Naar de inhoud

" De Afrekening"

Een West-Vlaamse oorlogsthriller in afleveringen
akke.beakke.be

Archief

Deel 45

A28        PICOSA, HEUVEL 496.

 

                         27 JULI 1938.

 

    Hier konden ze niet langer blijven liggen, zoveel was voor Rocco Steiner wel duidelijk. Met Jean naast zich, die alles wat stonk liet lopen en zienderogen achteruit boerde, zou het zéér slecht aflopen als hij niet vlug naar de hulppost in het dal werd gebracht. En dan nóg...Je hoefde geen sterren­wichelaar te zijn om dàt te voorspellen...

 

    Maar even duidelijk was het dat geen zinnig mens het in zijn kop zou halen één vin te verroeren vanachter dit lage rotsmuurtje dat sinds christelijker tijden de watererosie van de bovenliggende akker moest tegengaan. Nu was het nauwelijks hoog genoeg om een kruipend man dekking te bieden tegen het moordende vuur van de Moren, die zich in de versterkte hoeve op de kale heuveltop verschanst hielden. Van daaruit bestreken hun mitrailleuses alle lagergelegen terrassen, op een paar smalle stroken in de schaduw van die rotsmuurtjes na. En schaduw was een groot woord, nadat één of andere verlichte geest gisterenavond het bevel had gegeven de aanplantingen rond de hoeve in brand te steken in een poging de Moren op de top uit te roken.


    Zover Steiner nu door zijn van zweet prikkelende spleet­ogen kon zien, lagen alle akkers rondom in de brandende zon te zinderen onder een laag grijze asse, met hier en daar het lijk van een wapenbroeder. Op het bovenste glacis, de vijftig meter tussen hun futiele borstwering en de buitenmuren van de hoeve, had hij er een vijftal zien liggen van zijn eigen peloton, gevallen tijdens de twee voorgaande stormlopen van gisterenavond. Toen waren ze bijna tot aan de poort geraakt vooraleer de mitrailleuses hen terugdreven. Maar de derde charge tijdens de dageraad was reeds doodgelopen op het laatste terras hier, een minuut na de noodkreet van Jean. Hij had daarop enkel zijn bewusteloze vriend in de beschutting van dit muurtje kunnen slepen. Bij een vluchtig onderzoek viel hij bijna direct op de diepe scherfwonde in de linker lende en wist genoeg toen de krachteloze benen niet meer reageerden op de prik van zijn lange Franse bajonet...Muy malo...

 

   Profiterend van een plotse vuurpauze waren de kameraden in kleine groepjes terug naar beneden gevlucht,  hier en daar een gewonde meeslepend. Steiner was bij zijn slapie gebleven. Niet uit een soort ridderlijke solidariteit maar gewoon uit pure besluiteloosheid: de moed ontbrak hem om die hulpeloze kniezer hier in de steek te laten. Nu ze hier al een eindeloos uur lagen, was het én te laat én te licht én te warm om nog een vluchtpoging te wagen. De Moren zouden hem neerknallen als een dwaas konijn lang voor hij beneden achter het volgende schuilmuur­tje zou kunnen wegduiken, mét of zonder Jean op z'n schoft...Want als hij die smeerlappen daar op de top één pluspunt moest geven: schiéten moesten ze niet meer leren !   Hij kon enkel hopen dat het peloton vóór de middag nog een aanval zou wagen, dan geraakte hij onder hun dekking misschien mee naar beneden. Vraag was of Jean het zolang zou volhouden...

 

    Hijzelf had de drie aanvallen op de hoeve zonder veel kleerscheuren overleefd, op een paar geschaafde knieën en die jaap in de rechter elleboog na. Lachwekkend, vergeleken bij het vijftal zwaargewonden dat ze gisterenavond na drie mislukte stormlopen onder dekking van de duisternis mee terug naar beneden hadden gesleept. Hij had in een flits onwillekeurig teruggedacht aan het verhaal van de Ket op de trein van Parijs naar Perpignan: "Flatch ! Filet américain..."


     Met de doden, die ze lieten liggen, plus de lich­tere gekwetsten erbij, die op eigen kracht terug thuis waren geraakt, schatte Steiner dat zijn peloton nu reeds éénderde van zijn slagkracht kwijt was. En het offensief was nog maar vier dagen bezig ! Vier dagen, waarvan ze de eerste drie dan nog bijna zonder vechten waren doorgekomen...

    Het oversteken van de Ebro, waarvan ze allen het ergste hadden gevreesd, erliep achteraf gezien bijna probleemloos: één bootje sloeg midden in de stroom om door paniek aan boord na een dichte granaatinslag, maar niemand ging verloren. Ook eens op de vijandelijke oever aan de overkant ondervonden ze geen weerstand omdat de Ame­rikanen van de "Lincolnbrigade" hen waren voorgegaan. Overal sloegen de Moren,volledig verrast door het rode offensief, bijna zonder vechten op de vlucht. Zo leek het tenminste...

 

    Na twee dagen voorzichtige achtervolging dwars door de bergen waren ze met de lichte colonnes van de Franse brigade al twaalf kilometer opgeschoten: buiten af en toe een klein weer­standsnestje opruimen viel er niet veel te beleven. Het zware gespan en de artilleriestukken op de grote baan in het dal kwamen zelfs nog vlugger vooruit, maar die gebruikten dan ook de grove middelen.

 

    Eergisteren viel het hem voor het eerst op dat de Moren, tegenover het zware gedruis van de rode overmacht, niet enkel achteruitweken langs de hoofdweg, maar steeds meer zijwaarts de heuvels introkken om zich op de toppen opnieuw te verschansen. Dat ze daardoor omsingeld werden scheen blijkbaar niet tot hen door te dringen...Of hen in elk geval niet erg te deren. Want daar, ver van de baan weg, kon het Franse veldge­schut hen niet meer raken en kregen ze enkel af te rekenen met de lichte colonnes...Steiner merkte al vlug dat die bruine bergapen hier in hun eigen milieu stukken sterker stonden dan bene­den op de baan en nu duidelijk voor niemand meer bang waren...


   Dat werd onmiddellijk bevestigd bij de eerste aanval van zijn compagnie op de schijnbaar verlaten hoeve bovenop deze heuvel 496. Zo had pelotonscommandant kameraad Marco de top van de Picosa genoemd omdat zijn kaart er de hoogte van vermeldde: 496 meter. Het vierkante eeuwenoude bouwsel, opgetrokken in brute grijze rotssteen lag er, uitgevreten door de zon, in het middelpunt van een vijftal cirkelvormige, trapsgewijs afdalende terrassen. De dorre verwaarloosde gewassen op de akkers rondom en het schrale struikgewas op de zomen onttrok hen echter onvoldoende aan het zicht van de mogelijke bezetter.

 

    En toch kon het vierde reservepeloton, dat in spits een paar honderd meter voorop uitgewaaierd het niemandsland verkende, de hoeve naderen tot het tweede terras zonder er ook maar één schot viel. Waarom de Moren dit fort niet verdedigden was voor iedereen een raadsel. Militair gezien prachtig gelegen. Maar buiten wat ver gerommel van een vuurgevecht in het dal, dat dan nog verzonk in golven gekir van miljoenen onzichtbare krekels, bleef het angstwekkend stil.

 

Tot Steiner in de verte op het laatste terras de eerste man achterover zag vallen, onmiddellijk gevolgd door de echo van het schot. Gedurende het eindeloze ogenblik van verlammende twijfel dat daarop volgde gingen er nog drie-vier jonge rekru­ten door de knieën, vóór de sectieleiders hun schapen in dek­king konden schreeuwen. Een vijftal zuivere schoten en het was ermee gedaan.

   Met hun zorgeloze avondwandeling eveneens. Het commando besloot met de bestorming even te wachten tot een uur vóór zonsondergang om dan in de hoeve rustig de nacht door te breng­en. Ze schatten de sterkte van de bezetting op een tiental man, enkel gewapend met geweren. Ze beschikten zéker niet over mitrailleuzen, zoniet had­den ze daarmee de voorhoede wel neergemaaid. Een compagnieaan­val vanuit drie richtingen zou met die gastjes daar korte metten maken.

 

    Maar die bruine stinkerds bleken wél mitraljeuzen te hebben en hun ge­giste sterkte liep na de eerste mislukte stormloop al vlug op tot minstens veertig man...Goed verschanst achter meterdikke muren was daar zonder een kanon niet door te komen...Kameraad-luitenant Louis die het tweede peloton aanvoerde opperde het plan de gewassen rondom in brand te steken en onder het rookscherm een paar sapeurploegen naar voor te sturen met dynamietladingen om zoniet de muren, dan toch minstens de poort op te blazen.

 

    De rook bleek de Moren evenwel allerminst te storen ter­wijl de vlammenzee daarentegen de trage vordering van onze 'dynamiteros' in de avondschemer speciaal in de schijnwerpers zette. Slechts twee ploegen raakten als bij wonder heelhuids tot tegen de buitenmuur. De eerste wierp de lading op het dak met waar­schijnlijk een te lang lont. De granaat rolde terug naar bene­den en ontplofte voor hun voeten. De tweede ploeg wierp de bom door een venstersleuf naar binnen maar vergat in de opwinding van het ogenblik blijkbaar het lont goed aan te steken...Hoe dan ook: een maat voor niets. Het was ondertussen  pikkedonker geworden toen de tweede stormloop werd afgeblazen.

 

    Aan de laatste charge van deze morgen dacht Steiner met afschuw terug. Tussen de opeenvolgende lage terrasmuurtjes, die toch makkelijk een veertig meter van elkaar af lagen, groeide er zelfs geen grassprietje meer om achter te schuilen. Alles verast en weggebrand tot een grijze vlakte, bestreken door die rottige machinegeweren van de overkant ! God, dat tot dààr toe...Gebukt sprinten in zigzagkoers en wegduiken achter het kleinste scherm: dat had Pilar hen geleerd op het strand van Prat del Llobregat, zaliger gedachtenis. Maar die kleinste bescherming waar dat wijf het toen over had, waren hier de lijken van vorige avond waarop de Moorse souvenirjagers gedurende de nacht hun lusten hadden botge­vierd...Vreselijk verminkt, de oren afgesneden en...ja: ont­mand...lagen ze te stinken in een grote korst zwart bloed omzwermd door hon­derden steekhorzels...De gruwelverhalen die in het kampement aan de Ebro de ronde hadden gedaan bleken dus tóch waar...

 

    Hij schrok op uit zijn beklemmende herinneringen. Jean liet een lange klaaglijke kreun vanonder de helm die Steiner op zijn gezicht had gelegd tegen de brandende zon.

 

     " Wel gij luiaard, gaat het zo een beetje?  " deed Steiner opgewekt, terwijl hij guitig de helm wegtrok: ” Wat is '’t, goed geslapen?  " Het krijgsgedruis was nu helemaal uitgestorven en de krekels tjilpten het hoogste lied.

 

    Jean keek hem een tijdje verdwaasd aan en sneed toen de tweede vrolijke charge van zijn maat de pas af: " Waar is '’t?...Ik heb het zitten, hé?  ...In m'n rug?  ..."


     Het ernstige knikken voelde de sukkel aan als een doods­vonnis. Maar in plaats van in huilen uit te barsten zoals Stei­ner verwacht had grijnsde hij wat pijnlijk: " Ik wist het al...van het begin aan de Ebro...dat het voor vandaag zou zijn..."

