ze leek op een mens in volhardend streven
vervlogen tijden, drang naar lenteleven
doch ter plaatste gekluisterd aan moeder aarde
alsof het levensvuur in haar zichzelf reeds bluste
terwijl ze naar elke nieuwe dag verlangde en
hoopte op die ene vlinder die nooit doemde
ik legde me naast haar onder d’ herfstlucht waar
zilveren vogels nog streepjes trokken richting
blauwe oorden en wachtte, wachtte net als zij,
op dat wat niet langskwam.