Naar de inhoud

Meises erfgoed

Keizerlijk Meise
akke.beakke.be
Sib, de orde van de autochtone Meisenaars, verzamelt alles over het historische Meise

Archief

377 De Verengide broeders

377 De Verenigde Broeders

Uit een nota me welwillend overgemaakt door de heer Victor Amerijckx (+), sinds 1930 muziekbestuurder van de Verenigde Broeders :
Deze fanfare is gegroeid uit een zangkoor “Koor en zangmaatschappij De Verenigde Broeders opgericht op 10 maart 1875.  Tien jaar later werd dit zangkoor omgevormd tot een trompettersgroep, die in 1898 uitgebreid werd tot een fanfare, die nog hetzelfde jaar bevorderd werd tot Koninklijke fanfare.
In 1908 bestond de fanfare uit 12 muzikanten.
Het vaandel en vele instrumenten werden geschonken door het Huis van Keizerin Charlotte.  Slechts enkele leden hebben hun instrument betaald.
Deze fanfare nam deel aan tientallen braderies en bij dergelijke gelegenheden en feesten droegen de leden een kenmerkend kostuum (witte broek en groene jas, de kleuren van Meise) dat veel bijdraagt tot het succes.  Zo veroverde deze fanfare te Elsene een erevlag met kunstpenning.
Ze nam aan talrijke muziekwedstrijden deel en behaalde vele eerste prijzen en onderscheidingen, zelfs de driejaarlijkse premie in het muziektornooi van de provincie Brabant in 1947 te Vilvoorde, eveneens een tweede prijs in de internationale wedstrijd te Itegem (1952).
In 1925 werd het 50-jarig bestaan gevierd met een luisterrijk festival, waaraan 12 muziekmaatschappijen deelnamen.
In de schoot van de fanfare werd de toneelvereniging “De Morgenstar” opgericht, maar die werd door onbeg rip in 1961 opgedoekt.
de oorlogsjaren zorgden voor het lam leggen van de activiteiten.
In 1975 werd voor de vereniging een grootscheepse viering van haar 100-jarig bestaan op touw .  Daar werden verdienstelijke dirigenten herdacht gezet Boddaer Philippe en Leon Maes.
De fanfare bezit een vijtigtal medailles behaald op festivals, waaronder drie prachtige erepenningen van de stad Antwerpen.
Op het vaandel staat vermeld :
het stichtingsjaar 1875
de nationale zinsspreuk
en naam “De Verenigde Broeders”.
Victor Amerijckx zwaaide gedurende 37 jaar lang met kunst en kennis de dirigeerstok.  Daarna kwamen Pierre Van Regenmoorter, Willy Ivens en Marc Van Hoorick.
Vanaf 1991 schaaft Roger Moens opnieuw met succes aan de verfijning en vervolmakins van de vereniging.
Met vallen en opstaan : met voorspoed en tegenslag : met eerste prijzen van uitmuntendheid en “last but not least” de brand van ons lokaal “Manneke Pis”.  Wij bleven achter met een verschroeid vaandel, zonder trom en een fanfare met enkele muzikanten zonder instrumenten.  Maar waar een wil is, is een weg en voor vele noeste muzikanten betekent een tegenslag een spoorslag, een aansporing tot “beter” doen, beter slagen, een detonateur voor topprestaties.

Voorzitters van 1908 tot 1918 H.Puttemans
                        1919 tot 1946 : Emile De waet
                        1947 tot 1950 : Joannes Van Humbeeck
                        1950 tot 1955 : Emiel Verlinden
                        1955 tot 1978 : Jozef Van Humbeeck
                        1978 tot 1979 : Frans Van Dorpe
                        1979 tot 1993 : Raymond Leemans
                        1993 tot heden : Paul Cleynhens
Baron d’Hoogvorst werd als eerste erevoorzitter aangeduid.

Huidig en laatste bestuur:
Voorzitter Paul Cleynhens                           
Erevoorzitters : Jean Van Dievoet en Raymond Leemans
Secretaris : Louis Amerijckx
Penningmeester : Marcel Van Seghbroeck
Bijzondere leden : André Huon, Walter Van vlasselaer, Mark Maes en Anja Amerijckx

De vereniging gaat er fier op de hedendaagse secretaris-generaal van het “Koninklijk Muziekverbond van België” Louis Amerijckx sinds meer dan 45 jaar in haar rangen als secretaris en muzikant te mogen tellen.

