Naar de inhoud

Familiearchief Chef d'Hotel-Holtmans

seniorennet.beseniorennet.be

Archief

Cornelis Chef d'Hotel

Cornelis Chef d'Hotel geboren op 18-8-1870 te Den Haag overleden 7-11-1945 te Den Haag. Op 2-9-1891 trouwt hij te Den Haag met Neeltje Glimmerveen geboren 11-2-1867 te Dordrecht. Cornels Chef d'Hotel zoon van Cornelis Chef d'Hotel en Anna Henriette van Leeuwen. Neeltje Glimmerveen dochter van Matthijs Glimmerveen en Cornelia Schaap. 

Hoe vind je dit bericht? 3 stemmen
Geschreven door Nico Holtmans om 00:00 Reageer op dit bericht

Krijn Chef d'Hotel Den Haag - Dachau 1901 - 1942

Krijn Chef d'Hotel. Geboren 16-7-1901 te Den Haag, bakker, overleden 08-08-1942 te Dachau. Krijn werd i.v.m.illegaal werk het verspreiden van de waarheid en andere bladen gearresteerd op 12-8-1941 en naar de gevangenis aan de v.Alkemadelaan afgevoerd. Vandaar is hij afgevoerd naar Dachau aldaar is hij aan een darm-catharre overleden.  

Chef d'Hotel, Krijn 
Den Haag. Loopknecht. Communist. Kandidaat gemeenteraad voor de C.P.N. (1939). Lijst links-extremistische personen (1939).
Rapporten Centrale Inlichtingendiens

Bron : historici.nl

Krijn Chef d' Hotel werd op 16 juli 1901 geboren in Den Haag was bakker van beroep. Hij kon redelijk goed tekenen o.a. van landschappen en historische gebouwen hij maakte voor 11 - 8 - 1941 een tekening van de Ridderzaal te Den Haag. Deze tekening is in mijn bezit en wil ik in 2026 afstaan aan Monument Oranje hotel in Scheveningen.  

In de oorlog was Krijn actief met toen illegaal werk namelijk het verspreiden van de krant de Waarheid en andere bladen. Hij werd hiervoor gearresteerd (verraden door de bovenburen) op 12 augustus 1941 in de van Brueghelstraat 239 te Den Haag, smen met twee broers en zijn vader. Zijn vader Isaac Jacob werkte als keukenhulp in hotel des Indes te Den Haag de directie bemiddelde bij bevelhebber  Rauter (SS-Obergruppenführer Hanns Rauter doodstraf op 24 maart 1949 voltrokken in Scheveningen ) om vrijlating van hun medewerker en zijn drie zonen. Vader werd vrijgelaten de de drie zonen werden niet vrijgelaten en bleven gevangen zitten. Informatie ontvangen van Jan knaap in 1995. 

Vermoord in Dachau op 8-8-1942 (zienswijze van Jan Knaap ( ik ga er zelf ook van uit) Jan is overl. in 2019.

Hij werd overgebracht naar de gevangenis aan de van Alkemadelaan in Scheveningen. Van Scheveningen is hij verplaatst naar Kamp Amersfoort vandaar is hij afgevoerd naar het concentratiekamp Dachau in Zuid-Duitsland.

Hij overleed (vermoord) aan een darm-catharre volgens de Duitsers. 

Er waren experimenten in concentratiekamp Dachau. Dood/vermoord door uithongering, medische experimenten, mishandeling, onderkoeling of door Malaria-onderzoek er zijn in Dachau nog meer experimenten met gevangenen uitgevoerd.  De meeste gevangenen in Dachau werden ingezet als dwangarbeider bij o.a. BMW en Messerschmitt AG.  

Conzentrationslager Dachau

Op 29 april 1945 werd Konzentrationslager Dachau bevrijd door eenheden van de Seventh Army. Zowel de 42nd "Rainbow" Infantry Division als de 45th "Thunderbird" Infantry Division waren betrokken bij de bevrijding, maar welke eenheid als eerste het concentratiekamp bereikte en bevrijdde is een omstreden vraagstuk. Niet alleen de vraag welke divisie KZ Dachau als eerste bevrijdde is controversieel. Tijdens de bevrijding werden namelijk meerdere kampbewakers geëxecuteerd door Amerikaanse soldaten, maar rond de exacte toedracht en het aantal slachtoffers verschilt men van mening. Citaat trace onwar.nl  

Nationaal Monument Kamp Amersfoort, is een van de drie bekendste Nederlandse herinneringscentra. In de periode 1941 tot 1945 hebben ongeveer 45.000 veelal politieke gevangenen voor korte of langere tijd vastgezeten in dit doorgangs- tevens strafkamp dat onder direct bevel stond van de SS.   Had dit verhaal in het jaar 2019 reeds op Seniorennet staan heb dit heden aangevuld.  

