik meteen denk dat dit iets ironisch heeft. Onder verteld een hulpverleenster me dat de jongens hier iedere morgen hun tanden komen poetsen, ieder heeft zijn eigen borstel met naam, om misverstanden te voorkomen. Hoewel alles 'redelijk' functioneert moet er toch verbetering en uitbreiding komen. En geld. Doch ik stel me de vraag, na dat ik en blad in handen kreeg van het opvanghuis, dat er goede weldoeners zijn die met regelmaat donaties overmaken, waarom de zuster mij vroeg of ik b.v spelletjes kon sturen. Het geldelijk circuit zal ook hier denkelijk scherpe bochten maken. Al blijft het een veronderstelling, die ik eigenlijk niet mág maken, doch ik ben nu eenmaal doordenkend. Zodoende. Als ik het pand verlaat wordt er buiten op het plein gevoetbalt, en als ik naar boven kijk zie ik de kleine Sebastiâo nog steeds op de venstergevel zitten. Hij is een volhouder, doorbijter en zijn leerschool is de straat.
...De dagen waren erg vermoeiend vanwege de zware trektochten, maar de avonden waren aangenaam en ontspannend. Liggend in mijn hangmat genoot ik van de vergaderingen die Dionísio leidde met de bewoners van de verschillende dorpen die we bezochten. Op de bandrecorder draaide hij de commentaren, gesprekken en gezangen af, opgenomen bij de indianen uit andere dorpen. De Deni's vermaakten zich erg en vulden de verhalen aan met eigen ervaringen en meningen over een onderwerp dat voor hen uiterst belangrijk was en in feite de voornaamste reden van deze reis, namelijk de begrenzing van het gebied dat aan de Deni's toebehoort en dat volgens de gegevens in het bezit van pater Dionísio zich uitstrekte tot aan de rivier Cunhuã, zijtak van de Purus. Dat het geschil over de gebiedsmarkering duurt tot op de dag van vandaag, is een andere geschiedenis; één die helaas al 500 jaar duurt. Aan het einde van de vijfde dag was ik een fysieke instorting nabij. Een tocht waarvoor ik de eerste dag vijf uur nodig had, duurde nu elf uur. Een niet aflatende regen deed me in nog grotere mate mijn toch al pijnlijke spieren voelen. Meer struikelend dan lopend werden de afstanden die ik aflegde tussen de rustpauzes steeds korter en werden de rustpauzes zelf steeds langer. Mijn enige gedachte was de hangmat en die zou ik graag ter plekke hebben uitgehangen, midden in het oerwoud. Eindelijk was het zover; de hangmat en twee apirine-tabletten deden me de inspanningen van die dag vergeten en ik slipe twaalf uur aan een stuk. Door mijn toestand waren we genoodzaakt een langer oponthoud in te lassen en ik bleef zo goed als de hele dag in mijn hangmat liggen. Van tijd tot tijd kreeg ik massages met copaiba-olie, die mijn spieren aannemelijk verlichtten. Een ander voordeel van deze verplichte rustpauze was de gelegenheid om het dagelijks leven van de indianen van dichtbij mee te maken. Het dorp bestond uit twaalf palmhutten (tapiri), opgezet rond een open plek. Deze hutten zijn allemaal gelijk gebouwd op lage palen met een vloer van rondhout en een bedekking van riet. Het verschil met de hutjes van de rubbertappers is, dat ze geen wanden hebben. Via een boomstronk met uitgekapte treden in ene hoek van 45 graden kom je de hut binnen. daarbinnen brandt een houtvuur op een dikke laag hard leem, dag en nacht. 's Nachts dient het om onwelkome bezoekers op afstand te houden, zoals de wilde boskat of een slan. In de huisraad bespeur ik de invloed van de kariu: de pijl en boog, de sarabatana naast de vishaken en een verroest geweer; een alumnium pan en plastic borden naast de uit leem gebakken potten en schalen; een hangmat uit de 'beschaving' tussen de uit katoen gevlochten hangmatten van de indiaan. Een oude vrouw was met ongelofelijke behendigheid de hele dag bezig draad te spinnen van katoenbolletjes, verzameld in een kalabas. In de hoek van de hut stond een houten koffer met erbovenop een reiszak, gemaakt van een met rubber geprepareerd doek; praktisch voor onderweg, want de inhoud kan niet nat worden. Bundeltjes geneeskundige kruiden en een paar flesjes met medicijnen tegen buikpijn en diarree. In één van de hutten werd mijn blik gevangen door een vette koe, afgebeeld op het etiket van een melkblik "Greenland, made in Holland." Hoeveel rubberballen zullen er betaald zijn in ruil voor deze dingen?
De Deni's hebben geen enkle begrip van geld: ze bezitten letterlijk geen duit. Het is goed mogelijk dat ze nog nooit een bankbiljet of muntstuk gezien hebben, behalve diegene die al een in Manaus waren voor een tuberculosebehandeling. Later vernam ik dat die ruilhandel vaak nog veel misdadiger is, namelijk wanneer de handelaar de indiaan dronken voert met goedkope jenever en hem dan als betaling niets dan prullerijen overhandigt. 's Middags tijdens een wandeling door het 'dorp', ofschoon nog wel met behoorlijke spierpijn, speel ik met de kinderen die in het koude water van het bosriviertje zwemmen. Ik probeer te praten met enige vrouwen die bezig zijn mais te stampen, maar het lukt niet. Mïjn schuld, want ik ben de buitenstaander die dit volk bezoekt. Aan een oude indiaan vraag ik om wat te spelen op zijn houten fluit, een twee centimeter dikke buis met een gat om in te blazen en nog twee gaten aan het uiteinde. Een paar kinderen klappen in hun handen als begeleiding van de fluitspeler. Een meisje laat me haar halsversiering zien van apentanden, afgewisseld met zwarte vruchtzaadjes, aan een gevlochten katoenkoord geregen. De suikerrietpers is gemeenschappelijk bezit evenals de maniokstamper. Ik drink het zoete suikerrietsap en eet een stuk vlees van het bosvarkentje dat geroosterd wordt op het smeulende houtskool midden in de open ruimte tussen de hutten. 's Avonds lig ik alweer vroeg in de hangmat, om nog verder op verhaal te komen....
Zover een passage uit het boek van Jan Derickx, die nu in Bengui, Belém werkzaam is. Zijn werk wordt gesteunt door Pro-Amazonas en is in de linker balk zichtbaar, daar vind u tevens meer info en bio over Jan
Purus rivier, ver naar het westen ligt de Juruá-rivier, met langs de oever de plaats Caruarí
Op carnavaldinsdag van 1982 vertrokken we voor een bezoek aan de Deni-indianen in de streek van de Xeruã-rivier. We waren met vier man: Motias, de stuurman van onze boot, Tupã, Waldir, vakbondsleider voor landarbeiders en rubbertappers in de gemeente Caruari, pater Egon Dionísio, coördinator van de indianenpastoraal van het bisdom van Tefé en ten slotte ikzelf. Als 'lifters' kwamen aan boord 20 inlanders, bewoners van de rivieroevers, die we de volgende dag zouden achterlaten, ieder in de buurt van zijn of haar woning. We besloten om gedurende de eerste nacht door te varen, elkaar aan het roer aflossend. Motias en Waldir van 's avonds zes tot middernacht, Dionísio en ik tot zes uur in de morgen. Voor ons beiden was dat tevens een mooie gelegenheid om informatie uit te wisselen over de regionale vergaderingen, die we kort van te voren hadden bijgewoond: Dionísio die van de CIMI in Boa Vista, en ik in Manaus van de CTP. De volgende morgen, na een paar uur geslapen te hebben, legden we aan op de plek waar onze collega, pater Willem Burmanje, 't jaar van te voren de dood vond, weggesleurd door de stroming van de Juruá-rivier. Het was niet gemakkelijk om het kruis te vinden dat door de naburige oeverbewoners daar geplaats was, want opgroeiend oeverriet had de plek daar overwoekerd. Eindelijk vonden we het: "Guilherme-Vrede- 28-01-1981." Vanaf de opbouw van onze boot maakten we een paar foto's. De bandrecorder speelde muziek van de mis 'Land zonder kwalen'. Er werden kaarsen opgestoken en de vrouwen aan boord zetten het rozenhoedje in. Het was toen aswoensdag en er was geen askruisje voor nodig om aan de betrekkelijkheid van het leven herrinerd te worden. Het was wel een dag van tegenstellingen, want diezelfde dag zonegn we 'lang zal hij leven' voor de verjaardag van Motias. We kwamen daar achter door ons dagelijks radiocontact met de pastorie, waar zich op dat moment Darlete ophield, Motias' vrouw. Dit was de eerste reis met radiocommunicatie aan boord. later zouden we ervaren wat een enorme verbetering dat was. Dankzij de radio zouden we een mensenleven redden. Na een reis van twee dagen en twee nachten bereikten we de monding van de Xeruã, zijrivier van de Juruá. Vincente, een rubbertapper, door radio Tefé opgeroepen, wachtte ons op. Twintig liter benzine waren voldoende om ons in Vincente's canoa met buitenboordmotor naar de vaste oever te brengen, vanwaaruit we onze voettocht richting indianendorp begonnen. In onze rugzakken alleen het noordzakelijke: hangmat, muggennet, wat kleren en verder geneesmiddelen. Marcelo, zoon van Vincente, die vertelde bevriend te zijn met de Deni's, leidde ons door het dichtte struikgewas. later zouden we ontdekken dat die vriendschap niet zo gunstig was voor de indianen zelf. Hij gedroeg zich ten opzichte van hen meer als 'patrâo' dan als vriend en 'kocht' hun rubber op in ruil voor koopwaar, waar de indianen tot voor korte tijd helemaal geen behoefte aan hadden: kleren, tabak, en 'jenever'. (De caiçuma van de indianen, gemaakt van gegiste maniok, is veel minder schadelijk voor de gezondheid). Na twee urr lopen dwars door het woud, beleefde ik mijn eerste contacct met de indianen. Op fstand hadden we hun kreten al gehoord: "Mezé, Mezé, een waarschuwing om de honden aan de lijn te leggen, die goede jagers zijn op wild en op ongewenste bezoekers. Geen overbodige maatregel. Vastgebonden in d eopen ruimte onder de hutten gingen de beesten te schrikbarend te keer bij onze nadering. Ook de kinderen waren het bezoek van Kariu (niet-indianen) niet gewoon en vluchtten in de armen en aan de borst van de moeders. De ontvangst door de volwassen indianen was heel hartelijk; groot was de blijdschap bij het weerzien van hun vriend Dionísio. In uitgelaten gebaren gaven ze onderling commentaar over mijn lengte (1,92 meter), zo maakte Marcelino me duidelijk. Ze trakteerden ons op gekoote maniok, bewijs van gastvrijheid van de Deni's ten opzichte van de bezoekers. Etend en tegelijk wat op verhaal komend van de toch wel vermoeiende tocht, viel me de vaalgele kleur van de mensen op als gevolg van de recente malaria-epidemie. Naast tuberculose is malaria een andere zware ziekte die de stam voortdurend belaagt, De geelgetinte huid en bloedloze oogleden zijn een duidelijk teken van verregaande bloedarmoede. We laten geneesmiddelen bij hen achter zoals ijzer, vitamines en voor de kinderen tabletten tegen wormziekte. De opgezette buikjes zijn een niet te mis verstaan bewijs van onwelkome inwoning, die nu binnen een paar dagen verdreven zal zijn. Hoe moet je de mensen vertellen dat ze om de zoveel uur een medicijn moeten innemen? Ik realiseerde me dat ik de enige was binnen een straal van misschien wel honderden kilometers die een horloge gebruikte. Het is voor deze primitieve mensen geen probleem; ze richten zich op de stand van de zon.
De eerste ontmoeting met de Deni's was buiten hun vaste dorp, op een plaats waar ze tijdelijk verbleven wanneer de mannen bezig zijn met het aftappen van rubber. Het dorp zelf, bewaakt door een bejaard indianenpaar dat tevens voor de kippen en varkens zorgt, lag op vijf uur gaans er vandaan. Dat wil zeggen, voor iedereen behalve voor mij, ofschoon ik de langste benen had. Ik verloor het van allemaal. Van de zwangere vrouwen tot aan de kinderen die niet meer op moeder's rug of de 'batu' (draagdoek) werden meegevoerd. Wat was het vermoeiend om over die uiters smalle bospaadjes te trekken. Ik zat in korte tijd vol schrammen, stootte mijn tenen tegen sronken die onder droge en verotte bladeren verborgen zaten en haalde armen en gezicht open aan de takken en netels van het lage struikgewas waar we doorheen moesten. De onder water gelopen stukken bos waren het ergste. Om er doorheen te komen moesten we soms zelfs zwemmen. Ik had grote bewondering voor het uithoudingsvermogen en vooral het gemak waarmee Dionísio zich een weg baande door het oerwoud. Het was niet alleen het leeftijdsverschil, ook zijn conditie was veel beter. Van Waldir, ooit rubbertapper geweest, verwachtte je niet anders. Die droeg behlave zijn gewone bagage ook nog een jachtgeweer. Herhaaldelijk dwaalde hij samen met de indianen en hun honden van het gewone pad af op jacht naar een of ander wild, kleine bosdieren en vogels, die zouden dienen voor onze avondmaaltijd. Ik maakte ook jacht op apen mee, het lievelinggerecht van de Deni's. Maakt u zich geen zorgen, beste milieubeschermers, deze soort is niet tot uitsterven gedoemd en de jacht is al zo oud als de indianen zelf. Waldir bood een indiaan zijn jachtgeweer aan, maar deze gaf de voorkeur aan zijn eigen wapens: pijl en boog en de 'sarabatana' (een koker waardoor giftige pijltjes geblazen worden). Toen we een apenkolonie ontdekten die hoog in de boomtoppen lawaaierig van boom tot boom sprong, hielden we ons schuil in het dichte struikgewas. Een van de jagers richtte zijn sarabatana en met een forse ademstoot trof hij één van die lawaaischoppers. De hele kolonie kwam omlaag om springend en schreeuwend het getroffen familielid bij te staan. Op dat moment hoorde ik het gonzen van pijlen die de maaltijd garandeerden voor de hele indianenstam. Toen begreep ik ook waarom ze het geweer geweigerd hadden. Een geweerschot zou de hele kolonie op de vlucht gedreven hebben.
...Tijdens de wedloop om de rubber werden duizenden uit het droge noordoosten van Brazilië weggelokt en naar het regenwoud gevoerd om de rubbertoevoer te garanderen die nodig was voor oorlogsmateriaal. Al spoedig daarna volgden de massamoorden in de vorm van slopende ziekten, geweerkogels of andere methodes tot uitroeing. In het begin van de jaren '80 drong de CIMI (missionaire advies orgaan voor indianen, noot Wayn), afdeling Manaus en ook het bisdom van Tefé, voortdurend aan bij de Funai om een medische post te openen in de streek van de Xeruã, woongebied van de indianen. De enige hulp echter die door de Funai geboden werd was de opvang van zieken, die door de parochie van Carauari op het vliegtuig werden gezet, en het opnemen van deze zieken in het 'tehuis voor indianen' in Manaus. We hadden geluk met het organiseren van deze ziekentransporten. Petrobrás, zoals eerder vermeld, voerde in die tijd intensieve werkzaamheden uit voor petroleum- en gaswinning, met als structurele operatiebasis Carauari. Bijna dagelijks waren er vluchten vanuit Manaus die de basis voorzagen van materiaal, proviand en personeel. De vliegtuigen keerden doorgaans leeg terug of met slechts weinig passagiers. De piloten waren altijd heel behulpzaam en maakten nooit bezwaar om zieken gratis te vervoeren en af te leveren op het vliegveld in Manaus. Bij één van deze ziekentransporten kreeg ik de schrik van mijn leven. Terwijl ik vlak voor het vertrek van het vliegtuig nog wat met de piloten stond te praten, kreeg Aniká het voor elkaar om ongezien met haar pasgeboren kindje het oerwoud in te vluchten, vlak achter het vliegveld. Ik had haar groet angst al wel opgemerkt bij de aankomst van de DC-3. Voor haar die nog nooit een stap buiten het indianenkamp gezet had; zo'n lawaaierige, schrikaanjagende vogel... Een in de haast ingezette speurtocht naar de voortvluchtige was tervergeefs en het vliegtuig vertrok zonder Aniká. Bezorgd om haar lot verzamelde ik een groep mannen om haar op te sporen. Een indiaanse vrouw maakt echter geen gebruik van de bestaande bospadjes, die ofwel leiden naar het bouwlandje of naar de maniokoven. En zo nam het de rest van de dag in beslag om haar terug te vinden. Zonder voldoende kennis van haar taal (bijvoorbeeld: 'Aniká gezond maken', 'Weer terug naar Deni') was het een heksentoer om haar te overtuigen de volgende dag die vliegreis te ondernemen. Een tuberculosebehandeling in Manaus duurt ongeveer zes maanden en de zieke moet daarbij nog een goede voeding krijgen om weer op krachten te komen. Steeds meer kwamen we tot de overtuiging dat het niet voldoende was om de positieve tbc-gevallen naar Manaus te sturen, als er geen systematisch plan kon worden opgezet om ter plaatse de ziekte het hoofd te bieden. Het is waar dat de zieken gezond, sterk en goed gevoed uit Manaus terugkeerden. Soms kende je ze niet meer terug. Ze verbleven op de patorie totdat er een boot gevonden was die richting de monding van de Xeruã-rivier ging. Dan werd de indiaan aan boord gebracht en na vier tot vijf dagen varen opgevangen door een bevriende rubbertapper, die via radio Tefé of radio Manaus gewaarschuwd was. We gaven altijd zon'n 20 liter benzine mee voor de bereidwillige rubbertapper, die dan de indiaan in zijn canoa met buitenboordmoter in de buurt van het dorp afzette, een reis van bijna een dag varen. Het kon gebeuren dat er één of twee weken verliepen zonder een boot te vinden. In die periode groeide er een zekere toenadering tot de indianen, wat ik altijd erg waardeerde. De meeste mannen die hier voorbij kwamen hadden al eens contact gehad met rubbertappers en spraken wat portugees, ofschoon met horten en stoten. De indiaanse vrouwen spraken zo goed als geen portugees. De indianen noemden ons 'peetoom', hoewel noch zij noch hun kinderen gedoopt waren. We leerden elkaar iets van de taal door wederzijds de naam te vragen van een of ander voorwerp. Soms probeerden ze me één van hun liederen te laten zingen en dan hadden ze het grootste plezier over mijn stuntelige uitspraak. Op een keer kwam een parochiaan uit het binnenland geld bij me lenen om een kunstgebid te betalen. Op een volgende missiereis zou hij het geld terugbetalen. De indiaan Kurupá stond erbij toen deze afspraak werd gemaakt. Hij begeleidde de rubbertapper naar de 'tandarts' en zei daar: "Ik ook tanden; peetoom betalen." Ik kwam daar een paar dagen later achter toen hij me met een brede en gelukkige lach de rekening overhandigde. Eenmaal terug in het dorp had Kuru[á een enorm succes bij zijn stamgenoten, die vrijwel allemaal zo goed als tandloos zijn. Onze indiaanse gasten oordeelden hat daarna als hun goed recht om ook een gratis kunstgebit te ontvangen naast de hangmat, de kleren en de sandalen nodig voor de reis naar Manaus.
Een andere keer terugkomend van de haven waar we drie indiaanse gasten aan boord gezet hadden, vroeg mijn collega José: Jan, heb jij mijn bandrecorder met wat bandjes uitgeleend? Op hetzelfde moment riepen we uit: 'De peetooms' (zo noemden wij hen ook). Ik holde terug naar de haven en kon nog juist de boot bereiken voordat deze vertrok, om de ontvreemde voorwerpen uit de reiszak te halen. De indiaan vond dat maar niets en zei: "Ik willlen houden, jullie twee hebben', wat overigens wel een evangelische logica is. Zoals ik al eerder zei, dan heen en weer zeulen met de zieken was niet het ideaal, want de eigenlijke ziektehaard werd er niet door bestreden. De Funai, nietegenstaande onze herhaaldelijke verzoeken, heeft nooit een vaste medische post ter plaatse geïnstaleerd en stuurde ook geen noodexpeditie om gedurende wat langere tijd bij de Deni's te verblijven om zo difinitief de ziekte meester te worden. Ze leverden alleen wat inentingsmateriaal en glaasjes en dergelijke voor bacillen-onderzoek. Deze werden gebruit door een vrijwilligersteam, gevormd door het bisdom. Deze bezochten, indien mogelijk, de Deni's. Vanwege gebrek aan personeel kon het bisdom samen met de CMI pas rond 1985 een vast team naar de streek sturen. In 1982 had ik mijn eerste bezoek gebracht aan de Deni's, samen met pater Dionísio die geografische gegevens wilde verzamelen ter indentificatie en afbakining van het indianengebied.
JAN DERICKX uit zijn boek 'Juruá de wenende rivier' - Het relaas van een missionaris in het Amazonegebied
Jan Derickx werd geboren in 1935 te Diemen en werd in 1965 priester gewijd, na een studie filosofie en theologie. In de meer als 40 jaar dat hij werkzaam is in het Amazonegebied is hij van het volk gaan houden, van de mensen langs de oevers van de Juruá rivier, als van de mensen in de sloppenwijken van Belém.
Uit zijn boek 'Juruá, o rio que chora' (Jurá, de rivier die huilt) 1993 wil graag citeren uit het hoofdstuk Indianen en Rubbertappers: De echo van een volk in nood Meer specifiek wil ik het gedeelte belichten over de Deni-indianen.
Tuberculose doodt de Deni-indianen 7 mei 1979. Indianendorp Palermo aan de zijrivier Cujubim. Een jonge indiaanse moeder, Vinutini van 20 jaar is zojuist voorgoed ingeslapen. Haar uitgeteerde lichaam ligt levenloos in dehangmat, wachtend op het moment dat haar broers haar begeleiden naar de laatste rustplaats. De doodsoorzaak? Moord, want ze stierf aan tuberculose, die binnen afzienbare tijd alle Deni's zal doden. Pater Egon Dionísio van het bisdom van Tefé, heeft aangetoond dat haar dood niet los staat van de 85 andere sterfgevallen onder de Deni's in de jaren zeventig. Hij baseerde zich daarbij op het laboratoriumonderzoek van de analist José Maria Parrilha van het ziekenhuis van Curauari. Zij hebben de dood van Vinutini gemeld aan de Funai in Manaus, alsmede de epidemie die al zoveel slachtoffers gemaakt heeft onder de 300 indianen, verdeeld over vier dorpen. Zij hebben de Funai herinnerd aan het 'Statuut van de Indianen', artikel 2: 'Epidemische ziekten onder de indianen dienen met alle beschikbare middelen te worden onderzocht, onder controle gebracht en uitgeroeid.' In afwachting van de dokter van de Funai werd alvast contact opgenomen met de gemeente van Carauari, waaronder de Deni's van Xeruã ressorteren. De gemeente stelde een vaartuig ter beschikking. Ook Petrobrás, die in de streek petroleum boort, werd ingeschakeld. De parochie nam het bekostigen van proviand en andere reiskosten voor zijn rekening. Begin Juni arriveerde eindelijk het medische team; de arts Dr. Paulo, een verpleger en een laborant. Zes dagen verbleef dit groepje in het hotelletje van Carauari, zich vermakend tussen de maaltijden door met een partijtje voetbal, onder het voorwendsel dat ze niet naar het binnenland konden vanwege de mankementen aan de 'gemeenteboot'. Op de zesde dag kwamen Egon en Parrilha terug van nog een bezoek aan de Deni's. Dokter Paulo, behalve arts van de Funai ook clubarts van een bekende voetbalvereniging in Manaus, toonde opeens grote haast. Met de gegevens van het recente bezoek van de twee zou hij wel een goed verslag naar Brasilia (hoofdbureau van de Funai) kunnen sturen. Later bleek dat hij de wedstrijd van zijn club de volgende zondag niet wilde missen! Pater Dionísio drong echter aan op een spoedig bezoek aan de indianen en Petrobás bood bereidwillig een helikopter aan. "We hebben er minstens zes dagen werk", zei Egon. De dokter maakte weer bezwaren. Hij werd uiterlijk maandag bij de Funai in Manaus terugverwacht. Het was toen al zaterdag. Ten slotte kwam men overeen in ieder geval tot dinsdag te blijven. Zondagmorgen vertrok men dan eindelijk naar het indianendorp Palermo. "We zijn gekomen om jullie te helpen, om jullie weer gezond te maken", met deze groet van Dr. Paulo begon de vliegende gezondheidsbrigade haar werk. Na die eerste groet haalt Dr. Paulo een zak biscuit te voorschijn en begint uit te delen. Na een kleine pauze de tweede ronde; deze keer met pillen en vitaminen C tabletten. Dan volgt de uitdeling van kleine plastic bekertjes waarin iedereen moet spugen (bacillenonderzoek). Pater Egon staat erop dat de arts een indiaanse vrouw onderzoekt, die met zwaar ontstoken lymfklieren in de hangmat ligt. Hij voelt daar weinig voor en begint een jongentje met een onschuldige beenwond te verzorgen.. "Het is een schande", zo schrijft Egon in zijn verslag, "hij onderzocht de vrouw niet, maar hij beweert tegelijkertijd er zo goed als zeker van te zijn dat zij aan tuberculose lijdt. Andere indianen verkeren in een soortgelijke toestand als die vrouw; hier is vrijwel zeker sprake van een tuberculose-epidemie." De dag erop vertrok de groep naar het dorp Humanã, waar zich slects 17 indianen bevonden. De anderen waren naar het 'oude' dorp toe om maniokmeel te roosteren en rubber te tappen. Na een voettocht van van zes uur weigerde de reddingsbrigade nu nog naar het andere dorp te gaan. Het bezoek aan Humanã had alles bij elkaar twee uur geduurd, tijd van eten en siësta meegerekend. Alleen de beide reizen per helikopter, samen zes uur vliegen, hadden ruim 2.500 dollar gekost. Het feit dat Petrobrás dit transport had aangeboden, maakte niets uit. "Vertel ze dat ik de dokter ben van de Funai", herhaalde hij voortdurend. Een andere veel gebruikte opmerking van hem was: "Ik heb voldoende gegevens voor mijn rapport." Zijn voornaamste zorg gold het rapport voor Brasília en niet de epidemie die bezig was de Deni indianen uit te roeien. "Een getrouw en schokkend beeld", zo schrijft Egon, "hoe een officiële instelling functioneerd als kapstok voor goed baantjes, maar gespeend van ieder menslievend ideaal." De CMI-groep van Manaus pleitte naar aanleiding van dit voorval voor een blijvend medisch team: "Komt die er niet dan zal de stam volledig worden uitgeroeid en niemand zal de verantwoording voor die misdaad op zich nemen." Dit proces van indianenmoord gaat jaren terug; tot aan de tweede helft van de vorige eeuw (19de, noot Wayn) leefden verschillende stammen van dit toen nog grote en talrijke Deni-volk met duizenden in het oerwoud, in gezondheid en vrede, verspreid over een gebied dat zich uitstrekte tussen de rivieren Purus en onze Juruá.
LUIS CARLOS PRESTES - communisten leider (1898-1990)
Muurschildering in het centrum van Rio De Janeiro verwezenlijkt door 'Jongeren van de 5de Juli', een communistiche beweging, vernoemd naar 5 juli 1922 toen revolutionaire jongeren werden vermoord die in opstand kwamen tegen de macht. Hun voorvechter en voorbeeld was Luiz Carlos Prestes geboren in 1898, de, in zekere zin, Braziliaanse voorloper van Ché Guavara. Prestes was communistich leider van de 'Tenente rebellion', tegen de uitbuiting van het onderdrukkings-systeem en strijder tegen het regime van Getulio Vargas, de anti-communist, ook anti-semitist, die zelfs Prestes zwangere vrouw, de Duits-Joodse Olga Benario naar nazi-Duitsland liet transporteren, waar zij stierf in een concentratie-kamp. Prestes leidde tevens de lange, maar naar sommigen zeggen, doelloze, 25.000 kilometer mars door het Braziliaanse binnenland, een tocht waar meer als de helft van de boeren zich aansloten. In begin jaren zestig van de vorige eeuw was hij tevens het middelpunt tussen de splitsing in het communistich gewoel in Brazilië. De extreme 'Maoïsten' scheidde zich af van de Marx-Lenin (isten). De eersten gingen hun strijd tegen het regime aan ondergronds, hetgeen Prestes naliet. Hij was meer aanhanger van het Russisch communisme en leefde vanaf 1970 to '80 met zijn tweede vrouw en 10 kinderen in Moskou. Hij stierf in 1990.
(Op Prestes kom ik later terug in mijn opinie op Carlos Marighela)
muurschildering in Rio (foto INVERTA krant) Tekst op beelding: ... opnieuw strijden wij... onze moedige leider, opnieuw Prestes, leeft... samen met het Braziliaanse volk. Prestes, Prestes... de kreet komt uit de vele kelen... de ruiter der hoop, hoop van Brazilië!...
Olga Benario (WKpedi)
Prestes op latere leeftijd, WPe
bijlagen: anti-Vargas poster Getulio Vargas, dictator, beelden Wikipedia
Alle wijze filosofen zijn het er over eens: kapitaal is de ondergang voor de mensheid. Het is een machtsmachine, dit het menselijke gevoel uitschakeld. Macht en hebzucht, twee eigenschappen die de mensheid vertrappen. Kapitalisten zijn overal te vinden en zij hekelen de communisten of mensen die een meer humane denkwijze hebben, zij zijn bang voor de uitvloeiende wijsheid van sommigen. Soms waren er revoluties nodig om het kapitalistisch systeem te verjagen; sommigen slaagden maar de meesten gingen ten onder aan de macht. Anderen landen werden democratisch, zogenaamd, maar met het kapitaal als leidraad. In Brazilië waren ten tijden van militaire dictatuur de rijken die het land bestuurden, in samenwerking met de Amerikaanse regering, die hun in name van hun leider Johnson de hand schudde, terwijl zij zelf de ondergang tegmoet gingen in Vietnam. Bang voor de communisten. Bang dat zuid-Amerika een bolsjewiek bolwerk zou worden. Bang voor Castro en de Chinezen. De opstandelingen werden de kop ingedrukt, neen, ze werden vermoord zoals Carlos Marigelha of Carlos Lacarda, verrraden, opgeruimd in naam van de vooruitgang. Vele revolutionairen gaan ten onder, zijn te klein of te slecht georganiseerd om te overwinnen. Ché Guavara ging naar zuid-Amerika om daar de revolutie te prediken; doch hoe in godsnaam? Met zijn kleine groep werd hij ten slotte opgeruimd, en zijn handen afgehakt als bewijs dat deze 'rebel' werkelijk dood was. En waar was Fidel?In Brazilië is het nog steeds het kapitaal dat zegeviert, de rijken en nieuwe rijken, die in hun overdadige villa's wonen omgeven door muren als waren ze in de middeleeuwen, bijvoorbeeld Barra de Tijuca, waar men leeft na Amerikaans model. Doch aan de andere kant zijn ze als de dood voor de bandiet, bang voor de 'sequestador', de ontvoerder. Alle geld dat ze bezitten geeft hun geen gemoedsrust, nooit zal hun hart ademen als een gewoon mens. Geld. Rio de janeiro heeft haar contrasten, net zoals Sâo Paulo, rijken, die leven in weelde. In Rio wordt meer geld uitgegeven aan plastiek chirurgie dan aan de noodzakelijke medische hulp, waar mensen soms sterven voor de deur. Het is een hopeloos gegeven. Afkeer. En men vraag zich dan af: waar de criminaliteit vandaan komt, die vaak uit de hand loopt en van mensen die nodig overvallen, resulteren in handige professionals. Maar er zijn eerlijke mensen, zij, die proberen te overleven van wat er voorhanden is. Doch velen jongeren hebben het allemaal door: corruptie, en als de dikke heren dit kunnen dan hebben zij ook wel een manier, en velen vervallen in de draaimolen van tijdelijke luxe, in de wereld van de 'drogas', waar het snelst en duidelijks geld te verdienen is. Geld! Dat is waar alles omdraait. Corruptie van de grote bovenlaag tot de kleine man, die terecht misschien een graantje meepikt. De politie is een uitstekend voorbeeld van corruptie, en innen geld om moorden te verdoezelen in gevallen van weerlozen, zoals zigeuners waarvan ze weten dat ze misschien geld bezitten. Ik maakte ooit mee dat toen een oude zigeuner werd neergeschoten, daar hij zijn dochter verdedigde tegen over haar man, en deze hem neerknalde, de man zeker drie uur daar lag. De politie kwam, de dader was gevlucht. Men zei me dat de zigeuners betaalde voor verdere complicaties te verkomen. Wat moest men? Zigeuner doodt zigeuner, en de politie vangt geld. Zaak afgedaan. Ook het opruimen van zwervers en straatkinderen, in naam van commerciële geldwolven en hotelketens wordt vaak uitgevoerd door politie in dienst of ex-politie, die wel wat extra geld kunnen gebruiken. De kinderprostitutie is een ander duivelswerk, het zijn kinderen die gedwongen worden tot het verrichten van daden, waarvan de allerjongste gebruikt worden voor masturbatie bij immoralisten, alleen om het beetje geld voor het leed van de familie te verlichten. God laat dit alles toe en de duivel lacht. Afkeer! Neen; walging is een correcter woord in deze werkelijkheid. Dan zijn er de geloofsgekken die de armen onteren en het laatste geld uit de zakken trommelenen van de arme nietsweters. De pastors of leiders leven in weelde in naam van de verlosser. Geef en God zal je belonen. halleluja! En ik zeg u, langs de grenzen met Bolivia en Columbia is het oppassen voor het politie-apparaat, die gemakkelijk cocaine uit je zak of rugzak toveren. Je kunt hun dan het beste maar afkopen, of anders een tijdje verblijven in een kerker. Erger kan zijn als je als voer voor de riverduivels wordt geworpen. Niemand zal je ooit vinden in de duistere bossen. Zelfs de bosgeesten of silenen sluiten hun ogen. Geld, wat is de waarde ervan? Nada! Je hebt het nodig om te leven, anderen moorden ervoor. Anderen vervuilen de wereld, maken oorlogen en vernietigen de natuur. Geld is de duivel en vrouwe justicia knijpt een oogje dicht. Wetten worden gekocht met geld, doch de levensvisie is nimmer te koop en het geweten van de mens zal ooit parten spelen, zoniet zijn karma. Gerechtigheid, dat is het middelpunt. Gelijkheid voor ieder en niet God voor ons allen en ieder... voor zich.
BUS-OVERVAL IN DE GOIAS NACHT slot van reisverslag Xavantes via noordoosten
surrealitisch werk van Viktor Safonkin
Het is halftwaalf in de avond en we bevinden ons tussen de Serra de Santa Luiza en de Serra da pedra Preta, in een gebied waar nog goudmijnen te vinden zijn. Naar het westen bevindt zich 'gebergte van het goud', een gebied waar ooit de Goiyaz Indianen leefden en waar volgens de geschiedenis in 1562 een zekere Bartholomeo Bueno da Villa de Indianen te grazen nam. Hij liet namelijk alcohol op water branden en wees de Indianen erop, dat alle rivieren en watervallen hetzelfde onderging als ze hem niet zeidden waar goud te vinden was. De Inboorlingen dachten te maken te hebben met een 'vreemde medicijnman', en zo zijn de blanken altijd wel te vinden geweest om de inheemse mensen een loer te draaien, door hun gewiekste bevindingen te botvieren, op het natuurvolk. Het is in dit gebied dat ik wreed uit mijn slaap gewekt wordt door schoten. Een man met revolver stormt de busgang in. Ik bevond me in een dromerige wereld en nu leek de hel nabij. Het ongevoelige neon-licht van de bus maakt alles nog beklemmender; en niet goed wakker lijkt het of ik een een soort hol verlichte tunnel zit, maar al snel wordt ik me bewust van de situatie; rookslierten hangen in de bus, die net overvallen wordt. Een van de overvallers is een mulat en laat schreeuwen weten dat dit een overval is, en de tweede bandiet zit in de ,nu, afgesloten chauffeurscabine en houdt de motorista onder schot, terwijl de bus met een snelheid van 50 haar weg vervolgd. De tweede chauffeur is achter in de bus gedeponeerd en moet zich roerloos houden. De mulat overvaller in de bus blijkt een agressief persoon. Ik heb verder niks tegen overvallers, als ze hun werk behoorlijk doen. Maar slaan van mensen en ze bedreigen ze met een type amerikaanse colt, John Wayne-made, waar hij vreesachtig met zwaait, doet aversie bij me oproepen. Hoewel, enigzins voorbereid, kwam deze situatie toch onverwachts. Ik begrijp de toestand waar in we verkeren en haal wat geld uit mijn lederen heupbuidel om te overhandigen, ten minste in Rio de Janeiro nemen ze de overvallers daar genoegen mee, maar dat zijn dan ook stadsbussen. Hier zitten we in de 'middle of nowhere' in het duistere van het duistere, de Braziliaanse wildernis, en dit maakt de voorstelling geheel anders. De bandieten kennen meestal het gebied zeer goed, gelegen tussen bos en heuvels, waar geen mens te bekennen is in een straal van 70 kilometer. Ze rijden met auto's de bus klem en dwingen tot stoppen, waarna de overval plaatsvind, daarna springt men weer op een bepaald punt weer uit de bus, in een gereed staande auto. Ze hebben dus de tijd om te collecteren, al is die van een koster iets rustiger. De man is gefrustreerd. De redenen zal zijn dat er maar weinig passagiers zijn, een twintigtal, dus de buit wordt gering. Ik geef hem de eerste maal wat geld, maar hij grijpt mijn buidel, vind verder niets en werpt mijn papieren op de vloer, waaronder mijn paspoort. Hij gaat verder, ontevreden want er moet meer geld komen, ondertussen hangt zijn linkerpols al vol met horloges en kettingen die hij heeft buit gemaakt. De jongen van misschien vijftien, aan de overzijde van mij is bang, want hij heeft geen geld, en de man schreeuwt naar hem dat hij hem gaat doden. De jongen glijdt huilend onder de stoel, schreeuwend en smekend. Dan komt de bandiet opnieuw op me af en schreeuwt als een idioot: 'Eu vou matar vocé, rapaz!' Ik zal je doden, kerel!, draait zich snel om en klampt direct weer iemand anders aan. Mijn gedachten zijn onzeker en heb het gevoel dat er doden gaan vallen. Mensen worden in het gezicht geslagen, kinderen en vrouwen gillen. Ik voel me onrustig en probeer me te beheeersen. Wat kan ik doen? Niets. Ik heb een zakmes in mijn broekzak, maar de bandiet heeft zijn revolver met nog zeker vier kogels, buiten dat is er een tweede overvaller, die niet terug zal deinzen de chauffeur te doden en anderen. In zo'n situatie heeft de held uithangen geen enkel nut. Ik hoor de overvaller in het voor gedeelte van de bus brullen tegen een man: 'Vocé esta um policial?!' -ben je een politieman? De man ontkent begrijpelijk ander was hij reeds gedood. Dan komt hij voor de derde maal op me af. Ik maak hem duidelijk dat ik geen geld meer bezit, en hij gaat over tot het fouilleren. Nu had ik een geldbuideltje in mijn onderbroek zitten met mijn resterend geld. (naderhand was het beter geweest dat ik dit op de vloer had geworpen). Hij tast tussen mijn benen en met de trillende revolver in zijn linkerhand tegen mijn hoofd beveelt hij het tevoorschijn te halen. Weg is geld, dat hij gretig in zijn zak stopt. (Het is moeilijk om contant geld goed te vestoppen op het lichaam; in sommige gevallen wordt men bevolen zich geheel te ontkleden). Hij draait zich om en rent door de bus, bedenk zich schijnbaar en komt weer naar me toe en maakt me duidelijk dat hij me gaat neerschieten. De reden zal zijn dat hij aanneemt dat ik hem bedonderd had. Wat kan je doen op een dergelijk moment? Tijd is niet meer van belang, opspringen en aanvallen? Niets, want de revolver is buiten mijn handbereik, maar dan? Het blijft stil, buiten de huilende kinderen, en het enige wat ik kan doen is mijn hand uit steken naar de trillende loop alsof ik de kogel kan weren. Opstaan en proberen het revolver te grijpen zou mijn dood zijn. Maar ook zo voel ik het einde naderen, de dood komt nader sluipen, een gevoel dat je alleen nog ruimte geeft om te denken aan geliefden. Ik hoor de buspiraat schreeuwen; hij kijkt gepannen naar me en ik recht in de loop. Zijn hand trilt. Dan met een ruk draait hij zich om en brult nu tegen de man die voor mij zit hetzelfde. Hij is door het dolle heen, onder invloed van wat dan ook en schiet nogmaals in de plafond , waarna hij op een bepaald punt met zijn makker uit de nu langzaam rijdende bus springt. Buiten schiet hij nogmaals door een zijraam. De chauffeur geeft langzaam gas. De vrouw achter mij is in en schock toestand en de mensen beginnen zich te realiseren dat alles goed is afgelopen. Op de achterbank ligt een persoon onder een deken, een bizarre gegeven, hij draait zich om en het lijkt dat hij slaapt, misschien een dronken gast of mededader? Of zou hij het vaker meegemaakt hebben? Het kan mem in ieder geval geen barst schelen. Ik probeer mensen te kalmeren en begin zelf te overdenken wat te doen, zonder geld. O ja, ik heb nog 7 reais in mijn hemp zitten (toen ongeveer 10 gulden) en zit in het midden van Brazilië. Buiten naast de bus converseren we onderelkaar, de geldbuit moet zowat een 900 gulden geweest zijn, waarvan 700 van mij. Hoe ik heet, Pietér? Ja, ze kennen een boer, een 70 kilometer naar het westen die ook zo heet, een Hollander. Zou ik er heen gaan? Het was moeilijk en rond 1 uur in de nacht. De Chauffeur rijdt naar de eerste politiepost. Klote! Het slapend wanproduct (militaire politie) zegt halfslaperig, dat hij niet had moeten stoppen en gewoon doorrijden. De Chauffeur verklaarde dat hij dat vorige week een collega van hem dit uit geprobeerd had, waarna de bus werd klemgereden en de man vermoord. Ditmaal was alles goed afgelopen. Dus was het motto van de politieman: geen doden of verwonden, niet zeuren. Er is niets meer aan te doen. Basta!
Rond halfzes in de morgen komen we aan in Goiania, hoofdstad van Goias en ga meteen aan het werk om een ticket te verkrijgen, terug naar Rio de Janeiro, was mijn bittere conclussie. Het werd dus onderhandelen met de busmaatschappij, met de schitterende naam 'Aguia Branca' witte adelaar. In eerste instantie zei de man: 'eh... overvallen in onze bus? Vannacht? Weet ik niets van af!' Doch niet veel later komt een van de chauffers naar binnen, die mij herkent en klakkeloos zegt: 'We hebben vannacht geluk gehad, jongen!' De hufter van een buschef kan er niet meer onderuit. Ik maakte hem er op attend dat ik genoodzaakt was de Nederlandse ambassade te bellen in Brasilia, en dat doet hem zich schikken. Ten slotte krijg ik een nieuw ticked plus een gratis middagmaal. Doorreizen naar de Xavantes heeft geen zin, de Indianen kunnen mij niet helpen. Ik was busted, en zij zijn dit al lange tijd. Ik dacht noch naar Cacerés te gaan om de broeders van Huybergen, aldaar, een kleine lening te vragen, maar ook dit zet ik uit mijn hoofd. Ik besluit als een filosoof maar terug te reizen naar Rio de janeiro.
De volgende dag vertrek ik om acht uur richting Teresina, hoofdstad van de staat Piauí. Dit reis gaat via de aan seizoenen gebonden riviertjes corrente en longa, en stadjes Campo Maior en Altos, die pal langs de hoofdweg liggen. De bus heeft tamelijk veel stops en passagiers komen en gaan. Onderweg stapt een jongeman in die een lang betoog houdt over zijn vader die een maagoperatie moet ondergaan. Daar er geen geld is vraagt hij een bijdragen van 1 real en iedereen in de bus blijkt behulpzaam, hij stapt weer uit, wachtend op de volgende bus. Deze mensen kom ik met regelmaat tegen met hun bizarre verhalen over ziekte, armoede en dood. Men kan het bedelen noemen, alhoewel dit hier een nobele daad mag zijn. Anderzijds zijn er velen die de boel letterlijk bedonderen, de spelers op het gemoed der brazilianen, die nogal gevoelig zijn. Doch meestal is het een overleven en is de blinde zanger in de stadsbus een noodzaak. Tegen 11.30 uur arriveer ik in Teresina, waatvan de inwoners een scherts op hun stad hebben door te stellen: '... de aasgieren vliegen in rondjes over Teresina, één vleugel gebruikend om te zweven, de ander als ventilator...' Het blijkt dat de stad wordt gezien als de heetste hoofdstad van Brazilië, met gemiddelde temperaturen die de 40 graden gemakkelijk overschrijden. Doch ik besloot niet lang in de stad te blijven, niet voor de warmte, maar om de dwang door te reizen naar het midwesten, waar ik de Xavante indianen nogmaals een kort bezoek wilde brengen, in de Mato Grosso. Doch er onstond een klein probleem met het ticket. Er werd me duidelijk gemaakt, dat een ticket van uit Teresina naar de stad Goiana uit den boze was. Er werd me aanbevolen een bus te nemen naar de stad Araguaína, die ligt halverwege de rivieren 'araguaía'en de 'tocantins', in de staat van dezelfde naam Tocantins. De deelstaat werd gesticht in 1989, en is dus zeer recent. De bus passeert nog wat 'serra's', (bergruggen) zoals die van Valentim, das Alpercatas, de serra negra en dan langs de'serra da desordem', om ten slotte uit te komen in de serra das Cordilheiras. De rit neemt zo'n 16 uren in beslag. Rond 3 uur in de nacht van de 29ste januari steek ik de Tocantins rivier over nabij de plaats Estreito, om tegen halfzes in de ochtend te arriveren in Araguaína. Het is nog donker. Madrugada in Brazilië, want de zon probeert door te komen. Nu is het geval dat ik hier moet wachten tot de middag, volgens de onduidelijke informatie kan ik niet eerder dan 9 uur een bus krijgen naar Goiania, dat wordt 10 uur. Ook deze komt niet opdagen door motorpech. Ik besluit een andere maatschappij te nemen, die vertrekt niet eerder als rond 1 uur in de middag. Dus wat doe je met nog 6 uur wachten? Ik besluit de mensen te obsereveren op deze vroege morgen. Er is die ouwe drinkebroer die rondkuierd op zoek naar schijnbaar enige aanspraak. De alcolholist, tussen de bergen van hardheid. Hij bazelt, zo ver ik hem versta, over vrouwen, hoeren en drank, en ik knik bedenkelijk om zijn gebazel te beantwoorden Dan is er een persoon die rondt loopt gehuld in glimmende cowboylaarzen, en een reusachtige fonkelende gesp (buckle) aan zijn riem. De magere man lijkt op de boiadeiro, de cowboy van de midwestevlakte van Brazilië, daar hier in deze streek genoeg 'boi's' runderen te vinden zijn. Hij is klein en beweegt zich voort als een misslukte acteur in de film 'high noon', wachtend op de 'desperado's', aalleen is het decor verplaatst naar Araguaina. Zijn arraogante houding maakt hem dictator-achtig en alleen de bengelende revolvers ontbreken op de heup. Wat is arrogantie? Doch ook nu relativeer ik mijn zienswijze; want misschien was hij ooit wel een arme sloeber die hard gezoegd heeft om zijn kostuum.. laarzen en gesp te kunnen bemachtigen, de materiële dingen des levens, die in zoverre achter liggen op het innerlijke van de mens, doch sommige mensen denken dat hun outfit, de ziel vertegenwoordigd. Ik heb het hem niet gevraagd; ook daar dit te gecompliceerd zou worden. Ik dacht eerst een taxi te nemen naar het centrum, maar daar het nog vroeg was zie ik daar van af, ook daar mij gezegd was dat ik dus om 00.9 een bus kon. De stad is geografisch schitterend gelegen, doch ik zit hier op een klein soort inlands busstation. Over de stad zelf is weinig te zeggen en niet meteen een atractive plaats, het is meer een overstapplaats, al is die uitdrukking misschien nogal mistig. Er leven hier zo'n 115.000 mensen. Rondom de stad is het vooral vee-houderij, en in opkomst zijn de soja, rijst en suikerriet velden. Ook worden hier, volgens een krant die ik bemachtigd, straatkinderen neergeschoten, terwijl de moordenaar, een militairepolitieman vrijuit gaat. Het loop tegen elf uur en voor de ingang van het rodoviaria stopt een volkswagenbusje met op de flanken de naam Funai, wat staat voor her regeringsorgaan voor indiaanse-zaken. Ik zie enkele indiaanse mensen uitstappen. De chauffeur van het busje overhanding hun enkel kaartjes voor de lokale bus. Kinderen trekken aan de rok van de moeder en deze haalt uit een grote jutenzak enkele keteltjes gevuld met rijst, kip en farofa (geroosterde maniok). De kinderen stoppen alles gretig in hun hongerige monden. Het zijn Karaja indianen (een andere nam is INY) en zijn op weg naar hun ondermijnd dorp. Ik voel me toch verbonden met hun en besluit op de stoep tussen hun in te gaan zitten; ironisch genoeg ben ik op weg naar de Xavante, die hun grootste vijanden zijn, dit ver terug gaat in de geschiedenis, toen de Xavante hun gebied in Goias gedwongen werden te verlaten en in conflict kwamen met de Karaja, die hun niet toelieten door hun gebied langs de Araguiana en Tocantin rivieren te trekken. Ze bekijken me gemoedelijk, zonder opwinding en ben denkelijk voor hun een bizarre reiziger met een grote rode rugzak, gele haren en blauwe ogen. Misschien wel een toekomstige garimpeiro, op zoek naar het verdoemde laatste goud en onheil. Misschien wel een diamantzoeker? Houtkapper? Gek geworden door geld? Ik kijk naar hun en volgens mij kan het hun geen barst schelen, wat ik, of wie ik ben...; gelijk hebben ze. Hun leven is niet het mijne. De Karajá leven aan de oevers van de Para en Araguaía rivieren en leven veelal van visvangst, maar ook schildpadden zijn hun doel. Het was in 1673 dat het eerste contact legde met de stam werd gelegd die vandaag de dag bestaat uit ongeveer 2500 zielen. Ze zijn bedreven in het maken van keramieke popjes (vooral de vrouwen) en dieren figuurtjes die ze 'litjocos' noemen. Het zijn schitterende kunstwerken, die nu veel aftrek vinden bij toeristen die hun dorpen langs de rivier bezoeken. Andere Karajá indianen passeren en groeten hun; ze dragen jutten zakken, speren en geweren en leven in de buurt van de heuvels waar ze baden in de kleine Lontra rivier. Als de bus eindelijk komt die mij verder moet brengen zijn de indianen al vertrokken in een oude gammele streekbus. Eindelijk, ik ben weer op weg door een dromerig landschap. We gaan langs de serra do Estrondo en buigen af naar het oosten, naar de plaats Miracema do Tocantins. Daar steken we de de Tocantins rivier over op weg naar de stad Palmas, hoofdstad van de deelstaat, gelegen aan de rivier, bijna 1000 kilometer noordelijk van Brasilia. Het is een plek waar het vredig uitziet, bij het vallen van de avond. Sloom rijden we de avond in verder langs de serra do Xavantes, en passeren de grens met de staat Goias rond 10 uur in de avond.
