NIEUW: Blog reclamevrij maken?
SCHUINE TEKSTEN
Inhoud blog
  • 340: Avond in VL
  • 339: Goj
  • 338: Zwart gat
  • Detectiepoëzie
  • 337: Curieusneus
  • 336: Hair
  • 335: Upperdog
  • Presentaties Upperdog
  • 334: De Bom
  • 333: Poldercrimi
  • 332: Klein Thailand
  • 331: Opdoffers
  • 330: Wind
  • 329: Hongerije
  • 328: Café
  • 327: Alle regen
  • 326: Hondenleven
  • 325: H... H... H...
  • 324: Roeping
  • 323: Houten koppen
  • 322: Mooilijk
  • 321: Perte totale
  • 320: Goede man
  • 319: Enig kind
  • 318: Fibo
  • 317: Dialoog
  • 316: Etaoin shrdlu
  • 315: Roland
  • 314: Bermkip
  • 313: Men
  • 312: Bruder Lustig
  • 311: Signeergesprek
  • 310: Rook
  • 309: Ode aan mijn bh
  • 308: Alfa
  • 307: Vijgen voor Pasen
  • 306: Wereldsmart
  • 305: Jonge ouderen
  • 304: De Boekenkrijg
  • 303: www.zot.com.bébé
  • 302: Echte fictie
  • 301: Mundial
  • 300: De Felle
  • 299: Westlof
  • 298: Lam Gods
  • 297: Jacky
  • 296: Hop paardje hop!
  • 295: God?
  • 294: Acoliet
  • 293: PP
  • 292: Netwerk
  • 291: Leffaards
  • 290: Het varkensei
  • 289: Geheim
  • 288: Geknipt
  • 287: Geloof
  • 286: Stommeling
  • 285: Een aardig ding
  • 265: VRESELIJK
  • 284: Kloon
  • 283: Allojjo
  • 282: Schaakstuk
  • 281: Communicatie
  • 280: Figuur
  • 279: Hairbag
  • 278: Lijstjes
  • 277: Jos, Joste, Gejost
  • 276: Melk?
  • 274: Frinch fraais
  • 273: Mager Heineken
  • 272: Appartemens
  • 271: Gestopt
  • 270: Ik zou u schrijven
  • 269: Koksmonoloog
  • 268: Een photo
  • 267: Getetter & Getoeter
  • 266: Water
  • 264: Beu
  • 263: Acteur
  • 262: Vederlands
  • 261: Etters & Engelen
  • 260: Men spele...
  • 259: Kwaak
  • 258: Geschoold
  • 257: A la recherche
  • 256: WJZBJZ
  • 255: Eindelijk
  • 254: 'Het' gezin
  • 253: Repetitieruis
  • 252: Kiespijn
  • 251: Reis Hiernamaals
  • 249: Gezondheid
  • 248: Speeltijden
  • 247: Rood licht
  • 246: Ruis
  • 245: Weg
  • 244: Mom
  • 243: HET JAAR ELF
  • 242: Kloon
  • 241: In de put
  • 240: Huid & Haar
  • 239: Zomer 11
  • 238: Duimen maar
  • 237: Poirot
  • 236: Smoke
  • 235: Collateral
  • 234: Nachtraven
  • 233: Undercover
  • 232: Frietpeace
  • 231: Kopie-Kopie
  • 230: Gezeid is gezeid
  • 229: Vreemde man
  • 228: Een stuk
  • 227: België
  • 226: Mijn meesters
  • DRAMA
  • 225: GVD
  • 224: Veldinterview
  • 223: Sprook
  • 222: Zappa
  • 221: Een bod op God
  • 220: Curryculum Vitae
  • 219: Tovenaar
  • 218: Perspest
  • 217: Animatietype
  • 216: Ruim
  • 215: De erwt
  • 214: Podiumbeest
  • 213: Mobiliteit
  • 212: Twee tijgereieren
  • 211: De kus
  • 210: Wolf
  • 209: Een reus
  • 208: Opsporingsbericht
  • 207: K met zuurpruim
  • 206: Volksverlakkerij
  • 205: Doppedrop
  • 204: Kap
  • 203: Affiche
  • 202: Regen
  • 201: Stuk
  • 200: Hair
  • 199: Wie A zegt
  • 198: Bijsluiter
  • 197: TV
  • 196: Arno
  • 195: Letters & Letteren
  • 194: Taalkunde
  • 193: Onder de zon
  • 192: Besparen
  • 191: De goede man
  • 190: Van die dagen
  • 189: Zwarte zwaan
  • 188: Questionnaire
  • 187: Say cheese
  • 186: Loteling
  • 185: Een zwaluw
  • 184: Grijs
  • 183: Claus
  • 182: Liefhebber
  • 181: Monumenten
  • 180: Erger
  • 179: Landbouw
  • 178: Bijna
  • 177: Onafhankelijkheid
  • 176: Zo fout als wat
  • 175: Wei-gevoel
  • 174: Merk
  • 173: Mens
  • 172: Pikant
  • 171: 50 vragen
  • 170: Jinx
  • 169: Wiskunst
  • 167: Met alle Chinezen
  • 166: Mooiste woorden
  • 165: Rijm
  • 164: Internetman
  • 163: EVBO
  • 162: Hondenleven
  • 161: Carrière
  • 160: Coureur local
  • 159: Kip ik heb je
  • 158: Politiek programma
  • 157: Design
  • 156: Kreeft
  • 155: Nicotine
  • 154: Gastronomen
  • 153: Verleiden
  • 152: Opinie
  • 151: 1e hulp in gevallen
  • 150: Verzamelwoedend
  • 149: Fakir
  • 148: Cliché
  • 147: Iets anders
  • 146: Uit de kunst
  • 145: Appartemensen
  • 144: Wereldwoeden
  • 143: Ongerijmd
  • 142: Dagboek van 1 dief
  • 141: Vioolkist
    Zoeken in blog

    Foto
    Aan de sneeuwzee in Vlaanderen, februari 2012
    Foto

    Jowan & Joris in Stotendorp Heule

    Foto

            Red shoes Wilma

    Foto

    Younger me, already salt 'n pepper

    DEZE KANT BOVEN (Sjors DNO)
    SCHUINE TEKSTEN
    05-09-2018
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.335: Upperdog

    UPPERDOG. UPPER CLASS. UPPERCUT. Biotrilogie van Joris Denoo bij uitgeverij Bibliodroom ISBN 9789492515247

    Upperdog. We hebben Abraham gezien. We weten waar hij de mosterd haalt. We waren babyboomers, hippies en yuppies. We hebben moto’s in de prak gereden, marathons gelopen en we zijn gestopt met roken. We pamperden nazaten en begroeven voorouders. We vormen een flink deel van de flanken van de leeftijdspiramide. We hebben een ver verleden en een nabije toekomst. We hebben ervaring en centen. We zijn niet meer krimpvrij. Maar de media, reclame e.a. big brothers en sisters moeten eens ophouden met aftermidlifers alleen maar aan te spreken wanneer het gaat over licht urineverlies of karakterkoppen om streekbieren in te gieten. In dit boek is de rode draad het gevoel van vlak na When I’m Sixty-Four. In your face, melkmuilen! Oud maar niet out! De schrijver (een OJJO, ofte Oude Jongere/Jonge Oudere) vertolkt het stevig: hij voegt het woord bij de daad.   

    Upperdog speelt zich bovendien af in een biotoop die ook naar adem snakt: het verstedelijkte dorp, dat anno 1977 gefusioneerd werd met (in de volksmond: gefusilleerd door) de grotere broer stad, die een renaissance aan het beleven is. Men wil er zo graag wonen dat het anno 2020 volledig dichtgeslibd is met mensen en voertuigen allerhande, afgewisseld met parkeerpleinen en groenzones. Dit vormt het tweede deel van deze verhaalroman, Upper Class, waarin op eenzelfde manier met feit en fictie gespeeld wordt door de hilarische Rembert Anneessens, een anderik van de schrijver. Het blijft maar naar adem happen!

    Upperdog evoceert ten derde ook eindelijk, op velerlei verzoek, het supervreemde bestaan van alter ego of anderik Bjarne Donderdag. De schrijver bediende zich jarenlang van dat pseudoniem, soms tot wanhoop van bepaalde literaten. Deze spookkompaan kan ook op een merkwaardige bibliografie bogen, met inbegrip van een waslijstje nominaties en literaire prijsjes, vooral in Nederland. Zijn fictieve leven echter is nog veel onwaarschijnlijker. Een alibi? Een ware Uppercut!


    07-08-2018
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Presentaties Upperdog

    T PLEIN KORTRIJK zondag 16 september 2018

    LITERATUUR IN BEWEGING | In het park krijg je drie uur lang woordkunst voor de kiezen. De Letterzetter van Kortrijk brengt samen met zijn collectief een ode aan Kortrijks auteur Joris Denoo.  Eerst is er 'Letter Tid' (14 tot 15 uur) waarbij Siebrand Craeynest een open podium optrekt voor dappere woordkunstenaars die een performance willen brengen. Daarna brengen enkele jonge kunstenaars uit het project Letterzetter een ode aan Joris Denoo (15 tot 16 uur) en tot slot laten we de meester zelf aan het woord over zijn nieuwste werk 'Upperdog' (16 tot 17 uur). Deze roman van Joris Denoo speelt zich af in Kortrijk en Heule, Italië, Zuid-Afrika en de Himalaya. Het is een trilogie over mens, stadsdorp en tijd. Pittig, picaresk, pruimig, puntig. De presentatie van deze roman gebeurt in een bijzonder pittoresk kader. Een tweede voorstelling, waarbij de auteur een voordracht geeft, omringd door Flo Rice & Beans (acoustic blues) vindt plaats in De Heerlijkheid Heule (aan het vintage station) op donderdag 27 september 2018 klokslag 20 u. 

    ‘Ik heb een boek geschreven. Het gaat over mijn leven, mijn stad, mijn deelgemeente en mijn anderik. Het is een biotrilogie die de genres dooreen hutselt en een foto morgana biedt die tot buiten zijn vermeende kader reikt. Het boek paaldanst met feiten en fictie, biografie en fantasie. Het is een kegelspel waar een greyhound in verschijnt. Om te beletten dat de staart met zijn hond kwispelt, doet de hond dat met zijn staart. Hij kegelt een en ander omver; een strike is het gevolg. De upper class van de underdog die een uppercut lanceert. En incasseert.’

    De roman bestaat uit drie delen. Driewerf up!

    Upperdog: een verhalende man op een plek in een tijd.
    Upper Class: een hilarische ode aan een stadsdorp.
    Uppercut: een thrillende inkijk in een anderik.

