Naar de inhoud

Jan en Joke

groepskroniek 1985-2010
akke.beakke.be

Archief

4.8.2.1.
Margo Donker, omsingeld en ontzet.

3 december 1982: je weet nog wel, wie ik ben, de jongere zus van Jan. Ik was degene, die je direct aan het begin van het verhaal al tegenkwam. Vroeger kon je dat allemaal zo precies nagaan. Toen zette Ger bij alle vervolgverhalen het codenummer, waar de eerdere dingen gebeurd waren. Maar dat doet hij niet meer. Hij frommelt ons aller belevenissen in de afsluiting van een soort bijbelstudie. Allerlei verwijzingen vindt hij misstaan in het romagedeelte, zegt hij. Goed, dat is dan zijn â€?pakkie an’.
Nou ja, zoek het dan zelf maar op. (O wacht eens; Ger heeft er wat op gevonden, kijk maar naar 4.8.9.4, zegt hij).

Voor het geval dat je dat niet vindt: ik ben ongetrouwd, voel er ook niet de roeping toe. Ik heb een prima baan als directiesecretaresse bij een im- en exporthandel.
Vroeger was ik nominaal christelijk. Jezus had toen niets aan me. Ik was echt een onbetrouwbaar werktuig. Later was ik helemaal geen werktuig meer voor Hem. Ik dronk me ongangs aan allerlei giftige drankjes van weet ik wat voor stromingen allemaal. En een gedeeld innerlijk is geen plaats, waar Hij wonen, van vanwaar uit Hij werken kan (Jac. 1:8).
Dat ging zo door, totdat ik, vol met een cocktail van rare ideeí«n, vol, maar niet positief verzadigd, in een christelijke samenkomst kwam, waar de spreker zei:
“Drink nu toch eens de pure melk (1 Petr. 2:2) van Jezus’ boodschap. Daar zit alleen maar in, wat goed is, maar van dat goede dan ook álles. Proef maar (Ps. 34:9).
Sommige mensen klagen altijd maar verdrietig. Wanneer ze deze bron van voeding vinden voor hun innerlijk is het gedaan met het geklaag en met uitzichtloos verdriet.�
Dat woord gréép me. Ik bleef daar komen, want ik wilde mijn dorst nu wel eens wérkelijk lessen.
Weet je, wat vooral zo’n indruk op me maakte?! Het gezag, dat er van die leidende broeders en zusters uitging.
Gezag, zoals jullie en ik het allemaal kennen, is innerlijk dikwijls zwak, zit vol barsten. Ik geloof ook nooit, dat zulk gezag het uithoudt, wanneer er een heel moeilijke tijd komt (2 Thess. 2:7). Maar het gezag van deze oudsten vertoonde geen barst. Zij waren bezig om innerlijk sterk te worden.
Daarna is het lang goed met me meegaan. Tot onlángs. Ik kreeg opeens zo’n zware aanval van mistroostigheid. Ik kwam er gewoon niet uit. Ik kon de sam een tijdlang haast niet verdragen. Dat zingen hí¨:
“Breng ze thuis … breng de zondaren in ’t vaderhuis … breng ze bij Jezus.â€?
O, en ik was zélf nergens meer. Verlangde zelfs terug naar de tijd van mijn gezoek bij allerlei bewegingen. Net zo dom als Israí«l terugverlangde naar de vleespotten van Egypte (Ex. 16:3)
En toen belde ik Ján op. Moet je toch je voorstellen: Jan, die mí­j steunde, een jaar, nadat hij mij â€?om het geloof- afbekte. Jan, vorig jaar nog hatelijk en de mensen hatende (Titus 3:3).
Trouwens; zo ben ik ook geweest. Wat héb ik vroeger Joke en Marjan in de zenuwen gejaagd. Ik weet wel, hoe er toen over mij geoordeeld werd: kil, verraderlijk, messcherpe tong.
Maar terzake:
Jan nú … zo liefdevol, zo begrijpend.
Ik zei:
“Ik roep om Jezus, maar de hemel lijkt wel van koper (Deut. 28:23). Wat héb ik toch. Saul riep ook om God, maar God zweeg (1 Sam. 28:6). Ik heb dat altijd zo verschrikkelijk gevonden, maar nu overkomt mij hetzelfde.
En hij:
“Onzin zusje. Ondanks zijn wroeging bleef Saul een ongehoorzame (1 Sam. 28:7). Dáárom kónden Gods eeuwige armen niet onder hem zijn. Maar onder jóu zijn zijn die eeuwige armen wél (Deut. 33:27). Het í­s niet zo, dat Jezus je niet helpt of je niet helpen kan.â€? Het is niet zo, dat die â€?eeuwige armen’ nep zouden zijn, wanneer het er werkelijk op áán komt.
In jouw geloof zitten overtollige ideeí«n. Die geven geen antwoord in de nood van nu. Wanneer die overbodigheden dadelijk afgevallen zijn als dor herfstblad, hólt Jezus naar je toe om de schade te herstellen. En in de situatie geldt ook dí­t: de duivel doet een aanval op jou…â€?
… en toen sprak hij even niet tegen mí­j:
“Ik zeg tegen jou, satan, laat mijn zuster lós! … in de naam van Jezus.â€?
… en toen weer tegen mij:
“Weet je, wat we gaan doen: samen roepen wij Jezus aan. Joke doet ook mee. Met z’n drieí«n (Mat. 18:20); o, wat staan we dán sterk. Je was gehoorzaam, toen je medegelovigen te hulp riep, op het moment, dat het te moeilijk werd voor jóu alleen. Je had misschien ook in je gemeente kunnen blijven met dat hulp zoeken; och, ik wil daarover niet belerend doen. Het is zoals het is … dat hulp zoeken hí¨, wanneer je samen met God weet, dat het daarvoor nu écht de tijd is: dat hoort bij je nieuwe kleren. Die oude kleren van je â€?smiling mask’, je nooit-of-te-nimmer willen laten kennen, die ben je nu aan het kwijtraken. Dat ons-te-hulp-roepen was een overstapje van dood naar levend werk. Op dit ogenblik geeft God als beloning zí­jn vrede in jóuw hart. En nu ga jij je weer aan je gemeente geven met nóg meer plezier. Ja… ja… of halleluja?!â€?

Wat was ik opgeknapt. Ik heb zó gelachen, nadat ik had opgehangen. Vorig jaar nog huilde ik, toen Jan en Joke mij zo afkatten, nadat ik geprobeerd had, het zaad van de blijde boodschap te strooien. Al dat zaad leken de vogels weg te pikken (Matth. 13:4). En nú .. .ik juichte. Zo had ik de oogst in mijn stoutste dromen niet verwacht (Ps. 126:6): niet alleen maar mensen, die zich door jou willen laten helpen, maar mensen, die jóu helpen.
Zondag hadden ze n de sam een nieuw lied; je kent het misschien tóch wel: “Door mijn God zal â€?k strijdend voorwaarts gaan…â€?en aan het eind zing je dan driemaal heel hard:
“Christus heerstâ€?
en daarna roep je uit alle macht: “Hoiâ€?.
En zoals ik “hoiâ€? riep!
 
Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door Gerritse om 19:13 Reageer op dit bericht

Vragen gaarne uitsluitend via e-mailknopje

Lieve allen,

Op 'Bijbelstudie' trof ik 'een hondje van een vraag' aan, die echter geplaatst was bij  'bezoeken', waar ik maar weinig kijk. Maar ik heb mijn vragen liever via het knopje e-mail, waar ik ze direct toegestuurd krijgt.

Dus....als u mij wilt contacten: altijd graag via het e-mail-knopje

Dank
Ger
Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door Gerritse om 17:53 Reageer op dit bericht

4.8.1.4
Wilma Donker: door reserve getemperde blijdschap.

2 december 1982: wat fijn om oma te zijn. Hoor mij toch rijmen. Je kan wel merken, dat het bijna Sinterklaas is. Maar even serieus: ik ben al zesenvijftig. Dan wordt het toch ook wel onderhand tijd.
Toch nog onverwachts was daar Jans telefoontje.
"Je bent grootmoeder. Onze zoon is een half uur geleden geboren."
Wat een feest hí¨, en dan al die omstandigheden er omheen, die het allemaal zo extra blij maken. Dat Jan en Joke nu ook gelovig zijn en getrouwd en dat Joke zo helemaal veranderd is, zo vriendelijk, zo zacht geworden.
Ik was vroeger zo vol onvrede over haar. Ik vond die vriendin van Jan beurtelings een dikke haaibaai en een domme giechel. En nu is ze:
- Jans vrouw
- Heerlijk afgeslankt
- Wijs en vrolijk
- En … zo … warm.

Aan mijn vreugde komt geen einde.
Joke toonde ook zo'n oprecht berouw over haar hoekige optreden van vroeger. Voor mí­j was het toen mogelijk om toe te geven, dat í­k in het verleden óók wel eens verkeerd was geweest. Voor elkáár hadden wij de naam 'ongemakkelijke tantes' te zijn. Waar is die benaming gebleven. Weg … helemaal weg.

's Avonds wanneer ik voor mijn bed neerkniel en bid, zeg ik soms tegen Jezus:
"Het is wáár. Ik bén niet boven vermogen verzocht (1 Cor. 10:13). We hebben volhard in het gebed (Col. 4:2) en aan ons í­s gegeven (Matth. 7:7).
Natuurlijk zijn wij erheen geweest. Marcel was toen nog wat minnetjes, later pas werd het een wolk van een jongen. Volgens mij heeft ie veel van Fred…
Ik bel uiteraard nog wel eens op; laatst kreeg ik Jan aan de lijn. Zoals die jongen toch ook veranderd is in zijn gepraat! Vroeger kon hij zo zwétsen. Vanuit een soort hoogmoed, vanuit een wí­llen shockeren, zei hij soms de naarste dingen. Bijvoorbeeld, dat een groot deel van de wereldbevolking best kon worden afgemaakt, omdat het toch nutteloos was. Dat soort kwalijke gekkenpraat hí¨. Daar is geen spoor meer van over. Hoe is het dan nú?
Ik vroeg hem, hoe het zat met zijn strijden voor het milieu en de onderdrukten en tegen de atoomenergie. Want dat vond ik vroeger toch wel iets positiefs. Hij lachte en zei:
"Ma, op de keper beschouwd, ging dat gedoe buiten Jezus om. Dood werk… dát was het. Nu ben ik lévend werk aan het doen, activiteiten in overeenstemming met Hem. Dat is gewoon góud! Vroéger roeide ik zowat in mijn levensbootje. Ik kwam nergens, ja, toch wél. In de vernieling. Ik zat bij dat vergeefse geroei ook nog eens te rillen in een trainingspakkie, dat me niet warm kon houden; veel te slechte kwaliteit.
Maar nú staan de zeilen van God op mijn boot. Die zijn goed. Nu kóm ik ergens… in de ópbouw. En ik heb sportgoed aan van de hoogst kwaliteit, waterdicht, ventilerend, warmtehoudend.
De duivel had mij in het verleden goed te pakken. Nu ik met Jezus meega, grijpt satan nog dikwijls naar me; hij kan me echter niet vasthouden.
Natúúrlijk: milieuzorg.
Natúúrlijk: in de bres staan voor vervolgden.
Het is goed, je doet er nóg aan mee. Wat zeg ik: ik doe er met meer succes aan mee dan ooit tevoren."
Tjonge, wanneer hij over het geloof begint: het kost je â€?zelfs 's avonds- een vermogen aan telefoonkosten. Ik kreeg hem maar met moeite tot een wat gewoner gesprek. Hij was toen net begonnen in die computerbaan. Ook dáárover had hij al weer hele verhalen. Van mensen, die zo'n ding hadden en er niet mee overweg konden en dan kwam hí­j … enz. enz.
………
Nu ja, zó'n knul; ik ben over de gang van zaken, totaal bezien, heus wel opgetogen.
En ach, al die beeldspraak van hem:
- over dat 'wegzuigen van het stof': dan had de duivel ook niets meer te eten (Gen. 3:14).
- En over de loper, die hij uitrolde voor de gaven van de Geest…
Och, het is Jan hí¨. Deze wat rare, wilde vorm van geloofsbeleving â€?een sekte toch eigenlijk- zal dan wel bij hem hóren…
 
Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door Gerritse om 14:35 Reageer op dit bericht

4.8.1.3.

Fred Donker: leren van je zoon.

