Nieuwe zegels voor de Olympische Spelen in Peking
De Olympische Spelen staat weer voor de deur, iets waar miljoenen sportliefhebbers naar uitkijken. De Post draagt zijn steentje bij door drie Olympische zegels te lanceren, met de disciplines BMX, estafettelopen en tennis.
BMX is een nieuwkomer op de Spelen. Deze spectaculaire sport ontstond eind de jaren zestig aan de westkust van de Verenigde Staten en is gegroeid uit motorcross. Bij BMX rijdt men op zeer wendbare kleine fietsen met kleine wielen en dikke banden. Er zijn verschillende prominente wielrenners die in de BMX begonnen zijn, denk maar aan Cadel Evans en Robbie McEwen. De zegel die een BMX-racer toont die een sprong in de lucht maakt, heeft het waardecijfer1.
De postzegel die het estafettelopen toont heeft een waarde van 0,90euro. In die discipline, een onderdeel van de atletiek, heeft ons land misschien een kans op een olympische medaille. De dames die het nummer lopen, Kim Gevaert, Hanna Mariën, Elodie Ouedraogo en Olivia Borlée, behaalden in 2007 brons op het wereldkampioenschap in Osaka.
De derde uitgave is een blaadje of ook blok genoemd met één zegel voor het tennis met het waardecijfer2 of 1,08euro. Jammer genoeg is met het definitief stoppen van Justine Henin dit voorjaar onze kansen op een tennismedaille volledig verdwenen.
Voor themaverzamelaars van zegels over de Olympische Spelen is de voorraad quasi onuitputtelijk, want bijna elk land geeft zulke zegels uit. Veelal beperken filatelisten zich tot hun favoriete sporttak om een duidelijk afgelijnde verzameling op te bouwen. (pve)




Hét Olympisch symbool wordt gevormd door de vijf verstrengelde ringen. Zij geven de verbondenheid van de vijf werelddelen aan en de ontmoeting van sporters vanuit de hele wereld tijdens Olympische Spelen. De bovenste drie ringen zijn blauw, zwart en rood; de onderste twee geel en groen. De kleuren corresponderen niet met een specifiek werelddeel (zwart voor Afrika, geel voor Azië enz.), zoals veel mensen denken. Zij zijn gekozen met de gedachte dat in elk geval een van deze kleuren is terug te vinden in de vlaggen van alle landen. 
Het Olympisch vuur symboliseert de eeuwige strijd van de mens om tot eenheid en verbondenheid te komen. Het werd voor het eerst ontstoken bij de Olympische Spelen van 1928 in Amsterdam en brandde in de grote schaal op de marathon-toren van het Olympisch stadion. Sinds 1936 wordt het Olympisch vuur met behulp van zonnestralen ontstoken in Olympia en vandaar in een estafetteloop naar de plaats van de Olympische Spelen gebracht. Het idee ervoor was afkomstig van de Duitse sportbestuurder Carl Diem. 








Wielrennen: je moet op een fiets een paar rondjes fietsen, zo snel mogelijk.
Gewichtheffen: je moet een stok met aan het eind zoveel kilo proberen op te tillen.
Boogschieten: je moet proberen met een pijl het midden van een rond bord te raken.
Boksen: je moet speciale handschoenen elkaar knock-out proberen te slaan.
Worstelen: dikke mensen moeten elkaar uit een ring te krijgen door aan elkaar te trekken of elkaar te duwen.
Judo: vechten zonder elkaar echt pijn te doen en elkaar in een bepaalde grip te krijgen en hem zo een paar seconden vast te houden.
Volleybal: je moet een bal over het net slaan en zorgen dat hij bij de tegenstanders op de grond komt (niet buiten de lijn).
Pentathlon: dit bestaat uit 5 sporten: paardrijden schermen pistoolschieten, zwemmen en veldloop. Als je hier aan mee wilt doen moet je alle 5 de sporten doen.
Handbal: dit is voetbal alleen dat met de handen i.p.v. de voeten.
Basketbal: dit speel je met 5 man (in 1 team) en je moet met een bal dribbelen en overspelen en hem dan door de basket proberen te gooien.
Schermen: zwaard vechten met een speciaal pak aan en het "zwaard" heeft een dopje op de punt.
Turnen: Er wordt gekeken hoe netjes je oefeningen op toestellen doet.
Ruitersport: hierbij moet je een paard berijden.
Schieten: hierbij moet je in een ronde schijf schieten.
Kanovaren: je moet slalommend op het wilde water de finish bereiken.
Hockey: je moet met een stick een klein balletje in een doeltje slaan.


skispringen: op ski’s en moet je een berg af, maar er is een einde en daar vlieg je af.