Hoe vind je dit bericht? 6 stemmen
Geschreven door Nico Holtmans om 00:00 Reageer op dit bericht

Roy de Riemer

Als 7-jarige indo-jongen werd Roy de Riemer met zijn moeder in een jappenkamp geïnterneerd en gedwongen Japanse oorlogsgruwelen te aanschouwen. Na de Tweede Wereldoorlog belandde hij in Den Haag en doorliep de middelbare school op het toen als streng te boek staande Tiemstra college. Vervolgens studeerde hij tropische landbouwkunde om hierna definitief te kiezen voor journalistiek.

Na zijn huwelijk met Nicole van der Wilde (Internationaal Perscentrum Nieuwspoort) op 27 april 1961 in Holborn, GB, kreeg De Riemer een dochter, Dinky (1961). Nicole en Roy scheidden in 1967. Met Mak de Haan – De Riemers laatste vriendin – voedde hij haar zoon Edsar op, die hij als zijn zoon beschouwde.

Eind jaren ’60 kwam Ellen Derksen in Roy de Riemers leven. Zij organiseerde sinds 1960 de Pasar Malam Tong-Tong (naar een idee van o.a. Tjalie Robinson). In 1969 werd De Riemers voorzitter van de organiserende stichting Tong Tong. Hij hield zich bezig met onder meer de publiciteit, Ellen Derksen en haar moeder Ems Grizèl vooral met de organisatie en journalist Dick Slootweg combineerde programmering met publiciteit.

In mei 1969 leidde Roy de Riemer de Pasar Malam vanaf de voormalige Haagse Dierentuin - de huidige vestigingsplaats van de Provincie Zuid-Holland - naar de ruimere Houtrusthallen, waar deze uitgroeide tot Nederlands meest vooraanstaande Nederlands-Indische markt. Om daar wegwijs te kunnen blijven ontwikkelde De Riemer de jaarlijkse Pasar Malam-gids "Boekoe Pienter". Deze stratengids zou vooral vanaf 1988 op het Malieveld zijn diensten gaan bewijzen.

In februari 1989 stapte De Riemer na bijna twintig jaar op als voorzitter van de stichting Tong Tong. Vanuit behoud van culturele oorspronkelijkheid zag hij geen heil in het Malieveld voor de Pasar Malam Tong-Tong. Hij voorzag verlies van de Indische cultuur door onvermijdelijke mensenmassa's.

Indien belangstelling zie mijn video's over Azië ; 

Ranong Thailand Grave of 1e Governor Phraya Damrongsucharit Mahisornphakdee Kho Su Chiang 许泗漳

https://youtu.be/NU_MSOeQS0I?si=ZRvmQ0j1MtfKIP

 De Riemer publiceerde ook als chroniqueur onder het pseudoniem Frederik Haesepadt. In de wekelijkse huis-aan-huiskrant Haags Stadsblad verspreidde hij zijn kroniek “Den Haag INTIEM” van eind 1973 tot eind 1976. Vervolgens verscheen vanaf 1977 onder hetzelfde pseudoniem De Riemers wekelijkse Kroegen Top Tien, aanvankelijk in dagblad Het Vaderland en daarna in het wekelijks verschijnende huis-aan-huisblad Nieuwsblad Nu.

Zijn levenswerk, de poëtische trilogie “tuinvrouwen”, heeft Roy de Riemer door vroegtijdig overlijden niet kunnen voltooien. Na het verschijnen van de eerste twee bundels "femme-jardin" en "geurige tuinen" vond hij op 6 november 1994 zijn einde onder de Haagse Malibrug in het destijds ijskoude Smidswater.

Hierna herdacht het Algemeen Dagblad Roy op 11 november via zijn oud-collega Herman van den Akker als volgt: "Hij tartte – als hij wilde – zijn vrienden. Hij tartte – vooral – zijn vijanden. Hij tartte het leven zelf."

Uit geurige tuinen een gedicht van Roy door hem geschreven

Een dicht wil ik voor je schrijven 

over ontrouwe halfbloedwijven, over het

dronken zwerven van mestieven die voor de vrije liefde kiezen.

