Gelukkig zijn... Droom van ieder mens... Op eigen golflengte en langs beschikbare kanalen Zendt elk van ons Zijn droom het leven in Zoekend heeft KATHLEEN getracht Haar droom in beeld te brengen Laat nu herinnering zijn Een beeld om blijvend naar te kijken En mocht zij De hemel van haar dromen vinden
ENKEL RUST
een witte vogel snijdt de zwarte winterlucht zoekt hij het felle lentelicht gebroken vlucht
en ik die dacht dat ik voortreffelijk kon vliegen en ledigen de luchten van hun tegenstand ik laat wat schaduw achter ontredderd en verbijsterd in mijn vleugels zweef ik waarheen weet iedereen behalve ik
en donker zingt mijn bloed van heimwee zwaar doorwogen ik zeil langs regenbogen gods stilte tegemoet
nu is dit allemaal voorbij de liefde en de aardse nood nu is er enkel nog de dood
Telkens gaat de nacht het licht verdrijven en telkens weer die onrust in zijn ziel door duisternis en stilte die hem overviel door vragen over 't godsbestaan die hem beklijven de nieuwe mens, durft nauwelijks vragen stellen hém geleerd, dat god nooit heeft bestaan maar in het donker even voor het slapen gaan ligt hij alleen en met de twijfels die hem kwellen dààr is geen nieuwe god die d' oude komt vervangen er is alleen de stilte en de vraag naar 't godsbestaan en hoe j' er zonder dwang mee om kan gaan wellicht groeit zo vanzelf dat godsverlangen,,, want God noch godsverlangen laat zich dwingen het komt vanzelf door mensen om je heen door 't zalige gevoel van nooit alleen de weg te gaan, zonder iets op te dringen!
Een bekende spreker haalde bij het begin van zijn conferentie een briefje van 50 euro boven en toonde het aan het publiek in de zaal. Hij vroeg: "Wie wil dat hebben?" Iedereen stak zijn hand op.
Daarna verfrommelde hij dat briefje en toonde het opnieuw aan het publiek met dezelfde vraag: "Wie wil dit briefje?" Opnieuw stak iedereen zijn hand op.
Daarna gooide hij het briefje op de grond en vertrappelde het met zijn voeten. Hij toonde dat vertrapte briefje opnieuw aan de mensen en vroeg: "Wie wil dit briefje nog?" Opnieuw stak iedereen de hand op.
Hierop vroeg hij: "Als dit briefje voor jullie nu nog even begerenswaardig is, wat moet een mens, die hetzelfde doormaakt, dan niet zijn in de ogen van degenen die hem graag zien?"
(Editoriaal van 'AA NIEUWSLIJN' oktober 2009- uit HBvL 'even bezinnen')
Is het jou al opgevallen dat uitzonderlijk getalenteerde mensen het leven vaak moeilijk aankunnen? Er is de druk om zich elke dag te bewijzen, bijzonder te zijn en de massa te ontstijgen.
Dat levert in t beste geval een staande ovatie, maar soms ook een leven op pepmiddelen of drugs. Velen kunnen de effecten van steeds bijzonder-
moeten-zijn niet aan. Daarnaast is het even tragisch dat we te midden zon flashy wereld het gewone uit het oog dreigen te verliezen.
We leven in een kickcultuur.
Het voortdurend verleiden tot hypes en superlatieven kan niet enkel mensen, maar ook een cultuur schaden.
Niemand van ons moet beantwoorden aan welke eis ook van de reclame om gelukkig te worden. Net zoals lopen om zijn idool te evenaren.
Het wonder en de kracht van de eenvoud.
Wat vind jij van de reis die een eenvoudig koffieboontje aflegt om jou s morgens die geurige tas koffie aan te bieden? Of van de bakker die al 50 jaar trouw elke morgen jouw brood bakt? Of van die moeder weduwe
die in alle stilte 6 kinderen grootbrengt en daarbovenop nog een job heeft?
Of is dit niet bijzonder? Wonderen zijn het!
Elke gewone mens is tegelijk een unieke mens waarvan
we het wonder niet zien. Jezelf zijn is dus de opdracht,
De nachten leken eindeloos 'k Was rusteloos en radeloos Ik kon de slaap niet vinden! 't Was storm in mij, mijn hoofd op hol Draaid' als een tol Ik vocht me naar de morgen Na lang gewacht, verdween de nacht En licht viel op mijn klamme laken 'k Was vechtensmoe, ik stond alleen Maar wist niet hoe Ik door de dag zou raken De drang was groot 'k Vroeg: help mij vriend, Diezelfde fouten niet te maken Alweer een dag zonder dat gif Dat mij ten gronde richtte En dat mij dag aan dag verplichtte, Anders als mens te zijn, Dan van mij werd verwacht Ik hoopte op de kracht Die ik wou vinden Tesamen met mijn vrienden Ik noem hen Hogere macht!
