De wedergeboorte van Jan en Joke Donker, de bekering van sommige van hun vrienden, de belevenissen van anderen van hen.
Gedachte: - Een praatje op straat, een bezoek uit de buurt en wat er áchter zat 3.8.1 - Een praatje op straat, een bezoek uit de buurt en wat er úit kwam 3.8.2 - Ab en Nel áf; Lien en Erik óp 3.8.3 - Verdriet wijkt 3.8.4 - Hoe wolken van verwarring vluchtten voor de zon 3.8.5 - De niet-te-penetreren wereld van Leontien en Richard 3.8.6 - Hoe Karel een kerel werd 3.8.7 - Hoe Jan en Joke hun identiteitsbewijs plastificeerden 3.8.8 - Voortgangsevaluatie door de projectbegeleiders 3.8.9
3.8.1 Een praatje op straat, een bezoek uit de buurt en wat er áchter zat.
Jan: al weer zowat een week geleden, die bruiloft van ons. Maar er is al weer ander nieuws te melden: zal ik je eens wat vertellen: Ik mag aan het werk! De dokter zei: "Meneer Donker, gaat u maar weer aan de gang. Het gaat zó goed met u. Het zou haast gevaarlijk zijn om u nú tegen te houden. Ik heb –eerlijk gezegd- het idee, dat u dán terug zou vallen. Eerst dacht ik: 'Als ik hem naar zijn kantoor stuur, stort hij subiet in.' Nu echter vind ik: 'Dat zo gauw weer beter zijn, moet bepaald een thrill voor hem zijn.' Voor zover u nog niet helemáál o.k. bent, zal die thrill u vlug totaal boven Jan brengen. (Spreuken 13:12). Maandag a.s.: aan de slag!" Wat wás ik blij. Ik zag ook dít weer als een vrucht aan de boom van het geloof in God. Ik ontdek trouwens tegenwoordig zó vaak –ach, bijna altijd- een geestelijke achtergrond. Daar bedoel ik dít mee: het is soms net, of ik afstand leer nemen. Dan zie ik allerlei dingen onder een heel andere belichting … veel … eh … veel helderdere, lijkt het wel. Een voorbeeld: ik zie mijzelf ook niet meer als zo-maar-iemand. Vroeger voelde ik mij vaak zó onbelangrijk. Daarom voerde ik dikwijls actie om in vredesnaam maar iemand te zijn. Maar nú bén ik iemand: een vooruitgeschoven post van God in de wereld. Zo'n heerlijk idee … zo hartstikke, hartstikke motiverend. En ik ben die voorpost samen met Joke. Zij is niet meer 'mijn vriendin', niet meer mijn 'duurzame relatie', maar: mijn vrouw, straks de moeder van mijn zoon. En rondom ons: zóveel wijze, fijne, hartelijke mensen, die ons raad geven.
O; toen ik bij de dokter de deur uit marcheerde, of danste … weet ik veel … had ik zó het idee, elke dag dichter bij God te komen. Nee … ho nou … ik ben nog niet in het beloofde land hoor. Maar ik ben wél op weg en ik heb er zo'n zin aan om alle mensen mee te trekken.
Dat was vanmorgen. En vanmiddag: wie zie ik op straat: een eerste gegadigde voor dat 'meetrekken'. Ik kwam Ab van Baan tegen, je weet toch wel. Wat?! Kan je al die kennissen van mij niet uit elkaar houden?! Nou: de vader van Kim. Ik had het toch eerder over hem?! (2.3.7.9, 2.5.8.1, 2.6.4.1). Hij stond –terugkomend van zijn werk- een meubeletalage te bestuderen. Ik zeg: "Hé Ab; sta jij het mooi van die bekleding af te kijken?!" En hij: "Ja joh … mijn vrouw wil de stoelen nieuw bekleden…" (sinds ze bij ons zijn geweest, gaan we veel soepeler met elkaar om dan eerst (2.5.8.1).) "Ze is toch ongedurig tegenwoordig! Je weet toch, dat Kim altijd zo huilt! (2.3.7.9). Nou, dat werkt zó op d'r zenuwen. Och, ik begrijp haar wel, ze is gewoon hotel-de-botel. Nu wil ze de groene bekleding van de bank af en wit er op; en die groene kon nog best mee." We hadden meteen een praatje. Ik haakte direct gretig in: "Maar dat huilen van Kim? (2.6.4.1). De Van Dalens zouden toch eens bij jullie komen praten (2.6.4.9)… en dat zijn reuze lui." "Dat is toen niet doorgegaan. Wij hebben ze afgebeld. We durfden het níet aan. We dachten; laten we er af zien te komen. Anders veranderen we … misschien heel geleidelijk, misschien gauw, net zoals jullie. Maar hoe dan ook, we zouden het niet volhouden. Die mensen hadden zó'n zee van begrip. Daar zou je met al je tegenargumenten gewoon in verdrinken. Dus, wat hebben we gedaan: die afspraak afgezegd (Hand. 5:13). Maar soms denk ik wel eens: hádden wij ze maar laten komen. Maar ja … nee … toch ook weer niet … ik zal je vertellen, hoe het éigenlijk zit, wat we éigenlijk dachten. Als die mensen zouden bidden hè … zogezegd … en Kim zou rustig worden, dan zaten wij voor ons gevoel ergens aan vást, als je begrijpt, wat ik bedoel." … en zo ratelde hij maar door.
Ik wou op dat moment zó veel zeggen, deed mijn mond al open. Toen was het opeens, of ik Bart hoorde, ach, je weet wel: Bart Vonk, de voorganger van mijn gemeente (2.5.8.7). "Jan, denk er om; je zit op school bij God. Eén van zijn lessen is: wijze beperking in je woorden." En er kwam een gedachte in mij op: nu niet direct gaan preken: laat hem nu even, hij is net zo lekker op gang. En toen begon ik tóch te praten, maar een beetje vlak, niet zo gericht: "Kom toch nog eens een keer bij ons. We zullen het echt niet over dát hebben. Je weet, hoe graag Joke iets lekkers klaarmaakt. Kan zij zich weer eens úitleven." En hij: "Nee, dat is te gek. Twee keer bij jullie achter elkaar! Mijn vrouw is heus heel gastvrij. Door dat gedoe met Kim ís ze wat over haar toeren. Maar ze houdt er óók van om iets goeds te geven. Die ijstaarten van haar … maar sorry: daar gaat het nu niet over. Morgen, dinsdagavond, komen jullie bij ons. Afgesproken?!" Toen het gesprek zó eigenlijk afgelopen was, bleef hij toch treuzelen. Het bleek alsnog mogelijk, om althans iets te zeggen. Uiteindelijk ging hij dan toch écht weg. Ik keek hem na en … en opeens: zag ik hem in een flits, zoals hij was: - zó weerloos … en hij judoot - zó klein … hij is één meter tachtig - zó iel … hij zal zo'n 85 kilo zijn - zó gebogen … hij is een toegewijde trimmer - zó melaats van zonden … die was als witte schilfers over hem heen gesprenkeld … en het is een beste vakman, die weinig vloekt en oppassend leeft (Matth. 9:36). En er was zó'n begeerte in mij om hem wérkelijk weerbaar en groot en stoer en rechtop en schoon en héel te zien. Wie weet: dinsdagavond; maar we gaan niet over Jezus en God praten, hebben we net afgesproken. Hoe kan het dan, dat hij zó zou opknappen. Het zal míj benieuwen.
En nu zeggen jullie misschien: "Onzin, die vent is o.k., er is niks mis met hem, judoot, … trimt, is haast niets te zwaar en is goed voor zijn werk en zijn vrouw. Het is alleen maar jouw wilde bekeringsdrift, die je dingen laat zien, die er heel niet zijn." Ik wil echt niet eigenwijs zijn, ik ga hem bepaald niet opzettelijk beïnvloeden morgenavond. Ik heb het beste met hem voor … héus … maar ik kan het niet helpen: zo zág ik dat nu eenmaal. Nu ja, jullie worden wel op de hoogte gehouden.
Nel: … ik zit nog wat in bed met een boek. Maar van lezen komt niets. Zoveel dingen om over te denken …
Vanavond om acht uur werd er gebeld. Ab schrók toch! Hij zei: "O verrek … sorry hoor. Gisteren afgesproken met Jan en helemaal vergeten aan jou te zeggen." De zenuwen gierden door mijn keel. Ik had hem wel ik-weet-niet-wat kunnen doen. Maar toen er wéér gebeld werd, síste ik hem toe: "Sukkel, ga ópenmaken, en laat niets merken." Hij repte zich met een rood hoofd wég en ik probeerde gauw mijn gedachten te ordenen. T.v. uit, vlammetje bij de open haard –die ligt gelukkig altijd klaar- … naar de keuken hollen … mij gék prakkiseren: wat zet je ze vóór. Hoe kan je zorgen, dat ze niets in de gaten hebben … hoe houd je dat een hele avond vol … de koffie! O ja, het apparaat was al bezig voor Ab en mij … en dan naar binnen, gelijk met Jan en Jo, lachend zeggen: "Wat énig zeg, dat jullie nu eens bij óns komen!" En toen ging het masker af. Ik begon onbedaarlijk te huilen. De mannen keken bedremmeld. Joke echter was in één stap bij me. Ze sloeg haar arm om mij heen en zei: "Kind, wat ís er?!" Ik voelde mij opeens zó moe, zó uitgeput. Toch was het, of er een spanning van mij afviel. Ik hikte zo'n beetje. "Ab had niets gezegd. Het overvalt me. Ik heb niets in huis. Ik schrik me gewoon rót." Toen lachte iedereen … ik lachte mee … en het ijs was gebroken. Ja, en daar zaten we dan, koffie met gevulde speculaas, nóg het beste, wat ik op dat moment in huis had. Ik mopperde wat op die domme Ab, vertelde van de heerlijke pruimenvlaai, die nu hun neus voorbij ging. De schuld had híj, met zijn vergeetachtigheid. Jan: "Ik dacht … Ab zéi, dat íjstaart je fort was." Opeens schoot mij te binnen, dat ik nog een stuk in de diepvries had staan van het feestje van zaterdag. Ik weer weg om het eruit te zetten. Als ze een beetje lang bleven, zou dit restje eetbaar zijn. Toen ik weer binnen kwam en ze zag zitten, had ik toch zo'n typisch idee. Net, of ik een kind was, dat vol verwachting een nieuwe school binnen stapte; elk ogenblik konen de lessen beginnen. En Jan en Joke waren onderwijzer en onderwijzeres. Ik soesde wat weg, dacht toen opeens heel fél: wat zijn ze ánders geworden. Nog tot voor kort hadden we weinig contact. De indruk, díe je kreeg, was: hij een rauwdouw, zij een kapsonesmens. En nadat ze 'daarbij' gegaan waren: "Jezus helpt ons tegen alle vijanden," zei Jan, toen wij die keer dáár waren: "Hij wil alles, wat lelijk is en ziek, mooi maken en beter." Dat was fijn om te horen, Jan. Maar waarom zeg je nú niets. Waarom zit je nú te praten over de nieuwe eisen van de werkloosheidswet … ik wil iets anders horen. Ik zou Joke en jou wel vast willen pakken. Ik zou wel willen róepen: "Ik wil met jullie méédoen. God is mét jullie, als ik mee ga, zal Hij ook met míj zijn (Zach. 8:23)." Ik kan er niet meer tegenop. Kim, die in plaats van een huil-úur er zés heeft, verdeeld over de meest onverwachte tijden. Het is zo'n liefje, maar dit is zo verdrietig. Waarin schieten we toch te kórt. En toen was er Abs stem: "Hé Nel, ben je er niet helemaal bíj?! Moeten wij nog niet een tweede kopje?!" Ik schóót omhoog. He tóe, nou niet zeggen: "Wat rolbevestigend." Ik bén nu eenmaal zo, gasten vind ik zó belangrijk; het mág ze gewoon aan niets ontbreken. "Ik ga even mee", zei Joke. "Je had toch een nieuwe vaatwasser, die wil ik wel eens zien." Toen wij in de keuken stonden, brandde ik los: "Waarom zeggen jullie niets over God? Is het niet aan ons bestééd?! Zijn wij er niet goed genoeg voor?" Ze lachte, sloeg weer haar arm om mij heen, zei: "Gekkie, het zou héél goed aan jullie besteed zijn. Jullie zijn geweldig leuke mensen en je zou veelbelovende Christenen kunnen zijn: ik bedoel, Christenen, waar je veel van kunt verwachten … Weet je, we wilden beslist niet over Jezus beginnen. We dachten, dat jullie daar helemaal geen oren naar zouden hebben. Daarom hebben wij iets anders gedaan, je mag driemaal raden…" Ik wíst het al. Ik riep: "Kím! Al uren stil!!" "Juustem." (Joke weer): "Wij hebben voor haar gebeden. Kom, laten wij die vaatwasser nu maar vergeten. Zullen wij even bij haar gaan kijken?!" Wij liepen naar Kims kamer en daar lág ze … zó lief … zo helemaal óvergegeven … zó tóegewijd was ze aan het slapen. Mijn hart liep vól met blijdschap. Ik zei: "Doet God zúlke dingen? Daarbij vergeleken is elk gewoon plezier helemaal niets. Met de kerst hebben wij in zo'n bungalowkamp gezeten. Dat leek het einde. Verwarmd zwemmen, terwijl de sneeuw op je hoofd dwarrelde. Maar dít is veel en veel geweldiger." Zij keek naar de peuter met zúlke stralende ogen. Het leek wel of ze mij even niet hóórde. En opeens zag ik ook dát. Ik riep: "Joke, je krijgt een baby. Ik zie het. Niet aan je figuur, maar aan je ogen." "Schenk gauw koffie in" zei ze, haast wat ontdaan, leek het; maar tóen, weer blij: "Dan praten wij daarover óók bij."