Canela indiaan uit Amazonas met grijsblonde haar die de vermenging met blanke vertegenwoordigd, in de staat Piaui blijken minstens 6 van de 10 kinderen blonde haren te hebben Dit heeft géén terugval op de Hollanders en Fransen, die de noordelijke staten aandeden, handeldreven en kinderen verwekten, maar die nooit het diepe binnenland en wildernis van Piaui introkken. Dit alles gebeurde na 1500, daarvoor echter waren er blanken die deze gebieden betraden van Noord-Europese komaf... foto Kurt Nimuendaju uit boek Vikingen in Brazilië
De leguanen zijn niet echt schuw, doch benadering is moeilijk. Ze kunnen van kleur veranderen, doorgaans een samenspel van donkergroen/bruin, dit om zich aan te passen aan de omgeving. Ik nader tot bijna twee meter en zijn kop maakt een robuuste beweging als hij mij beziet met vlammende oogjes. Hij heeft en lichgroene kleur en vanaf zijn achterpoten is zijn staart getekend met mooie bruine ringen. Hij is zeker een meter lang, doch zijn staart tweemaal die lengte. Ik zie zijn uiters lange nagels, die dienen om gemakkelijk de bomen te beklimmen. Aan de onderzijnde van zijn keel hangt een zak, die wordt uitgezet als hij een bedreiging voelt, doch ook tijdens het versieren (balts), dan gaat ook zijn rugkam rechtop staan. Het is geweldig dat deze leguanen soms van een hoogte van 20 tot 30 meter uit een boom kunnen vallen, op grond of water, wat hem schijnbaar totaal niet deert. De Braziliaan noemt hem 'Chamaleâo', maar deze naam is door de Portugezen ontleend aan de hagedissenfamilie uit de oude wereld de Kameleon. De caboclo jongen kon hem dan ook alleen onder die naam, zoals ook zijn grootvader hem noemde, diezelfde jongen gaf ook uitleg omtrent de geweldige spin die op een boomstam zit. Hij gaf me de inheemse naam die ik vergat te noteren. Volgens mij is het een vogelspin, Tarantula, ze is dicht behaard en ongeveer 5 centimer groot en behoort tot boombewoners. De jongen verteld dat ze niet giftig is doch een soort witte melkachtige substantie spuit dit gevaarlijk kan zijn, hetgeen duid op een ander soort. Ik blijf bij het eerste. We besloten ons te oriënteren naar het eindpunt, waar we deze morgen onze voettocht begonnen. Wachtend in een soort kantine annex eethuisje, op het busje dat ons terug zou brengen naar Piripiri, zag ik de vele urubus, die achter het gebouwtje neerstreken; de zwarte aasgier van Brazilië en ik nam de tijd om hen rustig te observeren. Ze kregen denkelijk voldoende afval toegeworpen van het restaurantje want een andere verklaring voor hun aanwezigheid is er niet, want normaliter zijn ze lijkenvreters en ik zag ze overal in Brazilië. Zoals in de havens waar honderden zwarte krengen zich tegoed deden aan weggesmeten ingewanden van dieren en allerlei ander soort afval. Vooral de plaatsten aan de stadsrivier zijn een habitat voor de urubu's, een plek waar ze naar hartelust kunnen lekkerbekken, aan het al rottende vlees. Het is géén uitzondering, maar ik was getuige toen de gieren een dood paard, aangereden langs een hoofdweg, gebruikten als hoofdmaal, een bijzondere nuttige functie in dit geval, daar de mens het paard liet liggen te rotten in de brandende zon. Zij zijn er ook graag bij als het om ontlasting gaat van honden, runderen, paarden zodat de vliegen zelfs geen kans zien de besmetting op andere plaatsen over te brengen. Men moet niet vergeten dat deze urubu's een belangrijke taak hebben die niet mag onderschat worden. De mens is anders denkend en misschien dat men de aasgier daarom duld in menselijke omgeving. De ander kant is dat de gier, na in het rottende te hebben geplet, later op plekken neerstrijkt waar kinderen spelen en ontwetend ziektes meenemen. Als de urubu's boven het bos rondgaan, dit geen zonnestraal doorlaat ontdekken ze al snel een kadaver, ze zijn gevoelig voor een bepaalde reuk. Het verschil met andere vogels is dat zij speciale maagsappen hebben die de bacteriën neutraliseren, die andere dieren zouden doden. Ik kan ze dicht benaderen en hun spookachtige koppen wentelen lijzig op versleten nekken, die weer rusten op hun kipachtige lijven. Ze richten hun kop naar mij alsof ze willen zeggen 'waar bemoei jij je mee, gringo!' Als ze vliegen doen ze dit met een soort élégance en als ze dalen lijken ze een vliegtuig, dat enkel malen de grond raakt voor tot stilstand tekomen. Bizarre beesten. Het begint te regenen en niet veel later verschijnt de kleine bus die ons terug brengt naar Piripiri, waar het nog steeds klettert als we aankomen. In het hotel is het rustig en sommigen zitten voor een televisie het nieuws te volgen, anderen bezoeken de wasruimte, het zijn avonturiers, goudzoekers, handelsmensen en mischien verdwaalden, die het leven een andere wending willen geven.
Op bed liggend die avond bedenk ik de gebeurtenissen van de laatste dagen en de geheimen rond de Zeven Steden. Voor velen mag dit alles een hersenschim zijn of gelul, voor mij is het een gegeven dat de geschiedenis nooit bepaald zal zijn. Hier in Brazilië zijn de wetenschappers niet gelukkig met de stelling dat anderen vóór Pero Cabral Brazilië aandeden en leefden, en zien me als een curiosum, voorvechter van deze stelling. Ik wil nog graag de volgende passage aangeven, afkomstig uit een interessant boek*, waar de Belgische schrijver Marcel Roos doelt op de mythe van Atlantis (geheimzinnig eiland dat in de Atlantische oceaan zou hebben gelegen en in de watermassa verdween. Voorvechters van de Atlantis-theorie geloven dat de blanke cultuur lang geleden vanaf dit eiland, door immigratie, naar midden, -en zuid Amerika werd gebracht.) Ik citeer dit om aan te geven dat buiten de stelling, dat Vikingen of andere blanken Brazilië aandeden nog een andere these is die de geschiedenis wel eens juister kon doen blijken. Roos in zijn boek, ik citeer: "Bij het persklaar maken van dit boek werd uit Georgetown, Brits Guyana gemeld dat een missionaris in het aangrenzende Braziliaans Amazonegebied een Indianenvolk heeft ontdekt, waarvan het bestaan reeds lang werd vermoed en dat zich onderscheidt door een reizige en welgevormde lichaamsbouw, blauwe ogen en een vrij lichte huidskleur. Deze Indianen, die door andere stammen 'Pausianas' worden genoemd, wonen in paalwonigen op meren en rivieren en leven nog onder omstandigheden, welke overeenkomen met die van de Europese mens uit het stenentijdperk. Het zou daarbij niet om een geval van 'albinisme' gaan, maar om een typisch voorbeeld van de rasvermenging, die zich in Amerika heeft voorgedaan láng voor de komst van Columbus." FIM=== SETE CIDADES
*Het geheim van de Mato Grosso - (c) 1953 Marcel Roos uitgegeven door Sheed&Ward - Antwerpen.
Het loopt tegen de middag en de zon heeft bezit genomen van de Zeven Steden. We rusten in een grot ingang waar we ons te goed doen aan water en de verdere af te leggen route bepalen. Het is er vredig en koel, hier waar lang geleden indianen (en blanken?) hun schuilplek hadden; hetgeen aannemelijk is daar ik er verscheidene rotsmonden, of liever gezegd 'veronderstelde woningen' ontdekte. Het zijn inhammen die diep doorlopen en een goede bescherming bieden. Hoe vreemd mag het wezen dat ik over de stoffige wegen lopend, langs turbelente struiken en bomen geen vermoeidheid waarneem, of verveling de overhand krijgt. Neen, de rotsen hebben een soort aantrekkingskracht, een geheimvolle geschiedenis, of zou dit mijn aard zijn, daar ik als kind al bezeten was van mysterieuze verhalen en geheimen? Van Akim (een soort Tarzan in smalstripboekje midden jaren '50) tot Eric de Noorman. De 'externstenen' moeten voor de Vikingen, die ooit naar hier kwamen als een wonder zijn overgekomen, want ze konden hun cultus eigenlijk alleen via mondelinge overdracht en zoals de meeste noordelijke mensen vierden de SkandinavÍers hun feesten in een natuurlijke omgeving, die van heilige bergen, bronnen, bomen. En dan zagen ze hier de uitzonderlijke zandsteenrotsen, die er precies uitzagen als waarover zo vaak werd gesproken. Ze moesten hierin wel een teken zien van hun god Odin, een symbool van de zonnecultus. Zo nu en dan krijg ik de drang om de rotsen te beklimmen en te zien wat dan wel aan de onzichtbare andere zijde is. Op sommige rotsen verstoppen zich in spleten en uithollingen de 'Cascavelas', (braziliaanse benaming) giftige ratelslangen, die loeren op de indringer of belager. De slang komt zowat in geheel Zuid-Amerika voor en veelal bruin met donkere of lichte tekening en kan tot 1,80 lang worden. Deze hier was geel zwart en ruitvormig wat mogelijk is door de vele ondersoorten van de Crotalus Durissus, die onder de adders familie wordt gerangschikt en onderfamilie is van de groefkopadderse n is ongveer 90 centimeter. Het is oppassen voor de vrienden want een beet snel verlamming veroorzaken, terwijl die van een ondersoort de C.d Terrificus blindheid teweegbrengt. Ze leven vooral in drooge gebieden en hier in de zeven steden is het een geschikt habitat. Het beste is dan ook niet te veel lawaai te maken en de natuurschepselen te laten in hun doen.In de middag bezoeken we een soort herberg. Er zit een jonge vrouw vredig voor de televisie en verder een mooie papegaai die ons al vliegend overal volgt en zeker niet op zijn mond gevallen was. We eten een rijpe ananas, die men hier 'abacaxi' noemt, zoet als wijn en een genot voor de maag, en de groenrode papegaai wil zijn deel en schuifelt naar me toe, betast het stuk ananas, neemt het in zijn bek, schudt het als een gek op en neer en besluit het erbij te laten, en vliegt op. Er bestaat een stelling, verkregen door wetenschappelij experimenten waar natuuronderzoekers frequént ideeën uitputten, die over deze vogel in de folklore van indianen gangbaar zijn. Ik wil even hierop inhaken en citeren uit het boek 'Amazon flooded forest' van Michael Goulding: '... neem bijvoorbeeld de vreemd gekleurde gekleurde geelgekleurde Ara's en papegaaien, die traditioneel door vele indianenstammen in het Amazonegebied en op andere plekken in Brazilië worden gehouden. Ornithologen weten al lang dat de gele kleur van vele in gevangenschap gehouden ara's en papegaaien een afwijking is. Maar men kon niet vaststellen welke factoren daarvoor verantwoordelijk waren. De indianen hadden er geen twijfel over, zij hielden vol dat het kwam door het aanbrengen van een smeersel of door het voeren van een bepaalde substantie. Deze zalfjes werden gemaakt van kikkerbloed, schildpadeiren of vissevet. Het toedienen ervan, hetzij inwendig, hetzij uitwendig, vond gewoonlijk plaats nadat de veren van de vogel waren uitgetrokken. De kleuring van een vogelveer is te danken aan de chemische of fysische-natuurkundige- kleuren, of aan een combinatie van beide. Chemische kleuren worden geproduceerd door samenstellingen die zich verspreiden in de veren en daardoor ontstaan gele, oranje en diverse rode tinten. Fysische kleueren echter ontstaan door de reflectie van licht door microstructuren van de veer, die doordrenkt is met melanine (zwart pigment). Hierdoor ontstaan de blauwe metallieke tinten en de iriserende glans, die van ara's en papegaaien zulke prachtige vogels maken. De kleur van Hyacintara ontstaat uitsluitend door de fysische kleuren. Door gebrek aan melanine in de veren ontstaan albino's. Een tekort aan melanine bij de veelkleurige ara's en papegaaien resulteert in een grote verspreiding van geel producerende samenstellingen door het chemische kleurproces. Daar door zijn kunstmatig geel gemaakte ara's en papegaaien eigenlijk albino's, hoewel de conditie kan worden teruggedraaid. Recente bewijzen tonen aan dat de geelheid te wijten is aan fysiologische reacties, die een stilstand teweegbrengen in de productie van melanie, als gevolg van het trauma waaronder de vogels lijden als hun veren worden uitgetrokken. Het schijnt dus dat de vreemde, fraaie geelgemaakte ara's en papegaaien uit Brazilië eerder een product zijn van marteling, dan van het toedienen van kleurstof. De indianen hebben het mis in hun folkore.' Aldus Goulding. Onze papegaai vliegt op met een sierlijke boog in de richting van de vrouw aan de televisie. Zijn veren zijn niet uitgetrokken, maar hij heeft wel een band gevormd met de mens. Misschien is hij wel in gevangenschap geboren? Doch gevangenschap, ook al bén je erin geboren, is een verdommenis. Hier, als men zo dicht bij de natuur zit en je dieren ziet vliegen, kruipen, klauteren, rennen, zich voortbewegen op het pad der vrijheid, dan heb ik deernis met de vele opgesloten dieren. Het excuus van 'ze zijn toch geboren in gevangenschap' is een gebrekkige verontschuldiging. Anderzijds is het zo dat deze dieren niet meer opgewassen zijn tegen de vrijheid, en ik laat hier dan ook de domesticáre dieren buiten beschouwing. Het circus; een volksvermaak met kleueren levendigheid. In het latijn is het "Circum"= rondom, een verzamel plaats waar gerechtvaardigd, trapezewerkers, goochelaars, jongleurs, vuurvreters en clowns hun beroep uitoefenen, hebben sinds lang het euvel om tijgers, leeuwen, panters, olifanten, paarden, beren, dromedarissen en apen, allen natuurdieren, hun kunsten te laten opvoeren. (Laat dit is geen aanval zijn op circusvrienden, maar alleen mijn zienswijze) Maar zou de 'ziel', van de dieren niet verlangen naar een natuurlijke omgeving; is het instinct niet zo diep geworteld dat de mens dit niet meer waarneemt? De dierentuinen doen al niet beter en alleen de mens is bevoorrecht om zoveel uitheemse dieren te aanschouwen. Ik zag apen een kooien die gek werden van opsluiting, bizons ronddwalen in soort weides, de roofvogels uit de verre Andes triest vastgeketend op een enorme tak. Ik vroeg me af. Maar misschien ben ik te veel afgedwaald van mijn feitelijk verhaal hier in noordoost Brazilië, in de woestenij van Piauí. In de buurt van het logement houden zich meer dieren op zoals de geweldige leguaan, met hun kammen, sluipend of stil zittend in het gras, tussen struiken of in bomen. De vreemde reptielen die ooit kwamen van een andere wereld...
Doch er zijn meer sporen van pre-columbiaanse beschaving te vinden en niet alleen van zeevaarders. Zo is er de historie van Pater Gnupa, een katholieke priester die rond 1250 naar Brazilië moet zijn gekomen. De Portugezen en Spaanse missionarissen zagen in hem de apostel Thomas. Maar er zijn ook andere theorieën levendig; er bestaat namelijk een brief daterend 1549, waarin pater Manoel de Nobrega aan zijn oversten schrijft dat er door de indianen de mythe in leven wordt gehouden, dat apostel Sâo Thomas hier gepredikt heeft, in het dorp Sâo Vincente, in het zuiden van Brazilië. Hij zou de indianen zelfs geleerd hebben hoe te eten zonder ziek te worden. Doch de inboorlingen pleegden verzet en schoten pijlen op de apostel om hem te doden. Maar door een zeker wonder maakten de pijlen rechtsomkeer en troffen de indianen zelve. Een ander gegeven was dat men voetsporen aantrof van de apostel op een hoge rots. Enkele jaren nadien kwam De Nobrega weer terug op dit thema om te verklaren dat de Braziliaanse inboorlingen tekens hadden ontvangen van de heilige Thomas. De indianen noemden hem: Pai Zumé. Het was doorverteld door hun voorouders, dat hij nog steeds ronddwaalde door het gebied. Tevens zei men dat er sporen te zien waren van Zumé aan de oever van een riviertje. Om zich ervan te overtuigen trekt De Nobrega zelf naar de bewuste plek en vindt er vier menselijke voetafdrukken, waarvan de indanen zeiden dat de afdrukken er waren gekomen toen ze Thomas aanvielen met hun pijlen en hij vluchtte, en dat het water zich opende en hij met droge voeten de overkant bereikte. Pay Zumé zou verklaart hebben dat hij op een dag zou terugkeren om hun te vereren met een bezoek. Dit soort verhalen vindt men echter in alle verklaringen van missionarissen uit de 16de en 17de eeuw, die berichten over karaktertrekken van de indianen. Er moet gesteld worden dat er meerdere versies zijn over de 'vertellingen' der heilge Thomas. Er is het verhaal van een Franse Pater De Yvreux, die stelde dat hij in de apostel Thomas de heilige Bartholomëus zag, doch volgens Jaques De Mahieu is de Thomas of Bartholomëus niets anders dan missionarissen fantasie of overdreven geloofsijver. Maar er bestaat geen twijfel: in Brazilië, net als in Paraquai en Peru heeft Pay Zumé een vaste plek in de gedachtegang van de indianen. Het heeft vele herinneringen achtergelaten, terwijl de kerk in Rome dit alles afkeurde en beschreef als heidendomdenken. Er is nog een ander merkwaardig voorval, dat ik u niet wil onthouden en bestempel als zijnde 'sage'. Het gebeurde in Itapuá, een plaats op enkele kilometers van Salvador de Bahia aan een baai. Men ontdekte aldaar andere menselijke voetsporen afgedrukt in harde rotssteen. Dit deed alle Brazilianen die daar voorbij kwamen geloven dat de afdrukken van Pai Zumé waren. Aan het strand van dezelfde baai was een andere rotssteen waar de apostel zijn sporen achterliet, voetsporen met een tussenafstand waardoor men de lengte van zijn stappen kon aflezen. De plek heet nu Santo Thomé. Doch niets is meer verwondelijker als de weg uit wit zand in de baai van Bahia die een halve mijl door het meer naar een hol voert. Het is de overlevering, als men zegt dat de weg gemaakt werd door de heilige Thomas, toen hij in de baai predikte voor de indianen, die zich tegen hem keerden en hem aanvielen. Er ontstond plotseling een weg door de zee die hij doorwaadde. De weg sloot zich later voor de ogen van de verbijsterde indianen. Het was een mirakel en de indios noemde vanaf dat moment de weg 'Maraipá' - de weg van de blanke man, omdat er voordien géén mens met blanke huidskleur hun land betreden had. Dat is dus de oorspronkelijkheid van het verhaal der geschiedenis, alhoewel, want volgens De Mahieu en mijn oom Thomas Pieters (Thomas?) waren deze voetafdrukken wegwijzers, richting-aangevers om de wegen van de Vikingen te markeren, en had padre Gnupa,Pay Zumé of Thomas, deze niet gemaakt, maar slechts benut. De voetsporen wijze overal richtingen aan van waar apostel Thomas, volgens de overlevering van de indianen, zou zijn gekomen. Wat betreft de 'weg van de blanke man' moet het om een kade gehandeld hebben, die opgezet werd in de baai om een haven af te bakenen of als aanleg plaats dienst te doen. Hoewel De Mahieu over dit punt erg onzeker is (terecht wederom) stelt hij toch dat deze these juist moet zijn, want de baai van Bahia, met het eiland Itaparica, is een van de meest beschermd liggende baaien. Toch is ze gevaarlijk en de wind voelbaar, maar de Vikingen moeten daar één van hun belangrijkste stutpunten gebouwd hebben met een haven waarin hun schepen genoeg bescherm werden tegen wind en golfslag. De geschiedenis van de indianen zegt dat de Vikingen geen natuurlijke schutplek gebruikten maar een kade bouwden, waarvan de fundamenten in de 17de eeuw nog aanwezig waren.
... de gehele dag kan men hier rondlopen en zich indentiek voelen met de natuur, stilte, warmte en de notie dat je wordt begluurt vanuit bomen, struiken, holen of het hemelgewelf, door zonderlinge ogen. Ik besluit, samen met de duitsers Olgaen Rolf en de Deen Klaus, de steden te bezoeken, al dan niet in volgorde. Zo bevindt zich achter de 2de stad het kasteel. Het is 20 meter hoog en 150 lang en verdeeld in 3 afdelingen. Eén sectie noemt men de biliotheek, doch in feite zijn het niets anders dan evenredige behouwen steenplaten met aan de buitenkant verticale groeven gevormd door de natuur. Richting noordoostelijk, een half uur verder lopend, bevind zich de 'descoberto '(ontdekking) in een gebied dat vele rotsen laat zien die overeenkomen met die van de steden. Niet ver er vandaan ligt de 'serra negra', een 120 meter hoge solide rots met in de buurt prachtige andere rotsen, die zonder enige fantasie doen denken aan twee adelaars met uitgestrekte vleugels, leuwen, en een schildpad. Ik beklim de massale rotsformatie waarvan de bovenlaag gevormd word door geweldige lagen steen, die als het lijkt overelkaar geschoven zijn, zoals de pantser van een 'tartaruga' (schildpad). Net zo remarkabel zijn de 4 beelden met duidelijke menselijke kenmerken. Een heeft een baard en een open mond, alsof hij iemand wil toeschreeuwen. Een ander heeft een baard, wipneus en draagt een soort zeemanspet. Doch het zijn mijn impressies. Er is een gedaante van een Icarus, in een zekere fantastische uitbeelding, en verder een beeld dat een ruiter te paard voorstelt. Ik ga ervan uit dat dit alles een geschenk der natuur is, hoewel ik weet dat er ieder rots of gesteente wel een menselijk of dierlijk iets te herkennen is. In het geval van de 'zeven steden' kan men stellen dat dit hier veel voorkomt, of zou het 'toevallig' zijn dat er hier honderden rotsen zijn die een duidelijke uitbeelding weergeven, in een aannemelijk klein gebied? Volgend De Mahieu is het mogelijk dat de erosie de rotsen kan modelleren, maar ze kan net zo goed, de door mensenhanden bewerkte rotsen beschadigen, zeker als het, zoals hier in de zeven steden, om zachte zandsteen gaat. Hij stelde vast dat in het geval van het Icarus-beeld, de kanten van de vleugels van de vogel met gladde snijvlakken zijn gevormd, verder dat de erosie knaagt, maar niet snijdt, waardoor her resultaat altijd onregelmatig is. Hij liet een foto zien aan een beeldhouwer, een steenhouwer en een geoloog. Allen stelden met zekerheid vast dat de aangegeven kanten bewerkt waren door mensenhanden met metalen werktuigen. Een apotheose van de Fransman: sete cidades laat dus een verzamiling van rotsen zien, die door erosie zijn aangegrepen, doch andere door fantasierijke beeldhouwers, of mogelijkerwijs enige beelden die in hoogst primitieve wijze zijn bewerkt. De kunsteknaars waren blanken (volgens De Mahieu), zoals de fysische vorm van de modellen weergeeft, maar het waren géén Portugezen. De toestand van de stenen bewijst dat het werk ouder is dan de verovering van niet allen Piauí, doch van heel Brazilië.
We maken een halt bij een punt waar je via primitieve houten laddertjes naar boven kan klauteren: het panorama. Het is een wonderbaarlijk uitzicht over de streek, rotsen en dalen. We passeren de 6de stad en de 'pedra do elefante', de olifantenrots, en verassende gelijkenis, wonder der natuur. Later bezoeken we een kleine waterval, het geruis van vallend water en de schoonste plantenpracht en bloemen ontplooien zich als een droom hetgeen me doet denken aan een klein hof van Eden. We nemen een bad en de Duitse avonturierster lijkt of een jaguarvrouw in blauwe bikini als ze heupwiegend en blij naar het water loopt. Het water is koel en geurt, met glibberig mos op de rotsen en kleurige vogels die van top naar top vliegen, met blauwe vlinders, gele, groene, zwartwit, miljoenen kleuren, leguanen die wegschieten als pijlen van de Tabajara indianen en palmbomen die gracieus staan te pronken op een plek doorgeven van odeur en kleverig vocht, zo verschillend tegen de dorre droogte iets verderop, hetgeen de contrasten veroorzaken in een natuur welk krioelt van leven. We gaan verder en komen terecht in de 4de stad en een ander vreemde voorstelling, die van de mapa do Brasil, de landkaart van Brazilië, een in de rots gegeven weergaven van de omtrekken van Brazil. Ook hierbij stel ik natuurlijk vragen, hoe deze contouren zo verbazendwekkend vergelijkenis tonen. Is het toeval? Ik geloof als sinds lang niet meer in coïncidentie, want alles heeft een significatie. Toch pal naast de 'Braziliaanse map' heeft het verdomde imperialisme toegeslagen in de vorm van een houten paal met een coca-cola reclamebord en nondesju!Je zou dorst krijgen tussen de doornige cactussen. Bij de 4de stad een ander belangrijk gegeven namelijk op de Pedra de Inscriçâo, de inscriptiesteen. Hier is een tekening te zien van een landkaart, een plattegrond. Het bestaat uit een centraal middenpunt van waaruit 6 rechte lijnen van verschillende lengtes uitlopen naar windrichtingen. Wanneer men deze plattegrond nu zou projecteren op een moderne landkaart met als middelpunt Sete Cidades dan geeft dit de volgende verklaring: 1ste lijn: noordlijn die wijst naar de monding van de Parnaiba rivier; 2de naar het noordoosten, een punt naar de kust van Ceará; 3de naar het zuidwesten, de plaats Inhamuns, waar zich verschillende litogrammen bevinden die erop wijzen dat er een belangrijk voorhande zijnde Viking centrum was; 4de naar het zuidwesten, een positie aan de Putti-vloed die naar de Piauí rivier stroomt en de natuurlijke grens van de noordsector van Piayí weergeeft; 5de naar het zuidwesten, de huidige stad Caixas aan de Itapecurú rivier, die in de baai van Sâo Marcos uitvloeit; 6de naar het noordwesten, de samenvloeieng van de rivieren Munim en Prato op een andere scheepsvaart route, die eveneens naar de baai van Sâo Marcos voert, daar waar zich aan het eind een rechtstreeks te bereiken Fjord bevond dat, wellicht de ideale haven van Itacú was voor de Vikingen. Het ander bizar teken is de uitbeelding van de duivel, een rood gekleurd figuurtje met twee hoorns, en daar de indianen dit ten nimmer verbeelden, moet het (denkelijk) van noord-Europese afkom zijn. Veelvuldig zijn de rotswanden bedekt met hand-afdrukken in de rode verfstof, die een belangrijke opheldering kunnen geven, namelijk: dat enige handen lange vingers hebben (noordelijke mensen) en de andere korte, die bepaald afkomstig zijn van indianen, een bewijs dat hier twee verschillende culturen samenleefden. Verder zijn er symbolen te vinden die te maken hebben met de noordelijke tekens van de Scandinavische godswondering. Er is een hakenkruis en afbeeldingen van drakenschepen, en wellicht een belangrijk punt zijn de hamers van Thor. Die vindt men op verscheiddene plekken en welke glashelder en karakteriserend de Scandinavische godenverhalen gestalte geven...
wordt vevolgd...
Pedra de Inscriçâo (inscriptiesteen) met landkaart (midden 6 richtingen)
... volgens De Mahieu (dit moet men nu zien in de geest van het blanke rasverering gemengd met gegevens uit de historie, en daar hij zover ook de enigste blijkt die deze weg van de noormannen beschrijft) overmeesterde en civiliseerde de Vikingen, dank zij hulp van indianenstammen, eerst de Ayamará en later de Quechuas, een groot gebied. Dit strekte zich uit van de hoogvlaktes tot aan de pacific en van Valparaiso in Chili tot in Bogatá. In 1920 kwam een einde aan deze heerschappij en het eerste rijk in Peru. De oorzaak was de geduchte stam van de Diaguita in het noorden van Chili. De Vikingen werden strijd naar strijd overwonnen waarvan de laatste slag plaatsvond midden in het de Titacacazee, op het zonne-eiland. Tien jaar nadien trokken enkle overledenen van het strijdgeweld, die zich hadden teruggetrokken in de bergen, naar Cuzco en stichtten daar samen met hun trouw gebleven stammen: het rijk van de Inca's. Het woord INCA betekend volgend De Mahieu letterlijk 'nakomelingen', en de eerste leider werd Manko Kápak. Na de verloren slag vluchten de Vikingen, uitgezonderd die naar Cuzco trokken, of wel richting de Pacific, of daalden af naar de wouden van Amazonas. Hierdoor zouden de befaamde van Amazonas afstammelingen zijn van deze migratie. In zo verre het toch wel, fantastische relaas van De Mahieu. Doch nu de vraag. Hoe kwamen de Vikingen terecht in het noordoosten van Brazilië? Want het gebied van Sete CIdades ligt linea recta maar liefst 1000 kilometer oostelijk van Amazonas. Buiten dat lag de staat Piauí ver verwijderd van de hoofdverbindingswegen van de Vikingen, in een gebied dat kurkdroog was en met een fauna die niet aanlokkelijk was voor mannen die leefden van de jacht. De Mahieu (hij neemt dit dan ook aan) meent dat de mannen van Tiahunaco al vóór de strijd op het zonne-eiland zich gevestigd hadden in het noordoosten van Brazilë. Doch hij vraagt zich af ( en terecht), waarom? Het moet bijna wel zo geweest zijn dat ze steunpunten hadden aan de noordkust en in het bijzonder bij de inham van Parnaiba, waar de rivier Longa in uitvloeit. Die rivier doorstroomt het gebied van Sete Cidades. Hoe dan ook, volgend de Fransman waren de Vikingen zonder enige twijfel in Sete Cidades en dit bewijst hij dan ook uitvoerig met inschriften en tekens op de rotsen van de capricieuze gebied. Nu laat ik duidelijk zijn: er zijn veel grondslagen die een gelijk aantal tegenspreken. Zo is er de versie van John Hemming (op zijn expedities bezocht Hemming in 1971/72 vijfenveertig stammen in Brazilië waaronder de Surui, Parakana, Galera Nambikwara en Asurini, in een tijd dat het eerste gezichtscontact gemaakt werd met Indianen) in zijn schitterend en gedetaillieerd boek Red Gold. Hij verteld over een Portugees Aleixo Garcia, die loodrecht door Zuid-Amerika marcheerde over een afstand van duizenden kilometers, ja, heen en terug, en hij moet, volgens Hemming de eerste blanke zijn geweest die het Inca rijk aanschouwde. Dit was 1524.Ik citeer Hemming: "De eerste expeditie naar het westen in zuidelijk Brazilië kwam opmerkelijk vroeg. Een Portugees Aleixo Garcia leed samen met een handvol Spanjaarden schipbreuk op de kust bij Santa Catarina in het zuiden van Brazilië. Ze sloten vriendschap met de plaatselijke stam, de Guarani en vroegen hun aanhoudend naar goud en zilver. De Indianen vertelden hun over een 'blanke koning', die een lange rok rok droeg en ver naar het westen in de bergen woonde... In 1524 organiseerde Garcia een verbazendwekkende expeditie, bijna een migratie. Hij trok over land naar de Paraná en de Paraquai en vervolgens met 2000 Guarani indianen dwars door de Chaco van Paraquai naar de grenzen van het rijk van de Inca's in het huidige Bolivia. Garcia's leger plunderde een paar Incasteden en keerden terug met een buit van zilveren en koperen voorwerpen... Maar toen hij trachtte zijn orspronkelijke metgezellen over te halen tot een tweede expeditie, weigerden zij. Tegen het eind van 1525 werd Aleixo Garcia, de eerste grote ontdekkingreiziger van zuid-Amerika, door Indianen of Europese rovers op de oever van de Paraquai vermoordt..." Dus hier is duidelijk sprake van een latere periode, na het jaar 1500, en in zijn boek 'Red Gold' rept Hemming géén woord over Vikingen. Toch blijf ik geloven in de blanke die er eerder was en dat de 'blanke met lange rok' een afstammeling kan zijn. Een raadsel? Misschien niet, want in alle legendes van de Zuid-Amerikaanse Indianen komt de man voor, met zijn lang wit gewaad en grijze baard, die men Pai Zume (hier kom ik later op terug) noemde, de 'Kon-Tiki' van Heyerdahl. Hoe? Nu sta ik hier tussen de overblijselen van de 'zeven steden', een gebied van raadsel-achtigheid, waar veel geheimen liggen in opgeslagen, exact zoals in de gangen van mijn gedachten, zoals mijn niet te plaatsen dromen, een sleutel tot de werkelijkheid. Maar bestaat deze wel? Ik bedoel de werkelijkheid? Zijn al deze net geciteerde stellingen hersenschimmen? De gegevens en tijdstippen van De Mahieu, Disselhof, Heyerdahl en Hemming spreken elkaar tegen en zijn in strijd met de logica. En ik denk aan de visie van mijn oom Tum Pieters, die zijn gevoel als waarheid zag, en stelde dat als hij dit kon bewijzen de hele geschiedenis van zuid-amerika herschreven zou moeten worden. Een fantast? Dromer? Neen, hij was een revolutionair tegen de gevestigde geschiedschrijvers, die vaak alles al lang geleden naar hun hand probeerde te zette, Mogelijkerwijs is de waarheid ingeslagen in de rotsen van Brazilië, want er bestaan voldoende aanwijzigingen dat de Indianen lang geleden existeerde met mensen van een andere wereld, in een tijdperk dat het bestaan van het continent Amerika, formeel, in ongeboren kind was.
... nu houdt de Fransman De Mahieu staande dat er Vikingen in Brazilië waren, dit in de 12de en 13de eeuw. Ik wil hier omtrent iets flagranter zijn: Piripiri ligt op ongeveer 200 kilometer noordoostelijk van de hoofdstad van de staat Piauí, Teresina. Vijftig kilometer verder ligt het plaatsje Piracuruca, dit ooit bezoek kreeg van een zekere Domingos Sertâo, ook wel Mafrense genoemd, die zich een Indiaans dorp in bezit nam. Meer dan 125 jaar geleden berichten zijn blonde caboclos al, aan de weinige avonturiers die zich in het gebied waagden, over de ruïne van een betoverende stad. De eerste die geruchten gaf over de oude ruïnes was Jacome Avelino in 1886. Avelino schreef er toen een krantenartikel over in een Forteleza. Het resultaat was dat een jaar later een groep van het 'Braziliaans genootschap voor historie en geografie' de plek bezocht. Ze stelden toen daadwerkelijk het bestaan vast van een groep 'zeldzaam uitziende rotsen'. Dit alles werd tot 1926 niet meer ter berde gebracht, totdat een Ludwig Schwennhagen een ontwerp van het gebied publiceerde, doch met een uitgesproken fantasie... Schwennhagen (die de naam 'sete cidades' aan het gebied gaf) had namelijk in 1928 een boek gepubliceerd onder de titel 'Antigo história do Brasil' (oude geschiedenes van Brazilië). Hij recenseerde hierin velerlei subjecten. Hiermee zou De Mahieu het later zeer oneens zijn. De Braziliaanse regering onteigend het gebied in 1961, meer dan 6.000 hectaren, en maakt er een natuurreservaat van. Nu, 37 jaar later loop ik rond in contreien die de geschiedenis in gaan als een stad der magie, het centrum der Tupi volken, een plek waar de Fenicíërs verbleven, een stad der intellectuelen, overblijfselen van een historische stad, een stad der verdoeming die vernietigd werd door een hemelsvuur, lagen van gletsers, of, zoals een Zitserse Ufologist opperde: dat extraterrestrials verandwoordelijk waren voor de zeven steden, die 15.000 jaren geleden door een grote brand verwoest werdn. Dus óók het feit dat de Vikingen hier waren, waardoor de stelling van De Mahieu (en anderen) aldus opnieuw consideratie moet krijgen, doch in hoeverre is dit alles historiek te bepalen? Hoe kwamen deze mensen in Brazilië terecht? We weten dat de Vikingen verwoede zeevaarders waren en de kust van noord-amerika aandeden in het jaar 1000, het hedendaagse New Foundland. Doch de stelling dat ze ook midden en zuid-amerika bezochten gaat velen historischi te ver, en doen het hiermee af als zijnde fantasie. Doch er zijn mensen, zoals ik en mijn oom pater Tum Pieters, die dit zeker niet doen en de mysterie van de geschiedenis als voordeel zien, en niet als een spiegelgevecht, een fictie, ten minste asl er gegronde feiten kunnen worden aangevoerd. De stelling van mijn oom was dat de Vikingen Brazilië aandeden bij Rio de Janeiro en Cabo Frio, maar laten we voor een moment de weg volgen van de Scandinaviërs, hoe ze volgens de analyse van De Mahieu dan wel in Brazil kwamen, dit volgens zijn boek uit 1975 'Vikingen in Brazilië'. In het jaar 967 van onze tijdrekening doen 7 Vikingschepen de kust van Mexico aan. Aan boord bevinden zich ongeveer 700 mannen en vrouwen. Twintig jaar nadien vaart het schip 'Jan Ulman' weer uit, met achterlating van mannen, die zich hebben verenigd met inheemse vrouwen en samen kinderen grootbrengen. Van het, toch, kortstondig verblijf in Anáhuac en in het land van de Maya bleven een zonnemythologie, een politieke organisatie, ethische betekenissen, wetenschappelijke en technische waarden en talrijke Deense, Duitse en Angelsaksische woorden in leven. Deze zijn in het taalgebruik van de Indianen, begin 1800, nog gangbaar. Volgens het boek kwamen de Vikingen van over de vlaktes van Venezuela, waarna het hoogland van Bogotá werd overgetrokken (dit wordt nog altijd in de spaanse schrijftrant licht vervormd en de naam Kondanemarka - Koninklijke Deense Mark- heeft.) Ze bereiken de Pacific, waar ze schepen maken vervaardigd van zeehondenvel en varen met deze naar het zuiden. Doch eerst veroveren ze gebieden in wat het huidige Ecuador is. Ten slotte vestigen ze zich aan de Titacaca-zee, een authenthiek binnenmeer op de kille alti-plano van de Andes. Daar bouwen zij, nog steeds volgens De Mahieu, de stad Tiahuanaco. Nu moet ik het toeschrijven van de bouw van deze stad door de Vikingen in zeerste twijfel trekken-.... en moet de verbeeldingkracht van de Fransman parten hebben gespeeld, daar Tiahunaco een enorme betekenis heeft en vele verhalen óók hier vragen oproepen... Buiten dat wás de Fransman een racist, waarmede hij de schittering van een stad als Tiahunaco niet kon laten toeschrijven aan indianen... Volgens het boek 'Alt-Amerika' van Hans-Dietrich Disselhof heeft deze een geheel andere versie betreffende Tiahuanaco. Ik deel 2 van het boek 'de kunst van de midden-Andes gebied' zegt hij: '... in 1553 zijn de eerste Spaanse soldaten in het Boliviaanse hoogland verschenen. De inwoners die ze naar de bouwers van de piramiden vroegen antwoordden dat zij niet wisten wie de bouwwerken hadden opgericht. In die tijd was het nog geen eeuw geleden dat de Inca-legers de Boliviaanse hoogvlaktes hadden veroverd. Volgens de Inca-sagen zouden de mensen en de grote hemellichamen hierboven zijn geschapen. Maar al in de Inca-tijd waren de tempels ingestort en met aarde bedekt." Disselshof zegt verder: 'Dat geeft fantasierijke schrijvers die zich met de raadselen van Tiahunaco bezighouden echter nog in het geheel niet het recht de ruinenstad op de hoogvlakte, 3800 meter boven de zeespiegel, een ouderdom van 15 en meer millennia toe te dichten. Haar met de Atlantis-sage in verband te brengen of reuzen van de bouwers ervan te maken...' Dus blijft de vraag wie de metselaars van de stad dan wel waren geweest? Een stad die heel waarschijnlijk al van vóór het jaar 200 stamt.... En wat is de waarheid omtrent de 'zonnepoort'? Een legende? En wie was die blanke man die men Kon-Tiki noemde en waar de Noorse ondekkingsreiziger Thor Heyerdahl zijn oordeel over gaf, toen hij de bewees dat de bewoners van de Polynesiche eilanden ooit waren overgestoken vanuit Peru en dat de zonnegod Virakocha, oftewel Kon-Tiki, de leider was van de blanken die toen spoorloos verdwenen. De blanken die de leermeesters waren van de Inca-cultuur! Heyerdahl verteld over de slag op een eiland in de Titacaca-zee, waar de geheimzinnige blanke mannen met witte baarden werden uitgemoord. Doch kon Kon-Tiki zelf en enkele naasten ontkomen en later vanaf de kust van de Pacific, verdwenen ze westelijkover, de zee... op balsa-vlotten....
Vervolg reisimpressie '97/'98: DE GEHEIMEN VAN DE 'ZEVEN STEDEN' - DEEL 1 PIRIPIRI, PIAUÍ, NOORDOOST BRAZILIË
... wanneer ik het busstation van Mossoró verlaat is het acht uur in de morgen. Ik ben op weg naar Forteleza. Na een uur overschrijden we de scheidingslijn met de staat Ceará, naar het plaatsje Russas aan de jaguaribe rivier. De rit gaat verder naar Cesário voorbij de seizoenen gebonden riviertjes Pirangi en Choro, om daarna de wolkenkrabbers te ontwaren van de grote stad Forteleza aan de Atlantic. Vreemd genoeg besluit ik pas bij aankomst om niet te blijven in de twee millioen inwoners tellend betonnen fort. Een stad vol tegenstellingen, meer armoede, kinderprostitutie in contex van het sextoerime, gevoed door armoede en een gemis aan pastoraten. Ik voelde me onrustig, gedreven door mijn doel: de 'sete cidades' gelegen in de staat Piauí. Het is een groot gebied met mythische betekenis en vandaag de dag dertig viekanten kilometer natuurreservaat beslaat. De beste optie om vanuit Forteleza het gebied te bereiken is via het stadje Piripiri over de BR-222, in vogelvlucht 400 kilometer van de fortstad. De rit gaat over over en door heuvelachtig gebied. We rijden richting Sobral, een wanstaltige industriestad, doch gelegen in een schitterend landschap. Hoe dichter we de grens tussen Ceará en Piaúi naderen, hoe meer het landschap wisselt. Het wordt heuvelachtig en als we langzaam omhoog klimmen zie ik de plateaus bedekt met geweldige cactussen en een soort schilderij komt tot leven. Tegen het vallen van de avond bereiken we het plaatsje Tianguá aan de grens met Piauí, hier in de sierlijke 'serra da Ibiapaba'. We kruipen nu een 900 meter omhoog langs de mooie heuvels gevuld met groen bos, een waar paradijs. Het was bewolkt geworden in da namiddag en nu viel de regen met bakken uit de hemel. De 'ceú' wordt opengescheurd en een grijze mist komt te voorschijn, een gordijn dun als de condens van een toversvrouwsluier. In de verte zie ik de lantaarns voor de houten huisjes heen en weer slingeren gestuwd door de wind en striemende regen. We stoppen omdat de bus het verder rijden belemmerd wordt. Er zijn hier enkele barakken waar men van alles te koop aanbied, van broodjes, soep, fruit, verschillende kaassoorten en drank tot houetn beeldjes, tassen, sandalen en meer prullaria. Het is tamelijk koel hier boven, ten minste als men drie kwartier geleden de nog warme vlakte verlaten heeft. Als de hitte langzaam verdwijnt wanner de bus omhoog kruipt naar de aangename temperatuur van de hoogvlakte. Doch vandaag is het koud en de 16 graden, doet met rillen. De regenwolken ontploffen hier in het bosrijk gebied, vóór ze de lager gelegen vlaktes bereikken en mag men het ironisch noemen, doch de grillen van de natuur zijn gewaarborgd en hebben een doel. De hete vlaktes en de koele heuvels en God moet hier ergens verblijven, af en toe. Zo'n 15 kilometer verder bevindt zich het stadje Ubajara, bij het grote park van die naam, gezegend met grotten, mysteries en geheimen. De regen neemt af en de bus gaat verder, over de serra tot in de staat Piauí waar het noordelijk gedeelte vol staat met de mooie carnaúba palm. De regen stopt als ik Piripiri bereikt. Ik neem het eerste hotel, een kleine kamer voor 5 reais (toen, iets van 3 euro), het billigste tot nu toe. De stad Piripiri ontleent haar naam, naar het schijnt in twee begrippen, het eerste Peripery, wat 'capim-capim' betekend, grasssoort en het tweede junco, een bosachtig gebied dat men in de buurt van water vindt. Hier leven zo'n 50.000 mensen, al zou ik dat niet beamen. Het hotel is een gezellig plek, met een grotere algemene ruimte, waar men zit te kletsen over de dingen van het leven. De dag erop besluit ik meteen naar het park te gaan, ja, zo moet je het nu noemen. Het 'Parque Nacional de Sete Cidades'. Het is een luw gebied, waar ooit niemand kennis van had, buiten de Tabajara Indianen. Later kwamen de Noormannen, of Vikingen, dit volgens de stelling van de al eerder aangehaalde naziïst en racist, de Fransman Jacques de Mahieu (zie artikel 'Vikingen en blanken indianen in Brazilië 23-10-2008). Ieder morgen, rond 6.00 vertrek er een busje van het hotel naar het park, een georganiseerde toeristische tyrek, een andere optie was lopend te gaan, maar dit zou snel een dikke 2 uur in beslag nemen. Aan de ontbijttafel maak ik kennis met een Duits meisje, Olga en een Deen met de naam Klaus, avonturiers. In het busje ontmoet ik verder een zekere Rolf, ook Duitser, en met deze personen ga ik op weg naar de utopie van de zevensteden. De rit is kort, zo' 10 kilometer, en... er moeten enkle reais betaald worden om binnen te komen, de toeristische klank vindt ook hier aftrek, gelukkig is het vandaag rustig in het gebied der raadsels. Het is vroeg en een juist tijdstip om het gebied te verkennen, want het kan warm worden in de middaguren, daarom hebben we enkele flessen water meeggesleept. De wegen zijn goed aangeduid evenals de rotsformaties, die ook zorgen voor goede herkeningpunten. Het is een wild gebied, met rotsen, stekende struiken, cactussen, de Carnauba en Buriti palm en bizarre bomen. Verder het domein van herten, vossen, jaguars, slangen, spinnen en de mooie Iguana, het reptiel dat een voorbeeld is van de natuurlijke selectie en de velen vogels zoals de toekan, tropische havik en spechten. Hier hebben voordien mensen geleefd, de Tabajara indianen, hier in het gebied dat men als 'savanne' kan betitelen, zij die wisten waar de holen waren, he wild, de wortels. Er zijn hollen met wonderbaarlijke tekens, inscripties op muren en bewerkte steenmassas. Beeldhouwerken gemaakt door mensen. Mensen? ja, niet veroorzaakt door de grillen der natuur, waar wind en regen zorgen voor de gladde rondingen. Neen, hier zijn het scherpe kanten, als gemaakt door werktuigen behandeld door mensenhanden. Toch wil ik eerst duidelijk zijn over de ruïnes van de 'zeven Steden', die een zuivere natuurlijke vorming hebben. Hoe vreemd voorkomend ze ook mogen zijn: de schildpad, romeinse ruiter, olifant ect... het zijn scheppingen der natuur, hierover beste lezer geen misverstand. Doch laat ik niet vooruit lopen op dit alles, mar kort samenvatten dat het dogma van de omstreden Fransman De Mahieu, een verklaring bebroeft. In zijn boek 'De Vikingen in Brazilië' beschrijft hij op treffende wijze 'zijn' stelling, waar hij een waar leerstuk van gemaakt heeft, dat er Noormannen in Brazilië waren...
