Naar de inhoud

De Kronieken van de Westhoek

Vlaamse geschiedenis zoals u die nog nooit beleefd hebt
akke.beakke.be
Vlaamse geschiedenis zoals u die nog nooit beleefd hebt.

Archief

Het zuur aan de maag

Lieden die gewoonlijk misbruik maken van tabak of drank verwekken abnormale afscheiding van slijm. Willen die mensen hun slechte gewoonte daarlaten, het slijm zal ook achter blijven. Overmatig gebruik van drank en tabak kan ook zuur aan de maag veroorzaken, maar de gewone oorzaak is elders te zoeken.

Ondervinding en proefnemingen hebben bewezen dat het zuur aan de maag meestal aan gebrekkige werking van de maagzenuwen toe te schrijven is en in verband staat met stoornissen van het algemeen zenuwgestel.

Zo vindt men het zuur aan de maag bij lieden getroffen door een hevige gemoedsaandoening, ofwel bij deze van wie de spijsvertering gestoord is door hoofdbreking, overwerk van de geest, bekommernissen en verdriet.

Een goede spijsvertering vergt volkomen rust van geest en lichaam. Na het innemen van de spijzen voelen veel mensen een huivering, een rilling en een behoefte om te slapen. In de oude tijd werd aan deze behoefte toegegeven. De mensen gingen voor een half uur op hun bed liggen en nog heden bestaat het noenspel of rustuur na de maaltijd.

Wanneer dadelijk na het eten een mens aan de arbeid begint, wordt de spijsvertering verhinderd en het eten verzuurt in de maag. We herinneren ons dat voor 40 jaar te Gent de werklieden nog geen uur schoftijd hadden om 's noens te gaan eten.
Op een loopken van de fabriek naar huis, de pap gereed uitgeschept en zohaast de man zijn telloor had uitgegeten, goot de vrouw er haastig de aardappelen in en de ajuinsaus erover.

En gulzig werd alles ingeslikt en met de laatste brokken in de krop, het koffiepulleken in de hand, trok de dompelaar op zijn blokken, wederom naar zijn werk. Dat eten kon niet verteren, het bleef op de maag liggen waar het zuurwording verwekte.

Thans zijn de toestanden onder dit opzicht veel beter. Maar er mag er wel eens aan gedacht worden om het jong geslacht te doen inzien wat een schoon leven zij thans hebben vergeleken met het lot van de ouderen.

Bepaalde spijzen kunnen het zuur aan de maag veroorzaken. Vettige brandige spijzen, gelijk geregeld vlees, opgelegd goed, zalm, haring, sommige groenten met zwavel inhoudende vluchtige oliën, gelijk kolen, spruiten, savooien, ajuin, geven aan sommige mensen het zuur.

Er zijn er die geen gehakt varkensvlees mogen eten of ze weten ervan. Een Vlaamse schotel, varkenskarbonaden of saucissen met rode kolen en appelen, een heerlijk gerecht voor goede magen, is verboden aan mensen voorgeschikt tot zuur aan de maag.

Bijtende kaas, hervekaas, gruyère, zware bieren, Oudenaards, Zottegems, jonge wijn, moeten bijzonder afgeraden worden voor lieden die van het zuur weten.
Al is zuur aan de maag oprecht geen ziekte, toch kwelt het hevig de drager, maakt hem ongerust en drijft hem naar argwaan toe. Het is eigen aan maagkwalen dat zij diep op het gemoed ingrijpen.

Maaglijders zijn doorgaans droef gestemd, weemoedig, naartrekkelijk. Zij stellen zich voor dat ze met een ongeneesbare kwaal geteisterd zijn. Ze geloven de geneesheer niet wanneer hij hen gerust wil stellen. Ze lopen van de ene naar de andere, kopen allerhande specialiteiten. Ze verliezen alle geduld en denken dat zij aan een maagzweer of maagkanker lijden.

-

Uit 'Volksgeneeskunde' van dokter De Baets

Bijlagen
Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door geschiedenis.vlaanderen om 08:56 Reageer op dit bericht

De kerk van Westouter

De inwijding van de nieuwe kerk van Westouter zal plaats hebben maandag toekomende 16 juni, zijnde kermismaandag om 9u door de Z.E.H. deken Vervaecke van Poperinge. Een stoet zal het H. Sacrament vergezellen van de voorlopige kerk naar de nieuwe, en daarna wordt de plechtige dienst gedaan voor de overledenen. Deze aloude kerk moest reeds bestaan ten jare 1069; onder bisschop Drogo van Terenburg stichtte er de koning van Frankrijk een altaar en de inkomsten ervan waren toegeëigend aan het kapittel van het bisdom.

De achtkantige toren in bergsteen, door de vroegere tijdsomstandigheden erg beschadigd, moet zeer schoon geweest zijn; tijdens het herstellen vond men er triforiums welke zeer fijn gekapt waren. Hij was opgebouwd in Romaanse trant. De wenteltrap naar de toren, in 1887 afgetrokken en eveneens in bergsteen droeg het jaartal 1441.

Evenals alle andere kerken van de streek werd deze gedurig vermeerderd. Een tekening van Vedastus Plouich, schoolmeester te Westouter in 1630 voor de Flandria Illustrata van Sanderus gemaakt, geeft een gedacht van hetgeen de kerk moet geweest zijn voor de geuzentijd, er waren twee lage beuken, de derde was verdwenen, voorafgegaan van de toren in het westen.

De werk werd afgebrand in de geuzentijd, daarna hersteld en vermeerderd; drie beuken aan de westkant werden er waarschijnlijk in 1588 bijgebouwd en de oude toren werd hersteld. De kerk bevatte twee kapellen. Het zijn deze drie beuken die thans bestaan. Het altaar stond tegen de toren en de ingang aan de westkant. De twee beuken aan de oostkant bleven bestaan. De boog van een derde was zichtbaar in de oude kerk.

In 1782 werd een ontwerp gemaakt tot verplaatsing van het altaar aan de westkant om zo de kerk te vermeerderen, hetgeen niet werd uitgevoerd.

De toren werd dikwijls hersteld. In 1748 werd hij door de wind grotendeels benadeeld, hij had ook veel geleden in het begin van de 18de eeuw. De gemeente werd in 1793 en -94 gedurende elf maanderen het slagveld van de oorlog. De Franse republikeinen poogden ze meermaals te veroveren en gelukten er in op 14 april 1794. De kerk, kasteel en geheel het dorp, buiten drie huizen vielen ten prooi aan de vlammen. Het grootste gedeelte van de hoeven en huizen op het grondgebied ondergingen hetzelfde lot.

Twee beuken van de kerk werden afgemaakt en bedekt met stro in 1796. De kerk werd gesloten de eerste zondag van oktober en heropend in 1802. De drie beuken werden hersteld in 1805; men kocht het hout van de manège van het kasteel van Reningelst om ze te dekken.

Een nieuw sanctuarium, aan de westkant, werd gemaakt in 1807. De ingang, vroeger in het westen, werd onder de toren, in het oosten aangebracht. De twee kapellen werden weggenomen.

In 1887 werd de kerk vermeerder langs de toren en de wenteltrap werd verplaatst. Binst de oorlog is de kerk hoogst beschadigd geweest, meest in de eerste dagen van de vlucht, tijdens de geweldige beschieting van de gemeente op 24,25 en 26 april 1918 door de Duitsers. Het herstel van de kerk, toevertrouwd aan de heer ingenieur Coomans, is wonderwel gelukt en het uitvoeren van de werken, door M. Carron, aannemer uit Ardooie, voldoet zeer.

-

Uit de krant van 1924 - www.historischekranten.be -

Bijlagen
Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door geschiedenis.vlaanderen om 08:51 Reageer op dit bericht

Arseniek voor mijne vent

Er komt daar een vrouwe bij den apotheker, en zegt ze: 'apotheker, ne kilo arseniek voor mijne vent.' - 'Arseniek', zegt den apotheker, 'maar jong toch! En dan nog voor joene vent!'
'Ik en magge 'k ik da nie geven, zulle!'. - 'Doe je', zegt ze, 'wel geef mij dan wat vitamientjes voor den hond.' 'Dat is al wat anders', zegt den apotheker. En hij weegt haar ne zak vitaminen. 'Voilà' zegt hie, 'en dat 't hem wel meuge bekomen!'

