Ieder mens moet op bepaalde momenten in zijn leven met iemand kunnen praten over wat er in hem omgaat. Kunnen spreken over wat je bezighoudt, is soms levensnoodzakelijk. Maar is er iemand die kan luisteren? Die je laat uitspreken, zonder meteen te oordelen, te zeggen wat je moet doen? Die wat je hem vertelt voor zich houdt, en het je niet achterna draagt? (A. Vanesse)
Er zijn mensen die zo goed kunnen luisteren dat ze, zonder een woord te zeggen, maken dat je je beter voelt. Luisteren is leven gevend. Luisteren betekent tijd en aandacht geven. De therapeut in elk van ons ontwaakt. Echt luisteren is een kunst, maar iedereen kan er meester in worden. En luisteren opent de deur naar veel soorten schoonheid: Als de ziele luistert, spreekt het al een taal dat leeft, zei Guido Gezelle. Stil worden basisvoorwaarde voor het luisteren dreigt nochtans samen met de stilte verloren te gaan.. Of met de woorden van P. Petersen: In onze luidruchtige en haastige maatschappij, gedreven door de informatica-explosie en onder de dictatuur van de communicatiemedia, wordt een echt gesprek, in de stilte van het luisteren, van aangezicht tot aangezicht, een zeldzaam geschenk.
Van luisteren leer je meer dan van praten. Je leert mekaar, de wereld van de ander, de andere dimensie van een realiteit kennen. Echt luisteren is hard werken. Het gebeurt in stilte, maar is actief. Luisteren betekent dat je je voor de ander en voor zijn verhaal openstelt. Je wereld wordt verruimd met die van de ander.Luisteren kan conflicten voorkomen. En dat geldt evengoed voor generatieconflicten als voor burenruzies, relatietwisten of godsdienstoorlogen. Kortom, luisteren is het begin van elke vredelievende oplossing, omdat je al luisterend het verhaal van de ander leert begrijpen. En iedereen heeft toch relaties. Kwalitatieve relaties bouwen, veronderstelt dus leren luisteren. Of is het leren zwijgen?
Woorden hebben een betekenis is de achterliggende idee bij ons jaarthema rond woorden wisselen. Echt betekenis zullen ze echter slechts hebben als ze authentiek zijn en dit veronderstelt dat de woorden vrij en met overtuiging werden uitgesproken. Het leek ons daarom goed een artikel te brengen onder de titel Het Woord is Vrij en wij dachten dat we dit niet beter konden laten uitwerken dan door een denker uit de vrijzinnige wereld. Moge dit tezelfdertijd een uitdaging zijn voor jullie allen, misschien een aanleiding tot gesprek in de groep.
Auteur is Jean Paul Van Bendegem. Hij werd geboren te Gent in 1953. Hij is een leerling van wijlen prof. Apostel en nu hoogleraar filosofie aan de VUB te Brussel. Hij doceert logica en wetenschapsfilosofie. Hij is codirecteur van het Centrum Leo Apostel en bestudeert onder andere de relatie tussen wetenschap, religie en maatschappij.
HET WOORD IS VRIJ WAT VALT ER TE ZEGGEN?
Jean Paul Van Bendegem Vrije Universiteit Brussel
Inleiding
In de voorbije periode, met name maart 2006, is er heel wat te doen geweest over het moeilijke thema van de vrije meningsuiting. De aanleiding, zoals bekend, was een reeks cartoons, van bedenkelijke kwaliteit wil ik er meteen aan toevoegen, waar de spot werd gedreven met de Islam, meer bepaald met Allah en Mohammed. Velen oordeelden dat dit zonder probleem moest kunnen, dat dat precies aantoont wat een democratie waard is, enzoverder. Anderen deelden deze visie niet en waren diep beledigd en gekwetst en stuurden aan op een verbod om spottende opmerkingen te maken over religieuze materies. Ik heb mij niet echt gemengd in het debat. Een klein opiniestukje is mijn voornaamste bijdrage geweest en de heftige respons die ik daarop kreeg, was een duidelijk teken dat de situatie ernstig was. Er werd meer gescholden, ge- en vervloekt dan een redelijke discussie gevoerd. Nu is het mij niet daarom te doen, maar eerder om de vraag of vrije meningsuiting met de zaak iets te maken heeft. Wat ik in deze korte bijdrage wil proberen is, ten eerste, de zaak tot op zekere hoogte af te bakenen, ten tweede, een paar woorden te besteden aan het probleem van de grijze zone, ten derde, het belang van de context aan te geven en, ten vierde, even kort stil te staan bij de macht en kracht van het woord.
Is er zoiets als absolute vrije meningsuiting?