    Uitgeverij Bibliodroom publiceert dit boek t.g.v. de 65 jaren die de schrijver op deze blauwe plek in het heelal doorbracht. De kans is groot dat ook u in deze roman voorkomt. Misschien moet u dat even checken. U kan naar een van de presentaties komen (of beide – ze zullen anders zijn). U kan ook het boek bestellen via de uitgeverij info@bibliodroom.be (051486694 – 0475485078) of via joris.denoo@gmail.com (0479630279). Het losgeld zal des mensen zijn. We treffen de nodige maatregelen.   

    Bijlagen:
    cover.pdf (102.2 KB)   


    22-07-2018
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.334: De Bom

    LEVEN MET DE BOM (M/V/X)


    ’18 gedeeld door 17 al, verdorie,’ mompelt Jezus Vandenberghe digitaal. In de omgeving van het Boudewijn-gedenkteken (een glimlach in een Ardense rots gehouwen) spoedt zich Marleen Davidoff naar de plaats van afspraak. Ze merkt daarbij niet dat ze een vijfkeerkomenkaart voor een serie Betere Horrorfilms verliest wanneer ze een papieren zakdoekje opdist. Nu wacht ze aan het zebrapad. Op straat is het glibberig. Een combinatie van fijn woestijnstof en westerse klamheid door aanhoudende vochtige droogte. Ze moet goed uitkijken: ze heeft al een zware zebraval achter de rug, goed voor anderhalve maand verblijf in het Stuyvesant-ziekenhuis. Kijk: het begint alweer onmerkbaar te motregenen. Jezus Vandenberghe wacht ongeduldig aan het bemoste en door duiven besmeurde Interbellum-monument. Hij krijgt het al een beetje op de heupen. Kan die Marleen nu nooit eens op tijd arriveren? Altijd is er wat. Tot grote verbazing van Marleen Davidoff en de groep wachtenden wordt het rode voetgangerslicht nu blauw. ‘Verdomd!’. ‘Kijk nu!’ ‘Zie je dat?’ ‘Maar… !’ Gebiologeerd kijkt iedereen toe. Niemand beweegt. Wat te doen bij blauw? Stilstaand blauw? Blauw zwieplicht is gekend, maar stilstaand… Nu stremt ook het verkeer. De grote lichten blijven op blauw, overal in de stad. ‘Van nu af is ze echt te laat! Ik ga haar zeker niet zelf tegemoet, nààh!,’ mompelt Jezus Vandenberghe balorig. Op het Interbellum-monument strijkt een klad lijkwitte duiven neer. Een felle blauwe flash striemt plotseling de hemel. Niemand heeft het gezien. Dan komen de mensen en de auto’s weer in beweging. Rood, oranje, groen. ‘Hèhè!’ ‘Eindelijk zeg!’ ‘Sorry hoor Jezus! Ik kon onmogelijk…‘ ‘Al goed, al goed,’ bromt Jezus Vandenberghe. Ze gaan een pizzeria binnen.

    Inmiddels… op de planeet Parnas. ‘Gedurende ongeveer vijftien minuten kunnen we hun zintuigen en hun geheugen manipuleren,’ rapporteert ingenieur Huksli aan overste Blauwbaard. ‘En alles en iedereen blijft overeind, ongedeerd. Alleen die verrekte verkeerslichten op aarde… daar hebben we nog last mee, ziet u. Dat is een ander paar mouwen.’ ‘Tja, dat nevenverschijnsel moet je maar eens met je team apart onder de loep nemen, Huksli,’ antwoordt overste Blauwbaard. ‘Je hebt alvast de CVV verdiend. We zijn heel tevreden over u. Treed nader.’ Ingenieur Huksli kijkt verrast op en zwiert een klis groen haar uit zijn ogen. ‘Dank u, overste!’ Hij maakt een perfecte revérence (die hij eigenlijk van aardse dames uit vroegere tijden heeft afgekeken, een kleine vergissing) en neemt dan apetrots de felbegeerde CVV in ontvangst: de Champignon van Vernuft & Vooruitgang. Fier als een gieter stapt hij even later naar de Loods der Nevenverschijnselen. Daar wordt de Bom aangemaakt die alles spaart: de mensen, hun gezondheid, de gebouwen, de natuur grotendeels… en het verkeer. Nu zal en moet het hem alleszins lukken. Hij monstert het lijstje van de nevenverschijnselen op aarde: tijdelijk blauwe verkeerslichten, een plotse woekering van klavertjes-vier, reuzengrote kroppen sla en bloemkolen, opvallend veel spierwitte duiven én… sommige aardbewoners die denken dat ze Jezus zijn. ‘Daar gaan we nu iets aan doen,’ mompelt Ir. Huksli. ‘Leven met de Bom moet toch mogelijk zijn!’


    28-06-2018
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.333: Poldercrimi

    POLDERCRIMI


    Als ik ergens geweest ben, gebeurt er even later op deze plaats gegarandeerd wat. Op een schitterende herfstzondag (wind, regen, bladerdeeg, modder, whiskykleuren in de boomkruinen) was ik in het versmachte polderdorp Dudzele. Mijn dochter nam er foto’s van beslijkte cyclocrossers. Mijn zoon en ik stelden ons strategisch op. We zochten de scherpste bocht van het parcours uit. ‘Dan kunnen we de renners die hier tegen de grond smakken weer rechtop helpen,’ zeiden we tegen elkaar. We zijn er namelijk overal en altijd om te helpen. Er gebeurde echter niks noemenswaardigs. Om de haverklap passeerden slijkduivels op baggerfietsen. De commentator vroeg ze door de micro om hun rugnummer af en toe schoon te wrijven. Rond diens podium wapperden vlaggen. Niemand viel in ‘onze’ bocht.

    We zagen ooms, vaders, liefjes en vrouwen hun geliefde renner met drankpulletjes opwachten. De Dudzeelse agent met dienst rookte een zondagssigaar. De man met de Belgische tricolore om zijn arm blies af en toe op een fluitje. ’25 jaar lang al,’ zei hij. ‘En toch kijken ze nog niet uit hun doppen. Heb je die kerel met die hond gezien? Die vrouw daarnet?’ Ik knikte dat hij gelijk had. Hoe was het mogelijk. Het talent van de Vlaming om vlak voor aanstormende coureurs de weg over te steken. Daarnet was een crosser bijna pardoes op een vrouw geknald. Een rozenkrans vloeken aan elkaar rijgend reed hij op haar af, slalomde om haar heen en trok zich dansend op de trappers weer op gang, alsmaar vloekend als een hardrocker. De vrouw vertrok geen spier (althans niet in haar gezicht) en liep gewoon door over straat. Dat was ene die vaak naar koersen kwam kijken, dacht ik.

    Enfin: het werd nog een rustige herfstzondag daar in dat doodstille polderdorp Dudzele. Maar twee dagen later, terwijl de meeste inwoners nog te dutten lagen, speelde er zich een wilde achtervolgingsscène af. Schietpartij inbegrepen. Vier Nederlandse boeven waren bij een politionele controle aan de grens in Sluis al schietend naar het koninkrijkje België gevlucht. De politie ging erachteraan. In Dudzele, vroeg in de ochtend, kwam het tot een tweede vuurgevecht. Waren de boeven de polders in gevlucht, dan bleven ze steken in het cycloslijk van de zondag ervoor. Maar ze vlamden de West-Vlaamse provincie in. En ze haalden het nationale nieuws, net als een gijzelnemer in Henegouwen en voortvluchtige gangsters in Duitsland. De winnaar van de cyclocross op die schitterende herfstzondag haalde het landelijke nieuws niet. Het deed me denken aan de toenmalige Wereldbeker Voetbal in Amerika: het hele land volgde op het scherm de achtervolging mee op een losgeslagen ex-sportman/acteur. Het voetbal kon de Amerikanen gestolen worden.

    Dit alles deed zich dus voor in het zeer stille maar langzaam versmachte polderdorp Dudzele, gekneld tussen industriezones, autostrades, een haven en kusttoerisme. Als ik nu eens naar een vogelpikwedstrijd in Jonkershove ging zien… ? Dan maakte ik misschien weer iets crimineels mee. Of werkt het geboefte niet meer tijdens het weekend?


    08-06-2018
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.332: Klein Thailand

    KLEIN THAILAND


    Tot u wendt zich een verraste ziel. Ik zal de lezeres en de lezer in niet mis te verstane bewoordingen onderhouden over Klein Thailand, en ook over hoe ik daar tegen alle verwachtingen in een hoofdpersonage werd. We bevinden ons in de provinciale centrumstad C., waar ongeveer 90 000 (negentig duizend) inwoners – het kan een paardenkop min of meer schelen – de dienst uitmaken. De stad C. bevindt zich ietwat buiten westen van België, het kleine koninkrijk aan de Noordzee. Hij is bekend voor enkele veldslagen, maar ach: bestaat de geschiedenis niet uitsluitend uit wapengekletter, kanongebulder en doodsgereutel? Er stroomt een helende rivier door C. die zich, net voor hij het centrum van de stad bereikt, in tweeën vertakt, om dan enkele kilometers verder weer met zichzelf samen te vloeien, zodat er een eiland ontstaat. Aan de rand van dat eiland, vlak tegenover een oude stenen brug, de enige brug die nog geen 21ste-eeuwse make-over kreeg, bevindt zich Klein Thailand.

    Ikzelve ben niet de bedenker van deze benaming. Nimmer van mijn leven heb ik namen of spotnamen bedacht of gebruikt. Zeer strikt ben ik daar in. Deze horecazaak draagt dus geen naam. Het ontbreken van een eigen naam voor de bescheiden combinatie tearoom/shop/terras vormt wellicht ook de oorzaak van de volkse aanduiding Klein Thailand, alsmede het niet te loochenen feit dat de vrouw die deze zaak runt ontegensprekelijk Oosters is. Is zij echter afkomstig van het verre Thailand? Van het geheimzinnige China misschien? Kennen wij, Westerlingen, eigenlijk het onderscheid? We gewagen dan nog niet eens van Koreanen. Vermoedelijk is de vrouw al vaker deze vraag gesteld. Ikzelve wil dat niet echt weten. Definiëren is afbakenen en beperken. Wat doet men overigens met zo’n wetenschap? Niets. Hoe meer men weet, hoe minder men niet meer weet, en hoe minder spannend het wordt. Daar ben ik zeker van. Ik blijf gaarne in het ongewisse wat dergelijke zaken betreft. Voor mijn part mag iemand uit Legoland komen. Het algemene Oosterse uiterlijk van deze zaakvoerster in de horeca van de stad C. mag volstaan – tevens om mijn verhaal wat kleur te geven.

    Hoe raakte ik aanvankelijk verzeild in en om dat pand zonder naam, dat door omwonenden en klanten Klein Thailand werd genoemd? Dat gaat u niets aan. Ooit moet ik de moed gehad hebben daar mijn remmen dicht te knijpen of mijn pas te vertragen. Die eerste keer was het vermoedelijk koud, zodat ik vermoedelijk binnen een koffie dronk, en vermoedelijk niet buiten op het terras op het brede trottoir. Ik bleef er komen (met in de nabijheid ook een boekhandel, dat verklaart veel), met mate. Zo ontdekte ik enkele constanten. Bijvoorbeeld enkele klanten, die ook met mate kwamen, misschien zelfs met grotere regelmate.

