Naar de inhoud

de hort op

akke.beakke.be

Archief

10 april Ulldemolins

Het bed waarin we mogen slapen is smal, ze zouden zulke bedden verplicht (by law) moeten uitrusten met veiligheidsgordels, want voor je het weet lig je op de bedmat.  Vermoeide lichamen draaien en keren, als het ene draait veert het andere op en vice versa.  Maar een droomvolle slaap haalt het uiteindelijk op de nerveuze vermoeidheid. Ik kom Herman Brusselmans tegen in mijn droom. Hij is onze buurman in ons kleiner rijhuis in Melle en staat zonder pardon een put te graven in onze tuin.  'Wat staat gij hier te doen ?' vraag ik hem.  'Ik zoek Tania', zegt hij, 'mijn ex-schildpad'. 'Trouwens', vervolgt hij, 'kent gij mij niet ?' 'Jazeker ken ik u', zeg ik hem, 'gij zijt de vettige schrijver van Gent en uw vader is de vettige veehouder met de grote ecologische voetafdruk'.  'Juist', zegt hij verwonderd. 'Kent gij mij niet ?', vraag ik hem. 'Euch, niet zo direct', antwoordt hij, 'maar gij ziet er een lekkere ouwe trezebees uit.' 'Ik een lekkere ouwe trezebees ? Dan hebt ge mijn esposo nog niet gezien, dat is pas een lekkere ouwe trezebees'.  Daar heeft hij niet van terug! 'Ik doe niet in mannen', frazelt hij, 'en dank u voor uwwwwaandacht !' En hij maakt zich vlug uit de voeten.  U moet weten, hij kan zich zeer vlug uit de voeten maken, op indrukwekkende wijze met zijn lange benen en zijn wapperende manen.  Dat spijt me wel, want ik vond het net een interessante conversatie.

Het brengt me terug tot de realiteit, smal bed in l'Esplugia de Francoli.  Wat een prachtige naam toch. Wat een troef als je zoiets op je curriculum kunt zetten. Het is ook een gezellig stadje met gezellige mensen. Maar we trekken weer verder, zij het wat gemoedelijker dan gisteren.  We hoeven ons niet te reppen.  Er staan 30 kilometertjes op het programma en we plannen aan te komen net na de middag in Ulldemolins.

Een boogscheut buiten l'Esplugia de Francoli bevindt zich het klooster van Poblet.  Een indrukwekkende monasterio die al duizend jaar oud is en werelderfgoed.  En rond het klooster : wijngaarden.  De twee in harmonie met elkaar, de paters moeten al eens een wijntje kunnen drinken.  We rijden even de toegangspoort binnen en bewonderen de monumentale voorgevel.  Hoeveel jaren heeft het geduurd om dit hier allemaal neer te poten ? Hoeveel mensenhanden hebben hier gewerkt, geslaafd ?  We weten het niet en er zijn geen paters te zien, we kunnen het dus ook niet vragen.

Het is een zonnige dag, maar fris.  Gelukkig heb ik mijn roze windjackje dat eigenlijk een regenjackje moest zijn, voor vandaag is het een heel welkom jasje. Onze gastvrouw heeft ons op het hart gedrukt dat we zeker langs Vimbodin en Vallclara moeten rijden, dat is minder lastig dan de weg langs Prades.  Dankjewel, Christina, voor de tip, want langs hier is het al lastig genoeg.  Geert heeft een mindere dag en beweert dat deze klim naar Vilanova de Prades de lastigste is die hij al gedaan heeft sinds het begin van onze reis. Nochtans staat hij getekend aan 5 %.  Maar hij valt me ook zwaar, een kleine rustpauze is meer dan welkom. De natuur maakt het zwoegen meer dan goed.  We zitten in een glooiend berglandschap, veel pijnbomen, veel brem, veel rode rotsen.  Weinig opbrengst voor de mens hier. Waar het mogelijk is zijn wat olijfgaarden en amandelbomen geplant.

Eens we boven zijn en mogen afdalen (koud ! leve het windjackje), zien we Ulldemolins als een grote blokkendoos, sepiagekleurd, eenzaam tegen de flank liggen. Het is de vallei van de stilte en dat willen we goed geloven. Hier vind je rust of word je gek.

De kamer is eenvoudig, maar netjes en we kunnen 's avonds eten in ons hotel Fonda Toldra. Een kort dutje zal ons nu deugd doen. Later op de middag doen we een wandelingetje door het dorpje. Het blijkt op de route van de Cami de Santiago te liggen, een pleisterplaats voor de pelgrims.  Die zijn er nu niet, wij zijn de enige vreemde eenden in de bijt in dit rustige dorpje vol steegjes en bloemetjes. Een piepklein winkeltje wordt opengehouden door een stokoude man.  Daar gaan we morgen onze voorraad clementijntjes en bananen opslaan.  Als hij morgen nog leeft, want hij schrikt zich een bult als wij zo brutaal door zijn venstertje komen gapen naar het assortiment kruidenierswaren. Een bakker hebben we ook ontdekt en zelfs een kapper en een apotheker. Goed van Ulldemolins, laat het asjeblief nog wat voortbestaan.  Aan de spelende kinderen te horen lukt dat nog even.

Morgen rijden we naar de vallei van de Ebro, via een kleine en een grote kreukel.  Het worden 60 kilometers en we zullen welgeteld 5 dorpjes tegenkomen.

