|
Dat er reeds in de prehistorie bewoners waren in Wetteren bewijzen enkele archeologische vondsten die in de streek werden opgegraven.

Nog van veel groter belang echter zijn het Herculesaltaar en 31 Romeinse graven die gevonden zijn in onze gemeente. Wist u trouwens dat de straatnaam 'Kasterstraat', waar deze vondsten zijn opgegraven, nog steeds verwijst naar het Romeinse Tijdperk? 'Kaster' is gebaseerd op het Latijnse 'Castra' en betekent versterkte plaats.
De dubbelen houten dierenkop die in de Schelde is gevonden doet er ons niet aan twijfelen dat ook Wetteren heeft te lijden gehad onder de Noormannen. Het is trouwens uit die periode dat voor het eerst de naam 'Wetteren' voorkomt in een geschrift.
In 980 schrijft de Bisschop van Luik namelijk het volgende : 'Vuethre(Wehtre) Nomen est Utile' wat wil zeggen 'Wetteren is de naam van een dorp'. Deze naam is gebaseerd op een eerdere Germaanse benaming 'Hwata Haru' wat 'sterk afbrekende heuvelrug' betekent. Uiteraard bedoelde men hier onze huidige Markt en 'Den Berg' mee die inderdaad veel hoger zijn gelegen dan de rest van Wetteren.
Reeds vanaf de 11de eeuw behoorden de Wetteraars onder de Heerlijkheid van Dendermonde Omstreeks 1190 ging deze heerlijkheid over aan het grafelijk stamhuis van Béthune. Van deze periode vinden we een overblijfsel in de wijk Fantegem: het Koningshof was inderdaad een buitenverblijf van de grafelijke familie.
Net als de rest van onze streek werd kregen de Wetteraars tussen de 14de en 16de eeuw veel miserie te verwerken. Invallende Bourgondïers, Spanjaarden, Beeldenstormers en niet te vergeten de pest, door deze verschrikkelijke ziekte halveerde in 1597 bijna de ganse bevolking.
In de 16de eeuw kwamen de Nederlanden in opstand tegen de Spaanse koning Filips II. Onder zijn vader, Keizer Karel V, werden Lutheranen en wederdopers al streng aangepakt door de inquisitie. Filips II, die vanaf 1555 over de Nederlanden regeerde, volgde dezelfde politiek. Dit zette kwaad bloed. Ook de oprichting van nieuwe bisdommen, bedoeld om de kerk beter te besturen en misbruiken tegen te gaan, viel niet in goed aarde.
Demarches van leden van de hoge adel, o.a. graaf Egmond, bij Filips II haalden niets uit. De inquisitie bleef.
In april 1566 nam landvoogdes Margaretha van Parma, een petitie in ontvangst die was ondertekend door zo’n 400 edelen en waarin gevraagd werd om de godsdienstvervolgingen stop te zetten. In een tweede petitie vroegen de edelen volledige godsdienstvrijheid en een bestuur door de drie grote edelen: Oranje, Egmond en Hoorn.
Fillips II
Door een handelsconflict met Engeland was de aanvoer van wol gestopt, wat massale werkloosheid in de lakennijverheid tot gevolg had. Door een oorlog tussen Zweden en Denemarken kon geen graan vanuit de Oostzeegebieden aangevoerd worden. De graanoogst hier was mislukt en de winter was ongemeen streng geweest. Er brak hongersnood uit. De rijkdom van de kerk stak de hongerlijdenden de ogen uit. Het calvinisme vond onder hen makkelijk aanhangers. In augustus 1566 brak in Steenvoorde, in de Westhoek (nu in Frankrijk), de beeldenstorm los. Op 22 augustus werden in Gent kerken en kloosters bestormd. Daags ervoor was er al een voedseloproer uitgebroken. Koning Filips II van Spanje zond de hertog van Alva naar de Nederlanden om orde op zaken te stellen. Hoewel de beeldenstorm al bedwongen was voor zijn aankomst, stelde hij toch de Raad van beroerten in. De graven Egmond en Hoorn zijn de bekendste slachtoffers van deze Bloedraad.
Wetteren werd in die tijd geregeld door troepen bezet. In 1568 legerden er zo’n 200 Spaanse ruiters. Het jaar erna streken 133 soldaten neer in Wetteren, Melle en Oordegem. De bevolking moest goedschiks kwaadschiks in hun onderhoud voorzien.
Ook in 1570 maakten Spaanse soldaten Wetteren en omstreken onveilig. In het voorjaar van 1576 gingen de Spaanse troepen, die in geen tijden nog soldij gekregen hadden, aan het plunderen. Aalst was hun uitvalsbasis. In november 1576 bereikte deze Spaanse furie Antwerpen. Op 22 september 1576 trokken Gentse troepen naar Melle en Kwatrecht om te beletten dat de Spaanse vijand langs daar zou weten door te dringen. De Gentenaars hielden lelijk huis.