Vaak wordt de uitdrukking vrije meningsuiting gebruikt waar ze helemaal niet van toepassing is. Laat ik een klassiek voorbeeld geven: in een afgeladen volle schouwburg zonder enige aanleiding Brand! roepen is onaanvaardbaar. Zij die hiermee niet akkoord gaan, beroepen zich op het uiten van een mening. Maar wordt hier daadwerkelijk een mening geuit? Het antwoord lijkt, wat mij betreft, neen te moeten zijn. Een mening veronderstelt toch meer. Je spreekt iets uit dat betrekking heeft op een situatie, een persoon, een toestand, noem maar op, en je geeft iets aan met betrekking tot dat onderwerp. Het gaat dus in eerste instantie om een beschrijvend iets. Koning Albert II zou beter aftreden ten voordele van zijn zoon is een mening, in de supermarkt vragen aan de kassa hoeveel de eieren kosten vandaag is geen mening. Een opiniestuk in een weekblad zoals Knack is een voorbeeld van meningsuiting, jouw garagist beschuldigen dat hij jou heeft opgelicht bij het herstellen van jouw wagen, is dat niet. Met deze afbakening in het achterhoofd vind ik het al een eerste discussie waard om uit te maken of met de fameuze cartoons eigenlijk wel een mening werd verkondigd. Als op straat iemand tegen jou aanloopt en je roept naar die persoon Onnozelaar!!, dan heb je geen mening geuit, je hebt jou gewoon kwaad gemaakt en een hoop energie uit jouw lichaam laten ontsnappen. Het zou teveel eer zijn om één niet zo verstandig gekozen woord tot een mening te verklaren. Daarom lijkt het mij bijzonder zinvol om de problematiek van vrije meningsuiting gescheiden te houden van een reeks meer dan bedenkelijke tekeningen. Een tweede discussiepunt is uit te maken, wanneer we ons daadwerkelijk in een situatie bevinden waarin iemand een mening te kennen geeft, of er al niet grenzen zijn aan wat gezegd kan worden. De verdedigers van de zogenaamde absolute vrije meningsuiting zullen zeggen dat er geen grenzen zijn, zelfs niet mogen zijn. Maar onze rechtspraak voorziet dat iemand iemand anders niet ongestraft kan beledigen of uitschelden. Smaad en laster kunnen vervolgd worden en, om eerlijk te zijn, ik vind dat een bijzonder goede zaak. Let wel, je wordt niet verhinderd om iemand te beschuldigen van de meest vreselijke zaken, maar je riskeert gerechtelijke vervolging. Een verdediger van absolute vrijheid kan oordelen dat een veroordeling nu éénmaal deel uitmaakt van deze vrijheid en zodoende kan die het absolute karakter blijven volhouden. Waar het om gaat, is dat je de mogelijkheid hebt om de zaak bij te sturen ofwel door de feiten correct weer te geven ofwel door de persoon die jou heeft beledigd te ontmoedigen dit in de toekomst te herhalen. Zeker in de huidige periode waar het Internet een haast niet te controleren informatiewildgroei kent, wil ik het in geen geval als vrije meningsuiting beschouwen wanneer een winkelier een lijst van zijn slecht betalende klanten op de eigen website plaatst, wat zich recent heeft voorgedaan. Kortom, in principe kan misschien alles wel gezegd worden, maar je doet het niet zonder risico. Er kan maatschappelijk opgetreden worden, wat mij meteen naar de tweede topic brengt: wanneer wel, wanneer niet?
De grijze zone en de eeuwige discussie
De verleiding is ongelofelijk groot om de zaak op te lossen door preventief op te treden, door bijvoorbeeld in een wetsvoorstel nu reeds vast te leggen wat er allemaal als beledigend en smadelijk kan beschouwd worden. Op zich is er niet meteen iets mis met een dergelijke strategie, maar je ziet de problemen zo op jou afkomen. Ofwel krijg je een te gedetailleerde opsomming die precies ruimte zal laten voor onopgemerkte mogelijkheden. Voorbeeld ter illustratie: stel dat de wet zou vastleggen dat religieuze figuren niet door mensen mogen uitgebeeld worden (omdat dit bijvoorbeeld zou getuigen van weinig respect tegenover de levensbeschouwing in kwestie), dan, indien ik een kwaadaardig persoon zou zijn die toch zoekt om mensen te beledigen, zou ik religieuze figuren door dieren laten uitbeelden. De wet in kwestie zegt daar namelijk niets over. Ik weet wel, een rechtbank zal verdedigen dat, als je het voor mensen niet toelaat, dan a fortiori niet voor dieren. Maar dan zijn we toch weer aanbeland in een situatie waarin de tekst moet geïnterpreteerd worden. Ofwel zal de omschrijving eerder aan de vage kant zijn en dan zeker staan we voor het probleem van interpretatie. Men zal telkens gedwongen zijn uit te zoeken of de omschrijving al of niet van toepassing is op een gegeven zaak. Denk even terug aan het relletje met de bekende schrijver Herman Brusselmans in zijn boek Uitgeverij Guggenheimer, waarin hij een paar BVs op een uiterst beledigende manier beschrijft. Zelfs geen poging om de namen weg te laten, iedere lezer weet over wie het gaat. Moet men zich beledigd voelen? De passage is een onderdeel van een roman, een fictief verhaal, dus welke waarheidswaarde hebben de uitspraken die daar staan? Laat dit nog onschuldig zijn, maar met de Duivelsverzen van Salman Rushdie ging het over een zaak van leven en dood. Hoe dan ook, er rijst een probleem van interpretatie. Hoewel, misschien is het beter om hier niet te spreken van een probleem, integendeel, het toont één van de sterkste kanten van een democratische samenleving, namelijk de bereidheid om over situaties, naargelang ze zich aandienen, na te denken. Om niet meteen terug te vallen op Zo deden we het vroeger, zo zullen we het blijven doen, maar om te checken of de maatschappij zelf evolueert in de richting van meer openheid, meer tolerantie, meer respect, Ooit (om precies te zijn in 1960!) is in het Verenigd Koninkrijk een proces gevoerd om uit te maken of Lady Chatterleys Lover van D. H. Lawrence een pornografisch werk is of niet en al of niet verboden dient te worden. Vandaag behoort dit werk tot de wereldliteratuur en zal het als een literair-erotisch werk van grote kwaliteit beschouwd worden. Maar tegelijk zien we vandaag een hoop mensen struikelen over een affiche waarop een jonge vrouw met kind wordt afgebeeld als Maria én met een borst bloot (wat mij iconografisch volkomen correct lijkt); ik bedoel hier de affiche van het toneelstuk Onze-Lieve-Vrouw van Vlaanderen van Chokri en Zouzou Ben Chikha. Mij lijkt deze interpretatieruimte werkelijk noodzakelijk omdat het de ruimte laat om maatschappelijke ontwikkelingen als het ware zichtbaar te maken. Je ziet waar mensen grenzen trekken, waarmee je eventueel akkoord kunt gaan, maar evenzeer waarmee je een ongemak kunt hebben. Ontegensprekelijk is er in onze westerse maatschappijen een verschuiving gaande waarbij de grenzen soms zo strak worden vastgelegd dat velen onder ons een lichte ademnood beginnen te voelen. Maar zolang ik daar mijn mening mag over geven, is de zaak in orde en zal ik, indien nodig, mij verdedigen in de rechtbank. We zullen een discussie voeren en dat is altijd goed.