Binnen riep Jan goedmoedig: "Wát… slagroom óp een bokkepootje bíj de koffie. Zeg, wat doe jij eigenlijk wanneer je de mensen wél verwacht." Daarna gingen hij en Ab weer door met hun gesprek, dat nu een andere wending had gekregen. Het ging over vliegende schotels, een hobby van die-van-mij. Ondertussen praatte Joke míj bij. Ze vertelde: "Ik was zo bang voor kinderen krijgen. Die angst bestemde mij gewoon vóór om kinderloos te blijven (2.4.6.2). En toen was er zó'n wonder in mijn leven. Gód nam die angst weg en ík gooide mijn pillen weg (2.5.8.4). En nu verwacht ik mijn eerste. Dat zeg ik expres zo, want ik verlang nu al naar een écht gezin." Ik onderbrak haar: "Idealiste; wij hébben er dan een, nou haal uit je winst. Ik was niet voor niets zo zenuwachtig, dat ik om zo'n kleinigheid daarstraks een huilbui had" Ze leek wat verwonderd, zei toen: "En daarnet heb ik je verteld, waarom Kim nu zo stil is!" En toen tegen Jan: "Jullie begonnen over UFO's en ik hoor, dat het nu al over Jezus gaat. Wij wíllen nog maar over die vaatwasser van Nel begínnen en het ging ook al over Hém. Dat houd je niet tegen, dat wíl ik trouwens ook niet. Overigens: moppig toch eigenlijk. Ik hield mijn mond erover, hoewel het bijna onmogelijk was (Hand. 4:20) en toen begon Nel zélf van alles te vragen: hoe zit dit en hoe zit dat. Toen heb ik maar verteld, dat wij voor Kim hadden gebeden. Weet je, we moeten nóg meer leren meedenken met God. Het is goed, dat je niet in het wilde weg begint. Maar wanneer Hij dan tóch een gelegenheid geeft, dan behoor je die ook te gebruiken (Col. 4:5) … en zo'n gelegenheid gaf Nel mij."
Ab zei opeens: "En ík gaf Ján de gelegenheid. Zo gezegd: open doel. Maar dat wil niet zeggen Jan, dat ik het over alles met je eens was. Eén ding moet gezegd worden: in die paar maanden ben jij al ver gevorderd, broer … je bent gewoon een onderwijzer in dat soort dingen." Hé, dus die gedachte had híj ook, dat je onderwijs kreeg, wanneer mensen, die bij Jezus hoorden, je de dingen vertelden, die zij hadden meegemaakt … "Alleen; ik kan je lessen niet goed begrijpen. Misschien wíl ik het ook niet. Je praat hetzelfde soort Nederlands als ik. Maar het lijkt wel 'taal van een andere planeet'. Zeg, weet jij, dat ik vroeger ook wel eens zulk soort mensen heb ontmoet, zoals jullie het nu aan het worden zijn. Maar ik snap niet, hoe het kwam; zulke dingen begrijp je natuurlijk nóóit. Maar: een néérgang opeens bij die lui! En nu zijn ze weer net als vroeger; néé, minder dan toen. Zie je, daarom láát ik het bij toekijken. Ik steek mijn grote teen in het water. Ik wil desnoods wel pootjebaden. Maar mij helemaal aan die toestanden óvergeven … nee, dát toch maar niet (Ez. 47:3-5)." Ik riep: "Maar wat hebben we nú dan. Zo saai, ik hóef eigenlijk geen nieuwe stoelbekleding, maar: het huishouden … en zo'n klein, lastig mirakel … je wordt er gewoon tureluurs van. Waarom doen we niet met Jan en Jo mee?! Ik wil wel eens een verzetje, iets héél anders. Als Kim hierdoor rustig wordt, vind ik dat heel wat waard." En hij weer: "Luister; Jan en Jo zijn me goed en best. En tóch zouden ze een slecht contact kunnen zijn. Je vindt het allemaal aardig en je gaat eens mee en dadelijk lopen wij met een gele jurk aan en ons haar in een vlechtje."
Terwijl wíj zo kiften, zaten Jan en Jo rustig en een beetje geamuseerd naar ons te kijken. Ze zeiden niets, ook toen Ab dat zei van die gele jurk en dat vlechtje. En hij zei nog meer, ik weet niet allemaal wat. Even dacht ik: nee, dit is niet leuk, ze laten over zich lopen, ze zijn niet flínk. Het geloof in Jezus maakt een slappeling van je. Maar toen begon Jan: "Je zei daarstraks: 'Hé broer', zo maar als een losse opmerking. Zal ik jou eens wat vertellen. Wanneer jij Jezus gaat volgen, word je zíjn broer en ook de mijne, maar niet op een losse manier, maar héél stevig. Je gaat niet met een gele en je gaat niet met een rode jurk lopen en niet met een vlechtje en niet met een bloemenkransje. Je hoeft niet huis-aan-huis te bellen met een tijdschrift. Je hóeft niet allemaal van die showerige dingen te doen. Wij hébben iets 'van binnen' en jíj zúlt iets 'van binnen' hebben. Uiterlijke dingen zullen niet nodig zijn."
Toen dacht ik opeens –heel onlogisch- aan het stuk ijstaart. Ik herinnerde mij ook dat halve flesje advocaat, dat er nog stond. Na het smullen gingen ze vrij gauw weg. ER was geen discussie meer. Maar ik hield echt de indruk van een fijne, afgeronde avond. Wat gezegd móest worden, wás gezegd. Er kon heus niets meer bij. Samen met Ab heb ik nog lang naar slapende Kim staan kijken......
Wat ben ik toch blij, dat ik toen de goede keus deed. Die strijd van toen om die eis van God te verwerken. Eindelijk, de doorbraak: het belijden: “Het is goed, o Almachtige, laat het nieuwe wezen dan meer boven ons geplaatst worden…” Toen: de vreselijke scheiding van de geesten en de vernieling van de planeet. Daarna de opbouw, de uiteindelijke schepping van de mens; zijn val… en daarna de steeds op en neer golvende strijd om de mens. Ik heb de mensen leren liefhebben, steeds meer. Altijd maar door trachtte ik het vertrapte overeind te helpen. Wat heb ik meegestreden om toen aan die jonge priesteres in Zuid-Amerika het licht te brengen. Wat een overwinning om die ziel vanuit dat vernederde, vernietigde, verkoolde lichaam te mogen brengen in de veiligheid (1.8.4). God wil de mensen met zijn Heilige Geest geestelijk bevruchten, Hij wil hen heel maken en heerlijk. Ik heb geleerd, hetzelfde te willen als God. Zij boven ons. Zij kinderen, wij bedienden. Het doet geen pijn meer, de gedachte veroorzaakt vreugd. Maar: het lukte niet. Het bleef bij een overwinning hier, een victorie daar. Algehele verloedering konden wij voorkomen, meer ook niet. De basis voor de tegenaanval echter bleef. Jezus kwam, zag en overwon. Ik heb zijn strijd kunnen volgen, adembenemend, onvoorstelbaar. Ik heb die strijd kunnen waarnemen, totdat de nacht zich drie uur lang spreidde over dat gedeelte, dat niet te bevatten was. Toen die woorden: “Het is volbracht…” Daarna werd alles anders. Het werd: veel nederlagen, eeuwen van neergang, maar toch: een steeds groeiend leger van mensen, die gingen ontdekken, wie ze waren in Christus. We winnen… we winnen; ik begin aanvoerders te ontdekken onder die zich bewust wordende mensen, officieren voor onze engelen-detachementen.
Al eeuwen lang heb ik als werkgebied een sector van een grote stad in een land met de mensennaam: Nederland. Schreeuwschrik is de agent van satan in dat gebied. Een heel harde jongen met geslepen raadgevers, adviesbureaus in menigte, verbindingslieden, rechtstreeks met de districtscommandopost; kortom: de duivelse greep op die hele frontsector is prima georganiseerd. Wij engelen echter, winnen ook daar aan kracht. Dat blijkt op dit ogenblik in een segment vol met aardige jongelui vol sluimerende mogelijkheden. Er is daar een vrouw, die uitgesproken officierskwaliteiten heeft: Ilona Verhoeven. Maar ze zou ook officier kunnen worden in het tegenleger, dat de duivel aan het vormen is. Daarom is de strijd om haar ziel ook zo verbeten. Echter: voor Lien Smid zetten we ons toch ook hard in en Carla van Zoelen ligt ons al even na aan het hart.
Ik heb ze zo lief: Kees Ruitenbeek en Leontien van Oosterlaak en al die anderen. En ik weet, dat via al mijn helpers, raadgevers en verbindingslieden de liefde van God en Jezus uitgaat naar Helma Huigen en Jeroen Westhoven en Corry Bakker. En op dat belangrijke, heerlijke front bereikten we toch een penetratie…!!! Jan Donker en Joke Willems waren de meest bereikbaren. Hun ouders baden onophoudelijk, krachtig, volhardend. Op de draagkracht van die gebeden kamen we soms vlakbij. Toen maakte de vijand die grove fout… hij bracht ze voortijdig tot wanhoop en in hun diepe angst werden ze toegankelijk voor de krachten van Gods licht en liefde. Het hele veld is nu in beweging: we hebben zelfs toegang tot Ilona’s brein. Voortdurend vergaderen we in juichstemming. Het schadeherstel bij Jan en Joke vordert goed; alleen die hartstocht bij hem voor vrouwen; die sluimert nu, maar dat blijft goed uitkijken.
Bij Lien en Helma en Carla is het eerste renovatiewerk gestart, rond Ilona is de strijd fel, maar de vijandelijke linies liggen zwaar onder vuur. O; ik ben zo blij; nu al; al die kostelijke mensen te zien veredelen; wat zal dat dadelijk worden, wanneer Gods rijk barstensvol loopt met koningen, wanneer elk engelenregiment volledig van mensenkader is voorzien. En: we gaan op pad naar steeds groter vreugde.
Wat besta ik toch al weer lang… wat gaan mijn herinneringen bijna oneindig ver terug. Die verre, verre voortijd… je wilt het wegmoffelen, maar toch…; toen die onzinnige keus, waarvoor de vijand ons plaatste, het verbreken van de banden met de ‘verraders’, het samen optrekken met de andere getrouwen. Het aanbiddelijk leiderschap van de ‘Verhevene’ en altijd het grote doel: het wezen, het smerige, in een bed verwekte dier, behoort vertrapt te worden en vernederd en vernietigd en vervuld met onze gedachten en verziekt en verscheurd… zo wil het de Leider. Maar de vijand wil dat wezen laten opstaan. Hij wil het herstellen en het de hoogste eer geven. Hij wil het wezen, die vervloekte mens, heel maken en gezond. Hij wil die mens met zijn geest vol maken en hem boven ons plaatsen.
Eeuwen en eeuwen – om dat dwaze, bekrompen menselijke woord nu maar eens te gebruiken – woedt de strijd nu al. Eerst waren wij zonder twijfel winnaar met een enkel tegengoaltje. Toen is ‘de vervaarlijke tegenstander’ gekomen. Na zijn gemene inmenging maken wij meer doelpunten dan ooit en toch… we hebben niet alle mensen meer in de houdgreep. Er zijn er, die opstaan en niet meer zijn neer te krijgen. Ze kloppen het stof van het op de grond liggen van zich af. Ze krijgen oog voor de gevaren, waarin ze verkeerden en voor de kansen, die ze hebben. Wanneer er veel van dit soort ellendelingen komen, zullen we naar de hardste middelen moeten grijpen. Als er onder hen zijn zullen, die zich vol zuigen met de geest van de vijand, dan zullen wij ervoor zorgen, dat er anderen verschijnen, die gedrenkt worden met de Geest van de Meester. Sponsvol zullen ‘die van ons’ zijn. Als ze het toch verliezen, zullen we terugkomen… en als wij het dan weer verliezen… neen, neen, niet aan denken…
Al ‘eeuwen’ lang heb ik als werkgebied een sector van een grote stad in een land, dat de daar wonende menswormen Nederland noemen. De vijand heeft in ditzelfde gebied Klankvol – de walgelijke naam alleen al – gestationeerd. Smerige verrader vol vuile, vuile trucs. Natuurlijk worden wij allebei gesteund door denktanks, begeleidingsgroepen en adviseurs. Maar het veldwerk, waarin we allebei ook weer onze aides-de-camp hebben, is toch voor ons. Grimmige gevechten zijn er geweest. Maar nog nooit was het zo bar als nu. In mijn sector is er een heel bewerkelijk segment met honderden min of meer samenklittende jonge mensen. In het middelpunt daarvan Jan en Joke, vast in mijn handen, ondanks op hen gerichte gebedsbundels.
Wat is er nu gebeurd? Eén van mijn helpers pest die twee te erg. Ik zeg nog: “Uitkijken nu, pas op voor Klankvol!” Maar mijn assistent zegt: “Hè baas…! Een klein voorschotje; ik weet wel, later kan ik maar aandrinken uit een kelk, altijd maar vol wanhoop en verbijstering; maar ik kán niet wachten”. Ik ben even niet kien genoeg, neem ook een teug… en Klankvol maakt van de gelegenheid gebruik! Hun radeloosheid maakt hen ontvankelijk voor de gebedssignalen en de verrader met één van zijn beste krachten penetreren. Deze twee wezens – in hun terminologie Jan en Joke – keren zich tot de vijand en via hen dringt die vijand diep in een hecht bolwerk door. Lien is natuurlijk direct het haasje – nu ja; dat is wel zo’n flutoverwinning – maar Carla volgt, Kees wordt bedreigd, Leontien krijgt averij en wat het allerergste is… Ilona komt onder het vuur van hun artillerie te liggen! En ten diepste gaat het om Ilona, een officier in spé voor hen of voor ons; al die anderen: voetvolk, belangrijk, maar niet zo super-belangrijk als Ilona.