 

    " Niet zo luid !   En lig stil !  " Jean bleek dan toch meer kloten aan zijn lijf te hebben dan Rocco voor mogelijk had gehouden. Tenslotte wordt niet iedereen sectieoverste.

 

     " Waar zijn we ?  ...Aaah, verdomme!!"

 

    " Koest !  Niet bougeren ! We liggen achter de laatste parapet, op nog geen vijftig meter van die boenjoels ! Eén handgranaat van die smeerlappen en we zijn er geweest ! "

 

      " Ik voel mijn benen niet..." Hij neep verwoed in zijn billen en kreunde wanhopig: " Putain de merde de mes couilles ! En ze bewegen gaat ook al niet ! "

 

     " Da's van de schok...Dat trekt wel weg...Strak zullen onze kameraden wel weer een aanval lanceren en dan kunnen we onder dekking daarvan samen veilig naar beneden geraken. Met een goede dokter staat ge binnen de maand weer op uw poten..."

 

     " Daar zegt ge al zoiets: een goede dokter ! Waar gaan ze dié vinden ! ..." Hij keek zijn maat wikkend aan: “Rocco, ge valt mij tegen, kameraad: ge weet heel goed dat ik een vogel voor de kat ben...Een bal in de rugge­graat en verlamde benen: zo heb ik er de laatste twee jaar al véél weten gaan... Of uit hun lijden verlost omdat ze het vroe­gen... Brunette... Belchite... Guadelajara... Teruel...Heb ik dat niet verteld ?" Zijn stem brak en begon met schokjes te neuriën:

" Avanti popolo...A la riscossa...Banyère rossa...Banyère rossa..."

 

     " Stil maar: ik weet er alles van..." Maar Jean zong ijlend van de opkomende koorts steeds harder voort:" Banyèra rossa triomfera ! Banyèra rossa triomfera ! "


     In paniek smoorde Steiner de volgende uithaal met zijn hand en fluisterde hem schril in het oor: " Verdomse vliegende zot: bakkes toe !  Als die makakken ons horen zijn we er geweest, onnozelaar ! Is het dàt wat ge wilt ?   Sterven op het veld van eer ?   Gaat uw gang, vriend, maar dan zonder bibi, verstaan ? "

 

    Jean grinnikte misprijzend :"Zonder bibi ? Belofte ver­geten ?...Arme Rocco !... Ik wist van bij de start...van het offensief...dat ik op het verkeerde paard had gewed... Ge hebt geen kloten genoeg...aan uw lijf om een kameraad...een laatste kogel te geven, hé ! Couille molle, vraiment lamentable ! "

 

     Die wou er dus uitstappen. En zijn vriend Rocco aan hun lugubere afspraak houden om elkaar over de eindstreep te helpen als één van beiden zwaar gewond zou raken. Maar hier hoefde dat toch niet: als Jean er de brui aan wou geven kon hij dat even goed zélf flikken want hij mankeerde niks aan zijn handen. Dit bloedige beulswerk zomaar, zónder noodzaak, afschuiven op Stei­ner stond niét in de afspraak.

 

     " Verdomme ,het brandt toch niet ! En ge hebt geen pijn, dus wachten we beter tot de kameraden ons straks komen ontzet­ten..."

      " En gij geloofdt dat !?? Pauvre couillon !

Hoe vind je dit bericht? 4 stemmen
Geschreven door jaakmaes om 00:00 Reageer op dit bericht

Deel 46

  VIVA LA MUERTA !

De schroeiende zon op de kale heuveltop 496 scheen de miljoenen onzichtbare krekels in de omtrek extra energie in te pompen :ze leken met hun golvend getjirp wel wraak te willlen nemen voor het afbranden van de gewassen rond de versterkte hoeve ,gisteren avond :"Verwond ,maar niét bedwongen !"

Even werden Steiners wanhopige afwegingen door dit bedwelmende lawaai overspoeld ,vooraleer hij op de provocerende uithalen van de reutelende gekwetste sussend kon antwoorden :"Straks ,bij de volgende stormloop van de kameraden zullen zij ons wel komen ontzetten..."

Maar Jean trapte er niet in :"Misschién komen ontzetten, wilt ge zeggen...Met de compagnie die al een dag achter ligt op het algemene schema zou ik daar m'n tabak niet op verwedden..." De koorts scheen verdwenen want hij keek weer helder uit z'n ogen: " Hebt ge het Marco vanmorgen...niet horen zeggen ,juist vóór we aanvielen?...Nog één poging...en we trekken verder, zei ie...Dan moeten die sukkels van de Armada popular...uit de tweede lijn dat spel hier maar omsingeld...houden en eventueel opruimen als ze eens...grote goesting hadden om een veldkanon...naar boven te sleuren: wij konden...daar verder geen tijd aan verliezen..."

    Dat had Steiner inderdaad niet gehoord en zoiets veran­derde grondig de situatie. Met die schooiers van het Volksleger kon de volgende aanval wel eventjes op zich laten wachten: twee drie dagen als het meeviel. En hij wilde hier hoe dan ook vóór donker weg: in elk geval vóór die zwarte luiszakken uit de hoeve met hun lange coupe-coupe messen op strooptocht naar "souvenirs" de terrassen zouden afschuimen. Het gedacht alleen al bezorgde hem onderbuikkrampen.

    Voorzichtig wentelde hij zich op zijn zij tegen het muur­tje en speurde de helling af: de zinderende grijze biljard bood niet de minste dekking tot het lagere terras, een veertig meter bergaf. De rest van de verplichte vluchtweg kon hij van hieruit niet zien. Maar hij herinnerde zich van de laatste stormloop in de morgenschemer dat hij de hoeve had zien lig­gen vanaf het vierde terras. Dus zouden de moorse bezetters hén straks tijdens de vlucht ook zover op de korrel kunnen nemen, nogal logisch...Vier terrassen was verdomd ver!

    Jean schraapte zijn keel: " Als ge...recht naar beneden loopt...haalt ge de eerste muur nooit." Die had hem dus liggen begluren vanonder zijn helm! " Zigzag...hoeken alle twintig meter...vijftien tellen vóór ze wakker schieten... tien om te mikken...Maar tegen dien tijd...slaat ge rap een haak naar rechts...En voor de laatste twintig meter weer naar links...Vanaf hun eerste schot...zal ik volle petrol dekvuur geven om ze af te lei­den..."

   Met een schok begreep Steiner dat zijn kameraad de hulp­post in het dal blijkbaar had afgeschreven. En, wat nog beschamender was: niet meer op hém rekende om er een eind aan te maken. Daar zouden de Moren wel voor zorgen als hij hun vuur naar zich toe trok.

   " Ik heb geen goesting om mij na de oorlog...in een zeep­kist op rollen...met twee strijkijzers langs de straat voort te slepen en...te bedelen voor een cent...Ik speel ten andere heel slecht mondmuziek..." En zonder godzijdank verder nog enig commentaar af te wachten wees Jean op hun twee geweren die wat achteraf in het stof lagen, daar waar hij gevallen was en Stei­ner hem had voortgesleept:" Haal die eerst naar hier en geef mij al je kogels...Ik hou die gasten wel vijf minuten be­zig...met mijn bouquet final. "

    Steiner schaamde zich dood maar gebaarde dit laatste niet gehoord te hebben en aan een nieuwe oplossing te werken: " Ik zal die luiaards beneden eens wakker schudden, zie! En u bij de volgende aanval met Pietro en die andere brancardier komen halen. Houdt u zolang maar kalm..."

    " Bon-bon, al goed...Haal nu mijn spuit maar...en geef mij alle ballen...En help me wat rechtop."

 

    Vijf minuten later lag Jean zijwaarts tegen het muurtje, zijn geweer op de borstwering, klaar om volgens het boekje het vuur te openen. Maar een helm wou hij niet opzetten. Waarom ook?  ...

   “"Kruip eerst voorzichtig naar dat ingekalfde stuk daar, op vijftien meter."” Jean hernam duidelijk zijn rol van sectieoverste op :"En op mijn teken spurt ge zo rap mogelijk in zigzag naar beneden...uit de vuurlijn weg, daar rechts achter die rotsblok...Zolang die apen niet schieten hou ik mij ook koest... Maar na hun eerste schot geef ik volle petrol...Rept u altijd in zigzag van ’'t ene muurtje naar het volgende, zoals ge...geleerd hebt: vallen, kruipen en opspringen...Maar treuzel niet onderweg, want lang zal ik...hun vuur niet kunnen aantrekken...Allee, salut Rocco, ik ben content...van u gekend te hebben, kameraad...”."

    Hij grijnsde en balde de vuist naast zijn bezwete kop: "”Viva la muerta!"  ”

Hoe vind je dit bericht? 7 stemmen
Geschreven door jaakmaes om 00:00 Reageer op dit bericht

Deel 47

A29    HOUDT DEN DIEF!

                       Westende, 28 juli 1938.

 

   De volgende middag riep hulpagent Marcel Gunst ons broertje tijdens het ballenrapen - middenin het spel - tegen de omheiningsdraad bij zich. Leon was het hele voorval met die baadster al lang vergeten, maar zij blijkbaar niét: "Als ge haar portemonnee weergeeft zal ze zekerlijk haar klacht intrekken. Maar ànders moet ik subiet de garde verwittigen: dan wordt dat iets voor de gendarmen, hé vriendje. En die lachen daar niet mee..."

   "Portemonnee?!!" Leon viel van héél hoog:

   "Ikke?! Maar ik heb geen portemonnee ! Nooit gezien ! En zéker niet van die madam ! " Maar Leon had mooi bij hoog en laag zijn onschuld te zweren, het resultaat bleef onverbiddelijk, hoe het de Marcel ook speet: "Morgen om acht uur bij de garde, mét of zonder portemonnee, vriend..."

    Zijn wereld stortte in...Hij kon zijn aandacht niet langer meer bij zijn werk houden en liet verstek gaan toen de set beslecht was.

   Wat nù gedaan? Dat wijf had natuurlijk haar geldbeugel ergens verloren en, om geen rammel van haar vent te krijgen, de schuld op Leon gestoken ! Een kind van den arme dat zich moeilijk kan verdedigen tegen die rijke Franse kliek. Die denken dat zo'n kleine luizenkrabber geen geld laat liggen als hij het kan meenemen, hé: armen stelen lijk de raven, dat is algemeen geweten !

   "Godverdomme, waarom moest ik me ook zo dreigend struis oprichten, na die kletsen met haar badmuts ! Dat mensje heeft natuurlijk ineens schrik gekregen en zich nadien op die manier gewroken, dat is begrijpelijk...Maar al bij al zit ik nu met de gebakken peren !"   

   Miljaarde nondedju! Inderdaad: wat nu gedaan? Het gaan uitleggen bij moeder Erte? Maar wàt uitleggen? Dat hij van die portemonnee niets afwist en nog nooit van zijn leven één centiem had gepikt ? En hoé haar te benaderen ? Ze wilde hem in de Lac niet meer zien, zei ze gisteren... En zelfs als ze hem zou geloven kon ze bij die klacht niet tussenkomen: hij zat gekneld tussen dat badmutswijf en de garde. En van geen van beiden moest hij hulp verwachten, hoe onschuldig en goud­eerlijk hij ook was. Goudeerlijk? Jazeker Madam! Dat hij dagelijks een deel van zijn zuurverdiende centjes achterhield bij het afrekenen met moeder wist geen kat, dus dàt telde niet mee voor zijn reputatie. Ten andere, deze speciale manier van "sparen" beschouwde hij eerder als een soort sport.