Een mening die niemand hoort is geen mening
Met deze licht provocatieve titel wil ik graag het volgende aspect even kort belichten. Er bestaat een, naar mijn mening, onjuiste invulling van het concept van vrije meningsuiting, namelijk de gedachte dat iedereen, waar en wanneer hij of zij dat wil, zijn of haar mening naar voren moet kunnen brengen. Waarom vind ik dit onjuist? Laat ik een vergelijking maken. Denk aan Speakers Corner in Hyde Park in Londen. Iedereen kan daar op een zeepkist gaan staan en (doorgaans) zijn mening ventileren. En wat zie je? Mensen, dan nog in de eerste plaats toeristen, komen er naartoe op dezelfde wijze waarop ze een zoo bezoeken. Ze komen kijken naar vreemde dieren. Wat er gezegd wordt, is van geen enkel belang, men komt er zich vermaken. Dit beschouw ik niet als een uiting van vrije meningsuiting. Er moet meer zijn. Er moet een omgeving (bij gebrek aan een betere term) zijn waarin een mening wordt geuit zodanig dat die mening ook een (al of niet bedoeld) publiek weet te bereiken. Dat kan uiterst bescheiden zijn, denken we bijvoorbeeld aan de ingestuurde lezersbrief naar krant of weekblad. Het kan ook meer zijn, denken we bijvoorbeeld aan de journalisten in pers en op televisie. Dit laatste heeft echter een zeer belangrijk gevolg. Kanalen zoals de pers en televisie zijn sterk uitgebouwde sociale organisaties die, om te overleven, financieel de kop boven water moeten houden. Dit brengt onvermijdelijk beperkingen met zich mee; het eenvoudigste voorbeeld is het weigeren om bepaalde teksten te publiceren of beelden te laten zien indien een goed betalende sponsor hierdoor zou kunnen afhaken. Indien de sponsor, wat meestal zo is, een bedrijf is, dan heeft die geen boodschap aan vrije meningsuiting en dus kunnen dergelijke sociaal-economische netwerken verantwoordelijk zijn voor een beperking van de vrije meningsuiting. Is er trouwens een mooier voorbeeld te bedenken dan de fameuze cartoons? Ze waren al een paar maand gepubliceerd en pas wanneer ze werden verspreid op grote schaal in de islamitische wereld was het hek echt van de dam. Niet eerder. Deze vormen van structureel ingebouwde censuur vind ik honderd keer ernstiger en gevaarlijker voor een democratie dan processen die in het maatschappelijke voetlicht op het podium en niet in de coulissen worden uitgevochten (dit laatste woord is heel erg metaforisch bedoeld!). Er wordt naar mijn aanvoelen veel te weinig aandacht besteed aan deze kwestie. Omdat het dateert uit de jaren zestig van vorige eeuw, ik bedoel dus 1967, is het in de archieven verdwenen, maar ik kan iedereen aanbevelen om Marshall McLuhans The Medium is the Message ter hand te nemen. Zeer verhelderend en helaas nog niets ingeboet aan actualiteit.
Sticks and stones may break my bones,
Het vervolg van dit klassieke Engelse vers is but words will never hurt me. En dat is een laatste punt waar ik kort een paar woorden over kwijt wil. Al te vaak hoor je mensen zeggen dat een mening uiten, welke die ook is, zonder beperking moet kunnen omdat het toch alleen maar woorden zijn. Waarmee wordt gesuggereerd dat woorden geen schadelijke effecten zouden hebben. Er is evident een verschil tussen een fysieke aanval waarbij je lichamelijke schade kunt oplopen en iemand die bijvoorbeeld beledigende uitspraken doet. Blijkbaar zou het verschil moeten zijn dat het één pijn veroorzaakt en het andere niet. Wat ik een bijzonder vreemd idee vind. Want, als we onze mening geven, is het dan niet juist omdat we verwachten dat onze woorden een effect zullen hebben, al was het maar om de ander wakker te schudden, eventueel te irriteren zodat die iets antwoordt waardoor een discussie mogelijk wordt? We willen toch dat naar ons geluisterd wordt? En niet dat iemand na ons aanhoord te hebben enkel zou antwoorden: Ach, wat een leuke mening. Gegeven dat woorden effect kunnen hebben, dan is het van groot belang uit te maken welke effecten zich in welke omstandigheden kunnen voordoen. Het is één zaak om een kerk of moskee binnen te lopen en het aan gang zijnde ritueel te verstoren door luidkeels zijn of haar mening te verkondigen, het is een totaal andere zaak indien deze scène zich afspeelt op een toneelpodium als onderdeel van een toneelstuk. Als in het eerste scenario wordt geroepen: Alle gelovigen zijn idioten!, dan is er een reëel risico dat de persoon die dit zegt wordt gelyncht door de massa, maar in het tweede geval niet noodzakelijk. Men dient dus na te gaan waar, wanneer en in welke omstandigheden een bepaalde mening wordt geuit. Wat kan in één situatie, hoeft niet per se te kunnen in een andere situatie, een punt dat heel vaak uit het oog wordt verloren. De kwestie kan dus niet zijn: Deze mening mag zonder meer vrij verkondigd worden, maar Deze mening in deze omstandigheden kan vrij verkondigd worden. Het vraagt meer aandacht en reflectie om uit te maken of het uiten van een mening gepast is of niet. Wat mij tot de conclusie brengt van deze paar overwegingen.