Deze tekst werd geschreven door Jo als reactie bij 'WEES KALM'
De tijd staat stil, geen uren meer de vreugde en de hoop is weer de angsten zijn verleden de stilte heeft mij overmand want mijn gedachten zijn gestrand alleen bij "heden"! Want gisteren is heen en morgen zegt, wie weet, het leven misschien "neen"! Als rondom mij de stilte is gevallen dan hoor ik "dingen" zingen lijkt alles broos en eindeloos dan raakt mij 't zwijgen van de nacht tot in mijn diepste vezels dan wordt mijn lichaam enkel ziel de plek waar stilte wacht! Mijn angst ebt weg wanneer ik zeg: "ja" tegen de stilte. Wanneer mijn tijd geen uur meer heeft wanneer mijn grens geen muur meer kent wanneer mijn ziel aan rust gewent wanneer er vrede in mij leeft pas dan is plaats voor STILTE!
Deze tekst werd geschreven door Jo als reactie bij onderstaande tekst 'LUISTEREN'
vandaag er ' is ' alleen vandaag want gisteren ' was ' en morgen 'zal ', God weet... voor ons een open vraag want gisteren is overleden en wat er ons nog rest vandaag zijn enkel de ervaringen, ons hopelijk, ten bate van ons toekomst bijgebleven dan zal ook zij misschien, wie weet weer hoop in zich verbergen als je geen grootse plannen smeedt en met héél veel geduld je dagelijkse plicht vervult dan komt er zin in 't leven en enkel zo, zal je VANDAAG jezélf weer toekomst geven.
Met dank aan Jo met deze reactie op onderstaand artikel.
Er zijn elke week twee dagen, waarover we ons geen zorgen behoeven te maken. Twee dagen, die we eigenlijk zonder zorgen en angst moeten kunnen doorbrengen. Eén van deze twee dagen is GISTEREN met al zijn fouten en zorgen, zijn geestelijke en lichamelijke pijnen. Dat GISTEREN hebben we niet meer onder controle. Al het geld van de wereld is niet in staat om GISTEREN weer terug te brengen, we kunnen geen enkel ding, wat we hebben gedaan, ongedaan maken. Wij kunnen geen enkel woord, wat we gezegd hebben, terugnemen. GISTEREN is voorbij! De andere dag, waarover we ons geen zorgen zouden moeten maken is MORGEN met alle mogelijke gevaren, moeilijkheden, beloftes en misschien minder goede prestaties hebben we ook niet onder onze directe controle. MORGEN zal de zon opgaan, misschien bij een heldere hemel, maar mogelijk ook verborgen achter de wolken. Eén ding staat echter vast: ze zal opgaan! En tot dat ze opgaat willen wij ons over MORGEN géén zorgen maken, omdat MORGEN nog niet geboren is. Dan blijft er nog maar één dag over: VANDAAG! Ieder mens kan alleen maar de zorgen van één dag aan. Dat we het soms niet meer aankunnen, komt alleen omdat jij en ik de last van twee verschrikkelijke eeuwigheden - GISTEREN en MORGEN - op onze nek willen nemen. Het is niet de ervaring van VANDAAG, die de mensen gek maakt, het is spijt en de verbittering voor iets, wat GISTEREN is gebeurd of de angst, voor het geen, wat MORGEN weer zal brengen.
VANDAAG IS HET DE MORGEN, WAAROVER WIJ ONS GISTEREN ZORGEN HEBBEN GEMAAKT!
Toen ik dit verhaaltje las...vond ik het zo mooi...en zo waar.....dat ik dit jullie niet wou onthouden.... Er was eens...
(een Italiaans verhaal)
Er was eens een koppel met een zoon van 12 jaar, en een ezeltje. Ze besloten op reis te gaan om de wereld te ontdekken. Ze vertrokken alledrie, samen met hun ezel.
Toen ze in het eerste land aankwamen, hoorden ze de mensen zeggen : 'Kijk eens naar dat slecht opgevoede jongetje. Hij zit op de ezel, terwijl zijn arme ouders, die al oud zijn, de ezel moeten trekken' Toen zei de vrouw tegen haar man: 'Wij kunnen niet toelaten dat de mensen zo slecht spreken over onze zoon.' Haar man liet het jongetje van de ezel komen en hij ging er zelf op zitten.
Toen ze in het tweede land aankwamen, fluisterden de mensen: 'Kijk naar die schaamteloze kerel. Hij laat het jongetje en de arme vrouw de ezel trekken, terwijl hij op zijn gemakje op de rug van de ezel zit.' Toen besloten ze samen dat de vrouw op de ezel zou gaan zitten terwijl vader en zoon de teugels vasthielden om de ezel mee te trekken.