    Was er dan op heel de wereld niemand die hem uit de stront kon trekken ? Zijn Olgatje was ver de enige die hem zou verdedigen, maar wist ze wel tegen wié of wàt ? En vóór ze morgenmiddag gras ging trekken kon hij haar toch niet spreken.       .  

Van zijn broer Joseph moest hij geen goede raad verwachten...Wie bleef er dan nog over? Agent Marcel Gunst zélf ?...Die durft zeker niet tegen de garde ingaan... Meester Engelborghs misschien ?... Op zo'n korte tijd kon hij die nooit vin­den... Jetje dan maar ?

   

    " Die is zot zeker ! Gij geld stelen !  Maar mijn arm schaap toch ! ...Ze heeft natuurlijk haar centen ergens verlo­ren of mislegd en profiteert ervan dat ze u onder de deur van haar cabine heeft zien kruipen...Of 't zou moeten dat iemand écht haar portemonnee gepikt heeft en gij passeerde juist op het slechte moment. Maar dat geeft haar nog geen recht om een kind voor dief uit te maken ! Zo maar, zonder een schijn van bewijs"

   " 't Ergste is nog dat madam Erte mij verboden heeft nog voorts op de Lac te komen. Niet omdat ze mij verdenkt een dief te zijn, maar om zichzelf uit de wind te zetten en op een goed blaadje te blijven bij dat mens. Die zou haar anders bij me­neer Schelles, haar huisbaas, kunnen gaan zwart maken en zor­gen dat ze daar buitenvliegt uit de Lac...Want al die vreemden klitten aaneen lijk distels..."

    " Bon, als ze daar bang voor is dan blijft ge daar weg...Het is toch geen drama dat ge niet meer in de Lac moogt gaan kuisen, zeker? Die paar frank zal Marie wel kunnen mis­sen hé!  Daarbij: volgende week zit ge op de Astrid en dat is stukken beter dan cabines poetsen, vent. Wat is er dan nóg zo van belang ? 's Avonds naar die artiesten staan zien van ach­ter het gordijn? Ik zou d'er nog geen stap voor verzetten, met al hun pretentie! "

   " En Olgatje, mijn lief, is dié niet van belang? " Het was eruit voor hij het wist, zó erg werkte haar gezalf op zijn zenuwen: " En gebaart maar niet van krommenaas: ge weet al lang dat ik met Olgatje vrij !  Als ik daar niet meer omtrent mag komen, maakt zij het àf ! " De krop in zijn keel deed zijn stem versmachten.

    “" Och ventje, liefde en vrijen is iets voor grote men­sen. Dat is heel wat straffer dan twee kinders die elkander gaarne zien. En als dat meistje het afmaakt omdat gij er een paar dagen niet omtrent komt, dan is ze niet waard dat gij er van wakker ligt, hé. Morgen is uw liefdesverdriet al vergeten ! Maar als ze een écht vriendinnetje is komt dat met de tijd allemaal wel weer goed..."

    Leon had duidelijk vanwege ‘een groot mens’ zoveel begrip voor zijn hartepijn niet verwacht maar wilde zich even­min door haar laten kleineren. Zijn liefdesverdriet - wat jong­eren in hun geheim- taal "ledevede" noemden - liet hij niet zomaar luchtig weglachen !

    " Tante Jetje, wat weet gij nu van ledevede ! Ge hebt verdimme nog nooit van uw leven een vrijer gehad ! " Vlam, die zàt !

   Maar Jetje pareerde hautain:" Tiens, ledevede, zeggen ze dat nog bij de kinders? Toen ik klein was mochten we daar nooit open over spreken... Maar met ouder te worden ondervindt ge wel dat ge ook zonder vrijer zeer aan uw hert kunt krijgen... Ja, denkt daar maar eens over na, inplaats van in 't wilde weg te schoppen lijk een zot...Als ge iets van ledevede moet we­ten..." Kom dan maar bij mij, wilde ze nog zeggen, maar hield zich net op tijd in.

   Even hing er een beschaamde stilte tussen hen. Leon begreep plots hoe stom het was om, nu hij zo diep in de put zat, zijn enige steun en toeverlaat nodeloos te affronteren. En Jetje kon zich wel voor de kop slaan dat ze haar eigen ziekelijke liefdeskronkels bijna aan de neus van die snotter had gehangen.

   Leon besloot het over een andere boeg te gooien en vroeg met zijn liefste fleemstemmetje: " Tante Jetje, kunnen wij niet samen naar madam Erte gaan. Ik zal buiten blijven staan terwijl gij het uitlegt..."

   " Maar wat valt er in godsnaam uit te leggen !? Zij weet ook wel dat gij dat geld niet gepikt hebt. Maar ze wil daar niet tussen komen om zelf geen last te krijgen, da's al. Dat gij met haar dochter wilt lopen heeft daar niets mee te maken. Dat moet gij met dat meistje uitklappen... En vooral één voor­waarde respecteren: klapt gelijk waar, maar niet in de Lac ! Er zijn toch zeker nog wel àndere verdoken plekstjes waar ge malkander trof, hé..."

    " Ze gaat iedere dag rond de vieren gras trekken voor de konijnen aan 't Yperleed achter de duinenweg neffens Deputter...Vroeger, toen moeder nog geen groenteafval uit de keuken van haar werk mee naar huis nam ging ik daar ook trekken. Maar nu zit ik rond dat uur nog volop in de tennis..."

    " Wel, moet ik soms een tekeningestje makenv !? Ha, bon ! Dan verliest ge maar een paar frank, of past 's avonds met Marie het tekort bij uit uwen spaarpot: zo simpel is dat...Maar daarmee zijt ge natuurlijk nog niet van die klacht af hé. De garde zal die niet licht laten schieten, dat ziet ge van hier !  Voor één keer dat hij ons den duivel kan aandoen zal hij zeker van deze klacht profiteren om wraak te nemen voor die belastende getuigenis die wij hem destijds aan zijn been lapten !  Hoe zoudt ge zelf zijn ! ..."

    “ Dus moet ik morgenvroeg bij hem te biechte gaan ?"

<!--[if gte mso 9]> <w:lsdexception locked=

Hoe vind je dit bericht? 7 stemmen
Geschreven door jaakmaes om 00:00 Reageer op dit bericht

Deel 48

    GARDE CYRIEL CALCOEN.

Zonder Marie van zijn gewijzigde dagindeling te verwit­tigen trok Leon de volgende morgen naar de garde op diens bureel in het gemeentehuis. Marcel Gunst zat op de vensterbank met een scheve snuit tussen zijn tanden te peuteren. Toen de mannen hoorden dat de kleine geen portemonnee terug kwam geven omdat hij die niét gestolen had liet de Cyriel Calcoen zijn leedvermaak de vrije loop. Ha, hij wilde niet bekennen ? Voor hem niet gelaten, hoor ! De gendarmen moesten het nu maar verder uitzoeken, hé: hij had zijn plicht gedaan ! En patati en patata. Het viel al bij al nog mee: Leon had zich aan een brutalere ondervraging verwacht. Zoiets lijk een roeffel met de matrak...

    Maar het venijn zat zoals gewoonlijk in de staart: " De Marcel hier heeft gehoord dat er sprake is van in augustus te gaan varen? Vergeet dat, hé: ge moet voor het onderzoek van de gendarmen op ieder moment van de dag beschikbaar zijn. 't Beste is nog van zolang in huis te blijven... Tenzij ge in den amigo vastzit..."”

    Wat? Niet mogen gaan varen? De Astrid laten schieten? Dat zullen we eens zien, zeg ! Over zijn lijk verdomme ! Met nog geen tien paarden kregen ze hem van zijn boot af ! Met een verbeten kop en vlammende ogen sprong hij op en doorboorde de garde secondenlang zwijgend met zijn moordende blik. Deze voelde dat hij te ver was gegaan: "Hey-hey, kalmaan hé vent ! "

    Maar Leon had zich weer helemaal in de hand, ook al trilde hij over alle ledematen: " Ik heb niks mis­daan... Niemand, en 'k zeg wel: niemand... zal mij weerhouden van te gaan varen !"

  "Niemand, of ik doe een ongeluk...En steekt die dreigementen met den amigo maar in uw gat, garde: mij draait niemand in den bak. Daar zijn ik nog veel te jong voor...en bovenal: ik heb niks misdaan...en dat weet gij zeer goed ! " Plots trok het rode waas voor zijn ogen weg en kreeg hij in een flits een grandioze ingeving: " Ik loop nu recht naar meester Engel­borghs en die zal de advocaat wel verwittigen van uw vuil manier van doen ! ... Ge zijt mij zonder reden aan 't koeioneren... puur uit wraak dat ik tegen u getuigd heb over de bomaanslag op ons vader...En ge tracht mij bang te maken zodat ik mijn woorden van toen zou intrekken!  Wel garde, ge zult het geweten hebben ! " Leon had de deurklink al in de hand.

    " Hélaba snotter ! Zó niet hé ! De Marcel hier kan ge­tuigen dat ik nooit heb afgedreigd ! "

    " Ik heb dat anders wél zo verstaan, garde !" En als een weerlicht schoot hij het bureel uit en zette het buiten op een lopen.

 

    De meester was jammer genoeg niet thuis en op slag voelde Leon zich zo kwetsbaar als een naakte pier. Op de tennis spookte heel de rest van de dag zijn brutale bek tegen de garde door zijn hoofd. En hoe later het werd hoe banger hij werd voor de ge­volgen: nu had hij zich pas goed in vuile nesten gedraaid !

    Tegen vieren hield hij het niet langer uit en ging langs het Yperleed op zoek naar zijn Olgatje. Van ver herkende hij haar ranke figuurtje op hun gebruikelijk plekje achter de berm van de Duinenweg in de wei van boer Deputter. Ze bleek niet eens verrast toen hij zo plots bij haar opdook, en zeker niet blij verrast. Wat moest dàt nou betekenen ? Stront aan de knikker ?

    Haar enige reactie op zijn vragen beperkte zich tot wat voor zich uit gemompelde monosyllaben, terwijl zij naarstig voort bleef grastrekken. Hij kreeg het ervan op zijn heupen.

    " Zeg, hebt ge weer de vodden, dat ge zo'n vuile smoel trekt ! " Hij had dit Jetje een tijdje geleden tegen zijn moe­der horen zeggen en was er achter gekomen dat dit te maken had met de periodisch weerkerende bui van slecht humeur bij "de vrouwmenschen".

    " Leon Petré, bemoeit u met uw eigen zaken en laat mij gerust ! Gij hebt mij laten stikken overlaatst, wel nu kunt gij de pot op, zie ! "

    " Ik u laten stikken ?! 't Is uw ma die mij verboden heeft nog omtrent de Lac te komen !  Omdat ze voor mij geen last wilde krijgen met mamzel d'Englebert..."

    " Zeg ventje, die haring braait niet, hé ! Mamzel is van deze middag terug naar Brussel vertrokken, dus dààrom moet ge't niet laten hé ! Nee, ge loopt weg lijk een dief omdat dat mens u wat kletsen verkoopt, zonder mij iets te zeggen !  Ik heb mij zot gezocht achter u, die avond, weet ge dàt? Ik, stomme geit, dacht dat meneer een ongeluk gekregen had...Ha ,ik had het verdikke moeten weten ! "

    " Wel is dat geen ongeluk, als ze u valselijk van dief­stal beschuldigen en spreken van u in de amigo te steken ? En ge kunt er niets tegen doen, is dàt geen ongeluk ? Omdat ik onder haar cabine achter de bal zoek - die Mamzel Olgatje Erte daar tussen haakstjes verloren smeet, hé weet ge nog ? – Daarom beweert dat mens dat ik haar portemonnee heb gepikt !  En ik heb schoon zeggen dat het niet waar is: mij gelooft geen kat ! Is dàt geen ongeluk ? Waart ge niet zo rap achter uw boterham gelopen dien avond, ge had kunnen getuigen dat ik onschuldig was...Van laten stikken gesproken hé ! "

   " Ik ben niet gaan lopen ! Gij stuurde mij weg !  En er is bij ons thuis nooit sprake geweest dat ze u van dief­stal beschuldigden..."