1 december: even in de herinnering opfrissen: ik ben Jans vader; hoofdonderwijzer ergens in Zeeuws Vlaanderen. Vroeger was de verhouding met Jan en Joke niet zo best. Maar na hun bekering en huwelijk en vooral na de geboorte van Marcel, is de kwaliteit van het contact optimaal. We zijn er natuurlijk zo gauw mogelijk na de gezinsuitbreiding geweest. Ons eerste kleinkind!
Ik had toen al eens met Jan willen spreken over van alles en nog wat. Niet zo'n uitzichtloze discussie, zoals we die vroeger hadden. Nee, ditmaal lekker opbouwend.
Het kwam er echter niet zo van. Maar heel onlangs heb ik hem weer eens opgebeld. Op de t.v. was een programma geweest over geestelijke gemeenschap tussen Christenen: 'Gemeenschap der heiligen' noemden wij dat vroeger. Het was een soort gedachtewisseling tussen wel veertig mensen. Onbevredigend natuurlijk. Er kwam echter wel dí­t uit, dat de mooie theorie echt niet klopte met de praktijk. Dus ik vraag:
"Of hij dat programma had gezien."
"Ja, dat had hij dan."
"Of hij er ook zo'n chaotische indruk van had gekregen."
Nou, toen kwam hij op zijn praatstoel. Hij zei:
"Pa, laat je nu niet in de war brengen. Wanneer je bekeerd bent en wedergeboren, dan leer je vanzelf al het aardse geknoei af te leggen. Je gaat streven naar hemels werk en dán vind je de gemeenschap der heiligen. Alleen: je moet niet gaan wachten tot de anderen iets doen. Het dient van jezelf uit te gaan.
Neem nu Jezus; werd Hí­j zo verwend met begrip, warmte en bescherming van zijn medestanders?! Nee toch. Maar ondanks alles droeg Hij die warmte en bescherming zelf wél uit.
Ik hoorde daar laatst een mooi voorbeeld van. Een medegelovige kreeg van de oudsten van zijn gemeente te horen, dat hij niet meer mocht profeteren, zelfs niet meer hardop bidden in de sam. Een of ander stom misverstand. Hij gehoorzaamde. Bleef echter, tijdens bedieningen en zo onopvallend, maar heel intens, meebidden. Kijk, dát is gemeenschap der heiligen; geven, zelfs al ontvang je niets; in zijn geval kwam het op Gods tijd met dat ontvangen ook weer goed."

En zo ging het nog even door. Maar toen brak hij zichzelf af:
"Pa, het is mij er niet om te doen om gelijk te hebben (1 Cor. 11:16). Dat wilden veel van die lui vanmiddag. Maar ik leg gewoon mijn mening aan u voor. Wat denkt ú nu?"

En het wérd met toch een gesprek. Kijk, dat vind ik nu zo heerlijk, dat God de hele wereld, ook mij, ook mijn zoon, in het oog houdt om ons â€?zo mogelijk- goed te doen. En weet je, wat ook zo fijn is: dat Jan zich niet laat verleiden door zijn geestelijke groei om hoogmoedig te worden. Hij blijft ootmoedig. Ik ben zijn vader, maar ik wil van hem leren.

En nu zul je zeggen, dat je nog niets van 'het kind' weet. Maar dat komt wel, dat komt wel. Even geduld en dan weet je alles: tot de lengte in centimeters toe. Maar �zeg nou zelf- is dat nou praat voor zo'n oude vent als ik.
Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door Gerritse om 14:47 Reageer op dit bericht

4.8.1.2
Joke Donker: Liefde contra leedvermaak

30 november 1982: Beetje sneu, dat Ger ons zo afknijpt. Maar hij zal zijn reden er wel voor hebben. Laten we dan in ieder geval even vlug bijpraten. Want er is heel wat gebeurd sedert februari. Je weet, hoe het allemaal begonnen is hí¨. Met die toestand van samenwonen en een onverwerkte herinnering aan een abortus en ziekte en …
Nou ja, we bekeerden ons. Toen we werden wedergeboren, hebben we een begin gemaakt met het wegmokeren van al die oude, in de weg staande muren, die ons afsloten van God…

Op 21 augustus werd onze zoon geboren.
Je begrijpt, welke schijn wij wekten: we zetten onze samenwoning om in een huwelijk, omdat we vonden �en vinden- dat God dat van ons vroeg ter afsluiting van elke wanorde uit het verleden. We vonden het een belangrijke bouwsteen voor het krijgen van vrede en harmonie in ons nieuwe leven (1 Cor. 14:33).
Maar: we trouwden op 3 februari en Marcel was er half augustus. Véél hoon gehad.
"Kind, wat onaangepast: móeten trouwen op je 29ste. En er dan een vroom tintje aan geven."
Dat was Loes.
"Waarom ben je niet 'bewust ongehuwde moeder' geworden in plaats van trouwen in de kerk en dat soort doorzichtige falderaldera."
Ik heb haar maar niet uitgelegd, dat hoofd- en bijzaken verwisselde: onbegonnen werk. Ik heb gewoon de smaad van 'onaangepast lijken' op me genomen en ben onder haar bespottingen vriendelijk gebleven tegen haar. En 'van binnen' was ik vol liefde voor haar.
Weet je, waarom ze ook zo durfde? Ik was op dat moment geen cheffin meer. Och, ik vertel nog wel eens hoe dat gekomen is.
Tegen Jezus heb ik gezegd:
"Heer, ik ga mijzelf niet rechtvaardigen. Dat doet U wel (Rom. 8:33). Ik háást U daar niet mee (Jes. 28:16). Al wacht U voor mijn part tot de grote dag, wanneer alle boeken open gaan (Op. 20:12), om onze werkelijke bedoelingen aan Loes duidelijk te maken: het zij zo. Mijn geloof is zo echt, dat er ook geduld in is begrepen."
Ach, en verder; sommige andere mensen leken ook net straathonden, op zoek naar voedsel voor hun leedvermaak. Het kon hun bij dat zoeken niet schelen, waar dat voedsel vandaan kwam, al was het uit een vuilnisbak.
Maar al die dingen hebben mij niet verbitterd ik ben blijven werken in Gods wijngaard. Heerlijke gesprekken gehad met pa, ma, Michiel en nog anderen. Met Frans Montfort bijvoorbeeld. Wat kwám ik met hem 'to the point'. En wat kwamen de Van Dalens tot de kern van de kwestie met mij. Ze vertellen er zelf wel van.
En verder; de bevalling viel niet mee. Marcel is nú een gezonde wolk, maar wat was dat begin vervelend! Weet je, dat ik nog doodsbenauwd geweest ben, dat die syfilisinfectie hem kwaad zou doen tijdens de zwangerschap. Ik heb echter die angst van mij áf en naar de Heer toe gewenteld (Ps. 37:5), (al moest de familie Vonk wel helpen). Alles is nu zo goed, als het maar kan. Het joch is nu al weer drie maanden. Ik werk weer, breng hem elke morgen naar de crí¨che, haal hem om vijf uur weer op. Ja, wat wil je: Jan tot 1 oktober in de omscholing. Maar met zijn nieuwe baan gaat het ook prima. Zeg: hij is wel wat méér dan operator hoor. Hij rijdt met zijn auto mensen af, die iets verkeerds met hun computer hebben gedaan. Dan moet hij dat weer in orde maken.
Lui, wat kaaltjes misschien; maar een paar hoofdzaken weet je dan toch. Binnenkort vertel ik méér.
O ja, dat vriendelijk blijven ten opzichte van Loes: dat was nu levend werk, nieuwe kleding. Verdedigend gerebbel: vale, doodse lompen. Wat ben ik blij dat ik in die val van satan niet getuind ben.
 
Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door Gerritse om 18:42 Reageer op dit bericht

4.8.0.

Hoe Jan en Joke en sommigen uit hun kring hun oude plunje verwisselden voor iets nieuws

 

·       Jan Donker:                       worstelen en boven komen                                       4.8.1.1

·       Joke Donker:                     liefde contra leedvermaak                                         4.8.1.2

·       Fred Donker:                     leren van je zoon:                                                      4.8.1.3

·       Wilma Donker:                  door reserve getemperde blijdschap                        4.8.1.4

 

·       Margo Donker:                   omsingeld en ontzet                                                  4.8.2.1

·       Piet Willems:                     kiene kijk op kernkoppen                                           4.8.2.2

·       Ans Willems:                     eerste kans mis, tweede kans raak                          4.8.2.3

·       Michiel Willems:                postillon d'amour                                                       4.8.2.4

 

·       Paul Donker:                     met de zaak verlegen                                                4.8.3.1

·       Marian van der Stok:         lasso's van alle kant                                                  4.8.3.2

·       Nancy Kuipers:                  zoiets gebeurt toch alleen maar in een boek            4.8.3.4

 

·       Frans Montfort:                  geschudde zekerheden                                            4.8.4.1

·       Jos van Dalen:                  tot meeleven leidende liefde                                      4.8.4.2

·       Diana van Dalen:               ruilen doet huilen, voor háár niet waar                      4.8.4.3

·       Jan Donker:                       … en gij zult mijn getuigen zijn…                              4.8.4.4

 

·       Joke Donker:                     Gods volk wordt uitgeleid, het gaat met vreugde

voort                                                                          4.8.5.1

·       Bart Vonk:                          gedenk de weg, waarin de Here u geleid heeft         4.8.5.2

·       Aaf Vonk:                           een terugtocht            die een opmars bleek                       4.8.5.3

·       Gert Buursma:                  sterke vent … zware verzoeking                              4.8.5.4

 

·       Ilona Verhoeven:                via een keihard absoluut 'nee' in de verkeerde

                                               poot van de V                                                            4.8.6.1

·       Lotty Swagers:                  een nieuwe lente, een nieuw geluid                          4.8.6.2

·       Henk Scholtens:                als een inktvlek in een vloeiblad verbreidt zich

het 'nee'                                                                     4.8.6.3

·       Corrie Bakker:                   het is veel eenvoudiger dan je denkt                         4.8.6.4

 

·       Helma Huygen:                  sta schoor met je schoenen, houd je vast aan

het touw                                                                    4.8.7.1

·       Jeroen Westhoven:           druk bezig om de boot af te houden                         4.8.7.2

·       Niels de Jong:                    wat is het goed, dat er vaders in het geloof zijn        4.8.7.3

·       Lucy de Jong:                    geef je nederige gave aan de Here, koninklijk

geeft Hij terug                                                            4.8.7.4

 

·       Leen de Raad:                   't verstand komt met de jaren                                               4.8.8.1

·       Inge de Raad:                    het verhaal van de vergulde man                              4.8.8.2

·       Jan Donker:                       wat waard is om gedaan te worden, is waard om

goed gedaan te worden                                            4.8.8.3

·       Joke Donker:                     óp naar het nieuwe motto                                         4.8.8.4

 

·       Schreeuwschrik:               het gebruikelijke genijdas                                          4.8.9.1

·       Klankvol:                            positief van vleugeltip tot vleugeltip                           4.8.9.2

 

 

4.8.1.1

Jan Donker: worstelen en bovenkomen

 

29 november 1982: Wél, dat is een tijd geleden. Eens kijken…: de laatste keer, dat we elkaar ontmoetten, had ik mijn ontslagaanzegging per 1 april te pakken. Je weet nog wel, ik zat er hevig mee. En dan nog wel met die baby in aantocht. Nou, die is er; sinds 21 augustus. Ja, dank je, dank je, een jongen hoor: Marcel dus.

Alles goed met Joke. Ze werkt al weer. Het kind is in de crèche. Daarover zullen jullie misschien heel wat willen zeggen, maar laat dat nu maar even. Er is zoveel bij te praten. Ik heb een báán, om maar iets te noemen.

Je weet: ik ben bekeerd en wedergeboren. Maar in mijn dagelijkse gedoe zat nog zoveel werk buiten Jezus om. Ik verzon bij voorbeeld van alles om per 1 april of zo kort mogelijk daarna een betrekking te hebben. Tót ik er opeens aan dacht, dat Joke zoiets gezegd had van… dat we al het dode werk, dat tóch nergens toe leidde, wég moesten doen (zie 3.8.8.2 en ook het motto van dit deel).