Hoe vind je dit bericht? 9 stemmen
Geschreven door geert en hilde op de fiets om 21:45 2 reacties Reageer op dit bericht

9 april twee kreukels op en af

We krijgen ontbijt in een cafeetje om de hoek. Het heet Casa de pernils en de jongen van gisteren die zijn veredelde kast als garage probeerde te verkopen heeft me gezegd dat pernils het Catalaans is voor jam. Ik kies toast met kaas, Geert toast met pernils. We kunnen onderling dan nog een beetje wisselen.  De toast met kaas is dik in orde, die met jam is een toast met ham. De verwilderde blik van Geert op de ochtendham valt op en de dame wil weten wat er mis is.  Ja, die pernils heb ik niet goed begrepen en of we asjeblief een andere toast kunnen krijgen.  Maar nu nog uitleggen wat er op die toast moet, ik probeer met dulce, maar gekookte ham is ook dulce.  Frutas dan ? Ha, daar ziet ze wel wat in, zou dat mermelada kunnen zijn ?  We knikken enthousiast, dat is het.


Het Spaans is al niet gemakkelijk, maar dat Catalaans, dat slaat nergens op.  Pernils = jamón. Café amb llet = café con leche. Dat gaan we alvast onthouden.  Iedereen spreekt Catalaans, iedereen schrijft Catalaans, menukaarten zijn in het Catalaans.  Maar, er is ook veel goede wil om zich verstaanbaar te maken en om uitleg te geven, al moet het met handen en voeten.


Als we Manresa verlaten zien we maar eerst hoe prachtig de kathedraal is.  Ze staat te blinken boven de stadsmuren als een eeuwenoude wachter. Altijd goed om ook eens achterom te kijken.  Maar vooruit is het ook opletten, we mogen niet de drukke hoofdweg naar Igualada nemen, maar de oude baan die zich als een kronkelende slang rond de hoofdweg slingert.  Dat betekenen extra kilometers, maar ze zijn het zeker waard.  Was het gisteren druk op de baan, vandaag hebben we het rijk voor ons alleen. Het is klimmen, en soms een beetje dalen, we moeten de eerste kreuk van het tafellaken (dat Spanje is) omhoog. De streek is rijk aan pijnbomen (waar vinden we de pitten ?), brem en er zijn ook weilanden in hun frisgroene jas, hier wordt geboerd.  Maar wie staat er in de wei ?  Sinds we in Spanje zijn heb ik nog geen enkele koe gezien. Ook geen geit.  Hoogstens een enkel paard. Staan ze nog op stal, de beesten ?


In Igualada kruisen we per toeval een veggie restaurant en bestellen een menu. Eenvoudig lekker en, hoera, ik eet sinds lang nog eens een soepje van prei. De batterij wordt voor de eerste keer bijgeladen.  Want, er komt nog een kreuk, een reuzekreuk en die moeten we ook over.  Onmiddellijk na het verlaten van de stad begint het al en we weten dat het zestien kilometer zal duren, zij het niet altijd even steil.  Toch is er een stuk van 7% bij, gedurende vijf kilometer.  Als ik moet klimmen reken ik niet in kilometers, dat is onbegonnen werk, een kilometer gaat niks vooruit.  Heel mijn focus ligt op de teller aan het stuur die per 100 m verspringt. Honderd meter kan heel lang duren. In mijn kop wordt voortdurend gerekend. Hoeveel heb ik al gedaan ten opzichte van het totaal ?  Hoeveel heb ik al gedaan van de volgende kilometer ? 300 m is  een derde van de volgende kilometer, 500 m de helft, haaa, en 800 m, dat is bijna 900 m en daar kan ik het plakkaatje van de volgende kilometer al zien.  Ken ik een betere vorm van meditatie ?  Neen, het is perfect voor het hoofd. Mijn batterij kan ook goed tellen en slinkt per drie à vier kilometer een blokje.  Ik heb er maar 10, van die blokjes, maar zuiniger rijden lukt hier niet.


Het mooie aan de kreuk is dat je er ook weer af moet. Hier duurt dat nog even want we zitten op een plateau.  Iets als de Condroz bij ons, maar dan dubbel zo hoog.  We stoppen in Santa Coloma de Queralt, zowaar bij café la Esterella en laden de batterij terug op.  Het is een beetje een vreemd etablissement, een soort Poverello op zijn Spaans.  Achterin zijn de ouderen van het dorp aan het kaarten, een mannenaangelegenheid alweer. De vreemdsoortige kachel brandt uitbundig, oude mensen hebben vlug koud. In het midden van de doening is een restaurant, het heeft wat weg van een sociaal restaurant. En vooraan is het café, met een biljart en een aparte hoek voor de kindjes. Volk loopt in en uit. Sjofel volk. Er wordt niet veel gelachen, er wordt vooral gezeten en gewacht. En gedronken. De cafébaas is een vriendelijke man en lijkt me even te gaan omhelzen als ik hem een royale fooi geef voor het gebruik van de electriciteit.


We moeten vandaag nog tot in Montblanc, een  Middeleeuws stadje. Daartegen geplakt ligt l'Esplugia de Francoli, het dorpje waar ons logies is.  De batterij is ver uitgezongen en ik, eigenwijs, rijd het stadje via het ezelsbruggetje binnen. Dat is klimmen geblazen, over oude kasseien, en een maat voor niks. Daar moeten we helemaal niet zijn. Wat moest gebeuren, gebeurt,  de batterij valt plat. Geert, toch een kwak sterker dan ik, neemt mijn fiets en ik probeer me op zijn koersfiets recht te houden. Het laatste stukje laat zich raden : klimmen.  Geert zet zich te dansen op de pedalen, google maps zegt nog 650 meter.  En ik houd het voor bekeken, de laatste meters ga ik te voet.  We hebben 85 kilometer gefietst, meer dan genoeg is dat. Point final voor vandaag.  Of zoals de Catalanen zeggen : biscaledas.  Wat ze ook overal op de muren schrijven : puta España. Boos volk.