    T. geleek op de oud geworden populaire zanger Elvis Presley en torste vijf ringen aan zijn rokershand, zijnde de rechterhand. Zijn klassieke jeanspak getuigde niet van huishoudkundig talent. Te wijten aan zijn magere benen die op muggenpoten geleken moest hij vroeg of laat een keer omvervallen. Ook dronkenschap kon dit veroorzaken. Een naamloze maar uitgesproken Westerse vrouw bleef zowel binnen als op het terras volhouden in stilzwijgen. Ze brak zelfs nimmer in gebarentaal uit. Daar verscheen in mijn vizier ook bijwijlen een vastberaden vrijetijdsvisser met moordlustige plannen. Zijn kleding bestond vooral uit zakken, die overal uitpuilden. Die hadden de saaie kleur van camouflage, hoewel we in de stad waren. Hij maakte zelden gebruik van de faciliteiten van Klein Thailand zelf, doch installeerde zich met zijn moordwapens telkenmale aan de rand van de rivierkade, vlak tegenover de tearoom. Een handig aanhangwagentje aan zijn rijwiel toverde hij met de voorbereidende precisie van een beul om tot zitplaats/eethoek/observatiepost/aanvalslinie. De half bejaarde langharige intellectueel P. ‘sprak vele talen, tenzij be-talen’, zo slaagde hij er bij elk bezoek in mede te delen, terwijl dat nooit ofte nimmer echt ter zake deed. Een grapjas, die zelfs zijn liggende streepjes uit-sprak. Een erfenis van de Bond Zonder Naam en de pastoors. Voorts kan ik melding maken van nog een tiental rusteloze zielen die wel eens in het etablissement opdoken. Ze zaten hier tijdelijk gehuisvest tussen reclameborden voor ijs en aanverwanten, wiegend in de wind, die borden bedoel ik, en grote raamaffiches waarop kommen soep en belegde broodjes waren afgebeeld, die het zicht naar buiten beletten, die affiches bedoel ik.   

    Maar ter zake: waarom zat ik hier af en toe, met mate? In dit Oosterse mekka van de mokka? Ik was, toegegeven, op zoek naar inspiratie voor mijn volgende roman. Ik bespaar u het antwoord op de vraag: waarover gaat dat boek? Het gaat u trouwens voorlopig niets aan.

    En kreeg ik inspiratie door het overhevelen van koffie naar mijn slokdarm? Door het wezenloos registreren van zovele voorbijgangers, bakfietsers en auto’s met kauwgumsnelheid de brug op en af rijdend? Door het trotseren van windstoten die van over het grijze wateroppervlak aan kwamen buitelen en mijn haren eerst achterover en daarna voorover harkten alsof ik geëlektrocuteerd werd? Door een parasolbestaan in deze lage streek, dat even aan exotische bestemmingen deed denken? Lezeres, lezer: ik dien u in dit verband van een geheel ander antwoord te voorzien.

    Reeds diverse malen was het mij opgevallen dat de vrouw met de Oosterse kentrekken, de bazin dus, zo u wil, tijdens haar vrije minuutjes op een laptop aan het tokkelen was. Nou: ze zat afwisselend ingespannen te staren en te tokkelen, u kent dat wel van in andere openbare gelegenheden, neem nou een stationsbuffet of een inkomhal van een hotel of een wachtzaal in een afkickkliniek. Op een bepaalde zeer milde dag in het voorjaar – de reclameborden werden gestreeld door een deugddoende lauwwarme wind; iedereen zat buiten – merkte ik dat er een schriftje voor haar open gespreid lag, waarvan de zichtbare bladzijden voor minstens driekwart volgeschreven waren. De vrouw die nooit iets zei, zat vlak tegenover haar. Er kwam geen woord uit, noch mondeling, noch schriftelijk, noch baarlijk. Maar het was de intellectueel P. die plotseling het woord ‘dagboek’ in vragende vorm liet vallen. ‘Dag-boek?’ Dat hoorde ik. Ik nam tevens instemmend gemompel waar, van haar kant. De heer P. had wel vaker een conversatie met de Oosterse, met luider stem. Net op dat ogenblik was ook ik iets in een notitieboekje aan het krabbelen, zodat ik dat vlug weer wegstopte. Dat kon ik missen als kiespijn: twee zielen die in weer en wind (nou: goed weer en milde wind) lotsverbonden door de letteren werden gegrepen en dat ook openbaar vertoonden. Neen, men moet niet schrijven ten aanschouwe van iedereen. Ik gedroeg me verder zoals gewoonlijk, me verschansend achter de gebruikelijke communicatie betreffende consumpties en weersomstandigheden (parasol, wind, zon, schaduw). Mijn inspiratie zou even moeten wachten. Dat was zelfs in die mate het geval dat ik jaloers werd op deze ijverige Oosterse, die niet alleen een tearoom runde, maar ondertussen ook dagboeken bijeen tokkelde op een computer en evenmin terugdeinsde voor handgeschreven letterkundige teksten, zelfs in de openlucht. Mijn volgende roman leek daardoor verder dan ooit van mij verwijderd. De heer P. had me zelfs nog nimmer aangesproken in verband met mijn klein gekrabbel in Klein Thailand, dat ooit een wereldwerk zou worden. Hij leek alleen geïnteresseerd in de Oosterse, niet in mij, de Westerling.

    In haar dagelijkse mondelinge communicatie bediende de vrouw zich van de vierkante versie van onze moedertaal. U kent dat wel. Men kan zich volop uitdrukken, de woordenschat kan wedijveren met de onze, men benoemt de zaken begrijpelijk en verstaanbaar, maar men kan niet versluieren dat men bijvoorbeeld van de Salomonseilanden afkomstig is. Of van Frans-Polynesië. Pakweg het Jamlayagebergte. Waarom zou men ook. Een verre afkomst is aantrekkelijk. In welke taal zou deze vrouw haar letterkunde bedrijven? Welke vorm namen haar letters aan? Bouwde zij zinnen die een raadsel voor Westerlingen betekenden? Zij was hier alleszins al vele jaren. Daar getuigde haar taal van. We waren allemaal bekend met Thais voedsel, maar snapten we ook maar een jota van Thaise leestekens?

    Had ik een communicatie gemist? Was ik te lang weggebleven? Plotseling was Klein Thailand alleen nog met grote moeite en te voet bereikbaar. De laatste oude stenen brug in de stad C. zou eindelijk geheel en al naar de 21ste eeuw geüpgraded worden. Grijp-, graaf-, boor- en hijsmachines rukten aan. De stroom dagelijkse passanten stremde. Er deed zich een stadsinfarct voor. Klein Thailand werd het slachtoffer van collateral damage. Gedreun, gedaver, versperringen en modder isoleerden de zaak. Extra bewegwijzering en paniekbordjes met mededelingen betreffende bereikbaarheid mochten niet baten. Vlak voor de zomer rochelde het koffiezetapparaat er voor de laatste keer.

    Twee jaar later verscheen ‘Westerling’, het opgemerkte debuut van ene Ratana Srivarathanabul. De ondertitel luidde: ‘Dagboek van een tearoomtante’. Tot mijn verbijstering herkende ik mezelf ontegensprekelijk in een van de hoofdpersonages: een koffie slurpende schrijver op een terras in een provinciestad, hopeloos op zoek naar inspiratie. Ook de bejaarde vijfringerige Elvis, de langharige intellectueel P., de vreselijke visser en de zwijgzame vrouw figureerden in het boek. Maar toen was Klein Thailand al dicht. En ‘Westerling’ ging als zoete broodjes over vele andere toonbanken. Het werd een bescheiden bestseller. Hij stond zes weken lang in de boeken top tien van enkele kwaliteitsmagazines. Nog nooit was de letterkunde mij zo gunstig gezind geweest.


    20-05-2018
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.331: Opdoffers

    OPDOFFERS

    Eén: een kilogram advertentiebladen door Vlaamse regen tot een knot onhandelbare smurrie herleid, aan dat ene droge ezelsoor uit de bus gesleurd en als oergrijze kwak op je rechterschoen neerpletsend.

    Twee: verkopers van het ware geloof (een variant van witlof) aan de deur op het uur der aperitieven. ‘Wij brengen u God, meneer.’ ‘Prima. Ik heb er al één. Zet deze alvast maar aan de garagepoort.’

    Drie: rode lichten. Gangbare naam: verkeerslichten. Altijd rood.

    Vier: verkiezingsdrukwerk dat aan beide kanten bedrukt is. Niet eens een kans om te recycleren voor strafwerk, kattebelletjes, kladjes, invalletjes, gedichten, boodschappenlijsten. Misschien nog een hoedje van papier voor een ukkepuk. Kiespijn.

    Vijf: weerberichten. Buiten is het altijd beter weer dan gisteren. Het wordt morgen een ietsje frisser dan binnen. De vier seizoenen staan voor de deur. Ze zijn opgewarmd door de aarde.

    Zes: autobestuurders met een hoed op hun knikker. Geen probleem als die niet voor je rijden. Maar ze rijden altijd voor je. In fossiele wagens.

    Zeven: alle charmezangers.

    Acht: moppen die beginnen met ‘Er waren eens drie Schotten, een Belg en een stier’.

    Negen: moppen die beginnen met ‘Ken je die van die vrouw en die oud-strijder?’

    Tien: moppen die beginnen met: ‘Het is groen en het…’

    Elf: moppen die beginnen met ‘Weet je waarom de hond van de koning met zijn staart kwispelt?’

    Twaalf: mensen die moppen vertellen.

    Dertien: tombola’s en prijsvragen.

    Veertien: FC De Kampioenen (waar alles twaalfmaal wordt herhaald) en het VRT-journaal (waar alles tot driemaal toe wordt herhaald). Kleuterprogramma’s.

    Vijftien: talkshows. Ze kennen niet eens hun Engels.

    Zestien: Heb-de-gij-Nederlandssprekende BV’s.

    Zeventien: Bart Peeters en de gillende opbrengst van een benefietactie op het scherm van afgrijzen, ook genoemd de tv.

    Achttien: het domme ronde getal twintig.


    11-05-2018
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.330: Wind

    WIND


    Ik zou met plezier betalen voor wind. Gesteld dat ik niet krap bij kas zat. Ik heb graag dat het stevig waait. Gras dat tegendraads wordt gekamd. Bomen die buigen. Schuimende kruinen. Sommige mensen aan wie ik dat beken, zouden me dan maar al te graag een fikse dreun voor mijn raap verkopen. Zij hebben natuurlijk liever ‘mooi weer’. Mijn mooi weer, dat is wind. Het moet waaien.

