Elkaar kunnen missen
Er is een tijd om te omhelzen
en een tijd om los te laten.
Prediker 3, 5
Mens worden begint met het doorknippen van de navelstreng.
Met een scheiding: afscheid van geborgenheid, vruchtbare pijn.
Later volgt een tweede afscheiden een derde en een zoveelste.
Afscheid van de vader die alles kan,
van de moeder die op alle vragen een antwoord heeft.
Afscheid nemen van de idolen, die aanscherven liggen:
de altwetende, algoede, aldragende moeders en vaders.
Ik moet weg van hen, tijdelijk moederloos, vaderloos.
Ik weggroeien naar wat ik zelf kan en weet. En ben.
En zij moeten wij láten weggroeien, hun idool loslaten.
Het kind van hun dromen en verwachtingen wordt de vrouw en de man met eigen opvatttingen en gedragingen.
Wij moeten elkaar verliezen - het waanbeeld, geboetseerd naar onze behoeften en eisen - om elkaar terug te vinden -deze reële, in geen enkel opzicht ideale, in alle opzichten onvolkomen ander.
In het heldere licht van de werkelijkheid herkennen wij elkaar opnieuw, en nu voorgoed: jij bent anders, onherroepelijk anders dan ik had gedacht of gewild of gedroomd.
Ik kan je aanvaarden: zo is het goed.
Ik mag je ontvangen, jij mag me ontvangen, opnieuw.
Ik moet je vergeven, jij moet me vergeven - niet alleen elkaars fouten en tekorten, maar ten diepste - elkaars onbereikbaarheid.