Hoe vind je dit bericht? 9 stemmen
Geschreven door geert en hilde op de fiets om 22:24 1 reactie Reageer op dit bericht

maandag 8 april Manresa, het hart van Cataloni�

De elektrodes in het hoofd van Geert zijn ondertussen terug in topverbinding, want hij herinnert zich opeens de havik van een paar dagen geleden als een valk, en de doodgereden marter die in de berm lag als een das.  Mij blijft het gelijk, al heb ik toch geen streep op de dassenkop gezien. Maar het was in elk geval een groot bruin beest en het was morsdood.


Vanuit het hotel in Seva hebben we bij het vertrek een prachtig zicht op de besneeuwde Pyreneeën. Best dat we daar niet naar toe moeten, het lijkt wel een wintersportvakantie. We dalen af naar Tona en dan volgt weer een 'meedogenloze klim' (aldus het boekje van Benjaminse). We kunnen het beamen, maar het duurt niet zo heel lang. Een krasse Catalaan, niet te jong meer, steekt ons voorbij en steekt zijn duim op.  'Biscaledas', roept hij ons toe.  Sisi, biscaledas, antwoorden we, al hebben we geen idee wat het betekent.  Als het een roep om een bisnummer is, neen, dat doen we niet. De top ligt op 917m, we zijn opgewarmd. 


Vanaf nu volgt er een afdaling die veertig kilometer gaat duren, via Moia, Calders en zo verder naar Manresa.  Vóór Moia zie ik een wegwijzer naar Torre de Casanova, rechtsaf.  Daar wil ik wel eens gaan kijken, maar de andere Casanova, die voor mij rijdt, heeft er absoluut geen boodschap aan. Als ik het later opzoek vind ik dat de vrouwenversierder Casanova geen Spanjaard maar een Italiaan was, geboren in Venetië.  Dit exemplaar was een minder frivole versie, maar werd wel geboren in Moia, waar er nog een museum over hem bestaat.


De lange afdaling kan ons niet bekoren, de baan is recht en druk. Camions, bestelwagens, auto's, dat vliegt hier rond alsof er nergens anders plaats is om te rijden. En als we Manresa naderen wordt het nog erger.  Dit is niet leuk rijden. Van de slag vergeet Geert zijn helm in een bushokje en ik mag in geen geval er terug om rijden.  Te gevaarlijk, oordeelt hij, laat liggen, die handel.


En dus zullen we op zoek moeten naar een fietsenwinkel om een nieuwe helm te kopen.  Gelukkig logeren we in het oude stadsgedeelte waar het veel rustiger is, veel getrapte straatjes, steegjes eigenlijk. Een vriendelijke tandeloze man heeft ons naar ons appartement geloodst, we zouden het moeilijk alleen gevonden hebben. Hij vertelt honderduit, dat hij nog in België gewerkt heeft, Brussel, Luik en zelfs in Gent.  Het valt ons telkens op hoe behulpzaam en vriendelijk de Spaanse mensen zijn.


De receptionist heeft nog een verrassing in petto.  Hij heeft bevestigd via mail dat onze fietsen onderdak zullen hebben. Dat onderdak blijkt een piepkleine berging te zijn waar geen van onze fietsen in kan en ook de kar niet. Geen probleem, zegt hij, ik geef jullie een groter appartement en fietsen en kar kunnen daar ook staan. Het is op de derde verdieping.  Kar kan net in de lift. Oef. Koersfiets kan in de lift als ik hem op zijn achterste zet.  Oef. Mijn fiets kan nergens in. Niet in de kastgrote berging, niet in de lift. We riskeren het dan maar om hem achter een hoekje, binnen, op slot te zetten. Geert koopt een nieuwe helm in de plaatselijke fietsenwinkel (wat is google toch een mooie uitvinding) en als we zien dat de verkoper ook herstellingen doet, laten we hem ineens een nieuwe achterband leggen op mijn fiets, want die is 'klets'. Wij vragen, de Catalanen draaien.  Het lijken onze beste vrienden wel. 


We gaan nog even uit eten in een Italiaans restaurant, negen uur is het ondertussen al.  Niet zo veel gefietst vandaag, maar des te meer gestapt.  Als ik het grosso modo uitreken, kom ik toch aan 8 stapkilometers.  Dat kan al tellen, niet ?


Morgen doen we een grote rit van meer dan 80 km. Dat wordt weer spannend.

Hoe vind je dit bericht? 8 stemmen
Geschreven door geert en hilde op de fiets om 23:10 2 reacties Reageer op dit bericht

7 april fietsen in het hagelland

Ik word wakker met koortsige dromen, me zorgen makend hoe we zonder problemen de klim naar duizend meter met mijn wankele batterij gaan opwankelen en dan ook nog dertig kilometer verder gaan geraken tot aan ons hotel. We kunnen een vrachtwagen doen stoppen en de kar met hem meegeven, maar zien we die dan ooit terug ? We kunnen ergens gaan bellen en vragen om de batterij op te laden, maar dat heeft tijd nodig. Geert kan alleen verder fietsen tot aan het hotel en daar de auto van het hotel vragen en mij en batterij komen oppikken. Fiets moet achterblijven. Zorgen die door mijn hoofd spoken, achteraf gezien voor niks nodig en compleet verkeerd geredeneerd, want er passeert ons geen enkele vrachtwagen, we komen geen huizen tegen en als we ze tegen komen is er ook een café, dus hoeven we niet aan huizen te gaan bellen én de madame van het hotel heeft wel een garage maar geen auto.