    Lang geleden las ik in een Nederlands jeugdmagazine een spannend vervolgverhaal. Het ging over een ouwe man die het perpetuum mobile probeerde uit te vinden, de machine die de eeuwigdurende beweging uitvoert. Zijn knecht moest daartoe in het dorp bij nacht en ontij staande klokken uit de huizen stelen. Toen ik dat las, droomde ik van het ontwerpen van een windmachine. Die zou ik op zolder installeren, om het voor altijd te laten waaien. Maar ik was en ben niet handig. Dus legde ik het anders aan boord, jaren later: ik schreef boeken waarin het vaak waait. Dat is ook al iets. In boeken is altijd alles echt gebeurd.

    De mooiste atmosferische omstandigheden vind ik wind aan zee en het loodgrijze voorspel op een onweer. Regen vind ik maar pis uit de wolken. Maar wind, mijn kind, die de haan in beweging zet, die de molens in het hoofd doet draaien en de bomen tegendraads harkt, dat is pas feest. Eigenlijk zijn het de bomen zelf die wind veroorzaken. Van het ogenblik dat er zich één uit de statige rij naar voren of naar achteren buigt, volgen de anderen. En dan begint het. Dakpannen zeilen door de lucht. Paraplu’s worden verkracht. Dakhazen vluchten naar de begane grond. Pauwen schreeuwen op erven. Haren worden uit hoofden gerukt. Kapsels worden geëlektrocuteerd. Fietsers worden weer naar huis geblazen. Verkiezingspanelen smakken tegen de vlakte. Stranden waaien weg. En daarna komt de koning kijken naar de ergste schade. Op tv wordt iemand van de verzekeringen geïnterviewd, zo’n halve BV. Hij zegt dat het zo niet verder kan. Verzekeringen kunnen toch niet voor alles opdraaien!? Het Rampenfonds moet het maar doen.

    Ik bel naar de afdeling Stormschade. Ik zeg dat ik geld wil geven voor een nieuwe, verse storm. Zonder puin, zonder slachtoffers. Gewoon voor de gezelligheid. ‘U bent knetter,’ zegt een stem. ‘Dat weet ik,’ antwoord ik. ‘Ik heb er al vaak optaters voor geïncasseerd. Kunt u daar ook iets aan doen? Dat is toch ook stormschade? Ik heb momenteel een hemelsblauw oog en een bluts in mijn kop omdat ik zei dat ik van een flinke storm hou. Iemand randde me aan. Valt dat echt niet onder st… ?’ ‘Dat is de afdeling Kopzorgen. Daar hebben wij hier geen formulieren voor. Ik stel voor dat u bij toekomstige windvlagen uw mond houdt en thuisblijft. Of ga bij Lloyds. Die verzekeren zelfs seriemoordenaars en passionele windbuilen. Nog de wind vanachter, meneer.’ ‘Dank u wel. Tot de volgende storm.’

    Ik begon dan maar aan een gedicht waarin tussen de eerste regels al een briesje opsteekt. Gelukkig heb ik dat nog. Dat akelig mooi weer in Vlaanderen houdt te lang aan. Ik leg September Song op, Lou Reed.   


    01-05-2018
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.329: Hongerije

    HONGERIJE 

     
    Hongarije, jaren negentig – ik was er tot tweemaal toe enkele weken: taaleiland, autokerkhof, worstenland. Je kunt er met grote moeite de straatnamen onthouden. Het Hongaars is een taal waar zelfs het internationaal begrip ‘politie’ iets onherkenbaars wordt. En je ziet er verdomd veel rondtoeren. Probeer in een winkeltje kauwgum te kopen en je loopt kans een paar autobanden te krijgen. Voor bijna elk huis staat een opgetakeld autowrak, waar permanent aan geknoeid en gesleuteld wordt. Pastelkleurige huizen. Veel honden achter hekken. Stalletjes langs de wegen met honderden watermeloenen. Het godendrankje ‘palinka’, ritueel keelbrandertje (52 graden) op basis van fruit. De wereldberoemde ‘Tokaj’ (witte wijn) en het ‘stierenbloed’ (rode wijn) uit Eger, waar vele kilometers wijnkelders zijn. Schaakspellen. Potjes kaviaar (o ja?) aan kerkportalen te koop. 

    Kuurbaden: de Hongaren hebben geen echte zee, maar houden van water. Ze staan er rechtop in, keuvelend, schaakspelend, kettingrokend. Hun Balaton-meer is voor de toeristen. Geknal van zwepen op de poesta, schitterend vlak landschap met ganzen, paarden en blauwgerokte ruiters. Vreselijk grote stukken landbouwgrond. Zonnebloemen. Ooievaars. Vroegere eenheidsmunt: de forint. Als je geen papieren zakdoeken meer had, kon je flappen van 100 forint gebruiken. Deel door 2,8 om bij de toenmalige Belgische franken uit te komen. 

    Middageten wordt vaak overgeslagen. Besparingen. Het ontbijt neemt de vreemdste vormen aan: worst, worst, paprika’s, worst, brood zonder boter, worst, brood in de vorm van worst, gefarceerde paprika’s. ’s Avonds verschijnen de deegwaren, gesopt in achtendertig varianten van goulash. Wel lekker. 

    Naar de politiek moet je in de prille jaren negentig niet te vaak informeren. De ‘roze’ communisten hebben even de verkiezingen gewonnen. Wie de voorbije jaren van een Westers model droomde, heeft nu een kater. Ze zijn onderling nog altijd bang voor elkaar en ze hebben nog altijd moeite met het hardop formuleren van een opinie. Je krijgt gewoonlijk vreemde ontwijkende antwoorden op vragen die naar politiek ruiken. Ferenc(-zaliger, inmiddels) ofte ‘Ferry’, een van de drie burgemeesters van Salgótarján, middelgrote stad in het noorden, is er een meester in. Deze nerveuze kettingroker heeft ons zijn land getoond: niet lang geleden de meest vrijgevochten satellietstaat van het Oostblok, lees de USSR. Het is een mooi, ietwat onopvallend land met sympathieke mensen die waarheid en fictie soms wat mengen. Alles lijkt wat in verval, maar misschien was het altijd zo. 

    Aan tszigane-kok Janosch vraag ik wat hij over België weet. Hij haalt zijn dikke Hongaars-Duits woordenboek boven, bladert met zijn worstenvingers en bromt dan opgetogen: ‘Foetsbaal’. Daarna somt hij de complete ploeg van Anderlecht op, naar we menen te begrijpen. En in ‘Broe-zil’ (Brussel) had iemand uit zijn familie ooit nog tszigane-muziek in een restaurant gespeeld. Daarop drinken we palinka. Op de gezondheid. ‘Egészségére’, of zoiets. En dan is er goulash, om die vreselijke ontbijten en ontbrekende middagmalen te bezweren.     

    Dat waren de jaren negentig van de vorige eeuw. Maar nu…  


    10-04-2018
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.328: Café

    CAFÉ IN VLAANDEREN


    Ik groet de hele mensheid (jij, u, men, mens) vanuit café ‘De Woede der Noormannen’ ergens in Vlaanderen. Het is een café om de hoek. Alle cafés zijn om een hoekje. Ik zit er soms een dik halfuur te doen alsof ik naar niks kijk en aan niets denk. Gewoonlijk bestijg ik een kruk (voorbode van een ander soort kruk?) aan de toog. Stoelen en tafels in een slagorde opgesteld zijn niets voor mij. Op mijn kruk zie ik vlak voor mij de handgeschreven mededeling die aan de wand is vastgeprikt: ‘Zonder toelating van Linda NIET achter de toog – Linda.’ Het tot hoofdletters gepromoveerde NIET springt in alle ernst uit de band. Die mededeling vanwege cafébazin Linda hangt naast een kastje met chocolade en wafels in plastic hoesjes. Linda zelf is een levend bewijs van ‘lust for life’. Ze was waarschijnlijk een godgenageld mooi meisje. Ik schat dat ze nu begin vijftig is. ‘En nog goed bewaard’, zouden ze er hier aan toevoegen. (‘Door al dat sterk water om haar heen,’ vul ik zelf in gedachten aan. ‘Alcohol, weet je wel.’) Ze is nu te dik geworden, maar haar vlees heeft nog altijd de stralingskracht en het lokvermogen van een vuurtoren. Linda beschikt ook over twee stevige vooruitzichten, die door de mannelijke stamgasten als ankerplaats voor hun blikken wordt gebruikt. Haar stem is wonderbaarlijk rauw. Ze praat hard en vlug, en ze zegt dingen waar het mansvolk van schrikt. Ze is een engel en een duivelin. Ze zou goed passen bij dat Noormannenvolk van vroeger, dat onze vrouwen plunderde en onze kerken verkrachtte.

    Ja, er zijn nog mooie zekerheden in de grote boze wereld. In ‘De Woede der Noormannen’ staat nog zo’n jukebox, terwijl het woord zelf al bijna niet meer bestaat. Vlaamse schlagers zijn er niet van de lucht. En daarboven hangt een zoetzure poster waarop een wazig koppel aanstalten maakt om één vlees te worden.

    Ik zit daar dus te doen alsof ik aan niks denk. Naar niks kijk. Alsof Linda, deze onzinkbare Titanic met de indrukwekkende voorsteven, me geen ene moer kan schelen. Eigenlijk zit ik aan heel ingewikkelde dingen te denken. (Ze vroeg me eens of ik een kunstenaar was. ‘Nee,’ zei ik. Want met ‘kunstenaar’ bedoelen ze hier altijd ‘schilder’, synoniem: ‘artiest’.) Terwijl die heel ingewikkelde dingen mijn hoofd opvullen, kijk ik naar de bierdrinkers. Ze zijn allemaal voor Linda gekomen, lijkt het. Eigenlijk zouden ze liever borstvoeding krijgen. Het halfuur dat ik hier ‘vertoef’, vliegt zo voorbij. Aan een tweede koffie ben ik nooit toe. Ik zit altijd volgepropt met moeilijke gedachten. Ik vergeet er zelfs die ene koffie door. Elke week gaat dat zo. Om een reden die u niet aangaat, gij daar op de eerste rij. En na dat halfuur vertrek ik dan, de drukke wijde wereld in. Ik ga het hoekje om. Naar mijn zeer blauwe auto, zeer verkeerswettelijk in de omgeving van het station geparkeerd. Daar pik ik een van mijn dochters op, vers van de trein. ‘Hoi, heb je weer zitten dromen dat je cafébaas was?’ vraagt ze soms. ‘Nee,’ lieg ik altijd. ‘Hoe was het op school?’ ‘Goed,’ jokt ze. ‘Aha. Ook de scheikunde?’ ‘Mja… ‘ Mijn eigen scheikunde was ook een leugen: die ene koffie bestaat niet. Het was een Duvel. En cafébazin Linda bestaat evenmin. Ze heet Rita. En ‘De Woede der Noormannen’ is een veel te lange naam voor een café om het hoekje. En een veel te mooie. Laten we het daar bij houden. Laat me mijn droom. Slechts de andere helft klopt.


