Reageer op dit bericht
Reageer op dit bericht
Slaaf nog bedelaar mag de arbeider zijn!

Een monument van barmhartigheid
Het evangelie in werkwoorden
Evangelische werkwoorden
Indien wij het evangelie opnieuw ter hand nemen en gaan bedenken vanuit de vraag wat ons te doen staat lijkt het dat wij het evangelische handwerk opnieuw zullen moeten leren.
Nieuwe omstandigheden, een nieuwe situatie, nieuwe uitdagingen nodigen ons uit om – althans in ons leven – het evangelie meer een zaak te laten zijn van hand-werk dan van hoofd-werk, meer van praktijk ( het ten volle ‘pratikeren’) dan van theorie, meer van vaardigheid dan van bespiegeling, meer van beleven dan van belijden.
Om een idee te krijgen van wat dit evangelisch handwerk inhoudt zouden wij de evangelische werkwoorden bij elkaar kunnen lezen.
In deze lijst van evangelische werkwoorden komen dan ongetwijfeld de volgende werkwoorden voor:
Bevrijden – genezen - biddende mens worden – menselijkheid herstellen – gemeenschap stichten – geven – vergeven – je zelf onteigenen – minste worden – dienaar zijn – ter beschikking stellen – kinderen opnemen – het hart van de arme binnengaan – God beminnen – mens beminnen – geven waarvan je zelf moet leven – doen wat je kunt – ten bate staan – vrede stichten – gerechtigheid nastreven – van destructieve krachten bevrijden – enz.
De variëteit, die h
et evangelie aanbiedt, is wel zo groot dat ieder wel een werkwoord vindt dat bij hem past en dat hij of zij in zijn of haar situatie kan proberen te verwerkelijken.
Dat betekent dan ook dat allen samen een heel stuk evangelie gestalte kunnen geven in onderlinge samenwerking en aanvulling.
Deze evangelische werkwoorden zouden opnieuw het christen-bestaan kunnen programmeren voor het dagelijkse leven en voor het dagelijkse samen-leven in de situatie waarin wij bestaan.
Ieder zou naar eigen geaardheid en mogelijkheid een keuze kunnen maken uit deze evangelische grond-woorden en samen met anderen één of meer van deze evangelische werkwoorden kunnen uitwerken tot praktische programma’s, tot modellen of projecten, waarin denken en werken, sturen en bijsturen, inspanning en ontspanning, situatie-verkenning en stratiegie-ontwikkeling hun plaats hebben.
Vermoedelijk zullen wij wel niet in staat zijn om al deze evangelische werkwoorden in ons leven gestalte te geven. Dat hoeft waarschijnlijk ook niet.
Want indien iemand één evangelisch werkwoord tot richtsnoer neemt, wordt zijn leven en zijn levenshouding waarschijnlijk zodaning, dat alle andere werkwoorden op de een of andere wijze toch medeverwerkelijkt worden.
Zo kunnen wederom christen-gemeenten ontstaan waarin het evangelische handwerk ter plaatse en direct verwerkelijkt wordt.
Hoe de praktische verwerkelijking dient te gebeuren kan alleen ter plaatse en met allen die betrokken zijn bij het plaatselijk gebeuren overlegd en uitgewerkt worden. Vanuit dit proberen kunnen opnieuw modellen groeien en nieuwe gemeenten zich vormen als pluisjes op de wind, als zaadjes in de akker.
Het einde of in ieder geval het verbleken van bepaalde verleden modellen van christen-zijn kan de mogelijkheid openen tot een ongekend open bloeien en verwerkelijken van de boodschap van Jezus van Nazareth ten bate van mensen.
Is het 'één uur op zondag' model alleen zaligmakend???
Het één ‘uur-op-zondag’ model
De aandacht die besteed wordt aan het teruglopende kerkbezoek op zondag en de angstige bezorgdheid die geuit wordt bij het constateren van het voortdurende achteruitgaan van het zondagsmisbezoek en daar boven op is het zo “dat van het opdragen van een zondagsmis door een man die zeven missen moet doen, weinig intensiteit uitgaat” (zie De Standaard van vrijdag 19 januari ll.) wijzen in ieder geval op het feit dat het ‘uur-op-zondag’ model van christen-zijn en kerkelijk meeleven nog steeds hoog genoteerd staat en voor velen hét model van christen-zijn is.