Maar eerst gaan we al die muizenissen wegspoelen met een fiks ontbijt.  Afspraak om half negen in de ontbijtzaal waar niemand zit. Goed, we zijn de enige gasten. We wachten en maken alvast een koffie met het expresso-apparaat. Niemand brengt ontbijt.   We eten een banaantje en een kiwi.  Niemand komt. Het wordt negen uur.  Geen ontbijt.  Geert krijgt een Catalaanse boosheid over zich. Ik ga zelf naar de bakker, dit zijn geen manieren. De bakker woont hoekje om, vlug geklaard dus.   Geert komt terug in de ontbijtruimte, zonder brood, vreemd lachje om de mond.  Achter hem een donkere Priscilla, met een brood, zenuwachtig, sorry sorry zeggend. Het brood komt op tafel, we graaien er gretig naar. Kaas komt op tafel, harde kaas, blauwe kaas, gatenkaas.  Lekker, we snijden royaal aan. Vlees komt op tafel, rauwe ham, gekookte ham. Lekker, maar we hebben al zoveel kaas genomen. Worst komt op tafel. Lekker waarschijnlijk. Tomaten komen op tafel. Ook lekker. Croissants komen op tafel. Lekker, maar trop. Kleine koekjes komen op tafel. Lekker ja, eentje proeven kan geen kwaad. Yoghurt komt op tafel.  Kom, we delen een, want het is lekker! En willen we ook een fruitsapje ? Priscilla perst vers fruit. Heel lekker. We rollen de trap terug af en wurmen ons in onze koerstenue. Voorlopig wensen we liever geen eten meer.

Het is zondag vandaag.  Girona wandelt en fietst, jogt, sprint, laat de hond(en) uit. Wat een drukte op de via verde (de groene fietsweg). Deze is prima aangelegd, onverhard, maar hier en daar kan er al eens een diepe put zijn en in die put een diepe plas. Terwijl ik lustig naar de keuvelende, druk doende Spanjaarden kijk hoor ik achter mij een luide kreet, maar het is al te laat. Fiets en kar in de plas, een grote splash en alles is nat en vooral, alles is vuil. Gesakker uit een boze mond. Beter opletten, uit mijn doppen kijken, niet bekwaam om met een kar te rijden. Nederig buig ik het hoofd.  Had ik een bundel spaghetti, ik kastijdde mezelf ter plekke met de slierten. 

Maar het beste moet nog komen.  We hebben nog niks gezien, nog niks gevoeld, het is nog allemaal warm en gezapig. Vanaf Anglés, een twintigtal kilometers buiten Girona, stopt voor ons de via verde en begint de klim naar St. Hilari (800m) om daarna nog 200 m verder te stijgen naar de top, waar een lekker restaurant is, dat we nooit voor de middag kunnen bereiken, dus vergeten we het onmiddellijk. We passeren Osor, klein gehucht, waar we even pauzeren en de batterij een half uur opladen.  Je weet nooit waar dat goed voor is. Daarna wordt de klim steiler en dat voelen we.  Dat het zachtjes begint te regenen voelen we ook. Regenjassen aan, het verergert. Het duurt geen tien minuten of we druipen en verkleumen en verbijten de kou. Ik heb een nieuw regenvestje gekocht, prima merk, maar komt er daar geen water door ? Ik kijk er naar. Ventair staat er op.  Dat lijkt verdacht veel op een windvestje.  De regen trekt zich daar niets van aan, wat er uit moet vallen, valt. De temperatuur zakt, er flikkert een bliksemschicht, het dondert.  Er is geen huis, geen afdak in de omtrek, we zitten op een lang stuk van 16 km, door het bos en immer klimmend. Het begint te hagelen. Dat striemt.  Als ik begin te denken aan de plas van daarstraks zou ik daar hard om willen lachen, maar dat gaat niet, alles is verkrampt en het moment is ook niet zo goed gekozen. Geert roept :ik zie alleen nog maar roze vlekken. Roze vlekken ?? Moet ik me hier zorgen maken ? Door een donker regenbos fietsen en dan roze vlekken beginnen zien, misschien moet het kunnen.  De roze vlekken zijn de houvast, het broze houtje-touwtje van een man die achter een vrouw met een roze windvest aanfietst. Raadsel opgelost, maar kon hij dat niet eerder zeggen ?

Kletsnat fietsen we St. Hilari binnen.  Hilarisch is het allerminst, maar hoera, daar is een café.  De barman schiet ons ter hulp met een bussel witte doeken (het zijn waarschijnlijk de servietten van zijn doening) en gebaart dat we ons moeten afdrogen.  Het café zit vol ....mannen.  Zo gaat dat hier, de mannen gaan op café om te kaarten en de vrouwen, tja, dat weet ik niet, die gaan naar een ander café misschien.  We bestellen een warme thee om wat op te warmen.  We krijgen er een koekje en een croissant bij. Vriendelijke man, die cafébaas.  We vragen nog een tweede thee, alle warmte doet deugd.  De man wijst ons de weg, maar we wachten wijselijk nog wat, de batterij mag ondertussen opladen en stilaan begint het ook minder te regenen. Oef. Er wacht ons nog een fikse klim tot de top, verkleumd blijven we, geen van beiden voelen nog onze voeten, die zijn door en door nat en vooskou. Eigenlijk was Spanje een goede keuze omwille van 'altijd goed weer'.  Zo hadden we gedacht.  Mispoes.

Toch bereiken we levend en wel het hotel in Seva, wie had dat gedacht.  Het is helemaal voor ons alleen en de eigenares heeft de verwarming aangezet. Hoe blij kan een mens zijn met een warm onderdak. En hoe hulpeloos zonder. We beloven elkaar : morgen een korte rit en een beetje relaxen. Het is toch vakantie zeker.

Hoe vind je dit bericht? 10 stemmen
Geschreven door geert en hilde op de fiets om 22:58 3 reacties Reageer op dit bericht

6 april van figueres naar girona

De zon schijnt, we krijgen een lekker ontbijt in dit knotsgekke hotel, we vertrekken goedgemutst.