In deze meest vervloekte eeuw slaak ik een vreugde schreeuw.

Ik ben niet blank, niet zwart, maar gekleurd tot diep in mijn hart - edelgermaan noch goddelijke aziaat, 

maar een liplap van de straat . Rechters kunnen mij niet dwingen.

Ik zal het Neerlands lied niet zingen, dat het burgervolk hier hitsig loeit. 

Wien rein bloed door d' aadren vloeit - gloria - van vreemde smetten vrij - paupers - verhef een zang

als wij.

Vervloekte christenhonden , godenzonen  -  die schoften wil ik bitter honen.

Zij die hun schuld hebben vergeten; hun verleden niet meer willen weten.

Geen valse buiging doet mij recht. Als mij de ereschuld mij wordt ontzegd, grijp ik gretig mijn laatste kans; het vertrappen

van een godenkrans. 

Uit woede ben ik te kwaadaardig, want soms zijn volbloeden wel aardig.

Schenken mij wat water en wat brood.

En zeggen : Deze bastaard hoeft niet dood.

Scheveningen , 15 augustus 1993.

Vijftien augustus kreeg ik de verraderskus een gedenkdag dus.

Roy geboren op Java in 1932 overleed overleed in 1994 te Den Haag.

Roy stamde af van de Indischetak de Riemer uit Java.

Roy was een achterneef van mij, wij hadden o.a. mr. Jacob de Riemer geschiedschrijver uit Den Haag als gezamelijke voorvader. 

Heb lang geleden. contact gehad met zijn dochter Dinky.

Antwerpen 15-8-2024

 

Hoe vind je dit bericht? 3 stemmen
Geschreven door Nico Holtmans om 00:00 1 reactie Reageer op dit bericht

Chefdhostel de Baulieu Rouen France

Chefdhostel de Baulieu Rouen France, gevonden door F. Carpentier Alting 1942-2022. 

Zie bilage      ;

Voir L'annexe;

Bijlagen
Hoe vind je dit bericht? 1 stem
Geschreven door Nico Holtmans om 00:00 Reageer op dit bericht

Famille Chef d´hotel de Beaulieu - de La Roche - le Grandval - du Grand Clos - d'Amontot. blz.1 en 2

chefwapen

Geschiedenis en parenteel familie Chef d’hotel.

Histoire et arbre généalogique (descendence) de

        

famille Chef d´hotel de Beaulieu - de La Roche - le Grandval

Inleiding

 

 

In 1974 heb ik mij voor het eerst bezig gehouden met genealogie. Met het onderzoek naar de familie Chef d’hotel begon ik een paar jaar later, na verloop van tijd had ik voldoende gegevens voorhanden om een parenteel te maken.

In 1997 publiceerde ik mijn eerste parenteel een eigen uitgave.

De familie is herkomstig uit Normandie Frankrijk meerdere personen zijn  na de herroeping van het edict van Nantes het land ontvlucht richting Duitsland,Engeland,Nederland,Polen en zelfs naar Portugal.   

                    

Op 13 april 1598 werd het eeuwige en onherroepelijke edict van Nantes uitgevaardigd. De protestanten kregen volledige gewetensvrijheid, voorheen waren er veel vervolgingen van hugenoten (zo werden de protestanten genoemd).

Hoewel dit edict (verdrag) eeuwig had moeten duren hief Lodewijk de XIV het verdrag na 87 jaar weer op in 1685.

Famille protestante, a L´époque de la révocation de L´édit de Nantes, certains sont partis vers L´Angleterre et

La Hollande pour y faire souche.

blz.1    

edict

Het was  in 1985, 300 jaar geleden dat het edict van Nantes werd opgeheven.                   

Op gedreven door militair geweld zochten duizenden hun  toevlucht in de Noordelijke Nederlanden e.t.c. Holland was burgelijk, protestant en naar 16de-eeuwse maatstaven liberaal. Diversen leden van de familie Chefdhostel/Chef d’hotel vluchte o.a. naar Nederland. Hier volgt een Franse text over Daniel Chef d’hotel die uiteindelijk besloot om zijn land te ontvluchten.Zowel in Polen als in Portugal heb ik helaas niets terug gevonden.   

Rouen France Le mercredi 19 décembre après 48 jours de résitance, Daniel Chefdhostel de Beaulieu merchand de La

rue aux Juifs, signe son abjuration.                      

Dès le lendemain il écrit à une parente réfugiée en Hollande.