Daarbij dan nog het teniet doen van veel goed werk bij Helma, hier en daar nog wat deuken in de linies… Jeroen, Corry; alles bij elkaar: dure slokjes! Natuurlijk op rapport. Verwijten, maar het loopt voor mij nog tamelijk goed af; een speciaal team zal in het bijzonder de situatie rond Ilona bestuderen. Voor Jan is al een leuk plan; we pakken hem via de seks, maar laten hem eerst wat betijen. Het klinkt allemaal goed, maar Klankvol zit ook niet stil. Een adviesgroep staat ook hem bij om het gewonnen terrein vast in de hand te krijgen. O, wat een toestand! Nu, in de actietijd, word ik al gefolterd… hoe zal het dan zijn in de werkeloosheids-eeuwigheid, die komt…
2.6.4.9 Jan en Joke; deel van Jezus’ plan om mensen te redden uit allerlei gevaarlijke situaties
Jan: het is voorbij. Het splinternieuwe trouwboekje ligt op tafel. De bezoekers zijn weg...Wat een dag; vanmorgen, we waren nog druk bezig met de voorbereidingen: Paul en Ina met aanhang (2.5.8.1) uit Dordrecht.
“Jongens, wat zijn jullie vroeg! Ik sta net klaar om naar het station te gaan om pa en ma en Margot te halen”. “Nu ja”, zeiden de meisjes: “Ze wilden wat helpen”. Lief wel, en het kwam goed uit. Lien had opeens wat, kon niet. Ik praatte nog even met Paul. “Zo gek”, zei hij: “Helemaal geen cadeaulijstje. Ach natuurlijk; jullie hebben alles al. Ik kan er maar niet aan wennen, dat jullie zo opeens gingen trouwen. Marian begint nou ook al”. Koos kwam er ook bij, zei: “Ik vind het maar link, ik hoorde laatst van een stel, dat al jarenlang samenwoonde. Toen ze een boterbriefje haalden, ging het mis”. Ik vond het maar een rare opmerking van een jonge snuiter, die ik net voor het eerst zag. Ik wou iets gaan zeggen, had er net uit: “Zeg, doe me een lol...”, maar Paul riep alweer: “Denk er om Jan, geen preek. Wij voelen alleen maar voor koffie en tulband”. Nou, die kwamen er al aan en ik naar het station. Ik dacht wel bij mezelf, tijdens de tocht: als het zo doorgaat, wordt het wel een mooi gekkenhuis vandaag. Maar daarna liep alles weer fijn; die warme handdruk van pa, die klapzoen van ma, jaren van vervreemding vielen weg. Onderweg werd er niet veel gepraat. Thuis echter was er wel gelegenheid voor een babbeltje met ma. “Je bent bij Jezus”, zei ze: “Maar dit soort kerken is nogal wild, eigenlijk zijn het meer sekten. Vind je dat nu niet eng? En telkens is er bij dit soort geloven een splitsing. Zul je dat kunnen verdragen?” Ik stelde haar gerust. Het begon druk te worden, maar ik kon nog net zeggen: – dat een levende kerk nu eenmaal als bijproduct kon hebben, dat het er wel eens wild aan toeging; – dat ‘sekte’ al een oud woord was (Hand. 28:22). Als er toen een goede zaak mee bedoeld werd, was er toch geen reden om nu aan een slechte zaak te denken; – dat scheuringen soms ook wel toonden, wie de volhouders waren (1 Cor. 11:19).
…En daar golfde de Willems-clan al naar binnen. Een moeilijk ogenblik. Ik kende er niemand van, maar ook hier hartelijke ouders, die gerustgesteld keken, want ik zag er in mijn grijze smoking best uit. Maar dat zal het toch wel niet alleen geweest zijn. Ook hier een gesprek, met mevrouw Willems. Ze zei: “Jullie hebben een goede keus gedaan. Overigens stelt een levende gemeenschap van christenen wel hoge eisen. Vrijblijvendheid is er niet bij. Jullie zullen wel eens naar adem snakken bij alles, wat op jullie afkomt. Maar jullie zullen kunnen dragen, wat je zult moeten dragen. God, Die zo goed met jullie is begonnen, zal het werk ook afmaken” (Philipp. 1:6). De broodmaaltijd was áf, maar ik zit hier niet om over eten en drinken te schrijven. Het babbeltje van de ambtenaar op het stadhuis was een beetje sneu. Hij had het over ‘prille echtelieden, nieuwe vreugden’, alsof we nog helemaal moesten beginnen. Maar Joke zag er ook zo jong en onschuldig uit in het wit, dat die man vast het verkeerde toespraakpapiertje heeft genomen.
Daarna naar de kerk. Zoals die Gert preekte! Over de tekst: “Indien uw aangezicht niet met ons is, doe ons van hier niet optrekken”. Er was een volk, dat een lange weg, door duisternis, onwetendheid en onderdrukking achter zich had. Maar nu stonden ze aan het begin van een lichte weg, waarop onwetendheid en onderdrukking weg zouden blijven. Zonder God echter gingen ze niet op stap. Hij alleen was er garant voor, dat zonneschijn, kennis en vrijheid hen blijvend zouden vergezellen. En daarna de toepassing op ons, maar laat Jo dat maar vertellen.
Ze zongen ons allemaal een zegenlied toe. Ik zag Nancy – zo voor het oog onaangedaan – meezingen. Heel kies had ze Dick maar op school gelaten. Zuster van der Kaa stond haast triomfantelijk te jubelen, zo van: ik heb de kogel door de kerk gejaagd. Broeder Vonk bewaarde zorgvuldig zijn geheim, of hij iets gezegd had of niet, maar ach; alles was toch al opgelost in glorie.
Daarna de receptie; ik gisteren maar denken, dat ik zou moeten regelen en sussen en nuttig zijn... het liep zó gemakkelijk. Ons hele gezin stond op een gegeven ogenblik schaterend van het lachen bij elkaar, familie anekdotes ophalend, zo van: “Weet je nog, dat Margot een keer zei: ‘als ik moest kiezen tussen de bijbel en honderd gulden, dan koos ik toch de bijbel’ en dat Jan toen zei, dat hij de honderd gulden zou nemen, omdat hij dan altijd nog wel een bijbel van dat geld kon kopen...” Ach; jullie kennen dat wel: gezinseigenaardigheidjes. En gespreksgelegenheden; ze kwamen vanzelf: Gijs, nog een beetje stroef: “Alles lost zich wel op, hè?” “Gijs; ik heb je slecht behandeld, maar ik ben anders en beter geworden, neem je me dat van vroeger niet meer kwalijk?” (2.5.8.6) “Nee kerel, beslist niet; wat moet ik overigens anders zeggen tegen een bruidegom”.
Ina: “Jullie zijn gelukkig zeg; laatst las ik een verhaal van iemand, die geregeld dronk van een toverbron en altijd jong en blij bleef. Hebben jullie ook zo’n toverbron gevonden?” (Ps. 36:10). “Luister, mooie zus van mij. Het is geen toverbron, maar je drinkt er je wel gelukkig aan (Spr. 14:27).
Carla: “Zeg; kun je hierover nu voortdurend enthousiast blijven. Ik zelf sta zo in lichte laaie en zo is het ook weer over” (Mark. 4:17). “Ja! Met dit soort ervaringen ga je door van kracht tot kracht (Ps. 84:4). Ik kan me niet voorstellen, dat het blijvend zou doven... misschien even; maar het vlamt weer op” (Jes. 42:3).
Margot: “En hoe voel je je nu? Heb ik je teveel gezegd van Jezus?” “Nog niet genoeg. Ik heb het idee, dat er nog veel en veel meer is” (1 Kon. 10:7).
Helma: “Gaat zo echt alle somberheid over?” “Ja; de naam van God is eigenlijk een soort veilige vesting. Wanneer dat donkere komt, behoef je maar in geloof de naam te noemen en het licht komt terug”.
Ik weet niet, waar ik het allemaal vandaan haalde. De Heilige Geest zei het mij voor.
Soms hoefde ik geen ‘bijzondere dingen’ te zeggen. Gerard, een broer van Joke, kwam een praatje maken. Het werd een luchtige babbel over zijn studie en zijn sport. Hij wou verder op sommige zaken ingaan, maar heel opmerkelijk: het zat er niet in en het kwam er niet uit. Met Ab ook een gesprekje over niemendal, maar het was wel goed zo. Even Frans de hand geschud en geroepen: “Kerel, neem nog een bitterbal”. Ook niet dieper afgestoken. Maar ook dat was oké.
Daarna het diner: enig, voortreffelijke speeches. Vervolgens leegstromende kamers, geloop op trappen, dichtklappende portieren.
Lien – toch nog gekomen, Corry en Nancy dapper helpend met allerlei opruimwerk. Daarna ook zij weg. Wij doodop; arm in arm zitten wij zwijgend op de bank.
Wat hadden jullie nu nog: “Een beetje een laf verhaaltje Jan: allemaal altijd alleen maar lief... anticlimax... niets geen spanning”. Luister: na een spannende zeiltocht meren de jachten af in de haven. De rust in die haven is nodig. Beschouw dit gedeelte nu als een ‘haven’. Het verhaal van Lien wordt afgemeerd met die zinnetjes: “ze had wat, kon niet komen”, en “toch nog gekomen”. Die saaie haven is echter ook een vertrekpunt. Dadelijk gooit Frans de tros weer los, uitgaande van: “Neem nog een bitterbal, kerel...!” Dat is dan wel in het volgende deel.
En overigens: de wind steekt op, de golven klotsen. Ook voor Joke en mij komt er een nieuw avontuur aan. Joke heeft het sleutelwoord gefluisterd, het verbindingswoord met het volgende deel: “Jan, ik wou iets vertellen van mijn giropas”.
Joke: wat een dag, wat een gouden dag! Aan het begin Jos en Diana van Daalen nog even aan de lijn. Ze konden vandaag beslist niet. Maar zoals ze ons nog even sterkte toewensten, baden voor de mooie, moeilijke uren, die ons wachtten; daarna konden we er gewoon tegen. Dat was nodig ook, want – moet je rekenen – ik ging pa en ma Donker ontmoeten. Ik had ze wel eens ooit gezien, maar toen ging het zo moeizaam. En Jan had paps en mams nog nooit gezien. Wanneer ik zo nu en dan naar huis ging, was het altijd alleen. Maar toen pa en ma Donker op me toekwamen – ik had wel even een schietgebedje gedaan – was alles direct goed. Ik had even een gesprekje met ‘pa’: “Kind, wat een dapper idee: in het wit. En heel juist; het oude is voorbij, en alles is nieuw (2 Cor. 5:17). Ook tussen ons; die woorden, die wij toen hadden. Wij zullen best iets teveel gezegd hebben. Bij dezen onze verontschuldigingen”. En ik: “Ook mijn excuses voor mijn aandeel in het mislopen van dat gesprek. God heeft zoveel van ons achter Zich geworpen (Jes. 38:17). “Dan werpen wij ook dat van vroeger nu weg”, vulde hij aan.
Nu ja; dergelijke gelegenheden; iedereen is vriendelijk, soms wel eens op het bloemzoete af, maar dit was toch een open en eerlijk gesprek. Toen mijn eigen lieve papa: “Jopie, mijn Jopie”, zei hij met tranen in de ogen: “Ik vind voor deze vreugde geen woorden meer” (1 Petr. 1:. “Blijf je de Here vasthouden, wat er ook gebeurt? Blijf je op Hem vertrouwen? (Jes. 26:4), ook al probeert alles en alles je van Hem te scheiden?” (Rom. 8:39).
Bij de broodmaaltijd de hele familie bij elkaar. Ik keek de kring rond. Marian en Koos waren door de Donkers op staande voet aanvaard. Eigenlijk wat zuur; toen Jan en ik gingen samenwonen, was het huis te klein; deze jongelui wonen samen met Paul en Ina en er wordt eigenlijk geen drukte van gemaakt. Nou ja; ik had al een ‘verleden’ .
De plechtigheid op het stadhuis was een beetje een kale bedoening, maar in de kerk was Gert toch goed op dreef. Hij vergeleek ons met het volk Israël, dat aan het begin van een nieuwe weg met God stond. Ook wij lieten duisternis, onwetendheid en onderdrukking door de duivel achter ons. Als wij werkelijk volhielden om met God te gaan, zouden al die donkerten het licht nooit meer kunnen overweldigen.