Het feit dat aan dit ‘uur-op-zondag’ model praktisch alle bestaanvoorwaarden en activiteiten van de kerken verbonden zijn – het bij elkaar brengen van mensen en gezinnen, de vorming, bezieling en bemoediging van de gelovigen, de financiële ondersteuning van de kerken – wijst er op dat dit ‘uur-op-zondag’ model een basismodel van christen-zijn is.
Wij zouden ons echter af kunnen vragen of dit ‘uur-op-zondag’ model wel hét model van christen-zijn en van het kerkelijke meeleven en betrokken voelen, moet zijn.
Wordt in de aandacht en de bezorgdheid voor de feitelijke ontwikkeling niet al te zeer uitgegaan van de keuze en de vooronderstelling dat dit rituele en liturgische uur hét model van christen-zijn en hét model van evangelie-beleven moet zijn?
We zijn zo gewend om het christen-zijn en het evangelie-beleven te bedenken binnen een ritueel kader en binnen een liturgisch model dat het ons ternauwernood mogelijk is om andere modellen waar te nemen en serieus te bedenken en als – voor onze tijd tenminste – gelijkwaardige gestalten van christen-zijn te zien en te waarderen.
Een grote inspanning wordt geleverd om de ritueel-liturgische gestalte van christen-zijn aan te passen, te vernieuwen, te herbouwen en aantrekkelijk te maken. Grote inspanningen worden gedaan om daarvoor nog celibataire priesterkandidaten voor te vinden.
Maar afgezien van het feit dat al deze inspanningen maar zeer ten dele het ‘uur-op-zondag’ in zijn functie en betekenis herstellen, is het zeer de vraag of deze inspanning de problemen oplost.
Misschien moeten wij zelfs zeggen dat deze inspanningen de problemen eerder bedekt.
Het immers de vraag of inderdaad een ritueel-liturgisch model van christen-zijn in onze tijd hét model van christen-zijn moet en kan zijn.
Het is ook de vraag of dit liturgische-ritueel model al deze aandacht en energie opeisende inspanning om bij de tijd te geraken waard is.
Het lijkt ook mogelijk dat het verdampen van het ‘uur-op-zondag’ model veel eer en veel meer een uitnodiging is om nieuwe varianten van christen-zijn te zoeken, te vinden en te verwerkelijken, varianten die, getoetst aan de boodschap van Jezus van Nazaret, als minstens gelijkwaardig aan dit liturgisch-ritueel model gewaardeerd kunnen worden.
Van geloofsbelijdenis naar geloofsbelevenis!
Zouden wij ons niet mogen afvragen of het
met-de-mond-geloofbelijden niet vaak een vlucht
is voor het met-de-hand-geloof beleven,
of het mislukken van het geloof-beleven
ons niet doet vluchten in het geloof-belijden
en of mensen die zich zo intens bezig houden met
het formuleren van de geloofsbelijdenis
wel iets bijdragen aan de zoveel dringender
opgave van het omschrijven van het geloofs-
beleven in onze dagen?
Waarom zouden wij ons dat niet mogen afvragen?!
Met de hulp van de sterren en Boedddha
"Met de hulp van de sterren en Boeddha"
"Religie is voor mij het werkelijk kunnen voelen dat je deel uitmaakt van een groter geheel. Daar ben ik bewust mee bezig. Ik heb voor mezelf uitgemaakt dat ik mijn reliegieuze kant meer ga ontwikkelen. Ik vind het jammer dat religie in het verdomhoekje is geraakt omdat mensen het oneens zijn met bepaalde visies van bepaalde godsdiensten. Een men kan pas gelukkig zijn als ook met zijn reliegieuze kant -wat die ook moge zijn - rekening wordt gehouden.
Ik ben katholiek opgevoed, onze parochie was een heel actieve gemeenschap.
Ik ben er nog altijd dankbaar voor dat ik dat heb mogen meemaken.
Nu ga ik niet meer naar de zondagsmis.
Ik heb dat ritueel niet meer nodig om het religieuze een plaats te geven in mijn leven.
Voor mij zijn de teksten van het boeddhisme en het taoïsme momenteel een grote bron van inspiratie.