HET DOORDACHTE PLEIDOOI van FRANCISCO GATO - DEEL 6 SLOT
Macambira probeert Catunda te manipuleren. "Dood hem, Chef! Hij is een duivel, u weet dat hij leugens verkondigd, alleen om zijn hachje te redden, is ut niet?! Ik be u toch altijd trouw geweest... gelijk een hond...' Catunda loopt op sinha Isabella toe en bekijkt haar doordringend: '... is het waar? heb je Gato verleidt? Heb je geneukt met Macambira en de anderen!' waarna hij razend op Mattarazzo, Torres, Cipo, luiz Gonzaga en Stierenlul toe loopt. Ja, allen bekennen zij bevend hun schuld, dat ze geneukt hebben met Isabella, niet maar een gewone vrouw, maar het prive-bezit van de Chef. Weer staat hij voor de vrouw; " ... spreek, ik wil het horen van jou ontrouwe teef.... ik zal je levend laten villen en voeren aan de urubus (aasgieren)!' Isabella kijkt naar Catunda, dan naar Macambira. Ze lacht bizar: '... vele malen heeft Macambira me geneukt met zijn ezellul... omdat jij te weinig aandacht voor me hebt... hij heeft me genomen als een bruut, hoor je! Van voren, vanachter! En de anderen eveneens... en de arme sukkel van een Gato heb ik verleidt... niet om zijn liefdeskunst, ah, nee, maar om zijn slimheid... het is waar! Je kunt me doden Catunda, maar tegelijkertijd zul je me missen, want je kan niet zonder mijn nattigheid! Mijn mond, mijn vagina, strelingen...!' Efraim catunda neemt zijn revolver en loopt toe op Mattarazzo. Hij schiet hem een kogel door het hart. Hetzelfde overkomt Torres en Stierenlul. Luiz Gonzaga valt op zijn knieën en smeekt om genade, en rateld woorden tot alle heiligen die hem invalt, en het 'goede lot' wordt hem wonderbaarlijk toegewezen, terwijl Cipo die de dood zag komen zijn revolver trekt, doch een fractie te laat en krijgt een stukje lood tussen zijn zware wenkbrauwen. Al die tijd staat Macambira als genageld aan de grond mede doordat de dikke Anjo Chorro, vertrouweling van Catunda, zijn revolver op hem richt en hem het liefst enkele kogels door zijn lijf gejaagd had. Catunda draait zich om en beveelt Macambira zijn mes te nemen, want een gewone kogel zou te simplistisch zijn voor zijn dood. Neen. Het zou een mesgevecht worden tot de dood toe. De ongeschreven wet van de wildernis. En van dit gevecht hangt ironisch genoeg, het leven van Francisco Gato af. Ten minste dat is zijn veronderstelling, want de zege van Macambira zou voor hem zeer ongunstig zijn. Catunda is met zijn een meter zeventig klein waardoor de bijna twee meter lange Macambira een reus lijkt. Doch Catunda heeft andere catagorieën, hij is snel en lenig, ondanks zijn zestig jaar, en een mesvechter bij uitstek. De andere mannen kijken spannend toe alsof het de laatste filmvoorstelling wordt hier in de woestenij, die zij ooit zullen aanschouwen. 'Nu zal beslist worden!' brult Catunda. "Diegene die mij aanhangen komen achter me staan, de rest achter Macambira. De groep verdeeld zich, en zie, zeventien van hen schaart zich achter Catunda en negentien achter Macambira. Behalve Isabella, want de satansslang laat haar keutel ruiken: ze kiest vooralsnog géén partij. Bij het zien van de mannen achter Macambira doet Catunda's ziel zeer, want in velen had hij toch een zeker vertrouwen gestelt... en op het schenden van dit staat de dood! Beide mannen beginnen nu te schuifelen en bespieden elkaar als twee gladiatoren in de Romeinse ring. De messen glinsteren in het kampvuur, en Francisco Gato ziet toe, want zijn leven hangt nu aan een zijden draad. Macambira kijkt bang naar het kalme gezicht van Catunda. Al zeker drie minuten sluipen ze rond om het geschikste moment te vinden om toe te slaan. De duivel heeft zijn paljassenpak aangetrokken en geile Isabella leunt tegen de kreupelboom, lacht en beroert subtiel haar vagina, want dood en spanning zijn hemelijk voor haar en ze zucht en verlangt naar haar orgasme. Nu kan de dood onverwachts komen, snel, als een slang uit de boom gevallen en dit gebeurd ook zo. Opeens steekt Macambira toe, maar is te traag en schampt alleen de linker bovenarm van Catunda. Deze geeft hem een kniestoot tussen zijn benen en gelijktijdig als een zwaardvis, steekt hij het mes in het hart van de grote Macambira. Deze valt op zijn kniëen om te sterven. Efraim Catunda loopt op hem toe en doorsnijdt vakkundig zijn keel, zoals men dit doet bij varkens. Isabella staat versteend tegen de kreupelboom met geloten ogen terwijl ze haar tong over de lippen laat glijden. Zo is het leven... en dood, genot en bloed. Catunda snijdt ruw Macambira's borstkas open en haalt zijn hart eruit, en smijt het naar de mannen die achter Macambira stonden: '... jullie hebben nog een moment om je te bedenken, terug naar de groep van Catunda, of opdonderen...nu!' Hij loopt toe op Isabella en kust haar bruut op haar mond: '... en jij bent van mij! En alleen met mij zul je neuken! Alleen met mij zul je naar de sterren van de sertâo kijken, alleen met mij zul je lachen en huilen! Basta! Zo niet... vertrek dan nu!' Isabella lacht bizar zoals alleen vrouwen dit kunnen in een hopeloze, doch al ingulde situatie en begint te janken, als een klein meisje. Ze heeft weinig keus hier in de 'sertâo'... Efraim Catunda loopt rustig toe op Francisco Gato, de man van het perfecte pleidooi, doorsnijdt het zijn leren riemen en kijkt hem recht in de ogen en klopt hem op de schouder. Alle overige mannen sluiten zich weer aan bij de bende van Catunda. "... kom op mannen... morgen hebben we een grote klus!' zegt hij kortaf, 'de fazenda van een rijke Fazendeiro!'
De mannen kijken elkaar aan en Efraim Catunda staart naar sinha Isabella en snuit zijn neus. 'Ben je klaar met je verhaal Francisco Gato of...' vraagt Catunda rustig. 'Neen, nog niet... ten minste als u mij de vrijheid geeft mijn ziel verder te verlichten of verzwaren, naar uwer inziens. Toch eerst vraag ik u beste senhor Catunda of u misschien wat te drinken hebt... mocht u geen pinga hebben dan zal mijn schrale keel verheugd zijn met een slok water. O u bent zo vrijgevig mij een slok brandenwijn te schenken. dank u... u bent de slechtste niet! Neen! Mijn eerwaarde senhor, dat heb ik u al vaker doen inzien... Wat ik dus wil zeggen is, dat het voor het volk niets uitmaakt wie de baas is, als ze er maar gerechtigheid is en voedsel voor de hongerige magen en ondervoedde kinderen. Kijk senhor ik ben geen yagunzo, maar een filosoof en denk voor de mens... Ik heb voor u gedacht senhor en kan verder denken. Nu... ik waarschuw u tevens dat er een verrader onder u eigen mensen is. Ik weet dat de opstand niet meer ver weg is, ik weet dat Alfredo Macambira mij niet moet en ik zie hem naar me kijken als een aasgier. Ik weet dat ú weet dat hij u niet moet en op een dag zal hij het bewijzen... ik weet meer dan u denkt senhor Catunda... zelfs zo veel, dat ik weet dat u vrouw, als u ze de uwe mag noemen, u bedroog met mij, uw nederig dienaar en waarzegger. Doch ik weet dat zij ook met anderen u bedroog want ze is een vrouw, die nooit genoeg heeft aan één orgasme... O, neen, één orgasme is voor haar een slokje water... ze wil meer en meer en zo mooi als ze is, is ze ook verleidelijk en géén man waar zij zich op stort kan haar weerstaan...'
korte stilte...
(Francisco Gato kijkt naar Catunda wiens ogen vuur schieten, maar die bedaard blijft.)
'U gelooft mij niet senhor Catunda? Vraag het aan Macambira en hij kan het bevestigen! Ja, Macambira je hoeft er niet om te draaien, je weet, dat ik weet dat je sinha Isabella hebt geneukt! Is het niet? Neen... ik zwijg niet! Ik spreek de waarheid nu op het uur dat mijn ziel geworpen zal worden op de doornen van de Xique-Xique! Neen! Ik spreek nu voor mijn gemoed! En anderen... ja, ook anderen mannen minnekoosde u vrouw senhor Cafunda, al is dit woord misschien te poëtisch, uw vrouw, mijn allerbeste chef... en zij genoot ervan als een geil jaguarvrouwtje... Spreek Oscar Bahia! Matarrazzo! Torres! Spreek Cipo! Luis Gonzaga!, Zé stierenlul! Spreek Macambira? Was de poes van sinha Isabella geen lekkernij? Een zoete vleesinboedel? Het genot van de wildernis? ja, ik weet het, want ik zag het! En jij Macambira nam haar tussen de doornen en witte bloemen van de Xique-Xique, zodat ze pijn voelde... genot en pijn, het sadisme was in de duivel getreden Macambira! Ja, spuw maar op me als een kotsmisselijke vermomde demon, maar ik, die uiteengescheurd zal worden door edele dieren, zal spreken! ja... mijn wijze van spreken is de waarheid en u weet het senhor. U weet dat ik de zuiverheid verkondigd, daar ik u vele malen de waarheid zei en deze ook uitkwam... net zoals ik u nu kan zeggen dat u binnenkort gedood zult worden door een man vol haat, die de macht over de bende wil bezitten! ja, ik weet dat je me dood wil hebben Alfredo Macambira! Ik weet dat je de duivel bent in eigen persoon... De Godslasteraar en verkrachter van kinderen! God vergeve me! ja, je bent slechter dan de meest bedorven aasgier! Je stront stinkt naar het verscheiden! Ruikt u hem niet mijn eerwaarde senhor Catunda? Dood mij maar senhor Catunda... mijn lot ligt in uw handen, maar ik ben niet bang voor de dood... noch voor het leven!'
'Ja, mijn beste senhor Catunda... ik trok naar Juazeiro do Norte en werd verliefd op Celeste en huwde haar. Doch ze werd snel ziek en stierf aan pokken. Later ontmoette ik een oude man genaamd Monteiro. Hij leerde me schrijven en lezen. Ik ging studeren en boeken lezen en was intussen 20 jaar oud. Wat moest er van mij terechtkomen? Ik leerde en leerde en vertrok naar Recife. De stad met de vele bruggen en daar leefde ik 20 jaar van mijn leven senhor. O Plato! Waar zijn de draden der uwer gesponnen woorden... Ik verdiepte me in de leer van Kierkengaard, hij die stelde dat in de keuze de mens zijn eigen Ik vind...dat kiezen niet door de mens maar door God wordt opgedragen... in de keuze staat de mens voor God, dan pas komt naar voren hoe bekrompen wij zijn, hoe nietig, als de nietigste aardworm... Ja, het is God die onze ziel loods... Ja, beste chef, dit is wat Kierkengaard zei: 'Ik kan mij slechts als absoluut kiezen wanneer ik mij als schuldig kiest!" Nu lijkt mij dat u nooit gehoord zal hebben van Kierkegaard, maar hij was een grote wijsgeer... ik las zijn werk senhor... U gelooft in God mijn vrienden? Is Hij niet universeel, het goede, het slechte... God heeft alles geschapen, de mens, zee, de rio Chico (hier mee bedoeld hij de Sâo Francisco rivier die door de staat Minas Gerais stroomt en afbuigt in Bahia naar de Oceaan.)... De liefde, cactus, droogte? Heeft God de sertâo gemaakt om de mensheid te tonen dat alles betrekkelij is? Waarom moeten we lijden? Creeërde Hij ook niet de Satan? Heeft God deernis? De wildernis van noordoost Brazilië, mijn senhor Catunda, is de wereld, een alles omvattend geheel. Heeft Hij niet gekozen voor de situatie waar ik mij nu in bevind? Waar in in verkeert? Wat denkt u geachte chef? De draad van het leven is dun, heel dun, vrienden."
En valt weer een korte stilte, misschien twintig tellen...
'Ik ging weg uit Recife daar ik de drang kreeg iets te doen voor de veroordeelden in het binnennland en kwam in contact met Josno Tavares, een bandiet die een bank had beroofd in Recife, en hij zag mij als een voorbeeld, een krankzinnige filosoof. Ik ging met hem mee en kwam tercht in Concurso en werd advocaat. Letterlijk de duivel van Tavares. Hij deed in opkopen van goud uit de mijnen van Bahia. Daar werd ik beschuldigd van paardendiefstal zoals ik u al vertelde. De ware paardendief was Tavares geweest, de gadverdomde ploert. Hij had het ros verhandeld en mij erin geluisd en verrraden aan Chico de Ossenkop. Dus... in het bos stonden de paarden te stampen en proesten met schuim op hun muilen, klaar om me uit elkaar te trekken. Dan kwam ik bij bewustzijn. Ik hoorde schoten en dacht wederom in onmacht te vallen. Ja, het was de bende van Padua, die de bende van Ossenkop griefde en vernederde, ze overhoop schoot als waren het pispalen, waarna ze mij bevrijdden en mijn riemen losmaakten. Zo werd ik gered van vierendeling. Was het een God oordeel? Ik geloof in deze dingen mijn achtenwaardige senhor Catunda. Ik geloof in de heilige drie-eenheid en de stemmen van de Orixa's, de heiligen van het Candomblé. Ja, vaak sprak ik met hen en ze gaven mij kracht en wijsheid. Gelooft u mij senhor? Maar toch vroeg ik me steeds af: waarom werd mij het leven teruggegeven? Ja, het leven is een gift, en zo kwam ik terecht bij de bende van Padua en werd zijn raadsheer...' U vraagt mij of het een eer was voor Padua te rijden? 'Tuurlijk, in die tijd moest ik me neerleggen bij de wet van Padua, doch beste senhor Catunda, soms dacht ik, ben ik wel goed bezig? Of ik wilde overlopen? Ja, ik dacht er wel eens aan, om naar u bende over te lopen, want de standpunten van Padua waren niet altijd helder. Ten slotte wat is het belangrijkste? Nu, Padua en de zijnen waren voorstanders van de republiek Brazilië. U, senhor Catunda was tegenstander en is het nog steeds niet zo? Waarom? Wat is er veranderd? De nieuwe republiek is niet veel beter dan de oude monarchie, ziet u? De rijken van nu halen alles weg bij de armen en de armen van toen waren net zo arm als die van heden. Hier in het noordoosten van Brazilië, zeker in de caatinga (droogste gedeelte van de sertâo met doornige struiken en vlijmscherpe twijgen) kan je niet alleen leven van wat maniokmeel of quixaba (struik met grote doornen en eetbare blaren en vruchten). Begrijpt u senhor? Ze laten de arme mensen meer en meer belasting betalen, de opstanden zijn daarom het gevolg. De revoluties die waren er en Canudos was een voorbeeld. Vele cangaceiros rijden nu senhor Catunda. Het zou en voorbeeld geweest moeten zijn, doch de bendes die vechten tegen de armoede en onderdrukking zijn aan het regulariseren. Snapt u? Hoorde u ook dat de bende van Sebastiâo Pereira... Alagoas onveilig maakt? Aha, en dat er een jongen meerijdt die de duivel in eigen persoon lijkt te zijn? Hem die ze Lampiâo noemen? En een groot leider zal worden? Het is toch geen encyclopedie? Want waar vechten we voor? Gerechtigheid? Ja! Daar vechten we voor mijn beste senhor Efraim Catunda!'
Er viel weer een korte stilte, misschien tien tellen.
"...de mannen stonden geruisloos en de vrouwen durfden niet te kijken. Ik werd met handen en voeten met leren riemen vastgebonden aan het hoofdstel van de paarden. Alleen de klop op het achterflank van de paarden scheidde mij van de dood. Wat voel je als je, een geweldadige, laat ik zeggen afschuwelijke groteske dood tegemoet ziet? De dood kan zalig zijn voor sommigen, maar een overwachtse dood is als een vallend blad. Ja, de Jezuïeten leerden mij ooit dat sterven niet slecht is als het maar met een reine ziel gebeurde. Die paters waren te vroom en zochten hun uitwegen in het leven na de dood... Aha, sterven was goed als je maar goed geleefd had, met een moraal, menselijkheid, ja, dat zeiden de zwartrokken. Maar hadden 'zij' dit wel zo gedaan, was hun rol in de missiedorpen waar ze de indianen beschermden geen paradijzen voor hun lust tot de christenleer? Waarom ik dit allemaal aanhaal? Vergeef me waardige senhor Catunda. Aha, dit terzijde achtenswaardige chef. Neen, sterven is moeilijk, ten minste als je nog vele vragen in het leven hebt, als je hersencellen nog volop bezig zijn met het regelen van de deeltjes. Mag ik gaan zitten mijn geachte chef? Ik voel me duizelig... ik... dank u senhor Efraim Catunda... duizend maal!"
Er valt een korte stilte, misschien dertig tellen.
"... ik staarde naar de felle zon en opeens gebeurde er iets vreemds. Het was of ik wegzweefde, ik viel in onmacht, bewusteloos. Ver weg hoorde ik klanken van een zweverig iets, misschien vogels? Dacht ik. Ik ging een lange weg naar beneden langs manga bomen en gele struiken. Ik had een gevoel van zaligheid en kwam terecht in een kamertje dat ik me goed herinnerde. Het was stoffig en vol sfeer, het huisje van mijn grootvader. Ik zag hem roeren in een ijzeren koffieketel, en hij kookte eieren zo hard, dat ze paars werden, en zag hem kippen de nek omdraaien Ik zag de oude hond 'Jeremaya' die zich lag te krabben en vroeg de ouwe waar mijn ouders waren. Hij vertelde me dat ze vertrokken waren naar andere oorden. Ik was een wees en de oude man was mijn padre. Ik zag de koude gezichten van mannen die binnenvielen in het huisje en mijn grootvader met scherpe de kop insloegen... gerechtigheid noemden ze dit, want, zeiden ze, mijn grootvader was een dief die goud roofde van de andere zoekers. Ja, mijn grootvader was een boef. Nou ja, in die tijd was het noorden van Bahia geen paradijs en nog steeds niet en boeven waren soms gewoon goeie mensen chef.. begrijpt u? Ik was acht jaar... beste chef Catunda... ik wist te vluchten. De mannen lieten mij begaan, want de waarde van dit rotjong was miniem. Ik beklom een boom en bleef daar de hele nacht en de volgende morgen zag ik de 'rivier van de dood'. Ik was nog steeds in mijn visoen. Ik was nu ouder, achttien De indianen hadden mij niet gevonden tussen de dichte struiken... wel de mannen van een volk van zwarte slaven die in de bossen leefden en zich 'strijders van Zumbi' noemden. Een man met een rode band rond zijn hoofd sprak me aan en zei dat ik met hun meekon of mijn eigen weg gaan, ze zeiden dat ze rijke boerderijen gingen beroven en terughalen wat hun was ontstolen. De blanke zal moeten boeten! ja, dat zeiden ze senhor Catunda... Er was een neger genaamd Dodo, die zei dat ik hún amulet zou zijn, de blanke mens, want ik had iets goeds in de ogen. Doch ik besloot mijn eigen weg te gaan... en kwam terecht in een klooster van de Salesianer paters. Daar ontmoette ik een pater genaamd 'Fritz' bijnaamd 'de zwitser' en had met hem lange conversaties. De man was lang en mager en bleek zoals u nooit gezien hebt en droeg een kleine zwarte vilten pet op zijn kaal hoofd, die hij berét noemde. Hij zag dat alles in het leven een opgetogenheid was. Hij was het tegendeel van de andere paters, mede door zijn stelling dat de mens vrijheid moet hebben en een geest die beslist over het doen en laten. Wil je in armoede leven? Goed! Maar wordt dan geen geestelijke, ga en verbeter de wereld mijn zoon. Ja, dat zei de man en ik ging in een kano naar andere delen van de wildernis..."
Catunda luistert naar zijn verhaal: 'Ga je verder, of...?' En na een slok water vervolgd Francisco Gato zijn verhaal dit hem moest redden, volgens zijn zienswijze...
"... ik kwam terecht in Quixada, in Ceará. Daar werd ik in een kerker geworpen door de plaatselijke politie, beschuldigd van moord op een hoer waar ik een relatie mee had. Verbazingwekkend kreeg ik een advocaat toegewezen; Theodorus Rios, ja dat was zijn naam, een man met een lang gezicht en een dik boek. Hij vertelde dat de verdediging van het leven een harde zaak was. Hij had al velen gered van de dood, zelf parasieten, doch mijn zaak was hachelijk te noemen. Hij zei me ook dat gedroomd had mij te ontmoeten, ik, de zwerver die een hoer nam en om zeep bracht. Ik? Ik kan mij niets herinneren. Ik was de onschuld zelf, droomde ik? Neen, ik was gekomen met kano's van over de woeste rivieren en trotseerde de aanvallen van bendes en stammen. Ik zag mijn vader die zich als piraat had vermomd en hij zei: '... de zee is de veiligste plek, wordt piraat zoon, de weldoener van zijn ziel. Ga naar Forteleza, Sâo Luiz, Salvador, Ricife of Maceio en proef van het zilte water...!' Mijn vader, een gewezen boekhouder, nu piraat. Maar hij verdween weer snel, het was de lucht die stonk en '... je hebt nog de groeten van je moeder', schreeuwde hij nog grimmig. Nu, de advocaat die ik kreeg toegewezen was een goeie man, die als een schim naast de tafel stond. Hij zei me dat de mogelijkheid op redding nihil was en dat ontsnappen de enigste optie was. En daar ik zijn medeleven had hielp hij mij te ontkomen, door de bewakers de keel door te snijden. De reden voor zijn daad begrijp ik nog steeds niet en later kwam mij ten ore dat men hem, Theodorus Rios, had opgehangen. Ja, ik moest haast wel een soort charisma hebben senhor Efraim Catunda, grote leider, dat niet te verklaren was, maar dat mij wel beschutte tegen de dood. En zo wist ik te ontsnappen uit Quixada, senhor Catunda..."
"...Nu moet u weten dat Efraim Catunda een zwak had voor vrouwelijk vlees. Diezelfde nacht nog werd hij dan ook verleid door Isabella en alles kwam weer goed, en ze werd beschermd door een medaillon dat Catunda om haar gehavende hals bond met daarin een foto van zijn moeder. Gadverdomme! Voor hem 'was het duidelijk dat ik, Francisco Gato, zijn minnares had verkracht, ik, de man die hij zijn vertrouwen had geschonken als een 'allesweter, en mij toen niet doodde. Nu had die man zijn vertrouwen geschonden en daar stond in de bendewereld maar één straf op; de dood. Ik zou bij het doorbreken van de dag overgeleverd worden aan de mooie cactus. Ik zou vastgebonden verschrompellen door de zon en de armoedige hongerige sertâo-insecten. De doornen van de cactus zullen mijn lichaam folteren, net als de doornenkroon van Jezus Christus de verlosser. Ja, dat zei Catunda: 'Je zult sterven, velen malen erger dan Christus!' Ik had het niet anders verdiend. Ik was een afgebrokkeld mens, niet meer waardig te leven in deze wereld, en vooral niet in die van zijn sublieme bende. Hij vroeg mij of ik hierop een antwoord had... of ik nog iets wilde zeggen voor ik stierf. Ja, ik wilde iets zeggen, een betoog houden, want ik was niet wat hij dacht dat ik was. Ik Francisco Gato. Ik had besloten dat mijn pleitrede een goede moest zijn, overtuigend en eerlijk, gefundeerd op mijn intellect en gericht op de zwakke punten van Catunda. Ik deed mijn best. "Luister... senhor Catunda, grote chef van de wildernis, naar mijn verhaal, dan mag u oordelen. Ik zou u hiervoor ten zeerste erkentelijk voor zijn. Ook de andere mannen mogen luisteren en hun oordeel geven, dit naar hun eigen geweten. Maar dat van u, geachte leider van de bende zal doorslaggevend zijn, want u bent de grote wijze chef. Ziet u, het leven is een dunne draad als die van en gesponnen web, en ik weet dat u vaak gevangen zat in webben en dat u er steeds weer uit wist te ontsnappen... Neen, niet alleen door kracht, doch mede door slimheid. Ja, u bent een waardige man, listig en mentaal geruisloos als een hongerige panter. Ik zeg u, ooit werd ik veroordeeld daar ik iets gestolen zou hebben, een paard. En wat is er erger dan het stelen van een paard? Het was een mooi ros met lange rode manen, en hoe gaarne ik het ook wilde hebben, ik was niet de schuldige. Ik werd veroordeeld tot invierendeling door paarden. Dat was twaalf jaar geleden senhor, toen u senhor Catunda nog niet samen reed met Padua. Ik was toen een nederige funcionaris in het gehucht Concurso. Ik was een eerlijk man maar het lot bepaalde anders. Ze brachten naar de plek in het woud. Het waren de mannen van de bende van Chico de Ossenkop, herinert u zich die benden senhor Catunda... mijn beste...? Chico de Ossenkop? ja, hij was een beul, een slecht ens. Hij wist ook dat ik het paard dat hém toebehoorde niet had gestolen, maar hij moest een slachtoffer hebben en had een hekel aan mijn schranderheid en daarom werd ik uitgekozen en veroordeeld tot het uiteenrijten van mijn ledenmaten..."
KORT VERHAAL 'HET DOORDACHTE PEIDOOI VAN FRANCISCO GATO' door Storyteller deel 1
Voor ik de reis voortzet op weg naar de 'Zeven Steden' in de staat Piauí, wil ik met een kort verhaal aansluiten op het 'cangançeiro' item. Dit verhaal komt uit mijn boek ''Zoals de doornen van de Xique-Xique" 2002.
illustratie: Alfredo Aquino
Het is 1920. 'Ik ben ter dood veroordeeld. Ik, Francisco Gato. Morgen, bij het opkomen van de zon zal ik op een Xique-Xique cactusbed geworpen worden. Men zal me vastbinden op de rotsachtige grond en ik zal langzaam sterven met de doornen van de mooie cactus in mijn tere lijf. U zult zich natuurlijk afvragen wat de oorzaak is van dit geweldig ongerief. Ongerief? Laat ik het liever een kwelling noemen. Neen, ik was niet bang voor de dood, maar wilde waardig sterven, niet als een bandiet, die het niet verdiende. Ik was fout, laat ik zeggen, verrast door lust en vlees. Diegene die me liet doden was Efraim Catunda. Luister... Ik was ooit lid van de bende van Silva Padua. Het verschil tussen de bendes was dit: die van Catunda vocht voor de armen, tenminste dat zei hij, en tegen de grootgrondbezitters, die hier op de grens van Piauí en het westelijk puntje van Pernambuco de macht hadden. De Fazendeiros, de grootheren in hun pompeuse villa's en landerijen vol met suikerriet en vee, waren de heilige voorstanders van de republiek van Brazil, net zoals Padua. Aha, hier komt het toegangkelijk punt; politiek! Doch Efraim Catunda was van een ander kaliber, een spartaan, hard en meedogenloos. Hij stelde, dat de republiek een belediging was voor het volk. Er moest weer een keizerrijk komen in Brazil, ja, een macht van deugelijkheid. Het probleem van de slaven bleek eveneens niet te werken. Waar zijn de vrije slaven? Aha, velen zeiden dat ze het beter hadden toen ze slaaf waren. Catunda was ook de vriend van de heerboeren, ten minste als ze voor hem beefden en betaalden, want zijn bende was berucht. De strijd, heeft zich niet alleen politiek ontwikkeld, maar is ook een conflict geworden tussen de bendeleiders, zij, die vroeger samen reden tegen de onderdrukking van het kapitaal. Luister; op en dag vond er een strijd plaats te Paulistana, daar bij de bergen, die men 'de twee broers' noemt, tussen de bende van Padua en Catunda. Het was een harde confrontatie, geloof mij, en aan beide zijde vielen tientallen doden. Ik overleefde het en werd gevangen genomen, daar Efraim catunda wist dat ik een soort 'raadgever' was, doodde hij mij niet. Ja, ik was een inschatter van dingen die Catunda vermoedde en waar hij geen raad mee wist. Hij kende me van vroeger, want ik reed toen samen met hem én Padua. In zekere zijn werd me vergiffenis geschonken als ik me zou aanpassen aan het regime van zijn bende. Kijk, politiek gezien intereseerde het mij totaal niet, want beide partijen, waren een grote diepe put wat betreft het probleem. Er was maar een standpunt en dat was macht. Sommige mensen willen alleen macht! Ik had Padua, waar ik toen voor reed, er vaak op gewezen dat de strijd hopeloos was, die de bende's totaal niets opleverde, niet voor het keizerrijk, noch de republiek. Ook Efraim Catunda had ik nadien vele malen onder vier ogen erop gewezen dat de armen beter af waren als de twee bendes samen gingen, en een deal sloten, om samen te vechten tégen de macht van het grootgrondbezit en kapitaal. Doch, luister goed, het leek vaak alsof ik tegen een mandacaru (reuzencactus) stond te lullen. Dus... Ik werd geaccepteerd door Catunda, ik werd zijn raadgever, ja, tot het meoment dat ik de grote fout maakte en capituleerde. Ja, ik noem het nondesju capitulatie! Voor het vlees van Sinha Isabella. Als ik op dit trieste moment aan haar denkt dan wordt ik weer warm van binnen en krijg ik dat tintelend gevoel in mijn genitaliën. O mijn God! Sinha Isabella. Ja, het euvel was; ze bleek de enige vrouw in het kampement én de minnares van Catunda. Laat ik stellen; zijn persoonlijke vleesklomp, want liefde bleek uitgesloten, aldus volgens mijn kijk op de wereld. Ik moet toegeven dat ik haar geneukt hebt en zeer genoten, doch ik was het niet die haar verleidde. Zij, de goddelijke vrouw was het die mij inpalmde en me meenam naar haar grondbed, toen de bende uit was gereden om een overval op een naburige grootgrondbezitter te verwezelijken. Alleen de ouwe doofstomme Juan Lombo was achter gebleven en lag te doezelen in het maanlicht. Isabella nam me en ik kon het niet helpen. Ik wist dat het en uitdaging was, een gevaar dat mijn dood kon betekenen; doch waarom is het vlees zo zwak? Waarom wordt een gedeelte van de hersenkwabben uitgeschakeld? Die van het achterhoofd geintensiveerd? Ik werd bevangen door het begeerte-syndroom; mijn dierlijke impulsen kwamen bij me boven. Ik had alleen oog voor de lust, en vergat de wereld rondom mij. En, vergeef me God dat dit een zwakte is van de mensheid. Sinha Isabella was, laat ik zeggen een 'waar genot' en zij genoot als een vrouw die haar eerste orgasme bereikte. Neen, ze was als een ratelslang en bereikte dit al snel de de geringste aanraking van haar hals, oren tepels of haar clitoris. Ze was de merrie van de sertâo en ik genoot intens en was nog nooit zo gelukkig in mijn gevoel, dat misschien de oorzaak was van spanning en avontuur, dat in mijn leven een beduidende rol speelde, als wel de mogelijke onverwachtse terugkeer van Efraim Catunda. Wat ook gebeurde, ik lag verstrengeld en mijn orgasme leek onuitputtelijk, ja, verder dan de ondergaande zon of de stroom water die de Sâo Francisco meevoerde. Ik hoorde van verre het paardenhoeven geroffel van de bende, maar ik verloor me in haar, en zij? Ze was doof en blind en alleen haar clitoris was het mikpunt en ze schreeuwde: ' O mijn liefde... mijn hart.... mijn Francisco Gato! Ik wil een kind van je... je bloed!' En zo werd ik gevangen in de grote web met mijn zwaard in haar schede. Ja, zo gebeurde het. Het was Catunda die mij persoonlijk van haar aftrok, en hij sloeg me hard met zijn rijzweep in het gezicht zodat het een bloedmasker werd, waarna hij tegen twee van zijn mannen 'luciferdoos' en 'Dikke Jan' zei me vast te binden. Aan Isabella vroeg hij uitleg en sloeg haar langdurig zodat haar mooie gezicht veranderde van schoonheid naar een bloedig geheel dat vele littekens naliet. Ze vertelde hem dat hem dat ik haar verkracht had. Ja, de hoer, vergeef me dat ik nu mijn eerder genot zo omschrijf, wat er bestaan ook goede hoeren, lieve onschuldige vrouwen, maar zij was ... een negatieve hoer, een onderdanig egoïstisch stuk vuil!..'
Ik had besloten morgen de bus te nemen naar Forteleza, en gezeten op een moto-taxi rijdt ik naar het rodoviaria enkele kilometers buiten de stad. De motorboys brengen je voor 1 real naar alle uithoeken van Mossoró. Ik koop mijn ticket en ga terug naar het hotel waar het een vredigheid was, net als op het plein waar ik me neergezet had op een houten bank terwijl de zon verstopt was achter wolken. Er viel een druilerige regen. Ik zie niemand en stelde me weer de vraag waar de bewoners van de stad waren. Alleen een schuchter verward meisje, zwart als een parel, die een manga schilde en die met een glimlach opzoog en het leek of wij de enige levende zielen waren op deze wereld. Zij een mens, ver weg staand in tijd en persoon van de geschiedenis, die haar eigen historie zal hebben. Ik? Een ongecompliceerde autoditactische schrijver op zoek naar een verhaal. Terug in het hotel neem ik een glas koud water uit de grote plastieke fles die de oude gast vrouw altijd klaar had staan voor haar weinige gasten. Ik houd haar gezelschap, als zij eenzaam in een hoek zit te kijken nnaar een braziliaanse soap, iets over rijke liefde en kitschachtigheid. Ik vraag haar of zij iets afweet van de geschiedenis van Lampiâo. Doch ze kijkt bedenkelijk en zegt me er wel eens van gehoord te hebben: 'Lampiâo? De... Bandito? Ik kom eigenlijk uit Recife, dus... maar Lampiâo... daar heb ik wel van gehoord... ' doch verder gaat ze niet in op mijn vraag. De vrouw die geboren moet zijn toen Lampiâo zijn roversleven begon heeft meer interesse in de novela op de televisie, die haar een onwerkelijk leven voorspiegeld, ver weg van haar eigen leven, of problemen. Als ik in de avond me terugtrekt op uit kamertje bedank ik haar voor de gastvrijheid en beloof haar ooit terug te keren naar Mossoró aan de Apodi rivier. De stad die eigenlijk door de canganceiros beroemd werd gemaakt en er op teert, of... waren het eigenlijk de gewone mensen geweest? De volgende morgen maakt ze mij vroeg wakker, een vrouw van woord, en als ik haar een half uur later de sleutel wil overhandigen voor vertrek, ligt ze alweer verzonken in diepe dromen in haar klein duister kamertje, en laat ik de sleutel maar achter op het tafeltje, gesierd met een fles water en plastieke rode rozen.
De naam van deze man is al genoemd, hij, de godsvrezende man, die net zo beroemd blijkt te zijn als de bandiet Lampiâo, thans hier in het noordoosten van Brazilië. Doch wie was deze eigenaardige persoon dan wel? Aha, dit is een uitleg waardig. In de plaats Juazeiro de Norte in de staat Ceará is hij een soort heilige. Een gegeven dat hier snel door het volk wordt opgepakt, door armoede gedreven en het geloof in wonderen. In Juazeiro leeft namelijk de mythe van het mirakel. Het was in 1898 toen er iets wonderbaarlijks gebeurde, ten minste volgens enkele vrouwen, die suggereerden dat de wijn die de jonge pater Cicero hun liet drinken in hun mond in bloed veranderde. Zou het Christus het bloed van Christus zijn geweest? Een regelrechte belevenis van het bovenmensenlijke zou ik zeggen. Het duurde dan ook niet lang alvorend de bevolking van de sertâo het als een wonder beschouwde. Anderzijds had de katholieke kerk er natuurlijk moeite mee en wilde er niet van weten. Ze konden het niet controleren dat enkele vrouwen uit het achtergebleven noordoosten van Brazilië een wonder suggereerden. De paus ontbood Cicero naar Rome, hij moest op het matje komen en, hij werd meteen weer terug gestuurd metd e mededeling dat hij tijdelijk ontheven was uit zijn ambt. Maar door de mensen uit het gebied was hij al reeds verheven tot heilig. De stad werd een pelgrimsoord en uit alle windstreken kwamen de bedevaarders. Zelfs Lampiâo is een van de bezoekers geweest zijn, maar dat had ook andere redenen. De volksbandiet moest ook geestelijke kracht opdoen, want hij was toch een devoot mens, en had een gevoelige band met Cicero. Op latere leeftijd kreeg Cicero ook een machtspositie en wist in 1913 de gouverneur van Ceará af te zetten, toen hij met zwaar bewapende mannen naar de stad Forteleza trok en daar vastberaden een plaatsvervanger aanwees, die meer naar hem luisterde. Padre Cicero was een banaal conservatieve kerkgezinde persoon, die zijn volgelingen ervan weerhield in hun progressieve houding. Eens gebeurde het dat hij, toen zijn revolutionaire volgelingen probeerden een geloofsgemeenschap op touw te zetten in het naburige Calderâo, hij het leger er niet van weerhield de luchmacht in te zetten. Volgens de boeken was dit een van de eerste bombardementen op burgers in Brazilië. In 1926, de priester Cicero was toen al 82, ontmoette hij Lampiâo. Dit gebeurde op verzoek van Cicero zelf. Doch er werd niet veel gerucht aangegeven daar het een gevoelige kwestie was; een geestlijke die danige contacten onderhield met een bandiet. Cicero had tevens de politie van Juazeiro aangeraden niets te ondernemen tegen de bende van Lampiâo. Bij die occasie schijnt Lampiâo Cicero beloofd te hebben zijn bandietenleven te beeindigen en zich terug te trekken uit het noordoosten. Doch een andere reden was van meer belang voor de 'lampion', want Cicero had er persoonlijk voor gezorgd dat hij een soort vrijbrief kreeg in naam van de regering van 'De Verenigde Staten van Brazilië', waarbij Lampiâo werd benoemd tot kapitein van het bataljon van de patriotten. Hoe dan ook het 'paspoort' bevatte dat Lampiâo en zijn bende vrij konden trekken van staat naar staat, met het patriotisch bataljon, op jacht naar 'opstandelingen'. Ja o ironie, lampiâo en zijn bende ontvingen zelfs uniformen en... voor de bandiet het meest interessante: nieuw automatische mauser wapens van het leger. Met vreugde wierp de bende haar oude winchester geweren tussen de cactussen, want ze waren nu goed bewapend om verder te trekken voor de strijd. Na de 8ste maart 1926, toen Lampiâo padre Cicero de afscheidshand schudde, dacht hij vaak aan de belofte die hij gemaakt had om het 'bandietenleven' vaarwel te zeggen. Het liep allemaal anders. En Padre Cicero? Die leefde nog 8 jaar en stierf in 1934. Niemand aanvaarde dit en geloofde dat hij werkelijk dood was. Duizenden mensen liepen langs zijn huis, waar men zijn lijk aan de deur had vastgebonden, om de massa te laten zien dat het geen hersenschim was, en dat padre Cicero morsdood was. Doch de mythe leeft voort. Zeker in Brazilië.
Kolonel Fernandes, de burgervader van Mossoró, blijft alleen achter in het stadje samen met gewapende mannen, terwijl de overige bewoners al daags tevoren Mossoró verlaten hebben; de meesten namen de oude trein naar de kustplaats Arreia Branca. Lampiâo weet wat hij wil en schrijft een brief naar de burgemeester, hij wil geld, liefst 600 contos de reis, een boel geld in die tijd. Fernandes geeft hem als antwoord dat er geen papieren geld aanwezig is, alleen maar zilverstukken. Dit maakt van lampiâo een duivel en valt aan. Zijn bende bestaat uit 52 man; onder hen namen die men vreest in het noordoosten zoals: Sabino, Moreno, Massilon en Jararaca. De bandieten zijn verdomd goed bewapend met o.a fuzis, type Mauser 1908. Ook aan munitie is geen gebrek, en ook zijn ze goed geinformeerd betreffende de situatie in de stad en bezitten enkele reserve paarden. Wat Lampiâo niet weet is dat die dag, de 13de juni,geeërd wordt aan Santa Lucia, de patroonheilige van Mossoró en de Heilige van de ogen. Lampiâo had ooit gezworen nooit een stad aan te vallen waar Santa Lucia beschermster van was, daar hij zelf het licht miste in het rechteroog, dat hij verloor bij een gevecht met de politie, toen hij zijn gezicht in een cactus stootte. Buiten dat werd Mossoró óók nog eens beschermd door de heilige Antonius, dus een zware klus voor de bandieten, die bijgelovigheid vaak verwaarloosden. Met andere woorden'superstitie' kan soms helpen. Soms, daar waanvoorstellingen soms bewaarheid worden. Het wordt geen verassingsaanval want men wist van het bezoek van de canganceiros. De mannen hebben zich goed gebaricadeerd in de Sâo Vincente kerk, als de bende van Lampiâo de aanval begint. De aanval begint om 16.30uur in de middag. Na twee uur is het gevecht voorbij, dit door het hevige verzet van de mannen van Mossoró. De outlaws trekken zich terug met achterlating van één gewonde en één dode, Colchete, die vanuit de toren van de Vincente kerk werd neergemaaid. Lampiâo zou later verklaren nooit meer een stad in Rio Grande do Norte aan te vallen daar: ... de kerktoren en zelfs de heilige van de kerk op ons vuurden... De zwarte outlaw Jararaca is een van de gewonden en wordt gevangen genomen en naar een cel gebracht (het huidige museum waar ik het gesprek aan ga met Filomon). Daar verblijft de donkere outlaw een dag. Er wordt met lof gesproken over deze vangst want Jararaca ging door als de gevaarlijkste en bruutste canganceiro, zelfs furieuzer als Lampiâo. Jararaca wordt in zijn cel door een dokter onderzocht en geinterviewd door de krant. Hij weet zijn fatum maar al te goed, maar toont geen angst of berouw, alleen zijn karma is daar om te sterven als een man. Later brengen ze hem van zijn cel naar het kerkhof, waar al een graf gedolven was. Als hij voor de kuil staat wordt hij neergestoken met een mes en in het gat geworpen, waarna hij, al stervende nog enkele kogels krijgt. Volgens insiders verdiende hij niet anders. Doch Jararaca wordt een mythe, een soort half-heilige voor de arme bevolking, een martelaar en elk jaar komen er duizenden zijn graf bezoeken dit dan overstelpt wordt met bloemen. Lampiâo weet met de rest van de groep te ontsnappen en vlucht richting Ceará, ondertussen plunderend, verkrachtend en dodend, de wraak. Zijn overvallen gaan door. In 1929 ontmoet hij Maria Gomez de Oliveira, oftewel Maria Bonita, zijn grote liefde, die zich aansluit bij de bende. Ze krijgen één kind in 1930. Zij, Expedita groeit op bij kennisen, en met droefheid laat Maria haar achter. Haar meenemen door de sertâo zou een hel zijn voor haar en een ongemak, zei Lampiâo. Voor Maria Bonita had Lampiâo een soort respect, en vaak werd door haar toedoen het leven gespaard van mensen, die anders hun hoofd werd afgehakt door Lampiâo zelf of een kogel door het hoofd geschoten. Doch liefde en het canganceiro-leven vindt een eind in 1938 bij de grot van de plaats Angicos in de staat Sergipe. Daar worden ze, door verraad, verrast door de militairen van de Alagoas politie onder leiding van Joâo Bezerra, een nietpluis figuur. Sinds lang maakte men jacht op de bende van Lampiâo, en ook de toenmalige president Vargas gaf duidelijk te verstaan dat deze man moest worden opgeruimd. Basta! Daar bij die grot sneuvelt Lampiâo samen met Maria Bonita en zijn bendeleden, Luis Pedro, Mergulhâo, Eléctrico, Quinta-feira, caixa de Fosfóro, Adilia, Cajarana, Diferente en 23 andere outlaws die als, volgens berichten, vrijwillig meereden.
Angicos 1938 uit 'Como dei Cabode Lampiâo' van Joâo Bezerra 1983, één van de velen verhalen van het laatste gevecht, ik citeer: "Om en dwaalspoor te leggen doen de bandieten dierengeluiden na en dragen zij omgekeerde zolen met de hak aan de voorkant. Maar een kenner weet beter en een goede spoorzoeker herkent de richting waarin mensen door deze stervende vegetatie zijn getrokken; aan wat hij ziet, een gebroken takje, een verschoven steen, en aan wat hij ruikt. De bandieten zijn gek op parfum. Ze gooien het met liters over zich heen en deze zwakheid verrradt hen. Sporen en geuren volgend komen de verkenners bij de shuilplaats van de aanvoerder Lampiâo, en na hen de rest van de soldaten. Zij kruipen zo dicht bij dat ze Lampiao en zijn vrouw horen ruziën. Mooie Maria scheld hem uit, terwijl ze op een steen voor de ingang van de grot gezeten de ene sigaar na de andere rookt en hij vanuit de grot droefgeestig antwoord. De soldaten zetten de mitraillieurs op en wachten op de order om te vuren." De waarheid van dit verhaal moet gezien worden uit het oogpunt van Bezarra, die zich als een held gevoeld moet hebben na de dood van Lampiâo. Na gedood te zijn door tientallen kogels met Maria die bovenop hem ligt en zijn hand vast klemt, worden hun hoofden afgehakt en vertoond aan het volk. Dertig jaren later zijn de hoofden, op sterk water, nog te zien in het Nina Rodrigues museum te Salvador. De tengere bandiet, met zijn ijzeren bril en de typische nordestino kap (een dwars gezette hoed met aan de voorzijde een band beslagen met zilverstukken ging de geschiedenis in als een gerechtigheidsstrijder, een soort Braziliaanse Robin Hood, beschermer der armen, waar men liederen over schreef; zoals de Amerikaanse zanger Tex Ritter, die zelfs een ballade aan wijdde, want in de states zagen ze hem wel als een Jesse James. Doch ook was Lampiâo een dictator geworden, geleid werd door compromissen met sommige corroneis, grootgrondbeztitters van de sertâo. Hij bouwde een reputatie van een meedogeloze killer, die geen enkel probleem had zelfs de armste boer af te troggelen. Er zijn verhalen die zeggen dat hij diegene die hem beledigde zwaar strafte. Zo was er ooit een oude vrouw die hem vervloekte zonder te weten wie hij was. Ze werd naakt de doornestruiken in gejaagd, waar ze moest dansen dat de dood er op volgde. Diegene die hem trouw waren werden beschermd, anderen vervolgd tot in de dood. Anderzijds was hij een charmeur tegen over vrouwen, en een bende lid die een vrouw iets aandeed werd meteen gedood. Hij gaf de armen geld om het leed te verlichten, hij was verworden tot een soort weldoener/duivel figuur, ook gemaakt door de het verleden en de ongerechtigheid dat zich steeds meer verspreidde in het arme noordoosten, de expolotatie door grootgrondbeztitters (hetgeen vandaag de dag niet veranderd is) de uitbuiting, de sociale afgrond en de opstand. Het was méér dan een sociaal geval, het was de onberekenbare macht van de rijken, die mensen als Lampiâo maakten, zij die er moesten zijn, er nog steeds zijn. Virgulino Ferreira da Silva ging ver, te ver misschien en dwaalde af van zijn doel gerechtigheid, of was het gewoon de wraak om zijn vermoorde vader en broer Antonio (die met hem streed en werd gedood)? Want was hij niet ooit een gewone jongen die werkte op zijn vaders boerderij? Of was het zijn destinatie, zijn lot, dat ieder van ons in zich draagt sinds zijn geboorte? Voor de historie dwaalt zijn geest nog immer rond boven de drooge sertâo en danst hij al schietend rond de cactussen, want zoals in vele liederen en 'literaruur van de Cordel' rijmen werd hij nooit toegelaten tot de hel, want daar was hij zelfs te bruut voor, en men zegt dan ook dat de Lucifer hem terugstuurde naar de woestenij van Noordoost Bazilië, waar zijn geest nog steeds parten speelt.
wordt vervolgd....