 

Op woensdag 19 december na 48 dagen van tegenstand, heeft de koopman Daniel Chefdhostel de Beaulieu zijn protestante geloof afgezworen. Hierna heeft hij dit aan een familie lid in Nederland geschreven. Uiteindelijk is hij later met

zijn vrouw en kinderen naar Nederland gevlucht.

Maria Chef d’hotel de La Roche vluchte naar Amsterdam en overleed in Rotterdam. Verdere vluchtelingen waren Madelaine Chefdhostel vluchte naar Amsterdam doch vertrok na haar huwelijk naar Breslau het huidige Wroclaw in Polen.

Isac Chefdhostel,Salomon Chef d’hotel en Francois Chef de Hostel kwamen aan in Amsterdam. Isac Daniel Chedhostel en zijn vrouw Elisabeth Cossart kwamen via Londen aan in Den Haag. Isaac Chef d´hotel die soldaat was op o.a. kasteel Loevenstein is de stamvader van de Nederlandse tak,

het is nog niet zeker waar hij werd geboren vermoedelijk buiten Nederland.

blz.2

Voorlopig geen nieuwe aanvulligen van GENEALOGISCHE zaken.

Indien belangstelling zie mijn video's over Azië ; 

https://youtu.be/NU_MSOeQS0I?si=ZRvmQ0j1MtfKIP

                                                                        

Hoe vind je dit bericht? 2 stemmen
Geschreven door Nico Holtmans om 00:00 Reageer op dit bericht

Famille Chef d´hotel de Beaulieu - de La Roche - le Grandval - Grand Clos - d'Amontot . blz.3 t/m 8

vervolging

 

Het opstellen van een parenteel is een boeiende bezigheid welke veel tijd en moeiite kost. Ik kreeg hulp van meerdere familieleden. In 1985 leerde ik Frans Carpentier Alting een achterneef uit Rotterdam kennen, ik had toen al veel onderzoek in Nederland gedaan. Frans schreef ontelbare brieven naar Frankrijk, hij ontdekte de Franse kant van het verhaal. Heb het archief in Rouen, Amsterdam, Breda, Rotterdam, Den Haag, Deventer, Woudrichem en Leiden bezocht voor archief onderzoek. 

Wij zagen elkaar meerdere keren per jaar en hadden altijd voldoende gesprekstof vooral over genealogie, helaas overleed Frans in 2022 te Rotterdam. Samen maakte wij een reis naar Frankrijk en bezochte o.a. een voorouderlijk landgoed aldaar.

Ik erfde van hem zijn omvangrijke archief, een gedeelte heb ik geschonken aan Bronbeek te Arnhem.

 

Jan Knaap een achterneef leerde ik via zijn tante in Den Haag kennen. Hij verstrekte informatie over zijn in Den Haag opgepakte ooms en hun overlijden in Rotterdam en in Duitsland. Een paar weken voor zijn overlijden bezocht ik hem in een verpleegtehuis te Leidschendam in 2019 in dat jaar is hij ook daar overleden.

 

Ria Knaap voor informatie over 1940-1945 leerde haar pas kennen na het overlijden van haar broer Jan. Ontving van haar een dossier over de oorlog en een ingelijste tekening.

 

Willem Chef d´hotel(beiden overleden) en echtgenote te Muiden/Amsterdam, erfde van hem een 19e eeuws foto album.

 

Mijn vader Elbertus Holtmans overleden in 1994 te Boskoop over de verzwegen verhalen 1940-1945, zat ondergedoken op het lange Voorhout te Den Haag bij een tante en oom.  

 

Van de heer Muns (overleden) ook een achterneef uit de Den Haag ontving ik een foto van Geertruida Joahanna Chef d’Hotel

Hillegonda Chef d’Hotel uit Den Haag zuster van de in de oorlog omgekomen broers(vermoord)verwees mij door naar Jan Knaap.

blz.3

Cornelis Chef d'Hotel (overleden)neef van mijn vader uit Den Haag van hem en zijn echtgenote kreeg ik een foto.

 

Neeltje Maria (Nel) Chef d'hotel(overleden) uit Den Haag, ontving van haar een brief en een foto.

 

... Chef d'hotel gaf medewerking voor DNA onderzoek.

 

Isaäc Jacob Chef d'Hotel uit Purmerend informatie.

 

... Havermans (overleden) neef van mijn vader, ontving van hem een brief en een foto. Hij woonde te Amstelveen.

 

                           Antwerpen november 2009.

