Tactische conclusies na een fataal akkoord
Nu de splitsing van het kiesarrondissement Brussel-Halle-Vilvoorde door het parlement is gejaagd en de dames en heren politici van een welverdiende vakantie mogen genieten, wordt de ware omvang van deze Pyrrus-overwinning duidelijk. De hervorming van het gerechtelijk arrondissement, die Milquet, Onckelincx, Michel en C° en stoemelings wisten door te drukken, voorziet aparte Franstalige parketmagistraten in Halle-Vilvoorde, onder hiërarchisch gezag van de (verplicht Franstalige) Brusselse procureur. Daarmee is de juridische tweetaligheid van een groot stuk van Vlaams-Brabant een feit. Anderzijds wordt Brussel officieel een ééntalig-francofone stad waarin de Vlaamse politieke aanwezigheid definitief gemarginaliseerd wordt. De zes “Vlaamse” faciliteitengemeenten komen in de Brusselse invloedssfeer terecht, waarbij, even onopvallend, een nieuw institutioneel-Belgisch monster (nog één!) het levenslicht ziet, namelijk de “Brusselse Hoofdstedelijke Gemeenschap” die in principe heel Vlaams Brabant onder de vleugels houdt.
Bart Maddens mocht in De Standaard van 13 juli summier de schade opmeten, nadat deze krant weken lang zorgvuldig alle kritische geluiden had geweerd:
“BHV heeft ook en vooral geïllustreerd hoe machteloos de Vlaamse meerderheid is. Zelfs voor aangelegenheden waar geen bijzondere meerderheid voor nodig is, kan die Vlaamse meerderheid niet meer op een normale democratische manier beslissen. De Franstaligen hebben voor alles een feitelijk vetorecht. Ze dwingen dat recht af door de spelregels naar hun hand te zetten. En de traditionele Vlaamse partijen laten betijen.”
Maddens wijst op het didactisch belang van deze miskleun: zouden de Vlamingen er nu eindelijk de juiste conclusies uit kunnen trekken. Is daarvoor het kritisch politiek potentiaal aanwezig, en vooral, de intellectuele moed?
De kleine lettertjes
De ontstaangeschiedenis van dit akkoord zal later nog voor veel hilariteit zorgen. Was bijvoorbeeld het beruchte Egmont-akkoord nog de vrucht van een echte koehandel op zijn Belgisch,- deze BHV-overeenkomst ruikt veeleer naar analfabeten die een kruisje onderaan zetten. Pas achteraf blijkt hoe Beke, Decroo jr. en Van Besien zich als kleine jongens hebben laten rollen in een materie die ze niet kenden, bijgestaan door even ondeskundige adviseurs.
VB-senator Bart Laeremans, radicaal criticus van het akkoord en allicht de politicus met de meeste dossierkennis terzake, gewaagt van een “…wild nachtelijk akkoord, gebaseerd op valse cijfers, met volkomen onbeslagen Vlaamse onderhandelaars, die zich lieten platwalsen door Onkelinx, Milquet en Michel en niet de moed hadden hun onvoorstelbaar geklungel nadien recht te trekken.”
Laeremans is, terecht, snoeihard voor het amateurisme van de Vlaamse onderhandelaars die, samen met de dubbelzinnige Caroline Gennez (want onder de waterlijn in parallel overleg met Di Rupo), het Vlaamse territorium opnieuw wat poreuzer hebben gemaakt.
Deze osmotische tactiek van de Franstaligen illustreert opnieuw hun solidair vermogen om vertakt en op lange termijn te denken in het belang van België en de francofonie, terwijl Beke en C° alleen maar gebiologeerd waren door die ene BHV-wortel die voor hun neus bengelde.
Toch wil ik hier, zoals vroeger al naar voor gebracht, ook een culturele kloof aan verbinden, die alles te maken heeft met het verschil tussen de Latijnse en de Germaanse grammatica.
De Belgische constructie laat zich lezen als een labyrint, bewaakt door een veelkoppig monster. Het is een doolhof van institutities, organen, wetten en wetjes, uitzonderingen op die wetten, vernunftige bypass- en omleidingskanalen, doodlopende wegen, achterpoortjes, spiegelingen, symmetrieën en antisymmetrieën. Niets is wat het lijkt, en alles is vatbaar voor een tweede en derde interpretatie.
Een conclusie zou kunnen luiden: de spelregels verwerpen, van de onderhandelingstafel wegblijven en de verrottingsstrategie hanteren.