Bijnaam :
ressen (graszoden, verwijst naar de band met het domein van Boechout)
            (spotliedje : van met St.-Antonius is ’t geleden dat zij zaten met zes aan ene res)

Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door Jef De Cuyper om 09:08 Reageer op dit bericht

376 De muziekverenigingen

376 De muziekverenigingen
De twee fanfares “De Verenigde Broeders” en “Concordia” waren gedurende vele jaren de bijzonderste aantrekkingspolen van het dorpsleven.  Ze vormden de kern van de partijpolitieke groepen.
Er was ook nog een gelegenheidsfanfare, waarin de twee concurrenten broederlijk samen speelden op de vaderlandse plechtigheden : de Oud Soldaten (Koninklijke Maatschappij der Gewezen Soldaten van het Belgisch Leger)
Deze toestand was niet enkel een kenmerk van Meise.   In de meest landelijke gemeenten, waren de fanfares de spil om dewelke de dorpspolitiek draaide.
Het was de negatie van het gezegde : “de muziek verzacht de zeden”, want de fanfares bliezen het vuur van de dorpstwist aan.  Dikwijls waren ze instrumenten van geïnteresseerde geldschieters.
Naarmate het cultuurniveau en de persoonlijkheid van de inwoners stegen en de welvaart toenam is de onderlinge strijd tussen de fanfares gaan luwen en we hopen dat het tijdperk van de vreedzame samenleving in een geest van verdraagzaamheid en wederzijdse eerbied nu definitief gevestigd is.  Deze fanfares hebben hoge uitgaven en daarom komt het gemeentebestuur tegemoet door het toekennen van subsidiën.  De muziekmaatschappijen verlenen hun medewerking bij bepaalde gelegenheden als processies, gemeentelijke feesten en plechtigheden.

Hoe vind je dit bericht? 1 stem
Geschreven door Jef De Cuyper om 09:02 Reageer op dit bericht

375 Pastoor ... beet genomen

375 De goedhartige pastoor  … beet genoemen.

D.J.Delestré verhaalt in “Eigen Schoon “ 1ste nummer 01967, het bezoek van drie Franse soldaten bij de pastoor van Meise:
“Den 15 november 1792, op een zaterdag zijn er bij ons tot Meys omtrent 11 uren drie Franse soldaeten gekomen die vroegen “un coup de bière” (te drinken).
De pastoor liet ze komen in de keuken en zij waeren heel beleefd.  Zij begosten veel nieuws te vertellen bijzonderlijk van de bataille (slag) omtrent Bergen.  De pastoor gaf hun een boterham en een glas bier en hoorde nogal geerne hetgeen zij vertelden maar hij en wist niet wat deugnieterij er achter stak … Als ze bezig waeren met eten, vroegen zij ook wijn en hebben een caffron gedronken.
Een van de soldaten hield de pastoor aan de klap … de anderen verlieten de keuken.
Deze gingen eerst naer de zolder, vandaer in de kleine kaemers boven waer één paer waggenen hingen, die zij mede namen … seffens gingen zij naar ’t scribaen (in de schrijfkamer) waarin wel 500 guldens was een deel van hem, een deel van de kerk en de rest van de arme.  Geluk dat de knegt hen in de kamer had zien gaan .  Zonder dat hadden zij weg geweest met de 500 guldens.
De knegt vermaende de pastoor in de keuken die aanstonds boven liep en hen bezig vond met het eerste kaske te rooven waarin het geld was van de kerk Solvo 100 guldens.
Hij bad hen van het geld daer te laeten zeggende dat het van hem niet was maer van de kerk.  Zij lachten met hem ende lieten niet een oord inj.
Daermede gingen zij beneden bij hun ander compagnon, dronken nog een keer, naemen hun afscheyd van de pastoor en bedankten hem voor zijn vriendelijk onthael”.
Het spel was gespeeld aan de klap en de andere luist hem af.  Dat gebeurt in alle oorlogen en in alle tijdenvolgens de klassieke methode – de ene houdt de baas - ook in onze dagen.

Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door Jef De Cuyper om 11:02 Reageer op dit bericht

374 Georges van Wemmel e.a.

Georges Van Wemmel

Hij was pastoor van Meise en schreef in 1661 de geschiedenis van de abdij van Grimbergen.  Spijtig genoeg is dit werk zoek geraakt.

Van Soltem

Hij was pastoor van Meise, geboren 6 juni 1698 te Brussel – overleed 8 mei 1750 te Meise.  Auteur van twee nederlandstalige treurspelen : Pygmalion en Astarte.  Hij schreef eveneens een toneelspel ter ere van het H. Saktrament van Mirakel.

Norbertus Heylen

Wij zijn veel dank verschuldigd aan deze onderpastoor van Meise in 1790, voor de talrijke notities over zijn belevenissen tijdens het Franse bewind en over de verdrukking en de tergingen welke onze bevolking te verduren kreeg.
Norbertus Heylen was tijdens de besloten tijd pastoor van Grimbergen.  Dit handschrift wordt bewaard in de abdij van Grimbergen.  D.J.Delestré geeft volgende levensschets :
“Pastoor Norbertus Heylen werd geboren op 11 oktober 1753 te Veeweide-Anderlecht waar zijn vader een smidse had.  De familie was afkomstig uit de Kempen doch verwant met vele Brabantse families.  Hij trad in de Norbertijnerabdij te Grimbergen de 25 mei 1776, werd geprofest op 18 oktober 1778, priester gewijd 4 jaar daarna in Mechelen.
Hij was eerst onderpastoor – coadjutor te Strombeek, werd onderpastoor te Meise benoemd op 4 november 1790 in de Patriottentijd.  Op 16 juli 1795 werd hij pastoor te Grimbergen en maakt de besloten tijd mee.  Van hoeve tot hoeve moet hij vluchten, verbleef enige tijd op ’s Gravenmolente Grimbergen en ging toevlucht zoeken bij Peke Van Beneden, aan de Bruinborrebeek.  In 1801 mocht hij terug naar zijn pastorij die hij eerst in 1818 verliet om wat rustiger te leven te St.-Brixius-Rode, alwaar hi jten Here ging  op 13 februari 1825."
Hij heeft ook deel genomen aan de Boerenkrijg, aan die moedige en bovenmenselijke strijd van onze jongens tegen het militair gezag dat hen opeiste om dienst te nemen in het Franse leger.

Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door Jef De Cuyper om 10:28 Reageer op dit bericht

373 Daniël Bellemans

373 Daniël Bellemans
Hij was kapelaan te Meise en werd Norbertijn van de abdij van Grimbergen.
Zijn dichtbundel “Den liefelijcken Paradijsvogel” dateert van 1670.  In dit jaar verscheen eveneens zijn “Citherken van Jezus” – spelende zestig nieuwe liedekens op jet groot jubilé van het H. Sakrament van Mirakel te Brussel.
Toen priester Bellemans nog de zending van kapelaan waarnam werd hij aangeduid tot rechter in een familiegeschil.
Het scheidsgerecht was destijds de koerante procedure.
Wanneer een betwisting oprees in een gezin of tussen geburen dan werd door beide partijen een scheidsgerecht aanvaard.  Nu lopen de mensen naar de vrederechter om hun geschil, hun twist te beslechten.  Ik citeer uit de voornoemde studie een verzoek tot samenstelling van een scheidsgerecht.  Aldus heeft meneen kijk in de vroegere gebruiken en gewoonten met betrekking tot een scheidsrechterlijke beslissing : “In naem ons Heeren –Amen.
Wij onderscreven Jan Tielemans ende Guilliam Sone Jans om te neder te leggen alle verschil ende processen aengaende ’t huys, cam (bouwgereedschap) ende hof van Jan Tielemans op  hetwelck sijnen soon Guilliam eenige pretenties heeft ende om metter minnen te accorderen hebben ghekosen ende kiezen mits deze voor arbiters den heer Daniël Bellemans, onderpastoor van Meys, Lauwereys Hanssens, pachter van Rode, ende Jan Bettens, boschmeyer, ende stellen onse Sacken in hunne handen om deselve te modereren ende beloven hunne ordinantie te onderhouwen met eet”.
De vertegenwoordigers van de twee  partijen bevestigen onder eed dat zij de beslissing van de scheidsrechters zullen naleven.
De beslissing was : de zoon Guilliam mag het huis bewonen en het gereedschap gebruiken mits huishuur te betalen.
De familienamen, en zelfs de doopnamen klinken niet vreemd voor ons, want de namen Tielemans, Bettens behoren tot de oudste stammen van Meise.
Priester Bellemans is naar Nederland uitgeweken waar hij tot pastoor van Horssen werd benoemd.  Hij stierf er in de ouderdom van 32 jaar – in 1674.  Ik kan deze rubriek niet sluiten zonder enkele namen van schrijvers te vermelden.

Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door Jef De Cuyper om 09:12 Reageer op dit bericht

372 Frans Van den Vekene

372 Frans Van den Vekene
Geboren te Meise.  Schreef in 1644 een dialogisch gedicht”Sint Martinus en de bedelaar”.
Pastoor Delestré meent dat, oordelend naar de schrijfwijze, dit gedicht ouder is dan de vermelde dagtekening (1644).  Waarschijnlijk werd het geschreven met de bedoeling de processie op te luisteren.
In processies en ommegangen kwamen samenspraken tussen akterende groepen meermaals voor, ten einde deze feestelijkheden glans bij te zetten en er de aantrekkingskracht van te verhogen.
De tekst van dit gedicht ter ere van de patroonheilige Sint-Martinus werd overgenomen uit Eigen Schoon en de Brabander.
De woorden van de heilige Martinus geven een diep kristelijke geest weer.
Bij zijn broederlijk delen brengt hij hulde aan de Heilige Drieëenheid, maar hoofdzakelijk “door de wille des Vaeders meest”.

Martinus en de bedelaar

-O Vrindt Goedts, staet vast en Stille
Ick sal U doen naar mijnder macht ende wille
als een christen ridder, syt bedacht soet.
- Maar ick hebbe in den buydel noch qaet noch goet
Siet noch spijs noch dranck
die U mocht commen tot uwer baeten ofte assistenties
Dus vrindt, wil toch verdragen patientie.

-Ick bidde U Heere, door uwe excellentie
Wilt toch uw gratie op mij toogen
want ick tot geen werk mij can gepoogen
door die cranckeyt mijnder leden
Ick bidde U, Here wilt toch yet aan mij besteden
daer ick mijn naectheyt mach mede bedecken
O wilt U doch tot geven eender aelmoesse versteckenOch mijnen vrindt wildt dit beseven
dat ick nyet en hebbe om Charitate te geven
Dus wilt U den Almogende Godt
Syne gratie houden (jonnen)

-En suldt ghy mij niet helpen comen
ick armen bloet, dus mach ik wel cermen
ick bidde U, O edel Heere, wilt toch mijns hulpich wesen
ende wilt mij arme creature ontfermen
oft ick moet vergaen, elacie, wachermen
Dies ben ick bevreest.