Wat valt er inderdaad te zeggen?
Als ik de zaak bruut mag samenvatten, wie vrije meningsuiting zegt, zegt tegelijkertijd, wat mij betreft, ook verantwoordelijkheid. Het vrij uiten van een mening is alles behalve een gratuite zaak, het is een bedachte daad, een weloverwogen handeling, waarvoor men in een aantal gevallen door de maatschappij ter verantwoording kan geroepen worden. Woorden zijn machtig, laat daar geen twijfel over bestaan: een verhaal kan boeien, een gedicht kan ontroeren, een pamflet kan opruien, een filosofisch traktaat kan verheldering en inzicht brengen, Er dient dus zeer zorgvuldig met het woord omgesprongen te worden. Hiermee kan ik de ondertitel van deze korte tekst toelichten en besluiten. Het is mijn persoonlijke mening, die ik hier vrij mag uiten, dat, indien het spreken wordt voorafgegaan door een afwegen of er wel iets te zeggen valt, er veel meer stilte zou zijn dan nu het geval is. Waar men vandaag vaak beweert dat een mening wordt geuit, hoor ik alleen maar lawaai. Niet dat we moeten zwijgen, zeker niet, want daarvoor heeft de Duitse dominee Martin Niemöller ons gewaarschuwd:
Toen ze de communisten kwamen halen heb ik niets gezegd, ik was geen communist. Toen ze de vakbondsleden kwamen halen heb ik niets gezegd, ik was geen vakbondslid. Toen ze de joden kwamen halen heb ik niets gezegd, ik was geen jood. Toen ze de katholieken kwamen halen heb ik niets gezegd, ik was geen katholiek. Toen kwamen ze mij halen, en er was niemand meer om iets te zeggen.
Taal is een te wonderlijk en te krachtig instrument om er slordig mee om te springen.
Enkele suggesties bij de verwerking
1 Vind je dat er zoiets bestaat als een absolute vrije meningsuiting?
2 Hoe belangrijk zijn de omstandigheden waarin een mening geuit wordt?
3 Wat versta je onder de grijze zone van de interpretatie?
4 Ken je bepaalde voorbeelden van de kracht van woorden?
5 Hoe begrijp je de waarschuwing van de Duitse dominee Martin Niemöller?
(uit de maandbrief van de Gezinsgroepen - april-mei 2006)
Als we van onszelf proberen te houden zoals we zijn, met onze goede kanten en ook onze gebreken, dan maken we het onszelf en ook de andere mensen die met ons leven al een stukgemakkelijker.
Dat is voor velen niet zo eenvoudig.
Alles hoeft niet te blijven zoals het nu is. Wij kunnen onszelf veranderen.
Het heeft geen zin ons te verzetten tegen dingen waar wij niets aan kunnen doen. Dat zijn omstandigheden buiten ons bereik. Alle strijd daartegen is verspilde tijd en energie.
Er zijn andere dingen die ons niet zinnen, en waar we wel iets aan kunnen doen.
Veel ergernis kunnen we omzetten in daden. We hebben zoveel mogelijkheden.
Als we ons verplaatsen in iemand die we moeilijk vinden, als we proberen te begrijpen waarom mensen of situaties zo zijn, dan worden we milder.
Als we met veel liefde in ons hart naar de wereld kijken, dan kunnen we het bijzondere in iedereen en alles gaan zien, iets goeds in elke mens ontdekken, ook in die mens waar wij ons niet goed bij voelen.
Wij kunnen zeker veranderen.
Zij, door onze liefdevolle houding, misschien ook!
(vrij uit HBvL Editoriaal AA Nieuwslijn oktober 2006)
Een vrouw vertelde me dat haar zoontje een tijdlang naar huis kwam van school met de boodschap: "Mama, de juf in de klas houdt niet van mij". Dit bleef zo doorgaan. Wat de moeder ook probeerde, ze kon niet op het spoor komen waar het fout zat. In de feiten leek alles prima.
Maar op een avond kwam haar kind stralend thuis. "Mama, nu weet ik dat de juf me wel graag ziet!" Waarop de moeder vroeg: "Hoezo?" "Toen ik vandaag mijn hand opstak, heeft de juf naar mij gekeken en mij gevraagd om te antwoorden."
Aandacht was de sleutel. Oogcontact. iemand die je aanspreekt, naar je luistert, je ziet en je mening belangrijk vindt. Plots voel je dat je van tel bent, dat je er toe doet, dat je er bij bent. Je bent niet langer een deel van de massa. Je wordt eruit opgetild. Je wordt 'bijzonder'. Iemand. Je weet je gewaardeerd of zelfs bemind.
'Aandacht' is in al haar subtiliteit een uiting van liefde, een vorm van strelen.
Aandacht is de sleutel. Oogcontact. Iemand die je opmerkt, die je aanspreekt. Aandacht is het verschil tussen verwaarloosd en (graag) gezien worden.
Een man en zijn zoon lopen in het bos. Plotseling struikelt de jongen en - omdat hij een scherpe pijn voelt - roept hij: "Ahhhhh."
Verrast hoort hij een stem vanuit de bergen roepen: "Ahhhhh!"
Vol nieuwsgierigheid roept hij: "Wie ben jij?", maar het enige antwoord dat hij terugkrijgt is: "Wie ben jij?"
Hij wordt kwaad en roept: "Jij bent een lafaard!", waarop de stem antwoordt: "Jij bent een lafaard!"
Daarop kijkt de jongen naar zijn vader en vraagt: "Papa, wat gebeurt hier?"