Lao Tse zegt: "Wie een ander kent is wijs, wie zichzelf kent, is verlicht."
Dat is een bijzonder actuele uitspraak."
Het is niet dat het christendom mij niet meer inspireert, mar van een zondagsmis opgedragen door een man die zeven missen moet doen, gat weinig intensiteit uit.
Het is trouwens niet menselijk.
En precies die intensiteit is essentieel om mensen te kunnen aanspreken.
Maar het is niet aan mij om de kerk goede raad te geven.
Maar ik voel heel goed aan dat mensen heel actief op zoek zijn naar inspiratie en als ze die niet vinden in de kerk, gaan ze die elders halen.
Dat ik een shoppende religieus ben, vind ik geen scheldwoord."
Een tekst als een spiegel. Een spiegeltekst!
Er zij veel gegadigden die er nut zouden uithalen op in te kijken!
Statistieken diaconaat
Statistieken over het diaconaat van december 2005
- In Afrika : in 27 landen 385 diakens
- In Amerika: in 36 landen 22 584 diakens (in USA 15.763
- In Azië: in 20 landen 148 diakens
- In Australië en Oceanië: in 15 landen 215 diakens
- In Europa: in 35 landen 10.701 diakens
Bijgevolg zijn er in 132 landen (Aziatische Rusland en Europees Rusland als één land geteld) 34.033 diakens.
450 diakens in 21 landen zijn lid van een orde of congregatie.
Diakens die de leiding van een christelijke gemeenschap verzorgen ( CIC Can.517 § 2)
- In Afrika: in 4 landen 22 diakens
- In Amerika: in 16 landen 249 diakens
- In Azië: in 5 landen 18 diakens
- In Australië en Oceanië: in 3 landen 14 diakens
- In Europa: in 14 landen 296 diakens (in België 8)
Bijgevolg zijn 599 diakens in 42 landen met de ‘gemeenteleiding’, volgens CIC 517§ 2, belast.
Deze statistieken werden overgenomen uit de Wereldstatistiek van Vaticaanstad van december 2005! Bron: Diaconia Christi.
Parabeltje van het ongetrouwde echtpaar
Parabeltje van een plattelandsdiaken
De parabel van het ongetrouwde echtpaar!
Stel je voor, een koppel had reeds vijf jaar ruzie gemaakt , en voor hun vijfde huwelijksverjaardag besloten ze dat er iets moest veranderen in hun relatie. Daarom gingen ze naar een oude wijze man, en vroegen hem om raad.
- “Kom op jullie huwelijksverjaardag bij mij op bezoek”, zei de wijze man, “en ik zal jullie een fijn etentje voorzetten.”
Op hun huwelijksverjaardag kwam het jonge koppel uiterlijk welgezind bij de oude man. Ze hadden hun twee kinderen ook meegebracht, een jongen van vier en een half jaar en een meisje van drie.
Als geschenk gaven ze de oude man mooie bloemen.
Groot was hun verbazing toen hij ze aannam en ze zonder verpinken met de steel omhoog in een vaas zette.
De oude man excuseerde zich niet en bovendien vroeg hij zijn gasten om eerst in de keuken de afwas te willen doen. Het etentje begon met een kop koffie en taart. Vervolgens diende de gastheer een chocolademousse als voorgerecht op. Na het hoofdgerecht volgde een bord soep waarop een visschoteltje de maaltijd afrondde. In twee grote waterglazen goot de man rode en witte wijn, en in het wijnglas water.
Toen de jong man bruisend water vroeg kreeg hij water uit de kraan, en de vrouw die normaal plat water dronk schonk hij borrelend bronwater in.
Met stijgende woede had de jonge vrouw dit eigenaardige schouwspel gevolgd, tot ze beledigd rechtsprong.
- “Nu is het genoeg”, riep ze uit, “wij komen hier om wijze raad, niet om een maal waar alles op zijn kop staat” .
Rustig keek de wijze man haar aan en deed haar weer zitten.
