Zaterdag 21 januari 2006

Dag Ria, Jouw reactie: ja ruzie met joke, ik mag niet oordelen , maar toch denk ik dat joke het erg vind . dat je toch iets te veel borreltj…
Dag Ria,
Jouw reactie:
ja ruzie met joke, ik mag niet oordelen , maar toch denk ik dat joke het erg vind . dat je toch iets te veel borreltjes neemd. je bent zeker geen mislukkeling zoals je het beschrijft. maar misschien een tip toch iets minder. het meest waard is natuurlijk een fijn leven met joke. groetjes ria53
Ria!!!,
Watr vind ik dat nu leuk....dat je zo geïnteresseerd reageert op 'Jan en Joke'.
O....er komt nog veel meer. Voor járen stof,
Daag
Ger
Zaterdag 21 januari 2006

2.2.8.5 Joke ’s morgens De wekker; zeven uur ’s morgens. Buiten tikt de regen, ik zie de boom in het plantsoentje schudden in de wind. Wat i…
2.2.8.5 Joke ’s morgens
De wekker; zeven uur ’s morgens. Buiten tikt de regen, ik zie de boom in het plantsoentje schudden in de wind. Wat is oktober toch een feestmaand; donkere luchten, weinig zon, en dat gaat nu zo door tot maart. Eerst maar even op de weegschaal: ai, weer bijgekomen. Gisteravond wat koekjes, petit fours, borrelhapjes; ik word te dik, maar ik kan m’n snoepzucht niet de baas. Op kantoor; Loes: zegt met dat onuitstaanbare air van haar: “Kind….” Zoals zij dat kan zeggen: “Kind, je moet willen. Waar is je wil? Als ik ’s avonds niet wil knabbelen, nou, dan knabbel ik niet”. Ik haat die meid, heb lekker over haar geroddeld, probeerde zo mijn geërgerdheid kwijt te raken. Maar, ’t lukte niet. Kom nou, ik sta maar wat te suffen, ’t animeert ook niet. Dat Jan maar ligt te ronken, nu hij niet naar kantoor hoeft. Meneer heeft zenuwtjes, loopt in de ziektewet. ’t Is zo’n heel andere jongen dan toen ik met hem ging samenwonen, twee jaar geleden. Ik was gek op ‘m: de wereldverbeteraar: zag er goed uit, had z’n babbel terdege bij zich. En nu: teveel drinken, zitten dubben. Niet meer zelfbewust, maar onzeker. Niet meer opgewekt, maar chagrijnig. Ik kan voor deze tobber heel moeilijk liefde of zelfs maar verliefdheid opbrengen.
Zo, hij is er uit, de eerste heibel zit er weer op. Stond zich verongelijkt uit te rekken, toen ik er al weer op uit moest; met de fiets in de rukwinden naar kantoor. Te denken, dat hij die uitkering min of meer aan mij te danken heeft. Hij liet mij de aanvraag invullen. Alles laat hij over. Ik heb hier en daar wat weggelaten. Omdat ikzelf ook bij zo’n soort dienst werk, weet ik, hoe die regelaars lezen, waar je iets kunt aandikken met soms maar één woord. Het werd een knoeierig gedoe. Maar, ze tippelden erin. Jan opgetogen: “Moet je zien zeg: het maximum!” O, daar is die pijn weer, dat rare branderige gevoel. Blij, dat ik vanmiddag op spreekuur ga voor de uitslag van het onderzoek. Trouwens toch gek voor een jonge meid: ik heb meer kwaaltjes: hoge bloeddruk, moest toch niet mogen voor iemand van achtentwintig! En ook zo vatbaar voor verkoudheid.
Fiets in de stalling. Lift. Tussen alle andere zwijgers zeven hoog. Corrie komt op de afdeling opgewonden naar me toe: “Er is ruzie tussen de chefs. Hendriks heeft me uitgelegd, waar het om gaat. Ik vind, dat hij gelijk heeft”. “Kind”, zeg ik… wel verdraaid, nu zeg ik het zelf: “Neem van mij aan, dat je bij al die opgeschroefde verhalen meestal maar moet denken: “ ’t Zal wel zo zijn of anders”. Corrie is geen kwade meid, jong, dus meestal dom, maar soms, bij vlagen, wel pienter. Ze zegt verwonderd: “Ik vind je zo negatief de laatste tijd. Weet je nog, hoe je vroeger helemaal vol was van die actie tegen de bio-industrie. En nu, het is niet alleen je lauw reageren van nu, het is helemaal zo: een kistkalf of een legbatterijkip doen je niets meer, geloof ik”. We praten nog wat door. Even later zitten we allebei achter onze terminal.
Onder het invoeren van nieuwe gegevens malen mijn gedachten door. Ik heb zo genoeg van al die dingen, waarover ik mij ooit eens opwond. Mams zei vroeger: “Eenmaal zul je beu zijn van alle pleziertjes, die je niet kunnen vullen en dan zul je zeker terugdenken aan Jezus. Ik blijf voor je in gebed, want ik wil zo graag, dat je naar Hem terug gaat… dááág” (want toen reed de trein weg). Ons laatste gesprek, voor ik op kamers ging. Toegegeven, ik was heel oppervlakkig in die tijd. Maar ik raakte die oppervlakkigheid kwijt. Mijn ‘pleziertjes’ – het tot vier uur ’s morgens dansen in de rocktent – gingen over. Daarvoor in de plaats kwam maatschappelijk-sociaal geëngageerd bezig zijn. Dat is toch veel hoger dan alleen aan eigen amusement denken. Mams had toen toch tevreden moeten zijn! Of zij tevreden is, weet ik niet; we hebben te weinig contact. Maar ik ben het in ieder geval niet! Ik heb in die activiteiten al mijn energie verbruikt, lijkt het wel. Ik merk het daaraan, dat ik niet eens de fut meer heb om op God af te stemmen. Ik zou dat wel weer eens willen. Mijn idealen, waarvoor ik vocht, waren – achteraf bekeken – zo blikkerig. Ze zouden waardevoller zijn geweest, als ik er meer in had kunnen leggen van God, van zijn heerlijkheid (zo zou paps dat zeggen). Maar ik weet niet, hoe ik dat aan moet pakken. Ik heb er geen oog en geen oor meer voor. Dat is voorbij…
Kijk nu zo’n afdeling eens rond: al die meisjes aan hun beeldscherm. Is er wel één, waar je wat aan hebt, kan er ook maar één steun geven? Corrie gaat dan nog, maar ze heeft geen inhoud. En Carla? Laatst bijvoorbeeld wou ik iets aan haar kwijt van mijn zorg over Jan. Maar nog voor ik beginnen kon, zei ze zelf, heel ontgoocheld: “Ik ga van Kees weg”. En toen kwam er een lang verhaal van haar ouders, van wie ze vervreemd was; te veel drank, waardoor ze ontredderd was; een geloof, dat ze losgelaten had, zodat ze zich nu nergens meer aan kon vasthechten; en toen vroeg ze, nota bene aan mij: “Wat denk jij nou?” Ik heb maar wat gezegd, maar het hielp haar niet. Met een teleurgesteld gezichtje ging ze weg. Ik bleef achter; zo leeg; zag in ieder geval wel, dat vriendinnenhulp ook maar drijfzand is. Met m’n bitter geheim, dat Jan me gewoon ordinair slaat en dat ik dat nog neem ook, durfde ik niet voor de dag te komen. Goed, het gebeurt nog maar zo af en toe. Maar dat ik het pik! Onbestaanbaar voor een vrije vrouw. Maar, het bestaat!
Dinsdag 17 januari 2006