                           Niek Holtmans

                           E-mail : chefhotel@hotmail.com

 

Aangevuld in 2020 en 2021/2022/2023.

                  

                  

 

Hier volgt de Frans/Nederlandse parenteel :

Guillaume Chefdhostel huwde met Louise Le Veneur

In de Revue genealogie Normandie nr.27,1988 het

volgende gevonden: Du fonds de L´Abbaye de st-Wandrille, cote nr.16H114 archives de Rouen, le 13-1-1556 Guillaume Chefdhostel, pretre et Thieri Poncher tiennent les dixmes des nomineaux essarts de La foret de Brotonne et ses environs et a L´endroit des paroisses de Vatteville, Essart, Ste-Croix, Bourneville, Estreville, Hauville, Le Landin, Le Hauberec et Les nominaux essarts du Jacens des dites forets pour une annee saouf a Moustrier d`Arques.

uit dit huwelijk werden 5 kinderen geboren.

 

  1.  Thomas Chefdhostel
  2.  Philippe Chefdhostel
  3.  Nicolas Chefdhostel
  4.  Marie Chefdhostel huwde met Simon Duval.
  5.  Perrette Chefdhostel huwde met Jean Marest.

    

   

 

Hier volgt het verhaal over Thomas en zijn schip : geschreven door

Jacques Simonean- colonist of the Sable Island, Nova Scotia Canada.

Thomas was kapitein van het schip de Catharine, hij overleed na 9-3-1547

Henri IV, King of France, appoints on January 15, 1598 Troilus de la Roche of Mesgouez " general lieutenant in the countries of Canada, Hochelaga, Newfoundland, Labrador, river of

blz.4

Grande-Baie of Norembègue and grounds adjacent of the aforesaid provinces and rivers. " Letters patent emitted on this occasion gives him the right to pick up men of war to conquer by the force if it is needed, the cities, the castle-forts and the dwellings located on the lands which are conceded to him. It is allowed to him to choose in the kingdom " the number of people that it is necessary for him for the voyage, as long as one that the other sex ". The future colonists, whose Jacques Simoneau, are recruited among the gueux ones and the beggars. Fortified of its capacities, the marquis de la Roche solved to leave the same year for lands of which it had just been made up general lieutenant. He chartered on March 16, 1598, the Catherine of Thomas Chefdhostel. The Norman captain obliged to leave on the first favorable occasion the port the Hune (hougue) where the marquis de la Roche was to embark with his people. The tonnage of the Catherine is approximately 180 barrels. A ship was not enough to transport all the implements of the marquis and of the future colonists of the island, it took 2 days after, the Françoise, of 90 barrels, whose Jehan Girot was the captain . The personal of the two ships, could be about sixty people, not included the crew. These people

were of various conditions, in majority, so that one says, not very good to constitute the core of a healthy colonization.  The first land where was done the unloading was on the northern side of the Sable Island, off Nova Scotia, close to a small river forming narrow part which de la Roche named Boncoeur. After construction, under the monitoring of the commander Querbonyer, the residences and a store, the marquis deposited there 40 of his passengers with cattle and the instruments of agriculture, then he continued its road in order to find elsewhere a place more favorable to the establishment of its small colony. After explored the coasts of Acadie, he turns back and wanted to approach the Sable Island. The wind pushed it towards the east with a violence such, that in less than 12 days he reached the coasts of France.  The 40 French remained on the Sable Island, abandoned with their sad fate, waiting until Providence came to their help. They remained 7 years according to Champlain and Charlevoix, 5 according to Lescarbot.  The food not being missing , because the island was abundantly populated of cattle. More a-half century before, the baron de Lévi had deposited there cows and horses which, during this long period, had multiplied in great number. Fishing had to be an excellent resource for their subsistence. They made their clothing with the skins of the animals which were used to feed them. Entered to France, the marquis of de la Roche again thought of taking again the road of Canada. He undergoes several failures and could not repatriate itself his companions of the Sable Island. However, he informed the king of his misfortunes and the abandonment of its 40 french companions. It was only into 1603 that the court of the Parliament of Rouen gave the command to the pilot Thomas Chesdhostel to search and bring them back in their country. To reward it for his disorder, one granted the permission to him to deduct with his personal benefit half of the useful objects that these unhappy could have manufactured during their long absence, as well as leathers, the skins of harbour seal and foxes and oils. The pilot discharged his mission well and brought back with him the survivors of this tragedy ventures. The history preserved us their names. It was: Jacques Simoneau, Jacques Simon dit Lariviere, Olivier Delin, Michel Heulin, Robert Piquet, Mathurin Saint-Gilles, Gilles Le Bultel, François Provostel, Loys DESCHAMPS, Geoffroy VIRET and François Delestre. Henri IV wanted to see them in the curious getup which they carried when Chesdhostel them had found after 5 years, very covered of harbour seal. They had let push their hair and their barb. The disorder of their person had made them, with the statement of Charlevoix, rather similar to the alleged gods of the rivers. Sully accepted the command to count 50 ecus to each one of them and return them with the forgiveness of the faults of which they had been able to be made guilty before their passage to the new lands.  The shares fur skins and leathers gave place to a lawsuit between Chefdhostel and the repatriates of the Sable Island. The pilot had wanted to monopolize with his profit the