In de ontmoetingsruimte was er een geroezemoes van jewelste. Meneer en mevrouw De Waal maakten nog even een praatje: “Wij hebben kinderen, klein- en achterkleinkinderen”, zei mevrouw: “Maar wij zien ze nooit. Jullie ouders hebben ons echter zo fijn getroost: ‘het was feest’, zeiden ze: ‘hun kinderen waren verloren en gevonden (Luk. 15:24). Als wij zouden volharden om gelovig te bidden (Col. 4:2), zou het ook voor ons feest worden!’” Dat was gemakkelijk voor mij. Ik hoefde daaraan niets toe te voegen. Dat was even anders, toen Marian bij me kwam staan. “Wat zei die dominee dat fijn hè?”, begon ze aarzelend: “van het donkere dal, dat achter jullie lag (Ps. 23:4). Toch beviel mij iets niet. Ik leef gewoon; wel fijn. Maar toen hij zo sprak, dacht ik opeens: zit ik misschien in zo’n dal vol slagschaduwen... En daarna: kan het ook zijn, dat dit soort mensen je wat aanpraat om je daarna te manipuleren? Wat me zo heel voorzichtig maakt, is iets, dat ik bij een andere gelegenheid heb ervaren. Ik merkte toen, dat dit mensentype toch iets verstards, iets zelfgenoegzaams heeft. Ze hebben zich tot hun eigen schade afgeschermd tegen kritiek. Ze komen zo buiten het leven te staan. Moet ik me dan in hun straatje wagen?” Ik heb voorzichtig gezegd: “Marian, bij dat manipuleren, daar ben je toch zelf bij. In de komende weken komen er weer duizenden indrukken op je af. Als dit – van vanmiddag – je bijblijft, als het niet weggepikt wordt, alsof er vogels aan de gang waren (Mark. 4:4), dan is het geen manipulatie, maar dan heeft het iets te betekenen. In mijn idee is het trouwens nooit indoctrinatie, maar altijd gewoon simpele waarheid. Laat dat laatste overigens maar, voor wat het is. En verstarren en al die andere dingen... deze man heeft daar – voor zover ik weet – helemaal geen last van”.
Monica kwam ook bij me: “Goed wel”, zei ze: “Maar ik weiger om mij in een bepaalde richting te laten duwen”. Ik wilde wat zeggen, maar het kwam er niet van. Lotty omarmde mij en vertrouwde mij toe: “Wat ben je mooi; een ‘roos van Saron’, een ‘lelie der dalen’” (Hoogl. 2:1). Nu ja; elk vogeltje zingt, zoals het gebekt is. Zij, noch jullie, noch ik, hebben ooit een lelie-der-dalen gezien. Laten we maar zeggen ‘narcis’: “Ik heb veel nagedacht over ons laatste gesprek; dat vertel ik je nog wel”. En weg was ze weer, haast wat verlegen. Er was iets aan haar veranderd: ze leek jonger, haar magerheid was verzacht tot iets soepels, iets slanks.
Maar toen was er de receptie met een gewemel van bezoekers. Obers met dienbladen. Vrolijke mensen. Kees, die riep: “Ik heb altijd gezegd, dat ik liever nu genoot dan later. Maar jullie hebben nu schik en jullie hebt het idee, dat later ook te hebben. Toch eigenlijk niet gek zeg”. En daar ging hij alweer. En Henk: “Zo burgerwijfie; ja, ik ben toch gekomen voor de algemene oriëntatie... wat een toestand hè... ik dacht, dat dit soort bourgeois alleen nog in reservaten voorkwam. Ik kwam ze hier echter gewoon in het wild tegen...” (hij had het over een paar statige oudsten) “Maar even zo goed; proficiat... en denk erom: wanneer je het bestel tot stikkens toe hebt ingeademd, kom dan terug... juist dan kunnen we jullie prima gebruiken”. En vort was ook hij.
Ik zag Gert en Ilona. Ik werd er warm van. Ze liepen hand in hand en leken alles en iedereen vergeten. Naast mij zei Jeroen grinnikend: “Ik heb aan de toespraak van die knul een goed ideetje overgehouden. Zo te zien evenwel, houdt hij aan het hele gedoe nog iets veel beters over. Ilona; dat is me nog eens een haas om te strikken!” Er zal echter nog wel heel wat water door het IJ stromen, voor ‘van een bruiloft een bruiloft komt’: even later stonden ze als twee kemphanen weer heel vinnig tegen elkaar te praten.
Karel – Jans vriend – zag ik druk in gesprek met Leontien. Ik gaf Corry en Nans wat instructies mee voor het diner – ze gingen wat eerder weg – en stond juist wat te babbelen met Nel, toen Michiel mijn aandacht vroeg. Nel ging weg met een haastig: “Dus je weet het; de Van Daalens komen bij ons speciaal met het oog op Kim” en ik kon mijn aandacht aan hem wijden. Mijn kleine broertje van twaalf; wat zijn ze leuk op die leeftijd. Al helemaal mens en toch nog met die onbedorven blik in hun ogen. Hij sloeg zijn armen om mij heen. “Mijn zus”, zei hij: “Wat heb ik je lang niet gezien. Maar het is weer net als vroeger, toen je meer thuiskwam”. Zeg, jullie zijn nu echt van Jezus hè? Zou ik ook niet van Hem kunnen zijn?” Ik keek hem aan en schrok. Zijn ogen waren nog overwegend licht en open. Toch was er een klein beetje donkerheid in. Opeens zag ik – heel gek is dat – zijn innerlijk: een frisse, jonge tuin. Maar; vlakbij de vijverpartij in het midden: een mestvaalt. Tegelijk zag ik, dat ik mij vergiste bij het idealiseren van twaalfjarigen. De stralende blik was er nog, maar het donker was al bezig erin te kruipen. Daarachter was al een grotere bedreiging (Matth. 6:23). Ik sloeg mijn arm om hem heen... rondom ons was het stil... niemand lette op ons: “Wat is er gebeurd? Waarom ligt er midden in jouw gedachten een vuilnisbelt?” vroeg ik. “Weet je al iets”, zei hij: “Dan vertel ik het je allemaal. Ik kon altijd zo fijn verlangen naar iets heel moois. Dan hoorde ik prachtige muziek en was ik zo gelukkig. Toen nam een veel grotere vriend me mee, en het waren zulke rare dingen, die hij wilde. Die jongen zie ik nooit meer, maar het verlangen... en het mooie... en die muziek... weg... allemaal”. Toen heb ik aan Jezus gevraagd om hem weer schoon te maken. Hij heeft ook zelf iets tegen de Heer gezegd. Daarna brokkelde de stilte rondom ons af. Dat had ook geen seconde eerder gemogen. Mams kwam er aan, vertederd: “Mijn oudste en mijn jongste hebben een onderonsje”. Hij keek me aan, zo blij, zo zonder duisternis... en toen holde hij weg. “Die Michiel”, zei mams: “een schat van een jong. Wat maken ze nog gelukkig en wat zijn ze nog gelukkig op deze leeftijd”.
En nu is alles voorbij. Niemand heeft iets gezegd van ‘dat’. En toch: mams heeft het gemerkt. Zulke dingen weet je als dochter. Ze heeft echter niets gezegd.
Stil zitten we hand in hand op de bank. En toch moet ik nog even iets zeggen: “Jan, ik wou iets vertellen over mijn giropas. Ik heb hem al jaren en hij is nog schoon en heel en toonbaar... door dat beschermende laagje erover. Jan; luister: wij zijn brieven van Jezus. Maar zullen wij schoon en heel en toonbaar blijven? Ik zoek naar het beschermende laagje”.
Hij kuste me: “Gekke meid, wie zegt nu zo iets. Maar ‘t is waar; er is meer, maar dat vinden we ook”.
2.6.4.8 Jan en Joke; deel van Jezus’ plan om mensen te redden uit twijfels en obsessies
De twijfel van Frans Montfort Jullie hebben nu zoveel gehoord van een hele karavaan mensen. Hier komt toch nog een verslag van de vanouds bekende Jan Donker. Nu zeg je: “En er staat boven: Frans Montfort?” Geduld; die komt straks nog opdraven. Nu eerst dus dat verslagje.
Van studeren komt op het ogenblik echt niet zoveel. Bende dingen te regelen voor zo’n bruiloft. Daarom heb ik die SPD-studie (2.3.7.3) even op een zacht pitje staan. Nog lang voor het november is. Eens kijken; om tien uur morgenochtend naar het station met de auto. Pa, ma en Margot afhalen. Half elf verwachten we de hele meute Willems. Zes man sterk! Paul en Ina met vriendin en vriend zullen er dan ook wel zijn. Alle gasten worden verwelkomd met koffie en cake. Gelukkig, dat Corrie, Lien en Nancy helpen. Het is natuurlijk wel zo: er is minder te regelen dan bij een gewone bruiloft. Ons huis is kant en klaar: eigenlijk is het iets van niets. Maar toch: al die verschillende mensen bij elkaar. Tegen iedereen echt gemeend vriendelijk zijn (Philipp. 4:5). Zorgen, dat ze het niet te moeilijk met elkaar hebben. Paul – vol ‘rebellie’ – en pa – vol ‘gezag is gezag’ – uit elkaar houden. Ertussen springen, als de vlam in de pan dreigt te slaan. Al die mensen proberen te bereiken, nuttig proberen te zijn voor iedereen. Misschien is er nog wel gelegenheid, om iets goeds, iets opbouwends te zeggen (Ef. 4:29). Je kan toch nooit maar eens weten. Misschien ook krijgt er wel iemand oog voor zijn eigen diepste belang. Ik heb ondervonden, dat leven met Jezus het meest nodige is; wat zou het fijn zijn, als op onze bruiloft... Ho, ho, niets forceren.
Kijk, een paar weken geleden, zou ik nog driftig geprobeerd hebben, uit deze situatie munt te slaan voor God. Wat is die oude ‘doe het zelf’ mens in mij al op zijn retour. Ik kan rustig zeggen: Heer, ik hoef alleen maar de door U geschapen gelegenheid te gebruiken (Col. 4:5). Ik hoef die gelegenheid nog niet eens zelf te scheppen ook. Zeker zal ik wijsheid krijgen om niet voorbarig te zijn. Ik zal mensen, die voor de vreugden, die God geeft, geen belangstelling hebben, met rust kunnen laten.
En nu komt Frans. Daar zaten jullie op te wachten. En maar denken: laat Jan nu niet te lang praten: ik wil Frans met zijn twijfels (2.5.8.1). Ik kwam hem tegen, toen ik nog even naar het hotel ging om nog iets voor de receptie te regelen. Hij stevende op mij af: “Sorry Jan, dat ik toen wat honds deed. Juist die avond nam er iemand het woord, die het – eigenlijk onbedoeld – over dat contact tussen ons kreeg. Hij zei, dat je iedereen in zijn waarde moest laten. Over niets moest je honend doen. Anders maakte je iets moois kapot in een mensenziel. En toen dacht ik aan jou. Heb ik je bezeerd? Dat zou te dol zijn, want in onze praatgroep keren wij ons juist tegen de harde, kapitalistische orde, die zo bezerend werkt”.
Hier herkende ik Frans weer, zoals hij meestal op mij en anderen overkomt. Hij wordt wel eens genoemd: ‘Frans met zijn welzijnsroomklopper’. Jullie kent het type wel: altijd bezig met ‘warm, begrijpend invoelen’ op ‘nieuwe menselijke relatiepatronen’, en dat soort praat. Maar hij ging al weer verder: “Kijk en dat is het nu juist. Als je niet kapitalistisch wilt denken, word je al gauw op een andere hoop gegooid. Maar ik wil niet in welk vakje dan ook gepropt worden. Twijfel is het wezen van mijn ‘zijn’. Ik zet bij alles vraagtekens. Jij hebt een uitroepteken gezet. Ik zou dat ook wel willen. Maar ik kan het eenvoudig niet. In wezen is mijn levenshouding overigens gemakkelijker dan die van jou. Nu jij ‘ja’ hebt gezegd, moet je wat gaan doen. Ik zeg altijd ‘ja... maar’ en hoef dan ook nooit wat te doen. Toch heb je mij aan het denken gezet. Misschien is het wel de bestemming van de mens om één keer ‘ja’ te zeggen en dan handelend op te treden. Maar daarover heb ik ook weer twijfels”.
Ik wachtte op een sein van de Heer, of deze gelegenheid ook zijn gelegenheid was. Maar er kwam geen sein. Daarom volstond ik met te zeggen: “Kerel, ik was inderdaad even pijnlijk getroffen. ‘t Is echter al lang over. En morgen ga ik trouwen. Kom gerust op de receptie in ‘Havenzicht’, vijf uur”. En toen kwam er toch een signaal: “Zeg hé... maar jij zit tóch in een vakje. Dat van de twijfelaars. Jouw kracht wordt afgetapt naar een eindeloos moeras van vragen en vragen. Eigenlijk ben je zo tot het eind van je leven inactief. Dat is toch jammer, want je bent een ‘clevere’ knaap. Voel je echt niets voor ‘het Antwoord’? Als je zin hebt, kom eens langs. Nog een praatgroep: jij, Joke en ik. En we maken er een ‘doe-groep’ van”. Hij liep lachend – mijn woorden wegwuivend – door en ik ging met lichte pas weer verder naar de plaats van de receptie: fijn, nu feest... en morgen... en alle dagen (Spr. 15:15).
De obsessie van Henk Scholten Daag, hier is Joke. Jullie hadden genoeg van mij hè? Lien is het nu helemaal, hoor ik én Carla én Karel... ondankbare lui, jullie. Goed, ik houd het kort. Wat? Jullie wachten op Henk. Ja, direct hoor.
Druk geweest, de afgelopen dagen! En nog onverwachte verwikkelingen ook. Hendriks, de afdelingschef (2.2.8.6), maakte opeens moeilijkheden: “Nu je dan eindelijk...” (let even op dat pesterige ‘eindelijk’) “cheffin van de zaal bent geworden, kun je niet koud bij het begin met vier dagen huwelijksverlof. Je moet je nog helemaal waar maken”. Maar De Jong heeft het allemaal geregeld en zo ben ik nu vanaf maandag thuis tot vrijdag.
Bij het winkelen vandaag zag ik Henk nog. Ja hoor, hij is er. Joke – van vier verhalenseries lang – heeft wel mooi afgedaan bij jullie, merk ik. Goed dan; ik zag Henk (2.5.8.3) dus. Hij leek nors de andere kant uit te willen kijken. Er was – naar de mens gesproken – geen gelegenheid. Maar God zei: “Mijn gelegenheid. Zeg iets gezelligs tegen hem”. “Hoi Henk” (hij stond aarzelend stil): “Morgenavond groot feest. Receptie. Jan en ik gaan trouwen. Kom je om vijf uur in ‘Havenzicht’?” Hij grinnikte: “’tuurlijk; ik wil zo’n bezopen bourgeois-troep wel eens meemaken. Als er maar wat te eten en te drinken is. Toch niet alleen vruchtensap hè? Even zo goed fideel van je om niet na te etteren, nu Jan uit het collectief gestoten is. Ik kom”.
