|
Verzinnen
Ik heb in de zomer bomen verzonnen van goud met zilveren belletjes en kronen op hun kruim met diamanten die schitterden in de zon.
In de winter heb ik de prachtige paarden gemaakt van vers gevallen sneeuw. En zij draafden over de bergtoppen en dansten in het dal met wapperende sneeuwmanen en zwierige staartguirlandes.
Ik heb in de herfst vuur aangestoken in vlammend vermiljoen blad - en zilveren regens joeg ik over het platteland - en de zotte pijpenstelen braken in goddelijke gruzelementen en rolden door polders en winkelstraten.
En in de lente heb ik licht opgericht van het lichtblauw van kinderogen - zó helder... zó nieuw - dat iets zo nieuw kon zijn heb ik nooit geweten. En tòch bleef de leegte... omdat ik haar niet verzinnen kon.

|