Opeens zag ik zo duidelijk dít … ik stopte God wel van alles tóe, maar ik gaf Hem nét niet, wat Hij nu eigenlijk van mij verwachtte: vertrouwen. Ik zei opeens, opgelucht door die ontdekking, tegen Hem:

"Heer, U laat toch de mensen, die in U geloven, niet in de steek. Er zal immers altijd een boterham zijn voor ons én voor Marcel (Ps. 37:25)."

(Want ik rekende er al steeds meer op, dat het een jongen zou zijn).

En toen kwám de oplossing. Gods stem in de vorm van een positieve gedachte, die bij me opkwam.

"Laat je omscholen tot computeroperator. Nee, niet eens tot programmeur, gewoon tot operator."

De mensen zeiden:

            "Dat je niet wat actiever zoekt."

 Maar ik liet mij niet intimideren door dat onbegrip, nu de Heer zo duidelijk de weg had uitgezet. Ik heb Joke uitgelegd, dat ik alles op de kaart van de omscholing had gezet. Van háár kant geen woord van twijfel. Ze zei:

"We wagen dit getweeën en met God als derde (Pred. 4:12). Vroeger hebben we van de welvaart gedronken uit gouden bekers, kan je haast wel zeggen. Maar zélf waren we van hout. En maar klagen … én maar huursubsidie, waar we geen recht op hadden. Nóg meer goud en hout. Nu zijn wij door de hulp van de loutering van Jezuswege goud aan het worden (Zach. 13:9). Al zóuden de bekers van hout worden, dan zoude we nu nóg God loven (Hab. 3:17).

Overigens, met die houterigheid zal het best meevallen."

Wijfie hè!

 

Wel, 1 april ging ik de laan uit. Maar ik had geluk. Kon zó geplaatst worden op een cursus van het Gewestelijk Arbeidsbureau. Door mijn kantoorervaring en studie had ik een voorsprong. Na een half jaar was ik klaar. Had op 1 oktober al een baan ook. Soms denk ik wel: heb ik wel góed geluisterd. Want mijn studie –SPD, herinner je je dat nog-  is er bij ingeschoten. Op zulke momenten bestookt de duivel mij met twijfel. Hij gebruikt er nog bijbelteksten bij ook. De slechtaard. Zo van:

"Je moet de oude palen niet verzetten. Je zat in de boekhouding. Dáár had je moeten blijven."

Ik word dan wat onzeker. Die palen, waarop mijn geloof staat, kráken dan. Ze zijn nog niet helemaal safe. Maar wat niet is, zal komen.

Ik doe dit werk met plezier. God heeft ín mijn hart en náár mijn hart gesproken met dit advies. Hij zéi niet alleen wat, maar raakte ook de goede snaar bij mij aan om mij te laten gehoorzamen.

Wat die palen betreft, waarop mijn geloofshuis staat; ik ga ook het laatste molmgaatje dichtspuiten met kit. Als mijn geloofshuis op steviger palen minder zwiept, dan zal ik mijn gebed nóg beter kunnen richten. Ik ga dán ook zeker bij Hém de goede snaar raken, waardoor Hij mij nog meer kan leren.

Nu wil je natuurlijk nog veel meer weten. Maar ik heb Ger op bezoek gehad, je weet wel, die man, die alles opschrijft. Hij zei:

            "Jan … bekort het nou."

Ik zeg:

            "Maar die gesprekken met pa en ma dan… en met die anderen."

En hij weer:

            "Die vertellen zélf wel. Maar ja, luister: ik krijg last met de uitgever."

"… En die geboorte van Marcel dan?"

probeerde ik nog.

Hij bleef onverbiddelijk:

            "Nee, dat gaat Jo vertellen."

Nou ja, het moet dan maar. Feit is: dat wilde ik toch nog even zeggen, dat ik –geestelijk gezien- bezig ben om me in het nieuw te steken.

 

 

Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door Gerritse om 17:45 Reageer op dit bericht

3.8.9.2

Het 'ja' van Klankvol:

 

Lui…wat een áctie! Ik zal niet zeggen, dat alles nu éven goed gaat, maar wat een léven in de brouwerij.

Eerst was het de dood in de pot (2 Kon. 4:40). Iedereen in het Jan- en Joke-segment had het vergif van zo-op-het-oog goede ideeën door zijn leven gemengd. De denkbeelden waren zo overvloedig te krijgen. Je had er zó een maaltijd van (:38,39). Maar wat wás de smaak bitter. Nu echter komt er volop voedsel van God binnen bij velen van die groep. En … het kwade, ziekmakende, sleeë en wrange trekt weg (:41).

 

Ilona Verhoeven: ik zei daareven, dat niet alles reden tot juichen geeft. Ilona bijvoorbeeld; ze wílde niet meedoen met het goede van God. Toen ze mét Wreedworg terugweek, het duister in, jouwde Schreeuwschrik triomfantelijk:

            "Hé Klankvol; wat sta je daar nou te lummelen… dóe iets!"

Maar wat kón ik doen. Ik had geen aanhechtingspunt in haarzélf. Ik móest toezien. Er was verslagenheid. Zo'n voortreffelijk, door ons bemind mensenkind… Maar: we gingen toch direct weer door.

Lien Smid: de vreugd, toen het bericht binnenkwam, dat Lien zich bekeerd had (Luc. 15:7). O, die prima samenwerking daarna ook met 'de Balearengroep'. De verbinding liep ook zo lekker via de gebedenrelais van veel mensen.

Even dat gevaarlijke ogenblik, toen Erik overwoog, om haar kamer binnen te gaan. Maar God beschermde haar en ook wij hadden in dat beschermen een taak (Hebr. 1:14).

Kees Ruitenbeek: Weer een tegenvaller. We moesten hem prijsgeven. We deden, wat wij konden, maar ijskoud materialisme sloot hem zó af, dat wij voor het moment volstaan moesten met het herstellen van de door hem aangerichte schade.

Carla van Zoelen: die strijd in haar innerlijk is wel zó iets vreselijks geweest. Maar telkens, in die haast in wanhoop innerlijk gezongen liedjes… bij de handopleggingen, bij de gebeden… de naam van Jezus.

Toen de vijand eindelijk in verwarring vluchtte, waren ook wíj bekaf. Zwijgend zijn wij na die titanenstrijd (zie voor iets dergelijks Matt. 4:1-11) even in de rust gegaan. Eén ding wisten wij: Carla zit op het goede spoor!

 

Zeg, maak je van onze mogelijkheden om te helpen en te herstellen, geen overdreven voorstelling. Wij zijn húlpkrachten, bedienden (Hebr. 1:14). Hier en daar kunnen wij wat hand- en spandiensten verrichten, maar het menselijk brein is zó complex. Het échte kwaliteitswerk ligt niet op onze weg. Dat moeten de mensen in samenwerking met Gods Geest toch echt zélf doen. Soms zien zij –zelfs in hun gehandicapte toestand van nú (2 Cor. 4:7)- al dingen, die buiten óns bevattingsvermogen vallen (1 Petr. 1:12). Zulke genieën in de knop zíjn ze nu eenmaal. Dus begrijp me goed: we doen, wat we kunnen. Dat is nu echter ook weer niet zóveel.

Ga ons engelen alsjeblieft niet vereren (Col. 2:18), daar is geen reden voor. Geef eer aan God, die aan jullie al die mogelijkheden gaf.

 

Leontien van Oosterlaak: veel strijd rond dit kind. Goudglans werd mij speciaal voor dit geval toegevoegd. Slijmsluw met zíjn team versterkt Schreeuwschrik. Karel Hartog blundert. Wij komen op verlies. Dan: een schitterende solo gebedsaanval van Jan. En: Ze is weer in de frontlijn!

Helma Huygen, Jeroen Westhoven: Weinig beweging in de situatie. Tegenover de somberheid van Helma had ik géén wapen. Daarvoor ben ik –zoals ik al zei- ook niet de aangewezen persoon. Jan en Joke echter drongen haar brein binnen met nu júist de goede woorden. Zo schiepen zij voor ons een werkbare toestand. Kijk, dat is nu een specialisme, dat de engelenwereld niet in huis heeft. Deze taak, die wij altijd moesten laten liggen, kan alleen maar vervuld worden door mensenkader.

Centraal worden nu bij ons diverse varianten doorgerekend voor een opbouwende aanpak.

Ab en Nel van Baan: Over hen kan ik vol blijdschap op rapport bij Enkelvreugd. Ja, dat wisten jullie nog niet, dit segment wordt zó belangrijk geacht, dat ik mijn verantwoordelijkheid min-of-meer heb mogen overdragen aan een heel wijze, hogere engel. Ik vind dat een eer, hoe beter mensen begeleid worden, hoe heerlijker het is.

Wel: Ab en Nel hadden zóveel mogelijkheden voor aanpak onzerzijds; de Van Dalens gaven zó'n gericht gebedsvuur. In zo'n sfeer groeien stoutmoedige plannen: een goed door Denkdurf getimed contact tussen Jan en Ab. Even een kritieke situatie door een communicatiestoring tussen de families. Maar met Joke als kader zit je op het ogenblik wel zó goed. De Van Baans zijn gered; al ís dat nog geen volledig geconsolideerde toestand.

Wout en Suzan de Waal: vallen eigenlijk buiten de doelgroep. Zijn er echter door omstandigheden mee verbonden geraakt. Wat héb ik in het verleden dikwijls spijtig naar deze mensen gekeken, naar al die ongebruikte, roestende, te niet gaande mogelijkheden. En nú; wérken met dat ene talent, het althans íets laten doen (Matt. 25:27). Het in ieder geval niet meer begráven (Matt. 25:25). Er twéé van maken.

Als dat zo doorgaat, wel, dan weet ik zeker, dat God ze de vijf gaat geven om er tien van te maken (Matt. 25:16).

Die hulp, die zíj aan Carla gaven… nog wel niet zó afgewogen, men kan echter niet alles gelijk willen. Het roest gaat in ieder geval al een beetje van hun tot dusver renteloos liggende bekwaamheden af.

Weet je, wat ook zo leuk is; vroeger hadden zij wel geloof, maar zij genoten er niet van. Pas nu zij wél genieten, maakt dat geloof hen gelukkig.

Frans Montfort:Door Schreeuwschrik opgestookt om Jan en Joke in een moeilijke periode –vlak na die ontslagaankondiging- lastig te vallen. Daar kwam dat uitputtende moment –laat op de avond- nog bij. Slimme, maar falende opzet. Om twaalf uur lieten Jan Joke hem opbreken. In Schreeuwschriks plannen had hij tot vier uur door moeten gaan. Een afzonderlijke werkgroep is onzerzijds achter Frans aan. Wil bekijken, of er ook bij hem contactpunten zijn gekomen door het gesprek met de Donkers.

Karel Hartog: Die jongen heeft iets zó belangrijks, liefde, meer waard dan kennis of wat dan ook (1 Cor. 13:13). Een officier in Gods leger heeft allereerst de van God afkomstige liefde nodig. Kijk nu toch eens, hoe ménsen en éngelen zich om Karel verdringen om hem verder toe te rusten. Ilona viel weg als aspirant-officier. Karel biedt reële kansen. Overigens: hij niet alleen. Wat denken jullie van Jan en Joke.

Jan Donker: zoals Jan met Joke's hulp de strop van de ontslag aanzegging verwerkte. De maníer, waarop zíj dat deed: die is voor ons engelen onnavolgbaar. De hulp van mens tot mens is – in een dergelijk geval- op gelijk niveau. Daarbij vergeleken –en ik zeg dit haast met trots- valt engelenhulp in het níet.

En zijn aanpak van Ab en Nel… gewoon klasse. Die prima tip voor Lien: púntgaaf. Ik denk er niet over om te zeggen: wíj hebben wat aan die jongen. Dat zou een arrogante uitspraak zijn ten opzichte van iemand, die al een leider ís. Ik zeg het liever zó: met heel mijn groep wil ik er naar streven, dat hij wat aan óns heeft. Het plan met dat meisje; ik kén Wreedworg. Legt zich toe op het lange termijnwerk. Ik kon even in Joke's brein binnenkomen met een waarschuwing.

Joke Donker: alleen maar júbel. Zoveel beschadigingen, als er bij haar zijn hersteld. En wat zij allemaal al dóet!

-          Ina, wel zó gewond…

-          En alweer: wij engelen kunnen alleen maar arrangeren, dat zij gelijk bij haar ouders was met Joke. Een heerlijk gesprek. Jan hééft een goede inbreng daarin. Maar de genezing, die Joke brengt … 'Eerste hulp', noemt zij het zelf. Wat een verrukkelijk understatement.