Als je van Figueres naar Girona wilt, dan neem je gewoon de autosnelweg en is de afstand nog geen 40 kilometer.  Dat is nu net wat wij niet willen, geen drukke banen asjeblieft, en we slagen daar wonderwel in, maar hebben dan ook meer kilometers voor de boeg. (het zullen er 65 worden).  We hoeven er geen spijt van te hebben, het is een prachtig parcours.


Eerst nog even over de drukkere verbindingsweg naar de autosnelweg om Figueres uit te geraken en dan ligt Catalonië aan onze voeten.


Benjaminse zegt in zijn boekje dat Spanje als een verkreukeld tafelkleed is en dat is juist.  Nergens plat, soms een grote kreukel en soms een kleine, maar altijd kreukels.  Het landschap is nu enigszins anders, meer weiden en velden, boerderijen, mooie vergezichten.  En verrukkelijk rustige baantjes.  Wie zei ons dat je rond Girona niet rustig kunt fietsen ?


Ik tel het komkommerkruid, er is geen beginnen aan.  Papavers, ze zijn er weer in grote getallen. En paardebloemen.  Samen leunen ze tegen mekaar aan in de vrolijke bermen. Een havik laat zich even zien.  De vogeltjesman van gisteren zou tevreden zijn.


We komen in Camallera, het dorpje is bedolven onder de Catalaanse vlaggen.  Een groot spandoek zegt dat Camallera een dorpje is van de republiek Catalonië.  We zullen dit scenario nog in elk dorp tegenkomen.  Catalonië houdt niet van Spanje.  De mensen zijn boos, maar niet op ons, want terwijl we staan te overleggen stopt een jeep om hulp te bieden.  De man (een goedlachse senior) spreekt Engels en wijst ons een weggetje, piekfijn en zonder verkeer.  We zouden het alleen niet gevonden hebben.  In zijn auto zit Julita, geïmporteerd uit Thailand, vandaar zijn behoorlijk Engels (zo denken we). Wij allang weer blij en hupperdepup, vooruit met de geit, tegenwind weliswaar.


In Estacio de Jordi moeten we de spoorweg kruisen. Wat blijkt ?  We kunnen de spoorweg niet over, de weg stopt, ze hebben er zelfs een muurtje dwarsover gebouwd.  Aan de overkant ook een muurtje en daar loopt de weg weer verder.  Dan steken we de spoorweg maar over naast het muurtje, wat gezoek, wat gepruts, wat heffen en trekken en duwen en hop, we zijn alweer gered.  Sorry Sofie (Dutordoir), ik weet dat het niet mag, spoorlopen, maar hier doet iedereen het.


We steken de  Ter over (brede brug zonder afsluiting) en daar is Bolla reeds. We vragen nog eens de weg aan een bebaarde Spanjaard en geen vijf minuten later staat heel de familie ons uitleg te geven.  El Barbo legt uit, een ander vertaalt (in het frans), de vrouwen proberen ook een mondje frans te placeren.  Ze vragen van waar we zijn.  Ha, Belgica, daar zijn ze ook geweest, in Bruxelas, gaan demonstreren voor Puigdemont. Enthousiasme alom : zij omdat we Puigdemont kennen, wij omdat ze Brussel kennen. We moeten zeker naar Pubol gaan, zeggen ze, mooi museum daar. Ja maar, in Pubol moeten wij niet zijn, het is al erg genoeg dat we nog een col over moeten. We zien het al van ver aankomen.  Met bosjes vallen de wielertoeristen ons in de armen. Ze hebben allemaal natuurlijk die col beklommen en dalen nu voldaan weer af.  Hoe steil is dat hier, vraag ik aan Geert.  Een verkorte Mont Ventoux, zegt hij, stijgingspercentage evenwaardig maar sterk verkorte versie. Het worden 6 kilometers klimmen.  Boven staan twee Engelsen op de uitkijk.  De ene kent ons, zegt hij.  Hij heeft een vriend die over ons vertelde : een man zonder bagage op een koersfiets en een vrouw die alle bagage in een kar meesleepte. For a long journey enkele jaren geleden.  Jaja, zoiets kom je maar eens in je leven tegen.


We moeten nog tien kilometer dalen en dan in Girona onze b&b vinden.  Batterij says ondertussen 'no'. Haar pijp is uit.  De mijne bijna. Girona is groot, google maps stuurt ons verkeerd en dan toch juist, we vinden onze verblijfplaats en mogen onze fietsen op de binnenplaats stallen. En, nog beter, na een korte wandeling in afwachting van het late etensuur hier in Spanje (20u is heel normaal om te eten) vinden we zeer dichtbij de aansluiting op de via verde die we morgen moeten nemen.  Geen zoeken meer morgenvroeg, onmiddellijk het zeegat uit.  Het belooft de moeite te worden, we gaan naar 1.000m.

Hoe vind je dit bericht? 8 stemmen
Geschreven door geert en hilde op de fiets om 22:01 2 reacties Reageer op dit bericht

vrijdag 5 april verovering van de col de manrella

We ontbijten in de canapé van la Ré Belle in Céret. Het is eens wat anders dan altijd aan die keukentafel. En dan volgt wikken en wegen om de kar en de 2 fietsen uit de garage te krijgen.  Het probleem is niet dat de garage te klein is, maar de rommelhoop is wel te groot.  Maar het lukt, de gastvrouw, sterk als ze is, hobbelt mét fiets en later mét kar de garage door.  Ze wijst ons nog vriendelijk de weg en 'au revoir'.