Ik keek hem zo eens aan. Wat was hij star, haast, of hij door iets werd gebiologeerd. En opeens wist ik het: het Marxisme-Leninisme in één van de vele soorten, die er zijn, is voor hem een geloof geworden. Dat geloof echter heeft niet als kern de liefde van Jezus en de liefde voor Jezus. De kern van Henks geloof is een harde, voortjagende macht, een knoet, een stok eigenlijk, die hem afranselt. Daarom is mijn geloof een fontein (Joh. 4:14), het zijne een obsessie. O, wanneer wordt die stok gebroken? (Jes. 9:3). Ik draalde nog even, wist niet goed mijn houding te bepalen. “Wat kijk je me aan”, zei hij, opeens wat grauwerig: “Dat deed Jan ook; mij aankijken. En... zijn hand op mijn schouder leggen. Jullie zijn zo gevaarlijk; en je weet het niet. Zal ik je eens wat vertellen: ik kom niet, morgen, veel te link. Iets of iemand probeert door jullie heen mij los te weken van mijn trouw aan de beginselen. Neen, ik weet het heel zeker; ik kom niet. Maar even goede vrienden hoor. En veel plezier, morgen”.
Vreemde ontmoeting; maar niet verder over denken nu. Leuk morgen, al die mensen. Ik zie wel een beetje op tegen Jans ouders en mijn eigen ouders. Het is ook zo gek; aan niemand heb ik verteld van Marcel of Annemarie. Niemand heeft er ook maar op gezinspeeld zelfs, na Ilona die ene keer. Ik zou het zo fijn vinden, als die hele huwelijksdag voorbij ging, zonder dat iemand er erg in had. Maar je ouders; die hebben het door. Ach, wat maak ik mij zorgen; het zijn toch allemaal christenen. Zij zullen van zwijgen weten daarover en van luisteren, als ik het verhaal van onze bevrijding vertel. En ik ga het vertellen. De manier, waarop wij uitgered zijn, mag overal bekend worden. Iedereen, die ook het rijk van God probeert te bereiken, zal moed kunnen putten uit onze ervaringen. Ik hoop toch zo, dat ik morgen mensen kan bereiken om te vertellen van Jezus. Ze weten bijna allemaal oppervlakkig het één en ander van Hem, maar het behoort dieper door te breken bij iedereen. Ons kapotte ‘huwelijk’ werd hersteld, al klinkt dat een beetje gek. Want morgen wordt dat huwelijk pas officieel. God wil alles en iedereen herstellen. Ik geloof, dat het bij Hem nu mooi is en dat het later allemaal nog mooier voor ons wordt en nog later: zo onbeschrijflijk prachtig (2 Cor. 12:4).
Maar goed; ik ga er morgen niet met de botte bijl op in. Ik zal ze met list vangen (2 Cor. 12:16), als het tenminste zo is, dat God, persoon voor persoon, het signaal voor ‘de jacht’ geeft. Och; misschien doe ik ook wel niets; schrei ik wat bruidstranen en laat ik het er verder maar bij.
Maar nu moet ik naar de keuken en naar de eiertulband
2.6.4.7 Jan en Joke; deel van Jezus’ plan om mensen te redden uit onzekerheid en fanatisme
De onzekerheid van Corry Bakker Het is nu al weer meer dan een week geleden, dat ik met Jan en Joke meegeweest ben naar hun kerk. Het was vlak, nadat het was uitgeraakt tussen mij en John (2.5.8.. Ik ben met dat gaan naar die kerk nóg bezig. Ik zal het je sterker vertellen: mijn leven wordt erdoor veranderd. Dat bemerk ik nu al. Nog maar kort geleden had ik allemaal van die ‘kleine gedachten’. Een ruzietje op kantoor (2.2.8.5), daar zwolg ik in. En over het nieuwe geloof van Joke dacht ik ook ‘klein’. Ik meende, dat het zoiets van ‘langs de huizen colporteren’ was (2.4.6., zonder verdere achtergrond. Joke zei er eigenlijk niet zoveel meer over, dat maakte me soms wat boos – ik ben zeker niet goed genoeg – maar toch ook wel steeds meer nieuwsgierig (2.5.8.. Toen ging ze het mij uitleggen. Vanaf dat ogenblik was het, of mijn gedachten ‘groter werden’.
Je moet wel weten om alles te begrijpen, dat ik allerlei vragen heb, waar ik erg mee zit, bijvoorbeeld: ik denk er nog wel eens over, dat er oorlog komt, of dat er een kerncentrale ontploft: ik voel me dan soms zó onveilig, ongelukkig, onzeker. Thuis zeggen ze wel eens: “Ga toch wat leren, dan bereik je iets”. Dan denk ik weer: waarom zou ik het doen? Dadelijk is er een gekke computer, die een verkeerd sein geeft en dan gaan alle raketten af. Of ze zeggen thuis: “Cor, je moet toch niet buiten allerlei gezonde regels om leven. Haast avond aan avond uit, om drie uur ‘s nachts nog eens thuiskomen, roken, drinken, ‘uit de muur eten’, dat kan toch niet goed blijven gaan?” Maar dan schiet het mij weer te binnen, dat er overal gif wordt neergegooid en dan zeg ik tegen mijn vader en moeder: “Wat zou het! We krijgen tóch allemaal kanker”, en meteen het hele huis vol bonje. Eigenlijk toch ook: kleine gedachten.
En hoe kwam het nu, dat ik groot begon te denken? De man, die sprak, had een groot antwoord op al die vragen. Wat zei hij? “Wat er ook gebeurt, je hoeft je niet bedreigd of onzeker te voelen. Veel mensen laten zich opjagen door angst na angst. Wanneer er echter boodschappers van God komen, vertelt de bijbel steeds, dat die zeggen: ‘Vrees niet’ (Deut. 1:21). Angst, paniek en moedeloosheid leggen zware gewichten op je schouders. Wanneer je God en Jezus als Gidsen aanvaardt, blijkt, dat hun geboden helemaal niet zwaar zijn (1 Joh. 5:3). Nog nooit heeft iemand zich door gepieker ook maar iets kunnen helpen (Luk. 12:25). Geloof in God echter helpt je over elke muur heen (2 Sam. 22:30). Maak je voortaan niet meer zo druk om al die enge dingen in de krant, van: je mag geen eieren meer eten en spinazie is ook niet goed... enz. Dat heeft allemaal alleen maar tot gevolg, dat je vol wordt van angst en leeg van geloof. Haal het goede uit al die raadgevingen, maar laat de angstpsychose, die mee probeert te komen, buiten de deur (1 Thess. 5:21).
Was me dat even een nieuw gezichtspunt! Na de preek en na het schokje van die huwelijksafkondiging praatte ik er nog even over met die andere gast van Jan en Joke, een heel lief Indisch meisje. Maar die had weer heel andere dingen gehoord. Typisch hè? In ieder geval vind ik het in de kapel beregoed. Er kwam direct een leuke meid naar me toe, die me uitnodigde voor de jeugd. Weet je, dat ik daar direct naar toe ben gegaan! Van de week al; ik viel wel ‘met mijn neus in de boter’. Ze hadden het erover, dat de gemeente van Jezus Christus echt beschaafd moest zijn. Zij moest een stempel dragen van zorgvuldigheid, stijl, geestelijke hygiëne. Dat stempel behoorde ieder gemeentelid te hebben, ook al was hij of zij nog jong. Het waren moeilijke stadhuiswoorden, maar ik heb ze toch goed onthouden en begrepen. Ik voelde wel, waar ze heen wilden.
Ik zat te snakken naar een sigaret en wilde wel, dat het afgelopen was om te kunnen inhaleren. Want roken kon je daar echt niet doen. Ik zag bij mezelf een gebrek aan hygiëne, aan zorg voor mijn gezondheid. Ik dacht ook aan de gewaagde grappen, die we in de disco aan elkaar vertelden. Opeens zag ik, dat ik bezig was, erg grove manieren te krijgen. Sprong ik eigenlijk wel zorgvuldig genoeg om met mijn naam en faam? Ruwe manieren behoorden hier niet, ik mocht die hier niet naar binnen smokkelen, ik zou de mensen er mee kwetsen. Trouwens; ik had mijzelf er al mee verwond. Als ik vrij zou komen van het vele roken en van allerlei raar en loos gezwam (Col. 3:, zou ik er veel beter voor komen te staan. Ik moest af van dat stijlloze leven. O, ik begreep het allemaal heel best. Maar wat was ik blij, dat ze mij met rust lieten. Ik had veel om over te denken.
Gisterenmorgen was ik weer in de sam – zo noemde ik het al. Woensdag ben ik er ook. Ik heb hier ook al veel leukere jongens gezien dan John eigenlijk was. Wie weet, wat ik woensdag weer tegenkom. Nu ja; daarvoor ga ik niet. Samen met die Lien – dat Indische meisje – en ene Nancy help ik met bedienen.
Het fanatisme van Lotty Swagers Niet al je complexen heb je zomaar weggewerkt. Neem mij nu; ik weet heel precies: – waar ik – geestelijk gezien – vandaag kom; – waar ik naar toe ga; – waar ik mij op het ogenblik bevind. Vanaf het ogenblik, dat ik mij bekeerde, ben ik begonnen om ook anderen tot bekering te laten komen. Ik startte in de omgeving, waar ik toen was en nu nog ben: kantoorafdelingen, waar veel dames werken. Ik ben administratief uitzendkracht en zie veel jonge vrouwen en meisjes. Ik breng ze tot daden. Ik laat ze zien, dat ze niet kunnen, niet willen, niet hebben en niet deugen. Ik neem ze de blinddoek af. En het resultaat? Al verschillenden hebben mij gezegd: “Lotty, dankzij Jezus, kan ik nu wel goed zijn, wil ik het goede van God, heb ik zijn schatten ontdekt en ben ik van hoger kwaliteit geworden. Mijn daden getuigen van nieuw leven. Ik wil nu ook zelf al die dingen vertellen, die jij eerst aan mij vertelde. Iedereen moet dit weten!” Niet, dat al die domme gansjes dat nu zo mooi zeggen. Het komt er echter wel op neer. Ik heb het nu even tot de kern teruggebracht. Nu zult u echter zeggen: “Lotty, je had het toch over een nog niet weggewerkt complex? Waar is dat dan?
Wel, al ben ik nog zo schatrijk met Jezus: ik heb nog het ‘lievere-jongere-zusje-complex’. Jacqueline, mijn zus, is een jaar jonger dan ik. Al gauw begon ik het van haar te verliezen: – spichtig tegen mollig; – kattig tegen lief; – wit koppie tegen bloeiend snoetje; – brilletje tegen stralende oogjes. Dat moet ik altijd afleggen. En: ze was ook knapper op school. Tenslotte is ze psychologe geworden en met een psychiater getrouwd. Ik werk via een uitzendbureau. Ik haatte haar, maar zelfs daarin won zij, want ze bleef aardig tegen mij. Ik zou aan mijn haat zijn doodgegaan, als ik niet van Jezus had gehoord en Hem was gaan dienen. Mijn complex is nog niet helemaal uitgeziekt. Er is nog een restje van over: niet gevaarlijk hoor, maar ik houd het in de gaten. Kijk, ik heb Jackie nooit de baas gekund, kan dat nu nog niet. Daarom moet ik mij elke dag bewijzen; ik moet problemen kunnen overzien, overwicht hebben over mensen, beslissend op de levensgang van anderen kunnen inwerken. Mijn gevoel van eigenwaarde is mijn hele leven lang gefnuikt. Nu weet ik zoveel temidden van alle domheid om mij heen, nu bloeit mijn zelfrespect op! U zult zeggen: “Noem dat maar ‘niet gevaarlijk’”. U tilt er te zwaar aan. Ik heb die situatie volledig onder controle.
Ik ben nog altijd blij, dat mijn vorming door Jezus in hoofdzaak plaats vond via een ‘strenge’ gemeente, waar de lijnen duidelijk worden getrokken. Overwinning over ziekte, zonden en demonen: het zijn daar overzichtelijke, goed afgepaalde begrippen. Je kunt ze vatten, beredeneren, kortom: je kunt ze de baas. Ik kreeg daar mijn tegenwoordige visie en gewapend met die nieuwe overtuiging hernieuwde ik ook mijn contact met Joke, die ik al wel eens eerder ontmoet had. Joke lijkt op Jacqueline, maar niet met het gevaarlijke van mijn zus. Ze is ook jonger dan ik, molliger, liever, blozender. Maar: – mollig is bij haar: op het randje van dik; – lief is bij haar: op het randje van dom. Zij was altijd een Jackie, die ik aan kon. Ik denk, dat ik mede daarom erg op haar was gesteld. Ik vertelde ook haar van Jezus. Later hoorde ik, dat ze Hem aangenomen had. Ik was daar natuurlijk erg blij om. In het diepst van mijn hart heb ik misschien wel eens gedacht, dat ik meer invloed op haar zou krijgen langs deze weg. Dat pakte evenwel heel anders uit.