2.2.8.4 Jan ’s nachts Ik lig alleen, ruzie met Joke: ik wilde dat ze nog een borreltje schonk. Zij: “Nee, je hebt er al genoeg gehad; waarom…
2.2.8.4 Jan ’s nachts
Ik lig alleen, ruzie met Joke: ik wilde dat ze nog een borreltje schonk. Zij: “Nee, je hebt er al genoeg gehad; waarom heb je nu niet eens gewoon genoeg aan koffie”. Wel, de poppen waren al weer aan het dansen. Nu ligt ze op ’t logeer, wou niet in één bed met mij. Ik kan niet slapen, dat is het gevolg. Trouwens, ik hoor ook haar bed kraken.
… Wat gaat er toch zo gruwelijk mis; ik ben geen drugslaaf, eet niet overmatig, heb ’t op kantoor toch altijd redelijk gedaan. Tientallen kuilen, waarin ik anderen zag vallen, heb ik vermeden. Ik ben geen uitgesproken alcoholist, rook nog niet het meeste, ben niet altijd op de been met vuile moppen: en toch heb ik het idee, dat ik ook in een kuil ben gevallen. Hoeveel zijn er dan wel niet!? ‘k Wou, dat er eens een hand kwam om me uit die put van mismoedigheid te halen en me uit die kuil van zelfbeklag te helpen. Groene weiden met vlinders erboven; ik heb er altijd naar verlangd. Maar ik zit op een vuilstortplaats, die krioelt van kakkerlakken. Dat is nu m’n dank. Ik heb zoveel overgehad voor anderen. Vrijwillige medewerker in het buurthuis; heb ik ook nog gedaan! Eigenlijk een prima kerel toch; en nu: verbannen van wat blij maakt, ontredderd. Ik heb het idee, dat ik nog een ziekte heb ook, los van die overspanning. Alles is zo donker; al zo lang eigenlijk, als ik die occulte boeken lees (Jesaja 8:22). Jan jongen, je bent mislukt: o, daar is die paniek weer; dat grote, rode beest: je máákt het niet; je máákt het niet