De man antwoordt: "Zoon, let op!", en roept vervolgens: "Ik bewonder jou!"
De stem antwoordt: "Ik bewonder jou!"
De vader roept: "Jij bent prachtig!", en de stem antwoordt: "Jij bent prachtig!"
De jongen is verbaasd, maar begrijpt nog steeds niet wat er aan de hand is.
Daarop legt de vader uit: "De mensen noemen dit een 'ECHO', maar in feite is dit het 'LEVEN'! Het leven geeft je altijd terug wat jij erin binnenbrengt. Het leven is een spiegel van jouw handelingen. Als je meer liefde wilt, geef dan meer liefde! Wil je meer vriendelijkheid, geef dan meer vriendelijkheid! Als je begrip en respect wenst, geef dan begrip en respect. Wil je dat mensen geduldig en respectvol met je omgaan, geef hen dan geduld en respect! Deze natuurwet gaat op voor elk aspect van ons leven."
Het leven geeft je altijd terug wat jij erin binnenbrengt. Het leven is geen toeval, maar een spiegel van jouw eigen handelingen.
Op 20 februari 2006 hadden we met onze GGG een bijeenkomst rond het thema 'Bidden' gelinkt aan 'Geloven in God'. Om wat inspiratie op te doen was ik Google eens gaan raadplegen. Als je Google vraagt 'hoe kan ik tot god bidden'... dan krijg je 286000 antwoorden. Het eerste 'http://www.dsts.nl/interview%20MK%20met%20Steenhuis.htm' levert al volgende zinvolle tekst op.
TROUW: 7 december 2005 Serie: de persoonlijke god
God is dood. Allang. Zeggen ze. Neemt niet weg dat we stiekem blijven geloven. Want we kunnen niet anders. Daarom hebben we God herdoopt tot Mysterie. Tot Geheim. Tot Iets. Alleen de persoonlijke God, die lijkt dood te blijven. Wat betekent dit? Gesprek naar aanleiding van stellingen. Vandaag aflevering 5: theologe Manuela Kalsky
Wind onder de vleugels
Stelling:
Zonder persoonlijke God is vloeken hooguit je hart luchten
,,Ik heb geen behoefte om te vloeken. En al helemaal niet tegen God. Er is namelijk voor mij geen God die de wereld van buitenaf bestiert en verantwoordelijk gehouden kan worden voor mijn eigen tekortkomingen of voor ellende die mij overkomt. Als kind vond ik het prettig te ervaren dat er een God was die me s nachts een paar engeltjes zond als ik daar om bad. Ik voelde me geborgen en met zorg omgeven, maar ik heb me nooit afgevraagd of deze God een persoon was.
Wat was Hij dan?
,,In elk geval was Hij geen straffende God, geen God die je moest vrezen. Ik had ook niet het Godsbeeld van Michelangelo, een oude man met witte baard, zwevend in de hemel. God was God en die was er gewoon. Mijn ouders werkten beiden in onze kruidenierszaak en ik ben mede opgevoed door een tante.
Zij was zeer gelovig en bracht mij bij dat God een zorgzame en ondersteunende kracht in je leven is, die troost biedt op de momenten dat je leven niet verloopt zoals je hoopt. Elke keer als ik het lied You Are the Wind Beneath My Wings van de zangeres Bette Midler hoor, denk ik: zo is God.
Een vuur dat je in de nacht de weg wijst, een wolk die overdag voor je uit trekt, de wind onder je vleugels die je laat vliegen.
Die God is geen persoon.
,,Nee, en zeker geen uitsluitend mannelijke. De filosofe en theologe Mary Daly heeft ooit gezegd: If God is male, male is God. Daarmee legde zij de vanzelfsprekende verbinding tussen het mannelijke en het goddelijke bloot en de machtsfactoren die daarachter schuilgaan.
U bedoelt dat de taal de God maakt?
,,Ja. Als je God altijd HEER en Hij noemt, verbind je God eenzijdig met man-zijn. Hoe dominant dit godsbeeld is, werd tijdens de discussie over de vertaling van de godsnaam in de Nieuwe Bijbelvertaling weer duidelijk. Samen met andere supervisoren van de Nieuwe Bijbelvertaling heb ik ervoor gepleit een andere naam voor God te kiezen. Eentje die sekseneutraal is en die meer ruimte biedt aan de verscheidenheid van namen voor God. Een verscheidenheid die je ook in de bijbel vindt. Na een lange discussie heeft men uiteindelijk toch gekozen voor de HEER.
Daar wil men geen afstand van doen.
,,Daar kan men blijkbaar emotioneel geen afstand meer van doen.
Is dat erg?
,,Ja. De HEER is een gesneden beeld geworden. Willens en wetens overtreedt men daarmee het beeldverbod uit het eerste testament.
Wat te doen?
,,God is voor de mens een niet te begrijpen geheim. Misschien moeten we ons dat opnieuw herinneren. Laten we God in de toekomst met een sterretje schrijven, zodat iedereen weet: deze G*d is groter dan de namen die wij eraan geven.
U zou nog liever zien dat God Geheim wordt genoemd?
,,Ja, bijvoorbeeld. Alle beelden schieten tekort om God te omschrijven.
U kunt wel een persoonlijke relatie onderhouden met iets onpersoonlijks?
,,Geen enkel probleem.
Met een dier is een relatie te onderhouden maar met een ding.
,,Dit geheim is geen ding! De theoloog Paul Tillich (1886-1965) heeft God omschreven als de grond van het bestaan, als het geheim van het diepste van ons leven. In die omschrijving kan ik me goed vinden. God is een kracht die in de wereld is, maar er niet mee samenvalt.
Een dergelijke God hoef je nooit te vervloeken?