-Nu door den willen des Vaders meest
Ende die wysheyt van Godt synen lieven soene
ende die goedertierenheyt des Heylich Geest
Wil ick U schenken die helft van mijnen Cleede
Dus trecke ick mijn sweert uytter schede
ende wille daermede mijn lichaem ontdecken
Houdt wat op vrindt Godts

Want tot deser plaetse
en can ick U andere nyet behulpich wesen
d’eene hellicht van mijnen mantel
schenke ick U by desen
dies vrindt gepresen
nempt dit in danck
nu wel oorloft : hiermede den ganck.

-Adin ! Adin ! Adin ! O Edele Heere
Dus bedancke Ick U seere
inder eeuwigheit
Sy U vreught ende eere.

T. Van den Vekene 1644

Hoe vind je dit bericht? 2 stemmen
Geschreven door Jef De Cuyper om 09:19 Reageer op dit bericht

371 Oude dichters van Meise

371 Oude dichters van Meise

In een studie gepubliceerd door pastoor D.J.Delestré in Eigen Schoon en de Brabander, ontdekken we interessante nota’s over “Oude dichters te Meise” die meldenswaard zijn en passen in het kader van deze historische reminiscentie.

Willem Van der Elst 1570 - 1647

Geboren te Meise.  Zijn ouders waren landbouwers zoals de meeste inwoners van Meise.  Hij werd tot priester gewijd.  Over zijn curriculum vitae weten we zeer weinig.  Nochtans staat het vast dat hij tot pastoor van Boeckhoute (Gent) benoemd werd.
Priester Van der Elst schreef “Gheestelijke gedichten” – ter perse gelegd in 1622.
Deze dichter moet een gunstige faam hebben genoten want in de “Verslagen en Mededelingen der Koninklijke Vlaamse Akademie” van oktober 1932 heeft Lode Baeckelmans een studie gewijd aan het werk van dichter willem Van der Elst.
Het geslacht Van der Elst was zeer verspreid in het Brabantse en genoot er veel aanzien.  De dichter heeft over zijn stam geschreven :
“Men konne daervan niet den ouderdom doen blijcken van ons vermaert geslacht noch daer oock naer en blijck maer roemen ons wel vrij omdieswil dat wij zijn van deughdelijck in wercken en in schijn”.
Baeckelmans somt eregedichten op die pastoor Van der Elst wijdde aan personen, onder andere aan “Jan Ceulens pasteur van Campenhout en Henricus Cuelens, pasteur van Geerdsbergen”.
Deze waren waarschijnlijk familieleden van Bernardys Croy en Leonardus Boodts, abdijheren van Grimbergen.

Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door Jef De Cuyper om 09:00 Reageer op dit bericht

370 Meise De Vidts

370 Het verloren handschrift

Mijn medewerker L. Van Hemeldonck heeft zich degelijk ingespannen en geen moeite gespaard om dit stuk terug te vinden.
Ik geef hier zijn studie gewijd aan dit belangrijk en intrigerend probleem van “het verloren handschrift”.
Op het voormalig kerkhof van Meise, rond de St.-Martinuskerk aan de kant van de rechterzijbeuk ligt in het plaveisel een enkele zerk.  Hij is rechthoekig, in arduin van niet al te beste kwaliteit en alleen aan de zijkanten enigszins versierd door lijnen in reliëf.  Het opschrift luidt :
- Ter zaliger nagedachtenis van de Eerwaarde Heer Emmanuel Franciscus De Vidts, overste en leraar van het Klein Seminarie van Hoogstraeten, Schrijver van de geschiedenis van Meysse (wij onderlijnen) alhier geboren 4 juli 1812 overleden te Thienen den 21 Augustu 1872.- Elk bewust dorpsgenoot stelt belang in het verleden van zijn omgeving … en zou dan ook meer willen weten over deze geschiedenis.
Maar hier begint het spel.
Normaal zal hij zich wenden tot onze parochiale biblitheek doch het gewenste werk komt spijtig genoeg niet voor in de boekenlijst.
Ietwat ontgoocheld wendt hij zich tot een der oude ingezetenen van wie hij weet dat hij belangstelling voelt voor dergelijke zakzen en dat hij gravures, uittreksels en hand schriften over het in vroegere jaren gepubliceerde bijhoudt.
Helaas!  Niemand is in het bezit van een exemplaar van deze “geschiedenis” en weet evenmin waar men er een zou kunnen vinden.
Dan maar naar de Koninklijke Bibliotheek in Brussel getrokken waar men de meeste kans heeft zeldzame werken te treffen, doch hoe vriendelijk de heer hoofdbibliothecaris ook alle opzoekingen laat verrichten : geen spoor van een dergelijk werk noch nu, noch in het verleden.
Van dit ogenblik af is men gedwongen als waarschijnlijk te beschouwen dat deze “geschiedenis” niet in druk is gegeven geweest en dus niet het stadium van handschrift is voorbijgegaan.
Vandaar de titel van deze bijdrage. Vermits men toch in de Koninklijke Bibliotheek is dan vlug navraag in de afdeling manuscripten vanhet Rijksarchief.
Opzoekingen leveren wel een handschrift op over Ophem dat ook zijn nut kan hebben voor Meise op een bepaalde datum, maar een handschrift specifiek over Meise is niet te vinden.
Het blijkt ook niet mogelijk uit te maken of E.H. De Vidts al dan niet het staatsarchief geraadpleegd heeft, gezien de aantekeningen over de identiteit van de bezoekers en het dooel hunner opzoekingen slechts na het overlijden van de schrijver begonnen werden.