blz.5

products of the industry of the others, in spite of the conditions which granted only half to him. This lawsuit was not long duration; the parts were arranged with the friendly one.

 

LA ROCHE (Troïlus de Mesgouez, marquis de) (1540-1606), page et favori de Cour, baron, comte, gouverneur, vice-roi du Canada. - Mes, gland, gouez, sauvage, en bas-breton. [2-76] Bernard de Mesgouez, originaire de la paroisse de Ploumoguer, où le hameau de Mesgouez existe encore dans la trève de Lambezre ou Lamber, évêché de Saint-Pol-de-Léon, figurait comme écuyer en 1378 dans la compagnie du vicomte de Léon : son fils Jean fut employé dans les réformations de Ploumoguer et de Plourin-Ploudelmézeau ; et sa fille Jeanne s'unit au célèbre marin, Hervé de Porspoder (1426-46). En 1503, on cite le nom d'un descendant à la montre (revue) générale de Lesneven, ui fut sans doute le grand-père du marquis. Fils de Guillaume de Mesgouez, ce dernier naquit, vers 1540, au manoir de La Roche-Coatarmoal, dont il reste encore un tronçon d'édifice gothique, dans la paroisse de Plouzévédé. Son parrain fut le fameux Troïlus de Mondragon, colonel espagnol, qui vint épouser, aux portes de Landerneau, Françoise de La Palue. Ce prénom devint, plus tard, le titre d'une pièce de Shakespeare, intitulée Troïlus and Cressida, dénominations mythologiques. Admis en qualité de page à treize ans à la Cour de Henri II, l'adolescent fut successivement nommé chevalier de l'Ordre royal, membre du Conseil privé, capitaine de 50 hommes des ordonnances du roi. Sous [2-77] Charles IX, la reine fait ériger en sa faveur la capitainerie de Morlaix, en Finistère; mais il s'y fait représenter par un lieutenant, qui s'abandonna à toutes les exactions; voyant qu'il convoitait le Château-du-Taureau, forteresse bâti sur un îlot à l'entrée de la profonde baie de Morlaix, les bourgeois de la ville lui offrent une transaction de 2.500 liv., à titre de désistement. En 1576, Henri III lui accorde le marquisat de Coatarmoal sous le nom de La Roche Helgomarc'h, terre appartenant jadis à la maison de Rostrenen. Il avait, en 1563, épousé Claude, héritière de la maison du Juch près de Quimper, qui lui apporta une riche dot. Il y ajouta, par acquêt de Georges de La Trémoille, la baronnie de Laz et le comté de Gournay (Deux-Sèvres).

Il songea à cette époque à solliciter une commission royale, s'offrant d'aller « s'expatrier aux Terres-Neuves, les faire siennes, toutes et chacune ». En mars 1577, le roi lui octroya une première commission et, le 3 janvier 1578, une seconde, avec le titre de « vice-roi ès dites Terres-Neuves ». Le fils préféré de la reine, François, lui ouvrit sa bourse; les Bretons mirent leurs vaisseaux à sa disposition sur l'ordre du vice-amiral Honorat de Bueil (14 janvier). « Sa liaison, dit M. de La Roncière, avec un prétendant au trône d'Irlande, James Fitz-Gérald, qu'il devait accompagner en 1575 d'une flotte malouine, l'avait rendu suspect aux Anglais. À peine le vice-roi eut-il pris la mer, au printemps de 1578, que son beau vaisseau était enveloppé par quatre bâtiments britanniques : la pinasse d'escorte ne put que rapporter en Bretagne la nouvelle du désastre. L'ex-page de la reine avait pour adversaire le favori d'Élizaheth, Walter Raleigh. »