 

En dan een week later: contact met Friesland. De afdeling daar heeft veel bemoeiingen met Astrid. Dat kind hééft haar beschermengel nog (Matt. 18:10). Op zestienjarige leeftijd hebben al heel wat mensen die engel vrijaf gegeven. Zíj niet. Maar haar engel heeft wél assistentie nodig. Joke is beschikbaar. Opgetogen berichten van ginds. Zo'n doelmatige steun… helemaal áf. Ik zeg dat nu wel, dat de beschermengel assistentie nodig had. Maar dat is weer niet corréct! Er moest even een doorbraak komen en daarvoor zijn engelen minder geëquipeerd. Maar Joke had als toekomstig kader de mogelijkheden wél.

 

Het gaat goed, het zal beter gaan. Eindelijk kunnen wij tegenspel bieden aan Schreeuwschrik en zijn bent. Eindelijk zijn wíj in de aanval. Voet voor voet winnen wij… achter de winnaars, de vrijgekomen mensen aan. Samen achter de grote Overwinnaar: Jezus.

 

Wat zijn ze móói: die winnaars! Ik wilde wel, dat Carla's medemensen hadden kunnen zien hoe zij begon te strálen, nadat zij de verzoeking had doorstaan. En wat wérden Lien en Ab en Nel ánders.

De Waal en zijn vrouw; hun kennissen zeggen misschien:

            "Wat wórden ze oud."

Wij –engelen - zijn er ooggetuigen van, hoe zij in hun innerlijk wezen opbloeien (2 Cor. 4:16). Karel Hartog: een held. Jan: een genie. Joke: een onbevreesde commando. Als zij allemaal dóórgaan, dan zal de wereld het zien (2 Thess. 1:10).

Wij –engelen - bemerken nú al, hoe mensen kúnnen worden. Het is een eer om hen te mogen helpen. Ik dank God, dat ik bij míjn grote verzoeking (1.4.3.) de goede keus heb gedaan. De keus om de mens te willen dienen.

 

O jullie … commando's voor de Heer… commandanten voor ons!

Goud ópglanzend in Gods zon jullie baretten.

Rén op de stormbaan, springt, klauter de hindernissen op en af (2 Sam. 22:30). Kruip en sluip desnoods. Knip het prikkeldraad dóór!! (Hand. 16:18).

Altijd zijn jullie a-dem-be-ne-mend… die wapentechniek, die oorlogsbuit, die veroveringen (2 Cor. 10:5).

Val aan … wij volgen!

 

 

3.8.9.3

Afrondende opmerkingen

Zo … deel drie is af; alleen de teksten nog. U begrijpt uiteraard wel, dat ik in 3.8.9.1 en 3.8.9.2 mijn fantasie wat meer de vrije loop heb gelaten dan elders. Ik schrijf bijvoorbeeld, dat Klankvol en de zijnen na het gevecht in en om Carla's 'inner person' doodmoe zijn.

Ik heb voor dat 'afgepeigerd zijn' geen aanknopingspunt met een schriftplaats. Wél schemert er in één engelenverslag iets door van de uitputtendheid van confrontaties in dies sfeer (Dan. 10:20), maar ik acht die vage aanduiding geen voldoende grond.

U denkt misschien:

"Hij heeft zijn verbeeldingskracht in die twee overwegingen al te zeer de vrije teugel gelaten. Zij is op hol geslagen en heeft elk redelijk denken afgeworpen."

Die idee heb ik zelf in ieder geval niet. Ik ben van oordeel, dat ik in het zadel bén gebleven. Overigens; de sfeer in het Schreeuwschrik deel was beklemmend. Ik was blij, toen ik er door was. Blijft ú er óók niet te lang hangen. Het Klankvol deel is toch veel plezieriger! En verder: 3.8 is in zijn geheel van een andere orde dan 3.1 t/m 3.7. Houdt u daar bij uw benadering wat rekening mee. O ja, mogelijk merkt u, dat er ergens een wringing zit tussen dit Jan-Joke-kennissen verhaal en vorige verslagleggingen dienaangaande. Geeft u mij dan even een seintje. Ik dacht overigens, dat het wel goed aaneensloot. Men kan echter nooit weten

.

Denk niet:

"Waarom hebben we weinig of niets gehoord van:

-          Fres, Wilma en Margo Donker, Piet, Ans en Michiel Willems

-          Paul en Marian, Nancy, Gijs en Dicky

-          Jos en Diana van Dalen, Bart en Aaf Vonk

-          Ilona, Gert, Lotty en Henk

-          Corry, Frans, Helma en Jeroen

-          Niels en Lucy de Jong, Leen en Inge de Raad."

 

Deel 4.5 enz. kómen toch nog.

 

 

 

Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door Gerritse om 15:37 Reageer op dit bericht

Gedachte 3.8.9.

Voortgangsevaluatie door de projectbegeleiders:

 

Overwegingen:

- het 'nee' van Schreeuwschrik                                                        3.8.9.1

- het 'ja' van Klankvol                                                                        3.8.9.2

- afrondende opmerkingen                                                               3.8.9.3

 

3.8.9.1

Het 'nee' van Schreeuwschrik

 

Daar zit je dan… met Klankvol, uitgerekend met Klankvol in één gedachte. Gelukkig wél allebei in een afzonderlijke 'overweging'. Toch, allebei: projectbegeleider. Nu ja, het is niet ónjuist. Ook híj is, op zijn beklagenswaardige, jammerlijke manier een 'projectbegeleider'.

Maar wát een verschil; wíj, de 'getrouwen'-onder leiding van 'de Onuitsprekelijke'- houden de mens wég van de plek, waar hij niet hóórt. Nérgens hoort hij, arrogant beest dat hij is. Tussen de koeien en de honden is zijn plaats, daar beneden zelfs. Waar doet echter dat walgelijke wezen een greep naar?! Naar de wereld van de geest; dáár probeert hij binnen te komen onder leiding van de 'vervaarlijke tegenstander'.

Wíj –helden van de waarheid- duwen hem terug: aan óns moet hij ondergeschikt blijven. Wat doet Klankvol?! Hij promoot die mens. Als de armzalige kruiper, die hij is, wíl hij niets liever dan ondergeschikt worden áán de mens. En de energie, die hij met zijn brainstormgroep dáárin stopt … ongelooflijk … huiveringwekkend. In zijn geborneerdheid, in zijn vechten voor een kwáde, verloren zaak, is hij zo doortrapt en gemeen slim.

 

Ja; die strijd in Amsterdam hè; in het Jan- en Joke-segment van mijn sector.

Ilona Verhoeven: een belangrijke overwinning. Het versterkte denkteam is er in geslaagd haar in veiiligheid te brengen. Een heel knappe prestatie van Wreedworg. Hij heeft wél het zwaarste wapen, dat wij hebben, in de strijd moeten brengen. Er is een soort mensen aan het groeien, dat zich bewust wil bedienen van óns. Zij hebben wel onze kánt gekozen, maar niet als onze sláven. Soms lijkt het wel, of zij onze méésters zijn (1.5.5.). Dan kunnen wij gewoon maar opdraven op hún wens (Op. 13:13). Zij wachten nog op hun grote leider, óók een méns (Op. 13:11)!

Wanneer díe komt zal er een soort coöperatie ontstaan. Wij zullen dan toch mensen moeten aanvaarden in een soort machtspositie (Op. 13:2-12), níet als onze marionetten. Maar ja, dat zijn beslissingen op het hoogste niveau (Op. 13:2) … het zou mij nu ook te ver voeren om daar breed op in te gaan.

Kort en goed; de vijand heeft mensen op aarde vól gemaakt met zijn geest. Er zijn nu ook mensen op het slagveld, vol met ónze geest (Op. 13:15).

De vijand laat zijn gemeente, zijn leger groeien. Onze grote Meester heeft óók een gemeente, óók een leger (Op. 13:15). En iemand uit dat leger heeft Ilona geworven als rekruut. Prima werk. Klankvol dacht haar te hebben gewonnen, maar hij heeft ze juist tégen gekregen. Hij zal lól van haar gaan beleven. Merkwaardig was zijn wat aarzelende opstelling. Toen ze weggeleid werd, keken hij en zijn team bedremmeld toe. Ik had wat meer actie verwacht.

En verder:

Jan Donker: houd je niet tegen op dit ogenblik. Wreedworg wil hem ooit eens laten vallen door middel van die dochter van Vonk. Dat is echter een plan, dat járen in beslag gaat nemen. En Klankvol heeft al kans gezien om Joke een hint te geven.

Ik ga nu eerst de frontberichten maar eens verzamelen en comprimeren tot een memo. Het gevolg van mijn onvoorzichtigheid is, dat ik geregeld op rapport moet bij Olieglad, die veel van mijn macht heeft ingepikt. Een snertkarwei: men kan de zaak wel wat geflatteerd voorstellen, maar hij loopt daar niet in… het memo dus maar.

Ab en Nel van Baan: Onder duidelijk vuuroverwicht hebben wij ons hier teruggetrokken. De knechten van Klankvol onder leiding van Denkdurf hadden Ab in een positie gebracht dat hij Jan wel móest ontmoeten. Het werd een naar gesprek. Jan is een kwade kracht aan het worden. Joke sleepte Nel door ons leuke plan rondom die vergeten afspraak heen. Er was een verschrikkelijk trommelvuur van gebeden. Daardoor werd linie na linie even vrij snel doorbroken. Rot, heel rot om het te moeten toegeven, maar Ab en Nel zijn door de bocht gegaan. Definitief verloren positie… ach, wat heet definitief. Toch jammer, dat wij dit punt –althans voor het ogenblik- moesten prijsgeven.

Lien Smid: ze had nóóit naar Spanje mogen gaan. Onze krachten dáár kenden het geval niet voldoende. Zij konden geen tegenspel bieden, toen de coördinatie in het vijandelijke kamp zo gesmeerd verliep. Wéér die gebeden rondom haar. Dáárdoor was de samenwerking bij de overkant zo prima. De verraders in Spanje hadden een sluitend plan uitgewerkt met die Erik. Welk perspectief hij misschien eens ooit biedt… nu bracht hij in ieder geval trammelant.

Ook in dit geval staan wij op verlies.

Wout en Suzan de Waal: zij horen niet in dit segment, nauwelijks in de sector. Zij wáren al in het Klankvolkamp, maar konden worden ingedeeld bij de 'ongevaarlijken'. Maar door allerlei contacten met 'de valse kant' zijn ze bezig, gevaarlijk te worden.

Carla van Zoelen en Kees Ruitenbeek: verdeelde resultaten. Kees is vast in onze handen. Mooi uit de omsingeling door Klankvol bevrijd. Die kréég al greep! Maar wíj hebben deze jongen als een brandhout uit het vuur gerukt. Over hem behoeven wij ons nooit, nooit meer zorg te maken. Die loopt wel met vaste tred als safe zondaar het pad naar het rijk van onze-vader-hier-beneden.

Maar Carla, stomme, gekke, gefrustreerde Carla; een hoop van die 'Christenen nieuwe stijl' er om heen … en maar bidden … en maar hand opleggen … en de jammerbarende naam maar noemen … we hebben een heel vers regiment aan de reserves moeten onttrekken! Veel van onze werkers moesten met verlof, sommigen werden voor lange tijd uitgeschakeld (Luc. 8:31), verschillenden hadden gewoon frontkolder (Matt. 8:29) … Carla ging óók in de vernieling.

Leontien van Oosterlaak: fijn werk van Slijmsluw met zijn stoottroep. Brachten haar in contact met Karel. Die heeft een zeldzaam vermogen om op de goede ogenblikken de verkeerde dingen te zeggen. Een uitstekende confrontatie! Een goede nazorg ook,m et een prima, nauwelijks geïnfecteerd exemplaar uit haar milieu. Hinderlijk tegenspel van Jan. Maar toch… een zaak, die over kan naar het opbergsysteem: redelijk gemakkelijke gevallen.

Karel Hartog: Liet zich goed gebruiken in de zaak Leontien. De vijand besteedt echter een overtrokken aandacht aan deze slappeling. Typisch mismanagement: vermorsen van energie op onbegrijpelijke schaal. Laat hem nota bene coachen door … Niels en Lucy de Jong.

