freud



freud


futuritisme











FUTURITISME
Het futurisme (Italiaans futuro, "toekomst") is een van oorsprong Italiaanse beweging en kunststroming van 1909 tot 1914, ontstaan uit hetkubisme. Hoewel de futuristen het kubisme afwezen, was er een moeilijk te negeren correlatie tussen beide bewegingen.
Enkele kenmerken van het futurisme zijn snelheid, energie, agressie, krachtige lijnen, vooruitgang en nieuwe technologie. Samen met het opkomende nationalisme in alle Europese landen paste het futurisme in het oorlogsenthousiasme dat kenmerkend was voor veel intellectuele en artistieke kringen aan de vooravond van de Eerste Wereldoorlog
De Italiaanse schrijver Filippo Marinetti stak met een eerste 'Futuristisch manifest' in de Franse krant Le Figaro op 20 februari 1909 de lont aan van het futurisme. Het was het begin van het algemeen literaire vlak. Het manifest beoogde een toekomst gedreven door strijd, aanval en beweging: "Wij willen de oorlog verheerlijken - enige hygiëne van de wereld -, militarisme, patriottisme, de verwoestende daden van deanarchisten, de mooie ideeën waarvoor men sterft, en de minachting voor de vrouw".
Tussen 1909 en 1920 verschenen meer van dergelijke manifesten. Op 11 februari 1910 ondertekenden Umberto Boccioni, Carlo Carrà, Gino Severini, Luigi Russolo en Giacomo Balla het Manifesto dei pittori futuristi. Op 2 april van datzelfde jaar volgde het technisch manifest (La pittura futurista. Manifesto tecnico).
In 1911 presenteerde Marcel Duchamp te Puteaux zijn kubistische vrienden zijn ophefmakende Nu descendant l'escalier. In 1912 schreef Boccioni een Manifesto tecnico della scultura futurista, terwijl er in 1914 door de architect Antonio Sant'Elia een Manifesto dell'architettura futurista werd gepubliceerd. De beide geschriften omtrent de schilderkunst drongen enerzijds aan op het uitdrukken van de dynamische sensatie of de opeenvolgende fasen van een beweging of van het gevoelsleven en anderzijds op het simultaneïsme of het samenvatten in één moment van deze fasen.
In februari 1912 kregen de futuristen hun grote expositie te Parijs, gevolgd door een tweede in 1913. Beide werden herhaald in meerdere belangrijke centra van Europa.
De muzikale uiting van het futurisme noemt men het bruïtisme. De componist Balilla Pratella schreef verschillende manifesten op het gebied van futuristische muziek, te beginnen bij het Manifesto dei musicisti futuristi van 1910.
Het futurisme was een kort leven beschoren. Toen Italië in april 1915 bij de Eerste Wereldoorlog betrokken werd, en de oorlog helemaal niets groots bleek te zijn, viel de beweging uiteen.
Van 1912 tot midden jaren twintig van de 20e eeuw beleefde het futurisme een bloeiperiode in Rusland, met name op het terrein van de literatuur (poëzie). Het Russisch futurisme ontstond in het begin van de twintigste eeuw (gelijktijdig met het acmeïsme) als een reactie op de toen in Rusland dominante stroming van het symbolisme. De betekenis van het Russische futurisme ligt in het zich afzetten tegen alle geldende normen en conventies inzake woordvorming, syntaxis, spelling en ritmiek. Het poëtische woord moest weer centraal komen te staan, met willekeurige en afgeleide woorden.
Bekende Russische futuristen waren de dichters Igor Severjanin, Clebnikov, David Boerljoek en Majakovski. In de schilderkunst onderscheiden zich Filonov en Malevitsj. In Polen werden genoemde principes geïntroduceerd door Aleksander Wat.
Jules Schmalzigaug (1882-1917) was een van de weinige Belgen die het futuristische experiment beleefd heeft. Ook René Magritte heeft in zijn jonge jaren geëxperimenteerd met de futuristische schilderstijl.