We moeten eerst even richting zee en dan slaan we rechtsaf, Spanje tegemoet.  De Frans-Spaanse grens ligt net op het topje van de col de Manrella.  We weten dat het klimmen zal worden.  De man aan wie we de weg vroegen wapperde van olala met zijn hand toen hij ons doel hoorde en wenste ons veel courage.  We zijn dus gewaarschuwd.  Het wordt afzien. Zweten.  Hijgen. Stoppen. En terug hetzelfde liedje. We komen aan in Las Illas en denken dat het zwaarste leed geleden is.  Dat had je maar gedacht : het wordt nu nog veel steiler, verboden voor campingcars en grote vrachten en het verandert zowaar in een onverharde weg.  'Un piste' zeggen ze in het frans.  Ik moet er af, heb al mijn kruit verschoten, zit op mijn kleinste versnelling met de krachtigste assistentie, de adem trekt het niet meer. Geert neemt over op mijn fiets en ik stap met zijn lichte koersfiets verder.  Gelukkig is het einde in zicht (nou ja, achter een paar bochten), de steile klim gaat over in een gemeen vals plat, nog steeds piste, die Fransen toch. Nog even verder.... en dan is er Spanje ! Wat een mooi geasfalteerde baan en dat in the middle of nowhere.  Mooi, prachtig is het hier, maar veel heb ik er nu niet van kunnen genieten.  Hijgen ging voor op kijken.

Maar nu wordt het feest : bergaf en nog meer bergaf en nog meer.  Hebben we de eerste twintig kilometer in drie uur afgehikt, nu doen we de helft in een groot kwartier.   Geen verkeer, enkel een bedreven mountainbiker die ons achter zich laat. Hoe meer we dalen hoe warmer het wordt, dit is duidelijk de zuidkant van de Pyreneeën.  Veel grijsgroene olijfbomen, kurkeiken met hun zwarte stammen, frisgroene weiden zullen later volgen, maar zijn hier in de minderheid.  En weerom papavers. En lavendel.  Ezels.  Geen koeien. Geen wijngaarden.

Er volgt nog een klim (venijnig) om in Pont de Mollins te geraken, maar de weg is stukken beter dan in Frankrijk.  Catalonië is rijk. De flanken hier zijn bezaaid met afgeknakte bomen.  Geen enkele boom heeft nog een kruin en zelfs zonder kruin staan er nog maar enkele recht.  De andere liggen kriskras door elkaar, geknakt als vlamhoutjes. Wat is er hier gebeurd ?  We gokken op een storm.  Of een brand. Het is een treurig, desolaat gezicht.  Net voor Pont de Mollins treffen we drie oude rakkers met fiets, ze verpozen even.  Misschien hebben ze al een aperitief op, want ze slaan ons enthousiast op de schouders en willen alles weten. Waar komen we vandaan en wat komen we hier doen en waar staat onze auto en waarom moet madame alle bagage meetorsen ? Ze kennen de streek goed, komen van net over de franse grens (maar zijn alleluiah niet over de Col de Manrella gekomen, die kennen ze te goed) en de ene is getrouwd met een Belgische en verlekkerd op Vlaamse stoofkarbonaden. De oudste krijger  (ik denk dat hij rond de tachtig moet zijn) rijdt ook gemotoriseerd en is zeer in zijn schik met zijn fiets.  Hij raadt ons aan om ook eens langs de rivier te gaan wandelen, want daar zitten veel vogeltjes.  Geel zoals zijn maillot jaune en hij begint zowaar met zijn vleugels te fladderen. Die vogeltjes laten we aan ons voorbijgaan, de lucht betrekt, er zit regen in de dikke zwarte wolken. Op naar Figueres !

We logeren in een hotel als een lunapark. Hotel Plaza Inn op een steenworp van 'el teatro de Dali', waar we later op de avond een kijkje gaan nemen. Niet te geloven wat die man in zijn kop zitten had als hij dat gebouw ontworpen heeft.  En niet te geloven dat er ook maar iemand was die dat heeft willen bouwen. Ik stel voor dat U een foto opzoekt, ik kan het beschrijven maar het zal bij u niet oproepen wat het werkelijk is.

We eten in een eetcafé/tapasbar waar blijkbaar veel locals komen, dat vinden wij een goed teken.  Af en toe klinkt er een bel en dan komt men rond met tapas.  Ze zijn lekker, we graaien er gretig naar, want we hebben honger.  Later staan ze wel op de rekening, naïef als we waren dachten we dat het een rondje van het huis was (drie in totaal).  Maar geen nood, het heeft ons gesmaakt, en we weten nu ook dat een pincho een sateetje is.  En patatas bravas frieten.  Postres : dessert. Jaja, we spreken al culinair Spaans, me gusta la comida español.

Morgen trekken we naar Girona, daar waar we in lang vervlogen tijden op vlogen als we Barcelona wilden bezoeken.  Dat vliegen, we zullen dat vanaf nu maar zo laten.

Hoe vind je dit bericht? 5 stemmen
Geschreven door geert en hilde op de fiets om 21:48 1 reactie Reageer op dit bericht

donderdag 4 april haricots en abondance

De vriezeman is in het land !  Sneeuw in de Pyreneeën vanaf 1.000 meter hoogte, dat horen we al van vroeg in de morgen (nou ja, vroeg, voor onze manier van doen wel, 8 uur dus), de lucht neigt naar staalblauw, oef, het gesloten weer van de voorbije dagen lijkt voorbij.  Maar wat is het nog koud.  Klokslag 10 uur, de kerktoren kan het beamen, staan we vertrekkensklaar en betreuren beiden dat we geen handschoenen hebben meegebracht.  Heel even overwegen we om onze tuinhandschoenen aan te doen, Geert zelfs zijn afwashandschoenen, maar neen, niet doen, er is genoeg klimwerk voor handen om deze warm te houden.

Het meer van Caramany flikkeflakt in de zon, het is goed gevuld, de vissen zullen blij zijn. De vogels daarentegen hebben terug hun winterjas aangetrokken en zitten diep weggedoken te zwijgen en te wachten.  Waar is die lente nu ? Vrouwtjesvogels voelen de eitjes al tegen hun bekkenbodemspieren drummen, maar zitten uit alle macht te puffen om die eitjes in hun warme onderbuik vast te houden.  Geen weer om geboren te worden, fluisteren ze tegen de ongeduldige piepelingen.

