277 Vrede, vreugde, liefde, zegen
Vrede, Vreugde, Liefde, Zegen,
Zij uw deel op ’s levenswegen
Bloemengeur en vogelzang
Vergezel’ U, levenslang
Jef Lettens 1.1.1926
277 Vrede, vreugde, liefde, zegenZij uw deel op ’s levenswegen
Bloemengeur en vogelzang
Vergezel’ U, levenslang
Jef Lettens 1.1.1926
276 Dat beiaardspel en klokkenklankEen eeuwig lied van lof en dank
Van liefde en vree verspreiden
Het klinke door het luchtruim heen,
Dat voortaan, “ Allen hier voor één”
En “ Een voor allen” strijden.
7 sept 1928
275 Eloignée...Dans le monde lointain et sauvage
Le vrai bonheur se trouve en somme
Parmi les fleurs et les plantes, pour le sage
Meysse 25 juin 1932 Joz Lettens
274 Het recht van de sterkste
En glimlach ontglipt, m’ onwillekeurig de mond
Als mensen mij van wet of rechter gewagen.
En als zij denken dat, hetgeen vroeger bestond.
Niet meer kan gebeuren nu op onze dagen.
Dat de dwang en willekeur,-voor eeuwig zijn prijs.
Gegeven ; aan d’ heilige rechten der volken.
Sinds dat de beschaving en het onderwijs.
Zo machtig het recht van de burger vertolken.
De beiaardbespelingen gaan in het vervolg op een vast uur door : 11.15 u. na de mis in de St.-Martinuskerk.
273 't Is mei
Woorden : J.Lettens
Muziek : L.Joos
Jan kreeg het mei-weer op zijn lijf,
En sprak, ’t is uit met vrijen.
Zeg moeder ; kreeg ik ook een wijf
Niets zou me meer verblijen.
Ik voel een ongewone kracht
Een drang naar vreemde dingen
Een lust naar zomer-weelde-pracht,
En Jan begon te zingen.
Hij zong het liedje van de mei
Jochij, jochij, jochij.
’t Is mei.
En moeder zuchtte ongerust,
- Zo zijn die goede vrouwen –
“ Gij hebt nog nooit een meid gekust,
En spreekt ineens van trouwen.”
Bedenk u wel, mijn beste Jan,
Doof toch die malle grillen.
Geen meisje ‘k ben er zeker van
Geen meisje zou u willen.
Al was het nu nog driemaal mei
Jochij, jochij, jochij.
’t Is mei.
L.Joos is de broer van Jan Joos, koster in Meise (foto) en van Jef Joos.
Toen kwam Katrientje langs de baan
En Jan-man liep ze tegen.
Hij zag haar zo beteuterd aan
Zij keek entwat verlegen.
En geen van beide sprak een woord.
Doch Jan zegt en met rede :
Hij heeft het duidelijk gehoord,
Het klonk als ene bede.
Zij zong mij kwelt de zoete mei
Jochij, jochij, jochij.
’t Is mei.
Geen mens weerstaat zo’n ogenpaar
Geen sterveling kan daartegen.
“ Geheimnisvol en wonderbaar
Op aard zijn Godes wegen.”
Zucht moederlief en welgezind
Dansen zij ’t naaste meie,
Rond ’t wiegje van hun eerste kind
Met luite en schalmeie.
En zingen ’t liedje van de mei
Jochij, jochij, jochij.
’t Is mei.
272 Heden rollen onze bollen
Burgemeester Jan ter eer ! (Jan Van den Eynde)
Geen zorgen
meer voor morgen.
Hij zal borgen
Dat geen lasten drukken meer,
‘t Lustig spel van weg en weer.
En dan rollen
Wij ons bollen.
Zonder zorgen
weer voor morgen
over ‘t groene laken weer,
Burgemeester Jan ter eer !
271 Welkom, mannen van te landeWelkom op het gildefeest.
Hoger op ! O boerenstande,
Hoog het hart! Hoog de geest!!!
9.9.28
270 Bij het lijkje van een kind270 Bij het lijkje van een kind
(voor dochter van Marie, voorzitter gepensionneerden en Jeanneke)
De moeder zat bij ‘t wiegje geknield,
met toegenepen hart
en staarde snikkend op ‘t dierbaar lijk
verzonken in haar smart.
Daar lag ‘t als een engel in wit gewaad.
Nog speelde een glimlach op ‘t lief gelaat.
Ja ‘t scheen mij ‘t wichtje zei keer op keer
Mijn lieve moeder ween niet meer.
‘k Heb ‘t zuur noch ‘t zoet des levens gesmaakt
op mijn zo korte baan.
Maar ‘k heb zo dikwijls uw minnend oog
zien baden in een traan.
Ik heb uw snikken zo vaak gehoord.
Gij zijt o wereld een rampvol oord
Ik baad in het licht van een hoger sfeer.
O lieve moeder, ween niet meer.
Mijn moeder, vaak vertelde gij mij,
van ‘s hemels zaligheid,
van glanzende engeltjes van de kroon,
die ‘t brave kind geleid.
Dan juichte ik en ook wou een engel zijn,
maar ‘t deed o moeder uw harte pijn.
Gij hoorde mijn wensen, al goede Heer,
mijn lieve moeder, ween niet meer.
Wanneer ik u zal wenende zien,
dan kniel ik neer voor God
En vraagt mijn vurige kinderbee
verzachting voor uw lot.
Dan vlieg ik en keer in mijn snelle vaart
om u te troosten te vlug op aard.
En fluister in ‘t oor u verrukkend teer,
mijn lieve moeder ween niet meer
Wanneer uw sterven u zal slaan,
dan sta ik bij uw spond
Dan doe ik u wat ge mij eens deed,
in mijnen laatsten stond.
Ik sluit met mijn zoenen uw ogen toe,
en samen vliegen wij blij te moe,
naar de eeuwige woning van de heer.
Mijn lieve moeder, ween niet meer.
269 Het roosje269 Het roosje.
Wel hem, die ‘s morgens vroeg aanschouwt,
hoe ‘t lieve roosje fijn bedauwd,
zijn tedre bloemenkelk ontvouwt,
al slurpend ‘t zonnegoud.
Wel hem, die ook bewonderen kon,
hoe in de gulden middagzon
het nietig knopje zich ontspon
tot kleur en geurbron.
En in de late avondgloed
als God en mens en schepping groet.
Het schijnt te zeggen zacht en zoet :
wat is Hij groot en goed.
Dan komt ons de bevindenis
dat Hij vooral een wijze is
die hier op aard’ verkoos
te leven naast de roos.
Meysse, 15 augustus 1932
268 De bakker ...stuurt met al d’ anderen zijn wensen naar boven
opdat onze burgemeester
zorge dat een bredere geest er
van vrede en van liefde in het bestuur en op straat
zou heersen, den Grimbergsen handel te baat.
20.2.1927