Ze ging naar de kapel en kwam onder de invloed van zuster Van Dalen. Dat is wel een goed bedoelende christin, maar weet je, wat díe heeft? Voor haar is het geloof geen legpuzzel met schitterend passende stukjes, ze heeft zelf tegen mij gezegd: “Lotty, de stukjes passen niet altijd, zelfs niet volgens de meest gevorderde visie. Gods wetten zijn – ook nu nog – hoger dan onze wegen en zijn gedachten dieper dan onze gedachten” (Jes. 55:. Ik wierp haar tegen: “Maar nu hebben wij toch de Heilige Geest, Die ons tot het diepst van Gods gedachten laat doordringen!” (1 Cor. 2:10). En toen kwam het. Ze lachte en zei: “Lotty, Lotty, ik weet het, je hebt de Here Jezus lief (2.4.6., aan de oprechten gaat het licht op (Ps. 112:4), maar je moet nog wat tijd hebben. Je zult een keer zien, dat de stukjes niet passen. Wanneer je ze dan in wanhoop aan de Heer teruggeeft, dan pas wordt het een echt aansluitend bouwwerk (Ef. 2:21), maar met het verstand is dat niet te vatten”. ... Gevoelsmatig, onbelijnd gebabbel. ... En Joke en Jan kwamen in ‘de kapel’ terecht, met dat soort vage, alles over de boeg van ‘de liefde’ gooiende figuren. Daarnaast is er daarginds ook nog zo’n massa ‘brandhout’. Ik heb ze gewaarschuwd, dat ze het goede koos, maar het beste behoorde te kiezen (2.4.6.. Maar ze bleven daar komen. Kijk; en daar heb je dan toch inderdaad zo’n puzzelstukje, dat niet past: hoe kan God toestaan, dat mensen, waarin voor Hem zoveel ‘muziek’ zit, terecht komen op een plaats, waar die ‘muziek’ direct vervormd, afgedempt of zelfs gesmoord wordt! ............
Tot zover had ik de vorige maal verteld. Maar nu ik, na die onderbreking doorga, is het heel anders met mij. Laatst ontmoette ik Joke weer, spuwde echt een beetje mijn gal tegen haar uit. Ze keek me aan; ik kreeg een schok; daar stond Jacqueline! – alleen maar mollig, niet dik; – alleen maar lief, niet dom; – blozend, met stralende ogen. En ik; met al mijn bijbelstudieweken; ik stond daar: – altijd nog spichtig, kattig; – altijd nog witjes en gebrild; – en toen spoelde mijn nieuwe zelfrespect ook nog weg. Zij was verder met de Heer dan ik; zij was doorgedrongen tot de liefde als kern van het leven; ik had – fanatiekelinge, die ik was – de leer voor die kern aangezien! Zij was ‘knapper’ dan ik. Ik was heel erg geschrokken op dat ogenblik (2.5.8.. De kern van die schrik was, dat ik heel duidelijk zag, een geboren verliezer te zijn. Na ‘Jackie één’ was nu ook ‘Jackie twee’ mij boven het hoofd gegroeid.
De nadreun mocht er overigens ook zijn. Die nacht heb ik zo diep nagedacht, ben ik zo wanhopig geweest, heb ik zo tot God geroepen. Ik had voor Jezus mogen ijveren. Ondanks alle onzuiverheden, alle bij-oogmerken (Philipp. 1:1 had ik vrucht mogen dragen. In mijn ‘jagen’ had evenwel zoiets onzinnigs, zoiets ongeremds gezeten (2 Kon. 9:20). Dat werd mij zo duidelijk... ik heb gebeden: “Heer, ik weet niet meer zo goed, waar ik ben en waar ik heen ga. Ik weet maar één ding: de kattige, hoekige, verknepen Lotty moet weg. Help me toch Heer. Hier is de legpuzzel terug. Wilt U de liefde tot U en tot alle mensen nu echt in mij wakker doen worden?” Jezus, Heer; die negatieve binding aan Jackie is gevaarlijk. ‘Satan, in de naam van Jezus; wég uit die bres; wég uit die ingang’. O God, vergeef me, dat ik de vensters opengelaten heb (Joël 2:9). Jezus; laat mij dan maar een verliezer zijn, als ik U maar mag blijven liefhebben. Ik ben nu echt te moe, te verdrietig, om zo heel dapper te roepen, dat ik met U meer dan overwinnaar ben (Rom. 8:37). Heer; ik hoef niet meer moeilijkheden onder de knie te krijgen en mensen onder mijn beslag. Ik wil anderen niet meer stiekem minachten. Heer, ik ga ook niet meer zitten tobben en vragen over uw doen en laten met Jan en Joke (Jes. 45:11). Dank U God, U legt de puzzel nieuw; alles past; ik zie het U doen; ik kan het niet volgen, maar dat hoeft ook niet”.
En toen heb ik geslapen. Toen ik wakker werd, voelde ik mij niet meer een gespannen veer, maar zo ontspannen... als... noem eens wat...: een vlinder...? Een jochie, koppiebuitelend in het gras...? Een al zingend bloemenplukkend kindje...? Woensdag ga ik kijken, hoe Joke haar Jan trouwt. Zij gaat nog in het wit ook. Wat slim, wat doordacht. Blozend en mooi zal ze zijn. O, ik hoop toch zó, dat ik niet jaloers zal worden.
2.6.4.6 Jan en Joke; deel van Jezus plan om mensen te redden uit neerslachtigheid en bezorgdheid
De zwaarmoedige buien van Helma Huigen Elke dag lijkt op de andere. Donker, grauwe wolken. Ik houd van dit weer. Zomer en zon irriteren mij. Dat lijkt misschien gek, maar ik ga het jullie uitleggen. Van binnen is het donker bij mij, met grijze, door een storm van rusteloosheid voortgejaagde wolkenflarden. Wanneer het om mij heen ook zo is, vind ik, dat het net lijkt, of alles en iedereen het met mij eens is. Maar… zomer… zon… een blauwe lucht: die herinneren mij eraan, dat ik ‘een beetje raar’ ben.
In de voorzomer was ik met een stel vriendinnen in Benidorm. Altijd maar licht… en kleur… en bruinen op terrassen… en baden, zonder je af te drogen om nog vlugger te kleuren. Toeren langs boomgaarden vol felgekleurde sinaasappels. Overal het wit van amandelbloesem (vandaar immers: Costa Blanca). Uitbundige mensen; ik – van buiten – het meest uitbundig van allemaal. Maar van binnen: radeloos om alle lekkere bloemengeuren en dat altijd maar buiten ijs eten en sangria drinken. Als concessie dan soms: onder een bontgekleurde, zondoorgloeide parasol. En dan dat terugkomen op Schiphol! Het regende vetjes vanuit een grijzige lucht en ik voelde me… veilig! Het is niet goed, ik weet het, ik ben er al mee bij een psychotherapeut geweest. Het enige, wat ik bereikte was, dat het ziekenfonds niet wilde betalen. Mijn innerlijk klaarde door het gesprek niets op.
Het geloof: ook al geprobeerd. Liep laatst ergens binnen: een domina stond te jubelen over een frisse, fonkelende, stralende, verlichtende gezindheid, die Jezus in je bewerkte. Ik had al weer gegeten en gedronken. Later sprak iemand mij daar nog aan: “En… werd u wat blij met ons?” vroeg ze. Blij… het woord alleen al. Ik wil wegkruipen in mijn eenzelvige zwaarmoedigheid. “Neen”, ze ik stug: “Jullie willen teveel”. “Wij willen niets bijzonders van u”, hield dat mens aan: “Wij willen u in niets inperken en hebben geen stokpaardjes, waarvoor wij u willen interesseren. Wij willen u helemaal geen ballast meegeven”. En toen keek zij mij zo warm aan, dat ik hier helemaal gek van werd en sloot ze: “Maar als u ballast hebt, dan wil Jezus die van u wegnemen. Zij, die van Hem zijn, willen daarbij helpen. Gaat u daar eens over nadenken!”
Och, ik vergat het. Ik kwam Jeroen weer eens tegen. Hij is iets boven de dertig. Het is een ongeschreven wet in onze kring, dat je met dertig uit het onbenullige lolmaakleven stapt. Jeroen was nog geeneens dertig, toen hij doelbewust in zaken ging. Nu ja… zaken… voorlopig handelt hij nog hoofdzakelijk in pluche speelgoedbeesten, maar goed; hij is ergens mee begonnen. Het zei ‘klik’ tussen ons, we wonen sindsdien samen. Mijn melancholie moet ik er zorgvuldig onder houden. Die past niet in de wereld, zoals hij die zich tegenwoordig wenst.
En nu dat etentje met – onder andere – Jan en Joke (2.5.8.7). Zij zeggen, dat ze gelovig zijn geworden. Goed, dat zal dan wel. Naar mijn mening speelt echter ook hun leeftijd een belangrijke rol. Ook zij zijn rond de dertig. – Jeroen richt een B.V. op; – Jan gaat een boekhouddiploma halen en wettigt zijn verhouding. Ze worden allemaal bezadigd en getemd. Ik zou ook wel willen trouwen en bedaren, maar in mij zit het ongetemde beest van de neerslachtigheid. Dat is het verschil tussen hen en mij.
Die Jan en die Jo… wat vertelden ze fijn, die avond. Net genoeg, ik had niet meer moeten hebben. Opeens was het, of de zon scheen in de pikdonkere nacht daarbinnen. En dit keer was er geen tegenstelling tussen dat licht en mij. Het donker vult wel mijn innerlijk, maar het hoort niet bij mijn wezen. Het is een vreemd element (Rom. 7:17). Dat zag ik opeens zomaar. Die zon hoorde bij mij, dat donker pleegde huisvredebreuk. Daarna kwam er nog een gedachte naar boven: het is een leugen, dat je die duisternis niet kwijt zou kunnen raken, omdat je moeder er ook mee behept was. Je kunt eraf, want die zon past bij jou. Het is je karakter om een kind van de dag en een kind van het licht te zijn (1 Thess. 5:5). Jezus is jouw zon; Hij wil je recht doen. Hij wil je verlichten (Mal. 4:2) en koesteren, tot alle duisternis wijkt.
Je kunt je niet voorstellen, wat dat betekende: – licht, dat door het duister begon heen te breken (Gen. 1:3); – ordening, die zich baanbrak (1:6); – vaste grond, waar beveiliging was te vinden tegen de kokende golven (Geen. 1:9). Daarna begon het weer te miezeren. Het werd echter niet meer zoals eerst. Er was een vogel van de hoop gekomen in mijn hart (1:21). Zijn blijde lied klonk boven de stormvlagen uit. Een groene waas overdekte de grauwheid van de wanhoop (1:12). Ik voelde me niet meer dood van binnen. Er bewoog iets; er leek iets te gaan leven (1:24).
Mijn bestaan is gekomen binnen een kring van licht.
Er is een kaart gekomen. Ik ga naar die receptie. Ik wil binnen die lichtkring blijven. Want; al is er dat nieuwe uitzicht, ik kan het niet alleen vasthouden. Nieuwe nevels drijven aan, verbergen de zon weer.
De bezorgdheid van Jeroen Westhoven Kijk; woensdag 3 februari. Hè, wat vervelend, net die vakbeurs. Nu ja; daar moet ‘s middags Wilfred dan maar alleen staan. De receptie is om vijf uur. Neen, ik wil de preek ook horen. Ik ken die hele Gert Buursma niet. Maar: Jan en Joke zijn al zo bijzonder geworden. Hoe interessant moet dan wel een dominee ‘uit die kring’ zijn.
O ja; even me presenteren. Ik heb samen met Wilfred van Oosten, de B.V. ‘Jewel’ (Jeroen, Wilfred); ‘character toys’, merkspeelgoed zogezegd. Nu ja; met die naamafkorting klopt het niet helemaal. De boekhouding klopt ook niet en de belastingaangiften al evenmin. Maar... anyhow... we doen heel hevig zaken. Wilfreds vrouw, Karin, werkt enorm goed mee in de inkoop. Dat is een reuze steun, want vrouwelijke feeling is in dit werk heel belangrijk. Ik had graag mijn vriendin Helma voor de administratie aangetrokken. Zij komt echter in haar interesse niet verder dan een sneer, dat ik zo in mijn speelgoedbeesten opga, dat ik best met mijn beertje bij mij zou willen gaan slapen. Die Helma... reuze meid, maar er zit haar iets dwars; ze tobt. Hoewel ze het goed verborgen houdt voor iedereen, had ik het altijd al wel in de gaten. Met dat etentje echter gaf ze zichzelf bloot. Jan en Jo hadden ook zó op ons ingepraat.
Soms denk ik wel eens: ik moest in het zakendoen rugdekking hebben van een geloof. Over tien dagen komt de rijksaccountantsdienst controleren. Wilfred en ik zijn nu allebei al op van de zenuwen. Je hebt andere steun nodig dan de afleiding van een voetbalwedstrijd. Will en ik zijn elke zondag trouwe gasten. Karin jammert wel eens: “Blijf nu bij mij en de kinderen”, maar dan zegt hij: “Helma is toch bij jullie”, en dan gaan we weer. De rechte schik hebben wij er evenwel niet meer in. We worden te zorgelijke zakenlui. Je mag natuurlijk niet aan de gedachte toegeven, dat ‘je het hebt gehad’ ... toch: je jeugd kan je niet vasthouden: het is hard, maar onherroepelijk. Laatst hadden we ons toch weer eens mee laten slepen, loeiden mee in het uitjouwkoor, vanwege de smerige streken van de linksback van ‘de anderen’. En net op dat ogenblik zei Wilfred opeens bedrukt: “Morgen moeten wij omzetbelasting afdragen. Heb jij enig idee, waar wij geld vandaan moeten halen?” En op slag stonden wij allebei met ons innerlijk buiten de brullende meute. “Laten we maar gaan”, zei ik.