    " Wel, dat is anders wat uw ma mij de avond nadien klaar en duidelijk zei toen ze mij aan haar kassa tegenhield: na ons balspel had dat Frans mens gereclameerd, waar de Marcel Gunst bijstond, dat er een voyou in haar cabine was gekropen en dat ze haar portemonnee kwijt was. In feite twee aparte zaken die zij zonder lang nadenken in één zak smeet. Of Gunst heeft dat vaneigens voor het gemak op één blad genoteerd. In elk geval: uw ma heeft de Gunst nog geholpen om de klacht van dat serpent te vertalen... Misschien zonder te weten dat het om mij ging, da's mogelijk...”"

    “ "Mijn mama zou zoiets nooit zeggen van u..."”

    “ "Da’ kan allemaal wel zijn, maar in het proces-verbaal dat de garde mij deze morgen heeft voorgelezen - en dat uw ma tussen haakstjes heeft helpen opstellen hé - staat met zoveel woorden dat die voyou die zij in haar cabin heeft zien kruipen zonder twijfel den dief was. Moet ik soms nog zeggen 'Merci madam Erte' omdat ze later de Gunst vertelde dat Leonnetje Petré onder die cabine was gekropen? Ze zei er wel bij dat ik zeker geen dief was, maar voor de garde telt dat niet hé !  Hij heeft een naam om zijn onderzoek mee te beginnen, en wélke ! Namelijk de kleine Petré die hem zo den duivel heeft aangedaan bij de gendarmen ! Verdomme die snotter zal hij eens leren, zie, om in 't vervolg zijn bakkes te houden ! "

  Olgatje had zijn betoog met stijgende verbazing gevolgd en proestte het tenslotte uit. Maar Leon deed niet mee.

    " Ja-ja ! Plezant hé? Ik lach mij kapot ! "

    " Nee ik moet lachen met dat 'kleine Petré' en ge zijt bijna groter dan ons pa...Och dat komt wel weer goed...Die mamzel d'Englebert is terug naar huis en zal dat accident wel rap vergeten..."

    "Ja, zij wél, maar de garde niet !  En zolang hij geen kop legt, kan ik niet gaan varen...Maar wacht eens, ik denk daar aan iets: we zouden wij dat geld misschien kunnen terugvinden, zogenaamd, onder de houten rooster van de cabine...Of nog beter: uw mama ! Als ik mijn spaarpot omkeer kom ik aan zevenentwintig frank en cen­tiemen...De garde zei dat er naar schatting een dertig frank in die portemonnee zat: op een paar frank zal dat wijf toch niet chicaneren om haar klacht in te trekken, hé..."

   Olgatje was ondertussen naast hem komen zitten:

    " Ik kan misschien ook een beetje bijleggen, hé: dan zijn we rond. Maar ik weet niet of ons ma zal willen meespelen..."

    " Zou ze dat niet willen doen voor de vent van haar dochter?"

   Na een moment van opborrelende verrukking barstten ze beiden in gierend lachen uit en vóór ze het wisten lagen ze in een wilde omhelzing onstuimig te rollebollen in het hoge gras van de berm. Hij gaf haar plots een pakkerd in de hals en zij maar gillen van 'hou op' en giechelen dat het zo kietelde...

    " Vent, 't is hier de moment ! " schoot het door zijn hoofd en zijn rits zoentjes naderden gaandeweg haar mond als ware hij een vogeltje dat graantjes pikte. Zij lachte niet meer maar hijgde zwaar en scheen vantussen haar lange bruine wimpers gespannen zijn sluikse nadering te volgen. Tot ze hem opeens, met de flitsende zwaai van een soezende poes die een vlinder uit de lucht slaat, bij beide oren greep en stevig zijn natte mond op de hare drukte: Nèèè!  Maar vóór hij van zijn verrassing bekwam en het zalige genot van de nieuwe situatie kon proeven trok ze hem alweer met dezelfde greep van zich af.

   " Is 't dàt wat ge wilt? Cinematje spelen? Een smak lijk op 't einde van de Franse film...bij 'Fin'...?"

   " Kom,...nóg eentje,...om het niet àf te leren..." was alles wat hij boven het bonken van zijn hart gezegd kreeg. En dan opstandig: " Maar stopt met trekken aan mijn oren ! Dat heb ik in de films van de "Nova" nog nooit gezien ! "

    " Toch wel, in de "Légionaire"... Rappelleert ge't niet meer?" Plots zong Olgatje ,de handen smekend naar de wolken ge­strekt, met de pathetische neusstem van Edith Piaf: " Il sen­tait bien le sable chaud...mon légionai-ai-ai-re !!" Ze barstte in zo'n klaterend gelach uit dat de mussen rondom opvlogen.

    " Stil verdomme ! Moet heel '‘t dorp het soms ook horen ! Geeft mij liever nog een zoet tootje..."   

    " Salut, gij ! 't Is al goed geweest met uw vuile manie­ren...We moeten naar huis, komaan... Zien wat mijn mama denkt over die dertig frank uit onze spaarpot." Ze stond al vinnig recht naast zijn lome lijf en wierp wat schichtige blikken in 't rond over de grasberm. Maar alles was veilig en speels schopte ze in zijn lenden: "Allee chérie ! Debout les morts ! "

    Die Franse film kende ze blijkbaar rats van buiten.

 

    Olgatje stapte bij haar moeder binnen in het glazen kassahokje van de Lac terwijl Leon op het voetpad bleef wach­ten. Tijdens het gesprek zag hij madame Erte een paar keer van neen schudden en begon al een naar voorgevoel te krijgen. Inderdaad hé: schone liedjes duren niet lang...

     Zijn lief wenkte hem binnen: " Mijn mama moet iets zeg­gen..." Hij nam zijn alpinmuts af en wachtte platgeslagen op het laatste oordeel. Yvonne wond er geen doekjes om:

   " Dat van die spaarpot kunt ge vergeten Leon..."

    " Maar Madam Erte, zonder dat geld zal die mamzel nooit haar klacht intrekken ! En zolang dat niet gearrangeerd is heeft de garde mij verboden van uit te varen !  Ge kunt toch gemakkelijk tegen de Gunst zeggen vanavond dat ge die porte­monnee onder de houten rooster van de cabine hebt weergevonden: die mamzel komt d'eerste weken toch niet terug, en tegen dàn is ze het vergeten...Maar ondertussen heb ik tenminste kunnen gaan varen..."

    " Ouw !! Stop ! Jesus-Maria, gijsse doorjager !  Luistert nu toch eerst eens wat ik zeg !... Die spaarpot kunt ge houden want ze heeft haar portemonnee teruggevonden. Die is ze ten an­dere nooit niet kwijt geweest...Ze had hem thuis vergeten mee te nemen toen ze overlaatst naar hier kwam zwemmen. Haar vriendin Mamzel de Borremans had haar gewoon voor haar deur rap-rap met de voiture opgehaald en die heeft heel de middag alles betaald, in de bar en zo...Zo gaat dat bij dat volk...Maar Mamzel de Borremans is uit de bar vroeger vertrok­ken, terwijl d'Englebert nog is gaan zwemmen en u nadien aan haar cabine aftroefde. Maar toen ze bij het naar huis gaan nog een paar postkaarten wilde kopen, zag ze dat ze geen geld had. Door al die cocktails in de bar was haar eerste gedacht natuurlijk van 'houdt den dief', ook door dien struise inbreker te snappen in haar cabine..."

   " Maar ik heb nooit ingebroken in haar cabine ! " riep Leon verontwaardigd: " Ik lag daar enkel op mijn buik te zoeken achter..."

   " Ja-ja, ik weet het ! Ik zeg het om te lachen..."

    " En wanneer is ze dan komen zeggen dat ze haar porte­monnee teruggevonden had ?"

    " Nooit...'t Is door dat ze vanmorgen hier nog iets moest komen regelen vooraleer terug naar Brussel te vertrekken en ik haar het geld uit die fameuze portemonnee zie nemen...Ik herkende die uit de duizend:  een ovalen leren onzelieveheren­beestje met een tirette in 't midden. En van 't verschieten zeg ik zo: tiens, mamzel, hebt ge hem teruggevonden? Ha oui, lacht ze zo, en ze vertelt mij heel die historie...en van de cocktails in de bar..."

    " En weet de Gunst dat al ? Anders blijft die zever duren met de garde en geraak ik nooit van zijn dreigementen verlost. Ik wil nu toch wel eens met een gerust hart kunnen gaan varen ! "

   " Allee, 'k zal het hem zeggen, vanavond, bij 't sluiten van de kas..."

    Achter haar moeders rug stond Olgatje hem met een dikke teutmond van een negerin duizend stille kussen toe te sturen. Leon proestte het uit.

   Haar moeder had niets gezien en glimlachte mee :" Ik ben stijf content dat ik u weer kan doen lachen, vent." zei madam Erte tevreden...

Hoe vind je dit bericht? 7 stemmen
Geschreven door jaakmaes om 00:00 Reageer op dit bericht

Deel 49

A30BIS  DE SUDETENKRISIS :EEN WESTERS VERRAAD.

 

In de herfst van 1938 werd het duidelijk dat de Westerse democratieën niet van plan waren voor de verdediging van de Spaanse republiek een wereldbrand te ontketenen. Nu de burgeroorlog, na de mislukking van het rode Ebro-offensief, onweerstaanbaar uitliep op een overwinning van Franco, trachtten Engeland en Frankrijk een vergelijk te zoeken met de rechtse dictators. Hitler en Mussolini gingen tenslotte akkoord om zich uit Spanje terug te trekken nà de ontbinding van de linkse Internationale Brigades op 15/11/38.

Stalin stopte de wapenleveringen aan de Republikeinen: met zijn zuiveringsmanie had hij tijdens de aflopende Moskouse processen zijn eigen leger onthoofd (door o.a. 20.000 officieren te laten fusilleren) en daarna in Spanje moeten vaststellen dat zijn resterende militaire leiders hopeloos achterlagen op hun moderne rechtse tegenstanders. Om zijn strijdkrachten terug op poten te zetten besloot hij voortaan de "zuiveringen" te beperken tot zijn oude politieke vrienden waarmee hij tot nu toe de macht had moeten delen.    

Mussolini oogstte met zijn massale interventie (70.000 man ! ) in Spanje de beoogde lauweren en had Italië in het gebied van de Middellandse Zee het prestige van een nieuwe grootmacht bezorgd. Met een aanval op Albanië hoopte hij binnen kort deze lauwerkrans te vergulden….

Hitler zag, na het uitblijven van Westerse reactie op zijn "Anschluss" van Oostenrijk (15/3/38), de weg vrij voor een nieuwe "zachte" expansie: Tsjechoslovakije. Daar werden in de districten langsheen de grens met het Derde Rijk (het z.g. Sudetenland) "drie miljoen Volksduitsers vernederd". Een sterke pro-nazi beweging onder leiding van Conrad Henlein eiste er voor dit gebied eveneens "Anschluss" bij Duitsland ,zoals kort daarvoor met Oostenrijk was gebeurd.