    21-03-2018
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.327: Alle regen

    ALLE REGEN VAN DE KLEURENBOOG


    Kleren maken de man. Kleren bedekken hem. Kleuren kunnen hem sieren. Kleurenblinde mensen aarzelen langer dan anderen voor hun kleerkast. Op een bepaald ogenblik in hun leven werd ze gezegd dat er iets aan de hand was met hun kleurenwaarneming. Door vergelijking ontdekten ze dat dit inderdaad klopte. Als ze bijvoorbeeld combinaties kiezen voor een bepaalde outfit, moeten ze de hulp van anderen inroepen. Als er niemand voorradig is, zijn die combinaties soms van dien aard dat de wenkbrauwen van de medemens verbaasd de hoogte in gaan. De kleurenblindeman of –vrouw heeft ook nog moeite met stembiljetten, drankbonnen, verkeerslichten en tientallen andere pietluttigheden die hem het leven kunnen kosten. Misschien ook combineert hij per toeval zo origineel dat de toeschouwers er een kleur van krijgen. Kunst door de schok der verandering, weet je wel. Voor mijn part wordt de wereld geregeerd door zulke prettige minderheden: kleurenblinden, linkshandigen, hooikoortsigen, roodharigen. Zo iemand die de kleuren anders ziet dan de gewone sterveling maakt allicht ook andere ongewone associaties.

    Ik denk dat de beste en de veiligste kleur voor zo iemand blauw is. Of wat in mijn ogen voor blauw doorgaat. Ook al krijgt in de woordenboeken het steekwoord ‘blauw’ of ‘blue’ een hoop negatieve betekenissen of spreekwoorden naast zich: blauwe boon, blauw van de kou, een blauwtje oplopen, een blauwe plek, iets blauwblauw laten, (to have) the blues, blue devils, een blauw oog… (Hoewel een paar blauwe ogen soms ook niet misstaan). Beeld u eens in dat al het groen in de natuur blauw zou zijn. We hebben dan nog de keuze: mariablauw, berlijnsblauw, irisblauw, nonnenblauw, bloemvazenblauw, jamaïcablauw… Misschien is er op deze aarde iemand die de landschappen altijd zo ziet. Zonder dat zij/hij het beseft, noemt hij/zij blauw ‘groen’.

    Blauw is de enige kleur die ik zelf nooit beu word. Zwart en wit evenmin, maar het schijnt dat dit geen kleuren zijn, of alle kleuren samen. Blauw is trouwens de kleur van de trouw. Ik vind blauw een gelukkige kleur. Of het ook een warme kleur is, of een koude, weet ik niet. Tekenleraars hebben me dat ooit proberen uit te leggen, maar oefeningen op warme en koude kleuren raakten mijn koude kleren niet. Ik voelde, zag en begreep dat niet. Of ànders. Ik behoor namelijk ook tot het legertje van de kleurenblinden. Ik kreeg 2 op de 20 voor mijn stilleven: vaas met bloemen en nog iets. Ik weet alleen dit, als hartstochtelijk kleurenblinde: een sikkepit is altijd wit, het zwart staat apart, oranje grijp ik bij zijn franje, geel zit in een ei, bruin en groen zijn voor houthakkers en kabouters. Aan verkeerslichten moet je dubbel uitkijken: rood is dood, groen mag je doen. Purper was voor Prince, paars was voor de paus. Maar bovenal hou ik met heel mijn hart van blauw, in goede en in kwade dagen. Uitgesproken blauw graag. Bijvoorbeeld van zomerlucht, met wat witte remsporen van vliegtuigen in. Ja, bij blauw voel ik me goed. De aarde, onze wereld is één blauwe plek. Alleen: niemand ziet het. Ook de doden houden het meest van blauw. ’s Nachts dansen er blauwe waakvlammetjes boven strooiweides en begraafplaatsen. Blauw is immers de kleur van de trouw. Ik heb het zelf gezien. Denk ik.   


    05-03-2018
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.326: Hondenleven

    HONDENLEVEN                                                                   


    Trouwe vriend

    Ik schrijf dit nu neer, terwijl ik nog in leven ben en jij je hondenleven leidt, aan mijn zij. Je weet maar nooit wat er gebeurt op dit ondermaanse. De mensenwereld lijkt wat aan het sudderen heden ten dage.

    Daar lig je dus. Zogezegd onverschillig. Maar wanneer ik ook maar even beweeg, luik je een oog. Dat registreert alles. Je denkt: ‘Misschien neemt hij me straks mee op stap.’ ‘Misschien valt er een knabbelkoekje uit de kast.’ ‘Duurt dat getokkel op die laptop nog lang?’ Je denkt dat ik niet zie dat je kijkt. Kijk: je kijkt nu weer weg. Nee, je wil je niet opdringen. Intussen zijn je gedachten zo rood als de vitrine bij de slager. Zie, ik betrap je op een bloedrood visioen: je komt binnen bij de slager, de deur stond aan, de bel marcheerde niet, geen kat, geen klant te zien. De natte droom van elke hond. De rest laat ik aan jouw verbeelding over. Ikzelf eet liever vis.

    Voor een aai of een koekje ga je als een onnozelaar op je rug liggen. Dat terwijl de vraag klinkt: ‘En wat doen de meisjes in Parijs?’ Het kon net zo goed Berlijn zijn. Of: anijs, pladijs, glad ijs. Dat kan soms vijfmaal na elkaar gebeuren. Soms ga je vanzelf op je rug liggen. Slim hoor. Maar daar tuin ik niet in. Soms ga je als tochthond op de deurmat liggen. Dat heeft meer zin. Dank je wel daarvoor. Je leidt een hondenleven. Je wordt kwaad als iedereen te lang afwezig blijft. Dan kaap je baldadig een schoen of sok weg ergens in verboden gebieden. Die deponeer je dan ostentatief ergens duidelijk zichtbaar in de woonkamer. Wanneer je echt baalt, plas je ergens in een verboden zone. Even jouw handtekening op ons strafblad zetten. Daarna ga je schuldbewust en nederig in een verdomhoekje van het huis liggen. Je aapt ons na door boterhammen te eten die je tussen je voorpoten vasthoudt. Nou, dat vinden wij wel grappig, hoor. Maar echte humor betekent bij jou dol gehuppel en gedoe met een onnozel namaakbeen. Maar je kunt niet lachen. Tv, films en boeken zeggen je niks. Je snapt geen reet van Rachmaninov. Willem Elsschot kan je gestolen worden.

    Maar je leeft wel mee als iemand in huis ziek is. Daar heb je talent voor, meid! De manier waarop je je dan bij de getroffene neervlijt: ‘Hei, even doorbijten, ik ben er ook nog, ik begrijp het.’ Zo pakkend; zo hartroerend.

    Weet je dat je broers en zussen hebt die daar hun beroep van maken? Wat een beetje in jou zit, daar maken die hun roeping van. Ze worden hulphond. Dat zijn pas memorabele hondenlevens! Misschien, trouwe vriend, heb jij je roeping gemist. Je had ooit opgeroepen kunnen worden om nog iets meer te betekenen in de moeilijke mensenwereld. Ik denk dat je er het talent voor hebt.

    Maar ik gun jou je bloedrode visioen. Meer kan ik niet doen. Je weet niet eens wat de meisjes in Berlijn doen. Worst met zuurkool eten?


    15-02-2018
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.325: H... H... H...

    HATSJIE HATSJOEM HATSJERNOBIL

    (H... H... H... )

    Roodomrande konijnenogen, bergen zakdoeken, propvolle papiermanden, filevorming van snot, je kop zowat van je romp niezen, ziek en niet ziek, een onderwereldbril op je neus tegen het zonlicht en commentaar van evennaasten, pilletjes, injecties, dieet, slaperigheid, gemoed in het vriesvak ondanks ‘schoon’ weer: hooikoorts, kortom. Tussen pakweg maart en oktober (en nee: niet alleen in de zomer) ben ik, met vele medelijders, niet echt een natuurliefhebber. Dan zou ik het liefst onder water leven, ver verwijderd van grassen, pollen, berken, bloemen, planten, parken, hagen, heggen en bossen. Onbereikbaar voor droge schrale winden en vlammend zonlicht.

    Hoe moet je als hooikoortsige aan je omgeving of aan je directie uitleggen dat je deus verstobd zit, dat je wegens straffe pilletjes om de haverklap in slaap tuimelt, dat om de anderhalve seconde het snot uit je kop druipt, dat je een hoofd als een zwalpend eiland hebt? Dat je dus alleen tegen kauwgumsnelheid kunt werken? Dat je geen stem meer hebt? Dat je elk ogenblik in niezen uit kunt barsten? Dat je het liefst geen mensen ziet omdat die eigenlijk denken dat je een nachtje bent wezen stappen? Dat je alles al geprobeerd hebt? Ja, ook de allergietesten. De spuiten. De sproeiers.

    Zo’n kop! Moeilijk te geloven. Want je bent niet ziek. Je bent alleen maar wrakhout, aangespoeld op een zee van snot. Morene die van je gezicht slibt. Iedereen schrikt zich een hoedje als je weer eens zeventien keer na elkaar knoerthard niest. Grapjassen zitten stiekem te tellen hoeveel keer je het doet. En wanneer het eindelijk avond wordt en de bui ietwat overgewaaid is, dan is je hoofd leeg geniesd. (In Nederland: geniest.) En je neus is een staketsel van rode vellen geworden. En je stem klinkt stroef als kolengruis. En het is alweer tijd geworden om een vers pilletje in te nemen, preventief, want hierna komt er nog een dag.

    Ik merk dat steeds meer aardbewoners hooikoortsig aan het worden zijn. De schuld van Tsjernobil en Fukushima? Ozongaten die de Allerhoogste vergeten is? Het moet dan maar eens vlug lekker gaan onweren, met veel van die bliksems erbij: dat is dan God die met zijn lastoestel de gaten in de ozonlaag weer dicht probeert te schroeien. Maar misschien loopt het allemaal zo’n vaart niet. Het regent elk jaar meer en meer onverdroten. Geef mij maar zo’n gezellige Vlaamse herfst met alles erop en eraan. Of februari, met al dat takkengezwiep. Het mag stormen. Maar net niet hard genoeg om de dakpannen door het zwerk te zien zeilen. Het mag haaientanden regenen. Maar niet zo dat iedereen loopt te bibberen als een aanslagbrief van de belastingdienst. Tijdens zo’n magnifieke herfst houden wij, hooikoortsigen, soms op met niezen. Als we tenminste niet geveld worden door echte ziekte.