Kijk, dat is nu, wat ik bedoel: voor de moeilijke ogenblikken in het leven van een zakenman zou je een geloof moeten hebben om even een beroep op te doen. Toch eens daarnaar toe; naar die Gert luisteren. Misschien pak ik een ideetje mee.
2.6.4.5 Jan en Joke; deel van Jezus’ plan om mensen te redden uit eenzaamheid en kwetsbaarheid
De eenzaamheid van Ilona Verhoeven Ik zoek de waarheid. Al zou ik die van het eind van de wereld moeten halen, ik zou erheen reizen. Al zou ik er mijn hele gedachteleven voor moeten omleggen: ik zou het doen (Pr. 1:17). Iedereen behoort zijn of haar mogelijkheden en beperkingen te kennen. Ik heb veel mogelijkheden. Er is echter een beperking. Eén van mijn mogelijkheden is bijvoorbeeld, dat ik razendsnel alles kan doorzien: echt van onecht weet te onderscheiden. Over mijn beperkingen zo dadelijk… Nee; ik wil er vast iets van zeggen: omdat ik met mijn hele hart zoek, ben ik temidden van alle halfzachte ‘franse-slag’-zoekers een eenling. Ik voel me soms zo eenzaam. In mijn passie, mijn gedrevenheid, ben ik volslagen onbegrepen… Het luchtledige, dat me scheidt van alle huis-, tuin- en keukenmensen maakt me soms zo zwak, dat ik zou willen weghollen, terughollen, mij in de massa verbergen. Maar de massa stinkt zo muf. Denk nu niet, dat ik een pedant nest ben. Ik ben heel ‘vlug van begrip’; ik zou best een lief, dom giechelding willen zijn, maar het is mijn aard en misschien ook wel mijn taak om te zijn, zoals ik ben: iemand op zoek naar de zin van het leven (Pr. 1:13).
Verder dus over mijn mogelijkheden: ik heb dadelijk door, wanneer er vervagend en wollig wordt gebabbeld, zie de onechtheid ervan direct. Ook onder een eerlijk gemeende, oppervlakkige overtuiging, zie ik de werkelijke diepere motieven. De man of de vrouw, die staat te oreren, is zichzelf dikwijls helemaal niet daarvan bewust. Laatst maakte ik daarvan weer een heel duidelijk voorbeeld mee.
Iemand hield een toespraak over winst maken door ondernemers. Hij zei, dat zoiets een schandaal was. Iedereen zat zogezegd met open mond instemmend te luisteren, want hij meende het echt. Maar ik proefde ogenblikkelijk de naijver: hij wou zelf zo graag winst maken. Wel eens vervelend, zo’n scherpe blik, vooral, wanneer het ook nog eens jezelf gaat betreffen. Laatst hield ik een lezing over het feminisme, zie ik mijn eigen manco zo scherp: Je maakt gewoon een afgod van die idee. Is er nu werkelijk kans op, dat deze stroming ooit de vrouw gaat baren, die inderdaad super is? Zou je niet eens ophouden met achter feministische idealen zonder meer aan te draven? Zou je niet eens beginnen met naar de werkelijke vrije vrouw te zoeken? (2.4.6.5). Om kort te gaan: mijn hele leven heb ik gezocht naar echtheid. Dat haast verbeten zoeken temidden van al die stompzinnige voortsjokkenden maakte me eenzaam en die eenzaamheid kortwiekte de wijde vlucht van mijn gedachten. Ik merkte echter ook nog eens, dat de kern van wat echtheid leek, altijd en altijd onecht was (Pr. 1:2). Steeds weer: de worm in het klokhuis. Het weten, dat er geen echtheid was, dat ieder ander zich maar bij de neus liet nemen, verdiepte mijn eenzaamheid. Ik ging mij afvragen: wat is het nut voor mij om zoveel inzicht te hebben? Ik wilde mijzelf gaan beperken, niet zo diep meer doordenken, kortom: tegen mijn aard ingaan.
En toen had ik een gesprek met Joke (2.5.8.6). Ik was verbluft; het volgzame meepratertje, het kritiekloze toejuichertje, was een vrouw van allure aan het worden. In wat ze zei, zaten veel clichés uit haar nieuwe kring; er was een heel verhaal over ‘schaapjes in een kudde’, een zoetelijk, onecht beeld. Dit was echter het opwindende: – tot dusverre had ik onder de oppervlakkige echtheid steeds de dieper liggende lariekoek – zo niet erger – bespeurd; – nu keek ik razendsnel door alle oppervlakteapekool heen en wat zag ik: het goud van de waarheid, waar ik naar zocht! En toen ik meeging naar haar kerk, weer datzelfde: er liepen me daar wat oppervlakkige mensen rond! Maar weer zag ik daarachter in een flits de kern: een gebouw, zo imposant, zo gegrond op edelstenen! (Op. 21:14). Niet, dat al die mensen daar aan die kern deel hadden, maar er waren er in ieder geval enkelen; echtparen Vonk en Van Dalen, met wie ik even sprak, Jan en Joke ook al een beetje… en Gert… Gert Buurma, die gepreekt had. Hij had over Jozef gesproken, dat hadden jullie al van Joke gehoord. Zij kon echter iets niet vertellen; de dubbele ontdekking, die ik deed: – ik debatteerde na afloop met hem. Onder onze wederzijdse woordenstroom zag ik het scherper dan bij wie ook: de stralende waarheidskern was er weer en Gert was zich bewust van de schat, die hij met zich meedroeg. Zijn woorden waren soms onvolkomen, maar ‘de schat’ hoorde bij hem en hij hoorde bij ‘de schat’ (2 Cor. 4:7); – er sprong een vonk tussen ons over. Deel van mijn eenzaamheid was altijd het alleen zijn: zonder man. Ik wil bij een man horen en ik wil, dat er een man is, die bij mij hoort. Mijn scherpe blik maakte echter, dat elke man tot een mannetje verschrompelde, wanneer ik over een contact nadacht. Gert echter werd niet kleiner en kleiner: ik wist, dat hij het was en ik wist, dat hij besefte, dat ik het was. Ik ben er nu. Mijn zoektocht is afgelopen. Ik heb de waarheid ontdekt; een mens kan alleen maar echt mens zijn, als hij of zij door Jezus met God verbonden is. Maar nu ik de waarheid ken, is het mij onmogelijk om er “Ja” tegen te zeggen.
Zolang ik echter geen “Ja” zeg tegen Jezus, kan ik ook geen “Ja” zeggen tegen Gert. En nu is er ook die uitnodiging voor 3 februari. En uitgerekend Gert houdt de preek. Ze maken het mij wel moeilijk. Maar natuurlijk ga ik.
De kwetsbaarheid van Karel Hartog Ik ben blij met mijn nieuwe situatie hoor! Laat niemand beweren, dat ik niet gelukkig ben! Niemand hoeft te zeggen, dat ik in een harnas wordt geperst. Wanneer ik mij soms inderdaad wat onbehaaglijk voel, dan komt dat, doordat mijn ‘oude mens’ tegenstribbelt. Ja, dat zal het zijn. Met Jezus ben je volkomen gelukkig. Als dat niet zo is, kan het nooit aan Hem liggen, dan moet het aan jou liggen, aan dat deel van je wezen, dat onaangepast is.
Zeg, ik val zo opeens met de deur in huis, laat ik wat van mijzelf vertellen. Ik ben een dichter; op en top een gevoelsmens. Kleuren kunnen mij van alles doen, muziek raakt mij diep. Ik ben zo vatbaar voor prikkels, daar heb je geen voorstelling van. Jullie begrijpt, dat ook de liefde iets heel hevigs voor mij zou gaan betekenen. Ik had al wel enige ervaringen achter de rug, niet te vergelijken evenwel met wat me overkwam in mijn tijd met Riet. Zij had alles, wat ik niet had, zij miste alles, wat ik wel had. Ze lachte om gedichten en dacht alleen aan geld. Ze trok onverschillig alle kleurcombinaties aan en zwoer bij popmuziek. We waren een tijd samen en ik hechtte mij aan haar. Onze intieme ogenblikken doorleefde ik als zo iets heiligs. En toen kwam de dag, waarop ze zomaar, zonder enige verzachting, tegen me zei: “Je bent een dooie diender met je gemauw over mooie, tere vogeltjes en de donder van de branding: ik heb genoeg van je”. Ik probeerde nog: “Maar Riet; denk nu eens aan onze goddelijke, gezamenlijke ogenblikken”. En zij: “Goddelijk? Voor jou misschien, maar mijn nieuwe vriend Martin, is daarin ook beter!” “Dus?” riep ik, terwijl ik mij weggezogen voelde naar de chaos… “Ja”, zei ze: “Nou dááág”.
Zoals ik mij daarna voelde, zo ziek, zo vernederd, zo waardeloos. … En toen kwam Jezus in mijn leven. Iemand nam mij mee naar een kerk, waar een mevrouw sprak over de Man, die begrip had voor iedereen. De Man, die elk verdriet kon verdrijven, elke wond kon genezen (1 Petr. 2:24). Als je vermoeid en belast was, kon je bij Hem terecht (Matth. 11:2. Jezus had ik nodig, naar Hem had ik gezocht, ik wist het. Hij zou niet lachen om mijn gevoeligheid voor klanken, kleuren, geuren en stemmingen. Hij zou al die eigenschappen kunnen veredelen en gebruiken.
Argeloos liep ik met mijn ‘mentor’ een gemeente binnen, waar mensen bijeen waren, die Jezus zochten, evenals ik. Alles voelde ik aan, alles bemerkte ik. Ik hoorde ze denken: “Alweer een nieuwe; je verdrinkt er onderhand in; wat dit nu weer voor een typetje is?” Met het weerloze bruin (2.3.7.1) van mijn ogen keek ik in al die hardblauwe en koelgrijze kijkers. Die leken te zeggen: “Pas je aan, pas je aan, ons incasseringsvermogen is niet van elastiek. Speel op de situatie bij ons in”. Later zocht ik hulp bij mijn begeleider en vertrouwde hem toe: “Zijn die de volgelingen van Jezus? Ze zijn net zo hard als Riet!” (want dat had ik hem al verteld). Hij zei begrijpend en ook wel sussend: “Nu ja; je moet geen schaap met vijf poten willen. Trouwens; jij hebt ook wel wat af te leren. Jij staat ook nog maar steeds met je toverwoord van vroeger op je lippen. En wat is het eerste, wat je daarna doet? Juist: je yoga-oefeningen. Ergens hebben veel van die mensen dat min of meer onbewust in de gaten. Ze zijn voor dat soort gewoonten – terecht – heel erg kopschuw. Al zijn ze jouw type niet, je kunt toch wel wat van hen leren. Jij hebt in het verleden al te goedgelovig allerlei beslist ongezond geestelijk voedsel verorberd. Dat zal hun niet overkomen. Zij moeten echter weer oppassen voor andere gevaren: sleur, zelfgenoegzaamheid, oververzadigdheid. Dat is overigens niet jouw ‘pakkie an’. Joh, probeer het eens een poosje hier: laat de verkeerde dingen uit je karakter varen. Conformeer je echter niet zo zeer, dat je goede eigenschappen prijs geeft. Je bent uniek! Nu ja, dat is iedereen, maar je begrijpt, wat ik bedoel, dichter! Nu moet ik je een poosje alleen laten tussen heel veel proza. Bel me, als er iets mis gaat”.
Ik volgde zijn raad, maar gooide met het badwater ook het kind weg. Terwijl ik jullie mijn verhaal vertel, wordt me dat zo duidelijk. Ik onderdrukte de dichter in mij, paste mij overdreven aan, overschreeuwde mijn kwetsbaarheid. Nooit wilde ik meer zo onderuitgehaald worden als toen door Riet. Ik was in een ‘vlugge’ gemeente terecht gekomen, die zwoer bij: opschieten, tempo! Ik werd ook zo’n ‘snelle’ gelovige: zo gauw mogelijk de ‘doop na bekering’ en ‘de doop in de Heilige Geest’. Toen Jan Donker de Heer vond, trachtte ik hem te beïnvloeden op de manier, zoals dat bij ons tot de goede toon hoorde: “Aanpakken jong; niet als een slak op de teerton; kom, kom: je hebt geen honderd jaar de tijd” (2.4.6.8; 2.5.8.7).
Ik had al steeds de idee, dat ik Jezus niet helemaal goed volg. Nu echter zie ik haarscherp, dat ik op de kortste keren moet overleggen met mijn raadsman. Maar eerst naar die bruilof toe. Jan en Joke zijn nuttig voor mij. Anders was ik er misschien nooit toegekomen om ‘kapel-mensen’ te ontmoeten. Ik wil mijn blik verbreden, iets van hun aanpak zien. Alleen samen met vele gelovigen, ieder weer met zijn eigen partje inzicht, kom je achter het volle geheim van Gods liefde (Ef. 3:1.
2.6.4.4 Jan en Joke; deel van Jezus’ plan om mensen te redden uit moeilijkheden door eigen toedoen en door toedoen van anderen
De domme diefstalletjes van Leontien van Oosterlaak Wat leuk van de week, die kaart van Jan en Joke. De idee hè? Een samenwoning omzetten in een huwelijk. Juist zij. Het gebeurt natuurlijk wel meer, maar van hen had ik het tot voor kort nooit verwacht. Ik zag ze van de week nog, plaagde: “Zeg Jo; trouw je nog in het wit ook?” En weet je, wat ze zei? “Reken maar van yes”. Het was stil aan de kassa, er was even tijd voor een praatje. Ik zei, totaal verbouwereerd: “Maar Joke; dat kan toch helemaal niet. Iedereen weet, dat je twee jaar samen hebt gewoond. Sommigen weten, dat je daarvoor jaren met een ander was. En dan in het wit! Voor mij mag het hoor, maar een heleboel mensen zullen zich bescheuren”. “Luister”, zei ze: “Het was vroeger mijn ideaal om in het wit te trouwen. Ik heb gehuild bij het idee, dat het niet meer kon. Maar nu is Jezus in mijn leven gekomen. Hij maakt alle dingen nieuw (Op. 21:5). Ik heb gebroken met wat er in mijn leven verkeerd was. Dat is van mij genomen. Ik heb er niets meer mee te maken. Dus: in het wit om van Hem te getuigen. Hij heeft immers de superwaskracht, die jullie niet hebben in al jullie rekken, om schoon te maken, wat vuil was” (1 Joh. 1:7).