Gefinancierd door de nazi's en aangevuurd door Hitlers wraakzuchtige redevoeringen pleegden de stoottroepen van Henlein voortdurend rellen en moordaanslagen waarvan de schuld door de Duitsers onveranderlijk in de schoenen van de Tsjechse politie werd geschoven. Met veel omhaal, leugens en brutale chantage eiste de Führer van president Benès steeds méér toegevingen om zijn "onderdrukte Duitse volksgenoten te beschermen tegen brutaliteiten van Tsjechse bandieten" en dreigde uiteindelijk gewapenderhand tussen te komen.

De Britse Premier Chamberlain en Daladier van Frankrijk poogden te bemiddelen en een volksraadpleging in de betwiste gebieden te organiseren. Maar onder de druk van Hitlers agressieve chantagepolitiek moesten ze "om de vrede te bewaren" steeds meer toegeven op de rug van de Tsjechen. Op 21/9/38 presten zij tenslotte Praag om de grensdistricten met een gekende Duitstalige bevolkingsméérderheid onmiddellijk en zonder volksraadpleging aan het Derde Rijk over te dragen. Over de rest van Sudetenland kon later beslist worden...

Maar zó verstond Hitler het niet ! De volgende dag eiste hij dat het vollédige Sudetenland uiterlijk op 1/10/38 bij Duitsland zou worden aangehecht ! Daarenboven diende het district Teschen, een steenkoolgebied zo groot als Luxemburg, aan Polen te worden afgestaan terwijl Hongarije de zuidelijke helft van Slovakije cadeau zou krijgen.

Dit kon Benès onmogelijk toestaan: in deze bergachtige grensgebieden had het Tsjechse leger een oninneembare fortengordel gebouwd, sterker dan de Franse Maginotlinie. Als hij deze districten ontruimde zou de republiek volledig weerloos zijn. Hij besloot dus te vechten en mobiliseerde onmiddellijk 1 miljoen man. De Engelse en Franse politieke leiders sloegen in paniek toen Hitler op 24/9 zijn troepen langs de Tsjechise grens in alarmtoestand bracht. Op aandringen van Mussolini ging de Führer in extremis akkoord om twee dagen later onder de vier Groten - maar zonder Benès - in München een vredesconferentie te beleggen.

Na heel wat getouwtrek moesten de Britse en Franse Premiers Chamberlain en Daladier inzien dat ze machteloos stonden tegen Hitlers brutale expansie-eisen. Ze vielen van de ene toegeving in de andere en tekenden tenslotte uitgeput in de nacht van 29/9 een eerste akkoord over het hoofd van Benès heen.

Toen ze de volgende morgen de vertaling kregen bleek het stuk dat ze getekend hadden veel verder te gaan dan zij gemeend hadden. Tijdens een nieuwe conferentie in de loop van 30/9 slaagden ze er enkel nog in een paar komma's te verplaatsen en legden zich tenslotte neer bij het bedrog. Naar de buitenwereld toe lieten zij uitschijnen de wereldvrede te hebben gered ("Peace in our time ! "), wat overal geslikt werd als zoete koek, behalve dan in Praag ! Toch was Daladier bij zijn landing in Parijs verwonderd door een grote menigte te worden toegejuicht. Hij vreesde eerst dat ze hem kwamen molesteren en fluisterde zijn cabinetchef opgelucht toe: " Ces cons !"... 

Tussen 1 en 10 oktober bezette Hitler vervolgens het hele Sudetenland en veroverde zonder één schot te lossen de sterkste Europese fortengordel, terwijl 700.000 Tsjechen met geweld uit dit gebied verdreven werden. President Benès vluchtte op 5/10 naar Engeland toen Polen het rijke Teschen-bekken annexeerde. Aangepord door de Führer bezette Hongarije op 2 november 20.000 vierkante km Slovaakse grensdistricten. De rest van Slovakije kreeg samen met Ruthenië "autonomie" onder leiding van een plaatselijke fascist, Monseigneur Tiso.     

Door die lamlendige "oplossing van de Sudetenkwestie" verloor de rompstaat Tsjechië 70% van zijn industriële rijkdommen én zijn politieke identiteit. Het duurde dan ook tot 30/11 vóór de Kamers er in slaagden een nieuwe president aan te stellen: de oude, zwaar zieke hartpatient Dr Hacha. De weerloze man, laffelijk genegeerd en zelfs verguisd door het Westen, zal na een hele reeks knievallen op 15 maart '39 door de Führer verplicht worden "de hulp van de Duitse troepen in te roepen om de Duitse 'Volksgenossen' tegen vuige Tsjechse bandietenstreken te beschermen", zoals dat heette...

Waarop Hitler Tsjechië bezette en omvormde tot het protectoraat Bohemen en Moravië. Exit Dr Hacha...De westerse ‘grootmachten’ waren zó zelfingenomen over hun manier van “wereldvrede-redden” dat ze kort daarop als toppunt van lafheid met Hitler een vriendschapsverdrag sloten !

Hoe vind je dit bericht? 7 stemmen
Geschreven door jaakmaes om 00:00 Reageer op dit bericht

Deel 50

A31   NONKEL RENE.

 

                                                         WESTENDE, 2 augustus 1938.

Wie dacht dat de garde zich zonder meer bij de brutale bek van Leon zou neergelegd hebben, geloofde echt nog in de goede Sint.

Want reeds de volgende avond vertelde agent Gunst aan Yvonne Erte dat hij bot gevangen had toen hij zijn onnozel verslag over de zogezegde “verloren/gestolen” portemonnee van mamzel d'’Englebert wilde schrappen. Zijn baas was tegen hem uitgevlogen en geschreeuwd dat enkel het slachtoffer haar klacht kon intrekken: zolang ‘die Brusselette’ dat niet persoonlijk vroeg bleef het onderzoek tegen Leon doorlopen. En aangezien Mamzel met de noorderzon en de trein naar Brussel was verdwenen, kon dat nog eventjes aanslepen.

Olgatje bracht de morgen daarop het slechte nieuws met de fiets naar Leon op de tennis. Na een moment van verslagenheid besloot het koppel nog eens bij meester Engelborghs aan te kloppen.

“" Hij weet dus dat er nooit sprake geweest is van een diefstal?  En tóch heeft hem gedreigd van u in de amigo op te sluiten? !”" lachte de meester:" ”Hij was toch niet zat zeker, zo vroeg in de morgen !  Waar haalt hem dàt uit !  Ik zal hem één dezer dagen eens aan zijn oren gaan trekken, zie...”"  Alsof het een stout ventje was.

“ "Maar meester, zo lang kan dat niet wachten !  Ik moet overmorgen kunnen beginnen op de Astrid: tegen dàn moet dat uit de voeten zijn !" ”

“" Geduld, jongen: laat de garde gerust zijn misstap doen en u verder nog wat koeioneren. Dat is goed voor onze zaak: daarmee delft hij zijn eigen graf..."” En dan theatraal:" ”Afdreigen van getuigen... hinderen van het normale rechtsverloop en wie weet wat nog meer...Onze advocaat zal in zijn handen wrijven !" ”

 

Toen ze getweeën weer op straat stonden konden ze met hun klompen aan voelen dat het zware langeafstandsgeschut van de meester veel te ver over het doel schoot en voor het vaarverbod op de Astrid geen onmiddellijk soelaas zou brengen. Terwijl de tijd ondertussen begon te dringen.

Zou Jetje geen snellere uitweg kunnen vinden, opperde Leon, zoiets kort en goed, recht voor de raap?  Olgatje kon hem daar jammer genoeg verder niet bij helpen: ze moest met haar moeders fiets dringend terug naar huis om niet de wind van voren te krijgen. En al had hij van hun ontroerend afscheid heel wat verwacht, méér dan een bemoedigend lachje kon er ditmaal niet af...

Jetje stond haar stoep te schuren “ "Moest gij niet naar den tennis vandaag?" ” vroeg ze verwonderd. Maar vooraleer hij kon antwoorden klonk als een echo dezelfde  vraag vanaf de overkant van de straat, enkel een stuk harder en killer. Leon schrok zich een aap: moeder en zijn nonkel René keken hem over de haag van zijn voortuin onderzoekend aan. Hij was potverdikke helemaal vergeten dat zij vandaag haar vrije dag had !

Jetje kreeg medelijden met zijn rode kop en fluisterde hem in:"” Niet teveel zeggen ! "” En naar haar vriendin aan de overkant riep ze:"Ha, ge zijt thuis !  En nog in schoon gezelschap, naarvolgens dat ik zie !  Ge moet u niet generen, hé ! ...Tiens '’t is de René !  Lang niet gezien, jongen !  Hoe komt gij hier aangewaaid?  Toch niet ziek zeker? "”...Zo ratelde ze nog een poosje voort want in het afleiden van de aandacht stond ze haar mannetje als de beste. En terwijl ze de overdonderde nonkel René zijn recente levensloop liet toelichten kreeg Leon ruim de tijd zijn alibi wat te fatsoeneren.

Toen hij aan de beurt kwam hield hij de ingekorte, ongedateerde versie van zijn eigen “probleempje” boven de doopvont. Waarom hij niet op de tennis werkte ?  Agent Marcel Gunst was hem daar komen verwittigen dat een adellijke mamzel haar portemonnee in de Lac was kwijt-gespeeld en Leon verdacht van diefstal. Wanneer dat gebeurd was zei hij er niet bij. Ook de rest hield hij opzettelijk tijdloos vaag: hoe en wanneer de garde hem over die verdwijning ondervraagd had en madam Erte dat geld rap terugvond. Dat ze de garde langs Gunst om van de goede afloop verwittigde was al vergeefse moeite geweest, klaagde Leon, want deze weigerde de klacht te schrappen als die mamzel daar zelf niet om vroeg. En, klap op de vuurpijl:  onderwijl had de champetter Leon verboden te gaan varen zolang het onderzoek niet was afgesloten...

“ "Hoezo, niet gaan varen ? !"” vloog René uit:" ” Die kwiebus heeft daar niets aan te zeggen !"”

“ "Zegt dat tegen hém !  Mij dreigt hem in den amigo te steken indien ik zijn verbod aan m'’n gat lap !"”

“"In den amigo ?  Die is zot zeker ? !”"

Na nog een paar halve waarheden over zijn bezoek aan meester Engelborghs en wat deze dacht over het afdreigen van een lastige getuige had Leon zijn moeder en nonkel René zover op zijn hand dat de mannelijkheid van de garde ernstig in gevaar kwam.

"“ Gaat gij maar rap terug naar den tennis" “ zei Marie kwaad: "” We zullen wij dat eens gaan regelen bij de garde, zie !  Wat denkt dié wel, zeg !" ”

Maar Jetje, die er niet op uit was om Marie nauw bij haar gekonkelfoes met Leon te betrekken, kon haar overhalen om nonkel René de zaak met de garde te laten ‘uitpraten’...

 

Die maakte er echter weinig woorden aan vuil toen hij de champetter tegen de toog van ‘Het Paard’ zag plakken. Hem buiten krijgen ging niet zo vlot, maar hij  wilde hem liever niet in z'’n hemd zetten in bijzijn van getuigen.