Wij puffen ook, niet om onze persweeën tegen te houden, het gaat gewoon ferm bergop. Céret ligt twee valleien verder, dus dat betekent dat we twee keer gaan moeten klimmen, de eerste keer om, achter de flank,  in Ile-sur-Têt te geraken, de tweede keer in Llauro. Gelukkig zitten we dicht tegen de Middellandse Zee en dus in de uitlopers van de bergen, ik moet er niet aan denken om nu al tot 1.000 meter of hoger te moeten klimmen. We zijn nog maar in de aanloopfase, er moet nog veel geoefend worden. De garrigue ligt een eindeloze broccoli te wezen, stronk na stronk na stronk, dat houterig immer groen gewas, waar je als landbouwer niks mee kunt aanvangen.  Het is er en het houdt de bodem vast, maar daarmee is het ook einde verhaal. Een paradijs waarschijnlijk voor wild en gevogelte. We komen boven en aanschouwen de verse sneeuw in de verste verte, wat is dat een prachtig zicht, met de helderblauwe hemel als achtergrond.  We stoppen bij een poort met hond om al dat moois op te slaan.  De hond zit niet achter de poort maar er voor, op straat dus.  Mijns inziens een vergissing van de baas.  Maar dat weet de hond niet en hij vindt het prettig dat er nog baasjes bij hem komen.  Of zouden het vriendjes zijn ?  Wat Geert betreft is die hond al gauw een heel goede vriend.  In al zijn logheid legt het beest zich tegen zijn benen, steekt zijn kop tegen zijn billen, biedt een poot aan. Tot we terug vertrekken. Dat zint vriend hond niet, hij springt plots uit zijn lome modus op en hapt naar de kuiten van zijn nieuwe kameraad. L'amour brut! Het beest versaagt niet en blijft ons happend en trappend volgen.  Ik begrijp het, eerst doet die nieuwe vriend alsof het voor altijd is en dan maakt hij zich uit de voeten zonder pardon.  Gelukkig gaat de baan bergaf zodat we wat snelheid kunnen maken en de arme hond moet zich gewonnen geven. Wat heb je aan een mens met loze praatjes ?

De vallei van de Têt is één grote boomgaard : abrikozen, perziken, nectarines, appels, peren.  Al dat lekkers, het is voor de zomer, zoet gerijpt door de zon.  Nu zijn de rijen boompjes nog pril groen, alleen de appelaars staan al in bloei.  Of zouden het perelaars zijn ? We rijden gezwind, mee met de wind, tot in Thuir.  Weinig reliëf, het gaat goed vooruit.  In Thuir het statige, eeuwenoude Byrrh wijnimperium, de trots van de stad. We eten er een soort cassoulet met zoveel witte bonen dat ze bijna niet te vermalen zijn.  Dat plakt en dat prakt en blijft als een dikke puree tegen je strottenhoofd steken. En dan komt er weer een platgeharkte hap.  En nog een. Het is slikken of stikken indat modderige bonenslib. Dit kunnen we echt niet aan, de helft van de bonen blijft achter.  Sorry bonen, jullie doen ook maar jullie best.

Gisteren heb ik zowaar een klaproos gezien.  Dat leek me wel heel speciaal.  Klaprozen zijn toch hoogzomerbloeiers ?  Die dissidente klaproos, zo zie ik nu, was toch niet zo uitzonderlijk.  De bermen staan er vol van.  Weer een vraagteken in mijn hoofd.  Wat maakt dat klaprozen al in de lente volop bloeien ?  Of bloeien ze nog van de vorige zomer en zijn ze vergeten om dood te gaan ? Hebben ze een bijzondere cursus gezondheidspreventie gevolgd en met vaccinaties, gezonde voeding en pacemakers hun levensverwachting verdubbeld ?  Ik beloof het mezelf, ik zoek het eens op, misschien weet Wikipedia het antwoord.

Céret is nog steeds het landerig stadje met zijn kunstenaarsimago, sjofele uitgerookte hippies, oude hippe dametjes, rare snuiters, tsjolders, bleekscheten en dat alles door mekaar.  Het is hier dat Picasso een tijd gewoond heeft en het is hier dat we twaalf jaar geleden de sardane zagen dansen onder de platanen van de hoofdstraat. Wij dansen vanavond niet, de bonen liggen op onze maag, een fris slaatje, nog wat lezen en ons bedje in.  In de rue de Commerce, amper een vleugelwijdte breed, hobbelig en met amper een tweetal commerces.

Hoe vind je dit bericht? 8 stemmen
Geschreven door geert en hilde op de fiets om 20:16 1 reactie Reageer op dit bericht