,,Nee. Die dragende kracht is niet verantwoordelijk voor wat er met mij in de wereld gebeurt. Hoe kan het dat uitgerekend ík een ziekte krijg, en een ander niet? Die vraag is misschien begrijpelijk maar niet te beantwoorden en dus zinloos.
Stelling:
Bidden tot een groot geheim is altijd een monoloog
,,Wat impliceert deze stelling? Dat een monoloog slecht is? Dat een monoloog niet recht in de leer is en niet mag?
Van mij mag alles.
,,In de christelijke traditie bid je tot God als een tegenover. Het gebed zou dan een dialoog zijn, omdat God op een of andere manier antwoordt. Maar de schreeuw, een woedeuitbarsting, een jammerklacht van een mens kan eveneens een gebed zijn. Ook de vormen van bidden zijn aan transformatie onderhevig. Ons godsbeeld, onze manier van kerk-zijn, en ook onze manier van bidden veranderen. Alleen dan zegt God mensen nog iets in deze tijd. Mij maakt het niet uit of je je gebed een monoloog of dialoog noemt. De vraag of en hoe mensen bidden vind ik interessanter.
Bidt u? En zo ja tot wie?
,,Ja, ik bid. Niet tot iemand. Ik kan bidden tot het geheim van ons bestaan. Mijn gebed is eerder meditatie.
Ik ken veel vrouwen voor wie hetzelfde geldt. Zij bidden niet meer tot een God de Vader. Dat beeld ligt voor hen in duigen. Zij zoeken naar nieuwe beelden voor God en bidden dan tot de Bron van Leven of de Heilige Wijsheid. Soms bidden vrouwen ook bewust tot vrouwelijke voorstellingen van God moeder, zuster, vriendin. Of ze bidden zonder woorden, omdat bijpassende beelden ontbreken.
Kun je bidden zonder woorden?
,,Ja. Door te zwijgen, door in stilte te zitten. Sommigen doen dat door middel van sacrale dans. De uitvoering van die dans kan een gebed zonder woorden zijn.
U bidt dansend?
,,Nee.
Hoe dan wel?
,,Ik bid in stilte.
Dan ben je toch voornamelijk aan het vechten tegen opdringerige gedachtes?
,,Nee, dat heb ik bij yoga afgeleerd. Bidden kan vertoeven zijn in een ruimte van God.
In een kerk?
,,Dat kan, maar hoeft niet. Ik bedoel nu de ruimte die jezelf maakt voor God. In de mystieke traditie bestaat deze gedachte al heel lang. En in die ruimte leg ik van alles voor aan
Aan?
,,Het geheim. Het gaat er niet om meer te willen begrijpen van dit geheim. Het gaat erom meer te weten te komen hoe mensen deze transcendente werkelijkheid ervaren. Welke rol speelt ze in hun leven, wat zien zij als heil en onheil en welke richting geeft dat aan hun leven?
Waarom zijn die vragen belangrijk?
,,Alles wat wij over God zeggen, zegt iets over de menselijke ervaring van God. Dat heeft de Duitse filosoof Schleiermacher al gezegd. Het gaat om de relatie die mensen tot dit geheim van het leven hebben en om het communiceren van deze ervaringen. Ook met mensen van andere religieuze tradities. Daarbij is het belangrijk de verscheidenheid aan voorstellingen van God toe te laten. Niet God beperken tot een eenzijdig mannelijk beeld, maar ruimte scheppen voor een veelheid aan beelden. Ik vind dat een verademing. Daarom zou ik aan deze stellingen de stelling willen toevoegen: Het zou een zegen zijn als God als persoon verdwijnt.
Peter Henk Steenhuis
Dr. Manuela Kalsky is theologe en directeur van het Dominicaans Studiecentrum voor Theologie en Samenleving te Nijmegen.
Samen kun je veel, zonder naam nog meer! Nooit eerder waren mensen zo afhankelijk van elkaar. Daar zijn ingewikkelde verklaringen voor, maar de conclusie is altijd deze: samenwerken is nog nooit zo hard nodig geweest als vandaag. De ervaring van Bond zonder Naam leert alvast dat samenwerken makkelijker wordt als je (merk)namen achterwege laat. Boodschap zonder Naam, de grote mediacampagne die het bedrijfsleven, de media en Bond zonder Naam samen lanceren deze maand, levert daarvan opnieuw het beste bewijs.
Dat we almaar meer afhankelijk worden van mekaar, weten bedrijfsleiders misschien beter dan wie ook. Op de bedrijfsvloer bedwingen strategen en specialisten concurrentie en globalisering. Maar in z'n eentje geraakt zo'n specialist helemaal nergens. Daar heeft hij de totaalvisie niet voor. De strateeg, van zijn kant, is net zo goed vleugellam zolang de specialisten geen concrete vorm geven aan zijn visie. Samenwerken is een must. De enkeling die denkt nog alleen iets neer te zetten, kan z'n droom beter opbergen of een team rond zich verzamelen. Alles zelf doen is onmogelijk geworden. Reden temeer om de hand uit te steken en projecten, van welke aard ook, bij voorbaat als een 'wij-gebeuren' op te vatten. In die zin schuilt in het 'zonder naam' van Bond zonder Naam een onvermoede kracht, een hefboom. Bond zonder Naam heeft nooit willen etaleren. Het ging en gaat niet om ons, de boodschapper. Het gaat om 'de boodschap' waarin wij geloven en om 'de mens' waarvoor wij ons inzetten.