“"Wat ik te zeggen heb is '’t volgende, garde: mijn kozze Leon Petré gaat vanaf overmorgen met mij mee varen op de ‘Astrid’. Goed verstaan ?  En als ge hem nog één keer met uw zever van die portemonnee koeioneert gaat ge u dat voor ’'t gerecht zwaar beklagen..."”

“" Ha, ik zou wel eens willen weten waarom !" ”

“ "Wilt ge weten waarom ?  Luistert:  ik heb een goede vriend die ik vertrouw als m'’n eigen bloed. Die heeft mij nog geen maand geleden tussen pot en pint iets heel aardigs verteld:  over gij en de Steiner in de doorsteek, de morgen van de moord op den Dis...Hoe dat ge ruzie maakte over twee gestroopte konijnen en met uw zatte kloten bijna in de put viel die Dis naast die obussen had gegraven. Hoe dat de Steiner aan die hoop munitie wilde beginnen prutsen en dat gij hem bij zijn schabbernak achteruit hebt getrokken...”"

“ "Wel, dat was mijn goed recht !" ”

“ "Zeker, garde, zeker. Met dàt verschil dat ge altijd volgehouden hebt die obussen nooit gezien te hebben, hé...”"

"“ Och sul, wat weet gij daarvan ! "”

“ "Gij vergeet zeker dat Marie mijn zuster is?  En dat de gendarmen van Nieuwpoort u over die obussen ondervraagd hebben waar zij bij was, in uw buro, samen met Jetje en de meester en de advocaat ?  En dat ge gezworen hebt dat ge dien morgen geen obussen hebt gezien...Ik kan bewijzen dat ge meineed pleegde, en zal dat ook doen als ge nog één keer voor ons voeten loopt. Goed verstaan hé garde: nog één keer en ge hebt het spek aan uw kloten ! ”

Hoe vind je dit bericht? 7 stemmen
Geschreven door jaakmaes om 00:00 Reageer op dit bericht

Deel 51

VISSEN MET DE 'ASTRID'.

Toen René op de fiets de hoek van de Zeelaan insloeg zag hij met leedvermaak de garde nog steeds naast de deur van ‘Het Paard’ staan treuzelen. Zijn donderpreek was blijkbaar niet in dovemansoren gevallen.

Zijn dreigement met die onbekende getuige was maar een blinde slag in het donker geweest. Gerard Pylieser ,zijn schipper ,had hem dat een tijdje geleden verteld toen ze na de laatste voorjaarsstorm eens flink doorzakten aan de toog van Café "‘Het Anker"’ op de kaai. Gerard scheen die getuige héél goed te kennen ,want het verhaal zat vol levensechte trekjes :zeker géén uit de duim gezogen zattekullenpraat...Hij noemde hem ‘de loerder in de duinen’. Maar hij weigerde er mordicus een naam op te plakken en was dichtgeklapt toen René er in het begin nog wat speels op aandrong. Toen hij steeds maar blééf doordrammen om man en paard te noemen, had de schipper plots zijn halfvolle pint op de toog gekwakt en was koleriek weggelopen. En om - zéér tegen zijn gewoonte in - een halfvolle pint te laten staan, moet dat zeuren hem formidabel geërgerd hebben...Sinds dit voorval is er in elk geval nooit meer over deze geheimzinnige getuige gesproken...Wat niet belet dat René graag een stoot met zijn laatste lief zou overslaan in ruil voor de naam van die fameuze loerder. Ook al voelde hij met zijn klompen aan dat die van tien-negen Gerardo Pylieserio heette, zéker weten !

Leon werd thuis ook niet langer lastig gevallen met die portemonnee-affaire. Het klaarmaken van zijn ‘uitzet’ voor de Astrid volgens de richtlijnen van nonkel René nam Marie zo volledig in beslag dat ze helemaal vergat meester Engelborghs van de goede afloop te verwittigen.

 

1 augustus 1938 werd een mijlpaal in het jonge leven van onze kandidaat-scheepsmaat, meer nog dan zijn laatste schoolreis van een dikke maand geleden.

Na een rusteloze nacht vol kwade dromen over de garde en het zwarte spook was hij de volgend morgen bij de eerste klaarte naar de kaai van Nieuwpoort gestapt. Of zeg maar gelopen, want die vier kilometer die hem nog van de Astrid scheidden wilde hij zo vlug mogelijk àchter zich krijgen, uit heilige schrik tóch nog door de gendarmen te worden tegengehouden.

Op de kaai was nog geen kat, maar tóch durfde hij niet op een meerpaal zitten wachten op de schipper of nonkel René. Die kwam pas een uur later aangefietst, toen Leon al heel het binnenste van de stuurhut en het motorruim van de Astrid had verkend. Alles zag eruit zoals hij het zich reeds duizendmaal gedroomd had ,op de reuk na dan: die was nieuw. Op zijn speurtocht vergezelde hem een zwaar stinkend mengsel van rotte vis en verbrande dieselolie, in carboline geteerde trossen en pekelzoute sleepnetten vol broeiendnat zeewier. Enkel de accenten van dit adembenemend mixtuur varieerden wat naargelang hij in het voor- of het achterruim ging neuzen...In de stuurhut ,die binnenin pas lichtblauw geschilderd was ,overspoelde daarenboven een scherpe terpentijnlucht de andere basisingrediënten.

"“ Tchui Leon ! Ge zijt er zo vroeg bij ,man ! En bevalt het zo een beetje? Ik dacht dat ge op de kaai op ons zoudt wachten..."”

“" '‘k Heb mij hier verdoken tegen de gendarmen... Op de kaai zien ze mij van een uur ver staan...”"

“ "Zeg ,niet zeveren ,hé :die historie met de garde is afgelopen ,amen en uit ! Ik heb hem iets in zijn oren gefluisterd dat hem voor de rest van zijn dagen zal kalmeren...Van die kwibus hoort ge niks meer, garantie."”

“ "Hoezo ,wat hebt g‘hem dan gezegd ?”"

“ "Leon ,is 't nu gedaan verdomme ! Daar spreken we niet meer over ! Nu gaan we vissen: houdt dààr nu maar uw gedachten bij... Is ’'t schip naar uw goesting ?"”

“ "Wel heu...groter dan ik dacht...Maar '’t stinkt fameus ,daar beneden !"”

“ "Dat waait wel weg als we op zee zijn. Ten andere het kuisen van het ruim is '’t werk van de scheepsjongen ,als ge nog tijd over hebt ,tenminste...Ik heb het misschien de laatste tijd wat laten slabakken in afwachting dat gij kwaamt. Daar zult ge aan moeten wennen, kozze : veel tijd om op uw gat te zitten zult ge niet krijgen als ge van uw leven lichtmatroos wilt worden..."”

“ "Daarvoor ben ik hier ,hé nonkeltje !"”

De dag was in een droom verlopen. De zalige trilling die door zijn benen liep toen de oude ééntakt-diesel met luid tamtam aansloeg en hij de eerste bevelen volgde bij het losgooien en het inhalen van de trossen: om nooit te vergeten ! Het wiegen van het dek toen ze uit het staketsel de branding in voeren ,het kletsen van het boegwater over de reling en het vastsjorren van de zware zeilen: man, héérlijk ! En dan het eerste zoute sop in zijn klompen bij het uitzetten van het net...Pas toen dié drukte achter de rug was kon hij even van het schitterende uitzicht genieten. De zwarte kustlijn in de verte , met de villa’s en de grote hotels tegen het hevige oranje van de opkomende zon...Later het kruisen van de andere vissersboten en het spottend geschreeuw van de schippers over en weer, met blijde vloeken van hier tot ginder...

FANTASTISCH ! Om nooit meer te vergeten. In één woord :" Akkerdjié de Godverdomsche Miljaarde nondedju !! "

Hoe vind je dit bericht? 4 stemmen
Geschreven door jaakmaes om 00:00 Reageer op dit bericht

Deel 51B

DE MAIDENTRIP.

De eerste vangst leek hem enorm, toen ze de dikke balg van de druipende korre opentrokken ! Maar tot zijn grote ontgoocheling bleek in deze krioelende massa zeeleventjes niet zo heel veel zaaks te zitten...Een vlugge schifting gaf wat schar en bot, een kleine zeeduivel en vier stuks wijting. Drie mooie krabben en wat sprot gingen de kookpot in voor het middageten en de rest vloog terug overboord tot groot jolijt van de zwerm schijnbaar uitgehongerde meeuwen die ongenodigd meevlogen. Ook die kleine pladijsjes die Leon zo graag had gehouden: waardeloos, zei nonkel René... En ze konden er daarenboven last mee krijgen ,wegens het leegvissen van de zee... Leon dacht dat nonkel hem voor de aap hield :de zee leegvissen met de Astrid!  Maar hij méénde het...

De schipper viel goed mee. En in tegenstelling tot wat Leon gedroomd had schalde deze geen bevelen door een roephoorn over het dek. Hij bleek zo gesmeerd op René ingespeeld dat die twee elkaar bij het werk met een knik en een brom verstonden. Maar als hij aan het stuurrad stond en nonkel beneden de diesel afstelde werd er over en weer een aardig stukje af gebulkt. Of als ze van de boeg naar het achterdek de roddel uit de havenbuurt opfleurden met eigen commentaar brulden ze om ter hardst, zonder op Leon te letten. Ruw taaltje, waar Jan-maat gaandeweg veel van opstak...

Op de wal in de verte herkende hij Middelkerke.Ze zouden onder de pier van Oostende blijven, zei René, om geen last te krijgen van de in- en uitvarende maalboten of àndere vrachtschepen, en tegen de middag keren naar De Panne. De zee bleef kalm en omdat de zeilen onvoldoende trokken moest de diesel bij het slepen van het net regelmatig bijspringen. Om het half uur ongeveer sleurden ze de zware vangst binnen en was het alle hens aan dek geblazen. En steeds dezelfde betovering als René de strop van de zeikendnatte balg opentrok en die hoorn des overvloeds zijn wriemelend gespartel vol wier, kriel en krabben over het achterdek uitstortte ! 

Leon stond voor het eerste vlugge uitschiften van de vangst in drie wissen manden. Schar, bot en pladijs in de ene, wijting, gul en rondvis in de tweede en garnaal in de laatste. De rest ging voor de meeuwen terug over boord, met gaandeweg steeds minder gewetensbezwaren. Het ene net gaf al wat meer dan het àndere maar de mannen leken toch tevreden.           

Het op smaak brengen van de vissoep bleek plots ook één van zijn bevoegdheden en zowel schipper als motorist lieten zwaarwichtig verstaan op culinair gebied hoge verwachtingen te koesteren. Leon zweette water en bloed, maar hoé hij ook peperde en proefde, zijn brouwsel blééf naar stront smaken... Hij nam zich vast voor nog diezelfde avond bij Jetje zijn licht op te steken en een stoomcursus kokkerellen te volgen.

Tegen twaalven gaf hij het in wanhoop uitgeput op en zag zich al binnen de vijf minuten samen met zijn marmiet over boord vliegen. Maar toen bleken de mannen al hun boterhammen reeds óp te hebben: grootmoedig lieten ze de vissoep aan hun bedremmeld koksmaatje... Leon beweerde geen honger te hebben, waarop die twee plots uitbarstten in een brullend gelach! Hun ontgroeningslist was buiten verwachting gelukt! Ha-ha...

Later op café zou Leon aan de weet komen dat ze bij de eerste visjes voor de soep een mooie ‘blekker’ hadden gevoegd, een smakelijk uitziend soort baars maar totaal on-eet-baar... Om die stoot goed te maken bakte nonkel René al vlug zes haringen in de pan, met mosseltjes en ajuin en toen bleek Leon tóch honger te hebben!