- “Kijk”, zei hij, “zoals ik jullie nu behandeld heb, zo doen jullie al sinds je verlovingstijd met elkaar. Je kende elkaar nog maar pas en je at al van het zoet dessert der intimiteit. Je had thuis geleerd om wijs te zijn en je was niet eens voorzichtig – en hij knipoogde even naar het oudste kind, dat onverwachts vroeg geboren was. Je had je zelf nog niet gevonden en je wou de ander al bezitten. En toen je – veel te vlug – getrouwd was, heb je niet opgehouden de ander te bewijzen dat jij als vrouw of jij als man baas in huis bent. Als de ander plat water vroeg, dan gaf je bruisend water om te laten zien dat jij de sterkste was. Als je verwachtte dat de ander de afwas of een bepaald werk voor jullie gezin ging doen, dan werd je gevraagd om je eigen boontjes te doppen. Denk je dat je op die manier van het huwelijk een feest kunt maken?”
Er viel een lange stilte.
En toen de man de tranen in twee paar ogen zag en twee handen die voor het eerst mekaar echt zochten, dan wist hij dat een sinds lang gescheiden koppel, nu pas voorgoed aan ‘trouwen’ was begonnen.
Naar een verhaal van jan Van Raemdonck)
Waarom is God onzichtbaar? Hij heeft zichzelf weggegeven!
Waarom is God onzichtbaar? Omdat Hij zich heeft weggegeven!
In mijn vroeger leven, toen ik godsdienstleraar was, kreeg ik af en toe de vraag: ‘Hoe weet u dat God bestaat? Waarom kun je Hem niet zien?”
De Oude Catechismus antwoordde, dat je God niet kon zien, omdat hij geen lichaam had. Dat God geest was.
Maar je zou ook kunnen zeggen: we kunnen God niet zien, omdat Hij Zichzelf heeft weg-gegeven.
Maar hoe moet je je dat voorstellen?
Halverwege de vorige eeuw in België trad bij de missiepaters een jongen in die Pierre heette. Hij sloot al gauw vriendschap met een zekere Jean. Samen spraken ze vaak over hun ideaal: pater in de missie.
Totdat Pierre een boek leest over het Melaatseneiland.
Het boek schrijft, dat de melaatsen er waarschijnlijk eerder doodgaan aan lusteloosheid, apathie of zelfs aan honger en dorst, dan aan hun ziekte.
Pierre wordt daar zo door gegrepen, dat hij aan niets anders meer kan denken. Het melaatseneiland achtervolgt hem overal. Jean kan het zich allemaal niet zo goed indenken. Na een lange innerlijke strijd komt het voor Pierre vast te staan, dat hij de aangewezen man is om naar het melaatseneiland toe te gaan.
Hij nam afscheid van Jean. Eenmaal aangekomen op het eiland moet hij eerst zijn walging overwinnen, voor hij een melaatse aanspreekt:
“Is er niemand die voor je zorgt?”
- “Nee!”
- “Zou je het fijn vinden?”
- “D’r is toch niemand.”
- “Zouden de anderen het ook fijn vinden?”
- “Allicht.”
- “Waarom ben je dan zelf niet ermee begonnen: je weet zelf hoe het zou zijn…?”
- “U hebt gemakkelijk praten: u bent gezond.”
Pater Pierre gaat aan het werk. Het eiland moet bewoonbaar worden. Hij hakt bomen, zaagt, timmert, bouwt huisjes. Pas na een paar maanden komen de eerste helpen. Maar dan gaat het ook vlot. Het melaatseneiland wordt een menselijk eiland.
Als iedereen een dak boven zijn hoofd heeft, komt er zelfs een kerk.
Tevreden bidt pater Pierre in zijn kerk. Hij heeft wat tot stand gebracht.
Dan valt zijn oog op witte plekjes op zijn handen; en op zijn armen. Ze zitten overal. “Ik heb het ook! Nee God, dat niet. Dat kan U niet van me vragen… .”
Drie dagen en nachten is pater Pierre in paniek. Hij wil weg. Terug naar huis.
In de derde nacht schiet het hem te binnen: “Nu kunnen ze nooit meer zeggen: U hebt gemakkelijk praten, u bent gezond.”
Nu begon het eigenlijke werk pas. Hij bleef.
Voortaan was hij melaatse pater van het melaatseneiland.
Na jaren was pater Jean in de gelegenheid het eiland te bezoeken.