De Franse taal zelf leent zich in het bijzonder tot die techniek van bijzinnen, tussenvoegsels en parenthesen, die ook een hoge mate van specialisatie vereist, een kleine kring van ingewijden die ver boven de hoofden van het gepeupel discussiëren. Niet voor niets is de politieke arena voor het grootste deel bevolkt met juristen. De Belgische wetgever, die jaarlijks een Staatsblad van zo’n 80000 pagina’s uitspuit, creëert en herbevestigt een elite die in een soort geheimtaal alle codes van het bestel beheert. Het systeem wordt daardoor tegelijk chaotisch, ondoorzichtig, én immuun voor alle fundamentele kritiek.
Voegen we daarbij nog de cultus van het surrealisme, in feite een cultus van de dubbelzinnigheid en de valse bodems die helemaal tot de Latijnse sfeer behoort, en alle ingrediënten zijn aanwezig om de Vlaamse kleimens tot analfabete minderbegaafde te degraderen, hoe hard hij ook werkt en hoe goed hij ook studeert. Ik stel het nu karikaturaal voor, maar in wezen draait het om die kortsluiting tussen de wereld van de kleine lettertjes en het Romeinse recht enerzijds, en de rechttoe-rechtaan-wereld van het gezond verstand en het Germaanse gewoonterecht anderzijds.
Dat zijn cultureel-ethnische discrepanties die alle akkoorden bij voorbaat corrumperen. We realiseren ons te weinig dat het Belgische institutionele kluwen een Latijnse afdruk vertoont, waardoor de Vlamingen, van zodra ze mee stappen in de negociatielogica, altijd achter de feiten en vooral achter de woorden aanlopen. Ze worden dus “bedot”, maar dan in de zin van de Amerikaanse Indianen die hun land verkochten voor een krat whiskey, omdat ze voor “eigendom” niet eens een woord hadden.
Dat doet niets af aan het feit dat de BHV-onderhandelaars Vlaanderen een slechte dienst hebben bewezen, en electoraal moeten worden afgestraft. Maar tegelijk stelt zich de vraag of de Vlamingen de valstrik van de complexiteit wel moeten ondergaan. De eerste conclusie zou dus kunnen luiden: van de onderhandelingstafel wegblijven en de verrottingsstrategie hanteren. Het spel ontwrichten door de spelregels te negeren of, sterker nog, het speelveld te doorploegen. De chaos onschadelijk te maken via de karikatuur, de overtreding, de dwarsdoorgang, het pad van de rede verlaten. De teksten dyslectisch negeren, of minstens zo samenballen, vereenvoudigen en vulgariseren dat alle verborgen bugs genadeloos platgenepen worden. Of gewoon de absentie, niet opdagen, de communicatiestop, de tegenspeler radeloos achterlaten op een halfleeg terrein. De perplexiteit bij de tegenstander uitlokken. Mais qu’est-ce qu’ils font, ces Flamands ?
Duidelijke grenzen versus fatale porositeit
Deze tactische wissel hangt samen met nog een andere vaststelling die zowel Laeremans als Maddens maken. De fatale behulpzaamheid van de Vlaamse onderhandelaars om het spel mee te spelen heeft ook te maken met de politiek-correcte schrik om het territorium als iets absoluut te handhaven. Want dat is zogezegd xenofoob en racistisch, zo werd ons geleerd door de Verlichtingsfilosofie uit het zuiden. In plaats daarvan wordt het grondgebied dan maar een wisselmunt, wat onvermijdelijk leidt tot een soort balkanisering van Vlaanderen, een versnipperd gebied met allerlei enclaves voor zgn. “beschermde minderheden” die, als het even kan, zich opwerken tot meerderheden en dan als een koekoeksjong het originele ei uit het nest duwen.
Dat taboe blijkt achterhaald: er moet wel degelijk een grens getrokken worden. Maar wie spreekt over een absoluut territorium, spreekt meteen over autonomie en separatisme. Er is geen weg naast, en ik zie dat zeer concreet: van vandaag op morgen het Vlaamse grondgebied afbakenen met iets dat op een staatsgrens lijkt. Dat hoeft geen prikkeldraadversperring te zijn, zoals Franstalige media het proberen te ridiculiseren (“Bye, bye, Belgium”). Toch moet die grens voldoende concreet en aanschouwelijk zijn, om de francofonie duidelijk te maken dat België vanaf dan voltooid verleden tijd is. Gerolf Annemans heeft voor de aansluitende boedelscheiding een uitvoerig en consistent scenario uitgewerkt in zijn boek “ O2- Zuurstof voor Vlaanderen”. Ondanks de mediaboycot van dit boek, is het tot dusver het meest redelijke en zelfs wetenschappelijk-correcte draaiboek voor het ontmantelen van de Belgische constructie.