Jamaar, de weke nadien, staat den apotheker achter zijnen toog, met zijn witte schorte aan en zijnen bril op zijn voorhoofd, door de venster te kijken en hij ziet daar een begravinge passeren.

En onmiddellijk achter de lijkwagen tert dat vrouwmens, helegans in 't zwarte gekleed. Trekt ze geen oge naar den apotheker dè! Verdimme, den dien en was er niet wel van!

''k Moete daar het mijne van weten', zegt ie. En 's avonds nadien trekt ie naar dat huis van die vrouwe. 'Madam', zeg ie, 'is 't misschien joene vent die dood is en begraven gisteren?' - 'Ha, jaat hè', zegt ze, ''t' en heeft nog niet lange geduurd hè'.

'Wat wil je zeggen', vraagt den apotheker, 'niet lange geduurd?' 'Hewel', zegt ze, 'geweet toch da'k arseniek ben komen kopen voor mijne vent?'

'Jamaar, 'k en hebbe toch geen gegeven?' - 'Neen gie', zegt ze, 'maar 'k hebbe toch vitaminen gekregen voor den hond. Hewel, dat heeft subiet geholpen! 'k Hebbe die vitaminen natuurlijk in zijn soepe geroerd. Van den eersten dag begost ie al te bassen. Nu, ie had dat vroeger nog gedaan. Maar den tweeden dag schartte ie al met zijne voet achter zijn ore. En den derden dag wilde ie met zijn hoofd aan zijn achterste geraken en heeft ie zijn nekke gebroken!.

-

Uit 'Het Manneke van de Maan' van 1986

Bijlagen
Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door geschiedenis.vlaanderen om 08:49 Reageer op dit bericht

Breuk aan de klokken van Dadizele

De kerk van Dadizele

Het is te veronderstellen dat er reeds een kerk bestond te Dadizele in 1180 vermits men leest in de gedenkschriften van Jan van Dadizele dat men er alle jaren een jaargetijde deed voor Lambrecht van Dadizele. Deze Lambrecht die leefde omtrent 1180 zal diezelfde kerkdienst gesticht hebben in de kerk van zijn heerlijkheid tot lavenis van zijn ziel.

Het is buiten twijfel dat de kerk bestond in 1245, ermits in dat jaar Margaretha, gravin van Vlaanderen haar de giften schonk die door haar zuster Johanna eerder waren vastgesteld geweest. Het jaargetijde van Willem Martin werd al gedaan in het jaar 1270.

De kerk had herstellingen nodig in 1458. Men besloot om ze volledig te herbouwen. Jan van Dadizele legde de eerste steen van dit gebouw in 1462. In april 1467, net voor Pasen legde diezelfde Jan van Dadizele de eerste steen van de toren die aan de westkant gebouwd werd. Deze kapel was groot. Men ziet er de zuidkapel en de kapel van Sint-Pieter en later het groot koor, het koor van Onze Lieve Vrouw en dat van Sint-Catharina, de altaren van Sint-Pieter, van Sint-Michiel en van Sint-Sebastiaan. Er stond een standbeeld van Sinte-Godelieve.

De kerk werd verwoest en verbrand in 1580 door de Schotten die van de partij van de geuzen waren. Ze werd heropgebouwd in het begin van de volgende eeuw. In 1783 kan men er al (met uitzondering van het groot altaar) de altaren zien van het miraculeurs beeld, de Rozenkrans, het Heilig Kruis en de H. Rochus.

Pastoor Ghyselen deed ook herstellingen aan de kerk: hij verplaatste de doopvont in het jaar 1797. Hij vermeerderde het koor van het heilig Kruis in 1824, bouwde een nieuwe kapel voor Onze Lieve Vrouw in 1827 en plaatste er het klein marmeren altaar welke aan de eerste pilaar van de kerk stond.

De constructie van de praalkerk van Dadizele werd begonnen op 8 september 1857. Ze werd voor de eerste keer voor de godsdienst gebruikt op 1 september 1867. De nieuwe kerk werd gewijd door Mgr. Faict de 8ste september van 1880. Zijn heiligheid Leo XIII heeft ze verheven tot de waardigheid van basiliek op 13 januari 1882.

In de vorige eeuwen behoorde het opperste bestuur en de bijzondere leiding over de kerkgoederen aan de heer van de plaats Dadizele. Hij was in de rekeningen benoemd tot oppertoeziener van de tijdelijke goederen van de kerk. Deze toestand was van die aard dat er daarmee moeilijkheden konden ontstaan. Om deze problemen te voorkomen werd een overeenkomst gesloten op 26 juli 1696, een deal tussen Ferdinandus de Croix, heer van Dadizele en Franciscus De Clercq, pastoor van de parochie. Dat gebeurde door tussenkomst van Mgr. Martin de Ratabon, de bisschop van Ieper. Pastoor Vandermeersch schrijft in zijn kerkboek op de volgende wijze de bijzonderste punten van het akkoord neer:

'Een contract en akkoord is gemaakt de 26ste juli 1696 tussen mr Ignatius Ferdinandus de Croix, heer van Dadizele en pastoor Frans De Clercq, en geconfirmeerd door zijn hoogwaardigheid Martinus de Ratabon, bisschop van Ieper op de 29ste oktober van 1698. In dit akkoord zijn ze overeengekomen nopens de volgende punten aangeaande het aanstellen van de kapelaan, koster, kerkmeesters, dismeesters, ontvangers van de buitenkerk en ook van die van de baljuw of bedelman van de voorzeide kerk.

Ten eerste dat de heer kapelaan gezamenlijk zal benoemd en aangesteld worden door de heer van Dadizele en de heer pastoor, en in het geval dat ze niet overeenkomen zullen ze alternatieve kandidaten mogen zoeken, de heer van Dadizele zal hierbij de eerste beurt krijgen en de pastoor de tweede en zo verder.

Ten tweede dat de koster, de dismeesters en de ontvangers van de bewuste kerk en ook de baljuw en de bedelman zullen gekozen, benoemd en aangesteld worden door de heer van Dadizele, en dat voor altijd. Deze heer zal dat nochtans niet mogen doen zonder voorafgaandelijk de heer pastoor daarover geïnformeerd en geconsulteerd te hebben en zijn kandidaat op de hoogte moet hebben gesteld over de manieren van leven en de religie van die personen dewelke hij voor de voornoemde functies wil in dienst nemen. De kerkmeesters zullen gezamenlijk gekozen worden door de heer van Dadizele en de heer pastoor net zoals dat hetgeval is met de kapelaans.

Ten derde dat de geschenken, audities en het afsluiten van de rekeningen zowel van de kerkfabriek als van de kerk en de armen van de parochie onder de verantwoordelijkheid vallen van de heer van Dadizele, hij wordt aangesteld als superintendant van de tijdelijke goederen van de kerk en as beheerder over de armen en voor de heer pastoor in zijn kwaliteit als geestelijke..

Wat de administratie van de kerk en de disgoederen betreft, die wordt voor eeuwigen dage uitgevoerd door de heer van Dadizele samen met de heer pastoor, de heer als primarus director en de heer pastoor als secundarius. Ze hebben beiden het rechty om ordonnantie te verlenen aan de ontvangers van de kerk als van de dis. Desondanks zullen alle verpachtingen, uitgaven van renten en andere kerkzaken of betreffende de dis en de rekeningen van dieren uitgevoerd worden door de heer van Dadizele of zijn gedeputeerden. Die gedeputeerde is momenteel de heer Jacques Holvoet, griffier van Dadizele....

De klokken van de kerk
Het vrolijk geluid van de klokken heeft niet alleen de feestdagen verblijd maar ook de voornaamste omstandigheden van het leven, het doopsel, de eerste communie, het huwelijk, het jubelfeest, soms hebben ze veel tranen doen vloeien. Het valt dan ook niet te verwonderen dat eenieder zoveel verkleefdheid voelt voor de klokken van zijn geboorteplaats. Men kan zo gemakkelijk begrijpen dat de inwoners van Dadizele zoveel milde zorgen gebruikt hebben voor het bezitten en het hergieten van hun drie klokken.