Maria Bonita
Met Maria (rechts) en andere strijdster
Virgulino
De hoofden van gesneuvelde canganceiros, onder, midden tussen kappen Lampiâo, er boven Maria Bonita
penschets van Lampiâo
Canganceiros
bijlage: Een nog jonge Jararaca Bende van Lampiâo Cover van Cordel (Nooroostverhalenblad) Lampiâo maakt rotzooi in de hel
Ik ga op zoek naar de geschiedenis van Lampiâo. Er is veel over geschreven en mijn relaas zal helaas te kort zijn om deze outlaw te omschrijven. Doch ik probeer een goede impressie te geven van deze peroon. Allereerst het 'Museu Histórico Lauro de Escosia'. Dit is gehuisvest in een oud pand, d.w.z een laat 19de eeuws, dat nog dienst deed als petoet. Boven is er een ruimte ingericht voor de geschiedenis van de canganceiro, en Lampiâo in het bijzonder. Waarom? Wel, deze struikrover, nou is dit een te minne benaming voor deze persoon, overviel met zijn bende de stad Mossoró op de, voor de stad zeker, belangrijke dag, 13 juni 1927. In het kleine museum ontmoet ik Filomon Rodriques, een diep zestiger en lid van de sociëteit die zich bezig houdt met de studie over het fenomeen Cangaco. De man is vriendelijk en open en verteld honderd uit over het item, daar ik hem vertel had dat ik een schrijver en free-lance journalist ben uit het verre Holanda en geintereseerd in de gebeurtenissen. Eerst de betekenis van het woord Canganceiro: in de dictionair van de Braziliaans Portugese letterkunde staat vermeld: Cangaco, s,m = de wapenen van de Canganceiros; bende van Cangaceiros, leven of handeling van Cangaceiros. Cangaceiro = Bandiet van de Braziliaanse Sertâo. Duidelijk moet gesteld worden dat de hier bedoelde bandiet exclusief betrekking heeft op het noordoosten, een fenomeen typisch voor deze streek waaronder geografisch de volgende staten vallen: Ceará, Rio Grande Do Norte, Paraíba, Pernambuco, Alagoas en in zekere zin Sergipe en Bahia. Wie was die lampiâo? Men zegt dat hij zijn bijnaam te danken heeft aan de legende dat hij zodanig en veelvoudig zijn pistool gebruikte, dat de loop roodgloeiend werd gelijk een lampion. Hij werd geboren in 1897 als Virgulino Ferreiro Da Silva, in het binnenland van Pernambuco. Zijn leven was eenvoudig en was bedreven in kleermakerij. (men zegt dat hij later samen met Maria Bonita hun canganco out-fit ontwierp) Zijn vader, die een klein farm bewoonde, werd vermoord door pistoleiros ingehuurd door rijke grondeigenaren waarmee hij problemen had. Dit was de aanleiding voor wraak, voor de toen 17 jarige Virgilino en zich aansloot bij een bende 'canganceiros'. In 1922 heeft hij zich opgewerkt tot leider van een bende en zijn strijd tegen politie, grootgrondbezitters en overheid neemt aanvang. Ook iedereen die hem iets in de weg probeert te leggen of zich verzet tegen zijn ideeën wordt uit de weg geruimd. Zijn grootste vijanden zijn de rijken, die op hun beurt weer 'jagunços' inhuren om hun te beshermen tegen de aanvallen van de outlaws. Doch wie dan ook de moed nam de canganceiros uit te dagen werd vervolgd en gemarteld of naakt tusen de catussen geworpen of als hij niet dat geluk had, de keel overgesneden of gedood met enkele kogels. Het is ook de tijd dat Luiz Carlos Prestes, revolutionair en communistisch politicus, de regio wil besturen, (dit is een verhaal op zich wat ik misschien later op in ga) waarbij de regering via tussenkomst van Padre Civero steun vraagt aan Lampiâo. Ook padre Cicero, (hier kom ik later uitgebreider op terug) is een afzonderlijk verhaal, een soort heilig verklaarde conservatieve blauwogige priester uit Juazeiro de Norte. Virgulino maakte gretig gebruik van het aanbod, want zijn bende kreeg wapens en munitie in overvloed. Er volgen velen overvallen. Er is een boek apart over te schrijven, maar dit zou een te grote tijd vorderen. In 1927 valt hij Mossoró aan. Terug naar Filomon Rodrigues en ik vraag hem of ' Lampiâo' daadwerkelijk een held was zoals de overlevering zegt, stelen van de rijken vóór de armen, of een gewone bandiet die wraak nam om zijn vader? Filomon: 'Wel... hij sloot zich aan bij een bende in 1917 om de moord te wreken op zijn vader... dat is hij tijdstip dat de rebel 'Lampiâo' geboren wordt. Hij is hier in onze streken samen met padre Cicero de belangrijkste figuur uit de historie. Het ging niet alleen om die overvallen senhor... neen... het had te maken met de toestand in het noordoosten... de ongerechtigheid, het socioale klimaat, er is veel over te vertellen...' We lopen naar binnen uit de brandende zon en in zijn klein bureau zoekt hij in een lade en laat me een krantje zien. Met trots verteld hij dat er ook een artikel van hem in staat: 'Hier in vindt u veel informatie en achtergrond over de canganceiro, lees het maar eens door...' Zijn artikel is wetenswaardig genoeg om een beter beeld te krijgen en is getiteld 'Caso Sociológico', een maatschappelijke stand van zaken. Hij verteld in zijn verhaal dat er veel is geschreven over Lampiâo, de chef van de groep, die zich liever 'Capitâo' was gaan noemen. Hij werd de leider in een een tijd die gemarkeerd werd door sociale ongerechtigheid, armoede en honger. Een tijd dat ook politiefunctionarissen en 'coronéis' (grootgrondbezitters), zich verborgen onder de dekmantel van de canganco om hun eigen bestwil, want ieder beefde voor de bende van Lampiâo. Voor sommigen was hij een bandiet, een koelbloedige killer, die mensen die hem niet aanstonden onthoofdde of een kogel door zijn hersenen schoot. Voor anderen was hij een held, die de armen hielp, het blijft een sociaal vraagstuk, doch mét de nadruk op het barre ongerechtige leven in de sertâo als uitgangspunt. De 13de juni 1927 is echter de datum die men in Mossoró nooit meer vergeet als de bende aanvalt.
wordt vervolgd...
Lampiâo
bijlage: krant uit Mossoró over de Cangaco, die ik kreeg van Filomon Rodriguez met in het midden een foto van de burgemeester kolonel Fernandes, die de verdediging leidde tegen de aanval van de outlaws... De Sâo Vincente kerk, waar de verdedigers van Mossoró zaten, en waar men rechtsboven/midden nog de kogelgaten ziet van de strijd, er werd me verteld dat deze zorgvuldig worden bijgehouden...
De stad ligt dus op zo'n 275 kilometer verwijderd van Natal. De busrit is ongeveer 5 uur, een unieke door een gebied dat ik kenschetst als verdrietig en eenzaamheid. Ja, eenzaamheid, waar alleen de duivel danst met een gevallen engel. Een ruw gebied met wel vier meter hoge catussen, die als heersers in het droge rijk staan. Hier is het gebied vlakker dan de zuidelijke sertâo, die vol is met caatinga, de deerniswekkende vegetatie met zo nu en dan een heuvel of rotsformatie. Het gebied van de kleine hagedissen, de armoede waar geen mens eigenlijk behoefte heeft te leven. Doch ook hier leven de mensen in hun schamele hutjes, verweg van het andere Braziel, dit van de grote steden en luxe stranden, daar waar men hoofdschuddend de wildernis-blues van zich afschud. De bus rijdt over een redelijk geasfalteerde weg richting stadjes als Lajes en Angincos, over de rio Açui bij de plaats Açu en dan verder naar Mossoró, waar de rivier met dezelfde naam doorheen stroomt. De bus, nou moet ik zeggen de eerste die ik kon krijgen in Natal, is behoorlijk comfortabel, met zelfs airconditioner en televisie, alwaar ik zelfs een show van Frank Sinatra op zag , een ongeoorloofd toezien, een contrast te meer met de buitenwereld. Normaal neem ik zo'n bus niet, maar ik moest weg uit Natal, je betaald er gewoon iets meer voor, maar het geeft een contrast met de woestenij rondom. Op de zijflanken staat de naam van de bus Aguia Branca, de Witte Adelaar, het kan bijna niet abstracter, en de woestijngeesten beloeren me van alle kanten, als de bus door de droge vegetatie vloeit en cactussen lijken als groene stekelige pionnen van het duivelse schaakspel. Aan de andere zijde van de busgang, naast mij, zit een bevallige, nou ja,laat ik haar omschrijven als een atractieve vrouw, gekleed als een dame, die zeker niet met een ganganceiro-bende zou rijden. Ze is in gezelschap van een jongen welk zijn leeftijd moeilijk te schatten valt, hij kan zowel 15 zijn of 45. De jongen is iets pueriel, en gekleed in een deftig beige kostuum. De vrouw koestert hem als een moederdier, en hij strekt zich uit op de bank en legt zijn hoofd in haar schoot. Later komt hij weer in mijn voorstelling als ik een foto zie van Jararaca, de kleine outlaw en vriend van de bandiet Lampiâo. Overeenkomsten zijn soms hersenschimmen, maar hier, in deze sertâo weet je nooit. Is hij een nazaat van Jararaca? Een incarnatie? Gelooft u in incarneren? Als u ziel eerst naar het grote zielennest vliegt (dit is wat men veronderstelt in de cultus van de Candomblé), en daar wacht op de juiste carnatie, in een lichaam dat U geest draagt? En het goede keert terug in het goede, en het slechte zal wederkeren in het slechte. Ineens gaat de zon onder en de duisternis valt over het landschap alsof God, als Hij existeerd hier in dit gebied, een grote doek werpt over de rode ploert. We naderen Mossoró, een naam die de stad ontleent aan de Monxorós-Indianen. Deze werden merendeels uitgemoord, en hebben zich verder vermongd onder de nordestinos. Het rodoviaria (busstation) ligt aan de rand van de stad, doch de bus rijdt eerst door het centro. Midden in het hartje stap ik uit en het jonge blanke meisje naast mij zegt me vaarwel. Ik zou haar nooit meer terug zien, en zo gaat dit met de meeste mensen die ik ontmoet op mijn reizen. Ze vervagen als in een opkomende nevel. Ik bevind me aan de avenida Augusto Severo, het blijkt de hoofdstraat. Ik ga op zoek naar een slaapplek en slenter door donkere straten en over verlichte pleinen. Ten slotte kom ik terecht in een kleine pousada in dezelfde straat, waar een oude vrouw op het stoepje zit voor de ingang en op mijn vraag of er een kamertje vrij is, knikt ze positief haar doorgroefd gelaat. Ze is vriendelijk en glimlacht als een oude vervallen engel van de sertâo. Haar naam is Delmira. We lopen door een lange witte gang, een trap op en naar een kamertje dat vuilwit gekalt is. Er is een douche, dat wil zeggen een loden pijp die uit de muur steekt. Ik ben weer tevereden, de prijs is 7 reais (nu 2,5 euro) Het goedkoopste tot nu toe. Er blijkt verder maar een gast te zijn. Ik draai voorzichtig aan de knop voor de propeller die aan het plafond bengelt en hoopt dat het ding niet naar beneden donderd. Delmira kijkt goedkeurend toe. Er hang ook een waslijn dwars door de kamer, boven het schone bed. Ik vraag de vrouw of er een goedkoop eethuis in de buurt is en zegt me: '... moet u vragen aan de andere gast, die zo dadelijk ontwaakt. Hij gaat altijd in de avond weg, hij zal u wel de weg wijzen...' Ik neem een douche en lauw water kolkt uit de lodenpijp, rust wat uit op het oude bed en verlaat de kamer rond 9 uur voor een avondmaal. Ik ontmoet de andere gast, een mager man van in de vijftig, geagiteerd en sigaretten rokend. Hij blijkt actief te zijn in de nacht en houdt een soort aktentas onder zijn arm, dit denkelijk met zijn beroep van doen heeft. Hij brengt me naar een eethuis: 'Hier eet ik ook vaak, goed voedsel en goedkoop!' en hij is vertrokken. Ik bestel een bord rijst met bonen, farofa en salade en een pan eieren. Inderdaad goed eten voor 3 reais. Niet veel later komt een man naar binnen geschommeld, die iets teveel witte rum naar binnengewerkt moet hebben. Hij strompelt op mijn tafeltje af en vraagt water. Als ik hem het water aanbied komt de uitbater ertussen en maakt hem duidelijk dat hij water aan de toog kan krijgen is. De man wordt des duivels en zegt gediscrimineerd te worden, daar hij geen water van mijn tafel mag nemen. Ik zeg weer dat het geen probleem is, maar de barman wil er niets van weten. Denkelijk wil hij dat zijn gasten niet lastig gevallen worden. Nou ja, verdomme! Ik bemoei me er verder niet mee en de man loopt vloekend naar buiten waar hij op straat de mensen overtuigd dat hij géén water kreeg in die klote tent. Daar ik honger had laat ik niks over. Het is stil in de stad, 10 uur zaterdagavond? Er wonen toch zo'n 190.000 mensen in Mossoró, met zijn meer als 10 wijken. Ik loop terug naar het hotel, maakt wat notities en kijkt op bed liggend naar het kronkelend zoemend geval aan het plafond, als een ballarina die dronken een pirouette probeert te maken. Het is warm en langzaam val ik in een diepe slaap.
De dag erop, zondag, ben ik vroeg uit de veren en ga de straat op. Niemand, ninguem! De stad slaapt nog, doch een markt doet al zaken. Er worden groenten verkocht, gedroogd vlees, vis en medicinale kruiden. Een evangelische geloofsverkondiger staat luidschreeuwend de boodschap te verkondigen, het licht, paradijs! Ja, dat schreeuwt hij als een losgelaten carnavalsvierder en ik... vraag me af of dit alles hier wel te vinden is. Hier in de woestenij van het braziliaanse noordoosten, waar langdurige droogte het land en mensen uitdaagt en tergt, hier waar menige familie de honger tegemoet zal treden, met of zonder God.
wordt vervolgd....
brug over de Mossoró rivier
bijlage SERTÂO-nordestino bewerking Wayn verdere foto's overgenomen van Ramon Jackson (c) 2000-2008
Traditioneel sertâo huisje met stal in Rio Grande do Norte
Er werd me verteld dat er om 12.00 uur vanuit Natal een bus zou vertrekken naar Mossoró. Doch daar de bus van Canguaretama naar Natal, hier om 11.00 uur om zijn vroegst zou langskomen, was dit niet haalbaar. Er werd een kennis van Osias ingeschakeld, een automonteur, die onderhandelde met de taxichauffeur. De man zou mij, als vriendendienst, voor nog geen 6 gulden naar Natal brengen. De man vindt het maar niks, want het bedrag was niet al te opwindend (ik betaal hen natuurlijk later billijk), maar hij kon er niets tegen inbrengen. De rit naar Natal is dik 60 kilometer. Onderweg worden andere passagiers opgepikt en zo heeft hij toch een rendabele rit. De wagen is een fonkelnieuwe fiat, dus, dacht ik, het gaat de man niet al te slecht. Hij zegt me nog de gordel om te doen daar de politie hier niet mis is. Nou ja. De rit gaat via Goianinha over de Trairi rivier en langs Sâo José de Mipibu. Voortdurend kijkt de chauffeur op zijn horloge want het loop al tegen de middag. Ja, hij had een verantwoording: een 'amigo gringo' van Osias af te zetten, en een compromis is een afspraak, alhoewel dit in Braziel wel eens anders kon zijn. Ik maak de man duidelijk dat het geen probleem zou zijn als ik de bus naar Mossoró zou missen, ik zou wel een volgende zou nemen. En dan gebeurd het. Voor we Natal binnenrijden komt ons de bus naar Mossoró tegemoet op weg naar bestemming. Bij de eerste afslag draait de man als en gek aan het stuur en begint een soort achtervolging. Het lukt hem dan ook snel de bus tot stoppen te dwingen. Hij is trots op zijn kunstwerk, en voordat ik hem kan bedanken is hij al vertrokken. Bij het instappen in de bus heb ik het probleem dat ik geen ticket heb, en de vreemd kijkende chauffeur mij vervoer weigert. Buiten dat is de bus volgeladen en de rit naar Mossoró is zo'n 275 kilometer. Ik neem wel de eerst volgende bus naar en moet een dik half uur lopen naar het busstation van Natal, waar het een genoegelijke drukte is. Doorelkaar lopend mesen, die druk coverseren. Ik zie een jongeman met sproeten mensen aanklampen voor geld, sigaretten of een praatje. Natuurlijk heeft hij mij bemerkt, slentert doelbewust op me af en vraagt een cigaret. Weer krijg ik dezelfde vraag, of ik van hier kom, of van waar? Het irriteerd me soms, en plotseling vertel ik de jongen dan ook dat ik een Rus ben. ja, verdomd soms voel ik die opdwingende neiging om mijn nationaliteit te verleggen. En voor Rus kan ik zeker doorgaan. De jongen kijkt me iets verward aan: "É... é Russia... e muito longe...!" Ja, inderdaad Rusland is ver weg van het hete Braziliaanse noordoosten, en soms voel ik me die gringo die ik eigenlijk niet wil zijn. Ik zou een pilgrim willen zijn, zonder naam, op pad naar bestemmingen zonder opzet. Ik vraag de jongen of hij uit Natal komt, en geeft bevestigend zijn positief antwoord. Ik zie dat hij zijn interesse in mij verliest , want ik had hem niet direct geld geld gegeven, en buiten dat heb ik geen cigaretten, dus wat moet hij met een zodanig iemand? Een verdwaalde zonderling, een Rus nota bene? Merda! Shit! Ja, dat moet de jongen denken, en gelijk heeft hij. Want ben ik niet een soort verdwaalde filosofische antropoloog , die de mens probeert te doorgronden. Omtrent de impulsieve jongen had ik een beeld, en op dit moment niet veel belangstelling aan een gesprek Ik was blijkbaar een 'iedereen' in zijn keten van mensen die hij dagelijks aanklampte. Even later zie ik, met genoegen, dat hij wederom een juister iemand heeft gevonden voor zijn geestelijke koppeling, zijn sigaret en drank. Velen van deze mensen kom ik tegen om mijn reizen, zij die een woord nodig hebben, maar meestal geld. Zij die terecht ronddwalen in het armoede paradijs van Brazilië, want een reiziger, of minstens die kan reizen heeft wel wat losse centavos over. In de namiddag verlaat ik de stad die ik vaker met een bezoek eerde. Ook toen ik de limburgse pater Sjer Hensgens uit Kerkrade bezocht, die sind lange tijd in Natal werkzaam was onder de arme bevolking. Men noemde hem padre Pio, en woonde in een bevallig huis met langszijde een mystieke kapel en een aangrenzende kokospalmentuin. Sjer werkte in 3 parochies tegelijk, een enorme opgaven, waardoor hij vaak leken de taken liet overnemen. Hij stelde dan ook, dat het missionaris-import aan het uitsterven was, en er meer Braziliaanse paters moeten komen. Een van zijn frappante uitspraken was, dat de enigste oplossing van het onrechtvaardige probleem in Brazilië een revolutie was, naar Frans model. Voor mij een man die recht-door-zee ging! Ik wens hem sterkte. De stad Natal is gelegen aan de Potengi-rivier. Dit is het vroegere strijdgebied van de Potiguar Indianen, de invloedrijkste van de Tupi-natie waarvan sommigen zeiden: "Onmiskenbaar de oorlogszuchtigste heidenen in Brazilë!" Doch en zekere Anthony Knivet, een Engelse zeeman, had meer genadigde woorden voor de indianen; hij vond hen gedistingeerder dan andere stammen, en dat zal wel een persoonlijk opvatting zijn geweest. Halleluja! Ik ben op weg naar Mossoró. Niet zo maar; ik ben op zoek naar de geschiedenis van de beruchtste bandiet van Braziel, de roemruchtige canganceiro (outlaw) Virgilino Ferreiro, ook wel genoemd 'Lampiâo'.
Het is warm wanneer ik met Osias en Galmon, de Godspredikers, door Vila Flor loopt. De palmbomen worden beroert door een lichte oceaanbries. We bezoeken een oude open hut waar men vroeger giftig maniok bewerkte; het werd uitgeperst met een ingenieus primitief houten apparaat, daarna gemalen en later verwerkt tot farinha of koeken. Het was het al oude werk van de Indianen, dat werd overgenomen door hun halfnazaten. We lopen door de zon op weg naar het huisje van Galmon en zijn familie: 'Een geschenk van van de kerkgemeenschap en de Heer!' zegt hij, en ik heb mijn gedachten; de gemeenscahp is aanvaardbaar, maar of de Heer hier in het spel is, blijft een vraag. Je moet erin geloven. Gezegend zijn sommige mensenkinderen. Sommigen! Ja, sommigen, maar gezegend is zeker het frisse water dat ik krijg aangeboden, zaliger dan de duurste Franse wijn. Het huisje is eenvoudig, zijn vrouw gelukkig en zijn kinderen zien er gezond uit. Nada Problema, zou ik zeggen. In de middag bezoek ik Cais do Porto samen met Osias. Het is een vissersbuurt, een plek waar de arme bevolking leeft van de visvangst. Aan de 'havenstraat', een overdreven naam voor een lemen weg, spreken we met dona Rosa. Ze legt uit waarom er armoede is, en een kind komt aangschouwd met een emmer vol met mosseltjes. De vrouw zegt dat deze zuiver gemaakt 3 reais opbrengen. Ze verteld verder dat de mannen vanmorgen al vroeg in de morgen vertrokken zijn met hun bootjes om te vissen in beter water. Soms gaan ze de zee op en blijven dan 3 dagen weg. Bij terugkeer blijkt de buit soms weinig of niets. Hierdoor lijden de mensen vaak honger, het voedsel is eenzijdig: rijst, maniok en wat vis, kreeft of mosselen. Het riviertje dat hier voorbij stroomt is zwaar vervuild, ook door het afvalwater dat erin uitkomt, maar de krabben en vissen zijn er nog te vangen in het dikke bruine water, terwijl de kinderen als waterratten de hele dag spartelen in het lauwe water. De kleine van vier duikt als een otter onder en komt glimlachend weer boven. De kinderen blijken geen school te volgen; hun toekomst zal visser zijn of vissersvrouw, maar toch... lijkt het mij geen vrijgevigheid als ze lessen zouden volgen. De gemeenschap is aangewezen op zelfbehoud, het is overleven. Ze wonen in schamel hutjes langs het water, opgetrokken uit hout, anderen leem tussen een houten raamwerk. Osias heeft hier een taak om de mensen te betrekken in de gemeenschap. Als er geld is wordt er voor hen een maaltijd georganiseerd, maar er moet meer gebeuren, vooral op het gebied van educatie. Ook het planten van blad,- stengelgroentes of knolgewassen, zodat ze meer variatie in hun voeding krijgen. Ook moet er een beter systeem komen om de visvangst te stimuleren, betere bootjes, en betere organisatie voor de verkoop. Zwijgzaam volg ik Osias die met zijn video alles vastlegt. Kinderen lopen naast mij want een gringo komt hier niet dagelijks. Een klein meisje heeft een stuk verband op haar rug, een ontsteking, maar er is geen geld voor de dokter, er is geen dokter. Een andere vrouw zegt me dat er geregeld problemen zijn met huidziektes, hetgeen ook te maken heeft met het vervuilde water. Hygiëne is hier ver te zoeken en het is een strijd voor de mensen om gezond te blijven, te overleven. Niet ver van hier waar de grote stranden liggen, waar de toeristische horde in opmars is, waar geldwolven niet veel oog hebben voor wat zich afspeelt niet ver van de luxe, in deze armebuurten. Een grote opgave voor mensen als Osias om in dit gedeelte van Canguaretama waar armoede domineert redding te brengen. De wind waait door de geweldige hoge kokosbomen en jonge mannen werpen visnetten in het water, hopend op wat wat krabben en visjes nier ver van huis. Als we teruglopen naar de oude ford van Osias zie ik de kinderen nog steeds duiken in het water als verdwaalde kleine gebronste dolfijnen. Hoe ver staat de geciliviseerde, tussen hhakjes, mens af van de werkelijkheid. Zie ik de kinderen niet lachen en zich onbewust zijnde van de armoede? Ze zijn opgegroeid hier langs de rivier en hun leven is deze kleine omgeving vooralsnog, waar de bezoeker, die deze beelden niet kent, niet kan opnemen dat geluk bij minderbedeelden soms groter is als men denkt. Het loopt tegn de middag als de bonen staan te pruttellen en de farofa wordt bereidt in het huisje van Osias. Er wordt gebeden voor het eten, iets wat mij verweg bijstaat, meegenomen uit mijn eigen jeugdopgroei toen de katholieke macht het nog voor het zeggen had. Hier sluit ik uit respect voor mijn evangelische tafelgenoten mijn ogen half en zie door spleten de goed gevulde tafel die de Heer voor zijn prediker en familie heeft verwezelijkt. En ik denk weer aan het vissersdorp, waar ik toch weet dat Osias zijn best doet om op speciale dagen de mensen iets extras te geven. Amen. De volgende dag vertrek ik naar Natal.
wordt vervolgd
Straat in Canguaretama
Storyteller in de maniokhut te Vila Flor
Op visite bij een evangelisten-familie, rechts Osias de Halleluja-man
Vissersdorp 'Cais do Porto'
Zwemmen in het vervuilde riviertje bij 'Cais do Porto' het vissersdorp fotos archief Storyteller
Ja, die Maurits moet een schrander iemand zijn geweest, iemand die totaal opgetogen was over het mooie land waar hij de scepter zwaaide. Hij was de man die Recife en Olinda beeldig maakte, ook haalde hij schilders naar Brazilië zoals Frans Post, Albert Eckhout en Zacharias Wagener. Zij schilderden de eerste solide schilderijen van Brazilië, en portreteerde de Indianen op een natuurlijke manier, vooral Wagener bleek een ware portrettist te zijn. Zacharias werd geboren in Dresden in Duitsland. ging naar Amsterdam, waar hij als schrijver werkzaam was en zich het tekenen meester maakte. Op 26 jarige leeftijd monstert hij aan op het oorlogsschip 'Amsterdam' in opdracht van de WIC en vertrekt naar Mauritsstad (Recife), Maurits achterna, die het kunstenaarsschap in Braziel bevorderde. Maurits was een onorthodoxe bestuurder en dat verwoorde hij in de verhoudingen tot minderheidsgroepen, zoals Joden en Indianen. Tevens stelde hij zich gematigd op tegenover de katholieke gelovigen, hoewel hij ettelijke katholieke ordes uitbandde. Van de andere kant kreeg hij te maken met zwaar verzet der kolonisten. Zo klaagden de afgevaardigeden van Paraíba dat er een gebrek was aan negerslaven en vroegen daarom toestemming om Indianen als slaaf te kunnen gebruiken om het suikerriet te oogsten. Ook was de kolonisten-eis: dat opperhoofd Pieter Poti zou worden afgezet (al in 1625 werden belangrijke Indianen vanuit het noordoosten naar Nederland gebracht om te indroctrineren, vooruitlopend op de verovering van Pernambuco. Pieter Poti was een van hen. Hij was een opperhoofd van het Potiguar-dorp Marsurepe in Paraíba. Poti sprak goed Nederlands en streed aan de zijde van de Hollanders. Ook probeerde hij andere stammen over te halen zich aan de zijde van de hollanders te scharen.) Maar volgens de kolonisten was Poti slecht, verwerpelijk en gevaarlijk en kon een dergelijk iemand geen gezag toevertrouwd worden. Maurits had goede betrekkingen met de Indianen en liet hen in hun dorpen wonen onder eigen gezag, maar onder controle van een Hollander, die erop moest toezien dat alles op hun plantage goed verliep. Deze persoon moest tevens toestemming geven aan de suikerbazen, om Indianen te gebruiken als slaven op de suikerrietfabrieken... en een zeker toezicht houden dat ze niet werden misbruikt. Doch corruptie, die ook in die tijd tierde, deed die opzichter zijn ogen sluiten. Maurits had veel bewondering voor de cultuur van de Indianen en hij zou de inboorlingen behandeld hebben als zijn naasten. Hij liet zelfs een levengroot portret maken, waarop hij omringd werd door Indianen, doch dat leek meer op snobisme of hovardij, dan ware affectie voor de inheemsen. Alhoewel hij kwam er als integer persoon van af. Zo berechte hij ooit enkele bevelhebbers die de indianen niet naar zijn zin behandelde, maar in het Brazilië van toen werd een zodanige straf nooit uitgevoerd. Johan Maurits (ook wel de Braziliaan genoemd) werd in 1646 teruggeroepen (meer op bevel) naar Holland, daar de Heeren van de West Indische Compagnie geen geld meer wilden besteden aan het hopeloze Braziel, dat door oorlogen veel guldens gekost had, terwijl Maurits meer geld vroeg, alleen voor zijn persoonlijk cultuur inzicht. Basta! Zeiden de Hoge Pieten op zijn oer-Hollands, en de Hollandse Braziliaan moest terugkeren. De geschiedenis verteld dat hij naar de kust werd gebracht door treurende kolonisten, maar aangekomen bij het strand werden deze op zij gezet door Indianen, die Maurits op hun schouders door de branding naar de sloep brachten. Naar vijf jaren van overvallen, het platbranden van plantages en bloedbaden, konden de Brazilianen de Hollanders terugdrijven in een enclave bij Recife. De Hollanders kregen nog versterking vanuit zee, maar het einde was nabij. Het doek viel en werd beslist in twee uitvoerige zeeslagen in 1648 en '49 bij Guararape, even buiten Recife. Hier werd de legermacht van de Hollanders gebroken, maar hoe dan ook ze bleven tot 1654 bij Recife. Het einde van een droom? Nou ja, gezien uit het perspectief van de toenmalige heersers, want we weten nu wat koloniën teweeg kunnen brengen; heerschappij, onderdrukking en armoede.
wordt vervolgd...
Werk van Frans Post 1612-1680; 'Paisagem de Paraíba' olie op hout 45/33 cm archief Nationaal museum van Rio de Janeiro
Frans Post 'paisagem de Pernambuco' olie/hout, 34/47 cm archief museum der schone kunsten, Rio
Albert Eckhout 1610-1655 'Negerhoofd met Tulband' oile op doek, 58*45 cm, collectie Beatriz e Mario Pimenta, Carmargo, SP
Gedetailieerd boek over de geschiedenis van de Hollanders in Brazil 1624-1654 (oorspronkelijke titel 'The Dutch in Brazil' Ned. vert. H.G Nijk) - uitgegeven bij Atlas isbn 90 254 01953 (aanbevolen door storyteller) omslag schilderij: Albert Eckhout "Afrikaanse vrouw met kind" oile op doek, Braziel 1641
bijlagen: brasil 002 Tabakspotten van Delfsblauw 003 Hollandse 'florins' Gulden in Braziel 004 Gevelsteen uit Recife: Niet sonder Got Dans van de Tarariús schild. Zacharias Wagenaar
DE ZWARTE ARMOEDE IN 'CAIS DO PORTO' feb. 1998 Canguaretama is niet veel veranderd sinds mijn laatste bezoek 2 jaar geleden. De familie van Osias was alleen enkele huizen verder gaan wonen. Ik noem hem Osias, de hallelujaman! Ik prijs me gelukkig als ik over de weg loopt die me naar het stadje brengt. Vlinders dwarrelen rond en kleurige vogels vliegen over mijn hoofd, kinderen lopen achter me aan en mannen schreeuwen me toe om eem een bier of cachaça te drinken aan hun tafeltje. Ze vragen zich af wat de vreemdeling wel hier te zoeken heeft; langs een goed hotel langs de zee, o.k., maar hier in dit slapende stadje? Osias gaat het goed. Strijder voor zijn kleine kerk, een orgaan van het 'Assembleia de Deus', maar Osias is een goeie, meer als 100 kilo en gezond zwart hoofd. Hij woont nu in een groter huisje met een tuin die gezegend is met palm, en cocosbomen. Ook is hij in het bezit van een oude ford uit '83 en een Japanse videocamera, geschenken van kennissen, zegt hij. Nou ja, hij is een goed pratende man, die veel op heeft met de problemen in de stad en omstreken. Canguaretama heeft zo'n 20.000 inwoners en natuurlijk geschiedenis: in 1643 werd een dorp gesticht door een Jezuiët Andre de Sacramento. Veel later in 1658 werd het Canguaretama. Het overleverings criterium was Brazilhout, suikerriet, en vis. En zoals vele steden heeft de historie van de stad ook een trieste geschiedenis: het was een afgevaardigde van Maurits van Nassau, een zekere Jacob Rabi, die in 1648 arriveerde in gezelschap van Janduís Indianen. Hij gaf hun de opdracht om tijdens een mis de kapel binnen te vallen. Allen werden afgeslacht, pater en devoten, het was een bloedbad, alleen drie mannen wisten te ontkomen, om later hun verhaal te doen. De Hollanders waren toen al zeer acctief in deze regio. Ik pak het verhaal weer op, wanneer ik later met de ouwe bak van Osias arriveer in het naburige dorp Vila Flor, waar 4.000 mensen hun leven hebben, meestal armen, maar ook enkele rijke buitenlanders, die langs de zee hotels bouwen met een toeristisch oogmerk. Ik maak kennis met Galbon, een andere pastor, en rap pratende jongen. Met hem kom ik al snel op de Hollandse invloed in deze streken. Het valt me op dat de mensen hier een toch nogal positieve houding hebben omtrent de Hollanders, anderzijds probeer ik hun een meer duidelijk beeld te geven van de bleekogenende zeevaarders en landveroveraars van die tijd. Een beschrijving mijnerzijds, dit de Hollanders afschlilderd als soms onrechtschapen en hard, zonder scrupules. Ze waren ruw zoals de zeestorm zelf, die de Indianen slecht behandelde en hoofden afhakten van zwarte slaven die niet gewillig waren, waarna ze die op houten spietsen staken. Doch wie gelooft mij? Overdrijft ik? Neen, het is een bizar gegeven. Hoe de Hollanders in Vila Flor terecht zijn gekomen is dan ook terug te voeren naar de gebeurtenissen die volgen na de verloren zeeslag bij Salvador. In 1625 herroveren de Portugezen met hulp van Spanjaarden Bahia, doch de 'bleekgezichten' waren taaie kornuiten en keerde 5 jaar later terug, nu om Olinda en Recife te nemen. Ze kwamen toen niet verder dan de kuststreken en hun pogingen om Rio Grande do Norte en Paraíba te veroveren werden verijdeld. Maar in 1633 hadden ze meer succes en veroverden het fort Van Rio Grande en de stad Natal kreeg de naam Nieuw Amsterdam. tevens namen ze het eiland Itamaracá en 1n 1634 sneuvelde ook Paraíba. Het werd een strijdt tussen twee Europese heerschappijen, de slag om de macht over het suikerriet, ook met veel cynisme suikeroorlog genoemd, in een gebied waar sporadisch nog een Indiaan te zien was.
Toen de Hollanders het noordoosten zo goed als verovert hadden, en een opsomming maakten, concludeerde men dat de toestand van de inboorlingen beroerd te noemen was. Maar het erbarmen van de Indianen sloeg al snel om in een soort ontsteltenis. De Hollanders bleken verontwaardigd dat de inboorlingen werkschuw waren en hun drankzucht hoogtij vierde, maar toen het fort van Ceará in 1637 verovert werd bleken de Tupi Indianen, onder aanvoering van opperhoofd Diogo Algodâo goede ondersteuners. Doch toen het fort eenmaal verovert was wilden de Tupi alle vijanden zonder omstoot doodden en de Hollanders hadden grote overedingskracht nodig hun dat te beletten. Een van de Hollandse leiders vertaalde zijn zienswijze omtrent de TUPI als volgt: 'De mannen hebben twee of drie vrouwen en doen niets dan drinken en eten. Het hele jaar door gebruiken ze ieder soort drank dat hen dronken maakt. Ik kan zonder zonder betaling niet het geringste werk of hulp van de Indiaan gedaan krijgen. Ze zeggen dat ze voor de Portugezen niets deden en het is nog minder waarschijnlijk dat ze iets voor ons zullen doen, ook al hoort het land hun toe.' Men zei dat het voor de Indianen een baat was (hoe moet ik dat eigenlijk plaatsen?) dat de Hollanders in 1630 Johan-Maurits naar Brazilië stuurden, die de Hollandse machts kolonie gedurende zeven jaar bestuurde met een eigenzinnige en vooringenomen, bedrevenheid. Er werd een nieuwe hoofdstad gebouwd in Pernambuco met de naam Mauritzstadt. Dit is het huidige Recife. Doch Maurits zette zijn verovering voort, in het zuiden de windstreek van de Rio Sâo Francisco, in 1637 Alagöâs en later Ceará in het noorden. Toen in 1640 Portugal onafhankelijk werd van Spanje sloten de Hollanders een tienjarig bestand met de Portugezen. Doch Maurits schond dit verdrag door in 1641, toen het verdrag ondertekend werd, een legermacht te sturen naar Sergipe en te bezetten; daarnaast een vloot om Sâo Luis de Maranhâo te veroveren. Viva o Holandés!
Om vanuit Salvador in Joâo Pessoa te komen, in de staat Paraiba, moet ik twee andere staten doorkruisen, te weten, Sergipe en Alagoas. De twee kleinste staten van Brazilië. De rit doet grote steden aan zoals Aracaju, Maccio en gaat rondom Recife, de stad der riffen. (Op deze stad kom ik later uitgebreider terug). Joâo Pessoa ligt op 125 kilometer verwijderd van Recife en ongeveer 950 van Salvador en mag gezien worden als een van de oudste steden, doch tevens armste van Brazilië, maar met een onverbloemde uitstraling en één van de vriendelijkste steden met lachende opgewektte mensen ondanks de armtierige situatie. Vergeef me, ik was misschien niet lang genoeg in de stad om een ander beeld te vormen, maar dit is mijn intuïte impressie. Het is zes uur in de morgen als ik aankom op het kleine busstation gelegen aan de voorzijde van de Rio Sanhaua. Het is een en al bedrijvigheid, mensen met handelswaar en de geur van broodjes gebakken in palmolie. Daar het busstation zich in de buurt van het centro bevind loop ik die richting uit. Het middelpunt van de stad is een rond meer, dat in de volksmond gewoon 'lagoa' wordt genoemd. Rustend op een bank, zie de fotografen, die hun oude toestellen op een driepoot aan het instellen zijn. Ze doen zich voorkomen zo uit de jaren '20 te zijn verplaatst. Ik kom in gesprek met Marciano, een man van middelbare leeftijd. Hij verteld gemoedelijk over de streek en de stad, die vroeger ook genoemd werd: 'de stad waar de zon het eerste opkomt', en de armoede. Hij werkte in de suikerriet sector en heeft nu een baan als fabrieksarbeider, wat anderen niet kunnen zeggen. Er is veel armoede in de stad zelf, maar zeker in het binnenland. De naweeën van de koloniale periode blijft voelbaar, het grootgrondbezit en de daarmee verbonden kapitalistische houding van enkelingen, zij die denken dat de grond die hun Portugese voorouders ooit claimden, hen vandaag nog toebehoort, vaak zonder wettige documenten, dus illigaal. Ik heb het niet over een grote als een marktplaats, maar zoiets als 1/3 van de Nederlandse prov. Limburg. Marciano wijst me de weg verder naar het centrum van de stad, die werd gesticht in 1585 door de Portugezen, na dat ze de indianen hadden uitgeroeid en verdreven, (verdomme, ik word enigzins overvallen door irritatie, daar syeeds hetzelfde te verwoorden.) Later werden ook de Fransen die zich daar hadden genesteld verjaagd. De stad kreeg als eerste de naam 'Nossa Senhora das Neves', daarna werd het Filipeia, naar de Portugese Koning, daarna 'Friedrichstad'(?) na de invasie der Hollanders en noemde zich Paraïba na de verdrijving van de Hollanders uit het noordoosten. Ten slotte kreeg het de naam Joâo Pessoa als een eerbetoon aan een president deze uit de staat kwam en in Recife vermoord werd door een politieke tegenstander. Ook deze stad heeft, natuurlijk, haar kerken en kloosters en al zoekend naar een slaapplek passeer ik die van de heilige Franciscus, een 18eeuwse met een oriëntale koepel. Voor de kerk is een plein met in de zij-muren een soort 'alkoven' met religieuze voorstellingen. Aan het begin staat een groot stenenkruis met een interessante uitbeelding: een groep fijn bewerkte gebeeldhouwde pelikanen. Deze symboliseren Christus, want ooit geloofde men dat de pelikaan het vlees van haar eigen lichaam aftrok om als voedsel te dienen voor haar jongen en werd aldus aangeduid als de onzelfzuchtige liefde. Achter de kerk ligt het convento de Santo Antonio. Door grote bogen zie ik de weelderige tuin vol palmen gelegen rond een fijnbewerkte fontein. Hier zullen de kloosterlingen wel hun dagelijkse wandeling gemaakt hebben om hun levensbeschouwingen een doel te geven. Via enorme houten trappen kom ik, samen met een schone vrouwelijke gids bij de toonzalen. Hoge plafonds, diep bruin doorleefde jacarandahout-vloeren, die krakende geluiden veroorzaken onder mijn eveneens bejaarde sandalen. De vrouw is veertig, charmant ,klein en geboren in de stad, een echte 'pessoense' met dik zwart haar en een perzikhuid. Een ware nordestina. Ze is maar al te nieuwsgierig naar mijn persoonlijke gegevens. nou ja, die geef ik maar niet zo prijs. Toch de antwoorden op mijn vragen omtrent de cultuur van de stad moet ik aan haar lippen onttrekken, want ze blijkt meer interesse te hebben in mij dan uitleg te geven over de museum-items. Ook zeg ze dat ze nooit zal weggaan uit de stad, ze houdt van de kalmte en er is weinig criminaliteit en vooral de vriendelijke mensen. Boven komen we in een onvervalst meditatieruimte. In de ronde zijn stoelen geplaatst, niet voor een dans, maar waar de gebeden werden uitgevoerd en gezongen, liederen die de monnikengeest tot kalmte moest manen. Want, wáren ze niet afgesloten van alles wat hun gevoelens verlangde. Verlangen naar een vrouwenlichaam en liefde? In die tijd was dit uit den boze en lang, tot nu toe verzwijgt men de gevoelens van de inzichzelf gekeerde mannen, die in naam van hun geloof veel moesten verzwijgen en hun gevoelens verwerpen als ware het ongedierte. Want, zou de nordestina, die ik zo net omschreef, daar in de zaal verbleven hebben , wat zou er dan gebeurd zijn? Zou er toch die stoelendans plaatstgevonden hebben? En zou de heilige Franciscus en Antonius het schaamrood niet op hun kaken gekregen hebben?
De Franciscus kerk en het Santo Antonio klooster
In een andere zaal zie ik antieke en moderne schilderwerken, handwerk en kleurige kostuums uit de geschiedenis van noord-oost Brazilië. Zoals de gestalte van de 'Bumba-Meu-Boi' uit Maranhâo. Het beeld een stier uit, die versierd is met zwart zijde en afgewerkt met een waterval aan kitsch-robijnen. De stier is de kern van het geliefde festival dit jaarlijks plaatsvindt in de stad Sâo Luis in Maranhâo. Dan klinken de trommen en de dansers wringen zich in onontdekte artistieke bochten. De vrouw loopt bevallig naast me en blijft me vragen stellen over mijn persoon. Ik vraag haar of ze een goedkoop hotelletje weet of 'pousada' een soort herberg, voor deze gringo met zijn rode rugzak en versleten sandalen . Ze zegt me dat niet ver van de kerk een klein hotel is met de naam 'Rio Verde', waar ik maar eens moest informeren. Het is nog vroeg in de morgen en ik bedenk of ok langer in de stad zou blijven of doorreizen naar Campina grande, doch het verdiende om iets langer te blijven. Voor ik het hotel opzoek kom ik langs een schamel optrek niet ver van de kerk. Het moet ooit een belangrijk gebouw zijn geweest in de geschiedenis van het noordoosten. Het is het 'Casa de Pólavra' (kruithuis) en dateerd uit de tijd dat de Hollanders en Portugezen vochten om de macht over het suikerrietrijk. Het vuilwitte gebouw ligt op en nietig heuveltje en ziet er gehavend uit, gelijk een vervallen schuur. Binnen was het ingericht als een museum met en fototentoonstelling over de stad, begin 20ste eeuw. Het blijft altijd een interessant gevoel te denken wat men bekokstoofde in die tijd, velen dingen die het daglicht niet konden verdragen. Nu zaten er twee vrouwen druk te kletsen over de dagelijkse gebeurtenissen, en ondanks de lange tijd tussen de de 17de en 20ste eeuw is het suikerriet toch nog een belangrijke factor alhier. En zo is er ook nog steeds armoede. De vrouwen schenken niet veel aandacht aan deze stoffige reiziger, al leek ik rechtstreeks uit de woestijn te komen, die te onrustig langs de foto's loopt en bezweet heb ik een verlangen naar een stortbad en een vrouw die me met jasmijn olie relaxeerd. Hotel 'groene rivier' heeft een kamertje voor mij, is 'clean' met douche en naast het bed een kleine radio waar de Braziliaanse klanken me tegemoet komen, veelal Forro muziek. Ja, ik had wel eens in meer bizarre kamers vertoefd en hier was alles schoon, en ik schreef het lied 'Sweet, Donna, Sweet' een ode aan een vrouw in Rio de Janeiro.
Beste mensen, Op dit blog probeer ik een beeld te geven van Brazilië zoals ik het heb leren kennen. Dit doe ik door middel van reisindrukken, gesprekken, columns en korte verhalen. Ik zal nader ingaan op recente gebeurtenissen, in de context van politiek, maatschappij en cultuur. Mijn eerste bezoek aan Brazilië was in 1990 en sindsdien heeft het land me geïntrigeerd, niet minder het volk. Ik reisde van het zuidoosten tot Amazonas, van Mato Grosso tot het noordoosten en het zuiden, het andere Brazilië, het land van de gaucho. Al deze reizen deed mijn geest versterken in een tijd dat ik op zoek was naar nieuwe wegen. Het gaf mij inspiratie in mijn levensvisie, mijn muziek, schrijven en schilderen. Ook is het een lofzang aan mijn oom, de eigengereide Maastrichtse pater Tum Pieters, die in 1958 vanuit Antwerpen naar Brazilië vertrok om er te werken onder de armen. Hij deed dit tot zijn dood in 1998. Hij was een dichter, en had zijn stelling dat de Noormannen reeds in Brazilië waren vóór de Portugezen. Hij schreef over het 'messianisme' en had een eigen idee over de geloofsvisie. Het zijn boeiende onderwerpen, die zeker in mijn verhalen zullen opdoemen. Ik zal veel spreken over de oorspronkelijke bewoners: de indianen, die samen met de zwarte slaven Brazilië maakten. Over de caboclos en zigeuners, tot aan de laatste immigranten. Over Candombé, de rijke cultuur, de vertakkingen: macumba, umbanda, waar de Afrikaanse ziel nog aanwezig is. Ook zal de muziek aan de orde komen, het braziliaanse ritme. Ten slotte draag ik dit alles op aan het hele braziliaanse volk, en saudade is het woord.
wordt vervolgt...
Foto boven: tweeluik 'Indios' , Itaborai, RJ, Brasil - Wayn Pieters (storyteller) onder: jongeren van de Xacriabá stam, noord Minas Gerais in het 'Museu do Indio' te Rio Storyteller & Zé, in het plaatsje Tanguá bij Rio de Janeiro
De volgende morgen besluit ik een bezoek te brengen aan de zee, voor een zoutbad en frisse lucht. Hier blijken twee strandgebieden namelijk Cabo Branco en Tambaú. Bij dit eerste bevindt zich een soort gedenkteken, want dit is het meest oostelijk punt van Brazilië, en van hieruit lina directa 2200 kilometer tot Senegal en 3500 naar de staat Rio Grande do Sul in het zuiden. Hier in deze buurt leeft de de zogenaamde betere klassen in hun overdadige luxe villa's met hoge muren. Ik neem dan ook maar de bus naar het iets levendigere Tambaú, duik in het zilte water en slenter langs het strand. Ik kom daar een dikke jonge Amerikaan tegen, die me vraagt of ik ver van huis ben. "Yep... i'm a long way from home, buddy!..." De jongen blijkt uit Texas te komen en een fan van country muziek en de Dallas Cowboys. Ik kom erachter dat het enige wat hij van Braziliië weet deze buurt is waar hij welgestelde familie heeft wonen die hij met regelmaat bezoekt. "I love this area... great!' laat de nepcowboy nog weten en ik ben al weer weg, koester de zon en kijk naar de bekoorlijkheid van de palmbomen, de fonkeling van de vrouwen, de paranoïde blikken van de politie, cocos-verkopers, en neem de bus terug naar het centro. Dara op het praça 1817 ontwaar ik vioolkanken, en de oude mulat speelt zijn liedjes, begeleidt door een surdo (dikke trom) en een triangle. De man heeft zijn viool versterkt door een kleine versterker, die gevoed wordt door stroom uit een naburige winkel. Tussen de liedjes door converseerd hij met omstanders en de dikke surdo wordt regelmatig afgewisseld door andere mannen. De muziek intrigeerd me, het is een soort stoïcijnse muziek, wat me doet denken aan Schotse of Ierse volksmuziek. Die invloeden hebben te maken met de manier waarop hij de fiddle bespeelt. Nu klinkt een fiddle al snel 'typisch' en daar de viool hier weinig op deze manier wordt gebruikt, klinkt het uitzonderlijk. Doch er is een zekere invloed van Europese timbres, maar hier is Forro, Frevo en Maracatú het woord, die de klanken van vreugde en verdriet intensiveren, de muziek van de nordestino, de vaquero, de braziliaanse cowboy, de slumpfolks, de gewone mensen van dit geweldige droge land. Ik denk hoe werelds muziek is en kan zijn, hoe de invloed van ver weg doordringt tot de genen van een verdwaald volk, een volk dit ooit immigreerde en weer immigreerde, tot de uiterste hoeken van werelddelen en plekken waar normaal geen ander mens ooit sliep. Muziek is mooi. Ik houd van muziek, de klanken van het overtreffende gevoel van melancholie, en de klank van de oude mulatviool klinkt zo droevig dat het lijkt of het oude instrument met tranen doorweekt is.