Een navraag bij Z.E.H.Archivaris van het Aartsbisdom levert een biografische nota op over onze geschiedschrijver, doch niets over deze pennenvruchten. Dan maar aangebeld bij Z.E. Superior van het Klein Seminarie in Hoogstraten :jawel, priester De Vidts heeft hier gefungeerd, zijn naam is hier in de herinnering gebleven, maar van “geschiedenis” of “handschrift” weet men niets af.  Een nuttige aanduiding evenwel : in 1849 heeft E.H. De Vidts het ambt van superior neergelegd en is tot 1851 op rust geweest te Meise, naar alle waarschijnlijkheid in het ouderlijk huis.  Dit wordt bevestigd door het feit dat hij op 17.3.1850 optreedt als peter van het vierde kind van zijn broer Judocus – Bernardus, kind dat dan ook naar zijn peter, Emmanuel genoemd wordt.
Men mag hieruit besluiten dat het in de tijdspanne 1849-1851 is dat de geschiedenis van Meise geschreven werd of minstens de gegevens daartoe verzameld.  Het is overbodig erop te drukken dat de omstandigheden daartoe gunstig waren :nog talrijke burgers waren in leven die het Oostenrijks regime, de patriottenstrijd, de Franse revolutie, napoleon, het Hollands bewind, de onafhankelijkheid beleefd hadden.  Verder bestonden toen nog talrijke archiefstukken welke thans verloren zijn gegaan of niet meer bereikbaar.
De abdij van Grimbedrgen heeft steeds vooraanstaande archivarissen gekend en zich immer met haar voormalige parochie Meise ingelaten;  priester De Vidts is alhier nog door de laatste witheer-pastoor Margé opgeleid geworden..  De naamtrek van E.K.Delestré komt trouwens voor op vele oude stukken die nog tot voor onlangs op de pastorij alhier voorhandig waren. Een navraag te Grimbergen geeft geen enkel positief resultaat, wel een negatief.
E.P. De Meyer, huidig archivaris, heeft kennis van een aantekening daterend van 1901, en volgens dewelke het opgezochte handschrift toen reeds beschouwd werd als zijnde verloren gegaan, minstens zoek geraakt.  Normaal blijft er dan geen enkele weg meer over dan na te gaan wat er met de nalatenschap van priester De Vidts is gebeurd, gezien deze laatste weldegelijk als de bewuste schrijver geïdentificeerd werd op het ogenblik dat zijn nabestaanden de grafzerk met bedoeld opschriftlieten plaatsen.  Alhoewel n och het Aartsbisdom, noch het Klein Seminarie kennis hadden van een testament, was dit wellicht hier op de parochie gebleven ten gevolge b.v. van een stichting van een jaargetijde of iets dergelijks ?   Zoals steeds was onze Z.E.H.Pastoor bereid inzage te laten nemen van het kerkarchief der vorige eeuw … en hier kwam een klein lichtpunt!
Op 2 april 1873 wordt door notaris Emile Possoz ter standplaats Wolvertem een akte verleden waardoor de genaamde Van De Zande Emmanuel, landmeter (in het bevolkingsregister van 1875-1866 staat hij ingeschreven met “menuisier” van beroep, verblijvend te Meise, een gift verricht van zeshonderd frank obligaties Belgische schuld 4,5 % aan de kerkfabriek van Meise, onder bedinging dat ten eeuwigen dage in onze kerk drie jaargetijden zouden gecelebreerd worden, ten eerste voor de zielerust van de oom van de gever wijlen priester Emmanuel François De Vidts, het tweede voor de zielerust van de ouders (deze twee jaargetijden te zingen in februari, telkens met de uitdeling van het brood aan de arme), het derde voor de zielerustvan de broeders en zusters van de priester.  Volgens een inschrijving in het parochieregister der fondatiën had deze laatste kerkelijke dienstde vom van een mis voor afgestorven “vrienden” van priester De Vidts, doch dit is waarschijnlijk een vergissing;  De gift werd namens de kerkfabriek aanvaard door Pierre Joseph Van Dievoet, boomkweker van beroep en schatbewaarder van de Kerkfabriek; de stichting werd, zoals al de andere, door reductie getroffen na de sedert 1814 ingetreden muntontwaarding.