In 1669 bezat de kerk van Dadizele drie klokken die 6365 ponden wogen. De grote was in 1637 gegegoten en de middelste en de kleinere in 1622. Op de grote klok stond volgende inscriptie genoteerd: 'deze klok is gegoten ter eren en gebruik van Onze Lieve Vrouw van Dadizele ten tijde van jonkheer Martinus de Croix, heer van Dadizele, Wallemotte etc... en ten tijde van de heer Pieter Sarlotes pastoor en de heer François Vander Meulen, kapelaan en Laurens Van den Weeghe de koster, ze werd “Salvator' genoemd. Amen 1637.'

Op de middelgrote klok stond geschreven: 'Deze klok is gegoten ter ere en gebruik van de kerk van Onze Lieve Vrouw van Dadizele in het jaar des heren 1622 ten tijde van jonkheer Martin de Croix, heer van Dadizele en Wallemotte etc en van de heer Pieter Middelen Basselier, formeel in de heilig godheid en pastoor van de parochie van Dadizele'. Op de kleine stond geëtst: 'Martinus is mijn naam. Deze klok is gegoten op gebruik van de kerk van Dadizele in het jaar des heren 1622 ten tijde van diezelfde personen.'

Men moest de drie klokken hergieten in 1670. Toussaint Cambron, klokgieter te Rijsel werd met dit werk belast. De drie klokken worden samen 7969 pond, de grote 3600 pond en de anderen 2593 en 1786. Ze droegen de wapens van Martinus de Croix, de heer van Dadizele en een Frans opschrift met onderstaande vertaling. Op de grootste: 'Ik ben Maria genoemd door mijnheer Martinus de Croix, ridderheer van Dadizele, Blauwentorre, Wallemote enz, burgnoot van Vlaanderen en vrouw Isabella de Schoore, zijn gezellin in 1670. Mijnheer meester Franciscus Bouxsioen, pastoor van deze plaats en deken van chistenheid.' Op de middelste stond het volgende vermeld: 'Ik ben genoemd Catharina door edele vrouwe Catharina de Croix, vrouw van Kemmel en Ignatius Ferdinandus de Croix, heer van Devaecker in 1670. De kleinste werd Elisabeth genoemd en verwees naar de edele juffrouw Elisabeth de Bommare en naar Pieter de Croix, de heer van Nederbeke.

Dadizele hadc in die tijd dus drie klokken en een schel die voor de vroegmis van de zondag geluid werden. In 1680 braken twee van de klokken die het akkoord maakten en men besloot ze te hergieten. Dit op verzoek van pastoor Franciscus. Men kwam overeen om een akkoord van vier klokken te doen gieten. Mattheus Chappuis, klokgieter van Kortrijk, nam het op zich om dit werk te verrichten voor de som van 436 gulden. Op voorwaarde dat men het metaal leverde. Ongelukkiglijk kon de veirde klok niet gegoten worden door een gebrek aan metaal en brak de grootste klok nog tijdens datzelfde jaar. Ze werd het jaar daarop hergoten en men gaf haar hetzelfde opschrift als voordien met uitzondering van het jaartal.

Hoe het verder afloopt met de Dadizeelse klokken leren jullie in een volgend hoofdstuk...

-

Uit 'Geschiedenis van Dadizele en van zijn miraculeus beeld' geschreven door pastoor Alphonsus-Maria Coulon in 1889.

Bijlagen
Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door geschiedenis.vlaanderen om 08:48 Reageer op dit bericht

De vierendeling van broeder Basilius

Even een update.

Deel 2 (goed voor 66 A4-pagina's tekst) van 'Dagboek van Augustijn 1572-1579' staat op papier. Eindelijk en na twee maanden schrijven. Ik heb zopas een eerste herlees-sessie afgerond. Nu nog de spellingchecker aan het werk zetten en dan nog één leesbeurt. Nog enkele dagen en ik kan mijn nieuwe kroniek gaan inblikken op www.dekronieken.com. Vanmorgen kwam ik nog voorbij aan onderstaande passage. Die leek me een ideaal opwarmertje voor de rest. Nog een weekje geduld en alles is af. Misschien nog een waarschuwing voor gevoelige lezers: zo hard en meedogenloos ging het er aan toe in de middeleeuwen..

.........................

8 september 1579. Dinsdag, eerlijk gezegd, ik raak helemaal de tel kwijt met de dagen. Een ruiterbrigade van Ieper pakt een lokale lekenbroeder op buiten de stadsmuren. De man heeft een verdacht briefje op zak. De stakker wordt onmiddellijk naar het centrum gebracht en verder doorgelicht. Het briefje moet doorslaggevend bewijs bevatten. Even later wordt er groot alarm geslagen. De poorten gaan allemaal dicht. Bij de militairen heerst er grote animositeit. De burgers weten niet wat ze er over moeten denken. Tot verscheidene Ieperlingen opgepakt worden. Ze worden ervan verdacht om samen te spannen met de Walen, daarom wordt er zo paniekerig ingegrepen. Het algemeen alarm weerklinkt rond 16u, ruiters en soldaten zwerven rusteloos en geagiteerd rond. De burgerij van de stad maakt zich grote zorgen. Een aantal van de opgepakte burgers wordt na een ondervraging van twee uur weer op vrije voeten gesteld.

Er blijven drie verdachte burgers over. Bernaert Byckman, Marx de Quycke en de pachter Paulus de Quycke samen met zijn vrouw. Vier dus, ik tel zijn madam er ook bij, plus natuurlijk ook de lekenbroeder die het boterbriefje aan het binnensmokkelen was. 's Anderendaags worden de poorten haast niet opengezet. De verdachten worden gepijnigd en gemarteld en ondertussen horen we hier en daar geruchten dat de Walen grote verkenningsronden aan het uitvoeren zijn in de dichte buurt.

De 11de september gaat het verhoor en de pijniging van de gevangenen verder. Ze weten veel meer dan ze laten uitschijnen, zoveel is zeker. Aan de zuidkant van de stad wemelt het van de Walen, precies zoals dat zes weken geleden het geval was. De malcontenten lijken wel hier hun boodschappen te komen doen. Het vangen van mensen is nog nooit zo erg geweest. Het volk van De Lamotte zou naar verluidt opgedoken zijn in Lo waardoor het vendel van kapitein Pnese rond middernacht de Elverdingepoort verlaat om zich naar daar te begeven. De volgende dag riskeren de Walen zich nu tot aan het kruis buiten de Mesenpoort waar ze paarden en poorters vangen en landlieden verwonden. De 'protestantse' Ieperlingen lijken wel op een eiland te wonen temidden een zee van 'katholiek' geweld en willekeur.

Guillaume de Quycke wordt op borgtocht vrijgelaten, de belastingen op de verkoop aan Waalsgezinde steden wordt nog verder opgedreven, elk pond boter is nu al goed voor een stuiver taks waardoor de verkoop ervan stilvalt. Broerke de lekenbroeder, alias Basilius Camerlinck, Marx de Quycke en Bernaert Byckman worden op de avond van de 12de nog eens bovenaan de lakenhalle gebracht waar ze aan een nieuwe martelsessie onderworpen worden. De heren van de wet willen een en ander te weten komen en aarzelen niet om de limieten van het menselijk weerstandsvermogen op te zoeken. Op 14 september wordt de geseling verder gezet. 'Maar wat willen jullie dan wel van ons weten?', roepen ze in pijn en agonie uit. De bevolking stelt zich diezelfde vraag, van dit drietal kan in wezen weinig gezegd worden, het enige wat de mensen beseffen is de wetenschap dat Basiel, Marx en Bernaert morgen zullen sterven. Rond 'de Roostere' wordt een hele bende Walen gesignaleerd waarop een groep ruiters er naartoe rijdt. Ze komen te laat, de Walen zijn de pijp uit. Overal waar ze voorbij komen zwijgen de klokken, daar waar ze de voorbije vijf uur nog op uitdagende manier geslagen hebben.