Tegen vieren raakten de drie wissen manden ver vol en besloten ze op hun gemakje de haven weer binnen te lopen...Leon was békaf en trilde op z'n benen , maar z'n hart tintelde van geluk !

Een jongensdroom om nooit te vergeten...Zoals gezegd :"Akkerdjié de Godverdomsche Miljaarde Nondedju !"



Hoe vind je dit bericht? 4 stemmen
Geschreven door jaakmaes om 00:00 Reageer op dit bericht

Deel 52

OUDE EN NIEUWE RAMPEN.

In ‘"Het Anker"’ gingen René en Leon nog vlug een pint pakken om de emotie door te spoelen. Gezellig was het er niet en de rook kon je wel snijden. De andere vissers en een paar stamgasten hoorde je tot buiten vloeken. '’t Ging blijkbaar over de burgeroorlog in het Sudetenland: de radio had vanmiddag omgeroepen dat Conrad Henlein, de leider van de ‘Duitse’ opstandelingen vorige nacht naar Berlijn was gevlucht. Een lafaard en een landverrader, daarover was iedereen het eens: tegen de muur ermee ! Maar al die Tsjechse rijke joden die zich met pak en zak op de spoorstations en de vliegvelden verdrongen in een wanhopige poging nog tijdig naar het buitenland te geraken, dàt was heel wat àndere koek ! De mensen hier hadden nog steeds de toevloed van de ‘rode’ vluchtelingen uit Noord-Spanje, vorig jaar, niet verteerd: "” Allemaal dieven en bedelaars die uit onze ruif komen eten ! ” En aan onze eigen joden hadden we al meer dan genoeg !"

Leon interesseerden deze verhitte discussies niet en nonkel René luisterde maar met een half oor.

“"Wat denkt ge, nonkel, zou de schipper content van mij zijn ?"”

“ "Bah-ja zeker? Dat was toch niet slecht gescheten voor een jonge duif...Maar zegt erbij dat het niet erg moeilijk was, hé, met dat schoon weer. Het is tenslotte altijd hetzelfde: het net inhalen en uitzetten, de zeilen wat aanspannen...Als ge alle knopen en koorden weet liggen, kent ge dat rap van buiten. Tenzij het stormt, natuurlijk..."”

“" Hoezo stormt ? Dan varen we toch niet uit ?!”"

“ "Vaneigens niet. Maar '’t kan ons wél overvallen als we een eind van huis zijn ! En bij ruw weer zeilen met zo'’n zware bak lijk de Astrid en de golven slaan over het dek, dàt moet ge kunnen ! En moeten kiezen tussen '’t zeil of de moteur, omdat ‘'t één te zwaar en '’t ander te licht is, dàt is een ànder paar botten ! In uiterste nood kunnen we altijd nog dood voor anker gaan achter een zandbank en hopen dat het zeel niet springt ,maar tóch, geestig is dat niet..."” Plots zag hij de verbijsterde puitogen van de kleine en voegde er vlug aan toe :"Allee zijt gerust, dat zal wel d'’eerste weken niet gebeuren..." ” En dan lachend:"” Maar '’t is toch nog wat ànders dan vissoep koken, hé !”"              

Met gulzige klokken dronk hij zijn pint leeg en likte smekkend het schuim van zijn snor :" ” Kom kozze, we zijn weg ! ”"

Maar Leon hield hem tegen: ”"Nonkel, wat ik nog vragen wilde...Hoeveel zou ik zo per uur moeten verdienen om de kost te winnen lijk ons pa? ” Hij dacht aan zijn trouwplannen met Olgatje.

“" Den Dis ?...Verdomme ,daar vraagt ge zo iets ! Geen gedacht  !...Wat zou die kunnen gemaakt hebben per week? Vijfhonderd ? Tien per uur? Ja, tien, zoiets denk ik...Daar zijt gij nog ver van af, hé ! Maar vergeet niet dat hij al bijna twintig jaar metste en dat gij juist begint, nu, in volle crisis...Zijt gerust, Leon, tegen dat gij twintig jaar gevaren hebt, gaat ge een heel pak méér verdienen dan uwen père ! De zee is soms zwaar maar betaalt goed.”"

"“ Waarom is mijn pa dan ook niet gaan varen, lijk gij ? Dan waren we nu misschien rijk geweest...”"

“" Bang van ’t water, zeker, hé ! Neen serieus, na de oorlog waren er nog niet veel vissersboten. En fameus gevaarlijk, met al die zeemijnen...Toen hij met ons Marie trouwde zal die hem aan land gehouden hebben, uit schrik denk ik...Ten andere, met al wat hier in puin lag was '’t begin de jaren twintig een gouden tijd voor metsers: dan heeft hij goed verdiend. En voordien nog meer, de eerste jaren na de wapenstilstand: toen hebben we allemaal geld binnen gereven lijk slijk ! Als ik dààr nog aan terug denk, ver-dom-me !”"

Plots herinnerde Leon zich de kwade sneer van Jetje toen ze het veertien dagen geleden hadden over Dis: "”Als ge '’t àl wilt weten over zijn afkomst," had ze hem afgesnauwd "vraagt het dan aan Nonkel René ! Die kende hem langer dan ik !”" Nu lag hier onverwachts een hele straat voor hem open om de waarheid te achterhalen !

“" Hebt gij mijn pa goed gekend in den oorlog? "”

“ "Neen, niet ín den oorlog, maar daarna, in '’19 bij het ontmijnen van de IJzervlakte: dàt was een tijd zie ! We lagen toen met een tien jonge gasten van de streek op de Bamburg hoeve, of wat daarvan na die vier jaar batteren was overgebleven, in tenten van '’t Engels leger. Den Dis was daarbij, en ik en de schipper. En Paul Hasard, de fotograaf van hier op '’t Bad...Elkeen moest zo'’n twintig Duitse krijgsgevangenen gidsen om de stukken land te vinden die de boeren door die mannen opgekuist wilden krijgen. Tegen betaling, natuurlijk: onderhands in ’t zwart, recht in onze zak ! Want ze hadden ons nodig hé: ge moest de streek al goed kennen om niet verloren te lopen. Want veel wegen en merktekens waren er niet meer te vinden: alles overstroomd en platgeschoten, vol trechters en lijken... Paul moest daar portretten van trekken voor de grafregistratie: vuil werken in dat slijk...”"

Hé, we wijken af, dacht Leon: ”" Maar ons pa kwam van Ronse: die kende toch de streek niet om te gidsen ? "”

“" Ronse ,verdomme...Waar haalt ge dàt uit? Z'n Pa ,ja ,Bompa Petré ,dié kwam van die kanten. Maar den Dis was van jongsaf hier van bachten de kuppe, voor zover ik weet. In den oorlog heeft hij na zijn school nog bij zijn vader in '’t hospitaal van Veurne gewerkt, pispotten uitdragen, vertelde hij altijd. Zijn moeder ventte met een hondenkar achter het front: bougies en vuurslagen voor de soldaten, zeep en naaigerief. En blote postkaarten voor de ‘moral’: dat verkocht nog het meest, volgens Dis...Op een dag kreeg ze een voltreffer en er is niets van teruggevonden :den hond ,de kar én zij, 't was al één gat. Ge ziet hé ,dat in-de-lucht-vliegen zit in de familie !... O ,pardon!"” Hij liet een stevige boer :de laatste pint begon door te wegen...

Leon haalde wat bitter meesmuilend de schouders op: ” " '’t Is niets...Al heb ik altijd horen zeggen dat ze gestorven is van de Spaanse griep..."

"Bon ,dat kan ook zijn ,hé vent :Ik zijn een Cattrysse ,lijk uw ma ,en van de familiekant van den Dis wéét ik feitelijk niet zoveel...

"Maar Dis zijn vader, bompa Petré , dién hebt ge toch gekend?”"

"“ Die was Chef-brankardier in '’t leger en is in '’17 gepakt van de gas. Na den oorlog zijn alle Vlaamse gazés hier verzameld in het noodsanatorium :een hoop houten barakken, ongeveer waar nu '‘Ons Rustoord'’ staat. Daar heeft hij jaren naast mijn vader gelegen, een adjudant bij de kanonnen, en zijn ze zo bevriend geraakt. Tijdens de bezoeken heeft mijn zuster Dis daar leren kennen..."”

“" Ja, dat weet ik...Maar ge hebt iets overgeslagen: den Dis in ’'17, met zijn vader gazé en zijn moeder ontploft, zogenaamd ,stond hij er dus alleen voor...”"

“" Wel, als helper in ’t hospitaal had hij kost en inwoon. Dat ik weet is hij op '’t laatst zelfs hulp-infirmier geworden in den '‘Océan’' van De Panne en heeft Reine Elisabeth hem daar bij een visite eens vriendelijk in zijn kaak genepen...Maar in '’19 werd dat centrum gesloten en is hij bij ons groepje in de Bamburg gekomen, deels als infirmier. Die konden we van tijd goed gebruiken bij al die accidenten met de obussen. En omdat hij met lijken kon omgaan hielp hij dikwijls met een paar Duitsers Paul Hasard bij de grafregistratie. Die moest van al die koppen foto’s pakken en kon daar niet goed tegen :een sukkelaar in feite, waar ik dikwijls compassie mee had...Weet ge, met een beetje chance had Paul uw vader kunnen zijn! Enfin, chance..."”

“ "Allee nonkel, niet overdrijven, hé !"” Verdomme, dacht Leon, we zijn hier op de goede weg !

“ "Serieus ! De Paul Hazard was een weesjongen van geboorte en had toen feitelijk geen echte thuis. En omdat wij, begin de jaren twintig, juist onze barak gekregen hadden van het ‘fonds Albert’ vroeg ik hem de zondagmiddag van tijd mee te eten, kwestie van mijn zuster Marie aan een deftige vrijer te helpen. Maar dat is niet gelukt. Paul had goesting genoeg, maar hij was te vrouwenschuw om zijn vlam te verklaren en Marie zocht eerder een kloeke vent die goed zijn brood verdiende...Rond die tijd trokken ook de krijgsgevangenen terug naar Duitsland en viel het ontmijnen stil. De Paul had geen werk meer. En dan kunt ge niet trouwen, hé...Hij heeft ten andere lang gesukkeld om als fotograaf aan de kost te komen."”

“ "En Dis is gaan metsen in de wederopbouw?  Heel wat ànders dan gekwetsten verzorgen..."”

“" Bah, het betaalde goed en we hebben ons allemaal moeten aanpassen, hé. Ik ben met Pylieser gaan varen. Hij had die vissersboot, die toen nog geen Astrid heette, in Duitsland voor een appel en een ei gekregen door de devaluatie van de Reichsmark..."”

“ "Ik zou feitelijk echt willen weten of ons vader Frans sprak of niet. Ge zegt dat hij niet uit het Walenland afkomstig is, lijk Jetje beweert. Maar dan kan hij toch familie van de kanten van Ronse gehad hebben ?"”

“ "Och, ik heb vagement eens horen spreken van een nonkel...Maar of die van Ronse kwam ?”"

Dus tóch een nonkel ,schrok Leon, en straks nog een Franse kozijn die cafébaas is geworden...Misschien had Tante Jetje dus tóch nog gelijk...Of niét ,want Nonkel René had zélf gezegd dat hij van de Petré's niets afwist...

Hoe vind je dit bericht? 4 stemmen
Geschreven door jaakmaes om 00:00 Reageer op dit bericht

Deel 53

A32   GANDESA ZIEN EN...STERVEN ?