fauvisme
Fauvisme is een uit Frankrijk afkomstige expressionistische stroming in de schilderkunst die begin 20e eeuw ontstond.
Het fauvisme kenmerkt zich door het gebruik van felle, nauwelijks gemengde kleuren. De stroming staat aan het begin van de moderne kunst en vond haar voortzetting in de schilderkunst van de 20e eeuw. Het hoogtepunt bereikte de stroming tussen 1898 en 1908.
Een van de voorlopers van het fauvisme was Paul Gauguin. Net zoals het impressionisme in 1874, dankt het fauvisme (fauve betekent 'wilden', wilde dieren) zijn naam aan het toeval. Het was de Franse journalist-criticus Louis Vauxcelles die de naam gaf aan deze schilderstijl. Op de Salon d'Automne van 1905 exposeerde een zekere beeldhouwer Marqué een Italianiserende Florentijnse torso, te midden van de brutaal opvallende werken van de vrienden van Henri Matisse. Verontwaardigd schreef de criticus: "La candeur de ce buste surprend au milieu de l'orgie des tons purs: Donatello parmi les fauves". De expositiezaal werd zelfs als de "Cage aux fauves" (kooi met wilde dieren) omschreven. Zo werd de beweging voortaan "fauvisme" genoemd en waren de adepten ervan "fauvisten".
Op de Salon van 1906 schreef dezelfde Vauxcelles nog over "een werkelijk vuurwerk", maar tijdens de Salon van 1907, waarop Paul Cézanne een retrospectief overzicht kreeg, ging de meeste belangstelling uit naar de gedempte blauwen en grijzen in de geometrisch kubistische werken van de nieuwere kunstuiting, het kubisme.
In 1906 sloten zich ook Georges Braque, André Derain en Kees van Dongen bij de fauvistische beweging aan. Het fauvisme was maar een kort leven beschoren. Henri Matisse en Raoul Dufybleven de beweging het langst trouw. Het fauvisme was samen met een groot aantal andere stromingen een positiebepaling ten opzichte van het fototoestel. Schilders moesten concurreren met de fotografie, waardoor ze in de kleur een manier zochten om de waarde van het schilderij te bepalen.
De Franse fauvisten gingen bij het gebruiken van hun onvermengde directe kleuren tot het uiterste. Zoals alle vernieuwers wilden ze hiermee hun vrijheid manifesteren. Het is duidelijk dat ze waren beïnvloed door de felle kleuren van Vincent van Gogh. In 1901 had er een Van Gogh-retrospectieve tentoonstelling plaatsgevonden in de Galerie Bernheim-Jeune, die een sterke invloed zou uitoefenen op de latere fauvisten. Bij fauvisme ging het niet om een coherente groep schilders; wat hen tijdelijk samenbond was een gemeenschappelijke interesse in het schilderen van vlakke patronen en 'wilde' kleuren. Matisse was de centrale figuur van de groep.
Marquet en Matisse schilderden al op deze manier in 1898, in de Académie Carrière, maar pas op de Salon d'Automne 1905, te Parijs, toonden een aantal geestverwanten gelijkaardig werk, zoals Maurice de Vlaminck, André Derain, Pierre Laprade, Raoul Dufy, Othon Friesz en Georges Rouault.
De belangrijkste groepen die deel uitmaakten van deze beweging waren: Atelier Gustave Moreau, Académie Carrière (Marquet, Camoin, Manguin, Puy), de Châtou-groep (met Derrain en Vlaminck), en de Le Havre-groep (Braque, Dufy, Friesz).
In 1948 verenigde een aantal jonge expressionisten met gelijkgerichte ideeën zich in de Cobra groep. Deze op het expressionisme en het fauvisme voortbordurende stroming veroorzaakte een opleving van de moderne kunst in Nederland, België en Denemarken.
Tegenwoordig wordt de term "fauvisme" ook gebruikt om een bepaalde manier van schilderen aan te duiden. Kenmerken van deze schilderwijze zijn:









FAUVISME









primitivisme












PRIMITIVISME
Primitivisme is een stroming in de beeldende kunst waarbij kunstenaars (de primitivisten) er naar streven om terug te keren naar de tijd van voor de moderne beschaving, naar het primitieve, toen alles nog 'onbedorven eenvoudig en oorspronkelijk' was. Het spontane en het naïeve staan centraal. Vaak wordt dit gekenmerkt door gebrek aan perspectief en abstraheren van het onderwerp. Het primitivisme is verwant aan de naïeve kunst.
Primitivisme is nadrukkelijk niét de kunst van inheemse of prehistorische volkeren (Primitieve kunst). Het gaat primair over de westerse belangstelling voor primitieve kunst en het streven haar kenmerken terug te brengen in de hedendaagse kunst.
Tot aan de achttiende eeuw geloofden Westerse kunstenaars dat de kunst zich in grote lijnen lineair ontwikkelde: kunst kon steeds beter worden, was de gedachte. Er was een idee van voortdurende vooruitgang: vanaf de Middeleeuwen, via de Renaissance, hadden technieken en compositievormen zich voortdurend verder ontwikkeld.
In de negentiende eeuw kwam er meer en meer verzet tegen dit idee van voortdurende vooruitgang. Het begon in zekere zin met Jean-Jacques Rousseau, die het idee van de onbedorven primitieve mensen (de “nobele wilde”) verheerlijkte, maar ook in de beeldende kunst ging men, mede ook onder invloed van de opkomst van de fotografie, die de taak van een kunstschilder ingrijpend veranderde, steeds nadrukkelijker op zoek naar nieuwe manieren om zich uit te drukken.
Veel Westerse beeldende kunstenaars vonden die nieuwe uitdrukkingsvorm in primitieve culturen, waarmee ze in de negentiende eeuw steeds meer en makkelijker in aanraking kwamen, mede door de opkomst van wetenschappen zoals de etnografie, maar ook omdat het gemakkelijker werd om te reizen. Steeds vaker begonnen ze elementen over te nemen uit andere culturen. Eerste tendensen waren al merkbaar binnen hetoriëntalisme in de tweede helft van de negentiende eeuw, maar rond 1900 begonnen een aantal kunstenaars steeds bewuster te streven naar het 'weer primitief maken' van de kunst. Ze probeerden te schilderen vanuit eenzelfde soort gevoel als primitieve mensen. Dat hoefden niet per se mensen uit andere culturen en landen te zijn, maar kon bijvoorbeeld ook gevonden worden in volkskunst en achtergebleven boerengemeenschappen.
Het primitivisme verheerlijkte het spontane, onbedorvene, naïeve en intuïtieve van de 'primitieve kunstenaars' en stelden dat tegenover de academische, aan conventies gebonden westerse kunsttraditie. In plaats van het ontbreken van perspectief en realisme te zien als bewijs voor de lage ontwikkelingsgraad van de 'primitieve volkeren', bewonderden zij de schoonheid van de abstractie en namen die als leidraad voor hun eigen werk. Uiteindelijk ging het om het maken van kunst zonder enige kunstmatigheid of verfijning. Opvallend is het vaak felle, exotische, contrasterende kleurgebruik.
Tot de eerste kunstenaars die tot het primitivisme werden gerekend behoorde Paul Gauguin, die naar Tahiti reisde om daar zijn bekende naïef-primitieve schilderijen van de lokale gemeenschap te kunnen maken. In Rusland kan gewezen worden op Mikhail Larionov, die het primitieve vooral zocht in de eenvoud van de plattelandsbevolking. In het begin van de twintigste eeuw was vervolgens heel duidelijk een invloed van het primitivisme waarneembaar in de vroege modernistische kunst. Primitivistische invloeden zijn direct aanwijsbaar in de kunststromingen van die Brücke en der Blaue Reiter, met Wassily Kandinsky als belangrijkste voorman. Daarnaast zijn ook bij modernistische schilders als Henri Matisse, Amedeo Modigliani, Pablo Picasso, Henri Rousseau en Paul Klee (en ook bij beeldhouwers als beeldhouwers als Constantin Brâncui, Alberto Giacometti en Henry Moore) elementen van het primitivisme herkenbaar, bijvoorbeeld in het gebruik van maskervormen.
In het begin van de twintigste eeuw had het primitivisme vooral een symbolistische inslag, vaak met abstracte elementen. Later werd het steeds meer expressionistisch. Na de tweede wereldoorlog was er nog een variant van het primitivisme waarneembaar die vooral de nadruk legde op het spontane, het naïeve en het gevoel, met de Cobra-groep en kunstenaars als belangrijkste voorbeeld. Ook zij gewezen op kunstenaars als Franz Kline en Adolph Gottlieb.
Tot een echte vastomlijnde beweging of stroming is het primitivisme uiteindelijk nooit uitgegroeid. Daarvoor werden de uitingsvormen uiteindelijk te divers. Als trend en invloed is het primitivisme echter nog steeds herkenbaar, hoewel de term als zodanig steeds minder houdbaar lijkt vanwege het steeds vanzelfsprekender in elkaar vloeien van primitieve- en niet-primitieve elementen in hedendaagse kunstuitingen.