Ik zou de volgende dag Campina Grande bezoeken. Dit ligt ongeveer 2 uur landinwaarts. Ik heb namelijk het adres van een Nederlandese broeder die daar werkzaam is met de naam Urbano. Ik bel vanuit Joâo Pessoa en kijg iemand aan de lijn die me verteld dat de broeder de stad uit is en in de avond zou terugkeren. Ik speek af dat ik de volgende morgen vanaf het bustation in Campina Grande zal bellen. Doch de volgende dag was hij wederom niet bereikbaar en, op vreemde wijze, weer voor enkele dagen vertrokken, zou ik een boodschap kunnen achterlaten? Drukke man, dacht ik nog en besloot het hierbij te laten. Ik had hem namelijk willen bezoeken in verband met een vreemd soort watertoestel waar hij mee experimenteerde, een soort project, een curieuze uitdrukking, maar daar komt het toch wel op neer. Het blijkt eigenlijk een simpel apparaat dat werd uitgevonden door een Zwitserse vrouw, Magrit Arreger. Mijn oom, pater Tum, was er opgewonden over, '...een regelrechte oplossing voor het waterprobllem in de arme streken van Brazil...', zei hij. Het apparaat bleek wonderbaarlijk door het condenseren van waterdamp, 400 liter per dag. Het blijkt niet meer dan 2kwh te gebruiken, zoals een koelkast, en kon ook werken op butagas, of... zonnen-energie. Het zou een formidabele uitvinding zijn voor de droogtegebieden over de gehele wereld en het Braziliaanse noordoosten. De Zwitserse Arreger wilde dat er niet op grote schaal misbruik van gemaakt werd. Alles moest ten goede komen aan de daadwerkelijke nood in de droogtegebieden. Verdomme! Ik kon de broeder Urbano niet bereiken en zijn werk aanschouwen. Ik liet het erbij. Dus die morgen vertrokken uit Joâo Pessoa en ging op weg naar Campina Grande over de br-230. De weg is goed bereidbaar en gaat recht de sertâo in, de halfwoestijn. We laten het groen achter ons en klimmen talmend de heuvels in richting de marktstad. De zon schijnt goed als ik aankom in Campina Grande (Grote Vlakte), waarvan de geschiedenis verteld dat hier een zekere capitano Ledo arrivverde met een groep Ariús Indianen, die hier begonnen met het land te ontginnen, anderen historica spreken dit tegen en zeggen dat het land allang hiervoor Campina Grande heette, genoemd naar de geografische ligging, voor de mensen die van de hoogvlakte naar de kust trokken. Na het vergeefse bellen om de Hollander broerder Urbano te bereken, neem ik een bus die me naar het centrum voert. Ik spring ergens bij de Avenida Peixoto uit de bus en ga op zoek naar een hotel. Soms ontwaar je gekken kunstwerken en zo ook het rode gebouw met torentjes. Het hotel heet Mahatma Gandhi, genoemd naar de charismaleider. Lijkt me interessant en dus neem ik een kamer in het gebouw dat nu onderhevig was aan een verbouwing, waardoor het stof, als was een bom door het dak geslagen, de trappen af kwam gedwarreld. nou ja, ik was wel iets gewend. De eigenaresse legt me uit dat ze afstammelinge is van Indiase immigranten en dit wordt dan ook door portretten aan de muren weergeven. Ze verteld verder dat er zelfs een tweede hotel in de stad komt met de naam Indira, en zo zie je maar dat het banale van de heimwee, de mensen achtervolgt tot de genen zich verspreidt hebben in andere contreien. De kindsjaren achterna. De kamer op de 3de verdieping blijkt net zoveel met India van doen als de Amazone met de noordpool. Ik hou van Brazil! Ik besluit naar het museum van de katoen te gaan, het musea do algodâo, een gewezen treinstation, waar de oude stoomlocomotief uit de jaren '20 nog staat te pronken. Doch het gebouw is potdicht, ik zie geen mens en blijkt niet meer in functie te zijn. Nondesju, dacht ik. Ik kon de martelwerktuigen dus niet zien, die de slavenmeesters gebruikten tegen de zwarte mensen die op de katoenplantages zwoegde en die de blanke despoot rijk maakte. Niet veel later zit ik op een bank in een parkje, waar mensen hun banale dagelijkse beslommeringen bespreken. Tegenover me zit een vrouw met een beginnende snor en sikje en een oosters uiterlijk. Doordat ze haar haren strak achterover gebonden heeft doet ze mij denken aan een Samoerai strijder of een afstammeling uit het rijk der Mongolen. Ze verteld haar gekke verhalen op haar ingenieuze manier en de mensen lachen, ja, ze kennen haar, ze is een stadsfiguur. Ik slenter verder en kom in een ander park terecht Evaldo Cruz, omringd met grote palmen. In het midden van een uitgedroogde vijver staat een groot soort obeslisk en ik zie dikke bruine waterratten toneel pelen met kakkerlakken. Contrasten zijn sterk en uit de muur die het park omringt komen loden pijpen waar een brijachtige troep uit komt, die weer in de greppel stort van de vijver en een broeiplaats voor insecten en muisachtigen, gelegen naast glijbanen voor kinderen. Het is verdomme warm en verdomme! waarom is er geen water in de vijver? Bijzijde ligt een ander museum dat van kunst, Assis Chateaubriand. Moderne kunst en abstracte schilderwerken van jonge Braziliaanse kunstenaars uit het noordoosten. Het is een kleurrijke boel. (Later kwam ik er achter dat er zich ook een Luiz Gonzaga museum bevond, jammer.) Ik slenter terug naar het hotel van Ghandhi, zie canabis-hippies langs de straat zitten, koop wat broodjes, fruit en frisdrank voor mijn avondmaal, neem een douche, schrijf wat notities en besluit morgen verder te reizen naar het plaatsje Canguaretama in een andere staat, die van Rio Grande do Norte, waar ik een evangelische familie zal bezoeken. Halleluja!
wordt vervolgd...
zicht op het hedendaagse Campina Grande (foto wikipe) Obrigado...
Als ik het hotel verlaat kom ik in de buurt mijn kleine vriend Arlindo weer tegen. Hij is mulat, zonder huis en waar zijn ouders zijn weet hij niet. Hij steek glimlachend de straat over en begroet me als was ik een oude bekende: '...amigo, heb je niet wat geld voor me? Ik heb honger,' en hij strijkt over zijn buik. Ik geef hem wat geld onder voorwaarde dat hij iets eetbaars koopt. Hij lacht en bedankt me en rent naar de overkant. Ik was hem al eerder tegengekomen, net zoals de andere zwervertjes in de 'cidade alta', de historische kruin van Salvador, waar vroeger de elite woonden. De meeste kinderen vragen 50 centavos, en als ze genoeg bij elkaar verzameld hebben is dit om iets eetbaars te verkrijgen, doch ik zie dat de toereisten, die met kuddes begeleid door een gids, van de ene naar de andere kerk slieren, zich niet veel aantrekken van de kleine 'lastposten', ten minste zo zien velen ze, de kleine schamel geklede mensenkinderen die alsmaar achter hun broeken en rokken aanhangen en blijven volharden. Lastposten? Verdomme, het zijn gewoon kinderen die proberen te overleven en weten dat de toerist hier meestal goed geld op zak hebben. Of niet soms? De kinderen zijn een alledaags verschijnsel in Salvador, voortgekomen uit het millieu waar iedere grote stad mee van doen heeft: armoede. Soms hebben de meest inventierijke zeker hun uitgebreide verhaaltjes om mensen zoals ik, die zijn oor te luister legt, te overtuigen: mijn famlie is arm, ons huisje is net afgebrand, mijn moeder is ziek, mijn broertjes en zusjes lijden honger... maar hoe begrijpelijk is de situatie, hoe intrigerend... De zwarte kokkin in het hotel doet haar werk schijnbaar met blijdschap, een prototype van de Salvadoriaanse vrouw met haar witte hoofddoek en brede glimlach. Flor, is haar naam, bloem. Met haar hab ik af en toe gesprekken over het leven in haar streek. Ze is trots op háár Salvador, en beveelt mij aan terug te komen voor het Carnaval, dit volgens haar, hier groter én fantastischer is dan dit in Rio de Janeiro. Nou ja, Flor lijkt me iets te chauvanistisch, maar dat neem ik haar niet kwalijk. Ze zegt mij dat ze géén banden heeft, of affectie voor het Candomblé, dit hier in Bahia toch wel zeer sterk is. Haar familie heeft wel die banden, doch zij vindt dit alles iets te 'excentriek', maar haar respect voor de Candomblé, en diegene die het beleiden is groot. Zou ze liegen? Doch waarom? Of is mijn gedachte dat ieder wel een 'band' moet hebben met Candombé, Umbanda of Macumba? Zoals iemand mij ooit verklaarde: ieder Braziliaan, misschien uitgezonderd de mensen uit het zuiden van het land waar de Europese inslag te diep ingeworteld is, heeft wel een raakpunt met de cultus... ook al onkent hij dit, maar die ontkenning is al een betrokkenheid... De attentie die mensen aan mijn persoon geven is opvallend. Wat is mijn beroep dan wel? Aha... muzikant/journalist... Wat ik eigenlijk wel bekokstoof in Brazil? Aha... reizen/liefde... Of ik rijk ben? Aha... nada! Veel vragen die een eerlijk atwoord verdienen en Flor schenk me een 'cafezinho', zwart en zoet gelijk haar brede lach. Ik hou van Salvador! In de beneden stad loop ik langs de winkelstraten, muziek en lieftallige meisjes die aan de deuringangen staan en lachen als engels. Hier is het dagelijkse en commerciële gedeelte van de stad en ik ben blij als ik een 'caldo de cana' karretje zie, het molentje dat met geronk de suikerrietstengels uitperst en een overheerlijk sap achterlaat. Voor mij als een banaan voor een aap. Begrijp u? Hier onder bevinden zich ook de dokken en het oude forte do mar, uit de 16de eeuw. Aan de overzijde van de lacerdalift ligt de oude markthal het 'Mercado Modelo', waar van alles wordt verhandeld, handwerk, kunst, in een brede vorm, Candomblé beeldjes, hangmatten, indiaanse voorwerepen, Birambaus en grote en kleine Cuica's, sommige gemaakt van cocosnootbast en bespnannen met geitenvel. Het is een soort ronker of trekpot, als met met het vochtig zeempje langs het binnenstokje strijkt versprijdt het een exotisch ronkend geluid. Het instrument is geliefd bij het carnaval. Aan de zijde van de hal zie ik de Capoeira dansers, klaar om voor toeristen hun kunsten te tonen, zingen en lachend, springend en draaiend als ware circusartiesten of balletdansers van de Afrikaanse binnenlanden. De Afrikaanse ziel die hier in Salvador sterk vertegenwoordigd is, hier is een klein Afrika, hier waar de geesten van de voorouders leven. Niet ver van hier ligt de terminal der boten vanwaar men een boot naar het wondervolle eiland Itaparica kan nemen, en zoals elk eiland heft ook dit eiland haar geschiedenis. Het verteld dat de jezuiéten zich hier vestigden in 1560, dit nadat de lokale indianen al waren verdreven. Het eiland heeft een zegen aan stranden, mooie vrouwen en fruitbomen, speciaal de manga die in heel Bahia wordt geprezen. Het eiland ligt aan de Recôncavo, genoemd naar de boogvormige baai, die haar deze naam ontleent. Ook de streek waar de eerste Portugese plantages werden opgezet. De Recôncavo loopt 150 kilometer langs de kustlijn vanuit Salvador, waarna ze uitkomt in de mangrovemoerassen bij de stad Valença. De tipische kuststrook is rijk aan palmvolle heuvels tussen de overdadige kustvlaktes en is een van de meest agrarische gebieden van Bahia. DE zee van Bahia is helder, blauw als de ogen van haar godin Imanjá... Morgen zal ik verder trekken naar mijn volgende bestemming, de stad Joâo Pessoa, veertien uren verder met de bus, in de staat Paraíba. Ik neem afscheid van Flor en het hotelletje met de irreële naam Paris, te onwezelijk voor een stad als Salvador, kijk nog eenmaal naar het beeld van Castro Alves en de baai, en denk an de glimlach van Arlindo, de straatjongen. Adeus Salvador!
"... Allen eten van de negerslaaf. Niet enkel de koffiebaronnen en suikerheren, ieder vrij Braziliaan, hoe arm hij ook is, heeft ten minste één slaaf die voor hem werkt!" Joachim Nabuco stelt de ingvreten infectie in vurige toespraken aan de kaak. Nobuco, zoon van een grootgrondbezitter en beroepspolitici, verklaart dat Brazilië de moderne wereld niet zal kunnen betreden zolang de grond en de politiek aan een handvol families toebehoren en zolang het land op de ruggen van de slaven steunt. De slavenhandel is al oud, en in Afrika heerste er al lange tijd de gewoonte. In Oost-Afrika waren het de Arabieren die in negerslaven marchandeerden geruime tijd vóór de Spanjaarden en Portugezen slaven naar Europa voerden. Deze hadden al slavenpraktijken voor zij in Amerika voet aan wal zetten. De Spanjaarden maakten gebruik van negerslaven op de Canarische eilanden, en de Portugezen gebruikten ze op de Azuren en op de eilanden in de boog van Biafra.
Dus toen de bisschop Bartolomé de La Casas de mogelijkheid aanhaalde om slaven in te voeren in Latijns-Amerika, ter vervanging van de indianen, (luister beste lezer, de indianen! noot Wayn) die niet zo volgzaam waren, was dit niets nieuws onder de zon. Vier eeuwen heeft de slavenhandel zich ontplooid in Latijns-Amerika. Tot laat in de 19de eeuw was het legaal, toen steeds meer landen de slavernij gingen opheffen. Holland was daarbij een van de laatste. Daarna werd de slavernij gewoon illegaal. Het begon eigenlijk allemaal op het moment dat de katholieke Koningen Ferdinand en Isabella in 1510 permissie gaven om 250 christenslaven vanuit Spanje over te brengen naar West-Indië. De blanken waren uitgekookte pappenheimers, want doordat er teveel blanke doden vielen bij het jagen op de slaven aan de Afrikaanse kust door de Portugezen en Spanjaarden, werden er factorijen gesticht waar de slaven werden ondergebracht, die door de binnenlandse oorlogen of klopjachten waren buitgemaakt door de Afrikanen zelf. En wat kan een volk zich zelf aan doen?
Zo liepen de blanken minder risico, en kochten zij de beste slaven gewoon op, rechtstreeks van de factorij, wat ook weer winstgevend was. Dan kwamen de Engelsen, Hollanders en Fransen die al rap de handel overnamen. Ze navigeerde altijd met volgepakte schepen in wat genoemd werd de 'slavendriehoek'. Ze namen dan handelswaar mee die zij verhandelde aan de Afrikanen op de factorijen, die weer de negerslaven bezorgden. Deze werden dan in schepen gepropt, om naar Amerika vervoerd te worden. De kapiteins verkochten de slaven, als zij niet op bestelling fourneerde, vaak op eigen houtje, en met het geld kocht men weer goederen in Amerika voor de Europese handel. Wat de Hollanders betreft werd de handel uitgevoerd door de West-Indische-Compagnie (WIC). Het vertrekpunt was meestal Vlissingen, en de Zeeuwen hebben hierin een gewichtig aandeel gehad. : De Hollanders hebben in de 17de en 18de eeuw, naar schatting 1 miljoen slaven getransporteerd, maar hebben in feite een veel groter aantal slaven betaald. De Calvanistische leuze was vermaard: ...als mensen zich ongestraft zo laten behandelen, dan kunnen het geen mensen zijn, en mag men hen dus zo behandelen...
De negerslaven hebben echter nooit rust genomen met hun fatum, en er ontstonden verzetsstrijden. Dit ging zover dat velen zich al op de schepen het leven ontnamen, anderen poogden te vluchten. Maar er waren slaven die de strijd aangingen, en in Brazilië ontstonden de 'QUILOMBOS' (ik schrijf dit woord in hoofdletter, daar het een woord van vrijheid en verzet is, noot Wayn). Dit waren goed op touw gezette rebellenbendes, die in de 17de eeuw overgongen tot het stichten van 'Palmares', een republiek in het noordoosten van Brazilië in de staat Pernambuco, met als leider ZUMBI. De strijd en de dood van Zumbi zijn tegenstrijdig, daar hij een vechter was, die de dood tegemoet zag komen als een schim: hoofd van de de dorpenfederatie in Pamares was Ganga Zumbi, een neef van Zumbi. Ganga Zumbi pleegde verraadt door over te lopen naar de gouverneur van Pernambuco Sousa de Castro, die hem in 1687 de titel hoofdofficier bezorgd. Tussen de afgevaardigden van de Koning van Portugal en vertegenwoordigers van Palmares wordt een akkoord gesloten dat een ontruiming inhoudt. Iedereen die in Palmares geboren is zal vrij zijn, maar de gebrandmerkte slaven zullen terug gestuurd worden naar hun tegennatuurlijke meester. Zumbi geeft zich niet over en blijft in Macaco, de hoofdstad van Palmares. Hij wil niets weten van de overeenkomst, en van de 30.000 bewoners gaat slechts de helft met Ganga Zumbi mee, voor de overigen is hij een verrader. De woorden van Zumbi zijn sprekend: "Ik geloof niet in het woord van mijn vijanden, mijn vijanden geloven elkaar niet eens."
"... Diepten in het landschap, dalen van de ziel. Zumbi rookt een pijp, de blik rustend op de hoge roodgeblakerde rotsen en de holen als open wonden, en hij ziet niet dat de dag aanbreekt met vijandig licht, noch dat de vogels verschrikt in zwermen vluchten. Hij ziet niet dat de verrader nadert, hij ziet dat zijn kameraad komt, Antonio Soares, en staat op en omhelst hem. Antonio Soares laat de dolk verschillende keren in zijn rug neerkomen. Ze steken Zumbi's hoofd op de punt van een lans en brengen het naar Recife, zodat het op het plein kan vergaan en de slaven weten dat ZUMBI niet onsterfelijk was. Palmares ademt niet meer. Zumbi is dood... " wayn
Doch, wat is er eigenlijk veranderd? De vrije slaven behoorden sinds de afschaffing van de slavernij tot de noodlijdenste laag van de bevolking. Nu, zijn de afstammelingen van de slaven er niet veel beter aan toe in Brazilië. Neen, ik ben geen pessimist, doch ik moet dit helaas stellen. De strategie die eens bedoeld was om de achterstandssituatie te minusculeren werd gewoonweg niet uitgevoerd. De zwarte bevolking is immer gekleineerd geworden door de kleine blanke bovenlaag, en het eerste waar de rijke blanke aandacht was bij de vraag, hoe ze de vrijgekomen slaaf als goedkope arbeidskracht verder konden benutten. Want wat ging er gebeuren als men de zwarte medemens een goed onderricht zou geven? Dat zou er alleen maar toe leidden dat er minder goedkope arbeidskrachten waren. In de eerste jaren der afschaffing bleven dan ook veel zwarten op de -fazendas- (grote boerderijen) werken van hun voormalige slavenmeester. Er was geen alternatief. De hedendaagse neger is nog steeds de arme kleine boer, of één, van de velen die naar de grote steden trekken om daar te leven in de favela's, en werk op te knappen waar de blanke zijn neus voor ophaalde. De slavernij werd eigenlijk louter vormelijk rechtskundig afgeschaft, maar op de grote fazenda's en plantages in Brazilië wordt deze echter nog met regelmaat bedreven. De informele sector is dan ook geen keuze te noemen, maar een noodzaak! De schoenpoetsers, autowassers, straatverkopers, mensen met reclameborden rondlopend, zwervers en bedelaars zijn dan ook merendeels halfbloed of neger. In Brazilié bestaat geen zichtbare discriminatie op grond van huidskleur, daarvoor heeft de vermenging van blank en zwart er een te grote stempel opgedrukt. Doch verschil is er duidelijk. Waarom ziet men in de politiek bijna geen zwarte in de regering? Alleen blanken van betere afkom, en zoals mijn oom pater Tum ooit zei: 'kijk, alle kopstukken in de Braziliaanse politiek zijn blank, velen van Arabishe en of van Joodse komaf...' In dit veband citeer ik hem verder: '...De Arabieren en Joden kwamen uitzonderlijk, door de vervolging te ontvluchten, in de eerste eeuwen van de kolonisatie naar Brazilië om meer geloofsvrijheid te hebben, omdat ze volgens hun geloof geloofden dat Jezus een profeet was en niet de zoon van God. Hier in Brazil zijn ze bekend onder de naam Turcos en Judeas. Ze zijn herkenbaar aan de baarden, dichte krulharen en wenkbrauwen, dikke lippen en het gerief van praten. Vele bekende figuren zijn afstammelingen van hebreeëuw en Arabieren zoals o.a de gewezen president Kubischeck...' Aldus mij oom, maar is dit niet gerchtvaardigd? Al beleid deze stelling meer uitleg. Doch waarom zijn negen van de tien zwarte mensen te vinden in de sloppenwijken of op het platteland? Waarom is 90% van de kinderen die geen onderwijs volgen gekleurd? Waarom hebben de de meeste straatkinderen een negroïede inslag?
Letterlijk vertaald is het een ex-gelofte of woord-van-eer. Men kan het eigenlijk zien als volgt: Het zijn giften van mensen om de Santos, (heiligen) er aan te herinneren wie zij zijn en wat ze willen dat de hogere macht, het kan bv ook Jesus zijn, voor hen kan doen. Er zijn mensen die giften achterlaten als dank en toewijdeng voor de geest van de Santo, en dan wordt het tevens 'pagando o promessa' genoemd, zoiets als 'belofte betalen'. Wanneer ik de ruimte binnen ga zie ik wat er bedoeld wordt; het plafond is behangen met houten en plastieken lichaamsdelen: benen, armen, borsten, hoofden, longen en hart. Deze worden daar bevestigd door mensen die in de knoei zitten en verontrust zijn betreffende een chirurgische ingreep, maar er hangen ook, zelfs, zilveren lichaamsdelen, die een gift moeten zijn als dánk voor de geslaagde ingreep. Aan de muur bevinden zich duizenden kleine foto's en briefjes van smekende mensen die tussenkomst vragen, of dienen als dank voor de bewezen hulp. Veel van de smeekbedes zijn teerhartig zoals voor het redden van een kind, of voor de goede terugvaart van vissers en zeemensen, maar ook het meer bizarre als het succes voor een lied, het winnen van een voetbalclub. Een ander buitensissig gegeven zijn de foto's die er gehangen zijn door mensen die het geluk hadden een ramp te ontkomen. Ik zie op de foto's mensen die weglopen bij een auto-ongeluk, geweldige vuren waaraan ze ontsnappen en vele andere netelige situaties. Ze willen aantonen dat hun geluk en leven in de handen ligt van de Senhor, of hoe men hem ook mag noemen, of wie men voor ogen heeft.
Via en trap bereik ik het kleine museum. Dit is volgepropt met oude materie. Er zijn hier gebeden te vinden van kolderieke aard zoals het welslagen van een diploma, een millitaire ere-medaille dit moet dienen tot een hogere rang, het liefst generaal natuurlijk. Klote, denk ik, want sommige idioten zouden zelfs kunnen smeken voor het winnen van een oorlog. Neen, het géén naieve gedachte van mij, maar een studie. Ik zie de vele beelden van heiligen en wederom de insane objecten die ik al eerder noemde, maar ook mensen stervend in het zweet van malaria of de pleuris, zijn neergeschoten of een geslachtsziekte, doch ze hebben het gehaald, ze hebben overleefd en dank zij de hulp van de 'Senhor. Ten minste dat is hét radicale uitgangspunt van de meute. En doen de Christenen in de Roomse landen niet hetzelfde? Klampen die zich vast aan de beelden en kaarsen? In een glazen kast zie ik het meest ridicule, daar waar de meest belangrijke ex-voto's zich bevinden in de vorm van zilver, de vitrine ligt vol met: hoofden, longen, darmen, oren, ogen, neuzen, nieren en ga zo maar door. Het is alsof de stof 'zilver' de 'heer' kan overtuigen van de gevraagde hulp letterlijk te verzilveren, al lijkt mij deze woordspeleing te essentieel aan de verwachting. Simpel gezegd: er word dus de Heer dat iemand met een hartprobleem verlost kan worden van deze kwaal, door het schenken van een kostbaar zilveren hart. Kan het zo zijn dat, hoe meer zilver of een laagje goud, de overlevings kans groter is? Bullshit! Ik blijft er in 'geloven' dat 'geloof' één van de meest verwachtingsvolle gedachten zijn die de mens koestert, en heeft voor de eene een diepere betekenis dan voor de ander, die dit als onzin beschouwen. Maar hoe zal het zijn als de 'Senhor' werkelijk niet helpt? Als het natuurlijk aspect te schrijnend is, als de heiligen géén hulp bieden, als een kind toch sterft, als een ziekte níet overwonnen kan worden! Dat er miljoenen mensen sterven van honger en ziektes, waar geen enkele 'Santo', een invloed op heeft, alsof er in Zuid-Amerika,, Afrika, India geen heiligen bestaan. Als de Heer moet strijden met de duivel... Ja, daar zijn de mensen het niet over eens, en leggen dan alles in de hand van de 'God', die toch eigenlijk weer hoger staat dan, zelfs hoger als de Heer van Bonfim, ja, ook hier heeft men standen, verdomme, de kasten der heiligen! Men kan soms bidden als de waanzinnigste, kaarsen aansteken voor de super-heiligen, maar als het lot de menstreft, dan is het voorbij! En het is dan zo gemakkelijk om te zeggen: 'Het was God's wil', te gemakkelijk. Het heeft geen raakpunt. Geen enkel! Ik weet dan alles gerelativeerd kan worden, en geloof is een optie, maar géén zekerheid. De natuur is het sterkst en is er leven na de dood? Is er een terugkeer? Paradijs? Boetenland? Hel? zoals de zwartrokken mij vroeger als kind wijsmaakten? Neen, ik weet dat een mens die goed en rechtvaardig geleefd heeft, zal zweven tussen de sterren, of zal terugkeren als goed mens, want de geest zal nimmer vervagen.
Buiten op het plein eet ik mijn -aracajé-broodje- en een guarandrank om de peper weg te spoelen. De kleurige huisjes rondom hebben een myhthe-achtige sfeer die zo typisch is voor Bahia, en de lichte windbries, die van de zee komt, draagt een odeur die zilt is, terwijl ik wacht op de bus die me terug brengt naar het centro. De zon staat broeierig en tegen de blauwe hemel staat het beeld van Castro Alves, die men toch mag zien als een van de grootste dichters van de Braziliaanse romantische periode, hij die de lijdensweg van de slaaf beschreef, die schreeuwde voor hun vrijheid, de emancipatie, weg naar begrip. Hij werd de actieve voorvechter van het abolitionisme, en samen met mensen als Rui Barbosa en Luis Gama ( die letterlijk door zijn vader in Bahia werd verkocht als slaaf) sloot hij zich aan bij José Bonifacio, die vanuit de universiteit van Sâo Paulo een groep abolitionisten aanvoerdde. Alves werd niet oud en leefde van 1874-1871. Hij werd amper vierentwintig, een te korte tijd om mee te maken dat er op papier een einde werd gemaakt aan de slavernij. Hij stierf aan tuberculose. Uit het boek 'Os ulimos anos da escravatura no Brasil' ( De laatste jaren der Braziliaanse slavernij) uit 1975 citeer ik de schrijver Robert Conrad, dit om een intens, doch kort beeld te scheppen van de slavernij:
wordt vevolgd....
Museum van 'ex-votos' in kerk van 'Senhor de Bonfim'
Beelden van de recente Bonfim processie 15januari 2009 (c) reportage jornal Brasil tv compositie Storyteller
Opgedragen aan mijn moeder; Dedicado a minha mãi; Dedicated to my mother; Für meine Mutter; Dédíe à ma mére; Dedicado a mi madre; För att min mama; Didicato a mia madre; Dedikeret til min mor... 20/01/2009
Wanneer ik in de namiddag arriveer in Salvador was het de dag van het 'reinigen van de bomfim-, een van de grootste evenementen in de stad, na, het carnaval. Dan zie je honderden bahianas, vrouwen gekleed in hun traditionele kledij, de witte lange zijde rokken en een hoofdoek, behangen met de fraaiste kleurkettingen. Vanaf de Nossa Senhora de Conçeiçâo' kerk lopen ze acht kilometer in processie langs de zee naar de 'colina segrada', bij de kerk van de 'bomfim'. Het is een feest en langs de langzaam trekkende stoet is er geen tekort aan drank, eten en muziek. Aangekomen bij de kerk is het een en al adoratie, de kerk wordt opgesierd gelijk een pauwentempel, en bloemen krijgen de overhand. Het is een soort verering waar mensen van vele streken op af komen, toeristen, maar meestal mensen die er immer bij zijn. Doch men stelt dat de belangstelling van de 'vreemdelingen' zodanig is toegenomen dat het eifeg bahiaanse volk een protest laat horen. Hoezo? Nou dat zit ongeveer zo: dit jaar werd namelijk besloten géén, voor de eerste maal, 'trio electricos' toe te laten in de stoet. Dit kan de oorzaak zijn dat er velen legen plekken langs de route te zien waren, er werd zelfs gesteld dat dit een van de zwaktste 'lavagems' was die men ooit meemaakte, volgens een insider. De electricos zijn een model geluidswagens met aan alle zijdes enorme loudspeakers die voor een grandioos volume zorgen. Dit is het thema van de Salvador carnaval, onmisbaar en eigen voor de stad. Het gemis in de stoet van Bonfim deed veel bahianen droevig stemmen, men zei: 'natuurlijk weten we dat het belangrijk is het religieuze proberen te versterken, maar wij, Bahianen, houden teveel van de geluidswagens!' Aha, dus een soort religieuse ondergrond was de oorzaak. Nou ja... Ik besluit de tweede dag van het feest naar de Bomfim te gaan. Ik neem de liftkoker naar de onderstad. de lift word fervent gebruikt en brengt je voor 5 centavos naar onder in luttele seconden 71 meter dieper. In de gangen die naar de liftkoker leidt liggen de de straatkinderen te slapen, het is nog vroeg, op en onder een stuk karton. De laatste nachten waren fris in de stad mede door regen, met zo'n 20 graden. De toeristen blijken de overhand te hebben in de lift, gezichten die me vreemd aanstaren, vol geladen met camera's en alles filmend wat hen dunkt waardevol te zijn. Nou ja, wat is waardevol in Salvador? De geschiedenis? Kerken? Slapende Kinderen? Vuil van de vettige plekken waar menig toerist zijn voeten zette, ja, het zijn tegenstellingen, relativaties in een onbegonnen wereld. Beneden aangekomen steek ik de weg over en neem een bus die me in 30 minuten, een tiental kilometer verder brengt naar de plek waar de 'senhor' vereerd word, waar drommen mensen het pein bevolken voor de kerk, die uitbundig is opgemaakt. De kerk stamt uit 1745 en is bescheiden wit geverfd. Binnen is er een dienst gaande, en toesparken en gezangen komen uit kelen van aanbidders. Buiten op het pleintje is het een dartelheid van verkopers, die hun stalletjes goed gevuld hebben en ik denk: waar gaat gebed en commercie niet samen. Kinderen verkopen voor één reaal witblauwe 'fita's', zijden polsbandjes met de naam 'Bomfim' erop. Ik koop er enkele, want de rappe kleine verkoper had er al eentje om mijn pols gebonden met een snelheid van een kunstenaar, waardoor je er niet onderuit komt er enkele te kopen. Het is een soort amulet, ja, ik draag ze altijd, je kunt er bij het vastbinden drie knoopjes inleggen en bij ieder een wens uitspreken, dus? Miljoenen van die bandjes worden er binnen in de kerk vastgebonden als iemand een wens wil zien in vervulling gaan. Ik zie ze daar hangen, de kleurijke door tijd vergane stukjes zijde. Er wordt gezegd dat het betreden van de kerk zonder 'fita' onbarnhartig is, en ik geef toe ik heb er geen meer bij me wanneer ik het gebedenhuis binnen ga, behalve dat om mijn linkerpols, daar ik de overige weer aan een kleine gegeven had om verder te verkopen. Doch daar heeft de 'goede Heer' misschien wel begrip voor, de gedachten van een 'gringo' die interim alles probeert waar te nemen hetgeen in zijn omgeving gebeurd, waardoor hij soms kleine details over het hoofd ziet. Míjn belangstelling gaat echer uit om het kleine 'museu dos ex-voto's do Senhor de Bonfim' te bereiken via een royale gang parallel aan de kerkingang. Wat zijn die ex-voto's?
Achter het Pelourinho liggen smalle straatjes, die zich zwierend een weg zoeken met aan weerskanten de talrijke winkeltjes met veelal kunstwerken: schilderijen van lokale artiesen die een beeld geven van de fantasie en kleurijke impressie der menselijke geest. Niet ver van hier werd ik enkele jaren geleden (1990) quasi-overvallen samen met mijn oom padre Tum, nadat we een avond dansvoorstelling bezocht hadden. De naieve pater en de nog groene brazilganger werden door enkele jongens, die uit een nog duistere plek kwamen, overvallen, ze schreeuwden allen maar, een goed ingestudeerd woord: 'money, money! De Pater schreeuwde dat we ook maar arme donders waren, en hij zelfs half Braziliaan, terwijl eentje met een groot soort scheermes probeerde zijn polshorlogebandje over te snijden, terwijl ik dreigend met mijn vinger wees en me voor bereidde op een veldslag. Er was geen mens te bekennen rond middernacht, maar de jongens waren schijnbaar beginnelingen die nog moesten leren hoe 'gringo's' te beroven, waardoor alles verder goed af liep, dit had natuurlijk ook anders kunnen zijn. Daarom is naïeviteit uitgesloten in de donkere straatjes, na twaalven, in steden als Salvador. Overdag vindt men hier in deze straatjes de vrouwen met hun 'acarajé- waar de geur me al van afstand naar toe dreef. Het zijn soort ballen van geraspte bonen gebakken in palmolie en op smaak gebracht met garnalen en met de malagueta pepersaus. Hier kunnen de hongerige straatkinderen hun ogen niet vanaf houden en het water sijpelt uit hun mond, dus gééf de kids hun Acarajé! De gekleurde huisjes geven alles weer in een sfeer van romantiek, hier waar eens de onderdrukking van de neger plaatsvond en de grootheren hun vuile werkjes bekokstoofden. De geschiedenis van de stad is vulgair te noemen, waar de gegrimmeerde elite op allerlij gebied de touwtjes in handen hadden, de vrouwen gebruikten als naast-hoeren, terwijl hun blanke vrouwen hun kinderen lieten zogen door gezonde negerinnen. De sterkste negers werden gebruikt als fokstier zodat men gezonde kinderen kreeg, die een soort investering waren voor de toekomst. De mensheid was, en is, een turbulente rotzooi, een inhumane dwaling, die God heeft vergeten te corrigeren. Als ik door de straatjes loop trekt me het geluid aan van een muziekgroep, ze zijn één van de vele - 'Afoxés' die Salvador rijk is zoals 'Filhas de Ghandy', 'Filhas de Olorum', 'Filhas de Congo', 'Ará Ketú' of 'Filhos de Korin Efan'. De trommelslagen zijn oorverdovend en ritmisch terug naar een andere tijd. Vooral rond de carnaval zijn ze te bewonderen in de de buurt van hun unie-huizen. De muziekale in breng in Salvador is beduidend, bewegend en fantasierijk, en zo haalde ze ook het 'reggea' naar hier. Salvador is een cultuurstad!
wordt vervolgd...
Salvador, Bahia olie Wayn Pieters
BAHIANA Ivan de Moraes, 1973 oilie op doek
Batucada... één van de groepen in Salvador foto storyteller 1998
Zoals de meeste oude steden in Brazil vindt men ook hier de kerken. Het zijn er welgeteld 35, allen hebben de status koloniaal en liggen niet ver van elkaar verwijderd in de 'cidade alta'. De museums zijn net zo talrijk en ik ga op zoek naar het Afro-Brasileiro museum, in een oud egebouw dat vroeger dienst deed als medische faculteit. Het is gelegen aan het -terreiro de Jesus-, maar tot mijn ontgoocheling is het wegens herstelwerkzaamheden gesloten, dus mijn weloverwogen dwaling lags de negro invloed op de Braziliaanse cultuur gaat niet door, maar doch, ergens achter door bevindt zich het -archeologisch en etnologisch museum. Dit is eigenlijk gehuisvest in de overgebleven kelders van het jezuïeten college, vol met bakstenenbogen. Het college moet enorm zijn geweest en strekte zich uit van het huidige Sé plein tot het Pelourinho. Volgens de geschiedenis werd hier de kentering van de Braziliaanse indianen op touw gezet en kwam de vechter voor Indiaanse rechten, Antonio Vieira, over de vloer. Hij was een jezuïet die vocht tegen de uitbuiting door slavenhouders ten op zichte van de stammen. Toen in 1759 de Jezuïeten werden verjaagd kwam het gebouw leeg te liggen. Het grootste gedeelte van het college werd vernietigd door de rijken, die het gingen gebruiken als opslagruimten voor hun gracieuze woonhuizen. Een ander deel werd gebruikt door de universiteit en de overgebleven ruimten werden verkocht voor verdere duister ontwikkelingen. Het is vochtig en warm in de kelder die vol ligt met fossielen en overblijselen van oude begraafplaatsten. Buiten is het aangenamer en ik zie de mooie Bahiaanse vrouwen met hun ruime rokken vol kleuren, en behangen met de schitterendeste kralen, waar toeristen maar al te graag, tegen betaling natuurlijk, zich willen laten vereeuwigen op de foto. Langszijde ligt de grote 'Basílica' kathedraal, wat eens de kapel was van het grootste Jezuïeten seminarie uitgezonderd Rome. Aan het verlengde van van het 'terreiro de Jesus' ligt dan het Anchietaplein, waar twee kerken pal naast elkaar staan: die van Sâo Francisco en de Derde orde van de Heilige Frans, met een voorgevel die schitterd, een soort verspilde rijkdom in de gore periode van Salvador. De gevel was 150 jaar lang verborgen gebleven waardoor de originele façade te voorschijn kwam. Toen werd er 9 jaar aan gewerkt om de gevel te herstellen, en nu is het een wonderlijk abstract geval. Het meest geliefde plein is het Largo de Pelourinho, waar zich de toeristen met drommen verzamelen en nog steeds die sfeer uitstraalt van 2 eeuwen terug, toen hier nog vol op slaven werden verhandeld als zijnde minderwaardige schepsels. Daar paraderen nu de vrouwen in hun klederdracht, en waar de gids duidelijk makat dat zij afstammelingen zijn van de eerste slaven die hier in Salvador aankwamen. En als de meisjes toen zó schitterend en bevallig waren als heden, dan is het begrijpelijk dat de kooplieden en gebruik van maakten, ze gebruikten als lustobjecten, en de reden dat en toen al velen halfbloeden rondliepen. De Portugezen dachten namelijk anders dan de calvanistische Hollanders, en hadden géén afkeer van de zwarte vrouwen, die zij koesterden. De jonge meisjes lijken mij bloesems van de de manga, met een lichaamshuid teer als donsveer in de morgen. Ik zag schilderijen, soms mooi als parels, maar vergeleken met deze kleurenpracht verbleekt zelfs het meest fantasierijke kunstwerk, want dit kun je nooit afbeelden, niet Dali, Gaugin en zelfs niet Rembrandt. Begrijpt u? Ik zie de jonge pauwtjesvrouwen op de trappen die leiden naar het kleine museum ter ere van de schrijver Amado, de man die hier zijn domicilie heeft en geëerd wordt als de grootse Braziliaanse schrijver aller tijden, maar daar gaf ik al eerder mijn opvatting over. In het museum zie ik een afbeelding van zijn hoofd op een sokkel, ernaast ligt een braziliaanse-toeristen-schone in een grillige pose, klaar om vereeuwigd te worden met de kop van de oude schrijver. En ik denk: wat kan verering toch ver gaan. Iets verder op het plein beleven enkele jongens hun -capoeira-, de gevechtsdans, eentje bespeeld de birambâo, anderen trommelen, alles gepaard met montone zang. Anderen dansen als ware kunstenaars, uitbeeldend de vechtstechniek, die nu verheven is tot art. Ze gaan terug naar hun voorvaderen, de geesten van een lang verleden oproepend. In gedachte loop ik regelrecht aan de overzijde de kerk binnen van de -Nossa Senhora dos Pretos-, het gebedenhuis van de heilige vrouw van de negers. De kerk werd ooit gebouwd door de slaven, en vóór de slaven, een gebouw met een mysterieuze uitstraling op mijn gemoed. Binnen zie ik een oude neger schoorvoetend de kaarsen aansteken en hoe vreemd is het dat de man mij voorkomt zo'n 300 jaar oud te zijn. De zoon van Zumbi, de strijder voor de vrijheid der negers. Ja, zo lijkt hij me. De devotie is groot en de zwarte mensen danken de zwarte vrouwe voor haar hulp in moeilijken tijden van onderdrukking. De kerken van Salvador met een charisma die het verleden doen herleven, met een geur van zoete vruchten vermengd met wierook en meubelen van het pikdonkere Jacaranda-hout. Hier is de psyche van overledenen die rondraaien in de hoge nokken van het geliefde bedenhuis. Hier voel ik een droevigheid, een soort eenheid met de mensen die Brazil groot maakten, die leerden van de Indianen, zij die wisten, hetgeen de blanke niet kon voelen. Alleen enkele waren bevoorecht, zij die wisten dat de slaaf een voorteken was van toekomstgerechtigheid. Een van hen was Castro Alves, geboren in 1862 in het Bahiaanse Curralinho, de dichter die streed voor de afschaffing van de slavernij. Waaruit twee fameuze gedichten ontstonden 'O Navio Negreiro' -het zwarte schip- en 'Vozes 'd Africa' -Afrikaanse stemmen- . Hij begreep de mens.
wordt vervolgd...
Pelourinho bekeken vanaf de trappen van het kleine museum van Jorge Amado
Aquarel van de 'Baia de todos Santos' 1665 ... maker onbekend
Nu de huidige baai van Salvador was van groot strategisch belang en Salvador werd de zetel van het eerste koninklijk gourvernement van Brazilië. In 1549 werd op bevel van de Portugese koning Joâo de derde, Tomé de Sousa benoemd tot eerste gouverneur van Brazil. Die persoon kreeg de missie een algemeen bewind te stichten in Brazilié en hij vertrok met een vloot van 3000 mensen, waaronder hoge wetsdienaars, soldaten, verbannen personen, burger en militaire officieren. Onder hen waren veel bekeerde Joden en 6 Jezuïeten onder aanvoering van Manoël de Nobrega. Op 29 maart 1549 bereikt de vloot de allerheiligenbaai. De Invasie was deskundig voorbereid en werd met overspoed uitgevoerd. De koning had al een brief geschreven naar de raadselachtige Diego Alvares (Caramuru), voor zijn medewerking en soelaas: "... omdat ik op de hoogte ben van u grote praktische ervaring wat betreft de gebieden, de mensen en hun gebruiken..." Caramuru, werd nu ineens strateeg, besloot de keuze voor de nieuwe stad te laten vallen op een hoog gelegen zone, boven een maagdelijke zeehaven. De nieuwe plek werd rap aangevallen en de Indianen verdreven. Doch Caramuru wist de inboorlingen over te halen om mee te bouwen aan de nieuwe stad en vestigingwerken. De regering had al met inzicht koopwaar meegegeven zoals messen, schoffels, zeisen, bijlen en natuurlijk vishaken, dit om de Indiaanse werkkrachten te financïeren. Alles ging voorspoedig en er werden Europese gewassen en fruitbomen gekweekt en paarden en koeien gefokt. Op verzoek van de Jezuïeten stuurde men een groot aantal weesmeisjes van aristocratische komaf naar Brazilië. Het waren dochters van mannen die gesneuveld waren op de vele Portugese expedities en ontdekkingsreizen over de hele wereld. Later volgden meer van de 'ladingen' tijdens het bewind van Duarte da Costa in 1553 en dat van Mem de Sá in 15 57. De weesmeisjes moesten natuurlijk de verlangens van de eerder aangekomen mannen bevredigen en zo het Portugese ideaal te doen verbreiden.
In 1558 kwamen de eerste slaven vanuit Afrika en samen met de Indianen, Portugezen, groepen avonturiers uit Italië, Duitsland en Frankrijk, en gevluchtte joden uit Europa. Salvador werd al snel een plek waar overleven een noodzaak was en penibele aangelegenheden doorsnee werden en hoeren geliefd. De nieuwe hoofdstad van Portugees Brazilië werd opgericht, formeel, op 1 november 1549. In 1551 werd Pedro Sardinha de eerste bisschop van Brazil, het was een eigenwijze oude man. Toen hij in 1556, na een ruzie met de gouverneur, met enkele kolonisten wegvoer om zich te gaan betreuren bij de koning leed hij schipbreuk in het ondiepe water tussen Bahia en Pernambuco. Het gevolg was dat de overlevende die aan land klauterden door de Caeté Indianen gevangen werden genomen, en later opgegeten, zo ook de oude bisschop. De Jezuïet De Nobrega noemde het bloedbad een goddelijke straf voor de zedenloosheid die de kolonisten ten toon spreidde in Bahia: "Er kwamen geestelijken en leken om, gehuwden en ongehuwden, vrouwen en kinderen." In die periode was het bewind in handen van Duarte da Costa en later in 1558 werd Mem de Sá gouverneur, deze man ging in de stukken der geschiedenis door als een stug iemand, doch welgemeend (tussen haakjes) persoon. Onder zijn 14 jarig bewind werd vooruitgang geboekt op koloniaal gebied, de inheemse stammen werden verslagen door deze 'welgemeend' persoon. Verder werd en kerkelijke en koningklijke macht uit geroepen over de kolonisten. Tegen 1587 had De Sá de Tupinambá al onderdanig gemaakt en de Caeté uitgeroeid! En... kwam Bahia tot ontplooiing. Hoe mooi kan men geschiedenis schrijven. In 1580 viel Portugal onder dominatie van Spanje, dit geregeerd werd door Philips de tweede en de Portugese kolonies kwamen in bezit van Spanje. In 1591 slaat de inquisitie toe (tribunaal in zake rechtsgelovigheid en ketterij) in brazilië. Op brutale en ongekende wijze worden alle ketters in de kolonie, joden en sodomieten uitgemoord, die konden wegkomen vluchten naar de Antillen of de zuidelijke delen van de Verenigde Staten. De Hollanders hadden in 1621 de "West-Indische-Compagnie" opgericht, een koloniale onderneming met privekapitaal en met militaire en financiële steun van de regering. Wat waren de Hollanders van plan? Ja, de verovering van de koloniën natuurlijk en het meest behoefde gebied was wel Brazilië. In 1624 zien de Hollanders een goede reden om de Spanjaarden dwars te zitten en sturen een vloot naar Salvador. Op 10 mei 1624 nemen de Vlamingen, zoals ze ook wel werden genoemd, Salvador in. De vloot bestaat uit 24 schepen, 500 kanonnen en 3500 manschappen. De leider was Piet Hein, een soort piraat in dienst van de WIC.De Spanjaarden kunnen dat niet over hun kant laten gaan en organiseren de grootste actie die ooit naar zuidAmirika werd gezonden. De horde in 12.000 man sterk! De vloot bestaat uit 70 schepen. De Portugese kolonisten wisten eerdere aanvallen van de Hollanders af te slaan en ondersteunden nu de grote Europese strijdmacht om de Hollandse zeeduivels te verslaan en Salvador te herwinnen. Dit lukte in 1625, maar 5 jaar later keerde de Hollanders terug om nu Recife en Olinda te veroveren. Doch dit is een ander hoofdstuk, waar ik later denkelijk op terug zal komen. Tijdends de 18de eeuw groeide Salvador en kende voorspoed en ook de verdeling tussen onder en bovenstad werd een feit. De regering besloot in de 'cidade alta', bovenstad, functie te nemen en daar werden ook de kloosters, kerken en domicilies gebouwd, In 1763 verloor Salvador de eer hoofdstad van Brazil te zijn, dit zijn oorzaak had toen in Minas Gerais goud werd ontdekt en er meer toezicht moest komen dichter bij de goudbron, en Rio de Jnaeiro de hoofdstad werd van Brazilië.