Hoe bestáát het: deze zeer agressieve, verbeten commando's inzetten voor dit zachte ei. Wel, ze doen maar: laat hun topkrachten maar bezig zijn. Karel, die wie is nou Kárel! Klankvol draaft zich ook al het vuur uit de sloffen. Moedigt hem aan om naar bepaalde kringen toe te gaan. Maakt hem opmerkzaam op een baan… de uitslover.

Wanneer de vijand energie verspilt aan een volslagen onbenul, doet kip-zonder-kop Klankvol dapper mee. Voorlopig zit Karel 'daarginds'. Maar dat doet mij nu helemaal níets. Ze mogen hem hebben: die non valeur.

Tja, en dan Jan Donker nog eens hè. Ik moet zeggen, we hadden een verrassing voor hem. Rond dat ontslag hadden wij toch iets áárdigs opgebouwd. Maar hij snééd er doorheen. Nog even dacht ik:

            "Ja, daar gaat ie."

Toen hij thuiskwam, dat gejammer tegen Joke: gaaf, heel gaaf.

Maar zíj weer met haar bidden; en alles, wat zij verder nog in petto had; een spelletje, beetje verwennen, raad geven, liefkozen. O, die vermaledijde 'zachte krachten': om éng van te worden. Nee, voorlopig is hij onbereikbaar. We blijven alert, maar moeten betere tijden afwachten.

Joke: ik mag ronduit zeggen:

            "Een regelrechte rámp, die meid."

De vijand zet haar overal in.

Er gaan onzerzijds berichten naar Zeeuws Vlaanderen en Friesland om te waarschuwen, dat zij er aankomt. Het hélpt niet; onze troepen daar worden overklast door de regionale verraders, die een briefing van Klankvol hebben gehad. Ina komt in haar klauwen… en Astrid. De situatie rond die twee wordt duidelijk slechter.

 

Wel, dat wás het: snikken en grimlachjes, maar: wij géven partij. De vijand heeft een zware aanval ingezet. Klankvol heeft oneerlijk veel versterking gehad. Maar de inzet van mijn overbezette strijdmacht is totaal: wij houden stand!

 

De mens blijft een lastig wezen met peilloze afgronden, waaruit de meest vervelende verwikkelingen kunnen ópkolken. In die troep zwelgen Klankvol en zijn gang. Wij –getrouwen- worden er dikwijls onaangenaam door verast.

Daarom moet je zo'n memo ook met een ruime voorzichtigheidsmarge nemen. Neem nu bij Leontien de term 'nauwelijks geïnfecteerd'… ik vóel het: Olieglad gaat mij daarop pakken:

"Zo … dácht je dat. Laat mij je dan zeggen, dat jouw ondergeschikten honderdmaal beter Rob hadden kunnen nemen dan Richard."

 

O la la, nog éven anders formuleren? Nee… te laat.

 

Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door Gerritse om 14:58 Reageer op dit bericht

3.8.8.2
Joke's feestelijke weten: de beschermende laag ís er!

28 februari: alweer vijfentwintig dagen getrouwd. En nog maar honderdentweeënzeventig dagen weg van die negentiende augustus, wanneer Annemarie komt.
Hé, verstond ik dat nu goed, wat jullie zeiden:
"Maar dan had je op je trouwdag al drieëntachtig verwachtingsdagen achter de rug. Kán dat nu eigenlijk wel Joke?!"
Hè bah… wat flauw… wat vréselijk flauw! Ik heb er echter zélf ook wel mee gezeten. Je weet misschien de toedracht niet of niet méér. Daarom herhaal ik die even kort. Jan en ik woonden al twee jaar samen, toen wij ons bekeerden. Ná die omkeer ging geleidelijk aan mijn ángst om een kind te krijgen over in een verlángen daarnaar.
Iets verder in ons bekeringsproces kwam ook de wens naar voren om gewoon getróuwd te zijn. In hun diverse gevolgen liepen die twee gedachtegangen niet helemaal met elkaar in de pas. Daardoor ontstond die oneffenheid, waar jullie nu een beetje besmuikt om gniffelen. Eigenlijk niet zo leuk…
"O, had je niet bedoeld, mij echt geméén te plagen!?"
Nu ja, laat dan maar.
Wel, Jan en ik verwachtten twee soort reacties, waar wij erg tegenop zagen:
- hilariteit… stel je voor: 28 en 31… en dan: móeten!
- Verontwaardiging: ze zeiden, dat God het van ze vroeg! Larie, het kínd vroeg het.
En laat ik nu dít zeggen: we hebben ons vooralsnog bang gemaakt voor niets. Niemand reageert vervelend, behalve jullie dan; maar dat blijkt ook nu goedmoedig geplaag te zijn.
Nel wist het eerst ervan, maar is een-en-al liefheid. De oude mevrouw De Waal, die schat, kwam op een vrijdagavond, toen ik echt wat moe en stil was. We spraken nergens over. De volgende dag echter stond ze al met een heerlijk gebraden biefstukje voor mijn neus:
"Voor jou alleen,"
zei ze.
"Of eigenlijk voor jullie tweeën."
Nu ja, veel meer weten het, geloof ik, nog niet. Er zijn wel wat lui langs gekomen. Maar die hadden niets in de gaten, lieten in ieder geval niets merken.
En dan zijn er die twee belangrijke, door ons gebrachte bezoeken geweest.
Op de twintigste en eenentwintigste naar Zeeuws Vlaanderen, naar Jans ouders. Op de zevenentwintigste en achtentwintigste naar Noord Friesland, naar de mijne. Ik heb gedacht, ik kan nu nog gemakkelijk reizen, laten wij nu eerst eens naar die twee adressen gaan. Je denkt misschien:
"Menslieve, drie…drieëneenhalve maand onderweg en een bombárie!"
Nee, zo ligt dat niet. Maar ik heb nu ook net die promotie gemaakt, dat eist véél van je. Ik wil dat werk volhouden tot juli toe. Dan kan ik wel met zwangerschapsverlof, denk ik.
En verder: het zijn hele reizen hoor. Ik wilde het eenvoudig niet te lang uitstellen. Het laatst bracht ik jullie verslag uit op woensdag, de tiende. Laat ik dan nu beginnen met maandag de vijftiende. Je weet wel, toen Jan 's avonds thuiskwam en direct uitbarstte:
"De láán hebben ze me uitgestuurd. Ze zaten te wáchten, tot ik beter was. Dán kregen ze de kans. Bos zat me gewoon uit te lachen, toen hij het mij vertelde: de etter. En allemaal proberen de indruk te wekken, dat het kwam, omdat ik zo rot geweest was. Niet waar, niet waar… de hele sector wordt opgedoekt. Door die pestchips, die vuile, vieze automatisering."
Zo raasde hij even door, liet zich toen vallen in een stoel, mompelde:
"Eenendertig… niets bereikt… niets gedaan… dadelijk vader… werkloos… je zult zien: er komt nog méér narigheid (Job 3:25)."
Ik heb gebeden, getroost, afgeleid, gevraagd, wat er nu precies was gebeurd. Ik heb hem gewaarschuwd voor negatieve gedachten, die als het ware de pech naar zich toefloten (Job 3:25).
Hij bedaarde. Ik was toch wel even geschrokken: de oude Jan was er opeens zo uitgekomen. Even later begon hij alweer het stralende, het nieuwe te krijgen.
Toen hij koffie had gedronken en weer achter zijn studieboeken zat, zuchtte hij eens diep… en je kon zien: het nare was wég.

Ik geloof, dat hij wedergeboren ís. Maar het is waar, wat Aaf, de vrouw van Bart Vonk, laatst zei:
"Die tijger-van-een-oude-mens is dikwijls nog heel druk doende. Je moet er niet gék van staan kijken, wanneer hij op de meest onverwachte ogenblikken uitbreekt. Niet gaan twijfelen dan. Als regel wandel je toch in een nieuwheid van leven (Rom. 6:4). Jaag die tijger terug (Rom. 8:13)."
Terugjagen; dat is, wat wij samen deden. Daarmee was die ongelukkige uitbarsting van toorn (Gal. 5:20) voorbij. Daarna heeft hij de ontslagdreiging dapper gedragen.

Weet je, wat zo verlegen makend is: terwijl híj zo onttakeld, vernederd en gefnuikt wordt, krijg ík er zeil-na-zeil bij. Ik krijg eer, ik heb steeds meer voldoening in mijn werk. Stle je voor: een benoeming in de ondernemingsraad! Het is overigens nog heel pás, ik kan nú nog niet zeggen, of ik het zal kúnnen. Maar verder: ik moet als cheffin uiteraard meningsverschillen op de afdeling beslechten. Ik zag er aanvankelijk erg tegenop. Els, Hanny, Sabina. Maar: het gíng. Met de Heer samen was alles zo… haast vanzelfsprekend. Door elke muur van onwil-vanwege-jaloersheid braken wij samen heen (Ps. 18:30).
En dan; je wordt betrokken bij planning en zo. Je gaat zien, welke problemen er zijn, voor met de uitvoering van het werk kan worden begonnen. Er gaat een wereld voor mij open.
Ik kan mij ontplooien; mogelijkheden ontwikkelen; ik krijg al die kansen gewoonweg naar mij toegegooid (Matt. 6:33); en reken maar, dat ik vang!

O ja, er waren zoveel lui geweest hè; ik ben er maar een dagboekje van gaan bijhouden. Frans was dinsdagavond daarop de eerste: laat!; Jan was al uit cursus terug.
Hij stak gelijk van wal:
"Weet je nog Jan, dat je op die receptie zei:
'Neem nog een bitterbal kerel (2.6.4.9)'.
Ik heb er om gelachen, zo léég als dat klonk. En dan te denken, dat je tegenwoordig zoveel te zeggen hébt. Natuurlijk, ik wéét het: je was expres zo oppervlakkig om me uit te dagen. Wel, daar ben ik dan nú voor een stevige babbel."
Nu, dat is wel even pittig toegegaan, tot in de nácht. Hij had allemaal van die 'bewijzen', dat God helemaal niet bestaat en dat niets zeker is. Wij lieten ons echter niet meeslepen in onvruchtbaar geredekavel (Tit. 3:9). We zeiden niet zóveel, maar –naar wij meenden- toch wel duidelijke dingen. Wij pasten ook op voor de strik van het 'nachtbraken'. Denk nu niet, dat hij bekeerd wegging. Zó werkt dat niet altijd. We hadden het woord uitgeworpen als zaad (Matt. 13:3). Of het opkomt, dat weten wij niet (4-icon_cool.gif. Dat zie je soms pas na jaren (Pred. 11:1).
Soms doe je dit werk wel eens met een verdrietig hart. Nu ook weer: we waren moe, hadden eigenlijk op bed moeten liggen. Hij ging –zo op het oog- onbewogen weg. Maar wie weet, zullen wij over hem ook eens een keer net zo blij zijn (Ps. 126:6) als over Ab en Nel, die zondag in de samenkomst en woensdag in de bijbelstudie waren.
Donderdag waren Helma en Jeroen er al weer. Oók weer niet om over naar huis te schrijven. Helma was weer zó somber, zó verslagen. Wij hebben naar beste weten geprobeerd, te troosten. Zúlk een terneergedrukt innerlijk… alleen de Heer kan dat beter maken (Spr. 18:14).