    Wat wij dus willen, is ten eerste een heel jaar lang herfst en ten tweede een statuut voor de hooikoortslijder. We eisen ook gratis papieren zakdoeken, voorrang in openbare toiletten, kosteloze vakanties aan zee, een toelage voor pillen en begrip vanwege de niet-niezende bevolking. We vragen met aandrang dat iedereen de andere kant op zou kijken als we weer aan het worstelen zijn met badnatte zakdoeken of propjes papier die we noodgedwongen moeten recycleren en onze ogen oceanen van dronkenschap lijken te zijn en uit onze neus een Donau van snot vertrekt die niet te stelpen valt. En nog iets, niet-niezers: kom vooral niet af met goede raad. We hebben alles al geprobeerd. Maar pollen en berken en grassen zijn sterker dan ons. Hatsjie. Hatsjoem. Hatsjernobil.


    22-01-2018
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.324: Roeping

    ROEPING

    ‘Ik ben er twee keer geweest: de eerste en de laatste keer. We kregen er van de kwispel. Een bloedende kerel met alleen een onderbroek aan keek op ons neer van op een dwarshout. In een donkere hoek stond een oudere kerel die met zijn vinger naar een gat in zijn hart wees. Die droeg vrouwenkleren.’
    Vis keek grijnzend in het rond, duidelijk tevreden over zijn beschrijving, ingeleid door die formidabele oneliner.
    ‘En hoe heette dat clubje ook weer?’ vroeg Tabak.
    ‘De E.K. De Eucharistische Kernwerking. Verdomme: ik verslik me haast in dat joodse ch-geschraap!’
    ‘Joods?’
    ‘Die bloedende kerel was wel de Koning der Joden, hoor. Zijn plakkaat hing boven zijn hoofd aan die lat.’
    ‘Elke donderdagavond dus?’
    ‘Ja, na vier uur, als de schoolbel gegaan was. Wie bleef voor de E.K., at eerst zijn meegebrachte boterhammen op, gezeten op de grond in de gang naast de klas. Daarna werd er een halfuur gevoetbald op de speelplaats, met een pluizig tennisballetje. En dan begon die E.K., in de koude kapel boven aan de stenen trappen.’
    ‘Maar je ging maar… één keer?’
    ‘Twee keer: de eerste en de laatste keer,’ verbeterde Rauw Ei ernstig, blij dat hij de mop kon herhalen. Vis knikte.
    ‘Kon dat wel?’ vroeg Floshaar.
    ‘Ja. Je kon kiezen.’
    ‘Met hoeveel waren die E.K.’ers?’ vroeg Drietand.
    ‘Acht.’
    ‘Zeven dus,’ berekende Drietand.
    ‘Ja: acht min één. Ik ging maar… één keer.’
    ‘Twee keer dus.’
    ‘Ha ha.’
    ‘Dat is niet veel hé.’
    ‘Nee. Iedereen wou naar huis. Alleen de… Alleen die acht bleven.’
    ‘Wat gebeurde er daar dan, Vis?’ vroeg Tabak.
    ‘Een priester met een fijn snorretje gaf een preek over onze evennaaste. Hij was kort en dik. Daarna… ‘
    ‘Die evennaaste?’
    ‘Nee: die priester. Daarna volgde er een soort minimis, maar zonder hosties.’
    ‘Geen wonder dat er maar acht jongens wilden blijven.’
    ‘Zeven, zonder Vis.’
    ‘De meester van het vijfde leerjaar zat er ook elke week bij, achteraan. Die was nog… nog priesterachtiger dan die priester. Zonder lange rok.’
    ‘Dat waren tijden hé!’ constateerde Rauw Ei.
    ‘Ja, maar die tijden zijn voorbij. De mensen veranderen. Het wordt bijvoorbeeld ook tijd dat ik mijn naam verander,’ zei Vis.
    ‘Wil je geen Vis meer zijn, Vis?’ vroeg Floshaar.
    ‘Nee? Geen Vis meer?’ echode Tabak.
    ‘Wat dan wel, Vis?’ informeerde Rauw Ei.
    ‘Ja?’ deed Drietand.
    ‘Vrienden: ik heb er lang over nagedacht.’
    ‘Ja?’
    ‘En wat kwam… Wat komt er uit de bus, Vis?’
    ‘Vooruit… Zeg het… Je maakt ons… ‘
    ‘Jezus,’ zei Vis.


    12-01-2018
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.323: Houten koppen

    HOUTEN KOPPEN

    Er heerst zonsverduistering in het land. En zinsverduistering. In weiden, naast dampende frietketen, in de schaduw van kerken en stadhuizen en langs de wegen hangen ze er, op houten panelen: de onverschrokken koppen die beloven dat zij iets voor ons kunnen doen. Ze kiezen een rugnummer, laten zich op affiches en flyers afdrukken en zetten er een op- en onderschrift bij. Er zijn er die koeien bij de horens zullen vatten, grote kuis zullen houden, tot op het bot zullen gaan, recht door zee zullen gaan, de burger contracten zullen aanbieden, of gewoon voor de mensen willen opkomen. Nou, kom maar op! Er is er eentje dat zichzelf als een hoge boom met diepe wortels ziet. Een ander vraagt zelfs om voor je moeder te stemmen. Ja: de campagnemeisjes en –jongens hebben weer hun best gedaan ‘om het verschil te maken’, zoals ze allemaal tegelijkertijd bazuinen. Jammer dat het weer huilen of griezelen geblazen is als je die treurige collectie politieke koppen bekijkt. Om er zelf een houten kop van te krijgen. De mens in al zijn lelijkheid en leugenachtigheid ontsiert het landschap. Iconen met vierkante koppen belemmeren het panorama. Beloftes voor een beter bestaan jagen de koeien de stuipen op het lijf. Dure politieke eden veroorzaken verstrooidheid en ongevallen op de weg. Het geblaat en geloei op de panelen is pure horizonverloedering en ernstige lawaaihinder. De meeste politici zijn te lelijk om te helpen donderen. En hoe zit het met die hoofden vanbinnen? Je vraagt je vaak af wat voor argumenten er in die zultkoppen zitten om zomaar op te komen voor alle medemensen ineens en te hopen op zeer veel stemmen. Daar moet wat leuks aan verbonden zijn, naast nachtelijke vergaderingen, stress, volle agenda’s, compromissen en onoverkomelijke problemen. Sommigen doen daar heel veel voor. Zo verscheen ooit op tv een verkiesbaar Euroman in het gezelschap van een koe. Dat was een welbegrepen verwijzing naar zijn strijd tegen de hormonenmaffia. Hoedje af voor de kerel. Maar het werd ietwat hilarisch toen hij, in dat dierlijke gezelschap, zei: ‘Ik wil niet moederziel alleen in dat Europese parlement zitten.’ Ja, laten we nog een koe afvaardigen. In verband met de melkproblematiek. Of al was het maar als tegemoetkoming omdat hun weiden als wiegende zeeën nu ontsierd worden door verkiezingspanelen met mensenvlees op. Er was er ook ooit eentje dat het met vissen probeerde. Heel symbolisch. De mensenvisser. In verband met Europa: een alles verslindende haai of een school gelijkgestemde haringen. En tussen al die partijen en panelen zijn er een heleboel landgenoten die geen rugnummer hebben gekozen. Het zijn de politiek daklozen, om wier stemmen zo hard wordt gesmeekt. Want het zijn er veel, en meer en meer. Ze zijn zo sterk dat ze partijen beïnvloeden, die zwellen, uitdunnen, fusioneren, verdwijnen. Op hun panelen staat in koeienletters te lezen: Beu!


    26-12-2017
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.322: Mooilijk

    MOOILIJK

    Zonder pardon stapte ik zes jaar geleden naar de Club van de Lelijke Mensen. Jaren had ik toen al voor spiegels doorgebracht. Toen ik het bestaan van de club ontdekte, aarzelde ik geen moment. Bij de allereerste oogopslag al werd ik toegelaten en ingeschreven. Dit gebeurde door de lelijkste donder aller tijden. Dat ik bijna zo weer verdween, was zijn schuld, maar ik besefte plotseling waarvoor ik gekomen was.


    De club is erg gezellig. Hij is geïnspireerd op de excentrieke Engelse clubs, bijvoorbeeld de Onvriendelijken, de Linkshandige Butlers, de Negentiende-Eeuwers, de Roodharigen… We vergaderen nooit. Dat is een groot pluspunt. We beperken ons ertoe elke dag lelijk te zijn. Er is een ruimte om kranten te lezen, een bar, een keuken, een eetzaaltje, een bibliotheek. In de club werken vijf lelijke mensen fulltime: een kok, een barman, een conciërge, een dienster en een AD’er. Die laatste werkt in de kelders: als AD’er of Aartslelijke Donder kent hij zijn plaats. Onderling hebben de leden vlotte contacten, hoe verscheiden ze ook mogen zijn. Na de gebruikelijke schoonheidsfoutjes die elk gespreksbegin kenmerken, ontspinnen zich dagelijks dialogen die hun gelijke niet kennen bij de Iets Mooiere, de Veel Mooiere en de Heel Mooie Mensen. Het bevattingsvermogen van echte lelijkaards is namelijk groot. Ja, ik voel me thuis daar met mijn spuuglelijk bakkes.


    Aan centen heeft de club geen gebrek. In samenwerking met de dienst Monumentenzorg heft de Staat strafbelasting op lelijke verwezenlijkingen. Deze bij Koninklijk Besluit vastgelegde belasting komt ons toe. Dat percentage ligt erg hoog omdat ons land uitmunt in lelijkheid. We klagen dus niet. We blijven rustig binnen, lelijk wezend, betoelaagd door een andere lelijkheid dan de onze. Wij kunnen het ook niet helpen hé.


    Kijk: daar komt Annabelle net binnen. God, wat is ze toch weer mooi lelijk vandaag! Mooilijk, in één woord. Over haar bleke gezicht trekken donkere onweerswolken als ongewenste zwangerschappen. Ja, niet te verwonderen: de zwarte vlag hangt vandaag ook aan onze gevel uit. Het is immers Valentijn. Het doet hier de ronde dat onze AD’er uit de kelder een kaartje heeft ontvangen waarop hartjes prijken. Ook ruikt het naar Braziliaanse roos of zoiets. We zijn allemaal heel erg benieuwd naar hoe lelijk de afzendster dan wel moet zijn. Of de afzender.


    ‘Hallo Annabelle. Alles kits?’ groet ik hartelijk. Ik hou van de dubbele ll in haar naam en spreek die bijzonder smakelijk uit.
    ‘Opzouten, lelijke moeial,’ snauwt ze me toe. ‘Je weet toch welke dag het is?!’
    ‘Nee Annabelle,’ probeer ik vriendelijk. Ik hou ervan haar te plagen. Dan wordt ze godgeklaagd zo onmogelijk lelijk! Dan zou ze God de Vader himself rustig een proces mogen aandoen wegens grove fouten tijdens de werkzaamheden van zijn schepping.


    Ja, 14 februari is voor onze club altijd al een moeilijke dag geweest.