Boodschap zonder Naam
Die grondgedachte - een anonieme bijdrage leveren aan een gemeenschappelijke droom of opdracht - ligt nu ook aan de basis van de grote mediacampagne Boodschap zonder Naam. Met Boodschap zonder Naam geeft Vlaanderen een zeer krachtig signaal: als maatschappelijke sectoren het beste van zichzelf samenbrengen, naamloos en vrij van alle naijver, ontstaat een dynamiek die de hele samenleving voordeel biedt. Vlaanderen wordt meer 'wij'. Niemand gaat met het goede idee aan de haal, het goede idee wordt door iedereen gedragen. Bond zonder Naam neemt met de campagne nu ook z'n spreekplicht serieus: wat wij via onze werking op het spoor komen, geven wij via de campagne terug aan de samenleving. Uiteraard blijven we concrete mensen helpen. Maar nu durven we ook onze optimistische maatschappijvisie uitdragen. Zo wordt Bond zonder Naam een echte beweging die voor maatschappelijke verandering kan zorgen. In Boodschap zonder Naam geven de partners uit media en bedrijfsleven deze hefboom op een unieke manier mee vorm. Boodschap zonder Naam is een initiatief dat heel erg hoopvol stemt.
Vlaanderen wordt meer 'wij' Uit: BZN Info Nummer 1 . Januari 2006
Geef eens een compliment op een onverwacht moment
...Je hoeft dat niet noodzakelijk te doen met sprekende woorden, misschien komt het aarzelend en stuntelig, maar daarom niet minder gemeend. Al is een compliment geven nooit vanzelfsprekend, het mist zelden zijn effect. Wedden dat, als we 't met z'n allen proberen, de samenleving er vlug een tikje warmer en menselijker op wordt? De media - ook Kerk+Leven - en bedrijven scharen er zich achter.
Aankondiging uit Kerk en Leven nummer 40 - Wondelgem & Mariakerke
9 Oktober is een dag waar we reeds drie jaar naar uitkijken. Het resultaat van de werken is mooi. Wij zijn de leden van de Kerkraad dankbaar voor het initiatief dat zij namen voor de herstelling van de kerk onder de deskundige leiding van het Architectenbureau Bressers. Ook dankbaar voor de subsidies van de Stad Gent, de Provincie Oost-Vlaanderen en de Monumentenzorg van de Vlaamse Gemeenschap en voor hun deskundig toezicht. Mgr. Van Looy, bisschop van Gent, neemt de gelegenheid te baat om met ons te komen bidden tot de Heer, die we in dit gebouw vereren. De dienst begint om 15 uur met de verwelkoming door de Voorzitter van de Kerkraad. De geschiedenis van de kerk wordt vertolkt door de Heemkundige Kring van Wondelgem. Na de homilie door Mgr. Van Looy en de aanbidding ontvangen we de zegen met het H. Sacrament en willen we de parochie en onze gezinnen toewijden aan de H. Harten van Jezus en Maria. Na de bezichtiging van de buitenkant van de kerk bieden we een receptie aan in het parochiehuis.
Het houten hoofdaltaar stamt uit de 17de eeuw. Het deurtje, belegd met bladgoud, van het houten tabernakel stelt de ontmoeting van Jezus met de leerlingen van Emmaüs voor. Het schilderij daarboven dateert uit 1863, is van de hand van E. De Bruxelles en herneemt het motief van het tabernakel. Daarboven zien we het beeld van de H. Catharina, in wit geschilderd hout, vergezeld van twee engelen. De zes 18de-eeuwse kandelaars zijn van verzilverd en verguld hout. In het koorgestoelte zijn twee gedenkplaten aangebracht ter nagedachtenis van de pastoors Liedts ( 1798) en De Bruyne ( 1822).
In het zuidtransept staat het altaar gewijd aan Sint Markoen. Het schilderij uit de 18de eeuw stelt de heilige voor die zieken troost. De reliekhouder stamt uit 1752 en stelt de H. Markoen voor in zijn preekstoel. Tegenover het altaar staat de zitbank voor de gildebroeders van de confrérie van Sint-Markoen. Deze voor de Sint-Catharinagilde staat aan de noordzijde bij het altaar van Onze-Lieve-Vrouw. Het schilderij van de hand van E. De Bruxelles stelt O.L. Vrouw Bijstand der Christenen voor.
De altaren van de zijkapellen werden gemaakt van gotische grafstenen afkomstig uit de oude kerk. Het nieuwe hoofdaltaar dateert van 1966.
De eikenhouten communiebank uit 1867, van de hand van K. Van Biesbroeck, heeft een marmeren bovenblad en marmeren medaillons die de apostelen voorstellen.
De lambrisering is in eikenhout vervaardigd in de 19de eeuw.
Langs de zuidzijde staat een eikenhouten preekstoel vervaardigd in 1772 door Francis De Pré naar een ontwerp van Philippe Begijn, met voorstellingen van O. L. Vrouw, de H. Catharina en de H. Markoen.
De vier biechtstoelen dateren van ca. 1750 en bevatten boven in het middenvak bustes van Petrus, Maria Magdalena, de Goede herder en Johannes Nepomuk.
De geschilderd kruisweg werd midden de 19de eeuw vervaardigd in het atelier Vernot uit Kortrijk.
De rouwborden of obits verwijzen naar de adellijke families die in Wondelgem woonden of hun zomerverblijf hadden en hier begraven liggen. (Een klassieke schildvorm + natus wijzen op een man, een ovalen vorm + nata op een gehuwde vrouw en een ruitvorm + nata op een ongehuwde vrouw). Van sommigen kunnen we nog de monumentale grafzerken zien op het kerkhof rond de kerk.
Op het kerkhof staan een paar imposante grafmonumenten van de families de Ghellinck de Walle, de Kerckhove de Denterghem, de Hemptinne-de Kerckhove de Denterghem, de Turck de Kersbeeck-Goethals, du Ry-van Steelant, Lummerzheim. Aan de noordzijde ligt ook de begraafplaats van de Franciscanen rond een groot kruis met wit marmeren Christusbeeld. Aan de zuidzijde staan verschillende pastoorsgraven.