18 september 1579. Het leger van De Lamotte bevindt zich in Roesbrugge. Het zou gaan om twintig vendels en daar krijgen ze nog de assistentie van de vendels van Sint-Winoxbergen en van Zonnevelt. De inwoners daar zullen het wel geweten hebben. Het hele dorp wordt in lichterlaaie gezet, het landvolk loopt rond als kippen zonder kop terwijl de klokken zonder ophouden hun katholieke serenades verkondigen. Jezus zou zich omdraaien in zijn graf, ik mag nog blij zijn dat hij verrezen is en het van hierboven of ergens anders aan het bekijken is.

Zaterdag 19 september 1579. Rond 9u worden de drie patiënten naar boven gebracht. Toch sinister dat ze hier hun terdoodveroordeelden omschrijven als zijnde ziek of gewond, patiënt, maar daar zorgt de wet dan zelf wel voor. Basilius Camerlinck is geboortig van Brugge, de andere twee zijn afkomstig van Ingelmunster. Rond 10u in de voormiddag brengen ze alles in gereedheid om hen te rechten. Het schavot verrijst recht voor de halle, recht voor de comptoir van de hoogbaljuw. Om 13u is het zo ver. De lakenhalle gaat dicht. Voor de toegangsdeur staan wachters, ondertussen leest de vierschaar de akte van beschuldiging. Niemand weet momenteel wat precies de aanklachten zijn tot er toch enkele spiekbriefjes op de marktplaats belanden. Tijdens de marteling zouden de mannen dan toch toegegeven hebben dat ze hier en daar wel wat verraad gepleegd hebben. Na al die pijnen en tormenten zijn ze gezwicht. Het enige wat hen nu nog wacht is een heel erg pijnlijk afscheid van deze wereld.

Hun straf is barbaars. Ik ben beschaamd om in deze inhumane en wreedaardige stad te wonen. Niet de stad natuurlijk maar wel zijn hardvochtige en tirannieke meesters die dergelijke beestachtige behandeling van mensen van vlees en bloed laten uitvoeren. Ik noteer de wrede details, het lijkt er wel op dat ik met bloed aan het schrijven ben. Eerst moeten Basiel, Marx en Bernaert,vastgemaakt op een vlaak en vastgebonden aan paardenstaarten rond de grote markt gesleept worden. Daarbij zien ze alle hoeken van de markt en ongetwijfeld alle kleuren van de regenboog. Basiel moet na zijn dood gevierendeeld worden en de vier stukken van zijn lijk zullen demonstratief opgehangen worden aan een schandpaal buiten een stadspoort. Zijn hoofd blijft binnen in de stad en krijgt een plaatsje naast de andere twee hoofden. Natuurlijk die van Marx en Bernaert.

Die twee zullen dus inderdaad 'onthalsd' worden en omdat de rechters toch enig medelijden hadden met hen, zullen hun lichamen begraven worden. Met uitzondering van hun hoofden die voor de lakenhalle op staven geplaatst worden. Een laatste bizarre glimp van de markt van Ieper anno 1579 zullen de drie sukkelaars niet meer te zien krijgen. Daarvoor zijn ze te dood. En zo is er gerechtigheid gekomen, de rechters maken hun borst nat dat ze goed voor ons hebben gezorgd. 'Zal wel', denk ik, 'menen ze dat nu echt serieus?'. Broeder Basilius stierf terwijl hij dankbare bedankingen schreeuwde naar de Heer en onder de belijdenis van zijn zonden. Ook Marx heeft God bedankt en nog geroepen aan de mensen dat ze deugdzaam moeten leven, en ook Bernaert is tijdens zijn laatste ogenblikken een vroom man geweest, hij bleef dankbaar tot het einde maar bleef wel hardnekkig vasthouden aan zijn onschuld. Het duurt nog tot 17u vooraleer broeder Basilius 'gekwartierd' wordt, De hoofden van de slachtoffers zullen pas op zondag op hun staven voor de halle gespietst worden.

........................................

Bijlagen
Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door geschiedenis.vlaanderen om 08:47 Reageer op dit bericht

Spletmatrozen en kwaweervogeltjes

De visvangst

Naast een degelijke kennis van de zee en haar visgronden moet men ook een dosis geluk hebben in de opbrengsten, om een schone reis en goede besomming te maken. Ten eerste komt het er op aan de vis te vangen, ten tweede zonder pech de thuishaven te bereiken en ten derde in de vismijn een goede prijs voor zijn 'vangste' te bekomen.

Het Europees kwotum voor elk land vastgelegd, beperkt de vissen naar willekeur. Wanneer de netten bovengehaald worden en er zit te veel vis in of soorten vis die je niet mag vissen, doet het pijn aan het hart om deze terug over boord te gooien en is de vis meestal dood en een prooi voor de zeevogels in plaats van voor de mensenconsumptie.

Schelvis is een leugenaarsvis, heeft twee zwarte plekken op de kop. De Zonnevis (Sint-Pietersvis) heeft geslapen in de zon en vertoont verbrande plekken in het midden van zijn lijf.

Men mag nooit goeie reis wensen aan de visser die in zee steekt op visvangst. Hij is daarvoor zeer kwaad omdat hij vooraf door deze wens weet dat hij een 'slechte reis' zal maken, geen goede vangst en geen goede prijs voor zijn vis. Daarom reageert hij fel tegen de zegspersoon met een ruwe uitdrukking: 'verrekt gie nieuweers'. 'Ik vertrek met het schip en ik ga hem geheel werebrengen.' is de wens van de schipper (de meester aan boord). 'Ge zijn de vint', betekent 'gij zyt de baas op het schip'.

Wanneer het schip de koppels van het staksel voorbijvaarde naar zee, maakte de visser een kruisteken. Guido Gezelle dichtte 'Kruiske, kruiske, goed begin, heeft het kruis toch wonderen in!' Voor een geslaagde visvangst roept de visser 'In Gods naam'. Aan het net aan boord werd venushaar (in visserstaal muishaar) gebonden en is het aangewezen dat een oude vrouw op de kuil van de korre waters (pist) (aan boord betekent schip). Anderen zeggen: 'hoe jonger het meisje hoe beter'.

Het eerste voorwerp dat men aan boord deed van een nieuw vaartuig, was het kruisbeeld , gewijd door de pastoor. De visser had betoruwen op Sint-Antonius van Padua (Toontje) en deed beroep op hem in geval van penarie en hij moet helpen bij verlies van een voorwerp. Wee echter wanneer het tegenslaat, dan wierp de visser het beeld op de grond van colère (gramschap). Dit noemen ze het beeld kastijden.

Men deed een nagel van de paaskaars in de voorsteven van het schip, ook was daartoe een gaatje voorzien in de achtersteven en in het midden van het vaartuig waar de vis moest liggen. Het gaatje werd met een ringetje toegeslagen door de baas.

Wanneer het stormde tijdens de oude Ijslandvaart en de galette dreigde te vergaan, ging Pier Kloefe uit De Panne naar beneden en ontstak een kaars. De wind draaide en de boot en zijn bemanning (koppage) waren opnieuw veilig. Het geloof verzet bergen, maar kan ook de zee kalmeren.

'Mouwvreters' zijn een ontsteking door het wrijven van de onderkant van de vest op de polsen bij de werkzaamheden aan boord van een vaartuig, vooral bij contactname met het zilte zeewater en ophalen van de korre. Om dit te vermijden verkortte men de mouwen, zodat de polsen vrij kwamen en brandde met de haren van de arm af met een kaars. Remedies voor genezing van de mouwvreters: bandjes lijnwaad rond de bezeerde plekken binden en vet van zeevogels erop smeren. Daartoe werd de buik van de levende vogel opengesneden en het vet uit de buik gehaald. Op verzwering van de vinger (de fieke), deed men levers van de pijlstaartrog (djude) die gerot waren en natuurlijk vreselijk stonken.

Een wonde omzwachtelde men met een gedroogd palingvel. Om een wonde te ontsmetten werd er op gepist. Om katrienewielen af te lezen, een trouwring (niet van een familielid) van het eerste huwelijk laten ronddraaien in de ontsteking.

Een genezer kon het 'vier', verbrandheden, de roze op de kake (wang) en van de neus aflezen. Tegen verhitheid: een stierepees in stukjes kappen, laten weken en koken in kandijsuiker, tintuurjodium en melk in doen en opdrinken.