    ‘Plannen vandaag, Annabelle?’ probeer ik nog een keer. Ze haalt haar schouders op.
    ‘Er moet dringend werk gemaakt worden van onze kelders,’ gromt ze. ‘Het is er een zwijnenstal.’
    ‘Zal ik een handje toesteken?’
    ‘Nee.’
    ‘Je weet toch dat de AD’er uit de kelders een roze kaartje heeft ontva… ‘
    ‘Ja ja,’ onderbreekt ze me ruw. Dan verdwijnt ze met driftige stappen. Verbouwereerd kijk ik haar na.


    14 februari? Een dag om te vlaggen, inderdaad. In het zwart. Een mooilijke dag.


    11-12-2017
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.321: Perte totale

    PERTE TOTALE

    Het is vrijdag. Alweer. Christoffel koopt een Europees weekblad aan de krantenkiosk en wandelt naar het hoekcafé St. Georges. Onlangs is hij met roken gestopt. Elke ochtend voelt hij zich wat meer bevrijd. Zijn ribbenkast voelt niet langer als een kooi van rochelmist en nicotine aan. Aan dampen denkt hij niet. Het lichaam beleeft deugd aan deze algehele onthouding. Christoffel moet nu alleen maar doorzetten. In St. Georges vraagt hij een koffie verkeerd. In het weekblad leest hij dat de laatste dag van mei uitgeroepen wordt tot ’s werelds rookvrije dag, overal en op alle plaatsen: schiereilanden, boorplatforms, continenten, polen, keerkringen, savannes, woestijnen, oceanen, oases. Hij grijpt nu naar de vrijdagkrant op het belendende tafeltje en tikt die in de gewenste stand. Vele pagina’s worden ontsierd door de vergezochte slogans en vierkante koppen van politici die naar een Europees salaris hengelen. Het regent nu niet meer. Plasjes zijn aan het opdrogen; de zon breekt door achter het bankgebouw. Aan de gevel verschijnt de mededeling 11:05. Even later: 14+ C. Meten is weten. Christoffel betaalt en dwaalt nog wat door de straten. Met leedvermaak bekijkt hij het rokende deel van de bevolking en hun idiote kankergebaren. Wat voelt hij zich sterk. Hij is precies meer op de wereld. Zijn soortelijk gewicht doet deugd. Dag na dag groeien zijn actieradius en zijn longinhoud aan. Overal ligt gezondheid te koop. Het seizoenfruit wordt op trottoirs uitgestald. Hij snuift de geuren op en koopt een bescheiden tros bananen die hij wandelend opeet.

    Op de brug doet zich een aanrijding voor. Oorzaak en slachtoffer is een agent van de bereden politie. Een kleine toeloop omarmt het voorval. De agent jammert honderduit. Zijn machine wordt met vereende krachten overeind gezeuld en tegen de brugreling gestald. Christoffel is er vlug op uitgekeken. De laatste banaan opetend stapt hij naar de garage aan de periferie van de stad. Zijn nicotinekleurige Saab is weer startklaar. De factuur volgt. ‘Dank u,’ zegt hij. ‘ Tot de volgende keer’. Hij duikt weer in het verkeer. En dan gebeurt het. Op een onbewaakt ogenblik, zoals ze zeggen. In een plooi van de tijd. Een mum. Een fractie. Wanneer hij in een combinatie van verslaving en instinct en gewoonte en schuldbesef en voorpret even later toch weer naar de permanente voorraad sigaretten in het handschoenenkastje reikt, slipt zijn Saab. Christoffel vloekt paniekerig. Hij zwiert van de weg af en schuurt langs twee dure autoflanken in de schaduw van het Evangelisch kerkgebouw. Op deze naargeestige geluiden van metaal op metaal draaien zich tientallen mensenhoofden in zijn richting. De Saab komt tot stilstand nadat hij grondig, hard en diep zijn handtekening in de twee kortparkeerders heeft gegrift. ‘Miljaarde!’ roept Christoffel.

    In het kerkgebouw valt een wierookvat kletterend op de grond. Christoffel stapt uit. Iemand met een sigaret in de mondhoek vraagt of hij gewond is. Aan de overkant van de straat rammelt een reclamepaneel voor aanstekers in de lentewind. Alles is weer verloren. Christoffel stapt weer in, reikt naar het handschoenenkastje en grijpt naar de boordpapieren en het pakje Gauloises. Arme dappere man.


    21-11-2017
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.320: Goede man

    GOEDE MAN

    Goedheilige avond

    Ik heb het witte engelenhaar en de ook de ballen, maar ik ben de Kerstman niet. Ik ben wel de jongste broer van de Sint, weliswaar liefhebber van Gilette, the best a man can get. Daarom heb ik een beetje spreekrecht.
    Ik strooi om op te warmen en om u te laten schrikken wat zeispreuken van Sinterklaas rond. Ze komen uit zijn heilige mond. U hoeft dus niet te blozen of te schrikken.

    Waar is mijn piet nu weer, zei Sinterklaas, en hij zocht wanhopig tussen de plooien van zijn tabbaard.

    Wat is dat gelul toch allemaal over die zak, zei Sinterklaas, en hij sjorde zijn lange onderbroek nog maar eens op.

    De daken zijn niet meer wat ze geweest zijn, zei Sinterklaas, en hij struikelde over een zonnepaneel.

    Wie stout is krijgt de roe, zei Sinterklaas, al zou ik niet weten wat dat is en hoe.

    Laat de kinderen tot mij komen, zei Sinterklaas, ik ben ook een bisschop hé.

    Je hebt weer te veel noten op je zang, zwartwerker, zei Sinterklaas, en hij gaf zijn strooipiet een mep tegen zijn kop.

    Mijn koninkrijk voor een paard, zei Sinterklaas, en hij inspecteerde de schimmel tussen zijn tenen.

    Ik twijfel tussen een picknick en een pieknieke, zei Sinterklaas, en is het speculoos of speculaas?

    Dat scheelde geen haar, zei Sinterklaas, en hij streelde de extensions in zijn baard.

    En nu het echte zwartwerk…

    Nog enkele keren slapen en het is weer zover. Dan komt de goede man. Afgelopen zomer aten we al zomerklaaskoeken; we vonden dat wat jammer. Dat is niet macrobiotisch: je moet eten wat het seizoen en de omgeving schaffen. Varkensvlees en frieten bijvoorbeeld. Heeft de Sint dan geen sperperiode, potverpietjes? Ik eis zo’n sperperiode voor bepaalde klaasproducten.

    Toen ik nog een uk was, rookte mijn pa Almos. Later werden dat andere merken. Groene Michel. Richmond. We wisten maar al te goed waar hij zijn voorraad verstopte. Ma dacht dus dat hij veel rookte. Maar wij leefden in het tijdperk waar een van de reclameslogans luidde: Sprint – dé sigaret voor de sportman. Roken was dus gezond. Het gebeurde wel vaker dat mijn mannelijke verwekker in het donker nog om een pakje holde, naar zo’n gezellig winkeltje uit oude tijden van koloniale waren van voor het economische debacle. Het rook er altijd naar zaterdag. Je kon er alles krijgen. Ik heb er eens mijn broer met zijn kont in een emmer haring geduwd. Enkele jaren op rij, op één welgemikte decemberavond, mochten we mee met pa op stap om een pakje sigaretten te kopen. De wandeling heen en terug duurde een halfuur. Het was 5 december. Guur weer, zoals gewoonlijk eind jaren vijftig – begin zestig. De wind gierde om schoorstenen en langs telefoondraden. Toen we weer thuiskwamen, mijn pa gehuld in verse Almos-wolkjes, was een andere goede man hem potverdorie voor geweest. De Sint was gepasseerd! We hadden hem niet gezien. Toch woonden we in een doodlopende straat. De spoorboom op het einde van de straat was definitief neergelaten; nieuwe wegenwerken en tijden braken aan. De heilige man had bij ons thuis wat speelgoed gedropt. En hij was natuurlijk via het dak en de schoorsteen gekomen. Gewone straten met kasseien had hij niet nodig. Vooral geen doodlopende, zelfs niet met sintvriendelijke kinderkopjes. Zo moesten we nooit wachten tot 6 december: een ellendige schooldag waar Pieten op deuren bonkten en meesters vraagstukken opgaven met picknicken erin. (‘Jan heeft 10 picknicken. An 7. Als Jan er 6 opeet en An 2, hebben ze samen … veel pret’).

    Elk jaar echter was ik sterk ontgoocheld in de Sint. Want ik hoopte altijd op een echt berenvel. Het stond lange jaren bovenaan mijn verlanglijstje. Ik wou een heus berenvel om me in te vermommen en de mensen de stuipen op het lijf te jagen. Nooit kreeg ik het. In de derde kleuterklas had ik al sterke vermoedens omtrent de identiteit van de goede man. Hij rook namelijk naar Almos-sigaretten. Samen met mijn vriend Pol-zaliger deelde ik die vermoedens. Diens Sint rook naar Zemir, ook een merk van toen. Zuster Serafien had dat door en parkeerde ons op 6 december in een bank vlak bij de deur. ‘Niet te hard schrikken als er hard gebonsd wordt hé. Je weet wel wie er dan komt hé… Maar: mondje dicht, hé!’ We knikten ijverig. Maar op 6 december wipten we net als alle andere babyboomers geschrokken op, toen er knoerthard op de deur gebonsd werd en een regen van picknicken over de kortgeknipte koppen scheerde. Pol en ik keken ondertussen door de hagelwitte baard van de goede man heen: herkenden we een van onze vaders? Buren? Meesters van de grote school? Er liepen weinig mannen met baarden rond in die tijd. Alleen maar Jan, Piet, Joris en Corneel. En zaten er wel echte glazen in die bril? Het leek verdorie wel een zonnebril. Of toch zo’n ziekelijk brilletje met van die verduisterde glazen. En wat betekende dat gedoe met die vier Pieten? ‘Hulppieten,’ legde zuster Serafien uit, na het gewelddadige sintbezoek aan onze klas. ‘De goede man wordt oud en kan niet alles zelf meer doen.’ Ze keek Pol en ik staalhard in de ogen.

    Het leven ging later door. Zuster Serafien werd tweehonderd jaar. Ik kreeg nooit een berenvel en Pol stierf jong. En mijn pa stopte met roken. Het waren oude tijden waar straten doodliepen en het hard woei door de zee van antennes op de daken.

    Later, maar niet zo lang meer, heb ik me nog vragen over de sint gesteld. Eet de goedheiligman preparé? Zo ja: blijft er dan wat hangen in zijn baard? Kan ik zelf een sint worden of voor sint leren? Ben ik misschien de jongste broer van de Sint? Heeft de Sint bleke billen die des zomers aan het strand van Spanje bruin worden? Waarom Spanje in hemelsnaam? Waarom is hij zo in voor oranje? Wat is het verschil tussen speculoos en speculaas? En die roe dan: dient die om te roeren in de zak met stoute roestige kinderen? Kinderen die het grof gemaakt hadden, zoals in ‘Klein klein kleuterke, je maakt het veel te grof’? In het eerste leerjaar luidden mijn eerste zinnetjes: Puk zit in de wei bij de beek. Hij houdt een roer vast. Hoe zat dat in elkaar? Roe? Roer? Roest? Wat was het verband? Vanwaar kwamen die vreemde woorden? Ook uit Spanje? Wie was Puk in hemelsnaam? Een of ander pikzwart pietje?

