zijn als lentebloesems van de kersenboom
het voelen van de stevige stam en
het volgen van de lucht, ik verdwijn
in bladeren van: “ik zal je niet vergeten”
het gras is nog niet kaal gevreten
de schapen zijn nog niet gebracht
sprietjes kietelen mijn blote enkels
ik wacht, jouw stem, die bewondert, vertelt
terwijl mijn vingers in gedachten
het zoete sap likken, spreid jij een oude deken
nooit kersen kopen zeg je
zo van de boom, ongewassen in de mond
staat de hoge ladder met plukkorf
in het beeld van gisteren
de pachtplukker nog vreemd, een lieve man
die kersen delen zal, als de tijd rijp is