Wanneer de visser, vooraleer in zee te steken, nonnen of pastoors ontmoette, keerde hij terug huiswaarts en stelde de reis uit tot de volgende dag. Een visser zag eens drie nonnen op het staketsel zwaaien, hij mocht niet terugzwaaien naar deze nonnen. Hij zei 'we gaan er een zak krijgen' (veel tegenslagen hebben op zee). Vast slaan met de korre aan een wrak, de korre weg. Niets te vangen. Een reis voor de paus. Geen stert (staart) te vangen.

Er mocht geen zwarte kat voor de voeten lopen; dat was een toveresse en dus niet in zee gaan. Nooit op zondag of heiligendag in zee steken, men zou slechte vangsten hebben. Ook niet met Kerstdag het ruime sop kiezen, de korre zou vol joengers (kinderen) zitten. Men maakte dat men 's nachts voor 12u op Kerstnacht thuis was.

Op Allerzielen werden de haringnetten (beeg) binnengehaald aan boord, een kaars ontstoken en vijf Onze Vaders gebeden voor de doden. Op Allerheiligendag 12u moest de korre binnen zijn, anders bing men niets anders dan lijken. Men herdacht toen ook de overledenen en stopte het vissen. Op Onnozelekinderendag niet vissen men zou niets anders dan 'puppen' (poppen) vangen.

Vroeger ging men nooit in zeze op Sint-Pietersdag, want dan stormde het altijd. Zo bleef een open boot van Oostende op zee (vergaan). Nooit op een vrijdag de proefreis met een nieuw vaartuig doen, ook geen nieuw materiaal aan boord doen die dag. Niets anders dan tegenslag te verwachten.

Vissers dulden geen spletmatrozen (vrouwen) als bemanningsleden omdat ze niet over boord konden wateren zoals de mannen. Wanneer de vrouwen dit op het dek van het schip deden zou alles rotten aan boord. Meisjes mochten ook niet op het dek wateren.

Geen zoetekoeke, geen taartjes, geen boterkoeken, geen koekestuten aan boord brengen. Het zou al misère en verdriet veroorzaken en het zout in je pap niet verdienen. Iemand had boterkoeken meegebracht, men verloor de korre, een nieuwe aangedaan ging opnieuw te kwiste en met een derde kwam men vast te liggen aan een wrak, na zes uren lreeg men het net los.

Zich niet scheren aan boord, geen vangsten meer. Nooit over pasters en nunnen (nunnetrutten) klappen. Het dek niet met een borstel afvegen, het geluk werd afgeborsteld. Men veegde de vuiligheid met de voet door het gat (spuigat, verloopgat), zelfs legde men een dweil om de voeten af te vegen om over het dek te gaan.

De spreuk; 'de vis komt bij hem door de verloopgaten naar binnen', betekent dat hij een gelukzak is. 'Dat loopt de spuigaten uit' betekent: dit gaat te ver. Een hoer ontmoeten (tegenkomen) betekent geluk. Een rechterpoot van een mol in zijn beurze (zak) hebben tegen ongelukken. Een note van schade (neutemeschate) bij zich dragen was goed tegen de zweren.

Wanneer men op nieuwjaar de koekoek hoorde roepen mocht er geen koude meer komen, 'je zijt uitgewinterd'. Een vissersmoeder plaatste drie kaarsjes in een platte teljoor met zand voor de drie afgestorvenen. Wanneer het eerste kaarsje opgebrand was, was het zieltje naar de hemel gegaan.

Sjanfoeter is een geheel groot schip zo groot als de oceaan. Het sloeg met de kluwerboom al draaiende de top van de kerk van Zuytcote (Frans-Vlaanderen) af. Een mannetje kroop in de top van de mast om de schuifblok, die schreeuwde (piepte) in te smeren en wanneer hij terugkeerde was het een oud ventje. In de kluwerboom kon er een bootje plaats nemen. Ze stonden met 24 man aan het roer om het roer over te steken.

Een 'malfiet' is een bestaand vogeltje dat overdag langs het water fladdert en 's avonds schreeuwt. Het brengt ongelukken mee: geen vis vangen, de korre die scheurt, er is niets te verdienen. Het is een kwaweervogeltje. 'Het zijn malefieten die regen en wind schietten'. Hij is een malfiet: een persoon die de oorzaak is van allerlei malchances en liefst vermeden wordt.

Pastoor Lootens van Oostduinkerke vloog op een borstelstaart, zei men. Hij kon de kokkemare aflezen wanneer men er door bereden werd, dit is een 'brokke zot' zijn en hij besprenkelde de geteisterde.

De 'marionetten spelen in de mast', beteket de wind die schuifelt in de masten wanneer de marionetten in de lucht kletteren, dit is een teken van slecht weer.

Het kacheltje in het logies van het schip noemde men een driepikkeltje, het rustee op drie pootjes en op het rookgat van de stovebuis op het dek werd een rookkapje geplaatst tegen regen en zeewateroverspoeling.
–

Gelezen in 'Die Chronycke Bachten de Kupe' van 1998.

Bijlagen
Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door geschiedenis.vlaanderen om 08:45 Reageer op dit bericht

Geheimzinnige diefstal bij Rosalie Vienne

Woensdag, omtrent 6 uur 's avonds, zijn er dieven ingebroken in de woonst van Rosalie Vienne bij 'De Ster'. De vrouw was eten gaan dragen naar haar man, die machinist is aan de ijzerweg en de dochter deed dan dienst aan het bareel bij de 'Hoge Brug'.

De schurken zijn over de beek gesprongen en langs achter in het huis gebroken. Juwelen, 100 fr geld, alles wat niet te zwaar of te heet was hebben ze meegenomen. En ze zijn vertrokken zonder hun adres achter te laten, na eerst al de eieren binnen gespeeld te hebben die ze in huis vonden.

De politie, die in zulke gevallen nogal de knepen kent om dergelijke rekels in de val te krijgen, deed ijverige opsporingen. Dat ze er maar snel in slagen en de deugnieten eens loon naar werken zal geven!

Nadere bijzonderheden zeggen ons dat de diefstal wel het schoonste blauw bloemeke moet zijn dat men het mensdom kan wijsmaken. Toen de politie bijna heel de nacht achter de dieven op loer geweest was, vernam men 's morgens dat de bestolene naar de paters was geweest en haar door een kaalkop had laten of doen belezen en dat, bij haar thuiskomst al het gestolene reeds in het koren teruggebracht was, uitgenomen een dertigtal frank welke reeds in derde hand waren.

Dat men ons zulke pil denkt te doen slikken, gaat toch wel wat ver. Het volk is nog wel bijgelovig hoor, maar niet dom genoeg om aan zulk lokaas te bijten.

Van twee dingen maken we er één: of de diefstal was enkel een uitvinding om aan de paters van wie hun aandelen te zeer gedaald zijn wat 'prestige' bij te zetten en enige klanten te bezorgen, ofwel de dieven zijn ergens te weten gekomen dat de vrouw de macht van de paters was gaan inroepen en, uit vrees alles publiek te moeten verantwoorden, hebben ze zich gehaast van alles wat ze nog van de diefstal in hun bezit hadden terug te dragen, iets wat heel mogelijk is ook.

-

Uit de krant van 1889 - www.historischekranten.be -

Bijlagen
Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door geschiedenis.vlaanderen om 08:43 Reageer op dit bericht

Je moe je nie rieschiern bij dat ransl

Raamentn (woelen)

Raapekop (kaalkop)

Rampe (neerklapbare achterdeur)

Ranke (hoppeplant)

Ransl (loopse vrouw)

Ransl (boodschappentas)

Rechtsweer (bloedband)

Reekan (na elkander)

Reeke (rij)

Reep (lang dik touw)

Reeveltje (wekker)

Reewr (aflegger van dode)

Reewstront (laatste kak van stervende)

Reuve (wondkorst)

Riefjeraftje (gemeen volk)

Rienkevieln (benieuwd rondkijken)

Riepte (schurft)

Rieschiern (wagen)

Riestepierre (selder/viagra)

Riksche (rijtje)

Rim (rijp/bevroren dauw)

Roendgapn (rondkijken)

Roggel/Rochel (reutel)

Roidn (pezige magere man)

Rondbiezn (snel rondlopen)

Ruddekokke/ruddekokkokke (schommel)

Russchr (schuurbezem)

Ruttelaare (tegenspreker)

Rutter (driepikkel/drogen hooi)

Ruuke (kluit aarde)

Ruulokte (ruw handelen)

Ruuzeldoof (hardhorig)

Uit 900 Westhoekse dialectwoorden van Adhemar Vandroemme.