En 1583, Étienne Bellinger, Rouennais, explora les rives de la Norembègue et revenait avec une cargaison de fourrures, peintes à l'envers de couleurs vives. « À la même date, les cinq bâtiments malouins de Michel Frotet de La Bardelière ramenaient du Saint-Laurent des Sauvages à apprivoiser » pour d'autant plus faciliter le trafic ». Le marquis de La Roche pense aussitôt à reprendre la route des Terres-Neuves. Des Basques de Saint-Jean-de-Luz s'offraient comme colons, les Malouins comme armateurs. En 1584, il s'acheminait vers l'Amérique, lorsque son vaisseau sombra à la hauteur du Brouage :

blz. 6

des 500 hommes de l'expédition, les survivants se trouvèrent trop peu pour mener à bien le voyage. Dans une lettre datée de Paris, le 7 janvier 1584, Hackluyt disait que l'expédition en partance, avec des colons et des missionnaires, était commanditée par l'amiral de Joyeuse et le cardinal de Bourbon (V. La Roncière, t. IV).

Les Guerres de religion sévissaient alors en France : le marquis prit parti contre la Ligue. Il résigne son gouvernement de Morlaix (1589) au profit d'Alexandre de Kergariou, et il reçoit en échange celui de Fougères, près de Rennes, commettant un lieutenant à sa place. Le duc de Mercoeur, époux de Marie de Penthièvre, vint assiéger les villes de Bretagne, fit arrêter le marquis à Sablé, au moment où il accourait à sa défense : M. de La Roche gémit dans les cachots du château de Nantes, de 1589 à 1596. Dans cet intervalle, il perdit sa femme, pour laquelle il ne montra jamais grand attachement et qui ne lui donna point de postérité. Rendu enfin à la liberté, il se maria avec Marguerite de Tournemine, veuve de François Massuel, sieur de La Bouteillerie. Il obtint alors le gouvernement des vicomtés de Saint-Lô et de Carentan (Normandie). Le 16 février 1597, Henri IV, reconnaissant ses états de service, lui accorde les mêmes pouvoirs et titres qu'auparavant. Le marquis fait aussitôt reconnaître l'île de Sable par une mission militaire, composée du capitaine de Kerdement, du lieutenant Kéroual, tous deux Bretons, et de l'enseigne normand de Mondreville. Il passe un contrat, le 4 mars 1597, avec le capitaine de la Catherine, Thomas Chefdhostel.

Le 12 janvier 1598, le roi lui fait octroyer des lettres patentes qui le nomment « lieutenant-général en pays de Canada, Hochelaga, Terre-Neuve, Labrador, Norembègue et île de Sable, conformément à la volonté du feu roi Henri III ». Le 16 mars, il signe un contrat avec le capitaine Chefdhostel, et le 18 du même mois, avec Girot, capitaine de la Françoise, qui devaient embarquer le lieutenant-général et ses hommes à la Hougue. Il a fait recruter 250 condamnés dans les geôles de Normandie (20-23 mai), gagne l'île de Sable, où il en débarque une cinquantaine, pousse une pointe vers le continent et ramène en France les 200 prisonniers qui ont opiniâtrement refusé de se laisser débarquer à terre. Parkman et d'autres historiens ont blâmé l'envoi de condamnés à la détention au Canada : il n'est pas certain qu'ils fussent de grands criminels, coupables d'énormes forfaits; le contraire semble plus véridique. Les Anglais n'ont pas suivi un autre procédé de colonisation du XVIe à la fin du XVIIIe siècle (V. H. Garneau, Hist. du Can., t. I).

« Le 4 mai 1604, écrit Champlain, nous reconnûmes l'île de Sable. Elle est éloignée de la terre ferme du Cap-Breton de 30 lieues, nord et sud, et contient environ 15 lieues : il y a un petit lac (intérieur). L'île est fort sablonneuse et n'y a point de bois de haute futaie, ce ne sont que taillis et herbages que pâturent des boeufs et des vaches, que les Portugais y portèrent il y a plus de 60 ans, et qui servirent beaucoup aux gens du marquis de La Roche ; qui en plusieurs années (cinq ans) prirent grande quantité de beaux renards noirs, dont ils conservèrent les peaux. Il y a force loups-marins, de la peau desquels ils s'habillèrent, ayant tout dissipé leurs vêtements. Par ordonnance de la Cour de Rouen, en 1603, donnée au capitaine Chef-dhostel, il fut envoyé un vaisseau pour les requérir » - onze seulement avaient survécu.