In november 1576 verdreven de Gentenaars de Spaanse troepen uit hun stad. En Jan van Hembyze, schepen, en François Rijhove, een jonge edelman, stichtten er eind 1577 een calvinistische republiek. De Gentenaars wilden hun invloed op het Vlaamse hinterland herstellen en maakten zich meester van verschillende Vlaamse steden: Brugge, Kortrijk, Ronse, Oudenaarde… Dendermonde en Deinze kozen zelf partij voor het calvinistische Gent. Overal waar de calvinisten het voor het zeggen kregen, werden in kerken en kloosters de beelden gestormd en priesters en monniken mishandeld.
Begin mei 1579 vielen Gentse troepen, onder leiding van Jan van Hembyze, Wetteren binnen. De bevolking kon tijdig over de Schelde vluchten en de Gentse soldaten troffen nog alleen de oude pastoor, Jan de Gusseme, en een andere ouderling, Antoon De Backere, aan. Jan Broeckaert schrijft in zijn Geschiedenis van Wetteren: 'De Gentsche benden hadden alles wat zij vinden konden geplunderd en verwoest, zich de kostelijkste voorwerpen in de kerk ten buit gemaakt, en deze, na er de ongehoordste schenderijen te hebben bedreven, in brand gestoken, benevens al de huizen van het dorp, toen slechts ten getale van 52'
Behalve de kerk, verwoestten de Gentenaars ook de brug over de Schelde (gebouwd in 1571) en de kapel op Ten Ede. Ook in 1579 werd de kerk van Massemen in brand gestoken. Op de laatste dag van 1579 trokken de opstandelingen door Wetteren en beroofden de mensen die naar de markt kwamen van hun goederen.
In mei 1580 legden de Spaanse troepen verschillende bruggen over de Schelde om via het Land van Waas naar Dendermonde te kunnen oprukken. Een deel van de troepen bleef op Overschelde liggen. In december 1580 werden Gentse troepen uit Kwatrecht verdreven en in januari 1581 verjoegen de zogenaamde Malcontenten die tegen de radicale calvinisten waren, de Gentenaars uit Wetteren. Zij zouden daarbij enkele huizen in de omgeving van de kerk in brand hebben gestoken.
In 1584 belegerde Farnese zowel Gent als Dendermonde. In Wetteren waren 500 Spaanse ruiters en 1000 voetknechten gelegerd. Er werd nogmaals een brug over de Schelde gelegd en op Overschelde werd een fort gebouwd. Het aantal Spaanse soldaten groeide aan tot 3000. De Spanjaarden verlieten Wetteren in september, nadat Gent en Dendermonde ingenomen waren.
Het is ook in die periode dat we onze eerste leenheer krijgen: Maximiliaan Vilain van Gent. In die periode moet hier ook een 'vierschaar' ofwel een galg hebben gestaan. Deze was te vinden waar nu het Kasteeltje van de Warande staat, een schril contrast tussen heden en verleden.
Dat Wetteren steeds meer als een belangrijk centrum van handel werd gezien bewijst de toelating van de Aartshertogen Albrecht en Isabelle van 1613 waarin Wetteren de toestemming krijgt om een jaarmarkt te mogen inrichten. Deze wordt nu; bijna 400 jaar later nog steeds gehouden op de dinsdag na de eerste zondag van september.
Wie dacht dat de Reuzen nog niet zo lang bestonden: reeds vanaf 1622 zijn er vermeldingen van de gemeentelijke reuzen, de voorouders van Reus en Reuzin, Jaek De Pompier en vele anderen. Na 1697 (Spaanse erfenisoorlogen) begint er voor Wetteren een lange periode van rust en welvaart. Een volkstelling van 1752 leert ons dat er toen 4030 Wetteraars waren.
Een geschiedenis van Wetteren beschrijven zonder Burggraaf Charles Hippolyte Vilain XIIII te vernoemen zou doodzonde zijn. Deze edele was meer dan 50 jaar de burgemeester van Wetteren (1822-1873). Dat dat hij ook op nationaal vlak veel te betekenen had; bewijst het feit dat hij mee heeft helpen beslissen om de Belgische kroon toe te vertrouwen aan Leopold van Saksen-Coburg. Zijn naam vinden we nog steeds terug in ons wapenschild.
Dat Wetteren een enorme industriële ontwikkeling heeft gekend is vooral te danken aan Jan Frans Cooppal die in 1778 op Beirstoppel de 'Koninklijke Buskruitfabriek' heeft opgericht. Het 'poerkot' kreeg internationale faam want vanaf 1799 werd er geëxporteerd naar Amerika. Felix Beernaerts gaf Wetteren een katoenweverij, die bij de Wetteraars vooral bekend staat als 'Beirnoarts Fabrieke'. In de jaren '30 werd ze door een felle brand vernield.
Wetteren staat vandaag nog steeds bekend als rozen-en boomkwekerij-gemeente; het was Adolf Papeleu die met de eerste boomkwekerij begon aan de Boskant. Vandaag worden er nog steeds bomen en planten uitgevoerd naar het buitenland. Vandaag is Wetteren een aangename gemeente om te vertoeven, te midden van het groen; op slechts een 15-tal kilometer van Gent en Aalst; en waar het tijdens de kermis steeds goed weer is (want God es nen Wettereire). De aanwezigheid van vele scholen en winkels maakt dat onze gemeente nog steeds een trekpleister is voor jonge gezinnen.
Bron: Heemkundig museum
|