Bijlagen
Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door geschiedenis.vlaanderen om 08:42 Reageer op dit bericht

De tweede beeldenstorm

Ik probeer elke dag opnieuw één bladzijde uit de oude kronieken van Louis Boeteman (uit 1789) te herwerken. Een opdracht waar ik vermoedelijk nog wel een jaar verder zal moeten aan werken. Deze week belandde ik bij de aanval van de geuzen uit 1578. die door hem beschreven worden als 'de tweede beeldenstorm'. Het leek me een prima datum om dat fragment even op jullie los te laten. Wat de ketters hier allemaal uitspoken grenst aan het waanzinnige. Vreselijke toestanden waren het. Ik hoop voor de betrokkenen dat de schrijver ferm overdreven heeft en dat wat hier neergeschreven staat helemaal niet gebeurd is. Lees zelf maar:

Anno 1578, het was omtrent de twaalf jaar geleden dat de calvinisten, op de feestdag van Onze Lieve Vrouw Hemelvaart binnen de stad van Ieper binnengedrongen waren en met een duivels geweld begonnen waren aan de bestorming en het vernietigen van al de ornamenten en sierraden van Gods gewijde kerken, waardoor sedert die tijd veel kwade zielen en oprechte Roomsgezinde katholieken de verwoeste kerken en kloosters tot meerdere eer en glorie van God weer hersteld hadden. Sommige maar deels maar andere stukken waren zelfs kostelijker dan voordien en dat allemaal in de hoop dat die helse monsters uit de muil van Pluto gekropen, hun goddeloze handen niet meer zouden durven uitsteken naar de gewijde vaten en aan het huis van de Heer.

Met deze hoop hadden veel godminnende zielen, uit liefde voor God, zich allemaal voorgenomen om al hun kerken met kostbaarheden te versieren en op te pronken. Daar waren in verscheidene kerken schone nieuw opgerichte altaren, staande beelden en versierde kruisen zowel voor de priester als voor de altaren. Er waren verschillende nieuwe orgels opgesteld en kostbare zilveren lampen opgehangen, en ander zilveren en gouden werken voorzien. Elkeen verhoopte dat een dergelijke stormloop van de ketters niet meer zou gebeuren. Maar zie! De helse duivels, niet tevreden zijnde met de ‘buit Christi’ maar één keer aan te tasten, hebben in 1578 hun razernij hernomen en voor de tweede keer, veel gruwelijker dan tevoren. Ze zijn binnen Ieper de kerken en de kloosters komen bestormen. Dat gebeurde door de handen van een nieuw soort van ketterij, genaamd de malcontenten. Als verklaring voor deze goddeloze daden en ten dienste voor de katholiek gezinde inwoners heeft, geboren inwoner, meester chirurgijn Thomas Derave zijn getuigenissen tijdens die bedroevende tijden neergeschreven in zijn kronieken en zeer ordentelijk achtergelaten. Het is uit zijn geschriften dat wij het hier volgend verslag van de tweede beeldenstorm hebben overgenomen.

Op de 22ste juli 1578 kwam een machtig leger van geuzenrebellen uit Gent onverhoeds voor de stad. Bij de bende bevond zich nog ander gespuis malcontenten. Ze begonnen de stad Ieper te belegeren. Onze stad was op dat moment niet voorzien van eigen soldaten of een garnizoen. Hierdoor moesten de burgers alleen instaan voor het sluiten van de poorten en de bescherming van de stad en dat terwijl er onder de burgers velen waren die de ketters en de rebellen genegen waren. Misschien durfden ze dat niet in het openbaar zeggen, maar heimelijk sympathiseerden ze wel met de geuzen. Men begon van weerszijden hevig te vechten, de vijand de stad te bestormen en de poorters hun stad te verdedigen. Deze confrontatie duurde drie volle dagen en de burgers die zich realiseerden dat ze de stad niet langer konden houden, hebben het nodig gevonden de stad over te geven mits een redelijk akkoord. Indien de stad stormenderhand zou ingenomen worden, riskeerde iedereen van dood gesmeten te worden. En dus hebben ze op 24 juli het appèl geslagen en verzocht de stad over te geven mits eerlijk artikelen van vrede.

De Gentse rebellen, onder het bevel van hun veldoverste Bouclé waren daar echt tevreden over en hebben zich akkoord verklaard om dergelijke artikelen op te stellen. Ze zouden wel zien wat ze wel of niet op papier konden zetten. Dus werden daar besloten en beraamd de hier volgende artikelen die afgegeven werden aan de vier Ieperse gedeputeerden. Dat waren hoogbaljuw Nicolais Uyttenhove, voogd Colaert van Lichtervelde en de schepenen Guilelmus van den Kerkhove en Marcus Dewilde.

Artikelen van de capitulatie der stad Ieper de 20ste juli van het jaar 1578

1. Dat eenieder zou mogen blijven vrij en vrank in zijn religie, zoals hij dat voor God zou willen verantwoorden. en dat zodanig dat de ene de andere geen beletsel zou doen, maar dat elkeen hetzij geestelijke of wereldlijke het zijne met vrede en met rust zou mogen bezitten.

2. Dat eenieder, zowel katholiek als gereformeerd, elk zijn religie in het publiek zou mogen oefenen, maar ver verwijderd van elkaar en elkaar niet zullen beletten of te hinderen tijdens de wederzijdse diensten, preken, voordrachten, bedingen, zangstonden, doopsels, nachtmalen, begrafenissen, huwelijken, scholen en andere zaken.

3. Dat men niemand zal dwingen, noch in het openbaar, noch in het geheim, noch binnenin de burgerwoningen om van geloof te veranderen, elkaar niet te belasteren, te beschimpen, te roepen of te tieren, noch door prediking, ruzies of liederen.

4. Dat al de geestelijke religieuzen, of anderen volledig vrij en zonder hindernissen hun goederen mogen gebruiken, hun tienden en andere voordelen, zonder hierin vervolgd te worden noch ervoor aangesproken te worden.

5. Dat men de kerken gelijk zal verdelen zodat de ene niet in de kleine en de andere in de grote kerken zouden hebben, maar dat de katholieken zouden gepriviligeerd zouden zijn om de kerk van Sint-Maartens te bezitten.

6. Dat men geen onderscheid van religie zou maken voor wat betreft het bedienen van ambten en officies, maar dat het magistraat exclusief zou bestaan uit roomskatholieke belijders.

7. Dat de roomskatholieken hun publieke processies, ommegangen en andere diensten zouden mogen verder uitvoeren zoals ze dat gewoon zijn.

8. Nopens de executie, zowel van de civiele als de criminele justitie, zal elkeen zich gedragen naar de uitspraken van de wet.

9. Dat al de burgers hun eigen krijgsuitrusting zouden mogen behouden en eveneens de sleutels van de stad om de poorten desgewenst te openen of te sluiten.

Al deze en andere artikelen hebben de vijanden direct aanvaard, het document werd ondertekend door hun veldoverste Bouclé.

Maar, van zodra deze verraders langs de Torhoutpoort en de Boezingepoort binnen Ieper gekomen waren, hebben ze niets van deze artikelen gerespecteerd. Want ze stelden zich op als briesende leeuwen en deden de burgers direct allemaal hun wapens inleveren en pas dan begonnen ze iedereen overhoop te lopen. De ene probeerde al meer te roven en te plunderen dan de andere. Kerken en kloosters gingen ze bloeddorstig te lijf. Ze vielen de roomskatholieken aan. De burgers die deze aanvallen noodgedwongen moesten aanschouwen waren zo verbaasd alsof ze van de donder geslagen waren, ze waren werkelijk verpletterd, wisten niet wat ze moesten aanvangen, ze stonden er zonder geest en zonder raad. Iedereen vluchtte dan maar naar de eigen woning om zichzelf en zijn gezin in veiligheid te brengen. Ikzelf, Boeteman, zal hun goddeloze kerkschenderij en beeldenstorm zeker nog eens aan de kaak stellen, precies zoals die beschreven werd door de gedenkwaardige heer Thomas Derave die alles gezien en gehoord heeft.