Hij zocht zijn oude vriend Pierre, maar zag hem nergens. Hij riep op een afstand naar een melaatse: “Is pater Pierre hier ergens?” De melaatse begreep het meteen, en zei: “Ga terug naar de kerk, en als u hem nog niet ziet, dan moet u maar roepen.”
Pater Jean deed het.
U kunt zich voorstellen wat erdoor pater Jean heengegaan zal zijn, toen op zijn geroep één van de melaatsen in de kerk opstond en hem toeriep: “Jean!”
Waarom kan pater Jean pater Pierre niet zien?
Deze had zichzelf weggegeven, en nu zag hij er heel anders uit dan zijn oude vriend Jean dacht.
Waarom kunnen wij God niet zien?
Die heeft zichzelf weggegeven, en nu ziet Hij er anders uit dan wij denken.
Diamautem
Nog een parabeltje van een plattelandsdiaken
Parabeltje van een plattelandsdiaken
Bidden op jouw manier
Het feest van de heilige Antonius abt te Grimminge
Op woensdag 17 januari vieren wij in de kerk van Grimminge de heilige Antonius abt. (Zie bedevaartvaantje!). Ook dit jaar is er een gebedsdienst gepland om deze grote heilige te vieren.
Er wordt door de oudste inwoners van Grimminge verteld dat vroeger, op het feest van sint Antonius abt, de kerk van Grimminge volledig bezet werd door bedevaarders. Meestal bleven zij daarna ‘hangen’ in een van de talrijke herbergen die Grimminge toen rijk was. Je gelooft het niet? Vraag het maar aan de oudste inwoners!
Vandaag is er geen grote bedevaart meer en toch blijven heel wat mensen het belangrijk vinden om de heilige Antonius te herdenken. Sommigen doen daar meewarig over. Maar is het gedenken van een heilige niet een vorm van geloven in de verrijzenis. God is een God van levenden en niét van doden, ook niet van ‘dode’ heiligen. Een heilige vereren betekent dat je gelooft dat hij/zij leeft bij God.
Er is echter nog een andere reden waarom het zinvol is een heilige te vieren. Een heilige is een patroon. Dat woord ‘patroon’ is heerlijk dubbelzinnig: het betekent zowel een ‘model’ als een ’voorspreker’. De heilige Antonius is vandaag nog altijd een ‘patroon’, ‘een model’. Hij leert ons hoe wij in onze levensomstandigheden op enthousiaste wijze kunnen geloven. Deze heilige is een ook een ‘voorspreker’. Ook vandaag pleit hij voor ons bij God.
Toch blijven sommigen dit soort vroomheid bedenkelijk vinden. Doen zij dat terecht? Lees dan onderstaand parabeltje!
Mozes en de herder
In het leven van Mozes komt volgens een joodse volkstraditie een opmerkelijke passage voor.
Mozes ontmoet in de woestijn een herder.
Hij brengt de dag samen met de herder door en helpt hem bij het melken van zijn schapen.
Aan het eind van de dag ziet hij dat de herder de beste melk die hij heeft in een houten nap giet, die hij op enige afstand op een platte steen plaatst.
Dan vraagt Mozes hem waar dat voor dient, en de herder antwoordt:
- “Dat is de melk voor God.”
Mozes snapt het niet en vraagt wat hij bedoelt.
De herder zegt:
- “Ik neem altijd de beste melk die ik heb om die aan God te offeren.”
Mozes die veel meer verstand heeft dan de herder met zijn naïeve geloof, vraagt hem:
- “En drinkt God die op?”
- “Ja”, antwoord de herder, “dat doet hij”.
Dan ziet Mozes zich verplicht de arme herder voor te lichten en hij legt hem uit, omdat God zuiver geest is, geen melk drinkt.
Toch is de herder er zeker van de Hij dat wel doet, en zo redetwisten zij een poosje. Het loopt hier op uit dat Mozes tegen de herder zegt dat hij zich achter de bosjes moet verbergen om te zien of God inderdaad de melk komt opdrinken.
Mozes gaat dan de woestijn in om te bidden.
De herder verbergt zich, het wordt nacht en in het maanlicht ziet de herder een klein vosje uit de woestijn komen aantippelen; het kijkt rechts, het lijkt links en gaat recht op de melk af, likt die op en verdwijnt weer in de woestijn.