Zaterdagmorgen dus naar Zeeuws Vlaanderen. Al vrij vroeg weg. Wij wilden zo graag wat rondkijken in Veere en in Middelburg. Enige stadjes! Gewandeld, dat wij hebben! Zo goed om wat af te vallen. En een les in zelfbeheersing. Kop koffie nemen zonder uitvoerig gebak er bij. Vroeger –ik heb jullie dat nooit verteld- sloop ik 's nachts wel eens naar de koelkast om wat bij te eten. Ik kon mij dan achteraf voor mijn hóófd slaan, ik kon wel jánken; maar ik móest: verslaafd, gewoon verslaafd.
En nu; die frisse, nawinterlucht, echt trék; en dan: heel bescheiden eten: het was inmiddels één uur geworden. Van elk hapje bewúst genieten, omdat je weet, dat er niet zoveel hapjes zíjn. Samen rustig praten óver en bidden vóór het komende bezoek. Ik heb vroeger zó over Jans ouders geroddeld, vooral ná die ruzie. Nú was er liefde in mijn hart: heerlijk, het leven met Jezus. Dat van vroeger lijkt nu al vér. Mijn hoge bloeddruk, mijn voortdurende verkoudheden… fini!
Mijn gedoe van steeds maar actievoeren: over!
Nú heeft iemand mij gevraagd om de thuisfrontorganisatie van een zendeling te verzorgen. Gebedsbrieven en zo.
Jan, die mij slóeg (2.2.8.5): zo'n belachelijk, vergeten idee! Bart Vonk heeft hem nu gevraagd als leider van het zangkoor. Wat een tegenstelling: een poosje geleden voerde hij nog een spreekkoor aan:
"M.E. … wég er mee!"
Dadelijk staat hij voor een gemengd koor. Heel vroeger moet hij ook zoiets gedaan hebben.
"Let vooral op Ellen",
zeiden Bart en Aaf, een beetje trots:
"Een sopráan, die dochter van ons!"
Ze zijn groots met hun oudste van nú zestien.
Hé, even een schrikje. Het is een knap ding… ONZIN.
Jan kíjkt niet meer naar andere vrouwen, evenmin als ik naar andere mannen (2.2.8.7). Hij noch ik begeven ons verder ooit nog eens in occultisme (2.3.7.5). Eén zo'n doodschrik als toen met die tafel, die in mijn idee écht bewóóg (2.4.6.7): voor áltijd genoeg.
Wat hébben wij toch gek gedaan: je schaamt je er nu gewoon voor (Rom. 6:21). Ik bijvoorbeeld, met al mijn stomme, oppervlakkige boekjes en mijn koopziekte (2.3.7.5). Jan met zijn barricaden: tegenwoordig heeft hij het druk met zijn buurthuis vrijwilligerschap (2.5.8.1). Nu hij weer werkt, houdt hij het toch nog steeds aan.

Mensen, wat dwaal ik áf! Weer even doorvertellen.
Met de veerboot van Vlissingen naar Breskens: een belevenis. Ik kon er nu veel meer van genieten, deze tweede maal dan bij ons eerste bezoek aan pa en ma Donker: de kapel doet mij zó goed.
Nu ja, er ís wel eens wat fanatisme, ook dáár, zélfs daar. Mensen, die hámeren op de doop na bekering –om maar iets te noemen- en toch weinig rijper zijn dan wij.
Jos en Diana hebben zoiets héél anders. Natuurlijk zijn zij óók voor de doop na bekering. Maar ze hébben het er niet altijd over. Zij willen ons er niet naar toe drammen. Zij hebben een begrip, zo wijd als de zee. Hen houd ik, naast Aaf en Bart, terdege in het oog (Hebr. 13:7). Zij allen kennen de liefde, de van God afkomstige liefde.
Elke bekrompenheid is of wordt bij hen weggespoeld. Daar willen Jan en ik óók heen. In Breskens was het niet zo ver meer rijden. Wat ís Zeeuws Vlaanderen nu helemaal. Al tamelijk gauw reden wij het grappige plaatsje binnen, waar Jans vader hoofd is van 'de school met de bijbel'.
……
Herhaling van de clausule uit 0.4:
Elke gelijkenis met thans levende personen en vigerende omstandigheden moet als geheel toevallig worden aangemerkt.
'Donker' is zo'n doodgewone naam. Je moet je toch de complicaties eens vóórstellen, als er toevallig ergens in West- of Oost Zeeuws Vlaanderen een schoolhoofd zou zijn met die naam. Van daar nog eens de inscherping van 0.4.
… …
O ja, zeg, dit er even tussendoor: Jan vertelde jullie, dat zijn vader hem door een opvoedingsfout tot een bitter mens had gemaakt. Voor een goed begrip: sommige mensen laten zich ook wel mirákels gauw verbitteren. Zó erg was het nu toch óók weer niet: ik kén het geval.
… …
Een begroeting, zó hartelijk! Feestelijke tafel:
"We hebben het gemeste kalf maar eens geslacht voor de terugkomst van de verloren zoon,"
schertste pa. Ik voelde mij even een beetje achteruitgezet, maar ma zei:
"Fred, óók voor de ontvangst van onze lieve schoondochter…"
"Ja Wilma,"
zei hij schaapachtig.
Kijk, vroeger zou ik om zoiets zijn gaan mokken; zo in deze geest:
"Hij ziet me niet eens stáán… het is Jan… en wéér Jan… en nóg eens Jan… en 'dan –heel misschien- Joke."
Maar nu verdween dat wolkje direct voor de zon-van-binnen.
Nieuwtjes werden uitgewisseld. Er waren verder geen kinderen thuis. Ma vertelde wel, dat er trouwplannen waren tussen Paul en Marian (2.6.4.9). Marian was ook heel erg bezig met de bekering van Margo eerst en die van ons daarna.
Over Ina was er veel zorg. Koos (2.6.4.9) had een eind gemaakt aan de samenwoning en was bij een ander meisje ingetrokken. Ina had een paar keer wanhopig opgebeld, wél vanuit Utrecht, maar ze was niet meer op het adres van Paul en Marian. Die konden haar ook niet bereiken, ze was dán hier, dán daar.
Ik vroeg, waarom ze dan toch zo betrekkeljk rustig waren. Wel, de oplossing was deze: Ina had 's middags –een heel stuk gekalmeerd- weer opgebeld. Ze zou die avond met een van de laatste bussen komen.
En toen kwam ma met 'de vraag':
"Hoe ís het,"
zei ze:
"Wanneer kómt ons kleinkind?"
Ze keek zó blij en ze zei niets van de spinnige dingen, die ik verwachtte. Ik vertelde van alles en het was allemaal zó goed.
's Avonds héél laat; daar wás Ina. Ik had ze niet zoveel gezien of met haar gebeld. Daarom had ik geen bijzondere band met haar. De tranen sprongen mij echter in de ogen, toen ik zag, hoe zij uithuilde bij haar moeder. De lieve woorden, waarmee die haar troostte, … het deed mij denken aan de manier, waarop God míj getroost had (Jes. 66:13).

De volgende morgen naar de kerk van de Donkers: orthodox-protestant. Die slimmerds manipuleerden ons zo, dat de volgorde was: Jan, Pa, Ina, Ma, Joke.
En maar stralen… en andere bezoekers knikken en lachen.
Er werd een baby besprenkeld met water… een soort 'opdragen'… zo moet je dat zien, denk ik.
Statige liederen zingen uit een boek, dikker nog dan de combibundel. Al die wijzen en woorden echter, bijna volslagen onbekend. Dat baby'tje was zo lief, de moeder keek waakzaam om, toen er even vertraging was bij het binnendragen van dat snoesje.
Ik voelde mij op een merkwaardige manier met haar verbonden; alsof ik een iets jongere collega van haar was.
Ik zeg het allemaal misschien wat onbeholpen, maar ik ben opgebracht in samenkomsten met zangblaadjes en hupse wijsjes. De sfeer was echt ietsjes onwennig.
Maar die dominee…
… had het over de Israëlieten in de woestijn. Die riepen door hun platvloersheid vurige slangen op… monsters eigenlijk. Ze hadden geen verweer, raakten in verwarring. Toen was er echter Mozes met nét zo'n draak van koper. Hij liep er niet mee rond, kwam niet bij de mensen, maakte er ook niet een hele serie.
Nee, maar één, op en hoge paal… en de mensen moesten zelf iets dóen om te genezen:
- kíjken: zich hun zonden voor ogen stellen
- omhóóg kijken: met die ogen, die gewend waren, omlaag te kijken naar aardse dingen.
Eigenzinnig bidden in je tent híelp niet. Nee, met je laatste krachten naar búiten strompelen… gehoorzaam kíjken… al was het van wie weet hóe ver (Num. 21:9).
……
En toen begonnen de mensen in die kerk pepermuntjes rond te delen… hun kinderen bemoedigend toe te knikken; híj begon aan de 'vertaling in begrippen van óns', de 'toepassing', noemen ze dat hier hoorde ik later.
……
Mensen van tegenwoordig hadden dikwijls datzelfde beperkte 'gespitst zijn' op de gewone dingen van elke dag, nét zoals de mensen van tóen (1 Cor. 10:7).
Het was ook nú alleen maar:
"Laten wij eten en drinken en vrolijk zijn, wat morgen is er tóch weer somber nieuws (Jes. 22:13)".
Ook nu kon men –zo handelende- overal de vurige slangen van gevaren verwachten. Radeloosheid alom kon men ook in deze dagen overal zien groeien. Eén remedie ook vandáág: weten, wie je eigenlijk –ondanks al je poeha- wás (Ps. 107:17). Wéten, dat Jezus de vergiftiging van jou had weggenomen (Joh. 1:29), ingedronken (Matt. 26:42), zodat Hij voor jóu 'de Slang' was geworden (Joh. 3:14).
Niet alleen maar genezing en voorspoed van Jezus verwachten, een soort amulet van Hem maken. Zo'n Godsbeeld ging te niet, móest te niet gaan (2 Kon. 18:4).
Nee, Hem aanvaarden, zoals Híj dat wilde, naar Hem toegaan, niet wachten, tot Hij eens langs kwam. Niet eens een eigen vroom ideetje cultiveren, maar voortdurend Hém in het oog houden (Hebr. 12:2).

Menslieve; Gert Buursma zou het niet beter hebben kunnen zeggen.

……
Thuis wilde Ina wel iets kwijt aan Jan en mij. Koos had gewoon gezegd:
"Hoor eens, dat gepraat over God; die ouders van jou, die zo knusjes mij al bij de familie rekenen… ik moet dat allemaal niet. Ik ben nu met Emily."
Zij had geroepen:
"Maar het was toch áán tussen ons. We hadden het toch goed! Doe je mij nu opeens weg?!"
Hij had haar kilverbaasd aangekeken; toen gezegd:
"En wat zóu dat. Ik heb het ooit eens áángemaakt. Nú maak ik het úit."
Even had het er op geleken, dat hij haar wilde begrijpen:
"Maar al ben ik nu dáár… ik kan toch geregeld ook eens bij jou komen? (Spr. 12:10)"
Zo'n vernederd, beschaamd gevoel. Ze was weggegaan bij Paul en Marian, had hier en daar gelogeerd. Nu ging ze proberen, thuis op verhaal te komen.
We hebben haar bemoedigd, zonder nu direct over God te spreken. Die man, die een ander gewond langs de weg vond, begon ook met eerste hulp te geven (Luc. 10:34). Pas daarná was er sprake van: echt in véiligheid brengen (Luc. 10:34).

's Middags, direct na het eten, naar huis. In Antwerpen en Bergen op Zoom nog wat rondgekeken. Wat een weekend.

Donderdag… Ilona nog even aan de lijn. Hield zich erg op de vlakte. Zei, dat ze nu eindelijk een mens ontmoet had van allure. Nee, niet zo iemand van het soort Van Dalen of Vonk. Híj had een heel ándere aanpak. Ze ging zich in die kring wat breder informeren. Ik hoorde nog wel van haar.
Het maakte mij gewoon even zenuwachtig. Er was iets als een afgrond tussen ons. Maar ik kon mij over dat nare gevoel héén zetten.