NOORDOOSTEN VAN BRAZIL DEEL 2: SALVADOR-1/geschiedenis
foto Bahia-on line Cana/Brava
Op een warme middag arriveer ik op het grote rodoviaria, enkele kilometers buiten het centro. Mijn intenties waren om meteen op zoek te gaan naar een hotel in het bovengedeelte van de stad, genoemd 'cidade Alta. Door een klein misverstand word ik van links naar rechts gestuurd. Uitleg? Nou ja, ik vroeg de bus naar het 'praça Sé', midden in het hartje van oud Salvador en ik wist dat de juiste bus lijn 'Borroquinha' was, alleen de bus kroop niet naar boven, maar passeerde beneden in de 'Cidade Baixa', langs de commerciewijk. Ik spring uit op een punt waar ik via een steil lopend straatgedeelte rechtstreeks uitkom op het 'Pelourinho', het bekende plein, een drietal kilometer verwijderd van de 'Lacerdá' liftkoker, die het ondergedeelte verbindt met het bovenstuk. Ik besluit een hotel te nemen in de buurt van het "Castro Alves' plein, waar ik al eens eerder vertoefde. Ik ben afgepeigerd door de hitte en de reis en verlang naar een douche en wat rust. Onder in het hotel is een soort cour en rondom kamertjes, een trap leid naar de bovenverdieping. Nou is Cour misschien wat te dichterlijk uitgebeeld, maar het is een soort binnenplaats met open hemel, waar, als het regend, het water met een buiteling pal voor mijn deur terecht komt, doch zoals gewoonlijk voel ik mij geborgen in het kleine kamertje in de rikketik van Salvador. Salvador is zeker één van de meest Braziliaanse steden, wat te maken heeft met de geschiedenis der slaven, die hier vanuit Afrika, in onmenselijke omstandigheden naar toe werden gebracht, in de meest cruciale haven voor slaventransport in Brazil. Tevens leven hier de meeste negers en hun Afrikaanse cutuur is nu zo degelijk verweven in hun levenswijze dat dit gebied eigenlijk een klein Afrika is in een groot Brazil. Overal is de Afrikaanse drijfveer te vinden; op de eerste plaats in de religieuze cultus de Candomblé, met de verwantschappen Macumba en Umbanda; de artistieke kant van Salvador is een van de mooiste van Brazilië en alleen Rio de Janeiro kan op dit item wedijveren; dan de Bahiaanse keuken, die staat voor ene ongekende weelde aan glorie, gegrondvest op de Afrikaanse ingendienten, en de gele soort stampot 'vatapá', gemaakt van en met dendeolie, kokos, garnalen en knoflook, deed me in Rio soms overwegen alleen al daarvoor af te reizen naar Salvador. In de avond, na een bad met een emmer water, want de watervoorziening liet het af en toe afweten, besluit gedreven door een knagende maag de straat op te gaan op zoek naar iets eetbaars. In de buurt van Rio Branco paleis word ik meteen aangeklampt door de hongerige zwervertjes, die meteen weten wie een potentionele gever is, en smekend hebben ze verdomme gelijk en ik eet ik iets ongecompliceerds in een eettent naar Amerikaans model, vlak naast de liftkoker waar de zwervers op me afkomen gelijk bijen, ze moeten geld, ja, het is geen luxe. Buiten, naast de liftkoker, staarik in de diepte naar de 'beneden-stad', en ver weg zie ik die lichtjes, als vuurvliegen van de boten die afgemeerd liggen in de Allerheiligenbaai, de 'Baia de Todos santos'.
Alle geschiedenis is interessant en hier volgt dan ook mijn beknopte versie. Hier rond de baai was het begin van de ontdekking van Salvador door een zekere Amerigo Vespucci, die voer onder de vlag van de Portugese koning Dom Manuel. Die dag was 1 november 1501. Daarvoor? Leefden langs de kust van Bhaia de Tupinambá en Tupiniquin Indianen. Er blijven veel vragen open omtrent de aanvang periode van Salvador. In de eerste jaren van de 16de eeuw werd de baai al regelmatig bezocht door Franse, Spaanse en Portugese schepen. Het gebied stond onder bevel van een zekere Francisco Coutinho, die in het jaar 1535 aankwam en meteen land begon te distribueren aan zijn manschappen. De Tupinambá namen dat, tot zover, ze hielpen de blanken zelfs en brachten hun voedsel omdat ze dachten dat deze kolonisten vrienden waren van de mysterieuze Diego Alvares, beter bekend onder de naam Caramuru. Over deze persoon is niet al teveel bekend, en bleek een soort handelsagent voor de Fransen, die hem gebruikte, daar hij grote invloed had onder de plaatselijke Tupinambá. Misschien daardoor trouwde hij met de indiaanse Paraguaçu, die later werd gedoopt en de naam Catarina kreeg. Andere verhalen vertellen dat hij werkte voor de Portugezen tégen de Fransen, die hij bedulvelde. Hoe dan ook het blijft en mysterie, doch zeker was Caramuru een authentieke avonturier. Maar de genegenheid van de Indianen ten opzichte van de kolonisten was van korte duur en er brak een geharrewar uit onder de Europeanen. Ze schaarde zich achter de met elkaar oorlogvoerende Indianen. De blanken eisten veel grond en probeerde daarbij de Indianen voor hen te laten werken, doch de stammen waren al lange tijd wantrouwig. Op een gegeven moment besloten de Tupinambá het gevecht aan te gaan en de blanken werden teruggedrongen in hun pasgeboren nederzetting. Coutinha was niet meer in staat zich te verdedigen en vluchtte als een kater met staart tusen zijn benen in 1545 met zijn manschappen naar het zuiden. De goede afloop van de Tupinambá was de impulsveer voor Indianen van andere contreien em eveneens de blanken te verdrijven. Hierdoor werd in juli 1546 de koning verzocht door de donotorio van de plaats Port Seguro om wapens en munitie te sturen als verdediging. Doch... de Tupinambá van Bahia gaven blijk van berouw en werden vrediger, want ook door hun opstelling en overwinning op de blanken verloren zij de zo fel begeerde messen en metalen werktuigen hetgeen voor hun schijnbaar van groot belang waren. Er werd onderhandeld en Caramuru was de bemiddelaar. De Indios vonden dat de Portugezen zelfs tegrug konden keren in hun gebied en Coutinha ging daarop gretig in. Maar dan leed zijn vloot schipbreuk bij het eiland Itaparica. was het een hinderlaag? Of waren ze in handen gevallen van een andere vijandige groep Indianen? Feit was dat alle kolonisten die aanspoelden op het strand vervolgens werden gekanibaliseerd. Alleen Caramuru werd gespaard, maar werd jaren later door het 5 jarig zoontje van een opperhoofd, die hij vermoord had, dienovereenkomstig met statigheid gedood.
OP WEG NAAR HET NOORDOOSTEN VAN BRAZILIË Deel 1: ILHEUS, BAHIA
Jorge Amado de Faria 1912- 2001 foto Wayn, portret in het J.A casa
Het is januari 1998. Mijn reis gaat naar het noordoosten, een gebied dat ik in mijn hart sluit. Niet dat Rio de Janeiro me verveeld, maar ik houd van reizen, iets dat een zekere associatie oproept met de zigeuner. De zigeuners van Brazilië, in hun vale tenten langs de wegen of aan de randsteden, de vrouwen in hun kleurige rokken, proberend de hand te lezen van de passant, de mannen op weg naar handel zoals het verkopen van horloges, en andere mystieke bezigheden, gekleed in spijkerbroeken met leren riemen en opgesmukte gespen, cowboy laarzen en glinsterende zijdehemden. Waarom vind ik hun zo passend in het beeld van het landschap? De 'ciganos' die in 1686 voor het eerst in groepen naar Brazilië werden gedeporteerd, had van doen met de verdrijving van de zigeuners uit Spanje, die volgend de Portugezen een te grote schare en overlast bezorgden. Ook de ciganos die in Portugal geboren waren, en weigerden een vaste woonplaats te accepteren, werden verbannen en naar de Braziliaanse staat Maranhâo getransporteerd. De historie verhaald over de eerste zigeuner die al in 1574 naar Brazilië werd gezonden, samen met vrouw en kinderen, omdat hij niet volgzaam was aan de algemene verbanning. Hij ook de eerste zigeuner met een Portugees klinkende naam: Johâo de Torres, iets dat hem zeker niet met trots vervuld zal hebben, doch, net als de Indiaan werd zijn ziel vervoerd door de zingende wind. Ik voel me vrij als ik reis, een gewaarwording die de cigano eigen is, het leven zonder obsessie afhankelijk van de tijd die voorbij gaat als een mooie vogel rustend op een tak, voortgekomen uit de stam van het leven, het muziekinstrument op de knie en de vrouwen dansend. Doch de romantiek van de zigeuner is verbleekt tot een garde realiteit, zo scherp als de punt van het dolk, terwijl de overlevingdrang voorp staat. Deze intuïtie is me eigen, zoals de zigeuner.
In arriveer in de stad waar de cacao nog steeds een grote rol speelt en de fabrieken in handen zijn van Duitsers en Zwitsers, die de arme werkers alsmaar uitbuiten. Hier is het gebied van de cacao, het fruit van de 'cacaueero', of wel de 'Esterculiâceas', een boom die vijf tot tien meter hoog kan worden. De vrucht zelf kan tot 25 centimeter groeien en bevat ongeveer 50 geelachtige zaden. De cacaoboom mag zeker niet geplant worden onder de open hemel, want schaduw is haar begeerte. Neen, er is meer te vertellen over de chocola die met miljoenen kilo's verorbert wordt, nog steeds kleeft er bloed aan de de bomen, het bloed van de slaaf, die net als in Afrika wordt gebruikt om de cacao vrucht te pukken en te bewerken. De stad Ilheus ligt langs de kust en een 400 kilometer zuidelijk van Salvador. Het is een rustige stad zover mijn indruk reikt en alles in het centrum draait om de mooie fictieve mulata Gabriela uit het boek van de schrijver Jorge Amado, die hier geboren is. Hij plaatste zijn verhaal in het Ilheus van 1925, en werd één van de grootste romans van Brazilië. nou ja, grootste. Nu wordt het woord roman een illusie, want de realiteit was zeker van dien aard dat er gezwoegd werd en geleden, dat de arme sloeber de vruchten van de mooie boom plukte en die weelde toebracht aan de rijken, terwijl de kinderen van de cacaoslaaf opgroeide in de luwte van het leven, net als de vrucht van de cacaoboom. In de middag ga ik op zoek naar een geschikte slaapplaats en vind in het centro een 'pousada', die niet al te duur is. vanuit het raam zie ik de toren van de kathedraal aan het 'praça Dom Eduardo', een plein waar zich het culturele leven afspeelt, en waar langszijde de beroemde bar 'Vezúvio' ligt, waar zich in Amado's roman alles omdraait. Binnen in de bar staat de tapkast waarachter de dranken staan en er zijn zelfs maaltijden vernoemd naar Gabriela, wat tot in de terurnis doorgaat, maar een Amerikaanse gokkast verstoord het romatische tafereel. Ja de tijden zijn einigzins veranderd sinds de fictieve nacib, geboeren Syriër, doch echte Braziliaan, zijn avonturen en desillusies hier beleefde, en waar hij op zoek naar een kokkin, de mooie en wulpse Gabriela tot zijn liefde maakt. Als ik buiten kom zie ik een blanke toerist die een kleine zwarte schoenpoetser uitkaft, daar deze steeds zijn schoenen probeert te poetsen. Naar de hel met deze wanorde toerist waarvan arrogantie van zijn gelaat druipt, maar zo zijn niet allen, gelukkig! Men moet respect hebben voor de kleine schoenpoetsmannen die de straten aflopen om om enkle reais te verdienen op een eerlijke manier! Soms zijn ze zonder onderdak en dan zie ik zie slapen in de portieken van de nacht of zittend op hun klein kistje, wachten op de nieuwe dag. Langs de kathedraal beklim ik de straatjes naar boven, naar het oude gedeelte van de stad, waar ik een antieke kerk bezoek, aangrenzende tuinen, een meditatieplek waar de uitstraling van het oude Ilheus tot leven komt, waar nog oude nonnen in lange gesloten gewaden rondkuieren en de afstammelingen lijken van de laatste zwijgende moeders, en waar oude paters hun laatste zonden bedenken. Want ook zij hadden die, o ja, vergeeft me mijn on-christelijke denkwijze, maar ook de godsdienaars hadden hun zonden, al zal dit voor ieder op zocht persoonlijk zijn, want het zijn ook maar stervelingen. Dit terzijde. Van hieruit is er een geweldig zicht over het lager gelegen stadsgedeelte en de oceaan. Naar het zuiden ligt Olivença, niet ver van het Curupure strand, dit verbonden is met een geschiedenis. Hier was het dat een zekere gouverneur Mem de Sá, de Tupiniquim Indianen insloot tussen zijn troepen en de zee. Het was 1567, en de confrontatie werd 'de slag van de zwemmers' genoemd. Warom? Omdat de Indianen desperade pogingen ondernamen om te ontsnappen via de zee. Het was uitgeloten. Het werd een bloedbad en de stam zo goed als vernietigd. Onder langs de 'Vezúvio' bar zijn capoeira dansers hun kunsten aan het tonen begeleid oor de Birambau. Het oer-Afrikaanse komt hier naar boven van de gevechtdans, die nu is uitgegroeid tot een schouwspel. Op de trappen van de moderne ker uit 1930 zitten de bedelaars, loerend op goedgevende toeristen, en ik zie de man zonder neus, wat nu een zwart gat is zitten te wachten als een verlorene op steun van wie dan ook. Iedere dag zit hij voor de poort vanhet godshuis, en God laat hem gewoon zitten, klepperend met zijn kartonnen doosje. Op het plein krioelt het van de groene kokosnoot verkopers, waarvan het sap veheven is tot de heerlijkste drank van het geheel. Ik loop naar het 'Casa de Jorge Amado, een domicilie uit de koloniale tijd dat nu ingericht is als een museum ter ere aan Amado, ja, verdomme zelfs de straat is naar hem vernoemd. Hier ontmoet ik, neen niet Gabriela, maar een andere schone morena, die mij van harte alles wil uitleggen wat ook maar te maken heeft met de schrijver. De ruimte is ook versierd met schitterende candomblé beelden, die als een hechte groep naast elkaar staan, de goden van de cultus, van Ogun tot Imanjá, en Xango tot Oxalá, waarvoor Amado heeft een solide verering heeft, wat hij in zijn romans tot uiting brengt. Als ik de bloem van Ilheus verlaat regent het lichtjes in Ilheus. De stad heeft óók andere limieten, de armoede, die meer dan de helft treft, waardoor ook hier in deze van oordeel rustige stad, de criminaliteit, berovingen en inbraken geen uitzondering zijn. Door de gestage bevolkingsgroei zijn er veel kinderen, en vele families zijn niet in staat hun telgen te onderhouden. Er zijn velen straatkinderen, die maar moeten zien te overleven, zervend en aalmoes smekend. Sommigen hebben de mazzel om in een weeshuis terecht te komen, mazzel? Of in eeen van de spaarzame opvanghuizen. De waarheid is dat naast de overdreven romantiek van de mooie Gabriela met haar hemelslichaam, de palmbomen en de blauwe oceaan, de werkelijkheid van Ilheus zichtbaar is in de ontbering der krottenwijken. Als ik de volgende morgen de pousada verlaat, om een bus te nemen naar Salvador, is het centrum verlaten. Ik loop in gedachte langs de zijde van de oceaan, waar het circus zijn tent heeft opgelagen, net asl in het boek van Amado, alleen op een andere plek. Is er werkelijk zo veel veranderd in het oude gedeelte van Ilheus? Is de economie vooruit gegaan ten opzichte van de arme bevolking? Is de cacao niet nóg steeds de grote beweegreden van het kapitaal in de streek? De noodlijdende bevolking is er in ieder geval nog steeds.
" ALS EEN BOODSCHAPPER UIT DE HEMEL NEERDAALD EN ME ZOU GARANDEREN DAT MIJN DOOD ONS IN DE STRIJD ZOU VERSTERKEN, ZOU HET DE MOEITE WAARD ZIJN OM TE STERVEN. DOCH DE ERVARING LEERT ONS HET TEGENOVERGESTELDE. GROTE BIJEENKOMSTEN EN HEEL VEEL BEGRAFENISSEN ZULLEN DE AMAZONE NIET REDDEN, IK WIL LEVEN."
"IS STERVEN VOOR EEN NOBEL DOEL WAARDIG? NIEMAND WIL STERVEN, EEN DOEL IS WAARDIG ALS HET VRUCHTEN AFWERPT, ALS DE SITUATIE VERBETERD EN HET DOOD GAAN ANDEREN LAAT DENKEN... CHICO MENDES STIERF VOOR 'ZIJN' STRIJD, DE MENSEN, DE RUBBERTAPPER, DE INDIAAN. HIJ ZAG AL LANG GELEDEN DAT DE VERNIETIGING VAN HET WOUD IN GANG WAS GEZET, DE UITBUITER WAS AL OUD AAN HET WORDEN EN HAD AL NIEUWE OPVOLGERS. HET KAPITALISTISCH SYSTEEM IS ALS EEN CATERPILLAR DIE MET ENORME KETTINGEN ACHTER ZICH AAN HET BOS VERWOEST, HET IS DE DUIVEL DIE HET IN VUUR ZET VOOR DE MACHTIGE, DIE DAAR DE WORSTENKOEIEN LAAT GRAZEN... DE TOEKOMST VAN HET AMAZONE WOUD IS NÓG STEEDS BEDREIGEND, ALLEEN MENSEN ALS CHICO MENDES VESTIGDEN DE AANDACHT OP DIT GEHEEL... DE KAPITALIST IS DIALOOG-LOOS, GÉÉN GESPREK, GÉÉN COMPROMIS, WANT DE INDIAAN ZOU EEN GOEDE BEHEERDER DER BOSSEN ZIJN, DE MENSEN DIE ER LEVEN... DE SERINGUEIROS, DE TAPPERS DER RUBBER, DIE DE BOSSEN OP EEN MEER DUURZAME WIJZE KUNNEN LEIDEN... DOCH NÁ CHICO'S DOOD IS ER IETS MEER BEWUSTWORDING, DAAROM IS ZIJN DOOD NIÉT TEVERGEEFS GEWEEST, NET ALS AL DIE ANDEREN DIE STIERVEN VOOR DE TOEKOMST VAN AMAZONIA."
DE AANSCHOUWENDE PASSANT, DE GRINGO - kort verhaal Wayn - 2000
De blonde man met baard liep terug naar het hotel, waar een novela, zo een Braziliaanse soap, drammerde over de televisie. De conciërge lag achter zijn desk als een dronken zeeman, en de gringo hij betaalde voor nog een overnachting. In de hal maakte hij kennis met Francisco Latino, die zei een socioloog te zijn. Deze zei dat hij afkomstig was uit de stad Curitiba, de hoofdstad van de staat Parana in het zuiden. Ja, Curitiba, misschien wel dé modernste en progressiefste stad van Brazilië, met 20 meter lange bussen en bushokken die van een futuristische omgeving schenen te komen. Zelfs de armste donder kon in Curitiba afval inleveren en er in ruil voedsel voor krijgen, een utopie? Werkelijkheid, zei de maatschappijkundige, die hier in Rio Branco, Acre bleek te zijn voor een bespreking. Hij stelde zich, onder het genot van een fles bier, voor, als een progressief persoon, een vooruitziener, waar in Brazilië een tekort aan was. Hij was klein en mager, had een arabisch uiterlijk, liet de ander denken aan Al Pacino, u weet wel die filmacteur, sprak langzaam, tergend langzaam. Volgens hem kwam het er op neer dat Brazil momenteel een boevenbende was. De gringo zei nog 'momenteel?' en het kwam hem voor dat dit al lang was en momenteel zeker. Hij had er allen een ander woord voor: klucht! De zotheid der illusie, de gewiekste ervarenheid van enkelingen, die het volk manipuleerde en uitbuitte, als was het een bende runderen. De socioloog begon nu met afkondigen, en of de gringo zich wel bewust was dat: "...in Brazilië zijn 53 miljoen mensen die leven van een salaris van minder dan 80 reais per maand; dat 23 van de 100 mensen geen aansluiting hebben op water; dat van de 100 mensen er 47 geen afvoer hebben; dat 153.000 mensen par jaar dood gaan door geweld; dat 70% van de ziektes overgebracht werd door vervuild water; dat 14 miljoen mensen buiten de arbeidsmark vallen; dat in Brazil jaarlijks 100 miljoen reais verdwijnt door administratieve corruptie; dat de buitenlandse schuld 217 miljard bedroeg, de interne 675 miljard; dat het neoliberalisme bloeide als nooit tevoren, en het imperialisme Brazil de keel dichtknijp!" Hij maakte zich terdege kwaad en vroeg of de gringo een standpunt hierover had. Hij zei hem dat de cijfers symptomen waren, alleen dat, seinen, maar dat het probleem oplossen een helse zaak zou zijn. Hij vroeg de gringo verder of die ook socialist was. Hij zei hem dat socialist zijn een relatief begrip was, daar ze zich ook in die contreien de kop inslaan, communist, ai, een vies woord in Brazil, maar men heeft nu de vrijheid van spreken, dat was wel eens anders. Hij prefereerde meer gelijkheid en vrijheid. De kleine Braziliaan vroeg de gringo wat te denken van revolutie? De gringo zei hem dat dit verdomd moeilijk zou zijn want Brazilië heeft veel buitenlandse vrienden, is teveel afhankelijk van het 'gringo' kapitaal. Het belabberde was, zei de blonde man dat Brazil voor het volk een lege pot was. De op analogie van Pacino bekeek hem enigzins, natuurlijk, bedenkelijk, ja, zelfs met suspicie. "Filha's da Puta!," hoerenkinderen, zei hij. "Ja... eens zal er een andere wind waaien!" zei de gringo. "Laten we hopen, het zal nodig zijn!" antwoorde Pacino, furieus. "En de Indianen?" vroeg de gringo. "Os Indios? Zij zullen opgaan in de natie, want wie strijd er nu voor hen?" antwoorde hij met duidelijke droefheid in zijn diepe stem, "Onze Indianen, de trots van Brazil, de ware Braziliaan!" En zou hij gaan huilen, de verloren redder, in het veld van het Braziliaanse terroriserend systeem? "Volgens mij zullen ze nimmer verdwijnen," zei de ander, "ze zijn al te lang een deel van de samenleving, ze zullen blijven harden, vechten, het is hun natuur, zij zijn de Brazilianen met kennis voor alles wat de blanke vernietigd. Ze zijn de vooruitzienende kracht, het gevoelmatige van de samenleving, de helderzieners van de wouden. Men moet naar hen luisteren!" De blonde man keerde terug naar zijn hotelkamertje in het duistere Rio Branco, nier ver van Xapuri, waar Chico Mendes stierf voor het woud, door kogels van krankzinnige despoten, zij die denken dat ze macht hebben over land waar hun God, hen bevoordeeld had! "God?' een naam die meer zou moeten betekenen in deze context, doch, hier is het land dat God vergat... De gringo was onrustig, ging liggen en dacht aan vrijheid en revolutie, en een mulata in Rio de Janeiro, die andere wereld duizenden kilometers verweg van Rio Branco, Acre.
Enkele dagen later, toen hij met zijn rugzak over de brug van de Acre-rivier liep om te vertrekken hoorde hij een man tegen zijn vriend zeggen: '... daar loopt weer zo een vagabundo!' een woord dat in Brazilié een diepere betekenis heeft, zwerver? Neen... in dit context mer slampamper. de gringo voelde zich een redeloze, avonturier, vrije vogel. Hetgeen de twee naïve grimmige Acreaners in deze stad niet konden thuisbrengen. Het was terecht, want het contrast was misschien te ecessief: zij bleven, hij ging. Hij, de gringo, de aanschouwende passant, met een hoofd vol kommer.
Het is zondag. Als ik terug kom in het huisje van mijn vriendin ben ik strontnat, gelijk een straathond, ja, zo voel ik me. Was ik er maar een, dacht ik enigzins grimmig. Het was de zomerregen die me afkoelde en omhelsde want het was slechts 21 graden! Ik moest zonodig lopen, het waarom? Dat wil ik u besparen omdat dit verder ook van geen belang is voor het overige. Toen ik drie uur eerder de modderige straat opliep kwamen de geluiden van zingende gelovigen, van de Evangelische kerkjes, mij tegemoet. Iets té buitensporig, over-tikkeltje vals, teveel 'halleluja' en 'dank U God voor alles!' Ik schud mijn hoofd en begin aan mijn eerste monoloog, terwijl een voorbijganger me vreemd bekijkt: -Dank voor alles? Zouden die kerkgangers het goed hebben? Anders dan de zwerver die onder een afdak ligt in zijn vettige kleren en oude paardendeken? Of als diegene die geen discrete kleding hebben om zo een kerkje met een bezoek te vereren? Die niets begrijpen van de God's verering, zoals de man van de zus van mijn vriendin, die, als zij naar haar kerkje gaat, hij straalbezopen op de vloer ligt. Twee verschillende werelden, zij die bid voor zijn welzijn en hij die haar laat in het halleluja.- Verder weg hoor de geluiden uit de kroegjes waar de mens zijn cerveja of pinga nuttigt, neen, geen gelovigen van de devotie-gemeenschap, want die drinken niet, roken niet en... nou ja, gezonden mensen, voor een betere wereld? Ik loop en loop en de regen maakt me gelijk een verdwaalde in het grote amazonewoud. Op het plein van Itaborai (de stad nabij Rio waar ik woon) is zo goed als niemand te zien, wie zou ook? De bomen zijn nat, het witte katholieke kerkje glimt, de verliefde paartjes zijn ergens anders aan het strelen, de ronde hutachtige kroegjes op het plein zijn verlaten, het popcorn-mannentje wacht op beter weer en het lijkt alsof het beeld van de Madonna van Fatima zwarte tranen huilt. Ja, een regenachtige Braziliaanse zondag zonder twijfel. Langs de de hoofdweg, genoemd de BR 101, die van het zuiden van Brazilië naar het noorden loopt, scheuren de auto's voorbij en regen spatterd terug de hemel in. Hier in deze stad is regen nog niet het grote euvel, maar hoe zouden de mensen het in de favela's maken? 2de monoloog: '... en de risicogebieden zoals men deze hier noemt. Ze zijn talrijk en door de regenval treden verzakkingen op in de heuvelmassa met gevolg ingestorte huisjes, schreeuwende kinderen en vele doden. De overheid heeft een advies: de mensen moeten vertrekken uit deze gevaar zones, maar naar waar, heren papier-koppen? Overheid? Kritiekloze ambtenaren, slaafs aan hun 'commedant', zonder enig besef van gevoel. Doch de sloppenbewoners hebben geen andere keus, regen, verdomme! Dit buiten de drugstraficantes en politie die als doorgedraaide paljassen rondschieten. Waar is God! En men stelt ook nog dat Hij een Braziliaan is! Nondesju! Porra! De mens met en salaris van 220 reais, een aalmoes, waardoor er géén mogelijkheid bestaat, en huren is duur, dus blijven zij, met de gevolgen van dien!' De straathonden zijn beter af en ik zie ze liggen te dommelen op een welbewust gekozen plekje ellkander liefkozend. 'Dank u God voor alles', en de woorden blijven resoneren in mijn hoofd. Onderweg kom ik nog andere kerkjes tegen met muziek en handgeklap. zoals 'God is Liefde' of 'Assambleia de Deus', en dan de suikerzoete alles overtreffende 'Igreja Universal', de Universele kerk, de grootste in Brazilië. De Katholieke kerk kan aan een poepje ruiken! De Universele is een voorbeeld, een leidraad voor de pauselijken! Aha! En hoe kan dat nou allemaal? 3de monoloog: '... halleluja!!!!!!!!! Ik zeg u dat 90% van de Brazilianen katholiek is, in God geloven, 83% zelfs in het paradijs en hoe rijker men is hoe meer men gelooft in reïncarnatie. Van die 99 zijn er weer meer als 60% die een macumba-cultus aanhangen, de Afrikaanse kracht ooit meegenomen door Afrikaanse slaven en waar Jezus het evenbeeld is van Oxalá, en Imanjá die van Maria. Mijn hoofd begint te tollen, ik word enigzins gek, ik wil naar de zeefmolen op de kermis, ik wil weg uit de zacht vallend regen, geef mij mijn zin want ben ik niet een 'usufructuarius'? liefhebber van fruit? Een paradijs voor iedereen? Allen? Het zal niet kunnen, het zou een warboel worden, een paradijs voor iedereen. Waar is God? De Heiligen? Beschermen zij hun territorium niet? Nada!!!!!!! Want in Rio de Janeiro werd zelfs de kerk van de heilige Santa Luzia, beschermster van de ogen, beroofd, ja, zelfs de gebedenhuizen zijn niet meer veilig en Santa Luzia kon niet voorkomen dat de dieven er met de offerte van die dag, nog wel van Háár viering, vandoor gingen, 10.000 reais. De bandieten punderden namelijk de kerk-kluis, en de duivel stond op de stoep en lachtte. 'Hoe ver gaat men? Als men over gaat tot het beroven van kerken?' vroeg de krant. Maar wat is er met het beroven van de mens? Aha...'assalto's' in Rio... Ik denk weer aan het voorval in die bus toen een passagier, die achter in de bus zat zich bedreigd voelde, en zag dat twee jongens een andere passagier bedreigde met een mes. Hij trok zijn pistool en schoot de overvallers een lading lood naar binnen. Daarna schreeuwde de held-moordenaar om dit 'afval' de bus uit te smijten, hetgeen ook meteen gebeurde. De man ontkwam met een groep lijm-snuivende straatkinderen, en in de krant noemde men hem 'justiçeiro', de man van gerechtigheid. Niemand had iets gezien, ieder keek omhoog, uit angst en naar God. Velen mensen keuren zo'n actie goed, gerechtigheid, of misdaad loont niet, maar hier in Brazilië is criminaliteit een nasleep van onvermogen, van een tekortschietende corrupte structuur. De politie, die vindt dit in orde, want zij hebben werk in overvloed, en grotere problemen, zoals corruptie binnen het apperaat en drugs. Het justicieël systeem loopt traag en achter, het mechanisme is verroest, een speelpop waarvan de batterijen zo goed als leeg zijn.' 4de monoloog: ... Dwalingen? Neen, het heeft van doen met een beleid vol van denkstoornissen, een mega onderscheid tussen rijk en arm... Nooit zal er pariteit zijn, evenredigheid, zolang de geldelijke-hoogmoed bestaat en het kapitaal regeert. Sommigen doden om te overleven, anderen om zich te verrijken en God ziet dit alles gebeuren. God ziet toe, hoe kreupelen, mensen zonder benen zich voortbewegen in een wereld van beton, hoe moeders hun lamme kinderen op hun rug over de straat slepen omdat er geen rolstoel is, hoe mensen doodbloeden op straat op sterven voor de ziekenhuisdeur. Waar is dan gerechtigheid? Hoe omschrijft men zo een woord? Bevattingsvermogen? hersenen? Menselijkheid?' Het is zondag en in ben een doordrenkte kater, maar gezond. De vage straatlichten reflecteren op het asfalt, de dansende druppels, de tranen der engelen en ik loop het braakliggend stuk grond op waar de kermislichten kleur geven aan de donkere trieste avond. Ik koop een zak met honingzoete popcorn en zie de kinderen uit het gammele spookhuisje komen, de wereld rondom vergetend, die andere wereld en ik denk weer aan de witte mooie straathond 'Branco', mijn trouwe vriend, die verdween, toen ik laatst vetrok uit Brazilië. Weggelopen? Ontvoerd? Opgegeten? Neen... ik denk dat hij me was gaan zoeken. Ik die altijd met hem ging lopen en de zigeuners vertelde dat Branco uit Rusland kwam, net als ik. Als ik bij het huisje kom hoor ik de kerkgangers nod steeds zingen, alsof ze nooit zouden ophouden, en extatisch scheeuwen: 'Te Amo Deus!!!!!!!' 'Ik hou van God!', en ik? Ik dacht aan een song van Lee Clayton met de nooit eindigende titel: 'And the dream goes on.'
De militaire politie bij een dode in de favela 'Complexo do Alemâo' foto reuter
De criminaliteit in vele favelas is enorm en de bandieten hebben hier hun betrouwbare schuilplek, onder de meer als twee miljoen bewoners van de sloppenwijken in Rio, waar geregeld grote drugstransporten naar de benedenstad georganiseed worden en jongeren, doch ook ouderen, het koerierswerk doen. Verder zijn de 'boca's de fumo', de verkooppunten in de favela het levenspatroon en wordt verhandeld als nimmer tevoren. Dan zijn er de misdaadorganisatoren die uitblinkers zijn in het gijzelen en velen rijken zakenmensen vallen ten prooi, en betalen is de enigste optie. Wie heeft de ruggengraat om naar boven te gaan? Politie? Wel, deze waren vaak te slecht bewapend met hun kermispistolen, terwijl dedrugsbaronnen hun mensen goed uitrusten met de modernste mitrailleurs. De politie was dan een klucht en lage lonen, slecht materiaal en angst waren de drijfverenen terwijl wekelijks politiemannen werden doorzeefd met kogels. Nu is er het elite politiekorps genaamd BOPE, die onmenselijker zijn, hierover dadelijk meer. Door al deze voorvallen gaat de militaire politie steeds meer als eigen heerser spelen en de wraakacties worden gewoon, waardoor velen onschuldige mensen de dood vinden, verdwaalde kogels, noemt men het zo mooi, waarvan vele kinderen het slachtoffer zijn. In het geval van de politiemoorden worden 75 procent de straffen niet uitgevoerd, mede door gebrek aan bewijs, ook daar de getuigen werden geintimideerd en niet de moed hadden te getuigen. De politie is in sommige favelas meester, doch vijand van de 'trafikantes', de dealers, zoals ook van de bewoners. Drugsbazen zijn echter heer en meester in de meeste favelas, en bewoners noemen hun vaak hun 'bandieten', daar ze dingen verrichten die de gemeenschap laat afweten, het aanleggen van sanitaire voorziening of schooltjes. Doch de dealers dulden vaak geen tegenspraak, die kan worden afgestraft met de kogel. Kranten hebben dan ook soms de meest bizarre fotos van de gevolgen der conflicten onder trafikanten, zij die proberen de macht te behouden op een verkooppunt, het zijn de benden-oorlogen: verbrande lijken, resultaat van de zogenaamde'barbeque' waar het slachtoffer in een grote autoband word gebonden, overgoten met kerosine en in brand gestoken. Anderen worden doorzeefd met kogels en anderen levend gevild. De dood is voor de drugsbaas een bagatel, die hun aanzien presenteerd. De bewoners? Die moeten dit vaak accepteren, ook daar zoals ik al zei de bandieten hun tegemoetkomen met sociale voorzieningen. Maar soms is het oorlog als de politie een inval doet en de kogelregen door de door de steegjes waaien, als de mensen bang zijn en kinderen onder kasten en bedden kruipen, als de politie soms met hun kleine tanks, de 'Caveirâo' opkomen en schieten op alles wat beweegt. Dit is het 'Bope', het 'speciale politie operatie batalhon', een speciaal getrainde eenheid, opgeleid om in 'stads-oorlogen' te werken. Zij vallen de favelas binnen met hun stalen-rollende-bunkers en helikopters. En nu gaat het hard tegen hard, de drugsmensen contra de Bope. Ja, de mensen zijn bang voor de verdwaalde kogel en ze roepen om God en Oxalá om steun, ze willen leven en niet de emotie voelen van de dood, die hun zielen probeert te betasten. Ze hebben weinig invloed op hetgeen er gebeurd in de favela, doch, soms worden er groepen gesticht, die proberen die een zekere inspraak zouden kunnen krijgen over wát er zich afspeelt in hún favela. Ik zeg letterlijk hún, want ze zijn het die er leven, een andere optie is er niet, geen geld, geen keuze, geen God. Dagelijks zijn er oorlogen en doden in de sloppenwijken van Rio de Janeiro, waar jaarlijks méér doden vallen dan in de Gaza-oorlog, maar een oplossing is van verre. Het systeem zal geen oplossing brengen, de armoede en de aanwas van paupers uit het arme noordoosten zullen de favelas doen groeien, terwijl de economische toestanden de oorzaak zijn voor de labiele handel. De corruptie speelt haar spel en het is overleven voor de armen, al is het onder het bewind van 'os banditos', en het terreur van de militaire politie. Rio de Janeiro heeft een positie die zeker zal doorklinken in de toekomst, en als de hongerende bevolking geen raad meer weet met de situatie, als kinderen opgeleidt worden tot omgaan met automatische wapens, en als die jongeren stellen, dat drugs geld is, geld wapens en wapens macht, dan is de vos in hun ziel ontwaakt. Alhoewel? Zou hij slim genoeg zijn om de zee te bevaren, het woeste water van hun gedachten? Doch de jongeren zijn vaak de nieuwe drugssoldaten, die profetisch spreken als ze zeggen dat dit alles lonend is, de macht, want niemnd anders heeft hun iets te bieden en de rijken zijn meestal de afnemers van de drugs, zij hebben het geld, dure wagens, wonen in sjieke buurten en verwensen hun. Daarom is het goed dat er organisaties zijn die opkomen voor de mensen en vooral jeugd. Ze hebben mijn steun. De favelas zijn de vuurtorens van Rio de Janeiro, ze zijn niet te ontlopen en ergens zijn ze te bont en belangrijk in de Braziliaanse samenleving. Soms lijkt het of ze nodig zijn en de bewoners leven er in hun eigen sfeer, doch ze 'zíjn' nodig, het is een gegeven, de sloppenwijken zíjn de steden van de mensen, de armen, hopend op een wereld die eens anders zal worden, maar vooralsnog een ernstige blijkt.
IBISS - PROJECTEN IN DE KROTTENWIJKEN VAN RIO DE JANEIRO
Nanko Van Buuren en medewerkers (Foto stichting Auxilia)
IBBIS WERD IN 1989 OPGERICHT DOOR DE GRONINGER NANKO VAN BUUREN. HIJ TROK ZICH HET LOT AAN VAN DE KANSARMEN IN DE FAVELA'S. HIJ WIST HET VERTROUWEN TE VERKRIJGEN VAN DE DOELGROEPEN EN fAMILIES ZIEN WEER PERSPECTIEF VOOR HUN KINDEREN. OOK DE DRUGSBAZEN HEBBEN EEN GOED CONTACT MET NANKO EN IS WEDERZIJDS BEGRIP. MET EEN STAF VAN 300 MEDEWERKERS WERKT IBISS IN DE MEEST GEWELDADIGE KROTTENWIJKEN VAN RIO EN PROBEREN EEN ZO BREED MOGELIJKE DOELGROEP TE BEREIKEN: ER WORDT GEWERKT MET STRAATKINDEREN, PROSTITUEES, VUILNISSCHEIDERS EN ZWERVERS. KINDEREN DIE DOOR ONVOORZIENE OMSTANDIGHEDEN IN DE PROBLEMEN ZIJN GEKOMEN WORDEN OPGEVANGEN EN BEGELEIDT. SAMEN MET DE FAVELABEWONERS WORDT GEWERK AAN VERBETERING VAN HUN POSITIE, ER IS PREVENTIEVE GEZONDSHEIDSZORG EN ZORG VOOR GEHANDICAPTEN. HET OPKOMEN VOOR DE RECHTEN VAN DE MENSEN IS EEN STREVEN.
Op de linkerbalk kunt u de SITE van IBBIS bereiken
MACHADO DE ASSIS kort verhaal 'Wil je stelen, steel dan goed!'
Braziliaans schrijver geboren als Joaqim Maria Machado de Assis te Rio de Janeiro 1839-1906 zoon van een mulat en een Portugese moeder, en kleinzoon van de bevrijde slaven
De 'rua de Ouvidor' in Rio de Janeiro, rond 1900, die De Assis de 'levende krant' noemde, waar hij zich thuisvoelde en schrijvers bijeen kwamen
Volgend een van zijn korte verhalen: 'WIL JE STELEN, STEEL DAN GOED!' uit 1905 vertaling uit Portugees door August Willemse:
Op een avond, vele jaren geleden, wandelde ik met een vriend op het terras van het Theater Sâo Pedro de Alcántara. Het was tussen het tweede en derde bedrijf van 'Het Vonnis, of de bank van Gezworenen'. Alleen de titel is me bij gebleven, en het was ook alleen de titel die ons bracht op een gesprek over juryrechtspraak en een gebeurtenis die ik nooit heb vergeten. 'Ik ben altijd tegen het jurysteltsel geweest,' zei mijn vriend; 'niet vanwege de instelling als zodanig, die liberaal is, maar omdat het me tegen de borst stuit iemand te veroordelen, en om dat voorschrift uit het Evangelie: "Oordeelt niet, opdat ge niet geoordeeld wordt." Niettemin heb ik twee keer deel uitgemaakt van een jury. het gerechtshof was in de oude Aljuba-gevangenis, aan het eind van de Rua (straat) dos Ourives, begin van de Ladeira da Conceiçâo. Mijn scrupule was zo groot dat ik, op twee na, alle verdachten heb vrijgesproken. De misdrijven leken me bijna nooit werkelijk bewezen; een of twee processen waren onregelmatig gevoerd. De eerste verdachte die ik veroordeelde was een nette jongeman, beschuldigd van verduistering van een som gelds, niet groot, eerder onbetekenend, door middel van vervalsing van papieren. Hij ontkende niet, kon dat ook niet doen, maar bestreed dat het initiatief tot de daad van hem zou zijn uitgegaan. iemand, wiens naam hij niet noemde, had hem op het idee gebracht langs deze weg een oplossing te vinden in een benarde situatie; maar God, die in de harten der mensen zag, zou de werkelijke dader zijn verdiende straf niet onthouden. Hij zei dit zonder nadruk, triest, met doffe stem, kleurloze ogen, en een zo bleek gezicht dat het om medelijden mee te krijgen was. De officier van Justitie zag juist in die gelaatskleur de schuldbekentenis; de advocaat daarentegen wees erop dat die bleekheid en die verslagenheid het verdriet verrieden van de belasterde onschuld. Ik zal zelden een zo briljant debat hebben meegemaakt. De aanklacht van de officier van justitie was kort, maar krachtig, verontwaardigd, op een toon die bijna haat leek te suggereren. Wat de verdediging betreft: daar was, behalve het talent van de advocaat, de bijzondere omstandigheid dat dit diens debuut aan het hof was. Familie, confraters en vrienden wachtten al lang van tevoren op het eerste pleidooi van de jongeman, en ze wachtten niet voor niets. Zijn speech was overduidelijk. Die advocaat is twee jaar later gestorven, in 1865. Wie weet wat er in hem verloren is gegaan! gelooft u mij, wanneer ik een talentvol jong mens zie sterven, doet het meer dan wanneer een oude man sterft... Maar om terug te keren tot mijn verhaal: op de repliek van de advocaat, volgde een dupliek van de officier van justitie en een tripliek van de verdediging, de president van de rechtbank resumeerde de argumenten, de acte van beschuldiging werd voorgelezen en overhandigd aan de voorzitter van de jury, en dat was ik. Ik zal u niet zeggen wat zich afspeelde in de jurykamer: behalve dat dat geheim is, is het van geen belang voor het onderhavige geval, dat, moet ik u zeggen, ook maar het best verzwegen kan worden. Ik zal het kort maken, het derde bedrijf begint aanstonds. Een van de gezworenen, een forse, rossige man, leek meer dan wie ook overtuigd van de schuld van de beklaagde. Het proces werd bestudeerd, de stukken herlezen, de antwoorden gegeven (elf stemmen tegen één); alleen het rossige jurylid bleef tot het eind toe onrustig. Pas toen het resultaat van de stemming veroordeling verzekerde, was hij tevreden, en zei dat het een daad van zwakheid geweest zou zijn, of nog erger, als de jongen was vrijgesproken. Een van de leden (ongetwijfeld degene die tégen had gestemd) zei nog iets ter verdediging, waarop de rossige - hij heette Lopes - geërgerd antwoordde: "Hoe kunt u dat zeggen? De schuld is méér dan bewezen." 'Heren, geen discussie meer,' zei ik, en iedereen was het daarmee eens. 'Ik discussieer niet, ik verdedig mijn stem,' vervolgde Lopes. 'De schuld is méér dan bewezen. Hij ontkent zijn verantwoordelijkheid, natuurlijk, dat doen ze allemaal, maar een feit is dat hij de fraude heeft gepleegd, en wat voor fraude! Alles voor een ellendige tweehonderd mil-reis! laat hij liever goed stelen! Wil je stelen? Steel dan goed!' 'Steel dan goed!' Ik moet bekennen dat mijn mond openviel, niet omdat ik de woorden begreep, integendeel: ik begreep ze niet en vond ze ook niet helemaal fantsoenlijk, en juist daarom viel mijn mond open. Ten slotte ging ik naar de deur van de jurykamer, ik klopte, de deur werd opengedaan, ik ging naar de rechterstafel, overhandigde het resultaat van onze bespreking en de verdachte werd veroordeeld. De advocaat ging in beroep; of het vonnis is bevestigd of het beroep gehonoreerd, weet ik niet; ik de zaak uit het oog verloren. Toen ik het gerechtshof verliet, moest ik weer denken aan de woorden van Lopes, en ik meende ze toen te begrijpen. "Steel dan goed!" was alsof hij wilde zeggen dat de veroordeelde de ergste soort dief was, namelijk een minderwaardige dief, een kruimeldief. Ik vond die verklaring, nog in de Rua dos Ourives, bijna op de hoek van de Rua de Sâo Pedro. Ik liep een eindje terug, in de hoop Lopes nog te zien en hem de hand te drukken; geen spoor van de man. De volgende dag zag ik in de krant, bij de rechtbankverslagen, zijn volledige naam; ik vond het neit de moeite waard hem op te zoeken, en ik was de naam ook meteen weer vergeten. Zo zijn de bladzijden des levens, placht mijn zoon te zeggen toen hij verzen schreef, en hij voegde eraan toe dat die bladzijden elkaar opvolgen, "sneller vergeten dan gelezen". Dat was wat hij rijm noemde; de versvorm weet ik niet meer. In proza zei hij me, een hele tijd later, dat ik zitting moest nemen in een jury, waarvoor ik juist was aangewezen. Ik antwoordde dat ik dat niet zou doen, en citeerde het bijbelvers; hij drong aan, argumenterend dat het een burgerplicht was, een onbetaalde dienst die geen enkele fantsoenlijke burger zijn land mocht weigeren. Ik nam zitting, en was aanwezig bij drie processen. Een daarvan betrof een employé van de Bank van Eerlijke Arbeid, een kassier, beschuldigd van verduistering. Ik had gehoord van het geval, dat in de kranten niet veel aandacht kreeg, en ik las de misdaadrubriek toch al weinig. De beschuldigde nam plaats in het fameuze beklaagdenbankje. Het was een maere, rossige man. Ik keek eens goed naar hem, en voelde een schok: ik meende mijn collega te zien van die rechtszaak van een paar jaar daarvoor. Ik had hem niet zo nauw herkend omdat hij nu mager ws, maar het was dezelfde kleur van haar en baard, dezelfde houding, en ten slotte dezelfde stem en dezelfde naam: Lopes. ''Hoe is uw naam," vroeg de president. "Antonio do Carmo Ribeiro Lopez." De eerste drie namen wist ik niet meer, de vierde was dezelfde, en andere kenmerken kwamen mijn herinnering bevestigigen; het duurde niet lang of ik herkende met stelligheid de persoon van die lang verleden dag. Ik moet u eerlijk zeggen dat al die omstandigheden mij verhinderden de ondervraging nauwlettend te volgen; veel daarvan is me ontgaan. Toen ik zover tot mezelf gekomen was dat ik echt naar hem kon luisteren, was de ondervraging al bijna ten einde. Lopes ontkende alles met stelligheid, of gaf antwoorden die de procesvoering compliceerden. Hij liet zijn ogen zonder enige angst of gespannenheid rondgaan, misschien zelfs met een onmerkbaar lachtje om zijn mondhoeken. Volgde de acte van beschuldiging. Het betrof fraude, en de verduistering van honderd en tien contos de réis. Ik zal u niet vertellen hoe het misdrijf en de dader werden ontdekt, want de tijd dringt; ik hoor het orkest al stemmen. Wat ik u wel wil vertellen is dat ik zeer onder de indruk was van de lezing van de stukken, het onderzoek, de documenten, de vluchtpoging van de kassier, een reeks verzwarende omstandigheden en ten slotte de getuigenverklaringen. Ik luisterde, maar met geheven hoofd, kijkend naar de griffier, de president, het plafond en de mensen die hem gingen oordelen-waaronder ik. Toen hij mij zag, herkende hij me niet; hij keek me einige tijd aan en glimlachte, zoals hij tegen de anderen deed. Dat hele gedrag diende zowel de aanklacht als de verdediging, precies zoals, jaren daarvoor, het gedrag van die andere beschuldigde door aanklager en verdediger verschillend was uitgelegd. De officier van justitie zag er het toppunt van cynisme in, de advocaat toonde aan dat slechts onschuld en de zekerheid van vrijspraak de grond kon zijn voor een dergelijke gemoedsrust. Terwijl beide sprekers het woord voerden, dacht ik aan de lotsbeschikking dat daar, in hetzelfde bankje van de ander, nu deze man zat die gestemd had voor die ander, en als vanzelfsprekend herhaalde ik bij mezelf de bijbeltekst: "Oordeel niet, opdat ge niet geoordeeld wordt." Ik moet toegeven dat het me meer dan eens koud langs de rug liep. Niet dat ik me zou bezondigen aan fraude, maar ik zou, in een vlaag van verstandverbijstering, iemand kunnen vermoorden, of ik zou ten onrechte beshuldigd kunnen worden van verduistering. Hij, die toen oordeelde, werd nu zelf geoordeeld. En meteen na het bijbelwoord moest ik denken aan het woord van diezelfde Lopes: "Steel dan goed!'' U kunt zich niet voorstellen hoe ik me daardoor geschokt voelde. Ik riep me alles te binnen wat ik u juist verteld heb: zijn korte speech in de jurykamer, en die laatste woorden: ''Steel dan goed!'' Ik begreep dat hij geen minderwaardige dief was, geen kruimeldief, maar een dief met klasse. Het bijwoord bepaalde onherroepelijk de daad: ''Steel dan goed!" Hij bedoelde dat een mens zich niet tot een dergelijke daad moest verlagen zonder dat de som in kwestie hoog was. Niemand steelt een paar stuivers. Wil je stelen? Steel dan goed! Gedachten en woorden tolden door mijn hoofd, en verhinderden mij aandacht te schenken aan het resumé van de debatten dat de president gaf. Toen hij klaar was, las hij de acte van beschuldiging en we trokken ons terug in de jurykamer. Ik kan u hier in vertrouwen vertellen dat ik voor veroordeling stemde, zozeer was ik overtuigd van de verduistering van die honderdtien contos. Bovendien was er, onder de diverse stukken, een brief van Lopes waaruit het misdrijf zonneklaar bleek. Maar blijkbaar las niet iedereen met dezelfde ogen als ik. Twee juryleden stemden met mij mee. Negen waren niet van zijn schuld overtuigd, de acte van vrijspraak werd opgesteld en gelezen, en Lopes was een vrij man. Het verschil in stemmen was zo groot dat ik aan mezelf begon te twijfelen. Misschien had ik me vergist. Nu nog voel ik soms mijn geweten knagen. gelukkig maar dat Lopes, als hij werkelijk niet schuldig was, niet gestraft is door mijn stem, en die gedachte troost me uiteindelijk voor mijn dwaling, maar het knagen van mijn geweten blijft. Het beste is niet te oordelen, om niet geoordeeld te worden. Steel goed! Steel slecht! Steel zoals je wilt! Het veiligste is niemand te oordelen... Kom, de muziek is afgelopen, laten we onze plaatsen opzoeken.'