woensdag 3 april blij en vrij

De natuur trekt zich niks aan van het slecht weer. Al wat nu kan bloeien doet dat ook met overgave. De wilde kruiden, thijm, rozemarijn, lavendel hebben zich langs de kant van de weg genesteld in een palet van licht lila naar donker paars. De irissen doen mee, in het wild, in de tuinen, het kan hen niet schelen waar, maar ze steken hun mauve kopjes ’heb je mij gezien?’ hoog boven de rest van het groen uit. In mijn ogen kunnen ze in schoonheid wedijveren met de orchidee. Ook die zouden hier in botanische vorm voorkomen, maar heb ik nog niet gezien.
En dan is er de ciste (zo geschreven in het frans en vertaald als cistusroos, ze heeft inderdaad wat weg van de wilde roos), een bescheiden struikje, maar overal aanwezig, fleurig en fris en niet onder de indruk van de flamboyante iris. Blauwe regen, bloeiend, ook prachtig en van een ongelimiteerde weelde.
Gisteravond, toen het eindelijk gestopt was met regenen, zijn we nog op wandel geweest, op zoek naar platte keien en wrakhout. Nou ja, wrakhout zullen we hier wel niet echt vinden, maar toch gehavend hout of schors of grillige takken. In mijn hoofd ga ik daar wat mee knutselen. Dat worden uitzonderlijk mooie kunstwerken, maar als mijn handen het moeten uitvoeren valt dat gewoonlijk wat tegen en is het eerder gewoontjes. We kennen een klein keienstrandje aan de Desix (rivier). Veel keien dus, maar niet altijd even plat. We hadden het kunnen weten, het lustig luisende water (moet eigenlijk ruisende zijn, maar waar is de alliteratie dan naar toe ?) en het wuiven van het loof in alle tinten groen begonnen op onze darmflora te werken. Wat nu gedaan ? Veel plaats in de natuur, maar geen toiletpapier. En bovendien, een rusteloze visser aan de overkant, met hengel en haak links en rechts aan het spieden en dan weer wat verder links en rechts. En maar zwieren met lijn en dobber en geen spatje vis die er aan hing. ‘Ga naar huis, jongen,’ dacht ik hardop, ‘visje bijt niet’. Maar dacht je nou dat ie ..? Neen hoor.
Geert zette zich in turbo versnelling huiswaarts, weg van dat geruis en gedruis en gezwier, met de zielige oogst van 5 keien in de plastic tas. En ik, mezelf kennende, wist dat terug naar huis geraken geen optie was en vlijde me dan maar neer achter een boom. Wat dank ik de slang in het gras dat die niet naar me beet. Wat buig ik mijn hoofd in devote dankbaarheid voor de natte blaadjes die ik tijdig als doornachtig kon definiëren. Het kwam goed, er waren ook nuttige shitafterdoekjes (blaadjes met zacht viltig vel). Bevrijd en verblijd ben ik naar huis gegaan, geen mens die wat aan me zag.

Hoe vind je dit bericht? 4 stemmen
Geschreven door geert en hilde op de fiets om 16:54 Reageer op dit bericht

dinsdag 2 april vooruitzichten

We proberen onze spiksplinternieuwe croozerkar aan te koppelen aan mijn fiets en dat lukt heel goed. Een echte topkar. Met kar en fiets gaan we winkelen in St Paul de Fenouillet, we hebben proviand nodig voor een aantal dagen. Het is fris buiten en bewolkt, de namiddag zal nog flink wat regen aanvoeren. Nochtans zegt de buurvrouw dat het uitzonderlijk sec is dit jaar. Ze kan het weten want haar man Bernard heeft een moestuin, die hij koestert als zijn beste vriend. Meer hoeft hij niet, een wandelingetje maken, op de gibiers gaan jagen, moestuin verzorgen, wat joggen, wijntje drinken, everzwijnpaté eten. Dat is zijn rustig leven. Sterke man, idem dito vrouw. Zijn beiden zeventigers maar kunnen tien jaar liegen.
Ik leg de eerste overnachting vast. Het wordt dan toch Céret, het kunstenaarsstadje aan de voet van de Canigou. We wagen het er op, maar vertrekken wel een dag eerder dan voorzien. Donderdag dus. Het weekend ziet er echt niet goed uit, nat en koud, maar als het een beetje meezit kunnen we vrijdagavond al in Spanje zijn, in Figueres, waar we Salvador Dali leerden kennen als een knotsgekke, geniale kunstenaar. Wie zijn museum al bezocht of zelfs maar aan de buitenkant zag, zal dit beamen. Ik vraag me af of hij al die vreemde figuren en objecten met zijn volle verstand creëerde of liet hij zich helpen door psychedelische planten en dranken ? Ik kijk er naar uit om het stadje terug te zien. Als het te slecht weer wordt kunnen we ons daar wel een dagje bezig houden met drugs en seks en rock and roll. (oh, vermaledijde leugen, wat staat gij hier te doen ?)

Hoe vind je dit bericht? 5 stemmen
Geschreven door geert en hilde op de fiets om 16:53 Reageer op dit bericht

maandag 1 april tipsy gipsy

Het begint me zo stilaan te dagen hoe het komt dat ik gisteren hipsytipsy in bed kroop. Het was de fles witte wijn en die moest leeg. Ha ja, zo redeneerde Geert, ze wil een fles witte wijn, we kopen een fles, maar dan moet ze er ook schabouwelijk veel van drinken, want al wat niet opgedronken is, gaat verloren. De fles gaat van tafel en we zien die nooit meer weer.
Vandaar dat na elke slok die ik durfde doen, er onmiddellijk een geut ingegoten werd en dat glas, dat minderde niet. En bovendien moest dat ook nog eens in een recordtempo gebeuren, want eigenlijk wou hij niet aan die tafel zitten om wijn te drinken, maar boven in zijn bed een krantje lezen en een slaapje knorren. Kon hij dan niet bedenken dat de fles, met stop, ons meegegeven zou worden, samen met 10 eitjes die de gastvrije eigenaars al vroeg uit het stro geplukt hadden ? Een bonte verzameling kippen (grote als onze Mechelse koekoek, maar ook piepkleine met veren tot op de pootjes, eieren navenant), een pedante kalkoen (‘toeketoeketoeketoek’ roepend), witte eenden en bazige ganzen en allemaal leggen ze eieren. Dag na dag. Gasten of geen gasten, dat blijft die beesten gelijk, die eieren moeten er uit. Wij blij met ons doosje eieren, eigenaars ook blij met een kleine eierpauze.

Hoe vind je dit bericht? 6 stemmen
Geschreven door geert en hilde op de fiets om 16:40 Reageer op dit bericht

Meer van de hort op

↑ Terug naar de berichten