Zaterdag dus nóg zo'n reis. Behoorlijk vér achter Leeuwarden. Over de Afsluitdijk. In Zurig koffie gedronken.
Heel ander type mensen. Zo gemoedelijk; ja, ik weet het, het klinkt wat vreemd: bij Friezen denk je niet allereerst dááraan, laat ik het dan zó zeggen: het doet wat rustiger áán, wanneer je de Afsluitdijk gehad hebt.
Ik kan veel meer bewust van reizen genieten. Na mijn bekering kan ik trouwens zo intens blij zijn met de hele natuur, het land, de zee, de wolken, de hemel (ps. 8:2).
Franeker en Leeuwarden bekeken. 's Middags om vijf uur bij heit en mem. Ik ben wel geen raszuivere Friezin, maar die 'warme' namen neem je al gauw over. Hier waren ze er allemaal. Ze zijn zo honkvast, de kinderen Willems, met uitzondering dan van mij.
Gerard -24- spoorstudent, Monica -20- laborante. Meestal zijn ze op die leeftijd al lang de deur uit. Maar Gerard vertrouwde mij toe:
"Het huis is ruim, de verbindingen zijn goed en 'Piet en Ans' zijn veel meer thuis dan vroeger. Ook niet meer al die doelloze aanloop van tijdstelers. Stuk gezelliger."
Monica hield zich wat afzijdig, legde dat later zó uit:
"Jullie hebben zo iets beïnvloedends, ik voel mij niet op mijn gemakt met jullie; heus, het ligt niet aan wat jullie zeggen, maar aan wat jullie zijn (met veel reserve: 2 Cor. 2:16). Och, laat me nu maar."
Astrid -16- lief tienertje, was juist erg openhartig. 's Avonds troonde zij me mee naar haar kamer en zei:
"Moet je horen. Hebben we laatst een schoolfeest gehad. Liep helemaal verkeerd. Je weet: de hele avond hossen en springen, op zichzelf best aardig. Maar er kwamen oud-leerlingen binnen. Ze wáren al een beetje dronken, hadden flessen met bier bij zich. Het werd een tróep. Ze werden lastig voor veel meisjes, ook voor mij. Een zo'n oen rukte zelfs de mike uit de hand van de performer, begon er zelf in te blêren.
En het slot: kapotte stoelen, blauwe plekken, bloed zelfs, hele wónden hier en daar. Ik vond het zo rot, je kunt niet eens gezellig uitgaan hier. Ja, daar sta je van te kijken hè… bij ons in het kalme noorden."
Ik hoefde maar te luisteren; ze ging al weer dóór:
"Maar dat is alleen nog maar het begín. Ik was zo stom, er thuis iets van te vertellen. Nou ja, de volgende dag stond het toch in 'Het Mauwertje'."
(streekaanduiding voor de regionale krant)
"In ieder geval het was koren op de molen van heit… en mem… je móet de kat niet op het spek binden hè. Ze zitten niet meer zo vast aan de sam, maar ze grepen toch wel gelijk hun kans. Je snapt wel, wat ze nu zeggen:
'Laat toch de boel de boel, houd het alleen bij de jeugdclub van de sam.'
Maar dat is zo moeilijk; zo'n klein groepje. En ik wíl nog geen keus maken voor Jezus. Niet zo serieus, nu al.
Wat zou jíj nu doen?!"
Ik heb geantwoord:
"Iets heel belangrijks deed ik al. Luisteren. Veel mensen –ook jonge- hebben niet zozeer raad nodig. Ze zoeken allereerst iemand, bij wie ze hun hart kunnen uitstorten. De weg vinden ze zélf wel. Nou ja… niet altijd, maar dat is nu niet van belang. Als wij het nú samen eens aan Jezus vertelden?!"
Dat deden we. Iets later begon ze te lachen en zei:
"Ik heb zo'n mal idee… ik wou het inderdaad méér op die jeugdclub gooien, maar die andere feesten niet helemáál laten lopen."
En ík weer:
"Nu ga ik een paar toch wel gewaagde dingen zeggen. Luister, iemand zegt ergens in de bijbel iets, dat je als volgt kúnt uitleggen:
'schroef je niet op tot een geloofshoogte, waar je nog niet aan toe bent. Je zou er gewoon van in de war raken (Pred. 7:16).'
Er was ook eens iemand, die bij een profeet van God kwam en zei:
'Moet je horen; onder een béétje van het andere leven kan ik nog niet uit. Hoe moet dat nu?'
Die profeet zei:
'Doe dan nog maar even gewoon door (2 Kon. 5:18, 19)'."
"Je bent lief",
zei ze.
"In onze gemeente hebben wij twee dames, die oudsten zijn. Ik denk niet, dat jij met die wilde ideeën van jou kans zou maken op zo'n baan. Maar míj heb je fijn geholpen."

Ook hier hebben we het weer veel gehad over de komende gebeurtenis.
"Weet je al een naam?"
"Marcel." (Jan).
"Annemarie." (ik).
"Marcel én Annemarie." (Michiel).
Gelach.

Zondag een samenkomst meegemaakt, zoals ik die kén en mij ook van vroeger herinnerde: Een vertrouwde problematiek: die tekst, die gaat over mensen, die weigeren te geloven, dat Jezus werkelijk in je gedachten wil wonen (2 Joh.:7).
Het staat er zo hard en onverbiddelijk: dat je zulke mensen niet in je huis moet toelaten (:10).
Zó verhelderend was die preek: het gaat niet over een gewoon gezin, stel je voor: anders had Ina niet eens bij haar moeder kunnen uithuilen. Het gaat over de samenkomst van de gemeente en dan nog niet eens over gewone bezoekers. Nee, het gaat over mensen, die zich geroepen voelen om wat te zeggen of te doen. Wanneer zij niet de volle, blijde waarheid van Jezus kennen of willen kennen, mogen zij niet welkom geheten worden om te spreken. Men moet ze van elke beïnvloeding afhouden, want ze stichten verwarring (Titus 1:11).
Wat jammer eigenlijk, dat zulke duidelijke dingen dikwijls zo ónduidelijk in de praktijk gebracht worden.
Toen ik rondkeek, kwam er een wat trieste gedachte bij me op. In allerlei kerken en samenkomsten werden op dit ogenblik trouwe bezoekers geestelijk geboend en geboend tot ze glommen en blonken. Maar Jezus zei:
"Laat de negenennegentig niet verdwaalde schapen nu maar even alleen en zoek naar dat ene verdoolde (Matt. 18:12)."
En er was toch ook een vrouw, die er wel voor páste, al haar op-tafel-liggend-geld op te poetsen. Ze zocht zich liever wezenloos naar dat ene weggerolde muntje (Luc. 15:icon_cool.gif. Gauw corrigeerde ik die wat wrevele, ongeduldige gedachte: iedereen had regelmatig geestelijk voedsel nodig: tweemaal per week was geen overbodige luxe (Hebr. 10:25).
Toch maakte je rare dingen mee… een zuster vertelde me laatst over een man, die telkens zelfmoord wilde plegen. Hij woonde tien hoog bij haar op de flat. Ze zei, zo echt behaaglijk:
"Wat hebben wij het dan goed hè. Wij wéten, waar we veilig zijn."
Ik antwoordde geschrokken-verbaasd:
"U… u woont vlak bij hem… u heeft een táák."
"Ik heb de huismeester ook gewaarschuwd,"
zei ze.
Kijk, dat is nu, wat ik bedoel: geregeld naar de gemeente, waar God, heil, heling, genezing geeft (Ex. 20:24). Maar daarnáást: toch ook er op uit. Niet altijd alleen maar dat geknus met je gezicht naar de warmte en je rug naar het koude donker daarbuiten, ook eens de gierende wind in voor die kwijtgeraakte mens; ook eens moeizaam ademend in opwervelend stof, zoeken naar een weggezakte, omgevallen medemens. Niet lui dat ene talent zitten weg te bergen, dat je dénkt te hebben (Matt. 25:25), maar vlijtig werken met de vijf of twee, die je blíjkt te hebben (Matt. 25:15).

Toen ik verder keek, zag ik ook de vrouwelijke oudsten. In deze plattelandsgemeente ook díe discriminatie overwonnen. Een geestelijk mens is een geestelijk mens, bekwaam tot elke geestelijke taak (2 Cor. 9:icon_cool.gif. Mannelijk of vrouwelijk, van geen belang (Gal. 3:2icon_cool.gif: een eindelijk overwonnen standpunt.

's Avonds veilig thuis, na die fijne tocht door de IJsselmeerpolders. Weer eens de balans opgemaakt. Het was die middag bedekt, vrij mild weer geweest met al een voorjaarsbelofte.
Werd het al voorjaar binnen in mij? Hoe stond ik er voor?
- Ab en Nel had ik door Gods genade met hartelijkheid omringd. Met koorden van liefde (Hos. 11:4) had ik hen getrokken naar het geluk, wat míjn deel in dat 'trekken' betrof.
- In de omgang met mevrouw De Waal –toch een veel ouder iemand- had ik begrip en wijsheid gekregen.
- Jans inzinking had ik op kunnen vangen zonder moedeloos te worden. De arrogantie van de altijd beter wetende Frans had ik kunnen verdragen. Mijn vreugde was daarbij niet verdoft.
- De verslagenheid van Helma had mij niet geïnfecteerd. De ontreddering van Ina kon ik dapper en beleidvol aanpakken.
- De negatieve uitstraling van Ilona had mij niet blijvend gedeerd. De problemen van Astrid had ik –naar ik dacht- wel goed opgevangen. De gedachten, die in de sam door mijn hoofd flitsten, had ik geordend kunnen houden…

Ik was een leesbare brief gebleven (2 Cor. 3:3). Mijn geloof had geen kras van belang opgelopen. Ik was moedig geweest (Deut. 31:7) en sterker geworden door strijd (Hebr. 11:34). Maar dán… dan werkte de wedergeboorte in mij! Dan trok over mijn kwetsbare innerlijk een beschermende laag. Dan was ik bezig opnieuw geboren te worden.

Tóen bewoog er zich iets in mij. Het kindje gaf een levensteken. Ik riep:
"Ján… Marcel heeft een eerste sein gegeven."
"Annemarie zal je bedoelen,"
plaagde hij.
En we waren zó gelukkig. Allebei droegen we hemels leven met ons mee… en ík bovendien nog een nieuw, jong, pril mensenleven.

En tóch: ik kón het niet laten, ik móest het zeggen:
"Jan, ik denk aan de komende schoonmaak. Dan doen we zoveel waardeloos en overtollig geworden dingen weg. Nu we bekeerd en wedergeboren zijn, behoren wij ook schoonmaak te houden van binnen."
"Je bent me er één,"
grinnikte hij:
"Wanneer het niet over je giropasje gaat, haal je er wel wat anders bij … nú dan de voorjaarsschoonmaak. Maar zég… w hébben toch al veel opgeruimd?!"
"Maar er is méér te doen,"
hield ik vol.

En toen gingen we slapen.

Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door Gerritse om 15:19 Reageer op dit bericht

Gedachte.

3.8.8

Hoe Jan en Joke hun identiteitsbewijs plastificeerden.

Overwegingen:
- Jans ontdekking: ik heb de grote stap vooruit gedáán! 3.8.8.1
- Joke's feestelijk weten: de beschermende laag ís er! 3.8.8.2

3.8.8.1

Jans ontdekking: ik heb de grote stap vooruit gedáán!

Maandagavond 15 februari: Joke en ik zitten wat stil tegenover elkaar. Het was een moeilijke dag. Vanmorgen voor het eerst na mijn overspannenheid naar kantoor. De collega's waren blij, dat ik er weer was. Er is ook aardig wat belangstelling geweest gedurende mijn ziekte: bezoek, een fruitmand, ook een delegatie bij het huwelijk. Toch: iets van een zekere beklemming. Om tien uur: telefoontje; of ik bij de personeelschef wil komen.
"Ja meneer Donker, gaat u zitten. Nog vrij snel hersteld hè… en alweer voor honderd procent arbeidsgeschikt… wel, wel."
De druk, de dreiging is tastbaar.
"Tja, er is hier heel wat gebeurd sedert begin oktober, toen u ziek werd. Die concentratie bij het hoofdkantoor is opeens in een stroomversnelling geraakt. En nú kom ik op ú. U zit bij de afdeling 'opvragingen'. Het werk daar gaat al heel gauw –op 1 april- via het centraal systeem lopen. Wat zeg ik: 1 april? … de boel is nu al operationeel… ja, ja."
Trekje aan de sigaar…:
"Er móeten afvloeiingen plaats vinden. U was nog maar kort bij ons, ook nooit zo gemotiveerd, ongehuwd… laat ik er niet om heen draaien: u zult zich per 1 april als niet meer in onze dienst moeten beschouwen. Een heel eenvoudige casus. Onze rechtskundige medewerker heeft al nagegaan, dat u in een procedure geen kans zou hebben.
Ik weet het… het is hard.
Wat het nog moeilijker maakt, is de omstandigheid, dat u zo betrekkelijk snel hersteld was. Het is immers vrijwel onmogelijk om iemand tijdens ziekte te ontslaan. Ik mag wel haast zeggen: er is geen geluk zo groot, of er komt wel een ongelukje bij."
Korte grinnik…
"Een variatie, zult u begrijpen.
Ik zei dat nu wat snel, wat abrupt zo-even. Sorry hoor, het is heus niet allemaal zonder strijd gegaan. Het principebesluit was al genomen, toen het bericht over uw huwelijk kwam. Iemand suggereerde, dat u daartoe was overgegaan om een sterkere positie te krijgen bij de personeelsinkrimping. Ik heb deze opmerking echter bestreden. Ik héb uw belangen verdedigd. In de projectgroep 'herstructurering' werkten echter bepaalde krachten, die in een bepaalde richting beïnvloedden. Daardoor herinnerde men zich een zekere recalcitrantheid uwerzijds (2.2.8.1) … ook uw … eh… betrokkenheid op de dames onder het personeel (2.2.8.1) … soms uw afwezigheid met onduidelijke ziektesymptomen (2.2.8.3)… uw onwil om tot studie te komen (2.3.7.3) ondanks alle geboden faciliteiten…
Ik heb er op gewezen, dat uw huwelijk nog een religieus tintje had gedragen. Dat kón toch wijzen op een mentaliteitsverandering, stelde ik…
Toen was er echter weer iemand, die over uw driftbuien begon (2.2.8.3.) en over uw ongebruikelijke vrijetijdsbesteding (2.6.4.3).
Geloof me… om elk ontslag wordt gewórsteld, ook om het úwe… maar het ging niet… het gíng niet."
Zo kwamen er nog meer woorden, maar dat doet er nu allemaal niet toe.
"Mijn gunst… 1 april… dan ben ik misschien net nummer 500.000. Kunnen ze mij huldigen,"
ging het door mij heen.
Toen de personeelschef zweeg en mij afwachtend aankeek, had ik echter mijn gedachten al weer onder controle. Ik heb gezegd:
"U zult begrijpen, dat mijn eerste reactie voorlopig is. Ik erken, dat mijn opstelling in het verleden niet animeert om mij in dienst te houden. Ik ben veranderd, maar ik begrijp, dat de beslissing niet is terug te draaien."
"Verder niets?"
zei hij.
"Nee, verder niets,"
heb ik geantwoord.
Hij zweeg, leek wat verbaasd, zei toen:
"Ik zal uw reactie ter kennis van de stuurgroep brengen."
Daarmee was het onderhoud afgelopen.