Ui t dit stuk mag met voldoende waarschijnlijkheid het besluit getrokkenn worden :
1. Dat priester De Vidts zef geen testament gemaakt heeft; hiertoe was hij door de aard van de ziekte, welke hem meermaals en vooral in zijn laatste levensjaar getroffen heeft, weinig geschikt;
2. Dat de stichting zeker een laatste wilsbeschikking van onze priester was,
3. Dat zijn neef, Emmanuel Van de Zande kan beschouwd worden als hebbende hoofdzakelijk de nalatenschap van onze priester beredderd enhet dus aangewezen is in zijn spoor het bewuste handschrift op te zoeken.
Het is echter alleszins noodzakelijk van de familieverhoudingen van De Vidts vast te leggen op het ogenblik van en na het overlijden van de priester.
De familie De vidts (met nadruk op De, want het is een vervorming van Davidts, de zoon van David, voornaam zonder Joodse invloed) stamt uit Grimbergen en vestigt zich te Meise in 1765, alwaar op 2.12.1768 geboren wordt De Vidts Gerard, vader van onze priester; hij is bakker, winkelier en landbouwer, bovendien onder het Franse regime “agent municipal” of “maire”; later wordt hij eerste schepen, om het burgemeesterschap te laten aan Baron van der Linden d’ Hoogvorst, en woont naast de pastorij, waar thans de slagerijn staat. ……………??
Op 11.6.1794 huwt hij Anna Van Doren, dochter van de koster, die hem 4 kinderen schenkt, vooraleer op 2 brumair jaar XII (5.11.1803) te overlijden. Van deze vier kinderen blijft slechts één in leven, de oudste Cornelia, geboren12.6.1795, die op 6.3.1822 in het huwelijk treedt met haar neef Van de Zande Etienne of Stephane, hovenier en herbergier, later gemeenteontvanger en onderwijzer.  Doch opgepast, het is niet de tak Van de ££Zande die de hoger aangehaalde stichting van jaargetijden verricht heeft, maar deze die talrijke agenten in openbare dienst (gemeentesecreatris, onderwijzer, gemeenteontvanger enz.) geleverd heeft hier te Meise en elders.  Zij overlijd op 12.1.1861.
Op 28.1.1807 gaat Gerarde De Vidts een tweede huwelijk aan met Huysegoms Elizabeth uit Grimbergen “landbouwster” geboren 1.3.1771.  Zij overlijdt 12.1.1861.
Kinderen uit dit huwelijk :
1. Joanna Catharina ° 18.11.1807, x Van de Zande Carolus Josephus, meester – schrijnwerker (dit is de goede tak) die + 29.6.1872
2. Maria Catharina, ° 6.3.1809, x 4.1.1845 Robberechts, landbouwer te Kapelle-op-den-Bos en verdwijnt uit Meise
3. Charles, ° 5.11.1810, bakker, + 21.12.1831 “ten huize van zijn moeder” 4. Emmanuel Franciscus, onze schrijver
5. Judocus Bernardus, ° 18.9.1814, bakker en gemeenteraadslid sedert 1848, + 18.9.1851 en laat 4 kinderen na : Josephus ° 30.7.1844, Maria Elisabeth ° 22.3.1846, Petrus 27.3.1848, Emmanuel 17.3.1850.
Te Meise waren dus mogelijk als nabastaanden van onze schrijver op het ogenblik van zijn overlijden :
a) de kinderen van zijn  overleden halfzuster Cornelia
b) zijn zuster Joanna Catharina met haar kinderen, waarvan de oudste in leven de stichter is der jaargetijden Emmanuel Van de £Zande, die tevens petekind en naamgenoot is van de schrijver.  Inderdaad is deze opgetekend als peter in de doopakte van 1.8.1843, met de titel van superior van het Klein Seminarie in Hoogstraten.  Niet aanwezig zijnde
te Meise op dat ogenblik – het huidig ritje Hoogstraten – Meise was toen een hele expeditie – werd hij vervangen (zoals in de doopakte formeel verklaard wordt – door lappeter Stephaan Van de Zande, zijn half – oom, waarvan hoger sprake)
c) de kinderen van zijn  overleden broeder Judocus – Bernard
Hoe was de samenstelling van het gezin dat verbleef in het vaderlijk huis van onze priester ?