naive kunst






NAIVE KUNST
Naïeve kunst is een vorm van beeldende kunst, meestal schilderkunst, die gekarakteriseerd wordt door een naïeve en soms kinderlijk aandoende manier waarop het onderwerp wordt uitgebeeld en de technieken worden gebruikt. De term naïeve kunst was oorspronkelijk een neerbuigende term waarmee critici over deze stijl spraken. Tegenwoordig heeft het genre zijn plek veroverd, wordt het serieus genomen en zijn er opleidingen in te volgen
Naïeve kunst wordt toegepast vanaf de 18e eeuw en was in de aanvang een romantische reactie op wat door de beoefenaren werd ervaren als culturele decadentie en oververfijning. Voordien bleven de naïeve schilders vaak anoniem, al zijn de Prenten van Épinal wel bekend geworden. Het waren essayisten als Alfred Jarry, Guillaume Apollinaire, Paul Guillaume (1891–1934) of Ambroise Vollard die de aandacht wekten voor het werk van enkele van deze kunstschilders. De beoefenaren zijn soms autodidact, maar velen ook niet. Naïeve kunst wordt soms tot de Art Brut(Outsider Art of spontane kunst) gerekend.
De naïeve kunst kunst kreeg bekendheid met de expositie van het werk van Henri Rousseau op de Salon des Indépendants (georganiseerd door de Société des artistes indépendants, een vereniging die was opgericht in 1884). In 1937 kwam er meer bekendheid met de eerste grote expositie van Les maîtres populaires de la réalité in Parijs. Naast Rousseau exposeerden daar onder anderen Louis Vivin, Camille Bombois, André Bauchant, Maurice Utrillo, Dominique-Paul Peyronnet, Séraphine de Senlis, Jean Eve, René Rimbert en Adolf Dietrich. Na deze tentoonstelling ontstond discussie over de naamgeving van de kunstvorm. Men noemde ze Les maîtres vanwege de hoge technische kwaliteit van de werken,populaires om de schijnbare eenvoud van voorstelling, de la réalité om de figuratie. Termen als zondagschilders, moderne primitieven, naïeve schilders, instinctieve schilders of autodidactische schilders waren aan de orde.