De volgende morgen vindt Mozes de herder helemaal ontdaan en terneergeslagen.
- “Wat is er aan de hand?” vraagt hij.
De herder zegt:
- “U had gelijk, God is zuiver geest en Hij heeft mijn melk niet nodig.”
Mozes is verbaasd. Hij zegt:
- “Je zou blij moeten zijn; je weet nu meer van God dan eerst.”
- “Dat wel”, zegt de herder, “maar het enige wat ik kon doen om mijn liefde voor Hem tot uitdrukking te brengen is mij nu ontnomen.”
Mozes begrijpt wat hij zeggen wil. Hij trekt zich terug in de woestijn en bidt met aandrang. In de nacht spreekt God tot hem in een visioen:
- “Mozes, je hebt verkeerd gedaan. Het is waar dat Ik zuiver geest ben. Maar toch heb Ik de melk die de herder mij offerde altijd in dank aanvaard als het bewijs van zijn liefde, maar omdat Ik als zuivere geest die melk niet nodig had, deelde Ik hem met dat kleine vosje, dat zo dol is op melk.”
Wie heeft volgens jou het gelijk aan zijn kant: Mozes of God?
Over 'magda' en 'moeda'; over: 'Het zegt mij niets!'
Parabeltje van een plattelandsdiaken
Over ‘magda?’ en ‘moeda?’
Of: Het zegt mij niets!
Tijdens onze studies aan de normaalschool (opleidingsinstituut voor onderwijzer) werden wij elke week uitgenodigd om naar klassieke muziek te luisteren. ‘Uitgenodigd’ zeg ik, het was meer ‘van moeten’! Voor mij was klassieke muziek kattengejank. Ik ben niet alleen weinig muzikaal begaafd, maar ik had ook nooit de kans gekregen om klassieke muziek te leren beluisteren en waarderen. Vandaag ben ik nog altijd dankbaar dat ik toen verplicht werd om die muziek te leren kennen en waarderen. Dankbaar om de ‘inwijding’! Had die docent ons toen niet verplicht, dan was vandaag voor mij klassieke muziek nog altijd ‘kattegejank’! En wat zou ik veel gemist hebben!
Maar er is meer: ik durfde voor die ‘inwijding’ in de muziek ook beweren dat het mij niets zegde. Zo sprekende maakte ik mezelf tot maatstaf van de dingen. Ik heb later geleerd dat zo’n uitspraak niet getuigt van ‘wijsheid’. Als iemand beweert: “Het zegt mij niets”, dan is dit niet het laatste woord. De zin (de waarde, de betekenis) wordt ons immers niet in de schoot geworpen als een voldragen vrucht die vanzelf gerijpt is. De zin moet gecultiveerd worden. Wij moeten er iets voor doen en veel voor over hebben. Wij hebben ‘inwijding’ nodig!
Daarom vandaag dit parabeltje over: “Het zegt mij niets!”
In de Vaticaanse musea te Rome zag ik een troep Amerikaanse toeristen in recordtempo door de Sixtijnse kapel ijlen en voortstormen door de Stanze van Raffaël. Noch Michelangelo, noch Raffaël zegden hun iets; ze spraken hen niet aan!
Tot mijn grote verbazing kwam die stormende horde plots tot stilstand en begon heftig te discussiëren en te gesticuleren. Klaarblijkelijk hadden zij nu iets gevonden dat hen wél aansprak. Ik voegde me bij de groep om getuige te zijn van het wonder dat Amerikaanse toeristen blijven stilstaan in een museum, en dat zij hun volle aandacht vestigen op een (kunst)voorwerp.
Wat trok hen hier onweerstaanbaar aan?... Een grote porfieren badkuip uit één stuk. De professor in de oudheidkunde, met wie ik vroeger een rondgang gemaakt had door de musea, had me toen smalend gezegd:
- “Laten we hier vlug doorlopen, want dit is een product uit de vervalperiode van het Romeinse rijk, iets voor parvenu’s en nieuwe rijken; het is hoogstens een curiosum, doch van generlei kunstwaarde.”
Dat protserig stuk hield die Amerikanen in de ban en bewerkte iets dat noch Michelangelo, noch Raffaël had kunnen bewerken.