Zijn moeder bleef in leven tot 1861, stond te boek als rentenierster en woonde in wijk A nr. 33 naast de pastorij.
Volgens het eerste bevolkingsregister gaande van 1847 tot 1856 vinden wij bij haar :
Haar zoon Judocus – Bernardus die stierf in 1851, haar schoondochter Robberechts Marie Elisabeth die stierf 18.2.1852, 30 jaar oud en met een tussenpoos van enkele maanden haar echtgenoot volgt in het graf.  De vier kinderen van de overleden echtgenoten staan ingeschreven bij hun grootmoeder, de moeder van de priester.
In het bevolkingsregister 1857 -1866 vinden wij voor dezelfde woning : Huysegoms Elizabeth weduwe De Vidts Gerard, moeder van de priester + 12.1.1861, De Vidts Joanna Catharina, haar dochter, volle zuster van de priester, 4 kinderen van dit gezin, neven en nichten van de priester, waaronder stichter Emmanuel.
Elisabeth en Pieter De Vidts, wezen van Judocus Bernardus, nicht en neef van de priester; Josephus heeft reeds de vrijheid gekozen en zal later aan lager wal geraken; van Emmanuel op dit ogenblik geen spoor, doch hij zal later de voetstappen drukken van Josephus, zoals trouwens Pieter.
Het bevolkingsregister 1866 – 1880 geeft steeds voor hetzelfde huis :
De Vidts Joanna Catharina, zuster van de priester;
Van de Zande Carolus Josephus, haar man, zwager van de priester, komt voor deze te overlijden op 29.6.1872.
Hun 3 nog in leven zijnde kinderen , waarvan Emmanuel, de stichter, de oudste is en de enige man.
Van de weeskinderen De Vidts is er geen spoor meer.  Inderdaad zijn De Vidts Elisabeth en De Vidts Pierre in december 1964 overgeschreven naar Brussel, doch blijken later hun onderstandsdomicilie te Meise bhouden te hebben, wat doet veronderstellen dat zij in een wezenhuis opgenomen werden.
Onder deze omstandigheden is het als vast staand te beschouwen dat, toen onze schrijver einde augustus 1872 overleed, zijn nalatenschap nbeheerd werd door zijn neef en petekind Emmanuel Van de Zande en dat in die richting het verloren ha ndschrift moet gezocht worden.
Wat is er met Emmanuel Van de Zande, zijn moeder en zijn twee zusters gebeurd ?  Zij hebben Meise verlaten en hiermede verdween de naam De Vidts uit Meise.
Een der dochters Maria Catharina Van de Zande wordt overgeschreven naar St.-Gillis Brussel op 12.5.1875.
De moeder, zuster van de priester en laatste alhier met die naam, gaat met haar dochter Anna Maria naar St.-Jans Molenbeek op 10.8.1877; Anna Maria was toen 30 jaar oude, ogenschijnlijk ongehuwd en dit is ze wellicht gebleven.  Ten slotte emmanuel Van de Zande, vermoedelijk houder van het handschrift, gaat eveneens naar St.-Jans Molenbeek op 20.7.1880, wellicht zijn moeder en zuster vervoegend.
Daarna is men hun spoor bijster; getracht zal worden iets meer te vernemen op het gemeentebestuur van St.-Jans Molenbeek; Emman uel Van de Zande was toen 37 jaar en praktisch zeker vrijgezel.
Nog een klein lichtpunt : alhoewel voor goed uit Meise weg (het ouderlijk huis werd ingenomen door de kostersfamilie Joos) werd toch niet alle contact verbroken : Maria Catharina Van de Zande, hoger vermeld, ° 4.10.1851, op 12.5.1875 naar St.-Gilles gegaan, is niet ongehuwd gebleven.  Als weduwe Van Ghiest Gustave + 8.1.1920 heeft zij een legaat van Fr 6.000 gemaakt aan het toenmalig Weldadigheidsbureel van Meise; wellicht geeft dit nog enige aanduiding ?
Hier eindigt de inventaris van wat hier te Meise of zonder te veel moeite elders tot nog toe is kunnen vernomen worden en in verband gebracht met het verloren handschrift.
Met dank zou alle bijkomende aanduiding in ontvangst genomen worden en alle verdere medewerking ter zake van harte begroet.