                   Heuvel 666, 7 augustus 1938.

     Kameraad-Adjudant Marco trok maar een vieze snuit toen Steiner zich met bijna een dag vertraging opnieuw bij zijn peloton meldde, ook al had het verband tegen zijn linker oor hem voldoende tegen alle argwaan moeten beschermen.

     “ "Verdomme, Rocco, leeft ge nog ?! Waar hebt ge zo lang gezeten ?”"

     Waarom deed die vent zo pisnijdig ? Die openlijke achterdocht vanwege een wapenbroeder deed hem pijn, na alles wat hij de laatste vierentwintig uur had meegemaakt...Marco mocht wel een beetje méér begrip tonen,  vond hij, in plaats van hem zo aan te blaffen.

     “  "Geen uitvluchten hé !  En wat doet dat vod daar tegen uw oor ?”" Zijn rode ogen stonden dof van het stof en de uitputting. Maar die minachtende mond zei genoeg:  hij verdacht Steiner er duidelijk van zichzelf zo verwond te hebben !

    Ondanks die koude douche kreeg Steiner medelijden:

   “ "Wel, waar wilt ge dat ik begin, Marco?...”"

    "Kameraad-Adjudant, als '’t efkes kan, ja !"”     Godverdomme, nu moest die opgeblazen kikker toch niet overdrijven, hé !  Maar bij bedwong zijn opwellende woede en zei ijzig kalm:

    "Kameraad-Adjudant Marco...O.K.?...Bij de derde stormloop gisteren morgen, tegen de hoeve op de Picosa ? Ja ?...Wel we waren juist aan '’t laatste muurtje geraakt toen Jean getroffen werd door een kogel in de rug...”"

    “ "In de rug ? Dus vluchtte dat stuk mossel terug naar beneden, de lafaard !  In plaats van zijn sectie naar voor te jagen ! Rocco, zo zult gij getuigen voor de krijgsraad !  Lafheid vóór de vijand, daar kan ik niet mee om !  Waar is die verrader nu ? Gedeserteerd zeker de lafaard ?"”

    Het werd Steiner plots teveel: die stekende oorpijn, al heel de dag, en nu het hysterisch gekrijs van dat omhooggevallen stukje Napoleon !

   "Verdomme Marco !  Wat doet gíj hier dan ?! Toch ook terug naar beneden gevlucht hé, toen de derde charge mislukte, of niet soms ? Jean ligt boven met een paar Moorse kogels in zijn kop!  Omdat hij is blijven vechten, híj, nà die wonde in zijn lenden: dat kan ik van de rest van ons peloton niet zeggen. Iedereen is gaan lopen, ja,  zonder om te zien of er nog gekwetste kameraden achterbleven..."” Zijn stem zwol van ontroering maar toen hij zag dat zijn uitval indruk had gemaakt, wierp hij er vlug nog een schepje bovenop:

     “ "En die vod tegen mijn kaak, lijk ge zegt, kreeg ik gisterenmiddag beneden op de hulppost van de Armada popular omdat ónze heldhaftige brancardiers al verdwenen waren, zonder op de laatste gewonden te wachten. Mijn oor is er af, maar voor de rest gaat alles goed met mij, Marco, dankuwel!"”  En hij draaide zich om zonder zijn pelotonsoverste nog een blik te gunnen.

 

     Pas na een paar dagen, toen de compagnie aantrad voor de noodlottige aanval op heuvel 666, acht kilometer voorbij de Picosa, kon er tussen die twee weer een glimlach af. Steiner had de vorige nacht buitenschildwacht gestaan bij het smalle riviertje waarachter zijn peloton bivakkeerde en erg tegen de inspectie opgezien die Marco tijdens zijn rondes altijd onverwachts uitvoerde. Bij het eerste bezoek had hij zich model voorgesteld en volgens het boekje verslag uitgebracht. Marco had enkel wat goedkeurend gebromd.

     Maar bij de tweede toer was de kameraad-adjudant tegen de boom gaan zitten waarachter Steiner op de uitkijk stond. Hij viel meteen met de deur in huis:

    “ "Hoe is dat gebeurd met Jean daar op de Picosa ?”"

     Steiner was even uit zijn lood geslagen maar vertelde dan in stukken en brokken hun hachelijk avontuur bij de berghoeve: hoe hij de verlamde Jean in dekking had getrokken achter het lage rotsmuurtje. En hoe deze aandrong om hem naar het walhalla te helpen toen ze beseften dat ze van het eigenste peloton de eerste uren geen hulp moesten verwachten. Marco bromde opnieuw, maar zei niets.

  

Het vervolg van het verhaal lag wat gevoeliger. De laatste dagen had Steiner alle tijd gekregen om voor zijn eigen verwonding een heroïscher scenario te verzinnen. Zijn laatste zelfrespect verbood hem openlijk toe te geven dat die zwarte smeerlappen zijn oor eraf schoten juist vóór het vierde muurtje, terwijl hij als een haas zigzaggend naar beneden rende en zijn vriend ondertussen vol zelfverloochening zijn krankzinnige vlucht dekte...De eerste Moorse kogels hadden reeds rond zijn kop gezoefd vóór hij achter het derde muurtje in dekking kon duiken en Jean had zoals afgesproken onmiddellijk met zijn geweerschoten het vuur naar zich toe getrokken. Vier knallen had Steiner geteld terwijl hij met zijn stoppelbaard in de as van het verbrande gras hijgend naar adem hapte. Vier schoten en dan niets meer: Jeans enige deelname aan het beruchte Ebro-offensief... Vooraleer naar het volgende muurtje te vluchten had Steiner nog vlug even tussen de rotsblokken door naar de hoeve geloerd en zijn vriend inééngezakt tegen de parapet zien liggen leegbloeden, heel zijn gezicht in spijs...De dood van een held werd steeds afgeschilderd als sterven in schoonheid. Maar Steiner dacht er de laatste dagen steeds walgend aan terug. Daarom stak hij tegenover Marco Jeans zelfmoord liever in een properder kleedje...

    “

"We lagen daar vastgepind achter die paar stenen. Jean ging rap achteruit. Zo konden we niet nog uren op het donker blijven wachten tot die bavianen met hun coupe-coupe onze kloten kwamen afsnijden. Jean wilde mordicus staande sterven, zogezegd... Tenslotte ging ik akkoord: er was toch geen ontsnappen aan..."”

     "Hij had uw aftocht kunnen dekken...en zijn laatste kogel voor zichzelf bewaren, zoals dat gewoonlijk gaat..."”

     “ "Ja, Jean stelde dat voor maar ik wilde niet...ik wist van die gewoonte niet af...Daarbij, héél onze  munitievoorraad zat vol ketsers, zodat we het risico niet konden nemen dat onze laatste kogel zou rateren...Dus ik heb hem wegens zijn verlamde benen in schietstelling moeten trekken tegen het muurtje, met zijn elleboog op de parapet...Ik denk dat ze ons al een tijdje in '’t oog hielden, want ineens, terwijl ik hem zo steunde...Bonk !! Ik dacht dat mijn kop eraf vloog ! ..'’t Is raar, maar pas een hele tijd later hoorde ik de vuurstoot van de M.G... Ik lag daar half verdoofd, zeker twee meter achteruit geworpen door de schok, en toen het stof wegwaaide zag ik dat Jean zijn rekening gekregen had...Drie-vier kogels in zijn kop...Heel zijn gezicht in spijs...”"

    Marco schraapte zijn keel en spuwde de vette fluim met een wijde boog in het donker naar de rivier :”"Jammer voor hém. Maar voor ons geen groot verlies. Die man was opgebrand, volledig uitgeblust, en zou vroeg of laat tóch gedeserteerd hebben. Beter zó dan dat wij hem moeten fusilleren, hé..."” Exit Jean.

    Het duurde even voor Steiner dit rauwe grafschrift kon verwerken en de draad van zijn verhaal terugvond:

    “ "Ikzelf bloedde lijk een varken, uit mijn hals dacht ik eerst, maar '’t was mijn oor...Zó, mijn zakdoek erop gedrukt: het deed niet veel pijn...Maar '‘k was mijn zinnen kwijt want ik ben recht gekropen en beginnen lopen lijk een zot...Waarom ze niet meer schoten weet ik niet. Misschien wapen geblokkeerd..."”

    “ "Neen: munitie sparen denk ik..."” Steiner hoorde aan die argeloze vlakke stem dat zijn opgesmukt verhaal er was ingegaan als zoete koek...Misschien had hij zijn vlucht van de Picosa tóch mooier kunnen voorstellen om een vermelding te krijgen vóór het front van het verzamelde peloton ?...

    Och, waarom ook ? Hij had de laatste dagen het pro en contra van zijn bijgekleurde versie grondig afgewogen :het imago van held hooghouden zou hem later vast méér angst dan vreugde bezorgen. Daarom hield hij de ware afloop van zijn schokkend avontuur liever voor zichzelf.

      Dat hij Jean, die toch zijn vriend was, zonder de minste wroeging op de Picosa had achtergelaten om zijn eigen laffe vlucht te dekken, zou hij met zijn geweten wel klaren: er waren geen getuigen en verder ging dat niemand aan. Dat hij niét samen met Jean getroffen werd in de eerste vuurlijn bij de hoeve, maar wél pas op het einde van zijn dolle ren toen hij zich reeds in veiligheid waande, deed er tenslotte weinig toe...Dat de Moren zijn oor er af schoten had hij aanvankelijk zelfs niet gevoeld. Dat moet een gelukstreffer geweest zijn,  kort na het vierde muurtje...Pas toen hij diep in het dal buiten adem door zijn knikkende knieën stuikte had hij het lauwe bloed op zijn schouder gemerkt.

    De eerste pijnscheuten waren pas komen opzetten beneden in de hulppost van de Armada popular... Hij was zelfs van zijn stokje gevallen toen ze nog wat stukjes van zijn oorschelp afknipten vooraleer er een verdovende zalf op te smeren. Van tien-negen had hij aan deze medicijn ook het visioen te danken dat tijdens zijn appelflauwte  plots aan zijn ogen was voorbij getrokken. Achteraf bekeken wel vreemd dat de beelden niet sloegen op zijn traumatische belevenissen van de laatste uren maar hem in een flits terug naar Westende voerden...

     Westende begot...Steiner had in zijn visioen opnieuw duidelijk de twaalf-uren-tram van Oostende bij de halte van de 'Welkom' horen aankomen met een tweetonig hoorngeschal... ”Let-op, let-op!” ...Ook de kerkklok sloeg noen... Zwarte Dis kroop uit zijn put naast dien hoop bommen en sprak van te gaan eten...Steiner zag zichzelf op de duintop boven de doorsteek zijn schoofzak met het gestroopte konijn oprapen en langs de tegenhelling afdalen naar de Lekkerbek...Plots die oorverdovende slag, zijn duik naar beneden en een regen van stukken staal die overal rondom zoevend in het zand ploften...Volgde weer een black-out vóóraleer hij met onvaste voet langs de Zeelaan naar het dorp stapte...Al die samengelopen dorpsmensen die hem zo vreemd aanstaarden en wilde gebaren maakten naar de wolken...Maar hij was zo doof als een pot...

    Vreemd om daar juist nù aan terug te denken...

Hoe vind je dit bericht? 4 stemmen
Geschreven door jaakmaes om 00:00 Reageer op dit bericht

Meer van " De Afrekening"

↑ Terug naar de berichten