Presque ruiné, le marquis délégua ses pouvoirs au capitaine, Pierre de Chauvin, de la marine royale, et mourut en 1606. Sa devise était : Rien de trop. 

 

Bibl. - P.-J. Levot, Dict. de Biogr. Bretonne, Paris, 1857 ; P. Decazes, Mém. Soc. Roy. Can., Ottawa, 1892; Ch. de La Roncière, Hist. de la Mar. fr., Paris, 1910; H. P. Biggar, The Early Trad. Co of New Fr., Toronto, 1902; Notes de M. L. Le Guennec, archiviste du Finistère.

blz.7

'Expérience huguenote au Nouveau Monde (XVIe siècle)

Genève, Droz, "Travaux d'humanisme et Renaissance" n° CCC, 1996. Un vol. in-4° de 394 p. ill. ISBN 2-600-00125-5

En Acadie et dans la vallée du Saint-Laurent . Afin de promouvoir une entreprise coloniale précaire, en butte à l'hostilité de milieux maritimes plus intéressés à la traite qu'au peuplement, et devant l'indifférence de la monarchie, Lescarbot, agissant, semble-t-il, de son propre chef, mais peut-être en liaison avec le lobby protestant auquel appartenaient des négociants comme les De Caën, dressait le bilan de près d'un siècle d'échecs français au Nouveau Monde, et en tirait des leçons pour l'avenir. Héritier à maint égard du "corpus huguenot relatif à l'Amérique", puisant chez Jean de Léry, Urbain hauveton et Lancelot Voisin de La Popelinière la matière première, mais aussi quelques-unes des lignes directrices de son exposé, Lescarbot se devait d'ouvrir son alerte compilation par un chapitre de "Conjectures sur le peuplement des Indes Occidentales " . Il y énonçait une série de cinq hypothèses, dont deux paraissent faire écho à Du Plessis-Mornay.L'une, évoquée par Lescarbot en troisième lieu, fait de Noé lui-même, et non plus d'un de ses trois fils, le "grand ouvrier et grand pilote" qui aurait conduit la race humaine en Amérique. Moyen, selon G. Gliozzi , de court-circuiter les prétentions des Espagnols qui disaient tenir leurs droits héréditaires sur le Nouveau Monde d'Esper, treizième descendant de Tubal fils de Japhet. Il semble en fait que Lescarbot a pris au pied de la lettre la figure par laquelle le théologien, évoquant métaphoriquement la "navigation" de l'Arche à travers le monde, désignait ainsi la prolifération et la dispersion des races humaines à partir d'une souche unique . L'autre hypothèse empruntée à Du Plessis-Mornay, mais qui dans son traité se confondait avec la précédente, est celle d'un trop-plein de peuples déferlant par les isthmes depuis l'Eurasie sur le nouveau continent, "soit par l'Orient, ou par le Nord, ou par tous les deux " . De pareils mouvements migratoires à l'échelle planétaire supposent que "toutes les parties de la terre ferme sont concaténées ensemble", ou du moins séparées par de minces détroits aisément franchissables, comme ceux d'Anian ou de Magellan.Jusque-là rien de très original. Lescarbot reprend à son compte l'opposition duelle du centre et de la périphérie, dans une perspective plus évidemment conquérante que celle de son prédécesseur. Mais ces "conjectures" traditionnelles ont été précédées d'une autre, beaucoup plus neuve et qui part d'un fait d'expérience tout récent. Parmi les "vaines tentatives" de la France en Amérique au XVIe siècle, l'une des plus tragiques demeure sans conteste celle qui fut conduite en 1598 par le marquis Mesgouez de La Roche sur l'île de Sable, au large de la Nouvelle-Ecosse . Ayant largué une cinquantaine d'hommes sur cette île rase et venteuse dont les seules ressources étaient la pêche aux cétacés, la chasse aux phoques et l'exploitation d'un troupeau de bêtes à cornes et de pourceaux à demi sauvages, vestiges d'une expédition antérieure, La Roche maintint la colonie par des envois annuels de ravitaillement, sauf en 1602.

blz.8

Indien belangstelling zie mijn video's over Azië ; 

https://youtu.be/NU_MSOeQS0I?si=ZRvmQ0j1MtfKIP

Hoe vind je dit bericht? 2 stemmen
Geschreven door Nico Holtmans om 00:00 Reageer op dit bericht

Meer van Familiearchief Chef d'Hotel-Holtmans

↑ Terug naar de berichten