Hoe vind je dit bericht? 1 stem
Geschreven door Jef De Cuyper om 08:59 Reageer op dit bericht

369 De schatten van de gilde

369 De schatten van de gilde

Braak : Deze halsketen, ereteken van de Koning van de Gilde, werd verfraaid dank zij de steun van Lodewijk de Albert, heer van Grimbergen, erfrechtelijke voorzitter van de gilde.
In het vermeld verslag deze bewering : “De braak van de Sint-Sebastiaansgilde van Sint-Brixius-Rode dateert van het einde der XVIde eeuw en is wellicht een van de oudste van heel de streek, eveneens de gilde”.  Hier moet een parallel getrokken worden met de braak van de gilde van Meise, die een erepenning heeft met het jaartal 1597.
Vlaggen : De gilde bezit twee vlaggen.  De oudste dateert van 1854, de andere van 1905.
Beker : draagt het wapenschild van de schenker Baron Vander Linden d’ Hoogvorst en het beeld van een hert met stralend kruis tussen het gewei.
Een andere beker met inschrift : Koning van Brabant Gooiek september 1958.
Oud gildenboekje, tinnen pot, wandschotel en gedenkpenningen.  Op 11 juli 1960 werd de titel van Koninklijke Maatschappij verleend aan onze oude gilde.
In genoemd verslag lees ik deze plezierige anekdote :
De kermis van Rode in 1798, verteld door pastoor Heylen : In augustus 1798 is er overal afgekondigd (door het bezettende Franse revolutiebestuur) dat men op zondagen geen “Speelman mocht houden en niet mocht dansen”.  Ondanks het vermeld verbod hebben we de “speelman” doen komen en ’s achternoens is men daar lustig aan ’t dansen gevallen.
Half achternoen heeft de Commissaris van Grimbergen “Bresson” zes soldaten naar Rode gezonden.
In de eerste herberg waar ze aankwamen was men “snarig” bezig met dansen.  Men gaf de soldaten te drinken.  Zij droegen hen geen dansen aan.Vandaar gingen ze naar de andere herbergen, wierden daar ook wel gedaan en lieten alles passeren.  Tegen de avond waren ze goed “besnoven”, keerden terug naar de eerste herberg en wilden het dansen beletten en dan kwam er ruzie zonder erge gevolgen.
Eveneens uit voornoemd verslag : verkoop van kerkmeubelen in 1799.
In november 1799 werden de kloosters en kapellen verkocht (niet de parochiekerken), zo lezen we in de geschriften van pastoor Heylen – Grimbergen.
“Kapel van Rode heeft ook geplekt gestaen en met voorwaarde van voor drie maand afgebroken te worden.  Die van Rode hebben dan een verzoekschrift opgestuurd zeggende dat hun kerke geen kapel was, maar gelijk een parochiekerk, hebbende een kerkhof, een afzonderlijke koster en inkomsten en goederen voor de armen die afgescheiden zijn van die van Meise.  Dit verzoekschrift werd ingewilligd en de kerk van Rode is blijven bestaan.  Het was veilig te Rode.
“Wij hebben kunnen vaststellen dat het te Rode gedurende de Franse revolutie tamelijk veilig was.  Het bewijs : hier waren verschillende priesters verscholen wanneer de kerkvervolging het hevigst was en ook de vrouw van de commissaris Bresson vluchtte naar Rode wanneer de jongens van de Boerenkrijg te Grimbergen aan de slag waren in 1798”.
Deze laatste rubrieken hebben niets te maken met het gildeleven maar vermits ze overgenomen werden uit het verslag van de secretaris Frans Van Hoeck, hebben we geroordeeld dat, om elke verwarring te voorkomen, het best was deze gegevens hier in te lassen.

Hoe vind je dit bericht? 1 stem
Geschreven door Jef De Cuyper om 08:58 Reageer op dit bericht

368 St.-Sebastiaansgilde-Rode

368 De Koninklijke Sint-Sebastiaansgilde van Sint-Brixius-Rode

In het beiaardboekje “ Meise” (1951) lees ik deze overweging : “De  Sint-Sebastiaansgilde van Rode is wellicht van iets jongere datum” (dan die van Meise).
Ik durf dit niet te beweren, want het ontstaan van beide gildenzoals van vele andere ligt nog in het duister.  De geschiedschrijver  Gramaye verklaart in zijn “Antiquitates Belgicae” : “Sint-Brixius-Rode is beroemd wegens zijn oude schuttersvereniging” – deze tekst is verschenen in 1606.
Uit een verslag opgemaakt door Frans Van Hoeck kunnen we zeer interessante gegevens plukken. (Deze tekst werd op P.C. gezet door ondergetekende en door de huidige secretaris Van den Troost bijgewerkt).
De stichting van de gilde zou dateren uit de XVde eeuw – hij zet het jaar 1412 voorop, maar met een vraagteken.
“Vermoedelijk werd onze Sint-Sebastiaansgilde gesticht in de jaren 1400 of 1500 door de “Edele Prins de Berghes” die in die tijd een kasteel bewoonde in onze parochie.  Het kasteel behoorde bij het “Hof te Rode”.
In 1549 was de gilde aanwezig in de processie te Wolvertem.  In 1559, 1760, 1764, 1773 staat dezelfde vermelding, doch doorgehaald : de deelname was dus voorzien doch heeft niet plaats gehad.
Ook in augustus 1565 trok de gilde van Sint-Brixius naar het haagspel te Brussel en behaalde er prijzen.
De gilde kocht een weide, genaamd “Achterste Broeck”, groot een half bunder en een grond van vijftig roeden voor het bouwen van een gildenhuis (in de nabijheid van de wip staande op de eigendom van Leemans).
In de XVIIde eeuw werd het hoofdmanschap waargenomen door de heren die te Wolvertem woonden, namelijk de “La-Tour-Taxis”.
De ledenlijst is gekend tot 24.7.1655 toen E.Bulens de ouderman was.  Dit wil zeggen, het oudste lid van de gilde.
In het jaar 1911 hebben de leden de statuten van de gilde, die dateren van1620 volledig herzien en aangepast aan de behoeften van deze tijd.
De godsdienstige grondslag en het parochiaal karakter van de gilde is duidelijk omschreven in art.1 : “De Sint-Sebastiaansgilde heeft tot doel de Eerwachtuit te maken in de jaarlijkse processies en in de processie alle eerste zondagen der maand, in de kerk na de Hoogmis”.

Hoe vind je dit bericht? 1 stem
Geschreven door Jef De Cuyper om 08:59 Reageer op dit bericht

Meer van Meises erfgoed

↑ Terug naar de berichten