Welke was nu de vraag die hen bezighield?...
- “Er is geen afvoerbuis aan deze badkuip. Dat is niet erg praktisch noch comfortabel. Hoe zouden ze die kuip leeggemaakt hebben?”
Op kunstgebied moet men een leeghoofd zijn om zo gefascineerd te worden door de leegte van een badkuip.
Voor wie is zulk optreden beschamend? Voor Michelangelo en Raffaël?...
Neen, hun grootheid wordt niet verminderd omdat oppervlakkige mensen hen niet naar waarde weten te schatten en geen zin hebben voor grote kunst. Het is bedenkelijk voor de Amerikaanse toeristen, want het wijst op een groot gemis aan zin voor echte kunst. Wél hadden zij zin voor comfort en praktische snufjes.
Uit dit voorbeeld moge blijken dat een uitspraak als “Het zegt mij niets; ik heb er geen zin in, geen goesting voor” een uitspraak kan zijn over de innerlijke leegte en banaliteit van degene die het zegt.
Mag ik even stout zijn? Als ik iemand hoor beweren:
“De mis zegt mij niets!”, zegt die uitspraak veel over de eucharistie of over degene die deze uitspraak in de mond neemt? Misschien moet ik nog ‘ingewijd’ worden in de eucharistie?! Misschien heb ik een gids nodig om de betekenis en de waarde van eucharistie te ontdekken?!
Diaken Maurice Temmerman
Gevangenen bezoeken

35 jaar permanent diaconaat in Vlaanderen
God gooit niet met dobbelstenen

Volgens mij zijn de christenen te slap
Men zegt vaak: er loopt iets mank in de communicatie
tussen moslims en christenen. En dan denkt men
weleens dat de moslims te sterk zijn. Maar volgens
mij zijn de christenen te slap. Wat er in heel wat Antwerpse
scholen gebeurt, stemt mij tot nadenken.
Godsdienst komt er nauwelijks ter sprake, tenzij de
islam. Als een leraar vraagt wie nog gelovig is, steken
vaak alleen de moslims hun hand op. Die spreken
dan zo enthousiast over de ramadan dat ook Belgische
klasgenoten eraan willen meedoen. Want ,,zoiets
hebben wij niet’’, zeggen ze dan. Wellicht is de
aantrekkingskracht van de islam op intellectuelen
niet groot, maar op jongeren blijkbaar wel. De islam
springt in het gat van onze spirituele leegte.
Daarom denk ik dat Europa gebaat is bij een levendig
christendom. Dat christendom hoeft zeker niet
agressief te zijn. Het moet geloven in zijn zaak en dat
geloof doorgeven aan jonge mensen. Het christendom
heeft belangrijke troeven. In deze gemondialiseerde
wereld is de typisch katholieke boodschap van
wereldwijde verbondenheid zeer actueel. Dat gedachtegoed
mogen we niet opgeven.
Ik heb absoluut geen heimwee naar de dominante
positie van de kerk en de persoonlijke gewetensvrijheid
is een belangrijke verworvenheid, maar ik denk
wel dat er vandaag nood is aan vrijmoedige getuigenissen.
Als christenen dat niet meer doen, dan zullen
jonge mensen die weg niet meer vinden
Onze maatschappij worstelt met de omgang met zwakke en oude mensen
Onze maatschappij worstelt met de omgang met
zwakke en oude mensen. Ik heb een artikel geschreven
over het ‘taboe van de ouderdom’. Daar heb ik
enorm veel reacties op gekregen. Het debat over de
manier waarop wij met oude en hulpbehoevende
mensen omgaan, mag weleens gevoerd worden. Ik
twijfel er niet aan dat het verzorgingspersoneel hard
werkt, en ook de instellingen schermen met de normen
die zij halen. Maar misschien moeten we die
normen weleens ter discussie stellen, want de realiteit
is ook dat ik weinig mensen ken die met plezier
naar zo’n instelling gaan. Waarom kunnen we niet
zelf wat meer voor oude en zieke mensen zorgen?
Hilde Kieboom in De Standaard van 30 december 2006
Wij hebben nood aan idealen
Wij hebben nood aan idealen
Hilde Kiemoom, voorzitster Sint Egidiusgemeenschap
in De Standaard van 30 december 2006
"Soms maak ik mij toch ongerust over de Vlaming.
