
Ik ga verder waar ik in de vorige aflevering gestopt ben : bij het woord “democratie”, met de Jasmijnrevolutie. Je kan er niet omheen, alhoewel men daar in Djerba alle moeite van de wereld doet om het je te laten vergeten. Ze willen het zelf ook liefst vergeten, heb ik de indruk. Velen werden ontslagen; anderen hebben angst dat ze hun Tunesische C4 eerstdaags mogen afhalen. Slechts enkele hotels en clubs zijn terug open.
Als je zelf niet over de revolutie begint, dan doen ze alsof er niets aan de hand is. Ofwel zijn ze in een ontkenningsfase, ofwel hopen ze met die houding de toeristen te overtuigen dat er in se niets gebeurd is. De veiligheidsagent aan het strand – veiligheidsagenten, ze staan overal, maar dat was vroeger ook al het geval: bij de ingang, aan de poort, zonder je hotelpas kom je er niet in – er lopen er enkele rond op het domein van de club, wel, die veiligheidsagent aan het strand – een pekzwarte struisgebouwde neger met een brede Louis Armstrongsmile herkent me ook. Dadelijk een handdruk en een babbel. “Bonjour! Blij dat u teruggekomen bent…” En dan ik: “Hoe is het met u? Gaat het een beetje? U hebt uw job kunnen behouden?”
Er glijdt ineens een wolk voor zijn zonnige glimlach. Tja, hij weet niet goed wat hij kan en mag antwoorden, tot hij dan toch stelt: “Het wordt tijd dat ze allemaal eens gaan kalmeren of het is hier voorgoed om zeep!” En dan keert hij snel terug in zijn schildwachthok vooraleer een “chef” hem opmerkt.
Lap, da’s de tweede die niet razend enthousiast is over de bewierookte stap naar democratie. Hier krijg je de indruk dat ze daar massaal zaten te wachten op die revolutie, maar ik heb eerder de indruk dat ze die ondergaan hebben als een sprinkhanenplaag.
’s Avonds roept Rafik, DJ en verantwoordelijke technische ondersteuning animatieploeg, me “Kom d’r bij zitten.” Hij is in de bar in het gezelschap van een zestal Fransen. Het gesprek gaat over Libië. Hij maakt ons duidelijk dat de vriendschap tussen de buurlanden op een zeer laag pitje staat. De Libiërs lijden, volgens hem, aan een superioriteitsgevoel; zij beschouwen de Tunesiërs als hongerlijders, die de hielen likken van de Europese toeristen. En op hun beurt vinden de Tunesiërs dat de Libiërs onderontwikkelde woestijnbewoners zijn. Hij staaft dit door het ultieme bewijs: de Libiërs weten zelfs niet wat een trein is… Hoe dom kan je zijn? Bovendien kennen de Tunesiërs behoorlijk wat talen, zij zijn vertrouwd met de Franse keuken enz. De Libiërs daarentegen… Neen, hij houdt niet van Libiërs, eigenlijk niemand in zijn land.
De Fransen vinden het nodig mij voor schut te zetten: “ah, la petite Belge”. Als ik daarop antwoord dat ik mijzelf niet als een belgische onderdaan beschouw maar wel als een Vlaamse, die door het noodlot – en ik verduidelijk: Napoleons’ ongebreidelde overheersingsdrang, de natuurlijke Franse neiging om alles wat niet Frans is te willen onderdrukken, vervolgens de hertekening van de staatsgrenzen na 1815, na 1830… - binnen de geografische grenzen van het kunstmatige land belgië beland ben… dan zijn ze op hun teentjes getrapt. Men had nooit moeten toelaten dat “un patois, le Flamand” - ik verbeter “het Nederlands” - als taal erkend werd. Dan zouden er nu geen problemen geweest zijn. Voilà! Ik laat niet op mijn kop zitten: leg uit dat Vlamingen en Nederlanders samen meer dan 22 miljoen Nederlandssprekenden vertegenwoordigen, dat daar dan ook nog de overzeese vroegere Nederlandse gebieden moeten bijgeteld worden en voeg er aan toe dat ze in de toekomst veel moeite zullen moeten doen om de taal van Molière te verdedigen want dat die al lang haar pluimen als wereldtaal verloren heeft en – om ze nog een beetje te jennen – geef ik enkele voorbeelden van de verengelsing / verloedering van hun geliefde taal. En dat ik van hen eigenlijk wat meer nationale trots verwacht had ... Het ongeloof op hun gezichten doet me nu nog grijnzen!
Libiërs : we hebben hier de berichten gezien omtrent de vluchtelingenstroom vanuit Libië naar Tunesië. Je stelt je daar een soort volksverhuizing bij voor, voornamelijk uit arme mensen, die beladen met hun have en goed, in tentenkampen op hulp van internationale NGO’s, het Rode Kruis of het islamitische Halve Maan, zitten te wachten.
In mijn vakantieclub zaten er ook, vluchtelingen, bedoel ik. In vroegere jaren kon het wel eens gebeuren dat er tussen de Europese toeristen op vrijdagmorgen een Tunesisch gezin opdook, dat twee dagen kwam vertoeven als klant in het hotel. Meestal waren dat moderne mensen, die niet speciaal opvielen. Nu waren het duidelijk andere inboorlingen: vrouwen in een zwart tentkleed, van top tot teen bedekt, jengelende, verwende kinderen, mannen met pasja-allures. Op mijn vraag, wie dat waren, kwam het korte antwoord: “Libische vluchtelingen”.
Dat ze niet onder de door ons begrepen beschrijving vielen was duidelijk. De moderne kinderwagens, de juwelen, de gsm’s, de laptops, de kleding van de kindjes… die lijken niet echt op de plunjezak van een vluchteling. Het contact tussen hen en het hotelpersoneel / sportmonitoren / animatieteam is in het beste geval als onderkoeld beleefd te beschrijven. Later meer hierover.
Linde Edelinck
Wordt vervolgd
2 reacties op dit bericht
Schande
Ze moesten in de grond kruipen van schaamte, de Nobelprijscommissie omdat ze de prijs niet aan Irena Sendler hebben gegeven en Al Gore omdat hij de prijs heeft aangenomen (oa).
Eigenlijk van een commissie die een vredesprijs geeft aan een terrorist, zoals Arafat, mag je alles verwachten.
Ons kent ons
Dit doet mij denken aan een andere nobelprijs.
U weet wel die Stijn Streuvels niet kreeg van de sexen-coburgs .