Aan de ingang van de kerk staat het grafmonument van drie oorlogsslachtoffers, gefusilleerd in Rieme in 1942 nl. Paul Eykens, Leon Van Cauwenberghe en Jacques Pissens.Rondom het kerkhof is er nog de ommegang van Sint Catharina en Sint Markoen. De zeven steles bevatten gepolychromeerde terra-cotta reliëfs in een nis binnen een arduinen omlijsting. Bovenaan staan scènes uit het leven van Catharina afgebeeld en onderaan uit dat van Markoen.
Uit: Vroonstalle. Jaarboek van de Heemkundige en Historische Kring van Wondelgem, 1998, pp. 3-15.
De oorspronkelijke voorgevel bevat het wapenschild met de leuze respice finem (hou het einddoel voor ogen) van bisschop Filips van der Noot die de kerk op 7 augustus 1707 plechtig inwijdde. Boven de gebeeldhouwde eiken toegangsdeur uit 1687 staat een replica van het beeld van de patroonheilige van de parochie. Het oorspronkelijke beschilderde houten beeld staat nu, mooi gerestaureerd, in de gewezen doopkapel. De heilige Catharina is voorgesteld met een palmtak, zwaard en gebroken rad als tekenen van haar martelaarschap.
Tegen de noord- en zuidzijde van de kerk zien we enkele oude grafplaten van notabelen of rijke families en van enkele pastoors van Wondelgem, o.a. Petrus Coene, pastoor tot 1855, daarnaast deze van Henri Van Hyfte, koster, overleden in 1788; aan het vagevuur bevindt zich deze van Jan De Meyer, kerkmeester, overleden 1788, van Karel Van Schuerbeke, koster, overleden in 1681, verder nog van Thomas De Bruyne, pastoor, overleden in 1822 en van Willem Sandyck, eveneens pastoor, overleden in 1845.
De kerk binnen geeft een ruime en heldere indruk, opgefleurd door de kleuren van grote gebrandschilderde glasramen daterend uit het begin van de 20ste eeuw, in het koor en op het doksaal. Boven zien we de H. Clara van Assisi die met het H. Sacrament in de hand de Saracenen belet haar klooster te teisteren. In het noordtransept wordt de marteling van de H. Catharina voorgesteld nadat ze in discussie ging met hooggeleerde wijsgeren. Aan de zuidkant een glasraam met de H. Lodewijk, koning van Frankrijk en de H. Joris. In het hoogkoor zien we de voorstelling van O. L. Heer- Hemelvaart en de kroning van O. L. Vrouw.
(uit: Vroonstalle; Jaarboek van de Heemkundige en Historische Kring van Wondelgem, 1998, pp. 3-15) wordt vervolgd...
De huidige kerk van Wondelgem is niet de oorspronkelijke parochiekerk. Het centrum van Wondelgem met zijn kapel lagen ter hoogte van het Van Beverenplein en maakte deel uit van de bezittingen die de Sint-Baafsabdij in de 7de eeuw verwierf. De kapel, toegewijd aan de heilige Catharina van Alexandrië, werd in de twaalfde eeuw opgetrokken en viel onder het gezag van Ekkergem. In 1200 werd de kapel tot parochiekerk verheven door Stefaan, bisschop van Doornik, tot wiens bisdom Wondelgem behoorde tot de oprichting in 1559 van het bisdom Gent. Hoe het kerkje er ongeveer uitzag zien we op de figuratieve kaart van Viglius, gemaakt in 1576, waar deze wordt afgebeeld met een scherpe toren. Onder het Calvinistische bewind in het laatste kwart van de 16de eeuw, had Wondelgem zwaar te lijden. Een eeuw later werd de parochie door de Franse troepen geteisterd en de kerk geplunderd en beschadigd. In 1683 besliste de Gentse bisschop, Albert de Hornes, een nieuwe kerk te bouwen op de Stallendries, nu Vroonstalledries. Deze plaats had het voordeel dat het buiten de jurisdictie van de stad Gent viel maar wel binnen zijn eigen rechtsgebied, vermits de bisschop van Gent tevens graaf van Evergem was. Zo had de bisschop zowel de geestelijke als de wereldlijke rechtspraak in handen.
De bouwmeesters Gillis Broeckaert, metser, en Filips Baude, steenkapper, werden belast met de bouw van de huidige kerk die voltooid werd in 1687. De kosten van de bouw liepen hoog op, nl. 1397 ponden grooten Vlaams. Teneinde de kosten te dekken werd overgegaan tot de verkoop van parochiale eigendommen. Het éénbeukige kerkgebouw, met toren op het Oosten, is opgetrokken uit zand- en baksteen, in een sobere barokstijl. De rode steenkleur wordt gebroken door witte steunbogen en schoormuren. Bij de renovatie van de buitenzijde is gebleken dat het gebouw wellicht geverfd was in een rode kleur, zoals de pastorij nu. Op het bedevaartvaantje van Sint Markoen uit 1770 kunnen we zien dat de nieuwe kerk kleiner was dan het huidige gebouw. In 1820 werd de kerk beschadigd door een blikseminslag. In 1852 werd de gevel hersteld. In 1903 werd de kerk met 4 traveeën verlengd en werden er twee zijkapellen toegevoegd. Door deze ingreep is de verhouding tussen toren en schip enigszins zoek geraakt. In 1969 gebeurden er grote herstellingswerken en in 1987 werd onze parochiekerk geklasseerd als historisch monument. Vandaag, oktober 2005, zien we het prachtige resultaat van een grondige opknapbeurt.
(uit: Vroonstalle; Jaarboek van de Heemkundige en Historische Kring van Wondelgem, 1998, pp. 3-15) wordt vervolgd...