Hebben wij niet een te gesloten visie op identiteit?
De manier waarop wij soms over België en de Franstaligen spreken, vind ik ronduit beschamend.
En dan zwijg ik nog over de manier waarop we over Nederlanders spreken.
Nee, we moeten ons echt bezinnen over de vrag hoe wij ons Vlaming-zijn zien."
p.34
Kernen van hoop in een veranderende samenleving
| In de kijker | |
| KERNEN VAN HOOP IN EEN VERANDERENDE SAMENLEVING | |
|
'Ook in het negatieve gaat vaak hoop verscholen' Nieuw samengestelde gezinnen zijn erg kwetsbaar Annemie Dillen vestigt er de aandacht op dat mensen in niet-traditionele gezinssituaties vaak kwetsbaar zijn. Voor de samenleving ligt daar een verantwoordelijkheid. We mogen bv. alleenstaanden met kinderen niet laten vallen en moeten als samenleving onze verantwoordelijkheid opnemen. "Het promoten van het huwelijksgezin is een goede zaak. Maar daarmee bereiken we niet de mensen die in andere gezinssituaties leven. We moeten inzetten op hoe we deze ouders kunnen ondersteunen en gezinnen vaker samenbrengen, zodat ze elkaar ook onderling kunnen steunen. Hier is ongetwijfeld een rol voor de kerk weggelegd. We mogen bij deze gezinnen zeker niet de indruk wekken dat ze niet meer welkom zijn, omdat hun gezinssituatie afwijkend is." Gezin niet altijd een veilige haven "Cijfers geven aan dat er meer geweld is in de gezinnen. Dat is volgens specialisten niet alleen het gevolg van het feit dat mensen dit sneller melden. Het geweld in de gezinnen neemt toe." Dat vormde onder meer de achtergrond voor het succesvolle colloquium 'Wanneer liefde toeslaat' aan de KU Leuven. Ongeveer 80 procent van de gevallen van kindermishandeling heeft plaats binnen een gezinscontext. Bijna de helft van de moorden wordt in familiale sfeer gepleegd. 1 op de 5 vrouwen krijgt ooit te maken met partnergeweld. "Vanuit christelijk perspectief bestaat er veel literatuur rond geweld en conflict, maar zijn er nauwelijks publicaties over geweld in het gezin. Gezinnen worden gemakkelijk met huiselijkheid en veiligheid geassocieerd. In ons land werd pas in 1997 in het strafwetboek ingevoerd dat bij slagen en verwondingen het feit dat deze toegebracht zijn aan een partner of ex-partner een verzwarende omstandigheid is. Het is erg belangrijk dat we het bestaan van huiselijk geweld erkennen. De verruwing in de samenleving mag geen excuus vormen om het traditionele gezin als wondermiddel naar voren te schuiven. In elk gezin, van elke rang en stand, kan onrecht of geweld voorkomen." Postdoctoraal onderzoek Annemie Dillen werkt aan een postdoctoraal onderzoek over kinderen en ethiek. "Daarin komen vragen aan bod als: hoe kijken we naar kinderen? Welk beeld van kinderen is het meest wenselijke? Maar we gaan ook na hoe kinderen zelf kijken. Als we zeggen dat we kinderen ernstig nemen, dan moeten we ook kijken naar hun theologische en spirituele visie. Daarvoor moeten we met hen in gesprek gaan. Naarmate we dit sterker bestuderen, merken we steeds meer dat kinderen zeker geen lege vaten zijn. Kinderen kunnen al op hun twaalfde symbolisch denken. Dat moet ons aansporen hen ernstig te nemen en in de religieuze opvoeding ook hun perspectieven aan bod te laten komen." Kerstwens "Ik hoop dat mensen, als ze het kerstekind zien, niet alleen vertederd zijn door dit kleine kind, maar daardoor ook meer aandacht krijgen voor kwetsbare kinderen en beseffen dat de kinderen die we vandaag tegenkomen - net als het kindje Jezus - ons heel wat te vertellen hebben. We moeten hen ernstig nemen. Als God als kind kan komen, dan moeten ook wij vandaag kinderen ernstig nemen en in hen sporen van God herkennen." | |