Op de afdeling meegevoel genoeg.
"Kerel, al zou Bos iets anders beweerd hebben, het gíng niet speciaal om jou. Je zát daar ongelukkig. Beekman, Van Zanten, Hueber, Schut, … de hele sectie gaat er aan. Betrek het niet op jezelf."
En ik zát daar maar; en ik werd niet kwáád en ik schold niet. Ik voelde ook die panische angst (2.3.7.4) van vroeger niet meer.
Ik was alleen zó eindeloos bedroefd, zó gepuzzeleerd, dat dit mij kon overkomen. Ik hoefde echter geen sigaret op te steken om mij er overheen te zetten. Tussen de middag weigerde ik een borrel in het petit restaurant vlak bij kantoor.
Het enige, wat ik nodig had, was hersteld contact met God (Ps. 42:2).
En 's middags, ondanks het werk, bij het maken van een vierkantscontrole, wérd die band hersteld.
Opeens wás het er weer, het wéten: niets kan mij van Jezus scheiden (Rom. 8:35). Al zou ik werkloos worden en blijven, dan zou ik nóg blij zijn met God (Hab. 3:17,1icon_cool.gif. Ook dít gebeuren zou een goed slot hebben (Rom. 8:2icon_cool.gif. Met de Heer zou ik ook deze moeilijkheid overwinnen (Filipp. 4:13).
Ik heb niet eens Joke gebeld. Ik streed het door met God alléén.
En toen kwamen ook weer de positieve gedachten, het was onzin om te piekeren:
"Had ik maar wat langer ziek gebleven. Als ik God niet had leren kennen, hadden zij me nu geen ontslag kunnen geven. God heeft mij werkloos gemaakt."
Wég met die gekke gedachten.
Het was fíjn, dat ik Gods genezing had ervaren. Ik had daaruit véél geleerd. Eerst had ik wel eens gedacht, dat Goddelijke genezing een kwestie was van prompte bediening, zogezegd à la minute. Mijn ziekte had dan wel geen zés maanden geduurd –zoals aanvankelijk gedacht- maar toch altijd nog viereneenhalf. God en Jezus kónden best direct genezen (Hand. 3:6,7), had ik begrepen, maar als regel ging het toch wat geleidelijk (Spr. 17:22). Ik had geleerd om God niet te willen overhaasten (Jes. 28:16). Tjonge, wat hád ik al veel opgestoken.

Op weg naar huis heb ik lang in een verkeersopstopping gestaan. Ik kon helemaal niets doen, maar ik ergerde mij niet (Pred. 7:9). Ik heb de motor afgezet, heb nagedacht en gebeden… een gebeurtenis van nog maar heel kort geleden schoot mij te binnen.
Vroeger was er veel bitterheid in mijn hart. Helemaal aan het begin daarvan stond een toch inderdaad uitgesproken domme aanpak door mijn vader van een situatie (Ef. 6:4). Ikzelf stond echter ook schuldig, want ik had het zaad van bitterheid wortel laten schieten en doen groeien (Hebr. 12:15). Ik was ongezeglijk geworden voor mijn ouders, wispelturig, met afkeer van álle gezag, weerbarstig tegen iedereen. Mijn ontslag was daarvan een verlate vrucht.
Ik wilde dat ontslag innerlijk aanvaarden en God dankbaar blijven, dat Hij die bittere wortel had uitgerukt.
Ik had namelijk een paar dagen geleden alles aan Bart verteld. Wat zei hij ook weer, voor hij mij bediende:
"Jij bent bitter geworden door een verkeerd verwerkte opvoedingsfout. Achitofel was ook zo verbitterd; hij echter door weer iets heel anders. Zijn kleindochter Bathseba (2 Sam. 23:23, 2 Sam. 11:3) was slecht behandeld door David. Die onverwerkte verbittering maakte hem tot een verrader (2 Sam. 16:15) en verwoestte (2 Sam. 17:23) zijn eens zo schitterend leven (2 Sam. 16:23). Als hij toch die verbittering had kunnen overwinnen! Mogelijk had hij dan nog zijn achterkleinzoon Salomo op de troon gezien."

……
Tussenvoeging: Bart zegt dat nu wel, maar er zijn er ook velen, die menen, dat Achitofel níet Bathseba's opa was. Ik stel mij dus wat voorzichtig op, maar twijfel niet aan Barts oprechte bedoelingen. In het algemeen is waar, wat hij met schriftbewijzen probeert te onderbouwen.
……

"Absalom had een volkomen terecht grief, ook al tegen David, zijn vader. Ammon, Absaloms broer, had hun beider zusje, Thamar, kwaad gedaan (2 Sam. 13:14,15). David deed… niets (2 Sam. 13:21). Absalom liet zijn bitterheid doorzieken en Saul verzuurde, omdat hij er zich niet bij kón neerleggen, dat door een fout (1 Sam. 13:9) zijn kans op een blijvend koningschap was verkeken (1 Sam. 13:14). Hij werd er onevenwichtig van. Dezelfde mensen, waarmee hij eerst erg ingenomen was (1 Sam. 18:2,5) kon hij wat later wel dóódmaken (1 Sam. 18:11). Het werd gewoon een bezetenheid (1 Sam. 18:10).
Geen méér algemeen gevaar, denk ik wel eens, dan verbittering…

En daarom raak ik deze bitterheid in de naam van Jezus Christus, de Zoon van God, aan in de wórtel! En aan jou Jan, nu de taak, om hem verder te laten afsterven. Dat kán, als je in het verdorren ervan gelóóft…!"

Het verkeer kwam weer op gang. Terwijl ik optrok, was er zo'n plezierig gevoel binnen in mij. Het giftige plantje ís aan het doodgaan. Een bemoedigende gedachte kwam bij me op:
Ergens was er een molensteen om mijn hals geweest, zwaarder nog dan dit dreigende ontslag: de geschiedenis met Dicky, de eis tot verhoogde alimentatie. Ik had die verhoging aanvaard, ik had betaald (2.4.6.9)… en alles was goed gekomen (2.5.8.9).
Nu had ik mijn ontslag innerlijk geaccepteerd… wie weet, wie weet.

Thuis heb ik alles met Jo besproken. Ze ving me zo fijn op, toen ik toch even uit mijn doen was, nou ja, zeg maar, dat het even leek, alsof ik niets verwerkt had; ik was echt even –zoals ze dat noemen- helemaal 'in het vlees'. Ze leidde mij af met een potje scrabble, bemoedigde mij om toch te studeren. Ze doet mij zo goed tegenwoordig (Spr. 31:12), dat vrouwtje van mij. Inderdaad: het een en ander nakijken, morgen heb ik op de cursus een tentamen.
Terwijl ik me zat voor te bereiden, dacht ik toch even aan de buren. Ik heb de idee, dat goed te hebben opgelost, overpeinsde ik, hoe kwám dat nu? Wanneer ik ze aankeek en naar ze luisterde, overlegde ik niet meer:
"Hier zitten mensen, die je vol moet stoppen met jouw ideeën."
Nee, ik zei innerlijk:
"Die mensen heb ik lief. Ik wil ze optrekken uit de kuil, waarin ze zitten."
En op dat ogenblik herinnerde ik mij de man uit de bijbel… Ebed … Ebed … nou ja, die een ander uit een put moest halen. Hij zei niet:
"Hier … een touw!"
Hij volstond er zelfs niet mee, om dat touw onder de armen van die andere vast te maken. Dat zou al een betere aanpak geweest zijn. Nee, hij deed méér: hij bond om dat koord lappen, zodat de draad onder het hijsen die ander maar niet zou striemen (Jer. 38:12). Wat een gaaf idee… toch gewoon góed… wat een énige vent!
Kijk; en iets van die omzichtigheid bespeurde ik tijdens onze gesprekken ook bij mezelf. En dan dat gesprek met Lien!: Ik zag zó duidelijk, dat er nog heel wat haken en ogen zaten aan die prille verkering met Erik. Ik wist de woorden te vinden om ze te waarschuwen, heel delicaat en algemeen, maar toch wel functioneel (Pred. 8:5).
En dat telefoontje van Carla: ik voelde geen énkele spijt, dat zij een aulaklantje was geworden. Alle zielse wervingsdrang voor mijn eigen samenkomst was wég. Ik aanvaardde, dat dáár haar plaats was.
En dat vluchtige babbeltje met Leontien: ik kon mijn mond houden, toen ze zó –toch echt wel kwaadaardig- reageerde. Direct had ik voor haar gebeden, die macht uit de afgrond gebonden (Matt. 16:19), die haar verblindde.

In mijn koffie roerende, zette ik het nog eens allemaal op een rijtje:
- Mijn vroegere weerspannigheid, onbetrouwbaarheid, onevenwichtigheid, overspeligheid, dagdieverij, onaangepastheid, opvliegendheid, rebellie… ze hádden mij achteraf mijn baan gekost, maar … ze waren aan het verdwijnen.
- De bezorgdheid over mijn komende ontslag woog niet zo zwaar als men zou kunnen verwachten (Phill. 4:6). Ik hoefde niet steeds te denken: "1 april… 1 april…!" Ik kon bij de dag leven (Matth. 6:34).
- Ik zocht geen troost meer voor panische gevoelens in verslaving aan rook of drank. Ik zocht mijn toevlucht in het 'blij zijn met God' (Neh. 8:11). Ik tobde er niet meer over, hoe ik straks voor vrouw en kind kon zorgen (Ps. 37:25). De Heer zou er in voorzien (Gen. 22:14).
- Ik was genezen, ook al omdat geërgerdheid en geprikkeldheid mij niet meer verziekten (Spr. 14:13).
- Ab en Nel had ik in liefde doelmatig kunnen helpen. Lien had ik raad kunnen geven, doordat ik de dingen scherper was gaan zien.
- Carla had ik vrij kunnen laten kiezen, omdat ik zelf bezig was, vrij te worden. Leontien had ik goed kunnen opvangen, omdat hoogmoed bezig was het veld te ruimen voor lankmoedigheid.
Met een schok van blijdschap drong het tot mij door:
Jan!!!:…
- verbittering er uit, genezing er in
- rebellie: nee, ootmoed: ja
- meer liefde, een beter inzicht
- vrijheid en stabiliteit...
Maar: dan heb ik de stap vooruit gedáán… dan is mijn wedergeboorte gaande.
"Waarom zucht je zo?!",
zei Joke.
"Van opluchting,"
antwoordde ik en ik boog mij over mijn studieboek.

Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door Gerritse om 19:18 Reageer op dit bericht

Meer van Jan en Joke

↑ Terug naar de berichten