    Enkele jaren later waagde ik me zelf aan mijn eerste sigaret. Almos bestond al niet meer. En ook mijn geloof in een sintschap was al lang verdwenen. Alleen: zoals in een bekend boek de smaak van een koekje een verleden weer kan doen keren, zo verscheen eventjes in de rook van die verboden sigaret als een djinn de goedheiligman uit de middeleeuwen van mijn leven. Ik mocht echter geen drie wensen formuleren. Ik verwenste mezelf later dat ik er ooit aan begonnen was.


    30-10-2017
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.319: Enig kind

    ENIG KIND

    Dot Cooman mocht een parttime rotkind worden genoemd. Daar konden haar leuke kruidnagelkleurige krulletjes niets aan verhelpen. Noch de betekenis van haar voornaam: ‘Geschenk van God’. Naast hoger vermeld ettertje zat er geen tweede achterbaksel. Deze voortplanting stoelde op eenmaligheid. Dot: een enig kind.
    Even gaf mama Rowena de achteruitkijkspiegel een duwtje, zodat ze een heimelijke blik kon werpen op haar pruilende koter.
    ‘Ik sjie wel dat je naar mij kijkt!’ riep Dot plotseling. De spionne gluurde vertederd naar het gat waar voorheen twee aanpalende tandjes hadden gestaan. De tandenfee had lieve Dot onlangs met een nachtelijk bezoek vereerd. Het was twee uren geleden dat er nog een woord (of was het een klanknabootsing?) uit die praat- en eetklep ontsnapt was. Sindsdien had Dot er alleen maar voedsel en drank in gedeponeerd en er na sluitingstijd misprijzend mee uitgebeeld dat ze vreselijk boos was. De wenkbrauwen van mama Rowena kropen vragend verwonderd boven de grote zonnebrilglazen uit.
    ‘Sjie je wel! Door die stomme bril en in die spiegel!’
    ‘Wauw! Zoveel woorden ineens, Dot! Van harte gefeliciteerd. Kijk: we zijn al bijna over de brug. Dat gaat vlot vandaag.’
    Rowena bracht de spiegel weer in de correcte stand. Met haar tongpunt verkende ze voor de zoveelste keer de afgebroken vulling in haar kies. Straks zou dat euvel verholpen worden.
    ‘We sjullen te laat zijn.’
    Het gat in de voorste batterij tandjes sorteerde een speciaal effect bij het vormen van de z.
    ‘We zijn op tijd. De bel rinkelt pas om halfnegen.’
    ‘De brug sjal instorten.’
    ‘We kunnen zwemmen.’
    ‘Het is vies water.’
    ‘We hebben verse kleren aan.’
    ‘Ik sjit vastgebonden.’
    ‘Voor je veiligheid.’
    ‘Dat is een sjomerbril.’
    ‘Daarmee zie ik alles beter.’
    ‘Waarom stop je nu?’
    ‘Je ziet toch dat er file is.’
    ‘Ik sjie niets.’
    ‘Waarom niet?’
    ‘Ik heb geen sjomerbril. En je sjit in de weg.’
    Rowena had veel zin om grappig terug te sj’ten, maar ze kon zich nog net inhouden. Dot.com zou wel eens Dot.bom kunnen worden. In plaats daarvan sperde ze haar mond en streek ze met haar tong nog maar eens over de onvolkomen kies. Haar tongpunt gloeide even op van de pijn. Dotje zat haar gekke bekken trekkende moeder met ogen als kogels aan te staren.


    20-10-2017
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.318: Fibo

    BRAAF! & FIBONACCI


    (Toespraak in kunstgalerij Marbes, Kortrijk, t.g.v. een expositie van de Fibonacciboys: drie fotografen en enkele beeldend kunstenaars)

    01. Os & ezel, A & B, gas & elektriciteit, Spic & Span, de ene Griekse zuil die de andere Griekse zuil oproept… die vreselijk voorspelbare symmetrie en repetitie zit overal goed ingebakken. Behoefte aan veiligheid, rust, evenwicht, structuur. In een biografie over de Britse komiek en zoveel meer John Cleese las ik ergens zijn verzuchting: waarom hebben we in hemelsnaam structuur nodig? Mag iets ook eens wat scheef of schuin zijn?

    02. Jaren geleden wees een kunstschilder me in Parijs de fameuze reeks getallen aan (de bijgenaamde ‘konijnenrij’) plus de toepassing ervan in bijvoorbeeld diverse vensters in de omgeving van de Jardin du Luxembourg. Het was een verademing en ook een ontdekking. Ik begon de dingen anders te bekijken.

    03. Vroeg of laat moest er eens een verhaal van komen. Letterlijk letterkundig de rij van Fibonacci toepassen is niet zo simpel als de slaapkamerdeur van een slachtoffer van een moord op een kier van 1 komma 62 centimeter te laten staan bijvoorbeeld in het perfect recursieve stratenplan van Dakpannendorp of Verkavelgem. Trouw aan de zoon van Bonaccio (of diens ontdekking via de Indiase en Arabische wiskunde in Algerije) heb ik mijn verhaal (titel ‘Braaf!’) via allerlei details en divers repeterende elementen gestalte gegeven. Er gebeuren vreselijke dingen met een soort fibonacciaanse recursieve consecutiviteit met onder andere een eenkleurige chef-kokkin (die elke dag in een andere kleur kookt, gebaseerd op de oude Indiase geneeskunde) en een hond die niet Fifi heet – zover heb ik het niet gedreven. In hoofdstuk 0 bolt keukenhulp Jezebel Malbien van restaurant Het Laatste Avondmaal met vrolijk belgerinkel een tuinpad op. Zo doet ze dat ook in hoofdstuk 1, hoofdstuk 1, hoofdstuk 2, hoofdstuk 3, hoofdstuk 5, hoofdstuk 8, hoofdstuk 13 en hoofdstuk 21. Dat loopt telkens op een vreselijke wijze af. Er sneuvelen oude besjes en Libanese professoren in de Toevalskunde. Gelukkig zijn er die avond in restaurant Het Laatste Avondmaal van de eenkleurige chef-kokkin 55 reservaties om te dineren, zodat het verhaal harmonieus kan eindigen. Mocht u het verhaal Braaf! willen lezen, dan kan dit via deze link:

    http://vreeslijkeverhalen.skynetblogs.be


    01-10-2017
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.317: Dialoog

    DIALOOG DIE TE DENKEN GEEFT

    - U hebt hier Zaalverantwoordelijke ingevuld.
    - Ja, en?
    - Maar hier moest uw voornaam komen.
    - Dat is mijn voornaam.
    - Dat kan toch niet.
    - Toch wel.
    - Dus u heet Zaalverantwoordelijke?
    - Ja.
    - En uw achternaam is Vandenbussche?
    - Ja, zoals u ziet.
    - Die hebt u inderdaad correct ingevuld. Maar… ‘
    - U gelooft me niet?
    - Ik kan wel tegen een grapje. Maar nu moet ik wel een nieuw formulier… ‘
    - De meesten zeggen Zaal. Maar voluit… ‘
    - Komaan zeg!
    - Ik meen het.
    - Het heeft nu lang genoeg geduurd hé!
    - Maar komaan zelf zeg! Wat is uw probleem eigenlijk?
    - Meneer… Meneer Vandenbussche – als dat al uw echte naam is – Meneer Vandenbussche: dit moet ophouden.
    - U houdt niet van grapjes?
    - Nee.
    - Ik ook niet. Zowaar ik Zaalverantwoordelijke Vandenbussche heet.
    - Moet ik er mijn eigen verantwoordelijke bijroepen?
    - Nu drijft u de spot met de naam die mijn ouders me hebben gegeven.
    - En u drijft het wel heel erg ver. Kijk eens om: er staan nog drie wachtenden achter u aan te schuiven. U verspilt onze tijd.
    - Ja: mijn tweelingzussen en mijn moeder. Hun moeder dus ook.
    - Is dat weer een grap? Dames! Mevrouw!
    - Ja?
    - Hoe heet die… die kerel hier vlak voor mij? Hij houdt iedereen op en… ‘
    - Onze Zaalverantwoordelijke!
    - Onze… ja, maar… ‘
    - Iets niet pluis, Zaal?
    - Problemen, Zaal?
    - Ja: die mevrouw hier wil me niet inschrijven.
    - Maar mevrouw toch! Wat is hier aan de hand?
    - Komaan zeg! Is dit een epidemie van slechte grappen?
    - Dit is ongehoord.
    - En hoe heten jullie dan?
    - Vandenbussche. Tweemaal.
    - En Vandamme. Ik ben de mama. Van alle drie.
    - Ja ja. Maar… hebben jullie voornamen?
    - Natuurlijk.
    - Mag ik die weten?
    - Merel en Mokka.
    - En ik heet Gisela. De moeder.
    - Mokka??
    - Is daar ook iets mee misschien? U bent wel erg… Waar is hier de verantwoordelijke? Ik wil die even spreken.
    - Maar er staat er één voor mij! Jullie hebben er zelf één!
    - Dat hebben we nu nog nooit meegemaakt! Dat is nu de eerste keer dat…
    - We zijn dat niet gewend, hoor!
    - Komaan Zaal, we zijn hier weg. Ze gelooft ons toch niet.


    (De vrouw aan de inschrijvingen kijkt het vertrekkende viertal perplex na, tot die de zaal verlaten hebben. Dan schroeft ze een flesje open, schudt er drie pillen uit en slikt die met een flinke ruk van haar hoofd door).




                                                  COPYRIGHT JORIS DENOO
    ZIELSVERWANTE LINKS
  • Een blauwe plek
  • Verhalen
  • Meester in de Vakken
  • Plankenkoorts
  • Poëzie
  • Romans
  • Moord!
  • Romans & Theater
  • Vreselijke verhalen
  • Miljarden flarden

    Blog als favoriet !

    Foto

    Foto

    Sjors DNO eind vorige eeuw in een sneeuwstorm in Chicago


    Mail

    Druk op de knop


    Archief per jaar
  • 2019
  • 2018
  • 2017
  • 2016
  • 2015
  • 2014
  • 2013
  • 2012
  • 2011
  • 2010
  • 2009
  • 2008
  • 2007
  • 2006
  • 2005

    Foto

    Foto

    Foto

                       IK ALS UK
    Foto

    Me reading HARDZIEK, romandebuut Sarah Denoo

    Blog tegen de regels? Meld het ons!
    Gratis blog op http://blog.seniorennet.be - SeniorenNet Blogs, eenvoudig, gratis en snel jouw eigen blog!