m
Een basisschoolklas gaat oefenen met rijmen. Marietje: "Er waait een harde wind en ik ben een lief kind".
Juf: "Goedzo Marietje! Wie kan er nog een rijmpje maken?".
Jantje: "Mijn zusje viel gisteren in de put en het water kwam tot aan haar knie?n.".
Juf: "Maar Jantje, dat rijmt toch helemaal niet?".
Jantje: "Ja wat kan ik eraan doen dat het water niet hoger kwam!"