Eerst werd het klooster van de paters predikheren door de ketters overvallen. Ze hielden hun musketten voor de borst van al de religieuzen en konden zo de sleutels bemachtigen. Daarna verjaagden ze de paters met wel duizend scheldwoorden uit hun abdij en uit de stad. Daarna stormde een grote bende door hun kerk en klooster, waar de Gentenaars alles roofden wat ze vonden. De rest sloegen ze in duizend stukken, vooral de beelden en de altaren waren kop van jut. Ze dronken al het bier en de wijn uit de kelder, ze aten de spijzen op en veranderen de predikherenkerk en de abdij in een open schuur.

Ze besprongen het klooster van de grauwe broeders welke woonden achter de Sint-Pieterskerk waar nu de rijke klaren wonen. Hier hebben ze al de religieuzen geslagen, gesmeten en sommige verwond en hun met zijn allen uit hun klooster en de stad verjaagd. Ze maakten werkelijk alles kapot en ze roofden het zilverwerk, koper, tin, bedden, lijnwaad en zo veel meer. Het Mariabeeld boven de poort werd met sabels in stukken gehakt en alles werd vernield.

Het klooster van de eerwaarde paters augustijnen, staande in de voorste buitenomgeving, buiten de Elverdingepoort, langs het Augustijnenstraatje kreeg er ook van langs. Terwijl de geestelijken bezig waren met een goddelijke dienst in het koor zijn de goddeloze boeven en ketters als een opkomende furie en met groot geweld het klooster binnengedrongen en ze hebben met slagen en stoten de broeders uit de kerk verdreven. Bij hun vlucht werden ze door hen beschoten. Al wat er in de kerk stond werd met grote furie verbrijzeld. Altaren, beelden, biechtstoelen, zitstoelen, het wijnkastje en nog veel meer. Het zilverwerk en de kandelaars werden meegenomen. Van de kerk gingen ze het klooster zelf binnen waar ze alles uitdronken wat ze vonden, ze rolden als beesten van dronkenschap over de vloer. En nadat de hete dampen van de drank wat verteerd waren en hun ogen weer opengingen hebben ze dan al de kasten aangevallen waar ze geld, zilver, koper, tin, lijnwaad, beddengoed enzoverder roofden en naar de stad wegsleepten waar ze het venditiegewijze verkochten. Ze lieten de kerk en het klooster helemaal geruïneerd achter. Het was totaal geschonden en afgebroken.

De paters karmelieten die woonden op het Sint-Janskerkhof in de voorsteden, net buiten de Diksmuidepoort waren met meerderen in de stad gekomen, maar de geuzen hebben drie paters karmelieten gevangen genomen omdat ze zeer vurig bleven staan achter hun katholieke religie en die voortdurend predikten. Onder hen bevond zich een zekere Basilius die nog maar pas tot diaken gewijd was. Ze hebben hem onthoofd en zijn lichaam buiten de stad aan een rad opgehangen. Er was geen raaf of andere vogel die zijn lijk durfde aanraken. De tweede karmeliet was pater Henricus Turck. Ze hebben hem aan een boom gebonden en zijn armen en benen gebroken en dan met een musket neergeschoten. Ze lieten hem halfdood achter waar hij door enkele katholieken bevrijd werd. Achteraf heeft diezelfde Turck opnieuw gepredikt. Dat gebeurde in Nieuwpoort wanneer de stad weer in katholieke handen gevallen was. Hij bekocht dat op latere datum wanneer hij met pieken en zwaarden en met bijzonder veel haat vermoord werd in de buurt van Ieper.

De derde pater was Agidius Consaert, geboren in Ieper. Na veel lijden is hij kunnen ontsnappen richting Broekburg waar hij met zijn vurige sermoenen de inwoners daar tot het katholiek geloof kon doen volharden. Nadat heel Broekburg weer katholiek was geworden werden de kerk en het klooster daar tot aan de grond toe afgebroken. De pater recoletten werden dank zij hun gebed en schoon spreken uit gedoogzaamheid in de stad getolereerd. Als tegenprestatie moesten ze de straten van de stad vegen en alle vuilnis buiten Ieper wegvoeren en als ze dat niet dagelijks deden zouden ze verjaagd worden. Men zag hier dagelijks deze waardige mannen door de straten stappen met wagens, bezems en schoppen, ze liepen door al de straten om alle vuiligheid op te rapen en die weg te voeren. Ze leidden een arm leven omdat ze in alles onvoorzien waren en niemand hen ook maar iets gaf. Gelukkig hadden ze enkele goede vrienden die hun in het geheim iets toestopten. Al de wereldlijke priesters, pastoors, kanunniken probeerden zich te verstoppen, het merendeel was uit de stad gevlucht en wie men vond werd onwaardig behandeld en buiten de poorten verjaagd.

De abdij van de rijke klaren, staande langs de weg tussenin de Dolfijnpoort en de Antwerppoort werd ook door de geuzen aangevallen. De geuzen besprongen de zusters met volle colère. De onnozele en eenvoudige, ja godminnende zielen van de nonnekens waren elk afzonderlijk in hun cel wanneer die schelmen er binnengevallen zijn. Die vermaledijde landstropers braken de sloten met alle geweld open en dreven de nonnen als verstrooide schapen, als een verschrikte kudde verder en verder. Niet wetende waar ze zouden belanden werden ze aangetast en onbetamelijk mishandeld. In het bijzonder de jongste moest het grootste geweld doorstaan. De oudere nonnen werden geslagen, geschopt, gesleept, van de trap gestoten en ze werden allemaal uit hun klooster weggejaagd. Zoals schapen die opgejaagd werden door een wolf, zo probeerden die grijpvogels om alles aan te tasten, buffetten, kasten en kisten open te breken, alles rovende wat ook maar geld kon opbrengen. In hun kerk hebben ze al de versieringen in stukken geslagen. Het orgel, de stoelen, schilderijen, altaren en de beelden van de heiligen hebben ze allemaal verwoest.

De begijnen werden door zo een grote bende geuzengespuis overvallen. Het was precies een zwerm helse bijen. De nonnekes waren van schrik in de kamer van hun overste gelopen en ze hoopten door schoon te spreken te ontsnappen aan de furie van de boeven en dat ze zich zouden tevreden stellen met het aanbieden van geld. Maar de geuzen vonden ze op die kamer en ze riepen ‘gij zotte begijnen, jullie moeten er allemaal aan, neem elk een man of we gaan jullie ophangen.' De overste van de nonnen, onze juffrouw, een oude waardige vrouw, probeerde verzoenende taal te spreken om die wrede tijgers wat tot kalmte aan te sporen, maar ze luisterden niet eens naar wat ze te zeggen had. Ze vlogen op de nonnen met messen en hellebaarden en dreven ze als grijpvogels op de trap, als een onnozel nest duiven.

De jongste begijnen kregen het erg te verduren, de angst gierde door hun kelen. Er was een geus die een non in een kamer sleurde, een andere ging naar achter terwijl een derde ter plaatse bleef om zijn nonneke aan te pakken. Ze behandelden hen onbeschaamd. Achteraf is een van de begijntjes door de buren teruggevonden geweest. Ze was moedernaakt ontkleed en na het vertrek van de mannen had ze zich van schaamte verborgen. Daarvoor was ze al uit hun handen kunnen ontsnappen. De geuzen maakten er natuurlijk grote buit, want op die plaats zaten voornamelijk rijke dochters. Ze troffen er geld, zilver, koper en tin aan. Naast lijnwaad, bedden en matrassen, dekens en lakens, klederen en meubels. Ze roofden werkelijk alles. De rest werd in stukken geslagen. Hetzelfde gebeurde met hun kapel of kleine kerk. De nonnen die ze konden opsporen werden uit de stad verjaagd.