Nu zullen jullie zeggen: “Praten jullie zo vertrouwelijk met elkaar?” Ja; sinds die geschiedenis met het tientje, dat ze teruggaf (2.5.8.4), is alles tussen ons veranderd. Ik wist, dat zij het mij door de neus had geboord, maar wat zij niet weet, was… dat ik mijn baas soms ook wel wat lichter maakte. Die nacht, nadat zij dat tientje achterovergedrukt had, heb ik het zo te kwaad gehad. Ik zag opeens, dat ik terugkreeg, wat ik zelf deed (Hos. 8:7). Ik was een bedriegster, die ook weer bedrogen werd. Ik ben van schrik met mijn kruimeldiefstallen opgehouden. En een paar weken later was er een controle vanwege het hoofdkantoor. Een andere caissière werd betrapt en ik kreeg een pluimpje als ‘de eerlijke Leontien’.
Begrijp je nu mijn verwarring, toen zij dat tientje nog terug kwam brengen ook. Later zijn we vriendinnen geworden. Zij vertelde frank en vrij van haar geloof. Ik heb er verder over nagedacht: dan is er misschien echt wel een God, Die me liefheeft, Die me laat schrikken en zo laat ophouden met stelen. Maar dat andere meisje dan, dat tegen de lamp liep. Had God die dan niet lief? Daar kwam ik niet uit. En ook niet uit de volgende gedachtegang: misschien zou ik het allemaal eens aan mijn baas moeten vertellen, net zoals Joke bij mij opbiechtte. Nee, dat doe ik niet. Wat voor haar gemakkelijk was, is voor mij moeilijk; mijn baan kan er mee gemoeid zijn. Nee; dat potje laat ik maar dicht. Maar in ieder geval: Joke in het wit. Wildeman Jan in een gedistingeerde grijze smoking. Dat moet ik zien!
Hoe aan Piet en Ans Willems nu eindelijk eens niet de ‘zwarte piet’ werd toegeschoven Wel; dat gaat een reis worden: woensdag 3 februari. ‘Ik had mijn wagen volgeladen’: met de vier kinderen behoorlijk vroeg in de auto naar Amsterdam. Ik heb al een stadsplattegrond gekocht om direct de weg te kunnen vinden. Het is gewoon feest bij ons. Ans loopt de hele dag te zingen. Zo even riep ze nog: “Piet, ben je ook zo blij! Onze Joke, die de Heer heeft gevonden… en Jan ook… en nu die fijne orde van een huwelijk. Het kan haast niet waar zijn. En toch: er zijn slechte tijden en er zijn goede tijden (Pr. 3:. Dit wordt een goede tijd. Nu ze gaan trouwen, krijgen ze misschien ook wel durf om te denken aan kinderen krijgen. Dan worden we nog opa en oma ook!”
Ik gun het haar zo. In de afgelopen jaren was er soms veel bitterheid in de beker, die wij in dienst van de Heer hadden te drinken (Matth. 26:39). We hebben jaren als oudsten gewerkt in een gemeente vol met balsturige, vreemde mensen, die onze kinderen choqueerden. Zo is Joke eigenlijk weggegaan en later Gerard. Monica stond ook al op het punt om te verkassen. Toen kwam er in die gemeente opeens een scheuring. Geloof me of niet: Ans en ik kregen de zwarte piet toegeschoven. Het was onze schuld, zei men. Dat was al eens eerder gebeurd. Wij zeggen wel eens zuinigjes tegen elkaar: “Het zal onze bediening wel zijn om telkens als de zondebok de woestijn in te worden gestuurd” (Lev. 16:21). Ditmaal echter draaide het zo vreemd, dat wij opeens overal uitgediend waren. Zo zout hadden we het toch nog nooit gegeten. Maar: we zijn ook hierdoor heen gekomen. Na eerst een tijdje treuren en wonden likken, zijn we begonnen, ons gezin meer aandacht te geven en familiebanden aan te halen. Monica vond de sfeer zo verbeterd, dat ze thuis bleef. Gerard kwam weer thuis wonen. Met Joke echter werd de verbinding nooit meer hersteld. Goed; ze wipte nog vrij geregeld aan – zonder Jan dan – maar contact van hart tot hart was er niet. Wel bleef ze een band houden met haar jongste broer. God is echter God; na zuur volgt zoet, te beginnen met dat telefoongesprek (2.5.8.6). Nog even over die abrupte beëindiging van ons gemeentewerk; eigenlijk een ‘blessing in disguise’.
Weet je, ik heb me nog een hele tijd schuldig gevoeld, omdat ik niet meer zoveel voor de Heer deed als in de tijd, dat ik oudste was. Tot de idee bovenkwam, dat God niet wilde, dat ik mijzelf ging beschuldigen. Ik leerde de toestand te aanvaarden zoals die nu eenmaal was (Job 2:10). Dat was goed voor mijn gezondheid. Ik leerde alles, wat me dwars zat, nog meer aan God toe te vertrouwen (Ps. 37:5).
Tot op de dag van vandaag bid ik om weer een nieuwe vorm van activiteit voor Jezus. Ik zoek er ook echt naar. Het komt je niet aangevlogen. Ik klop op Gods deur, want de weg naar een nieuwe bediening ligt niet zonder meer open (Luk. 11:9). Treuren om het feit, dat ik buiten spel ben gezet, doe ik echter niet meer. Samen met Ans houd ik lange vakanties; de verhouding met de kinderen en verdere familie is verbeterd. Eigenlijk zijn dit dagen van voorspoed, waarin wij genieten van het goede (Pr. 9:9). En 3 februari: het is weer één van die fijne hoogtepunten, die we gaan meemaken.
Wij zijn door deze gebeurtenissenreeks zo getroost. Het is net, of de Heer ons toelacht: “Pechvogeltjes, ‘onderhondjes’: Ik vergeet jullie niet”.
2.6.4.4 Jan en Joke; deel van Jezus’ plan om mensen te redden uit moeilijkheden door eigen toedoen en door toedoen van anderen
De domme diefstalletjes van Leontien van Oosterlaak Wat leuk van de week, die kaart van Jan en Joke. De idee hè? Een samenwoning omzetten in een huwelijk. Juist zij. Het gebeurt natuurlijk wel meer, maar van hen had ik het tot voor kort nooit verwacht. Ik zag ze van de week nog, plaagde: “Zeg Jo; trouw je nog in het wit ook?” En weet je, wat ze zei? “Reken maar van yes”. Het was stil aan de kassa, er was even tijd voor een praatje. Ik zei, totaal verbouwereerd: “Maar Joke; dat kan toch helemaal niet. Iedereen weet, dat je twee jaar samen hebt gewoond. Sommigen weten, dat je daarvoor jaren met een ander was. En dan in het wit! Voor mij mag het hoor, maar een heleboel mensen zullen zich bescheuren”. “Luister”, zei ze: “Het was vroeger mijn ideaal om in het wit te trouwen. Ik heb gehuild bij het idee, dat het niet meer kon. Maar nu is Jezus in mijn leven gekomen. Hij maakt alle dingen nieuw (Op. 21:5). Ik heb gebroken met wat er in mijn leven verkeerd was. Dat is van mij genomen. Ik heb er niets meer mee te maken. Dus: in het wit om van Hem te getuigen. Hij heeft immers de superwaskracht, die jullie niet hebben in al jullie rekken, om schoon te maken, wat vuil was” (1 Joh. 1:7).
Nu zullen jullie zeggen: “Praten jullie zo vertrouwelijk met elkaar?” Ja; sinds die geschiedenis met het tientje, dat ze teruggaf (2.5.8.4), is alles tussen ons veranderd. Ik wist, dat zij het mij door de neus had geboord, maar wat zij niet weet, was… dat ik mijn baas soms ook wel wat lichter maakte. Die nacht, nadat zij dat tientje achterovergedrukt had, heb ik het zo te kwaad gehad. Ik zag opeens, dat ik terugkreeg, wat ik zelf deed (Hos. 8:7). Ik was een bedriegster, die ook weer bedrogen werd. Ik ben van schrik met mijn kruimeldiefstallen opgehouden. En een paar weken later was er een controle vanwege het hoofdkantoor. Een andere caissière werd betrapt en ik kreeg een pluimpje als ‘de eerlijke Leontien’.
Begrijp je nu mijn verwarring, toen zij dat tientje nog terug kwam brengen ook. Later zijn we vriendinnen geworden. Zij vertelde frank en vrij van haar geloof. Ik heb er verder over nagedacht: dan is er misschien echt wel een God, Die me liefheeft, Die me laat schrikken en zo laat ophouden met stelen. Maar dat andere meisje dan, dat tegen de lamp liep. Had God die dan niet lief? Daar kwam ik niet uit. En ook niet uit de volgende gedachtegang: misschien zou ik het allemaal eens aan mijn baas moeten vertellen, net zoals Joke bij mij opbiechtte. Nee, dat doe ik niet. Wat voor haar gemakkelijk was, is voor mij moeilijk; mijn baan kan er mee gemoeid zijn. Nee; dat potje laat ik maar dicht. Maar in ieder geval: Joke in het wit. Wildeman Jan in een gedistingeerde grijze smoking. Dat moet ik zien!
Hoe aan Piet en Ans Willems nu eindelijk eens niet de ‘zwarte piet’ werd toegeschoven Wel; dat gaat een reis worden: woensdag 3 februari. ‘Ik had mijn wagen volgeladen’: met de vier kinderen behoorlijk vroeg in de auto naar Amsterdam. Ik heb al een stadsplattegrond gekocht om direct de weg te kunnen vinden. Het is gewoon feest bij ons. Ans loopt de hele dag te zingen. Zo even riep ze nog: “Piet, ben je ook zo blij! Onze Joke, die de Heer heeft gevonden… en Jan ook… en nu die fijne orde van een huwelijk. Het kan haast niet waar zijn. En toch: er zijn slechte tijden en er zijn goede tijden (Pr. 3:. Dit wordt een goede tijd. Nu ze gaan trouwen, krijgen ze misschien ook wel durf om te denken aan kinderen krijgen. Dan worden we nog opa en oma ook!”
Ik gun het haar zo. In de afgelopen jaren was er soms veel bitterheid in de beker, die wij in dienst van de Heer hadden te drinken (Matth. 26:39). We hebben jaren als oudsten gewerkt in een gemeente vol met balsturige, vreemde mensen, die onze kinderen choqueerden. Zo is Joke eigenlijk weggegaan en later Gerard. Monica stond ook al op het punt om te verkassen. Toen kwam er in die gemeente opeens een scheuring. Geloof me of niet: Ans en ik kregen de zwarte piet toegeschoven. Het was onze schuld, zei men. Dat was al eens eerder gebeurd. Wij zeggen wel eens zuinigjes tegen elkaar: “Het zal onze bediening wel zijn om telkens als de zondebok de woestijn in te worden gestuurd” (Lev. 16:21). Ditmaal echter draaide het zo vreemd, dat wij opeens overal uitgediend waren. Zo zout hadden we het toch nog nooit gegeten. Maar: we zijn ook hierdoor heen gekomen. Na eerst een tijdje treuren en wonden likken, zijn we begonnen, ons gezin meer aandacht te geven en familiebanden aan te halen. Monica vond de sfeer zo verbeterd, dat ze thuis bleef. Gerard kwam weer thuis wonen. Met Joke echter werd de verbinding nooit meer hersteld. Goed; ze wipte nog vrij geregeld aan – zonder Jan dan – maar contact van hart tot hart was er niet. Wel bleef ze een band houden met haar jongste broer. God is echter God; na zuur volgt zoet, te beginnen met dat telefoongesprek (2.5.8.6). Nog even over die abrupte beëindiging van ons gemeentewerk; eigenlijk een ‘blessing in disguise’.
Weet je, ik heb me nog een hele tijd schuldig gevoeld, omdat ik niet meer zoveel voor de Heer deed als in de tijd, dat ik oudste was. Tot de idee bovenkwam, dat God niet wilde, dat ik mijzelf ging beschuldigen. Ik leerde de toestand te aanvaarden zoals die nu eenmaal was (Job 2:10). Dat was goed voor mijn gezondheid. Ik leerde alles, wat me dwars zat, nog meer aan God toe te vertrouwen (Ps. 37:5).
Tot op de dag van vandaag bid ik om weer een nieuwe vorm van activiteit voor Jezus. Ik zoek er ook echt naar. Het komt je niet aangevlogen. Ik klop op Gods deur, want de weg naar een nieuwe bediening ligt niet zonder meer open (Luk. 11:9). Treuren om het feit, dat ik buiten spel ben gezet, doe ik echter niet meer. Samen met Ans houd ik lange vakanties; de verhouding met de kinderen en verdere familie is verbeterd. Eigenlijk zijn dit dagen van voorspoed, waarin wij genieten van het goede (Pr. 9:9). En 3 februari: het is weer één van die fijne hoogtepunten, die we gaan meemaken.
Wij zijn door deze gebeurtenissenreeks zo getroost. Het is net, of de Heer ons toelacht: “Pechvogeltjes, ‘onderhondjes’: Ik vergeet jullie niet”.