DE MATIS INDIANEN LEVEN OP DE GRENS MET PERU EN BRAZILIË IN DE YAVARI VALEI ZE LEEFDEN DUIZENDEN JAREN VAN JAGEN EN VERZAMELEN, VANDAAG ZIJN ER NOG EEN HANDVOL DIE DEZE MANIER VAN LEVEN... LEVEN
GEEF ZE VRIJHEID! LAAT ZE IN VREDE!
FOTOS & BRON & VOOR VERDERE INFO OMTRENT STAMMEN: WWW. AMAZON-INDIANS.ORG
Ik berichtte hier al eerder over: het condoomfabriek. Nu is het zover, in Xapuri, in de deelstaat Acre staat wereldgrootse regenjasjesfabriek met een opbrengst van 100 miljoen rubbertjes per jaar. Dit is in de plaatst waar Chico Mendez leefde en werd vermoord, het gebied waar mensen worden opgeruimd, bomen gekapt, bossen verbrand, (wat vervuiling kan er in Amazonas nog wel bij) waar de mensen langs de rivieren kreperen... Men zegt dat de condooms vervaardigd worden van latex gewonnen uit de bomen dóór de seringeiros, de rubbertappers. Trots wordt ook vermeld dat het een 100% Braziliaans product is, want ze hadden zo al niet vertrouwen in de buitenlandse rubbers... Waar de rubberboom al niet goed voor is, de voormalige rubberbaronnen hebben nu een nieuwe naam: kapotjebaron.... alleen wachten of de Braziliaan het regenkapje ook gebruikt in die mate... Het blijkt dat de katholieke macht al zover uitgeschakeld is... nou ja...
Velen uren later kwam ik aan in Linhares, waar ik een hotel nam en me grondig verschoonde. Ik kon de slaap niet vatten en liep daarom in de ochtendzon parallel aan het meer van Juparana en probeerde enigzins tot rust te komen. Ik bad tot de Heer en vroeg om vergiffenis en beraadde me wat te doen. Ik was nu een moordenaar, een vervloekte beul, de gesel van zijn Heer. Ja ik, die de boeken zo goed had bestudeert en van wie men zei dat ik een uitzonderlijke theoloog was. Maar hoe had de duivel mijn ziel kunnen nemen?"Doch was mijn daad niet terecht?' vroeg ik mezelf af, want de pooier was een onverlaat geweest, een klerelijer, het leven niet waardig. Ook al ben ik evangelist, dit was mijn conclusie. Ik wilde niet terug naar Maria en mijn kinderen, ik kon niet verder leven als prdeikant van God met de moord in mijn gedachten. Diezelfde dag nog vertrok ik naar Mangaratiba, een kleine plaats in de buurt van Rio de janeiro, waar Emiliano, een neef van me woonde. Ik vertelde de ouwe man dat ik vrouw en kinderen verlaten had. Gewetenswroeging overviel me, maar ik dach dat de kerkgemeenschap wel voor hun zou opkomen en dat stelde me gerust. Doch ik vertelde mijn neef niets over de moord op de pooier. Ik wilde nu een nieuw leven beginnen en zo werd ik medebewoner in het huisje van de oude Emiliano die dit eigenlijk best waardeerde, een afleiding dat zijn godvrezende neef hem hier gezelschap hield. Ik kreeg een baantje als karsjouwer in de vishal en ik ontspande me in de mooie heuvels rondom, of bezocht het 'Ilha Grande', een eiland vol met tropisch bos, oude ruines en muskieten. Maar het deerde me niet en hier vond ik rust op het eiland waar papegaaien, kolibries, aapjes en miljoenen vlinders me deden geloven in het paradijs. In het oude gedeelte van Mangaratiba bezocht ik vaak de bar "Canto da peixada' en hier kwam ik Leda tegen, een negerin met een lang ei-achtig hoofd, grote mond, wijde ogen, kroesharen, grote tieten en stevige benen, die als zwartgoudpilaren glommen in de zon. Ze had twee kinderen en was getrouwd met een zekere Evaldo, een saaie man met Italiaans-Arabisch- en wat Duits bloed. En hoe, nondesju, wordt een mens zo snel verliefd? Toch in feite was Lena de drijfveer geweest, want ze verleidde me met haar wiegende kont en nam me op een dag mee naar een motel in Itaguai. Daar vertelde ze me dat haar liefde voor de saaie maar waanzinnige Evaldo geen bestaansrecht meer had, en dat ze alleen samen hokten voor de kinderen. Zo ging dat. We gingen elkaar liefhebben op een weer andere manier. Eerst stiekem in het motel dat onze geheime liefdesplek werd, waar we geluk zochten ver weg van de realiteit van Mangaratiba. Hier zwoeren we trouw, als tenminste zo iets bestaat. Liefde is een gegeven en deze werd zo sterk dat ik haar wilde meenemen naar een veraf gelegen land. Doch Leda had eerst haar twijfels, maar haar drang naar het avontuurlijke was te sterk, aangetrokken als een mier op suiker. Ze sprak met haar zuster die voor de kinderen zou zorgen en vertrok met mij, weg uit Mangaratiba naar een bestemming in Goias, het Braziliaanse hoogland. Een plek waar ze rust en liefde moest vinden tussen de runderen, in een houten kotje. Maar mijn lust werd weer buitensporig en ik werd bruut. Ik dacht aan mijn kleine vrouw Maria en aan de mulattin Isidra. Leda werd bang voor mij, dacht te veel aan haar kinderen en keerde op een dag terug naar Mangaratiba. Daar werd ze door haar man halfdood geslagen en ze vluchtte naar Rio, naar een favela waar een andere zus zich over haar ontfermde. Zo is het leven.
En ik? Ja... Ik vertrok naar Amazonas, waar ik nu leef in de buurt van Jabura langs de Purus rivier, waar ik me het lot aan trek van de caboclos, de halfbloeden en hun kinderen. Ik, die het weer als een roeping zag en mijn verleden probeerde te vergeten in de groene hel. Doch hoe sterk is de noodzaak van de innerlijke hartstocht? Zou ik een nieuwe vrouw vinden voor mijn driften, mijn gevoel dat ergens diep uit de hersenkernen moet komen, een barbaars gevoel, dat misschien ieder van ons in zich draagt?
Ik zeg u, ik kwam teneergeslagen aan in Itabuna. Vandaar nam ik een bus richting Vitoria de Conquista en vandaar kreeg ik een lift met een oude gammele truck tot aan Belo Horizonte. Ik leefde drie jaar in de stad van de mooie horizon, doch het waren geen opwindende. Ik werkte in een grote supermarkt en een frisdrankenfabriek en ging met regelmaat naar de hoeren en leefde verder voorbeeldig. Als men dit zo kan noemen. Op een dag werd ik overvallen door heimwee, een verlangen terug naar mijn oude pa in het vissersdorp Mamanguape in het verre noordoosten, daar waar de krabben dansten in de modderrivier en kinderen doken en spartelden als kleine waterratten. Daar waar armoede was en de herinnering aan mijn eerste liefde. En hoe moet ik u verklaren dat ik later een opleiding aanvaarde als pastor? Afgezant van de kerk 'God is Liefde"? Dat ik een strijder werd voor een betere toekomst voor de armen uit mijn geboorteplaats? Was dit een zegening? Misvatting? Missie? Vergoeilijking? Een excuus voor al hetgeen ik bewerkstelligde in negatieve zin?Was ik daarom de stappen gevolgd om de leer van God te aanvaarden? Vraagtekens. En is een vraagteken niet een thema, een middenweg der toekomst, een onzekere uitkomst, een het waarom van de hersenen die worden omgezet in twijfel. Ja, twijfel!
Ik trouwde met kleine Maria en ze schonk mij vier kinderen. Allen zonen. Was ik een uitverkorene? Had God me al vergeven? Maar wat had ik eigenlijk misdaan, zou een filosoof zich dat niet afvragen? Wat had die Arimathe eigenlijk fout gedaan? Was ik schuldig aan de dood van Xaxaxa? Was ik niet een robuuste rebelse jongeling geweest die zijn gevoelens niet kon beheersen? Die verlangde naar iets wat zijn verdriet en bitterheid voor de dood van zijn eerste liefde Analia niet kon verwerken? Was ik een les voor me zelf geweest, een spiegel der hersenkwabben? En zo nu en dan had ik, als liefdevolle evangelische pastor, toch nog een natte droom over een magere vrouw in Ilheus. en ik nam de volle beslissing om haar op te zoeken. Ik had het steeds weten te verdringen tot die nacht dat Isidra zo duidelijk en bevelend in mijn droom verscheen, zo paradijselijk, dat ik met een geraffineerde smoes tegen mijn lieve kleine vrouw zei: '...ik moet voor enkele dagen naar Salvador voor een retraite van de kerkgemeenschap...'' Ja, dit was de duivel in de mannendrang, de zenuwduivel, de verlangen-naar-de-vrouw-duivel. En zo geschiedde dat ik na acht jaar weer terug was in Ilheus. Ik was ondertussen iets ouder gewordn, dikker, had een baardje en bril, een vermomming uit angst. Want zou de ouwe Justo nog leven, de zeerot met de walvistatoeage? ja, daar was ik angstig voor. Vedomme! Maar dit bleek ongefundeerd want de varensgast was al op de zee van het hiernamaals, hij had zich op het aardse namelijk doodgezopen. Dus ging ik op zoek naar mijn mulattin Isidra. Neen, ze werkte allang niet meer in de bar, maar woonde in een oud huisje in een krottenwijk. Ik vond haar daar in het vervallen krotje dat stonk naar urine en stront. Ze was oud geworden en mager. Haar borsten hingen waggelend in een oude versleten blouse. Ze was een ander Isidra dan die ik gekend had. De vurige loopse halfnegerin. Ze zei dat ze leefde van een rijke veehouder, die haar drie maal per week neukte en buiten dat had ze een kankergezwel in haar maag. Ze zou sterven. Dat was wat de medici haar vertelden... en die moesten het weten, zei ze. Ze had gebeden tot moeder Oxum en de grote Oxalá, maar het was een illusie. Ik vertelde haar over mijn verlangen naar haar en ze lachte kalm. Wilde hij haar nog een keer beminnen? Ze keek verdwaast uit haar ogen en ging naar een vuil achterkamertje en kwam na enkele minuten terug. Ze was geheel naakt alleen een rode buikband en jarretelles sierde haar geplette buik. Het was warm en de penetrante reuk maakte me enigzins opgewonden. Nog eenmaal vergat ik alles. De wereld en God, zijn geweten, gedachtes, want de wereld was eigenlijk maar een fractie, een aftreksel van tijd, een abstractie als het aankwam op begeerte...
De tijd ging voorbij in Mamanguapa. Ik was al weer jaren bij mijn lieve vrouw Maria en mijn vier zonen. Martins, de jongste, Pedro, Zé en de oudste Joâo Maria, die nu vijftien was. Ja, ik had Isidra uit mijn geest verbannen. Het leven was een stroom van wensen en ik leefde in opdracht van de Heer tot de armen. Ik hield me intens bezig met de arme visssersfamilies en krottenbewoners tot op de dag dat ik wederom hersenschimmen kreeg van de gracieuze magere zieke mulattin Isidra. Ze raakte me weer in mijn hart en wéér ging ik terug naar Ilheus. Zou ze nog leven? Edoch alles liep ditmaal destructief. Ik ontmoette haar in het stinkend huisje. Ja, ze leefde nog steeds en had dit te danken aan haar wil, ten minste dat zeiden de doktoren. Maar ook een drankje dat ze kreeg van moeder Alminia, droge tuinkers met veel knoflook, kokosolie en Jatoba. Ze was nu een publieke hoer en nog magerder dan toen ik haar voor het laatst zag. Dan ontmoette in een zekere Ubaldo. Hij zei haar pooier te zijn, een gezwollen neger met grote ringen aan zijn vingers, boskatklauwen om zijn nek en vuile tanden in zijn bek. 'Wat kom je hier doen!?' brulde hij. 'Ik kom Isidra bezoeken...' 'Bezoeken? je kunt haar neuken en betalen... verdomde hoerenzoon!' Isidra huilde. 'Waarom huilt ze,' vroeg ik. 'Waarom ze huilt gaat je geen barst aan! Gesnopen! En tegen de magere Isidra schreeuwde hij: 'Hoe je bek verdomde hoer! en gaf haar een slag in haar al toegetakeld gezicht. Ik werd geraakt door mijn eergevoel. Ik hield eigenlijk van haar en dat was de reden dat ik de man tussen zijn ogen sloeg en hem onder zijn ballen schopte. De pooier greep een ijzeren staaf en sloeg op me in en raakte verdomme pijnlijk op mijn linkerschouder. Dan sloeg het noodlot toe want Isidra die er tussen wilde komen kreeg een slag van het ijzer op haar linker slaap, wat haar dood betekende. Het bloed gutste uit de wond. Ondertussen had ik mijn stilleto gegrepen, ja, die droeg ik immer bij me en die ik ooit van mijn vader kreeg, en stak de pooier in zijn vet lijf en doorsneed hem met een woeste slag zijn keel. De neger tuimelde en bleef rochelend op de grond liggen. Isidra gaf geen teken meer en stierf in mijn armen met een gepijnigd gezicht. Het bloed vloeide door de stinkende ruimte en ik, bezeten door paniekerige angst, vluchtte het huisje uit. Het was enigste oplossing in dit lugubere tafereel. Ik rende de vallende duisternis door naar het busstation en sprong tijdig in een bus die vertrok richting Linhares in de staat Espirito Santo. Niemand had me gzien en die me zagen moeten gedacht hebben dat ik een dronkenman was, een dief, of een idioot geworden cacao-slaaf, en de sporadische bloedsporen op mijn keding? Die waren te verwaarlozen.
DE INNERLIJKE HARTSTOCHT VAN ARIMATHE kort verhaal van Wayn
RELAAS VAN ARIMATHE: 'Ik kwam berooid aan in Ilheus, Bahia. Ik was niet veel veranderd of het moest het dons zijn dat mijn mager geworden gezicht nu sierde. Hoe had ik sinds drie jaar ernaar verlangd om te vertrekken uit Mamanguape, een klein plaatsje ten noorden van Rio Grande Do Norte. Ik, Arimathe, zoon van de arme visser Gunzã, die langs de rivier naar krabben zocht en mijn moeder Natalia die stierf aan longtering. Ik kon het niet meer aan en droomde van Ilheus. Ik vertrok toen ik zeventien was en liet mijn pa achter, die me ten slotte met weemoed omhelsde. Ik zei hem dat ik ooit zou terugkeren en met 100 reais op zak vertrok ik. Eerst met een vrachtwagen tot aan Recife, dan met een andere tot Aracaju en met een derde naar Salvador. Daar bleef ik een week en werkte als vuilnisman, verdiende wat geld en trok de laatste kilometers verder naar Ilheus. Daar was het dat ik mijn hart verloor, en waarom? Ik werd verliefd op de stad en de zee. Niet dat andere steden geen zeekust hadden, maar Ilheus was mijn ankerplaats. Ik vertoefde met regelmaat in een bar genaamd 'Fonte da Mâe d' Agua'. (bron van de moeder der zee) Hier zag ik dat de barvrouw geile blikken naar me wierp en zo gebeurde het dat ik die avond in de armen van de kroegvrouw lag, een magere halfnegerin Isidra. De hete Isidra die me leerde wat liefde was, maar totaal verrrast was ik echter niet, want ik had het al vaker gedaan met met Analia langs het oude riviertje in het vissersplaatsje. Analia, mijn eerste liefde, vurig en hebberig, begerig en ontoegankelijk. Ja, de kleine heks was een heerlijkheid geweest. Verledentijd want ze werd ontvoerd, verkracht en vermoord. Zo is het leven. Vervloekt zijn de waanzinnige seksavonturiers, men zei dat het halve Indianen, anderen zeiden zigeuners en weer anderen dachten dat het Arabieren geweest waren die Analia meesleepten, in een oude bak stopten en haar vervoerden naar de dood. Wat er ook gebeurd was, daders vond men nooit in die streken en ik had gehuild als een kind. Ja, ook dit was een van de redenen dat ik vertrokken was, weg naar Ilheus waar ik zo vaak met haar over had gesproken. En nu lag ik in de armen van de mulattin en ze leerde me andere standjes, een leven vol kronkelingen. De dag erop had ze besloten me in huis te nemen, wat ik aanvaarde. Ik werd een soort dekhengst voor Isidra, een persoonlijk seksueel bezit van de mulata. Doch eens op een dag werd ik verblind door Xaxaxa. Ze was een vijftien jarige dochter van een sterrenwichelaarster. Haar vader was een gewezen zeeman die in de haven werkte waar ik een baan kreeg en cacao moest laden, want hier was het land van de cacao. Het land waar velen zwoegden als honden op de plantages voor de rijke eigenaars en waar velen stierven als ratten. Ook het leven in de haven was hard en ik sleepte de hele dag met zakken cacao zodat ik in de avond te moe was om Xaxaxa lief te hebben. Ik verdiende weinig en de helft moest ik afstaan aan haar vader Justo, de oude zeeman. Die zei dat het voor de kost was én zijn dochter. De oude zeebonk had een geweldige tatoeage op zijn borst van een walvis. Justo was een klootzak en een varkespoot, en als ik hem zou moeten uitdrukken in de overtreffende trap, dan was hij een aasgieren-gezwel. Isidra, de mulattin was, door jaloezie gedreven erop uit mij te herwinnen en bezocht me in de middag in de haven waar ze me verleidde en meenam naar de oude jutezakken afdeling, waar ze een rode deken spreidde en iets later haar benen. Ik werd waanzinnig van verlangen en hitsigheid en vergat mijn vermoeidheid door deze levendige feeks met de elastieken buikband met daaraan de rode jarratelles. Ze kon me betoveren en ik werd opnieuw verliefd op haar en liet de kleine Xaxaxa lopen. Die huilde, begreep het niet en zei zich van het leven te beroven. Doch het deerde mij niet, geen donder en twee dagen later was Xaxaxa dood, een opengereten hart. Het slagersmes lag naast haar, het was een zelfmoord der waanzin. Haar vader Justo was nu een monster en ik moest vluchtten, want de ex-zeeman zwoer bij de god der zee, Poseidon, mijn kloten af te snijden en mijn hart uit te rukken. Ik moest weg uit mijn geliefd Ilheus, weg van het koudebloed van Xaxaxa en het warme van Isidra, de begeerte. Ik verstopte me ergens buiten in een graanschuur en Isidra zou me helpen met een vluchtplan. Het was een oude truck die richting Itabuna ging en ik smeekte haar om mee te gaan. Doch hier hield de liefde op.
Op deze mooie zondagmorgen met 28 graden vertrek ik naar Santa Teresa op zo'n 75 kilometer noordwestelijk van Vitoria met 20.000 inwoners. De rit neemt zo'n 2 uur in beslag, meer door de mooie klim door het dichte bos naar het paradijsachtige plaatsje, dan gebrek aan mobiliteit van de bus. Als ik in Santa Teresa nader zie ik de Europese invloed zich kenbaar maken. Het is een koloniaal stadje en de eerste immigranten kwamen hier aan in 1875, hoofdzakelijk Italianen, maar ook enkele Poolse families en Russische joden. Men zegt dat de laatste golf Italianen aankwam in Vitoria in 1925. Ik waande me dan ook in een ander land, weg van de Rio de Janeiro hitte, de favelas en de zichtbare armoe. Hier was het een blanke overheersing, nou ja, af en toe was er een kleurling zichbaar, of neger, maar de rest was super-wit. Ik slenter door het stadje en loop een broodjeszaak binnen, goed georganiseerd en met heerlijke koffie, het blanke meisje stamt af van Italianen en is opgegaan in de Braziliaanse atmosfeer. Want ze zijn er trots op Braziliaan te zijn. Ik passeer de mooie kerk van 'Matriz', hier waar alles ook draait om het intense geloof dat de immigranten meenamen. Ik loop verder naar het mooie plein het 'Praça Domingos Martins' en informeer naar mijn eigenlijk doel, namelijk het 'Museu Biologia de Mello Leitâo'. Daar ga ik op zoek naar de geschiedenis van Augusto Russchi, afstammeling van Italiaanse immigranten en grondlegger van dit schitterend park. Hij was gespecialiseerd in de 'kolibri' of de 'Beijo Flor' bloemenkusser, zoals het vogeltje hier in Brazil genoemd wordt. Volgens een propaganda blaadje staat Santa Teresa bekent als dé stad van de kolibris met de meeste verscheidenheid van de vogeltjes wereldwijd. Ruschi was een voorvechter voor de natuurlijke omgeving, het behoud van het Atlantisch bos, een liefhebber van dieren, een interessant man lijkt mij, die ik graag ontmoet had, doch hij stierf in 1986, op 71 jarige leeftijd nadat hij vergiftigd was door secreties van een boom-kikker, die hij had verzameld op een van zijn vele expedities in het bos. Het museum 'De Mello Leitâo' is vernoemd naar zijn voormalig leeraar. Ik bezoek het huis waar hij leefde in eenvoed, nu zie ik, gezeten op de houten bank, de honderden schitterende vogeltjes, die komen aanvliegen en uit plastiek flessen drinken waar een toegevoegde zoete mineraal in zit. Ze lijken als het ware stil te staan in de lucht, hier bij het huis van de natuurmens. En als ik al de toeristen hier kon wegdenken, en de natuurlijke omgeving in mij opmam, ja, dan zou ik hier kunnen leven in dit huisje omgeven door bossen en kolibris, die me s'morgens deden ontwaken uit de dromerige sferen van eenzaamheid en geluk. Ik loop een stuk verder door de aangelegde paden, waarvan er eentje afgezet is door een omheining. Daarboven staan grote kooien met kleine aapjes, die van links naar rechts springen. Ik doorbreek de kettig en ga naar de kooien en bekijk de beestjes, die in quarataine verblijven. Ik wordt dan ook aangesproken door de bewaker, die mij uitlegt dat het gevaarlijk gebied was, daar de aapjes uit Amazonia kwamen, en blijkbaar nog niet geindentificeerde soorten zijn. Dat lijkt me iets uitzonderlijks, daar er zeker nog te ontdekken soorten zijn, maar hier zaten er velen. Buiten dat konden de dieren gevaarlijke ziektes overbrengen, zoals gele koorts. zei de op een ras-Europeaan gelijkende jongenman in een vlekkeloos kostuum. Ik vond dat als dit het gevaar-criterium was, men de beestjes beter moest afscheiden van de mensen. Hij vertelde me nog dat het park dag en nacht bewaakt werd en hij een goed baantje had, nou ja... Ik had intussen wel enkele fotos genomen en liep verder door het mooie park met honderden boomsoorten, bloemen en cactussen. Er tussen in liggen de verschillende gebouwtjes, of kooien, die dieren herbregen. Ik bezoek de slangen farm, met de mooiste kleuren opgesloten in glazen kooien, de duivels uit de bijbel, maar zo intrigerend. Ik zie de schitterende ara's, en voel een triesheid dat de vogels in de kooien zitten, ver weg van hun moederbos, ik bezoek het schildpadden domein, waar grote water en bos schildpadden rondschuifelen en ten slotte het grote gebouw waar honderden opgezette dieren te vinden zijn, van apen tot panter, schildpadden, vlinders, vogels, gordeldieren, een dode collectie, een vreemd sfeer, die iets dubbelzinnigs heeft. Soms lijken ze zo echt dat ze de benen kunnen nemen, wegvliegen, aanvallen, holen in kruipen, maar het is alleen míjn fantasie. Het is dood. Buiten is het aangenaam warm en ik loop naar de uitgang en het witte meisje vraagt me of ik het mooi vond, en ik beantwoord dat het een genoegen was hier te zijn en zeker zal terugkeren. Ik moest de bus in de namiddag terug hebben naar Vitoria en met een sierlijke zwang daalt ze af langs de mooie valleien en heuvels, tussen het bos waar het leven zo anders kan zijn dan onder waar de geluiden van de grootstad me al tegemoet komen.
In de avond loop ik naar het busstation, drink een bier, zie dat de zwervers door bewakers worden verdreven van de stoeltjes waarop ze liggen te slapen, kijk naar de bevallige schonen, zie de mensen wéér slepen met hun bagage en denk aan Niteroi, de zusterstad van Rio de Janeiro, waar ik om halfzes volgende morgen zal arriveren.
Via de Terceiro Ponte, of de Derde brug, kom ik in Vila Velha, de stad waar ik al eerder over sprak en met 300.000 inwoners Vitoria overtreft. Het klooster ligt op 154 meter en de moeite waard om naar boven te klauteren over het geplaveide straatje. Het is een soort penitentie naar de kapel van het hospitum. Niet dat ík een boete moet afleggen, maar de zonde is nooit ver weg, maar de meest devote maken de klim op hun knieën naar het beeld van de Onze lieve vrouw van de rots. Als ik boven arriveer zijn de toeristen al samengeklontert, zij die met auto's naar boven gingen, of busjes van de instantie. Neen, ik wil lopen om de gelijke vermoeidheid te voelen die de paters moeten hebben gehad, lang geleden toen ze het klooster stichtte. Dit was in 1570 boven op deze geweldige rots, waar de stichter van de orde Ignatius van Loyala trots zou zijn geweest op zijn broeders. Ja, zij die wisten hoe de zielen van de stammen te winnen in naam van Jezus, en ik vroeg mij voortdurend af of Jezus dit wel zo bedoeld had? Want was het niet een regelrechte bezetting? Waren de paters niet hier om de indianen in te lijven in het korps van geredde zielen? Laat ik zeggen een, in die tijd, brainwashing-partij-programma. Of... stuurde de orde aan op een zekere 'brainstorm' tegen over de broeders? Dit hen, nietsvermoedend, enigzins gek moest maken. Waren ze niet het slachtoffer van een machtsorde die hun zielen manipuleerde in naam van God? En zonder God geen duivel? Of was het een regelrechte overtuiging die inspiratie gaf aande bruinrokken. Wie zal het ooit weten, want ieder en allen zielen zijn nu eenmaal huichelachtig, vol van hypocritie en zullen zich ten immer boven alle tegenstand verheffen. Doch de Indianen verloren een deel van ziel en uit moralistisch oogpunt bekeken was de bekering der Indainen een grote vergissing in de werelpolitiek, ik meen te zeggen die van het geloof.
Ik loop door het oude gebouw en ruik het oude jacaranda-hout van de kapelbanken waar de heilige madona wordt omgeven door vele kaarsen en mensen op hun knieén, die liggen te fluisteren. Ik bezoek een ruimte waar geofferd wordt 'ex'voto's', er hangen van alle soorten foto's, namaak-ledenmaten en spullen van de meest buigende pelgrims. Er zijn smeekbedes voor gunsten van de Vrouwe van de Rots, zij die hoop geeft aan velen. Het blijft een mysterie, een item dat men niet mag onderschatten. Ik loop naar buiten en heb een schitterend uitzicht op de omgeving en vertes van de streek. Ik loop weer de gang in, en kom een jogger tegen, een mulat, die enkel malen van onder naar boven loopt en omgekeerd. Een vreemde gewaarwording nu ik met mijn hoofd in de 16de eeuw zit. Nondesju! Maar zo is de wereld en in de glimmende gang wordt ik geïntrigeerd door de wandschilderijen. Het zijn panelen van 3 meter bij 2, een ervan geeft de aanval van de Hollanders weer. Wat me opvalt zijn de gelaatsuitdrukkingen, ja ze hebben overeenkomsten: bleke koppen met blossige wangen en dunne blauwe lippen. Het is een schitterend doek van Benidito Galixo uit 1923, dat ik reeds beschreef, de aanval van het Hollandse piratenkorps op het godshuis. Dat had ook te maken met de suikerriet-oorlog in de 17de eeuw en dit was het meest zuidelijks punt dat de Hollanders in 1649 aanvielen. Ze belegerden het klooster, maar werden door de monniken afgehouden, mede daar de 154 meter hoge heuvel zo goed als onneembaar bleek. De Hollanders werden verdreven naar dat een bevrijdingsleger vanuit Rio de Janeiro de Jezuïeten te hulp schoot. Er bevinden zich nog meerdere panelen aan de wanden met dezelfde afmeting en in een hoek ontdek ik een buste van de stichter der orde. O God... Hoe graag wilde ik hier een moment alleen zijn in dit gebouw, alleen met de tijd, en leven als een kloosterling, voor een tijdje, en de leer der christenheid een andere draai geven zodat het volk daarmaals de blanke gezien zou hebben als een vriend. Maar dan zou de macht mij ter varantwoording hebben groepen, want een heiden was een heiden en die kon géén vriendschap. Onder aan de ingang van de poort drink ik me een koude fles bier en bekijk op een kleine t.v het laatste nieuws en denk: wat is de wereld toch een puinhoop, de historie een oud boek, ja een naar wormen ruikend boek... geschreven door een bevende hand met een zekere arrogantie. Ik besluit een duik te nemem in de zee, daar bij de 'praia da Costa', daar waar de golven woest zijn en ik kon vergeten dat de geschiedenis nooit teruggedraaid kan worden.
Beeld van Franciscus Van Assisi met op de achtergrond het dok
De volgende dag besluit ik in het centrum rond te dwalen. Het is warm en ik loop langs de kades waar grote schepen zijn afgemeerd. Aan de overzijde staat nog steeds het mooie beeld van de zwerver met bundel op zijn rug. Ik vraag dan ook voorbijgangers naar zijn naam, maar de meesten weten het niet of zijn onzeker. Een negerin geef mij duidelijke taal en zegt dat het natuurlijk de heilige Franciscus van Assisi betreft, de vereenzelving van de arme en patroon van de zwervers. Ik voel me aangesproken en groet dan ook de goeie man dagelijks. Ik ben ten slotte de zwerver op zoek naar? Ja, een filosofisch item. Ik zoek namelijk de mens in mij, een waarlijke 'ik', de zin van het leven. We worden ouder, wijzer, leren, zegt men, maar dat geldt niet voor iedereen, sommigen bijven steken op een bepaald punt. Ook het geestelijk verwarde meisje kom ik weer tegen. Ze lachtt me toe als een oude bekende, ze dwaalt door de straten van Vitoria als een vrije mus, maar ze weet zich te handhaven. Ze zijn de 'anderen' van iedere stad, dorp en straat, zij die leven met hun ziel, die anders blijkt dan God hen gegeven heeft. Doch ze hebben inzicht in hún wereld. Anders dan de verloren fascisten-geesten van mensen die denken dat macht en onderdrukking de maatstaf is, en zij die, gedreven door jaloezie en vermeende superintelignetie, der rassen verdelen. Ik bedoel het zijn de klootzakken van de straat. Ik ontmoet een van hun op het centrale plein 8: 'Praça Oito'. Er is een openlucht tentoonsteling ter nagedachtenis der 'amnestie' die werd opgesteld in 1979, tijdens de militaire dictatuur in Brazilië, door de 'heren' generaals. (Nu wordt deze wet aangevochten, daar het een soort ontoerekenbaarheid en vrijbrief geeft voor het martelen der militairen van mensen in die periode. Het is dus het tegenovergestelde van 'begenadiging', amnestie. noot schrijver) Verder moeten de grote aanplakborden de waarheid omtrent die periode weergeven . Er waren vele foto's afgebeeld met uitleg over de verfoeilijke episode uit de Braziliaanse geschiedenis. dan komt er een man naast me staan en spreekt me als volgt aan: "'... Dit had nooit moeten ophouden... toen was het nog goed in Brazilië... toen was er orde en gezag!" en hij kijkt me aan als een dictator. Als ik de de bizarre persoon bekijk lijkt hij me een afstammeling van Europeese immigranten. Hij lijkt me in de zestig en draagt een zwarte zonnenbril. Ik geef hem antwoord dat die periode een misplaatst iets was in de geschiedenis van Brazilië. (Dit is een weergaven van hoe ik me de conversatie herinner.) "Wat! Toen was ik militair in Rio... alles was goed, ieder had te eten, de militairen hadden alles onder controle!" "Onder controle? Het was een onderdrukking, een regelrecht totalitair regiem... Brazilië moet een meer sociaal beleidt voeren... recht voor iedereen, Indianen, zwarte mensen, zigeuners..." "Het rijke deel van Brazilië zorgt voor alles, snap je?" zegt hij geagiteerd. "Neen, ik snap er niks van! Het kapitaal is de vernietiging voor de wereld..." en ik wordt grimmiger. De man lijkt op een on-braziliaanse 'Gröss-leider', een racist in pure vorm. "Het kapitaal is goed voor alles, de economie, werk en ook de arme profiteren hiervan!" "De armen? Weet je dat een kwart van het Braziliaanse land in bezit is van grootgrondbezitters? Een ander deel van de rijke buitenlandse imperialisten?" "Sperma! Brazilië gaat na de klote man... waar kom jij vandaan? Europa... Holanda zeg je? Ja, jij hebt goed lullen! Hier wordt alles verpest door de negers... die niets uitvoeren, zij die maar neuken en kinderen maken... snap je 'ficken' (duits woord voor neuken)' zegt hij overtuigend en hij maakt het bekende gebaar met de duim tussen wijs en middelvinger, alsof ik hem dan beter begrijpt. (door dit duits woord vermoed ik dat hij van Duitse, Zwitserse of misschien noord-Italiaanse komaf is). "... Ze moeten die verdomde luiaards van negers tegen de muur zetten en afknallen... godverdomme!" Mijn geduld raakt op, de man lijkt me idioot en dronken, in de negatieve zin van het woord. "Ik geloof dat je niet bij je hoofd bent... je bent gek!" De man speurt enigzins een veranderende houding in mijn spreken en loopt scheldend weg. Ik voel me opgedraait, verdomme! Doch de meeste mensen die ik aansprak rond de borden op het plein waren begrijpelijk, sommigen hadden een afkeer, anderen schuldgevoel... jongere interesse... Maar voor het juist aangehaalde ontmoeting met de fascist, die in een figuratief Mussolini pak zat, was de wereld een hopeloze brij. Deze mensen zijn, ook al in de minderheid, een waarschuwing. Ik loop naar de overkant en bij het Perreira plein eet ik een deegbroodje en drink een suikerrietsap, en ik zie de mensen die zoveel anders zijn, zij die gelukkig zijn met hun deel, ook als ik dit niet eenvoudig. Ik denk aan de zwervers, de eenlingen waar politiek geen boodschap voor is, zij die alleen maar honger en dorst hebben en niet weten waarom het hun niet al te goed gaat, of aan het naïeve meisje, met de onschuldige glimlach, die meer ziel heeft dan menig andere, die denken dat kapitaal en macht de redding is. Ik loop naar het oude gedeelt van de stad via mooie trappen, koop wat broodjes en drank voor het avondmaal en lig peinzend op het oude bed. Morgen ga ik het oude klooster bezoeken in Vila Velha en een duik nemen in de zee om met Imanja en Neptune te converseren.
Het oude Vitoria is eigenlijk gebouwd op een steile heuvel van waaruit ik de havendokken kan zien, want het is een havenstad, waar de schepen liggen afgeankerd met als decor de heuvels en de 'Penedo' berg in Vila Velha aan de baai, terwijl in het midden van het eiland zich steile heuvels bevinden en de 'Pedra dos dois Olhos', de 'twee-ogen rots'. Ik verlaat het hotel, zeg goeie dag tegen de vriendelijke vrouw en loop de straat af naar het hart van de stad. Dit is het 'Praça Costa Perreira', het plein waar verkopers actief zijn, predikanten staan te joelen, kruidendokters verschillende kruiden tot moes slaan in oeroude houten Jacaranda potten, waarna het pulver in een fles drank wordt gestopt. De oude mannen genieten van het kijken naar alles wat beweegt, als ware ze bezeten door de leer van het bloed, want ze zien zwijgend en lachend naar de mooie honhingvrouwen die rondfladderen als vlinders. Jonge meisjes met veelkleurig bloed, zigeunerinnen (en waar in Brazil kom ik ze niet tegen), negerinnen en blanken met blosjes op de wangen. Ik begeef me langs de avenida Beira Mar, waar langs de baai Vitoria de nachtbars liggen met Scandinavische namen. Hier waar menig zeeman zijn vertier zoekt, en soms voel ik mij een zeeman, afgemeerd met een groot containerschip vanuit een fictief land. En de mensen? Ja sommigen zien me denkenlijk ook zo, een verdwaalde zeerot. Anderzijds kan ik natuurlijk een Zwitser zijn, Duitser, of noord-Italiaan, verdomme, een afstammeling van immigranten die hier rond 1900 zich vestigden in de heuvels om daar het land te bewerken, op zoek naar iets dat ze in hun geboorteland niet konden vinden. Of het waren avonturiers, die hier hun halt vonden, in de schitterend heuvels van Espiritu Santo, de kleinste staat van Brazilië. In ieder geval voel ik me wel op mijn gemak in de stad van de 'overwinning' alhoewel ik dit woord in die zin verfoei. Daar het een ketting vormt met de uitroeining der Indianen, de Capixaba, waar men nu de inwoners van de stad naar vernoemt.
Ik besluit een bezoek te brengen aan de 'Gruta da Onça', de 'JaguarGrot', want grotten en jaguars hebben een bepaalde emanatie op me. De grot ligt zo goed als in het centrum, niet ver van het centrale plein Perreira. Nou is -grot- een overdreven naam voor de kleine inham. Een klimpad leidt naar boven, parallel aan tropische plantengroei. Hier is het Atlantische regenwoud dat men probeert te behouden voor de wereld. Halverwege de klim bevindt zich het kleine ronde kappeltje, een soort rustplek met binnen in een fraaie muurschildering, die gesigneerd is door een zekere Ely Vincentim, die de natuur is al zijn glorie uitbeeld: Het doorzichtig Atlantisch woud, verstengelde boomwortelen, keien, een watervalletje met vallende vis, een toekan, paegaai, een exentriek aapje en in het midden gelegen op een boomstronk een panter. Bij de grot ontmoet ik een jonge man, Fernando, bewaker van het park. Hij zegt me dat hij erop moet letten dat er niet teveel rotzooi gemaakt wordt boven en in het bos. Nou ja. Ik besluit een pad te volgen tussen de bomen en wordt belaagd door de miljoenen muskieten, die hier vrijspel hebben. Ik ruik de humus, zie de geweldige vormen van de bomen en rotsen, en wegflitsende gekkos. Het Atlantisch regenwoud, laat het blijven bestaan. De muskieten bezorgen me vele jeukerige rode bulten en ik besluit terug te keren naar het hoofdpad. Ik loop hogerop en kom terecht bij de grot inham. Het heeft iets intiems en water sijpelt van boven als helder kristal. Ook deze grot heeft zijn 'lenda', een legende van het ontstaan en staat beschreven bij de ingang. DE GROT BEVINDT ZICH MIDDEN IN HET BOS VANWAAR OOIT EEN BRON ONTSPRONG. OP EEN DAG PROBEERT EEN INDIAAN ZICH HIER IN DEZE GROT TE VESTIGEN EN ZOEKT NAAR DRINKWATER OM ZIJN DORST TE LESSEN. ALS HIJ HET WATER ONTDEKT ZIET HIJ IN DE WATERSPIEGEL HET BEELD VAN EEN ENORME JAGUAR, KLAAR OM AAN TE VALLEN. DE INDIAAN SCHRIKT EN VLUCHT, AL RENNEND NAAR DE ZEE, DIE HET STRAND KUST BIJ DE PENEDO BERG. SINDSDIEN BEWAAKT DE ONÇA DE GROT, EN LEEFT ER NOG STEEDS. Nu zijn deze verhalen fantastisch, bescheiden, aanemelijk? Geplaats in de tijd. Wel, ik blijf nog enige tijd wachten op en teken van de jaguar, maar de tijden schijnen veranderd te zijn, of misschien was hij het drukke verkeer onder aan de voet van de grot moe? Of bang voor de voorbij razende bussen? Nu heeft men een grote kunstjaguar boven op de grot plaatst en de waarlijke? Die zal wel in het woud ronddwalen, of vertrokken naar de binnenlanden van Minas Gerais waar nog rotten in overvloed zijn. Onder langs de avenida staat het beeld van de Indiaan die vluchtte voor de jaguar, en als ik het later bezoek blijkt dat men van het mooie beeld, de Indiaan Ariaboia, zit gehurkt en spant zijn boog, de boog heeft gestolen. Ik praat met enkel autowachters die zeggen dat men de boog onlangs heeft gestolen voor de waarde. "Wat moet hij nu zonder pijl en boog?" zeg ik hun nog, en de mannen lachen om deze gringo, die hun vertelde dat hij speciaal naar hier was gekomen om het verhaal van de angstige Indiaan te beschrijven en waarvoor men een beeld had opgericht. Ja, de legende heeft voor sommigen hier in Vitoria weiniger waarde dan de opbrengst van brons. Terug naar beneden bij de kapel ontmoet in Miguel, een man van in de veertig, die het leven in Vitoria wel gezien heeft. Hij is meer het exentrieke type, en vraagt of ik een Kroatiër ben. Dat heeft te maken daar hij veel in de haven werkte met het lossen van schepen die uit Europa aankwamen. Nou ja, ik leg hem maar uit dat ik een Hollander ben, een avonturier, geschiedschrijver op weg naar onbekende streken, een wijsgeer naar het menselijk brein. Hij zegt dat Vitoria eigenlijk maar klein is, en hoopt in de toekomst een hut te kunnen bouwen in het binneland, wat aanplant, wat kippen, een varken en wat maconha (marijuana), en het leven kan goed zijn. Ik wens de symphatieke gast geluk en daal naar onder waar het stinkende stadsverkeer me tegemoet komt.
In 1625 kwamen de Hollanders terug. Ze waren gefrustreerd en gingen aan land, vielen aan, maar de Portugezen vochten terug met alles wat hun terzijde stond: mannen, vrouwen, kinderen, ja, zelfs Indianen die zij tot vriend gemaakt hadden. Dan was er het 'godskruis' en een zekere Maria Otriz, zij stond daar boven aan de oude stad en goot kokend water over de furieuze vlamingen. Nu waren de Hollanders toch al niet bemind waar ze ook kwamen. Ze waren wilde mannen en in de ogen van critici kregen ze felle kritiek, eentje, een Katholieke Spanjaard Luiz Veralez beschreef de Hollanders als volgt: "Ze zijn groot en log, met dunne blauwe lippen waar een stekelige knevel en een onverzorgde baard omheen liggen. Met grijze kille ogen waar de dood uit loert. Een sombere zuiplap waarvoor zelfs de havenmeiden bang zijn. Een grommende vreetzak wiens zelfs stinkend vlees nog goed schijnt te bekomen. Een bekrompen vijand van ons heilig geloof die telkens nieuwe duivelachtigheden weet te bedenken als hij de klauw op religieuze personen kan leggen. Zijn taal klinkt als het knarsen van folterwerktuigen, zijn plezier is martelen en doden, zijn onbestreden koningkrijk is de zee.... " Later wisten de Portugezen de Hollanders te verslaan met hulp van een zekere Correia de Sa, die net van Bahia terugkeerde. In 1640 werden de Hollanders andermaal verslagen, nadat ze herrezen waren om bloed te vergieten en de macht te nemen. Denkelijk was het alleen om die macht, doch net gelijk de Portugezen, en alle andere kolonie jagers. Allen, beste lezer! Zonder uitzondering! Allen hadden een onverbiddelijke dwang naar elan en bloed, niets wees erop dat er énig besef was van wat er met de inheemse bevolking moest gebeuren. De Indianen waren allang onderdanig... op een enkeling na. Vila Velha werd door de Hollanders niet gespaard en het schilderij van Benedito Calixo in de Galarie 'Dos Milagres' van het klooster de 'Nossa Senhora da Penha' is daar getuigenis van en geeft een beeld van de interventie van het klooster door de Hollanders en het verdedigen van het heiligdom door de monniken.
Op mijn bezoek aan dit klooster kom ik later terug bij mijn bezoek aan Vila Velha.
wordt vervolgd...
"Het zicht van het klooster door de Hollanders in 1643" geschilderd door Benedito Calixo 1927
December 2007, Vitoria ligt in de schaduw van het'mata atlantica', het atlantische bos, en laat me denken aan een minuscuul Rio de Janeiro, met haar zee, de granieten uitstulpingen en krommingen van de bergen aan de horizon. Doch daar houdt deze gelijkenis dan ook op. De stad werd gesticht in 1551 -niet ver van de plaats 'Vila Velha'. Het oude stadsgedeelte is gelegen in het hart van een eiland, dit nu verbonden wordt door vele bruggen met het vaste land. Ik bezocht de stad enkele malen en kwam ook ditmaal rond 6 uur aan op het grote busstation, vanuit Niteroi, waar ik om 23.00 was vertrokken. Vandaar is het een 30 minuten lopen tot het centrum, ik drink onderweg een kop koffie en eet een broodje met boter, luister naar de al druk converserende mannen en ga op weg naar het goedkope hotel 'Prata' in de buurt van het Anchieta Paleis. Het hotel is oud, maar met vriendelijke mensen en voor 23 reais ( zo'n 10 euro) 'cheap', zou de Amerikaan zeggen, en er is zelfs een ontbijt bij inbegrepen. De kamer is netjes, met een oud eiken bed en een kleiner in een hoek. Boven aan de plafond bengeld een grote ventilator, er is een douche en poeppot en ik voel me thuis op de 3de verdieping. Terug naar de geschiedenis van de stad waar het allemaal begon in 1500 als de Portugezen het eiland claimen. In 1530 kwamen de piraten die het voorzien hadden op de rijke grondstoffen en de Portugezen, die niet gek waren, maar meer middeleeuws, besloten, om het land te vededigen, een gedeelte daarvan aan mensen te schenken om te koloniseren. Dit land werd in de volksmond genoemd: Capitanias (degene die het land kreeg) en Hereditarias (de ergenaam van vader op zoon.) Als stichter van de staat Espirito Santo noemt men Vasco Coutinho, die op 23 mei 1535 de ingang van de baai, bij de Monte Moreno berg bereikte. De naam van de staat komt van de 3de persoon van de drie-eenheid, daar de namaak ontdekkers aankwamen op de dag van de Heilige Geest. De oorspronkelijke bewoners waren de Tupinquin Indianen, een stam die maïs en maniok verbouwden en in harmonie leefde met de natuur. Ook de Tupiniquin probeerde de invasie te voorkomen. Dit gebeurde aan het strand, maar na enkele vuurschoten der donderbussen vluchtten ze be bossen in, en de Portugezen betraden de voor hun ongewijde grond. Het kruis stond model voor de spotzieke strijders met knallende lopen, trompetten geschel en matrozen liederen, de zonen van de waterratten. De indringers bezette, wat men toen noemde het gebied wat nu'Vilha Velha' is, maar ze kregen geen rust van de Indianen die bleven strijden voor hun gebied. In 1537 zocht meneer Coutinho een betere plek om het genomen land te verdedigen. Hij vond dit aan de zuidflank, een groot eiland en moeilijk te bereiken. Hij verplaatste het kamp naar dit eiland en noemde het 'Vila Nova' (nieuwe stad), als alternatief voor het Vila Velha. De strijd van de Tupiniquim ging door tot 8 september 1551, toen ze voorgoed verdreven werden van hun geliefd land. Om dit groot (laat ik het triviaal) feest te vieren en te herinneren, werd 'Vila Nova' door de Portugezen omgedoopt tot: VITORIA, het dorp van de overwinning. De Indianen hadden ze, in zoverre, bedwongen, maar ze kregen geen rust van de andere duivelpiraten. Deze kapers lagen op de loer om de buit te jatten: Fransen, Engelsen en Hollanders. Ze bleven de Portugezen tarten om de machten van onmenselijkheid, de veldtochten, die ze dachten te voeren in het nieuwe land voor het veldboeket dat niet aanwezig was, om dit te schenken aan een vrouw. De vrouw waar de soldaten naar verlangden, waardoor vele indiaanse vrouwen werden genomen. De Jezuïeten, waren al in 1551 gekomen, hielpen dapper tussen de contacten der bezetters en de Indianen. Onder hun bevond zich ook José de Anchieta, hij, die hard zwoegde aan de kerstening van de Indianen. Ook probeerde hij hun rechten te verdedigen en te beschermen tegen de vernietigingsdrang van de Portugezen. Zeker, stel ik, een nobel daad, en hij was de éérste die een boek samenstelde van Tupi woorden. Hij was een van de stichters van de ruwe kapel, wat later de stad Sâo Paulo zou worden, een ondernemend man dus, doch ondertussen werden vraagtekens geplaatst bij het missionaire werk, bij deze edelmoedige 'hulp'. Doch dit gegeven vedient een verdere expressievere argumentatie, een boekdeel apart, en in deze context te kort om hierover uit te wijden. Boven in het oude gedeelte van Vitoria, in de 'cidade alta' is de tombe te zien van deze excentrieke man, een balsturige en een sluipschutter tegen de uitroeing van de Indianen, maar op hetzelfde moment een man der godheid, die de stammen de wet van God oplegde. En de indianen? Ja, die moesten soms kiezen voor hun oordeel, want de strijd tegen de ijzeren wapens was bloedig en soms embarmelijk. Toch waren de Tupiniquin kloeke vechters en vele vijanden werden neergeknuppeld door hun knotsen, waarna 'letterlijk' geroosterd, waarbij een soort houten stop tussen hun billen werd gestopt, dit om de ingewanden der vijanden te laten smeulen. De Tupiniquim waren kannibalen.
wordt vervolgd...