De grauwe zusters werden evenmin gespaard. Hun klooster was gesloten, maar de voordeur werd door het geweld van handbomen in stukken gebroken. Een deel van de nonnen was al via de achterdeur gevlucht met al wat ze dragen konden. De indringende ketters konden de meesten al op straat bij de lurven vatten en namen hen alles af. Ze scheurden de kleren van hun lijf. De zusters werden met touwen rond hun hals naar de tuin meegesleept. Hun kleren werden uitgestroopt, tot de kousen en de schoenen van hun voeten toe. Dan werden ze aan de bomen gebonden en met wissen van de bomen gegeseld tot ze ze allemaal hebben weggejaagd. En dan begonnen ze met het roven. Ze gingen naar boven in de kamers, vonden er nog een non die zich verstopt had. De arme vrouw werd aan haar haren vastgegrepen en meegesleurd. Ze werd met hellebaarden op haar borst geslagen en voor dood achtergelaten. Ze lieten haar daar dan maar liggen terwijl de aan het plunderen sloegen. Geld, lijnwaad, beddengoed, zilver, koper en tin. Ze gooiden alles door de ramen terwijl anderen het op wagens laadden en wegvoerden om venditiegewijs en voor een klein prijsje te verkopen. Ze sloegen de ornamenten van hun kerk in stukken, de gekwetste non was in die tijd weer bij haar bewustzijn gekomen en stelde vast dat alles geroofd en verdwenen was en dat haar lichaam bont en blauw was geslagen. Die avond trok ze weg uit haar vernielde klooster en ging zij zich verstoppen bij haar vrienden.

De nonnen van het Belle Godshuis en ook die van het Sint-Jans Godshuis ondergingen eveneens de meest smadelijke mishandelingen. Ze werden ook al verjaagd, van alles bestolen en geplunderd, tot de laatste lepel toe en hun werk werd bestormd en geschonden. De nonnen van het Onze-Lieve-Vrouwe Godshuis op de grote markt werden ook verjaagd. Ze roofden ook hier alles wat ze in de kerk van het gasthuis vonden. De zieken bleven er achteraf twee dagen liggen zonder verzorgd te zijn. Daarna hebben de geuzen enkele van hun vrouwen de opdracht gegeven om er de zorgen waar te nemen waarop veel zieken weggelopen zijn uit het gasthuis.

De zwarte zusters of nonnen troffen het ook al niet beter. Want een grote bende kwam naar hun klooster aangelopen. Ze hebben enkele nonnen helemaal ontkleed en in de hof door de wissen gejaagd en daarna door het klooster en uit de stad weggejaagd. Ze beroofden heel hun klooster en de kerk van alles. Zowel van geld, zilver, koper, tin, beddengoed, lijnwaad, meubelen enzoverder. Ze deden dat met zo’n ongehoorde stoutigheid alsof ze hiermee een offerande deden aan God.

De zusters van Sinte-Catharina die woonden waar nu de capucijnen wonen, allemaal reguliere nonnen van de orde van Sint-Augustinus waren maar met acht stuks maar ze waren allemaal rijk. Ze hebben veel te lijden gehad. Want wanneer de ketters hun klooster binnendrongen hebben ze al de nonnen vastgegrepen en in een kamer opgesloten. Terwijl ze alles roofden wat ze er vonden. De buit was zo omvangrijk dat ze wel drie wagens nodig hebben om dan nog niet alles te kunnen wegvoeren. Ze verkochten de buit de volgende dag allemaal op de grote markt, recht voor het stadhuis. En nu ze alles weggevoerd hadden, vroegen ze de nonnen om te zeggen waar ze hun geld en hun zilver bewaarden. Zo hebben ze zuster Cecilia Winnebroodt helemaal naakt ontkleed en in een afzonderlijke kamer met haar handen omhoog aan het martelhout van de schouw vastgemaakt. Ze maakten het vuur in de schouw aan zodat haar lichaam gebraden werd. En terwijl ze haar zelf voortdurend ronddraaiden om de brand te ontvluchten, goten zij van voor altijd water op haar, een keer over haar borsten en dan op haar rug en dan keerden ze haar vervolgens om om haar nog meer tormenten aan te doen. Maar als dat spel lang genoeg geduurd had en dat ze zagen dat de zuster kwalijk werd, hebben zij met een mes haar buik opengesneden. En al dood zijnde brachten ze haar lijk naar de tuin waar ze in de grond werd gedolven zoals een dode kat, zonder lijnwaad of doodskist. Met de andere zeven nonnen hebben ze de rest van de dag gedaan wat ze wilden en dan uiteindelijk verjaagd met het bevel om direct uit de stad te vertrekken op pene van opgehangen te worden.

Heel de stad van Ieper, dat zegt Thomas Derave toch, bleef tijdens deze kerkschending en de plunderingen van de geestelijke goederen, in zichzelf gekeerd. Elkeen bleef stil zitten achter de gesloten deuren van zijn of haar huis uit vrees om zelf mishandeld, beroofd of vermoord te worden. Sommige burgers zagen wel het venijn en gingen als een windhaan en met het hoofd in de lucht mee om de kerken en de kloosters te helpen beroven en te plunderen uit hebzucht voor buit en goud. Ja er waren zelfs van onze vrienden bij, goede christenen die het vuur van de ketters smaakten. En zo heeft men in Ieper menigvuldige vrouwen en mannen gezien waarvan men meende dat ze goede Roomse kinderen waren maar nu hun heug naar de wind hebben gehangen en hun geloof in de steek lieten om ketters te worden. Sommigen onder hen deden dit om hun eigendommen te behouden, anderen wilden als gereformeerden of concubienen meer overhouden en er waren er bij die een officie of ambt in de wacht wilden slepen. Zo kwam het dat we in veel mensen bedrogen werden en dat nooit van hem zou gedacht hebben dat ze de hele tijd hun geloof zo geveinsd hadden en zo onstandvastig geweest waren in de katholieke leer.

Bijlagen
Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door geschiedenis.vlaanderen om 08:37 Reageer op dit bericht

Dagboek van Augustijn (1572-1579)

Zondag 19 november 2017.

Toch al een tijd geleden dat ik nog eens de geboorte van een nieuwe kroniek kon aankondigen. Dat is vandaag eindelijk het geval. Het schrijven van 'Dagboek van Augustijn (1572-1579)' heeft me meer dan twee maand werk gekost, maar staat nu eindelijk online voor de geïnteresseerden. De nieuwe kroniek is met zijn 114 bladzijden een behoorlijke kluif om te lezen. Je kan er naartoe via volgende link naar http://www.dekronieken.com/P1573100.html.

Het werk is gebaseerd op 'Nederlandsche Historie' van Augustijn van Hernighem die dag na dag het leven in Ieper en de Westhoek omschrijft tussen de jaren 1562 en 1583. Ik probeer dat dagboek te transformeren tot een eigentijdse tekst, het drieluik 'Dagboek van Augustijn'. Deel 1 en 2 zijn nu afgewerkt waardoor ik al aanbeland ben op het einde van 1579. Begin 2018 vat ik het derde deel aan. Het is best een pittige opdracht, maar dat is wel mijn dada.

Voor de volgende maand vertrek ik naar Oostende waar ik de lokale geschiedenis herschrijf op basis van een boek van 1792 geschreven door Jacobus Bowens. Ik ben er al twee dagen mee bezig en begin stilaan een beetje mijn draai te vinden. Elke nieuwe kroniek vergt toch wel iedere keer wat aanpassingen. Na de kroniek van Oostende verhuis ik dan naar Lo waar ik de geschiedenis van Lo ga schrijven op basis van een stapel handschriften, alweer iets totaal anders. Zo weten jullie wat er nog voor de rest van 2017 op mijn programma staat. Zoals gezegd begin ik 2018 dan weer met het derde deel van 'Dagboek van Augustijn'.

Uiteraard blijf ik verder actief met mijn dagelijkse blog op 'www.dekroniekenvandewesthoek.be' .

Bijlagen
Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door geschiedenis.vlaanderen om 07:14 Reageer op dit bericht

Meer van De Kronieken van de Westhoek

↑ Terug naar de berichten