ESCHER
Escher had een sterke voorkeur voor technieken waarbij men met een zwart vlak begint en zwart weghaalt. Escher gebruikte dan ook houtsnede,houtgravure, lithografie en (in mindere mate) mezzotint. Tijdens zijn HBS-opleiding maakte hij ook enkele lino's.
Van Jessurun de Mesquita erfde Escher een voorliefde voor houtsnede op langshout, maar later (vanaf 1931) gebruikt Escher ook houtgravure (op kopshout), omdat men hiermee gedetailleerder kan werken. Houtsnede zou echter voor Escher een veelgebruikte techniek blijven.
In 1929 maakte Escher zijn eerste lithografie. Met lithografie kan men ook grijstinten gebruiken, maar het contrast is beperkt. In 1946 waagt Escher zich dan ook aan mezzotint, ook wel 'zwarte kunst' genoemd, omdat hiermee sterker contrast mogelijk is. Mezzotint vergde echter te veel geduld en Escher zou in totaal slechts zeven mezzotinten maken.
Escher bezat een grote technische vaardigheid. Een voorbeeld hiervan is de prent Draaikolken, waarin afbeeldingen van rode en groene vissen het vlak vullen. Beide kleuren werden afgedrukt met hetzelfde blok hout, maar bij het afdrukken van de ene kleur was het blok 180 graden gedraaid ten opzichte van de afdruk van de andere kleur.
In het begin was techniek belangrijk voor Escher (en dat zou ook zo blijven), maar op een gegeven ogenblik was technische vaardigheid niet meer het hoofddoel. Escher wil dan de wonderlijke ideeën in zijn hoofd uitdrukken in prenten, en techniek was hiervoor slechts een middel.
In Eschers vroegste werk vinden we vooral landschappen, waarvoor hij inspiratie vond in Italië, en ook wat stillevens en portretten. Pas vanaf zijn veertigste maakte Escher "Escheriaanse" prenten. Hieronder volgt een opdeling van de onderwerpen die typisch zijn voor Escher. De opdeling is artificieel, dekt niet alle prenten, heeft overlappingen en er zijn ook andere opdelingen gepubliceerd.
Met regelmatige vlakvulling bedoelt men een prent die volledig gevuld is met gelijkvormige figuurtjes die elkaar nergens overlappen. Escher inspireerde zich hiervoor op de Moorse kunstwerken zoals hij die zag in het Alhambra in Spanje. In de Moorse kunstwerken waren de figuurtjes abstract, maar bij Escher stellen ze herkenbare dingen voor (meestal diertjes zoals reptielen, vissen en vogels). Soms transformeren de figuurtjes (bijvoorbeeld van vissen in vogels) zoals in de prenten Metamorfose I (1937) en Metamorfose II (1939-1940, 4 meter lang), welke uiteindelijk samen werden verwerkt en uitgebreid tot de verlengde versie Metamorfose III (ontwerp 1968, voltooiing en onthulling 1969) die in het toenmalige hoofdpostkantoor vanDen Haag met behulp van een diaprojector en met de hulp van schoolkinderen en huisschilders op doek geschilderd werd. Dit doek heeft in totaal een spanwijdte die achtenveertig meter bedraagt. Door ingrijpende verbouwingen van het pand was er geen plaats meer voor. Het heeft sinds 7 januari 2008 een nieuwe bestemming gekregen in Lounge 4 van Schiphol
Andere voorbeelden van prenten waarin regelmatige vlakvulling wordt gebruikt zijn Lucht en water I, Lucht en water II en Dag en nacht. Escher maakte veel prenten met regelmatige vlakvulling en het bleef lange tijd een vruchtbare bron van inspiratie.
Een voorbeeld hiervan is de prent Tekenen. Enerzijds lijkt het alsof Escher een afbeelding heeft gemaakt van een eerste driedimensionale hand, die een tweede, tweedimensionale hand tekent, anderzijds lijkt het alsof de eerste hand juist tweedimensionaal is, en getekend wordt door de tweede hand, die driedimensionaal is. Een ander voorbeeld is Prentententoonstelling, waarop een man naar een prent kijkt waarop hij zelf afgebeeld is. Reptielen is een combinatie van regelmatige vlakvulling en de relatie twee dimensies - drie dimensies: Escher beeldt een openliggend schrift af, waarin een regelmatige vlakvulling getekend is, maar een van de reptieltjes in de regelmatige vlakvulling stapt uit het schrift en maakte een toertje op de tafel.
Een voorbeeld hiervan is Klimmen en dalen. Op deze prent lopen mensen op een soort wenteltrap met maar één wenteling, maar waarvan begin en einde aan elkaar zijn vastgemaakt, zodat de mensen steeds kunnen klimmen zonder ooit hoger te geraken. Andere voorbeeldjes zijn Belvedere, waarop een onmogelijke kubus wordt afgebeeld, en Waterval, waarop een onmogelijke driehoek wordt afgebeeld.
Escher had een voorkeur voor eigenaardige gezichtspunten. Een voorbeeld is Boven en onder, waarop eenzelfde tafereel vanuit twee verschillende gezichtspunten wordt bekeken.
Voorbeelden hiervan zijn Cirkellimiet I, II en III, en Vierkantlimiet. Deze voorbeelden zijn allemaal regelmatige vlakvullingen, maar aan de randen worden de afgebeelde figuurtjes steeds kleiner, zodat er uiteindelijk schijnbaar oneindig veel figuurtjes afgebeeld zijn. Ringslangen is een ander voorbeeld hiervan.
Een voorbeeld hiervan is de prent Drie werelden; de drie werelden zijn: de bomen die weerspiegeld worden in de vijver, de bladeren die op de vijver drijven, en de vis die erin zwemt. Escher was ook gefascineerd door spiegelingen. In het werk van Escher vinden we dus veel kleurcontrast, structuur, symmetrie en spiegelingen terug.
Het is soms niet duidelijk of iets juist dichtbij of ver weg is, zoals in het werk Hol en bol.
Zijn gravures verbeelden vaak onmogelijke constructies, studies van oneindigheid en in elkaar passende geometrische patronen die geleidelijk in volstrekt verschillende vormen veranderen. Vele van de werelden die hij tekende zijn ontworpen rond onmogelijke objecten zoals de Necker-kubus en de Penrose-driehoek. Escher ging vaak uit van regelmatige betegelingen vanveelhoeken die door uit- en instulpingen mensen, dieren en andere figuren voorstelden.
De kristallografe Caroline MacGillavry bracht Escher in contact met de wetenschappelijke wereld en organiseerde tentoonstellingen van zijn werk op wetenschappelijke congressen. Haar publicaties over Escher maakten hem bekend in de VS. De meetkundige Donald Coxeter maakte een studie van Eschers werk.
27 maart 1972 – In een speciaal tehuis voor bejaarde artiesten stierf een van ‘s werelds beroemdste grafici, M.C. Escher, op 73-jarige leeftijd.











