Daar zat je tussen al die mensen, oneigenlijk mooi was je, het was of jij alleen bestond. Zullen we om haar loten zeiden mijn vrienden, mij uit mijn droom halend, ook zij hadden je opgemerkt. Willen we loten voor haar? Ik trok aan t langste eind! Gelukkig maar, zo vroeg ik je voor de eerste maal ten dans.
Ik durfde je bijna niet aan te raken, zo lief, zo zacht was je. Ik had mijn hand op je schouder, je zijdezachte haren beroerde mijn vingers. Liefde stroomde binnen, als een vloed, niet te houden. Ik keek in je ogen, waar was ik nu? Waarom herinner me dit moment, nu meer dan vijftig jaar geleden.
Ook jij dronk aan de beker van de liefde en leefde in een roes. Niemand was er nog, niemand bestond, wij alleen. De warmte van je lichaam drong tot me door, onze geest werd één. Ik vroeg je naam het was de naam van een wolvin, een naam van trouw, van zorgzaamheid.
We verstrengelde innig met elkaar, je wang lag tegen de mijne aan, muziek was deze er nog?
Tijd verstreek als een wervelwind, opeens moest je naar huis. Ik vond geen woorden om afscheid te nemen, ik vond niet de woorden om je mijn liefde te verklaren.Waarom vroeg ik niet waar je woonde, waarom liet ik je vertrekken.
Nooit heb ik je nog teruggezien liefste fee, heb jj ook zon pijn?
Zeer vroeg in de morgen, we wandelen reeds kilometers onder de statige eikenbomen door het heerlijke bos. Nachtegalen heffen hun majesteuse lied aan; Kleine vogels concerteren hoog in de toppen van de bomen. Reeën kijken ons aan met hun grote ogen vanuit de diepte van het bos.
Na uren wandelen stoten we op een heerlijk paradijselijk open plek in het bos met een kristalheldere vijver. Aan de rand hiervan rusten we uit op een omgevallen boom. Plots een schaduwvlek, een reiger strijkt geruisloos neer aan de rand van de vijver, hij merkt ons niet op. Als een standbeeld wacht hij op zijn prooi. Plots slaat hij toe al een bliksemschicht, een kikker hangt in zijn bek en hij vertrekt klapwiekend over de vijver weg uit ons zicht.
Het wordt alsmaar warmer, het heldere koele water nodigt ons uit. Beide kleden we ons uit en hand in hand schrijden we in het water. We kijken in elkanders ogen en beseffen dat we godskinderen zijn. Zij glijdt al zwemmend met haar zijdegladde huid over me heen. Onbeschrijfelijke gevoelens overvallen me. Ik zwem voor haar uit naar de overkant van het water. Een heerlijk kort dicht grasveldje nodigt uit. Ik hijs haar uit het water op de oever. We vlijen ons naast elkaar neer op dit zachte bedje. Mijn hand beroerd haar door het koele water strakke borstje. Een trilling gaat door haar heen. We koesteren onze lijfjes in de warme zon. Ik pluk een grassprietje en geef het haar. Met elk een grassprietje in de mond turen we naar de blauwe lucht. Een bruine kiekendief bidt hoog boven ons, een tjiftjaf horen we slaan, een karekiet knarsen, een pimpelmees .
Een vlinder strijkt neer op haar schouder en drinkt aan de laatste druppel water. Een koekoek roept in de verte, gevolgd door een zacht gerommel, een kwartel waarschuwt ons voor het naderende onweer. Het is zwoel geworden, de krekels tsjirpen om het hardst. We lopen door het donkere bos, daar zien we een vervallen jagershut waar we kunnen schuilen. De regen horen we met rasse schreden naderbij komen. Daar is hij!! Met stromen valt hij voor ons neer, het water klatert in kleine beekjes naar beneden door de mossige bodem. Het vogelgezang is verstomd, in de verte horen we enkele koeienbellen van onrustige dieren. Een zeer zware donderslag scheurt boven ons open door de lucht. Ze rilt! Ik trek mijn shirt uit en leg deze over haar, mijn arm sla ik om haar heen.
De regen verdwijnt plotseling, een merel zet de toon . Vanuit onze schuilplaats zien we hoe de warme bodem de regen oplost tot waterdamp. We keren terug langs de heerlijk ruikende weiden naar de voorstad. Een leeuwerik klimt omhoog en zingt zijn heerlijk bruidslied, we kijken naar elkaar In de verte horen we spelende kinderstemmen door de open ramen met op de achtergrond het geroezemoes van volwassen stemmen.
Moe, maar gelukkig komen we aan op ons plekje, een bankje tussen ritselende toverhazelaars. In de wind is het alsof een zachte piano een concert speelt van Schubert. Vuurvliegjes dansen voor ons hun ballet.
Ik moet afscheid van haar nemen haar hand glijdt uit de mijne, haar ogen zijn helder mooi, maar vochtig. Ik draai me om, kijk in de pikdonkere nacht, kijk naar boven. De melkweg boven mij schittert alsof het grootste vuurwerk ooit. Venus gloeit rood op in het oosten. Dank je voor de heerlijke dag