Schilderij van Benidito Calixio in het klooster van de ' Onze Vrouwe van de rots' (Nossa Senhora da Penha) te Vila Velha Toont een mis der Portugezen bij aankomst
Brug die Vitoria verbind met Vila Velha fotos storyteller
VIKINGEN EN BLANKE INDIANEN IN BRAZILIË SLOT (voorlopig)
Mijn oom schreef vele artikelen in kranten en bladen, zo ook over de 'Sagradas' wegen die bestonden uit een soort gras dat geen ander gras liet groeien, en de zaadjes werden al plakkend aan de voeten van mensen en dieren verder verspreidt. Volgens de eerder genoemde Fransman De Mahieu werden deze wegen, die te vinden zijn in geheel zuid-Amerika, niet aangelegd door Indianen en was alleen de 'blanke' in staat deze wegen aan te leggen. Mijn oom stelt: "In de traditionele mondelinge verhalen van de oude bewoners van Cabo Frio nabij Rio, dat de blanke man niet bestond en dat we hier te maken hadden met Indianen, is geheel in contrast met de genetische wet, want hij had een witte baard, ging gekleed in een lang gewaad en bewandelde al prekend deze weg (hiermee bedoeld hij de weg van Cabo Frio naar Cabo de Sâo Tomé). Ook moeten we onze visie ten opzichte van de 'wilde Indiaan' herzien, waarvan de jesuiët Simâo de Vasconcelos zich afvraagt, welke cultuur het is dat dit volk heeft geërft, om een taal te spreken die zo perfect is als het Grieks of Latijns. Hier zien we dus dat het zo genoemde verloren paradijs, dat als onbekende cultuur teruggevonden wordt in de geschiedenis van onze regio ( rond Rio de Janeiro)." Hij gaat verder: "Uit de overleveringen van de Indianen weten we dat de apostel Santo Thomas, ook wel 'Pay Zumé' genoemd, hier gepredikt heeft, en vanuit Sâo Vincente in het zuiden werd verteld dat de apostel hun zowaar leerde 'hoe te eten' zonder ziek te worden. Er werd verhaald hoe de inboorlingen zich keerde tegen de leraar en hem beschoten met pijlen, maar deze troffen de apostel niet, doch keerde zich tégen de aanvallers. De verhalen worden doorverteld van vader op zoon, dat de apostel door hun gebied wandelde en dat zijn voetsporen aan de rand van een rivier te zien zouden zijn. Vier diepe indrukken van menselijke voeten, en de overlevering zegt verder dat de afdrukken ontstonden toen de heilige moest vluchten voor hun pijlen en het water zich opende zodat hij met droge voeten de overkant haalde. We weten nu dat deze 'voetsporen' - wegaanzijzers - waren van de Vikingwegen." De stelling van mijn oom is dan ook duidelijk: de blanken waren hier, Vikingen, aanbidders van de zonnencultus, die tussen het 900 en 1100 Brazilië bezochten. Ze waren de beruchte zeewolven uit her Europese noorden die hun sporen nalieten op de rotsen aan de zeekust en de oevers van rivieren, vele eeuwen vóór Pedro Cabral. Maar Tum Pieters werd miskent, doch volgens mij ten zeerste onderschat. Ooit zei hij tegen mij het volgende: "Het belang is natuurlijk dat wij zoeken naar de waarheid in de geschiedenis! De historie is tot heden vervalst en de Spanjaarden, Portugezen en óók de Hollanders hebben hun boekjes enkel geschreven zoals het hun te pas kwam! De rest... hebben zij netjes verborgen gehouden, en op die manier is de geschiedenis vervalst. Het verdere belang van die ontdekking is dat... als ik het kan bewijzen, zij al hun geschiedenisboekjes in de prullenbak kunnen gooien! Want ze zijn al veel te oude en achterhaald!" Voor Tum Pieters stond het als een paal boven water, er was géén twijfel dat de Vikingen, of blanke mannen in Zuid_Amerika waren: "Want alle sages van de Indianen vertellen over blanken die ooit onder hun leefden en spoorloos verdwenen en ooit zouden terugkeren. Zelfs op de meest antieke wereldkaard, die van Vossius, wordt de kustlijn van Brazilië aangeduid als: COSTA DANEA!, de kust van Denemarken," aldus de pater.
De grote wens van hem was ooit een bezoek te brengen aan het Titacaca-meer, het hoogstgelegen meer ter wereld, bijna 4000 meter boven de zeespiegel. Hier staan de overblijfselen van de ZONNENPOORT bij de stad TIAHUANACU, waarvan De Mahieu zegt gebouwd te zijn door de Vikingen (volgens mij fantasie, noot schrijver). De Noor Thor Heyerdahl vond daar het zinnebeeld dat hij op zijn zeil plaatste toen hij de overtocht maakte vanuit de Peruaanse kust naar de Polynesische eilanden, om te bewijzen dat de eerste bewoners van de eilanden blanken waren geweest. Heyerdahl noemde het vlot 'KON-TIKI', naar de zonnenGod van de Inca's. Hoe is het mogelijk dat de beeltenis op de stenen boven in Bolivia, dezelfde is als die Heyerdahl vond op de Polynesische eilanden? En dezelfde die Tum Pieters vond langs de rivier in Santa Catarina in het zuiden van Brazilië? De reis van het Titacaca-meer werd nooit verwezelijkt, we hadden plannen deze samen te maken, doch ík weet dat op deze plek zeker de psyche van Tum zal ronddwalen, ongetwijfeld om de waarheid te achterhalen.
In Venezuela leefden decennia geleden nog mensen van een blanke Indianenstam, de Parias. Deze zo goed als verdwenen stam bewoonden hutten in het bos tussen de rivieren Apuré en Orinoco, in het dorp 'Atlan'. De overlevering vertelt dat deze merkwaardige stam haar oorsprong had in een eiland midden in de Oceaan. Ik heb het nu over -Atlantis-, het grote eiland dat ineens verzonk in de zee. Heeft het bestaan? Dat is de grote stelling. Zo ja? Waar lag het dan? En wie waren de volkeren die daar leefden? De Parias zouden na de natuurramp, want zo moet de verdwijning van het eiland toch wel gezien worden, die het eiland vernietigde, erin geslaagd zijn te ontkomen en het land, wat nu Venezuela is, te bereiken. Een wonder? Mirakel? In Brazilë werd begin jaren vijftig van de vorige eeuw melding gemaakt dat een pater in het oerwoud een Indianenvolk had ontdekt. De stam verschilde van de andere stammen door hun grote en goed gevormde lichaamsbouw, en die blauwe ogen en heldere huidskleur hadden. men had al langer het vermoeden van het bestaan van de stam, die door andere Indianen 'Pausianis' werden genoemd. Ze leefden in paalhutten op meren en rivieren, en zouden verwant zijn met de Europese mens uit het stenentijdperk. Het gaat om een rasvermening die zich voordeed lang voordat Columbus weet had van Amerika.
Doch er zijn meerdere stellingen zoals die omtrent de Amazonas rivier, die haar naam onleent zou hebben aan blanke vrouwen. Deze woonden in 3 dorpen en waren de enige die wisten te ontsnappen aan de vervolging ingeleid door Indianenstammen tegen de Vikingen in Bolivia. Deze vrouwen waren de aanleiding voor de legendes der Amazones. De Spanjaarden kregen het kwaad met de deze blanke vrouwen, die de Indianen tegen hen aanvoerden. Ze waren onbevreesd voor de paarden en Spanjaarden. Betrouwvolle bronnen, meest van de hand van Spaanse missionarissen bevestigen deze versie. Ook Gaspar de Carjaval, een Dominicaner Pater geeft duidelijke aanduidingen in zijn haarfijn gedetaillieerd dagboek. Hij voer namelijk samen met de barbaarse expeditie van Francisco Orellano over de rivier die later Amazonas zou heten. Hij ontmoette de Amazonas vrouwen in een geweldadige strijd en werden bestookt met giftige pijlen: "De Amazonas gingen ongekleed, slechts hun schaamdelen waren bedekt. Ze hadden pijl en boog in de hand en vochten als voor tien man." Verder verklaarde de Pater nader dat de vrouwen lang en blank waren met gevlochten haren. Aan boord van de boot van de Spanjaarden bevond zich ook een Indiaanse hoorndrager, die Orellano had gevangen gemaakt. De wist veel informatie te geven over de vrouwen in het gebied. De Indiaan werd danig ondervraagd over de krijgshaftige vrouwen en Orellano waarschuwde de Indiaan de waarheid te spreken, ander zou hij hem de tong afsnijden. De Indiaan vertelde dat hij als kind geroofd was en naar een plek gebracht waar de mannen van Orellano hun eerste gevecht hadden geleverd. Daar was de cacique Couynco een machtig opperhoofd. Doch ondanks zijn macht, moest hij schatting betalen aan een koningin genaamd Conori. Haar stamgebied lag op vier a vijf dagen verwijderd van deze grote rivier aan de oevers van een zijrivier. De vrouwen hadden geen mannen. In de strijd droegen ze zo goed als geen kleding. Onder normale omstandigheden waren ze gekleed in straksluitende, van onder hun borsten tot aan de enkels reikende katoenen gewaden. Ze woonden in stenen huizen met houten deuren. In de stad waar Coroni woonde waren 5 grote zonnetempels. Ze noemden de zon: Caranain. In de tempels stonden godsbeelden en vrouwenfiguren van ziver en goud. Orellano vroeg of de vrouwen kinderen ter wereld brachten. De Indiaan vertelde dat de vrouwen nu en dan het rijk van de 'Witte koning' overvielen, dit bewoond werd door grote mensen, wel gevormd en bijna blank van huid. De vrouwen maakten alleen mannelijk gevangen. Zodra ze zwanger waren werden de gevangen naar hun eigen land teruggestuurd. Van de kleine jongens die werden geboren ontdeden zij zich, doch de hoorndrager wist niet of zij ze doodden of naar hun vaders brachten. De meisjes werden in enkele gereserveerde dorpen zeer zorgvuldig opgevoed. Hun voeding was er op gericht hen mooi en sterk te maken en ze kregen voortdurend les in het gebruik van wapens.
Wanneer ik de doorsnee Braziliaan aansprak over deze interesse mijnerzijds dan was er weinig begrip en begreep hij er niets van. Wie zou het hem ook verteld hebben? De geschiedenisboeken spreken hier niet over, want voor de boeken is er maar één ontdekker wat betreft Brazilié en dat is Pedro Cabral. punt uit! Ik denk dat de theorie der eerdere blanke bezoekers in overweging moet worden genomen. De Vikingen waren de-zwervers der zee- en als deze in het jaar 1000 de noordkust van Amerika aandeden, waarom zouden zij dan niet afgezakt zijn en centraal of Zuid-Amerika bereikt hebben, in dit geval Brazilië. Daar in het huidge New Foundland, het -vinland- moeten ze lange tijd verbleven hebben, want er zijn aanduidingen dat er 1500 kilometer verwijderd van de Atlantische oceaan, land in waarts, een runen steen is gevonden met daarop een onvolledig verslag van een Viking-expeditie, dus waarom zouden deze zeewolven niet Brazilië bereikt hebben? Volgens mijn oom was dit in Gávea, Rio de Janeiro en meer noordelijk bij de huidige plaats Cabo Frio (koude kaap). Daar zouden ze Tupi Indianen ontmoet hebben, die ze, waarschijnlijk, de naam 'Skaerlings' gaven, wat 'lelijke mensen' betekent, net als de Indianen die zij aan de Amerikaanse noordkust gezien hadden. Mijn speurtochten nar bijzondere optekeningen betreffende de Vikingen, brachten niets aan het licht. Zelfs geen vliegensvlugge aanwijzing, die verwees naar Zuid-Amerika. Zeker is dat de hele geschiedenis zuiver gebaseerd is op de verbale overdracht der Vikingen zelf die terugkeerden van hun reizen. Moderne veronderstellingen worden niet (ook al zijn deze aanneemelijk) geaccepteerd. Doch het is ook een gegeven dat velen Vikingschepen nooit meer terugkeerden. Wat gebeurde er met deze reuze eikenhouten schepen van soms 32 meter lengte die als walvissen over de zee gleden? Aangenomen kan worden dat ze vergaan zijn op de woeste golven. Maar zouden ze ook niet in spinnijdige stormen terecht zijn gekomen, waardoor ze ver afgdreven werden naar duister zuidelijkere plekken? Hoe dan ook, waar sommigen niet van willen weten en alles als kletspraat verwerpen, is het voor anderen een onderzoek naar de tekens en inscripties in de rotsen en grotten, die afkomstig moeten zijn van blanke veroveraars, lang vóór de Spanjaarden en Portugezen weet hadden van dit enorme land. Voor deze mensen is het een passie.
VIKINGEN EN BLANKE INDIANEN IN BRAZILIË / IN MEMORIE VAN PATER TUM PIETERS
In 1958 vertrok pater Tum Pieters, toen 37 jaar, vanuit Maastricht, via Antwerpen naar Brazilië om daar zijn geestelijk, maar meer sociaal werk te verrichten. Een arbeid die steeds meer een maatschappelijke functie ging inhouden. Op latere leeftijd begint ook zijn belangstelling voor de geschiedenis van de 'Vikingen', een grotere invloed uit te oefenen op zijn gemoed. Het werd een waar leerstuk, want zijn overtuiging was concreet: de Vikingen, of afstammelingen, deden Brazil aan, lang voordat de Portugees Pero Cabral voet aan wal zette, een stelling die hem danig bleef boeien. Mij zelf fascineerde het onderwerp zodanig dat ik dan ook geregeld gesprekken met hem had over dit thema. Trouwens hij zag zijn standpunt gegrond door een gedetailleerd geschrift van een zekere Fransman Jacques de Mahieu: 'De Vikingen in Brazilië'. Over die De Mahieu weet ik het volgende te zeggen, namelijk dat de man een racist was, een collarborationist en een fervent lid van de Duitse waffen ss, en was één van de eerste die na de verloren strijd naar Juan Peron's Argentina vluctte met steun van het Vaticaan. Hij schreef verschillende boeken omtrent het esoterisme, wat hij weer vermengde met antropologie en creeërde zo zijn wetenschappelijk racisme tot een stelling. Op zijn reizen door Paraquai claimde hij zelfs dat de Guyaki Indianen afstammelingen waren van de Vikingen. In 1974 reisde hij naar het noorden van Brazilië, de staat Piauï, waar hij het grote 'zeven steden' park toeschreef als een settlement en verwezelijking der Vikingen. Hij overleed in Buenos Aires in 1990. (Bij mijn later reisverslag aan de 'Zeven steden' in Piuaï zal zijn naam denkelijk weer vallen.) Dit gegeven was mij in die periode begin jaren '90 niet bekend. Doch nu heb ik dan ook bedenkingen over deze persoon, die het blanke ras superieur stelde boven welk ander volk, maar stroken in zijn opvattingen waren van belang in het onderzoek van de pater. Zo ver dit gegeven. De pater was eigenlijk een bescheiden archeoloog, en had een klein historisch museum opgezet in de stad Caçador in de zuidelijke staat Santa Catarina. Het gebouwtje was letterlijk gevuld met stenen en gebruiksvoorwerepen van de Indianen. De Brazilianen zelf zien er, volgens mij, niets in de geschiedenis een andere draai te geven, door de Vikingen (of andere blanken?) als eerste blanken Brazilië te laten ontdekken. Maar er waren volgens mijn oom bewijzen, zoals de kaart van cartograaf Vossius uit de 16de eeuw, die duidelijk Brasil aangeeft als /costa Danea/, de kust van de Denen. Vandaag de dag zijn nog veel inscripties te vinden in rotsen die dit onderbouwen. In het museum in Caçador bevinden zich stenen, gevonden aan een zijrivier van de Iguaçu rivier, die overeenkomsten vertonen met de stenen figuren aan de zonnetempel in Bolivia. Een pater, Alfredo Rohr, toendertijd directeur van het nationale instituut voor archelogisch onderzoek in Brazilië, zegt dat deze stenen authentiek zijn en zeer waarschijnlijk het werk van Indianen, die contact hadden met blanken. (enkele van deze stenen heb ik na de dood van mijn oom weten te bemachtigen en naar Nederland meegenomen.) In oude tijden was het mogelijk via de grote rivieren af te dalen tot aan de vindplaats van deze unieke stenen in Zuid-Amerika. De oude landkaarten vermelden Duits klinkende namen, zoal 'Storting', hetgeen in het Noors: Vergaderplaats of Parlement betekent. Xique-Xique is een regio waar zich dit voordoet. De vissersplaats Itacotiara, langs het strand van de Sâo Francisco rivier is het bewijs. Enkele kilometers verderop de rivier bevindt zich een 50 meter hoge rots, waar boven in Runen tekens staan, die een magische betekins wordt toegeschreven in het oud-Germaans toverritueel. De tekens in de rots kunnen daar alleen aangebracht zijn door Noormannen, volgens de pater. Men vindt daar ook de naam van 'ULF' de 'God van de jacht', en verder meetpunten die aangegeven zijn met pijlen, terwijl boven op de rots een beeldhouwerk van een drakenschip te zien is. Een belangrijk gegeven is dat het waterpeil van de Francisco rivier vroeger hoger moet zijn geweest, waardoor zich op sommige plaatsen een binnenzee gevormd had. Zonder twijfel kan men stellen dat de Noormannen daar hun schepen afmeerden en de inscripties aanbrachten om hun aanwezigheid te markeren. De naam van de rots 'Itacotiara', betekent in de plaatselijk Indianentaal: 'Beschilderde rots'. In Rio de Janeiro bevindt zich de 'Pedra de Gávea' waat ook inscripties werden aangebracht die overeenstemmen met die van Itacotiara. De tekens zijn meer als 20 meter lang ( ij vormen een groot discussie punt, daar tegenstanders van de stelling dit toeschrijven aan de natuur.) DE vertaling der tekens zijn 'dat er eikenhout kan worden gevonden bij het strand van grote kiezelstenen'. De schepen die gehavend de baai binnen voeren gebruikten dit soort hout voor reperatie en andere doeleindes. De grote rots, gezien vanaf de zee, heeft het profiel van een gigantisch mensenhoofd met een baard en helm. Doch het blijft een uitdagende stelling, van het hoe en waarom de Vikingen deze tekens aanbrachten op een bijna niet bereikbare plek, doch de voorstanders zeggen dat de Vikingen doorzetters waren en de tijd namen voor dit werk.
wordt vervolgd...
Het Vikinghoofd 'pedra de Gávea' bij Rio de Janeiro
Pater Tum met twee van zijn stenen
Steen gevonden langs rivier in het zuiden van Brazilië... ongeveer. 17 cm. Wie maakte deze stenen? Noors uiterlijk?
Het bed waarin zij ligt is als een verdwaald schip op een zee van geweld. Haar verlangen is weggespoelt door eenzaamheid, terug naar het land van geboorte. Ze speelt met het laken en denkt aan de tijden die gaan komen, de stormige die wegvloeien over de geest. Ze was nooit die vrouw, die, de liefde aanbiddend, die liefde werkelijk kon omarmen. Ze hield van lange strelen en asem van de on-macho, die haar fluisterende woorden toespeelt op zijn gitaar. Liefde is iets dat men niet zoekt, toch het wordt geboren op momenten dat men het niet verwacht. Ze gelooft in liefde op het eerste gezicht, maar dit is onwerkelijk, want liefde groeit, net als een vrucht aan een mangaboom. Ze weet dat hij ver weg is, in een ander land, met dromen der uitspattingen. zij, is alleen in het oude bed in een warme zee, waar de wind nauwelijks part heeft. Ze verlangt naar hem als naar een koud glas water, naar een warmte, die, de warmte haar niet kan geven. Ze is eenzaam in haar belevenis, haar dromen zijn als kalm water, haar gedachten nadien als een openbaring. Ze wil opstaan maar is neerslachtig. Ze mijmert verder, maar waar zijn de feeën? Waar zijn de sprookjes die haar zouden moeten vervoeren naar andere sfeeren? Waarom zijn wegen soms zo kwetsbaar, onduidelijk, de wegen der zigeuners, die de toekomst zo mooi doen lijken. De weg is bepaald, allang vóór ze kon denken aan liefde. Haar liefde is de minnenzanger, zeeman, vluchteling, een avonturier, die ze alleen wil hebben om 'hem'. Zijn warmte en andere ogenkleur. De liefdesgoden roepen haar naam; ze is verward, en de stem van haar geliefde is donker, doordrenkt met whiskey en zware tabak. Zijn beeld is een spiegel, een waterglans, maar ze houdt van hem. Niets kan haar weerhouden van het huilen, tranen zout als de zee, die háár, scheidt van hem.
DORETHY STANG 12 februari 2005 Het is half acht in de morgen op een afgelegen weg op 53 km van van de plaats Anapu in de staat Para. Wanneer ze de non naderen vragen de mannen: 'ben je gewapend?' Ze beaamt dit en zegt: 'Dit is míjn wapen!' en toont een bijbel, waarna ze nog enkele woorden uit de bijbel richt tot de mannen die haar later zouden vermoorden. De 73 jarige zuster werden gedood met 7 schoten in het hoofd. Zo kwam een einde aan het leven van een van de meest gemotiveerde verdedigers van het Amazone-woud. Sind 1970 leefde ze in de regio en werkte met landelijke boeren in het Xingu gebied. Ze zorgde ervoor dat er werk was voor de mensen in herbebossings-projecten langs de transamazone weg en richtte zich ook op het verminderen van landconflicten. Ze kreeg vele doodsbedreigingen maar liet zich nooit intimideren: 'Ik zal niet weglopen en de strijd van de arme boeren hier in het hart van het regenwoud achterlaten... Ze hebben het heilige recht op een beter leven, op een land waar ze in waardigheid kunnen leven en planten, zonder de natuur te vernietigen...'
BRASILIÁ Vakbondsleider Bartlomeu Morais Da Silva, beter bekend onder de naam Brasiliá, werd gekidnapt, gemarteld en vermoord met 12 schoten door het hoofd. Zijn lichaam werd langs de Santarém-Cuiabá hoofdweg gedumpt in de buurt van het Castelo dos Sonhos districht, waar hij woonde en werkte als leider van de landarbeiders van de Altamira bond en tevens als vervangend stadsraadslid voor de PT (partij der Arbeiders). De Altamira vakbond had de INCRA (landelijk instituut voor kolonistaite en agrarische hervorming) en het gouverment van de staat sinds 1997 onder druk gezet om serieuze landconflicten in de regio op te lossen. De schedel van het slachtoffer, ingeslagen met een sledgehammer, werd gevonden op het busstation plein in Belo Horizonte in 1989, terwijl verondersteld was dat de schedel zich bij de lijkschouwer bevond.
VINCENTE CAÑAS Cañas is een van de bekendste advocaten betreffende Indiaanse rechten in de Mato Grosso. Zijn dood op 6 april 1987 was een duidelijk voorbeeld van de landelijke rijkheid (grootgrondbezitters) en de constituële autoriteiten om groot-landbezit uit te breidden ten koste van levens der bewoners. Vincente werd gedood in het huisje waar hij alleen woonde langs de oevers van de Iquê rivier, een zijarm van de Jurena, in het gebied van de Enawanê-nawê, in het centraal noordelijk deel van Mato Grosso. Het politieonderzoek in de zaak nam 6 jaar in beslag en ging gepaard met corruptie en verdijning van bewijzen.
MIGUEL De 44 jarige Miguel Freitas da Silva, vader van 8 kinderen, werd vermoord op 1 september 2001. Hij was de leider van bond van landarbeiders in Ipaú. Hij werd vermoord voor zijn huisje door twee mannen op een motor, waarvan een vroeg: 'Wie is hier Miguel?' 'Dat ben ik,' antwoorde hij, waarna de mannen hun wapens trokken en enkele malen vuurden. Twee kogels raakten hem in de borst en hij stierf op weg naar het hospitaal. Buiten dat hij een vakbondleider was, bepleitte hij tevens zaken aangaande onteigening van onbenutte stukken grond.
CHICO De moord op rubbertapper vakbondleider Chico Mendes is reeds besproken. Hij werd op 22 december 1988 vermoord bij zijn huisje in Xapuri in Acre. Zijn moordenaars waren vader Dalcy Alves da Silva en zoon Darcy, die werden veroordeeld tot 19 jaar. Darly wist te ontsnappen (denkelijk met hulp van politie) en vond onderdak in een hut van de INCRA in de staat Para, terwijl hij zelfs finaciële steun kreeg van de 'bank van Amazone' onder en valse naam. Hij werd opnieuw opgepakt in 1996, en krreg er 2 jaar en 8 maanden bij voor vervalsing van documenten. In december 2007, op de week af 19 jaar na de moord op Chico, rechter Manafsi e Manafsi beloonde de rancher Darly Alves da Silva met het recht de rest van zijn straf onder huisarrest uit te zitten, tot zijn vrijlating in maart 2008.
MANAUS, maart 1897 Eustaquio en Pau Indio komen aan in de bosstad op een regenachtige dag. De plaats is vol van verhalen over de nederlaag van de rebellen onder leiding van een zekere Antonio Conselheiro, de Messias, hij die duizenden volgelingen had en stierf in het plaatsje Canudos, in de woestijn van Bahia. Die volgelingen waren gewone burgers, geestelijken en bandieten, zij, die vochten tegen de barbaarsheid van de republiek van Brazilië. Doch er waren vier expedities nodig om het hele volk van Canudos, 20.000 mensen af te slachten! En was dit gen schande voor de Braziliaanse regering? Doch de elite in Manaus schreeuwden: 'Weg met de geesteszieken, de rebellen, leve de republiek!' Manaus was een stad vol weelde, en, zoals Eustaquio het noemde, gefortuneerd repaille in een imitatie-wereldstad. En, hoewel ze Belém al kenden was Manaus toch het slotnummer, zeker hier in de woestenij van Amazonas, waar bomen, water, muskieten, en... rubber de overmacht hadden. Hier in het centrum van de stad langs de 'boulevard Amazonas' zagen ze het goedgeklede schorremorrie en was goud betaal middel bij uitstek, want de rubber deed wonderen. Er waren enorme chique dubieuze gebouwen waar onderhandeld werd en waar cognac en whisky werd gedronken, ja, zelf, zelfs goede champagne. Hier waar de elektrische tram van de 'Manaus railway co' door de stad ratelde als een vrouwtjespauw en waar het veelkleurige dak van het operagebouw uitstak als een bizarre koepel. 'Ja, een monsterlijk gedrocht!' vond Eastaquio. Het gebouw werd vorig jaar voltooid en opgezet als een versnapering voor de met Franse odeur gesoigneerde dames en hun exorbitante mannen, de machtduivels van de rubber. Ja, de ouwe en Pau Indio waren niet te naïef, zeker niet de eerste, die toch enige mensenkennis had en zelfs primitief kon lezen. Maar ze zagen óók de havenloze, de arme donder van Manaus, die als een lid van een verworpen kaste der Hindoes de stad herbergde. Wat niet zagen waren de velen hard zwoegende rubbertappers, de slaven van de baronnen, zij die zorgden dat de bomen werden opengereten en bloedde voor het kapitaal. De rubbermannen leefden in de bossen rondom de stad en verder landinwaarts. Hoe dan ook de ouwe en de Indiaan bleven twee jaar in Manaus. Ondertussen had Eustaquio een zaakje geopend aan de Avenida Itacoatiara, waar enkele dames ,iraculeuze liefdestafereeltjes teweeg brachten. Iets later was Pau, meer uit belangstelling om de zeeën op te gaan, vertrokken met het stoomschip 'SANTA CRUZ', dit vol geladen was met rubber van de 'Booth Line' naar New York. Hij keerde terug naar 7 maanden en vertelde dan uren over zijn ervaringen in de grote stad. Speciaal de hoeren, of 'hookers, zoals men daar pleegde te zeggen in de volksmond, die waren daar verdomd anders dan hier in Brazilië. Hij vertelde ook dat de meeste vrouwen deksels veel leken op de vrouwen die ze in het bos ontmoet hadden, die zonder rechterborst. En Eustaquio vertelde hem dat de bosvrouwen vermoedelijk afstammelingen waren van de 'Amazonas'. Ja, dit was hem ten oren gekomen in en gesprek met een Duitse filosoof, een wereldmens, Anton Zorn. En Eustaquio zei dat die Zorn geregeld naar het hoerenhuis kwam, in ruil voor lessen in filosofie. Doch hier had Eustaquio het moeilijk mee, want zijn levensvisie was volgens hem realistischer dan die van Korn, die alles uit de boeken had en maar sprak over het 'zijn' en het 'leven', en dat die twee onderwerpen de hoogtste waarden waren van de mensheid. zoeken naar je balance en hij lulde maar over ene Immanuel Kant, een Duitse denker. Eustaquio werd erg gek van en zei tot Korn op een dag: '... je Kunt het bordeel alleen nog bezoeken om te neuken met een van de dames... zelfs gratis! Je Kunt je piemel in hun volle rode mond stoppen... maar stop met je gelul over het diepe van de ziel... Nondesju!. Ik ben misschien te reëel!' Wel beste lezer nu, dit terzijde.
Dan op een zwoele dag liep het ook mis in Manaus. Wat gebeurde er: Pau Indio wilde namelijk op de kade een 'cimmaron' (gevluchte negerslaaf), verdedigen tegenover een rubberbaas, die nagenoeg in gezelschap was van enkele pistoleiros. Pau schoot zonder omzien twee revolvermannen naar de verdoemenis en verwonde de 'chef'. De stier was los nu hij door het corrupte vrienden-kliekje werd gezocht om te worden gelyncht. Ja, gelyncht, een nette uitdrukking. Misschien levend gevild, want zover waren de wettelijke statuten nog niet doorgedrongen in de namaakstad in Amazonas. Dus waren beiden weer op weg, nu samen met de negerslaaf Congon, de zwarte man die zes jaar als slaaf werkte op de plantage van Jesus Filho do Fogo, een gefrustreerde onnozele zoon van een Portugees en een Russische moeder. De arme neger werd geketend met ijzerballen zo groot als balonnen aan zijn voeten. Maar hij wist te ontsnappen met behulp van de oude smid Thomás, die zijn ketenen verbrak. De oude smid werd meteen gevild, met mieren ingewreven en opgehangen. Congon werd achtervolgd tot in de haven van Manaus en daar zag Pau Indio de onschuld in de ogen van de zwarte man en redde zijn leven. Na vele omzwervingen kwamen ze terug in het geboorteland van Eustaquio, zijn geliefd Paraiba. Daar sloten ze zich aan bij een bende 'cangaçeiros' en zij overvielen grote boerderijen en de plutocraten waren de gulle gevers en moesten dansen tussen de catussen. De angst die de bende inboezemden was compleet. Toch bleven de hoge stekelbomen, de reuzencactussen, de elite garde van de rijkdommen, de heersers van de woestijn, de sertâo, het land waar zelfs de duivel naar water zocht. Ze waren meer dan 20 jaar de ruiters die onverschrokken raasden over de vlaktes van de woestijn. Eustaquio werd bendeleider en tolereerde géén wangedrang van zijn mannen, en díegene die een vrouw tot last was werd meteen opengereten met zijn 'façâo', het hakmes, of werd aan een xique-xique geprikt. Punt uit! Hij was een, laat ik zeggen, cassanova-bandiet, alhoewel die omschrijving misschien te sprookjesachtig is. Een van de weinige in de woestijn, maar Eustaquio was er eentje met ballen, ja, dat zei hijzelf. Hij gaf voedsel aan de armen en stal van de doorvoede. Zo was Eustaquio, de opponent van de macht en de rijke grootgrondbezitters hadden het moeilijk. Zij zochten naar de geschikte pistoolmannen die het geweld van de bende kon beteugelen, maar al diegenen die het probeerden werden afgeslacht. Pau reed als een ware Caraja Indiaan als rechterhand van Eustaquio aan zijn zijde op zijn wit paard, terwijl de neger Congon altijd aan de linkerzijde reed als een soort oude page. Het leven was hard, anderzijds romantisch. Nooit zouden zij het vaarwel kunnen zeggen, nooit... alleen de dood zou dit kunnen bewerkstelligen. Alleen de dood!
Die dood kwam vandaag. De ouwe Eustaquio voelde dat zijn ziel klaar was om te gaan. Zijn zoon Pau Indio moest er een einde aan maken met de vlijmscherp gesneden tak van de joazeiro-boom. Zo geschiedde. Het was het jaar 1922.
En was Pau geen Indiaan? Een vreemde jongeling, gezonden om het bloed zuiver te houden in de stam en samen te gaan met de vrouwen? De oude Indiaan was wijs want hij voorspelde dat in de toekomst meer vreemde mannen met baarden, en grote beesten met woeste koppen, het gebied zouden doorkruisen. Hij was dan ook de medicijnman van de stam. Eustaquio en Pau konden niet veel uitrichten en, om zichzelf te beschermen, gingen ze mee naar het dorp. Die nacht moest Pau de liefde bedrijven men een jong meisje dat zich Luti noemde en de ouwe Eustaquio kreeg een oudere vrouw met een kaal hoofd, die zich als Gu-ara aanduidde. Ze kregen weer brijachtige drank te drinken, waar vóór het drinken de vrouwen nog eens driftig in spuwden. Het gegiste spul leek op bruine drap, maar smaakte zoet als honing. De nacht was warm en de mannen deden hun plicht en ze dachten weer aan de andere vrouwen waardoor ze argwanend werden. Toch hier ging het om andere redenen. De dag erop vond de inwijding plaats van de jongens. Ze moesten hun moed bewijzen om verder te leven en overleven in het woud. De grootste uitdaging was de mand met grote Tocandira mieren. De mieren zaten al drie dagen in de afgesloten mand zonder voedsel en waren hierdoor als kleine agressieve draken geworden. Er was een kleine opening gemaakt waar de jongens hun handen in moesten steken. De mieren vielen aan en beten de huid kapot. De jongens moesten hun moed tonen en mochten geen krimp geven. De pijn moet hevig geweest zijn en wordt vergeleken met de beet van een giftige spin. Tranen liepen uit de ogen van de jongelingen, tranen van dapperheid en pijn. Daarna moesten ze dansen, vierentwintig uur aan een stuk, dan zouden ze de geesten zien van hun voorouders. Ze zouden sterke mannen worden, mannen die de stam nodig had om te overleven. Eustaquio en Pau werden bij de hand genomen door andere vrouwen en weer kregen ze de brij te drinken en moesten ze neuken. Pau kon enkele stamwoorden begrijpen en de oude Indiaan verlangde dat ze bleven en krijgers werden voor de stam. Ze zouden de mooiste vrouwen kunnen uitzoeken en anderen roven van de vijandige stammen.
Na een snel overleg besloten beide echter wederom te vluchten. Het was een sluwe onderneming. Het gebeurde op de dag dat ze op jacht waren met twee Tapirape's. Ver uit de buurt van het dorp doodde ze de mannen met messen en verdwenen door de jungle. Weer volgden ze de zon en leefden van vruchten die ze apen zagen eten. Ze vingen vissen, vogels, bosmuizen en hagedissen, die werden geroosterd, maar de schildpadeieren en dikke gele maden, die onder de boomschors leefden, werden rauw verorberd, want daat zat de meeste proteïne in. En Pau? Ja, die was een goede woudloper. Eenmaal wisten ze een tapir te doden met hun mes, want revolvers hadden ze niet meer, die hadden de wilde vrouwen zonder rechterborst bemachtigd. Zij maakten een vuur en smulde van het dier. Dan hoorden ze dat enkele mannen hen omsingelden. Deze hadden geweren en zagen eruit als jagers, maar zeiden goudzoekers te zijn en hun kamp was dicht in de buurt. Toen de bende zag dat ze een buidel met geld hadden, iets waar de vrouwen totaal geen belang in hadden gesteld, werd hen die afhandig gemaakt. De woeste mannen handelden vreemd: ze gaven een klein deel van het geld terug en de rest was voor de kano die ze hun zonder tegenspraak verkochten. Dus goeie mannen, ja, ook die vond men in de wilde bossen. Ze zeiden dat naar het noorden de stad Manaus lag. Ze brachten Eustaquio en Pau naar een rivier waar de kano zich bevond en zeiden dat ze die rivier moesten opvaren totdat ze de grote Madeira rivier bereikten. Eustaquio vertelde over de barbaarse vrouwenstam, maar de mannen zeiden niets te weten over een dergelijke stam en zouden ze het weten, dat zou het een feest worden. 'Nondesju', schreeuwde er eentje: '... een neukfestein... nondesju!' en hij krabde zich tussen zijn benen en gierde van het brullen. De waarschuwingen van Eustaquio en Pau deerde hen totaal niet en zij zouden de stam zelfs gaan zoeken, al was het alleen al maar voor de neukpartijen. Dus lieten beide mannen het er maar bij. Misschien kwamen ze de vrouwen nog wel tegen en daarom lachten ze mee met de goudzoekersbende.
Op de derde dag, terwijl ze nog steeds geboeid waren met de koorden, sterk als metaal, werden ze door een van de vrouwen bezocht. Pau zag een slanke grote vrouw, die hem omtdeed van zijn boeien en hem wenkte te volgen. Hij kwam terecht in een kleine hut, waar zich een jong meisje bevond, misschien veertien. Haar haren hingen tot haar beginnende uitholling van haar kont. Haar gezicht was als dat van een pop met kleine sproeten en haar ogen groengrijs. Haar kleine borsten leken als verboden vruchten de levens. Ze keek Pau strak aan en ontdeed zich van een klein driehoekig lerenstipje. Ze sprak woorden, die hij weer niet kon plaatsen. De andere vrouw ontklede hem en streelde zijn penis terwijl het jonge meisje ging liggen op een bed van papegaaienveren. Pau keek ontdaan naar de naakte schoonheid, en haar getinte huid zoals hij maar zelden aanschouwde. Ze had een tatoeage van een wolf op haar onderbuik, en rond haar geschoren vagina was een circel van tekens getatoeëerd. De oudere vrouw, misschien vijftig, gebaarde dat hij naast het meisje moest gaan liggen, waarna ze de hut verliet. Pau moest nog ontwaken uit de verrassing voordat hij zich overgaf aan zijn gevoelens en zijn piemel begon te zwellen. De kleine was wild en woest en vibreerde als een cobra onder hem. Nadat hij was klaargekomen sprong ze lenig en zelfingenomen als een kat op, schreeuwde enkele woorden en vertrok. Pau verbluft en na trillend van genot achterlatend. Later vertelde Eustaquio dat hem hetzelfde was overkomen, alleen had hij een mulattin gehad en deze bleek nog vuriger dan wat Pau hem vertelde over de kleine kat met sproetjes. De kleine Mulatta was niet niet veel ouder geweest en had boven op de ouwe zitten draaien en vreemde liedjes gezongen. In haar hand had ze een slang die ze voortdurend kuste en toen hij zijn orgasme bereikte had ze de slangenkop in zijn mond gestopt. Ze sprak een taal van war, kuste zijn voorhoofd, sprong overeind en verliet glimlachend de hut. Eustaquio was nog steeds bang, daar de slan van een soort was geweest dat hij niet kon thuisbrengen, zwart met witte oogjes, alleen het uiteinde van de staart was geelrood. Misschien was ze wel giftig... misschien...
De dagen erop mochten ze doen wat ze wilden, andere vrouwen lieten zich neuken en gaven hun een dikke brijachtige drank te drinken, die hun penis steeds weer deed herleven. Het begon te lijken op een sekshemel, toch de ouwe Eustaquio had zo zijn bedenkingen en werd achterdochtig. Hij had altijd al op zijn intuïtie kunnen rekenen en dit zei hem nu dat er iets bizars aan de hand was in het dorp. Hij zag dat van de pasgeboren kinderen alleen de jongentjes gedood werden, dit door een stoot met een kapmes door het hartje. Hij was er nu zeker van, dit was een vrouwendorp, doch wie waren deze vrouwen? Hoe wist hij niet, maar er was iets dat hem zei dat dit zou eindigen met hun dood. Hij probeerde contact te krijgen met een blonde man die gebrekkig Portugees sprak, en zich Zug-Caro noemde, de fokstier van het dorp. Hij vertelde hem dat hij hier geboren was en zijn vader een avonturier, die ooit de bossen was ingetrokken met een expeditie om goud te zoeken en door de vrouwen werd gevangen genomen. De andere leden van de groep werden geofferd aan de goden en in stukken gesneden, alleen de oude Zona, een Fransman, overleefde. Dit had hij te danken aan zijn geslachtsdrift en magie, waar de vrouwen een bijzondere waardering voor hadden. Die Zona was de blonde man Zug-Caro zijn vader. Deze verklaring was voldoende voor Eustaquio en Pau Indio en zij besloten te vluchten en verdwenen als stille panters. Ze liepen alleen in de nacht en sliepen overdag. Ze verwijderden zich van het vrouwendorp in een traag tempo richting de zinkende zon. Ze moeten drie maanden gelopen hebben en beleefden velen avonturen. Een hiervan is het vermelden waard: dat was de nacht dat ze op een kleine stam stootte, die zich Tapirapé noemden. De mensen waren timide maar nieuwsgierig. Enkele jonge krijgers wilde Eustaquio en Pau meteen doden, daar ze zeiden dat ze ongeluk zouden brengen en spionnen waren van de 'witmannen' die ooit hun dorp naderden. Toen ontstond er een ruzie door onbegrip en de schraapzucht van de blanken, en de stam doodde vier mannen. De anderen vluchten op hoge vreemde dieren met grote wilde koppen en zeiden terug te komen. Doch een oude man dacht anders over Eustaquio en Pau en nodigde hen uit mee te komen naar het kamp. Het was de dag dat enkele jongelingen werden ingewijd tot man en krijger. Ze zouden als vreemdelingen dit moeten meemaken, want zei de oude Indiaan: '... ze zijn gezonden door de geesten...'
DE TAK VAN DE JOAZEIRO-BOOM Wayn Pieters - fantastisch kort verhaal deel 1
Pau Indio stoot de vlijmscherpe tak van de joazeiro-boom in het hart van de oude man. Hij omhelst hem terwijl het bloed uit het lichaam vloeit. Pau Indio voelt het warme kleft door zijn hemd dringen. Het kreunen van de oude Eustaquio wordt zachter en hij sterft met een glimlach in de armen van de Indiaan. De oude neger Congon kijkt huilend toe. Hoe lang ze zo zaten wist Pau niet meer, maar tijd is dan ook een nietszeggend gegeven geworden. In gedachten ziet Pau Indio het verleden voor zich.
Hij gaat terug naar de dag dat hij Eustaquio ontmoette. De dag dat enkele mariscadors bij de Cuxaru rivier in het noorden van de Mato Grosso, van plan waren hem op te hangen. De pelsjagers beschuldigden hem van het stelen van boskattenhuiden. Eustaquio knalde drie jagers overhoop terwijl de anderen vluchten als gefrustreerde ratten. Ja, zo was het gegaan. Vanaf die dag was hij Eustaquio's vriend. Dat is lang geleden en nu overdenkt Pau dit alles. Het was de eenzaamheid van Eustaquio geweest dat hij Pau was gaan zien als een zoon. Een biologische zoon had hij nooit gekend, hoewel hij vele vrouwen had, maar dat waren eendagsvlinders geweest, vrouwen die hij nooit meer terug zag. Zou hij kinderen hebben? Hij dacht van wel, nou ja, gissen is zo goed als niks waard, ten minste dat zei hij steeds. Pau denk terug over de strooptochten met Eustaquio. Hun leven als roofridder, de vogelvrijverklaarde op de hoogvlakte van Goiás en later Paraiba. Toen, vanuit Goiás trokken ze noordelijk naar Pará waar ze verwikkeld raakten in goud-delvers-praktijken. Ze vonden zo goed als niks en besloten de buit van een hondsvot, met een gezicht vol littekens van mesgevechten te roven en gingen er mee aan de haal. Ze lachten en dronken, dansten en hoerden en kwamen terecht in het stadje Prata, een onbeduidend plaatsje waar de diamantenkoorst heerste. Als die je overvalt dan kan de duivel je niet mer helpen. Diamanten, een pathalogisch woord. Zij zwoegden in de diepe kuilen, vonden zo goed als geen stenen en verkochten het geroofde goud van de mes-littekenman aan een rijke Boliviaan. De vermogende mesties had een vrouw, Ester, en zij was een pauw, schoon als een begonia. Pau versierde en neukte haar, terwijl Eustaquio onderhandelde met de vette Boliviaan over een smerig werkje: het opruimen van enkele boeren die weigerden hun grond te verlaten, een zaakje dat niet weinig voorkwam in die tijd. Ester was bruin suikerrietsap, zacht als de pels van een boskat en Pau nam haar met genoegen en kracht. De volgende dag gingen ze erop uit om de boeren te ontmoeten. Doch doden voor de rijke Boliviaan was niet hun voornemen. Neen! De boeren waren arme sodemieters, halfbloeden, die met hun grote families langs die Rio Sono leefden, zij de willekeurig op een stukje grond zaten waar vermoedelijk diamanten te vinden waren. Zodoende een motief. De dag erop, tijdens een meningsverschil vermoorde Eustaquio de Boliviaan en enkele van zijn trawanten met gerichte schoten. Hij nam Ester mee als buit en schonk haar aan Pau Indio. Ze trokken hogerop richting Belém. In de stad van de manga-bomen werd Ester verwend en Pau vierde hoogtij. Eustaquio, die door Pau ook 'morchiba' werd genoemd, wat ouwe man og chef betekende, was een geboren koopman. Hij opende een hoerenknal in de stad en verdiende in de kortste keren veel geld met zijn acht vrouwen. De hoeren had hij opgetrommeld uit het straatcircuit en langs de haven in de buurt van de 'porto de sal'. Verder regelde hij de vracht van clandestiene schepen met wapens, die werden aangevoerd vanuit Frans-Guyana en afgeleverd aan het misdaadssyndicaat in Rio de Janeiro, Sâo Paulo en zelfs naar Paraquay.
Op een avond kwam er een sinister figuur aankloppen, een zekere Ludwig von Hagen. Hij wilde zaken doen, zaken in mensenhandel. Hij had negers nodig voor fazenda's in de Mato Grosso. Lucratief handeltje, maar hier had Eustaquio geen oor naar. Er ontstonden woorden en een vuurgevecht. Het kwam er op neer dat de Duitser uit elkaar geschoten werd zodat zijn gezicht een brij was van bloed en onzekere componenten. De vermoorde Duitser had 'n goede relatie met de politiechef en zijn vrienden bleken huurmoordenaars uit Peru. Dus werd Belém te link en met weemoed, de lieve hoertjes achterlatend, vluchtten zij naar andere oorden en belandden in Santa Luzia. Ja, daar werd Ester op straat gedood door een verdwaalde kogel, hetgeen haar poppengezichtje veranderde in een monstrueus geheel. Wat was er aan vooraf gegaan? Wel. Pau Indio had het aan de stok gekregen met een bezopen politieman, die, na later bleek een hekel had aan Indianen. Hij noemde hen kinderen van hellebrokken, gedoemd om aan de takken te bengelen van de hoogste bomen in Brazilië. Pau gebruikte zijn kapmes om hem het zwijgen op te leggen, net voordat de klootzak nog kon vuren. Door de afwijkende dronkenmansrichting nam het projectiel een zekere wending en doodde de mooie Ester. Ze moesten weer vluchtten en besloten naar het grote woud te gaan. Zo kwamen ze na maanden van omzwervingen terecht in het gebied van de Tapajos rivier. Hier zagen ze op een dag een dorp van lemen hutten en andere gemaakt van rivierklei. De hutten werden bewoond door vrouwen. De meeste hadden lang kastanjebruin haar, anderen hadden hun haren opgestoken als piramides en sommige vrouwen waren donkerblond of zwart. Ze droegen pijlkokers en waren bedreven met pijl en boog. Er waren ook hutten die gereserveerd waren voor de weinige mannen, die ondergeschikt waren aan de vrouwen. De vrouwen hadden tatoeages die mythische tekens uitbeeldden: mannenhoofden met baarden, slangen, tijgerkoppen en wolven. De meeste vrouwen waren vermengd met Indiaans bloed, doch de kenmerken van blanken waren aanzienlijk. Verder waren er mulatas, zacht als otterpelsen, met gekrulde lippen, dik en zweterig. Toen Estaquio en Pau contact zochten werden ze terughoudend benaderd. Ze werden gevangen genomen en geboeid met wortelkoorden, terwijl enkele vrouwen hun pik betasten en nadrukkelijk onderzochten of er aan likten. Ze knikten goedkeurend en spraken een vreemde taal die de twee vrienden niet verstonden. Het viel hen op dat zo goed als alle vrouwen hun rechterborst mistte. De meeste kinderen waren meisjes en alleen enkele jongens jaagden op wild en plukten vruchten. De mannen waren merendeels Indiaans, doch enkele blanken liepen gehoorzaamd door het kamp.
Bij de inhoud zijn alleen de laatste 200 items weergegeven, mocht u zoeken naar onderwerp doe dit via 'zoeken in blog' op de linkerbalk. Het 14-delig verslag van mijn bezoek aan de Xavante stam kunt u opzoeken IN DE LINKER zoek BALK U kunt ook in het archief zoeken via pijltjes onder aan het blog