Van de slag is dan het spookbeeld van de verfransing, de Brusselse olievlek, en a fortiori heel het BHV-kluwen, achterhaald. Franstaligen zijn in Vlaanderen welkom zoals uitgeweken Vlamingen in Wallonië: ze zullen zich moeten realiseren dat er maar één publieke voertaal is, en voor de rest spreekt iedereen thuis wat hij wil. Als inwoner van Overijse maak ik het elke dag mee: Franstaligen die de brave bediende van het postkantoor tot “hoffelijkheid” verplichten, omdat we nu eenmaal in een tweetalig land leven. J’en ai marre.
De bizarre dialectische conclusie is dus, dat het actuele BHV-debâcle de noodzaak van een republikeins stichtingsmoment weer wat urgenter maakt. Hoe slechter de akkoorden, hoe klungeliger de bricolage, des te dichter komt het omslagmoment in de Vlaamse politieke opinie, ondanks de sussende en amortisserende werking van media zoals De Standaard. De verfransing van Vlaams-Brabant, die zich nu volop kan voltrekken, ook zonder Brusselse kieslijsten, zal ook de meest gematigde Vlaming moeten doen inzien dat echte grenzen noodzakelijk zijn, en te prefereren boven complexe evenwichtsoefeningen die leiden tot een verdere porositeit en afbrokkeling van het grondgebied.
Een bizarre dialectische conclusie is, dat het actuele BHV-debâcle de noodzaak van een republikeins stichtingsmoment weer wat urgenter maakt. Hoe slechter het gaat, des te sneller zal de Vlaamse publieke opinie kantelen.
De politieke meerderheid in Vlaanderen is hiervoor in de maak, en ook daar heeft iemand als Bart Maddens steeds weer beklemtoond dat de twee V-partijen veroordeeld zijn tot het smeden van een strategische alliantie. De N-VA als glijmiddel voor het establishment en de behoudsgezinde krachten, het Vlaams Belang als radicale zweeppartij. Samen moeten ze het doen, laat De Wever en de N-VA vooral niet denken dat ze de klus alleen aan kunnen, want dan verzanden we opnieuw in een Schiltz-scenario.
Deze republikeinse alliantie kan dan het constitutioneel proces op gang trekken, en een breed debat organiseren –in én buiten het Vlaams parlement- over de wettelijke en ethische fundamenten van de Vlaamse natie. De Bekes, Decroos, Gennez’s en Van Besiens zullen dan snel van het toneel verdwijnen of, wat ze altijd al gedaan hebben, de huik naar de wind hangen. Vooral de CD&V zal op dat moment kantelen, open-VLD wellicht ook. Links en klein-links kunnen dan naar Wallonië verhuizen of, wat ik veel beter zou vinden, een linkse stem in de Vlaamse natie laten horen. Aan hen de keuze.
Onderhandelen met Wallonië én met Brussel krijgt dan een heel ander perspectief: respectievelijk buurland en Europese stadsregio, zullen ze beiden op Vlaanderen aangewezen zijn, in de eerste plaats economisch. Het Vlaamse medebeheer van het armlastige en boven zijn stand levende Brussel is dan voor deze stad een pure noodzaak, terwijl het nu voorwerp is van een ingenieuze chantage.
En niet te vergeten: in een Vlaams-autonoom kader kan eindelijk de loodzware Belgische hypotheek omtrent massale migratie, onbeheersbare criminaliteit, islamisering en cultureel-taalkundige verloedering gelicht worden. Gedaan met de zich eindeloos herhalende 11-juli-toespraken van zich op de borst kloppende keizer-kosters. “Keuterboeren en tuinkabouters die ons in het Brusselse stadhuis sprookjes wijsmaken over de geleidelijke, vanzelfsprekende verdamping van België”, aldus Bart Laeremans. Ikzelf ben dit jaar met die 11-juli-redes gestopt, toen ik doorhad dat ik evengoed die van één, twee of drie jaar eerder kon bovenhalen. Het zijn slechte, smakeloze tradities die vooral het status-quo bevorderen. Tijd voor een nieuw verhaal, een andere modus, een tekst op een wit blad. Een onafhankelijkheidsverklaring bijvoorbeeld.
Johan Sanctorum
http://vlaamserepubliek.wordpress.com/2012/07/14/bhv-the-day-after/