In het derde land aangekomen, hoorden ze de mensen zeggen: 'Arme man. Nadat hij een hele dag gewerkt heeft, zit zijn vrouw op de ezel. En het arme kind... wie weet wat hem nog te wachten staat met zo een moeder.' Toen besloten ze dat ze alledrie op de ezel zouden gaan zitten om zo hun tocht verder te zetten.
In het volgende land aangekomen, luisterden ze naar wat de mensen hier te zeggen hadden: 'Maar dat zijn beesten ! Ze zijn méér beest dan de ezel die hen draagt. Ze zullen die ezel zijn rug breken!' Toen besloten ze alledrie van de ezel af te komen en gewoon samen met de ezel verder te stappen. Maar in het volgende land konden ze hun oren niet geloven toen de mensen hen uitlachten en zegden: 'Kijk eens naar die drie idioten. Ze gaan te voet, terwijl ze een ezel hebben die hen kan dragen.
Besluit
Men zal je altijd kunnen bekritiseren en slecht spreken over jou, geloof niet klakkeloos wat iemand vertelt...
Dus:
Leef zoals je gelooft dat je moet leven. Doe wat je hart je zegt... dus wat je zelf wil. Het leven is een toneelstuk waar we niet hebben kunnen voor repeteren. Zing, lach, dans en bemin en beleef elk moment van je leven zo intens mogelijk, vóór het doek valt en het toneelstuk eindigt zonder applaus. (Charlie Chaplin)
Ze waren met z'n drieën: Iedereen, Iemand en Niemand. Op een dag moest er iets belangrijks gedaan worden. Iedereen dacht natuurlijk dat Iemand het wel zou doen. En hoewel Iedereen er toe in staat was, deed Niemand het. Zo kwam het dat Iedereen boos werd. Het was toch de taak van Iedereen, en nu had Niemand het gedaan. Iedereen dacht dat toch wel Iemand het had kunnen doen, maar Niemand had zich gerealiseerd dat niet Iedereen het wilde doen. Aan het einde van de zaak beschuldigde Iedereen Iemand, omdat Niemand deed wat Iedereen had moeten doen.
Kom we zijn weg. En Hij voer met hen het meer over naar een eenzame plek om daar alleen te zijn en wat uit te rusten... Zo staat het ongeveer in Mc 6, 31-32 Jezus voorstel om vakantie te nemen is heel bescheiden. Alsof Hij wilde zeggen: verwacht daar nu ook niet alles van. Vakantie is geen wonderrecept dat plotseling alles herstelt en alles geneest. Vakantie is maar de valies, alles hangt ervan af: wat steek je erin? In die korte evangelie-anekdote ligt een blauwdruk van vakantie: -Kom we zijn weg! De zorgen, de drukte en de eentonigheid van het alledaagse werk achter zich laten. -Een andere plek opzoeken: vertrouwd of onbekend, maar altijd splinternieuw, nog nooit op die manier gezien. -Geen mierenkolonie van mensen waar iedereen weer niemand is, maar een plek waar je de ander al van heel ver ziet aankomen. Om daar alleen te zijn en de ruimte te vinden om er voor elkaar te zijn in een verhaal zonder woorden. Kom we zijn weg, zegt Jezus, Vakantie is een tijd om ook eens dicht bij Mij te zijn.
Deken Flor Brondeel: 'Binnen de tien jaar zie ik wel tot tien kerken verdwijnen'
GENT - 'Van de dertig cultusplaatsen in Gent zullen er binnen de tien jaar toch zeker vijf tot tien verdwijnen', verwacht deken Flor Brondeel. Toch zijn hij en pastoor Geert Cattrysse, die in zijn eentje vier parochies bedient, voor hun gevoel niet bezig met iets wat ten einde loopt - integendeel.
Samen bedienen ze zeven parochies met in totaal zo'n 35.000 zielen. Flor Brondeel (63) is deken voor 24 parochies in de zone 9000 en pastoor van de Sint-Michielskerk, Sint-Niklaaskerk en Sint-Baafskathedraal. Geert Cattrysse (49) is actief in drie parochies op de Brugsepoort (Sint-Jan-Baptist, Sint-Theresia, Malem) en Sint-Martinus Ekkergem.
'Dat er, zoals het weekblad Tertio schrijft, op termijn zal moeten worden gesnoeid in het aantal parochies, is wellicht onvermijdelijk. Toch staan we er in Gent nog niet zo slecht voor. De gemiddelde leeftijd van onze priesters ligt rond de 60 jaar. Bovendien hebben we nog altijd 13 priesters voor 24 parochies en krijgen we nog hulp van onderpastoors', zegt Flor Brondeel.
Hoewel ze allebei verscheidene parochies hebben, dragen Brondeel en Cattrysse paradoxaal genoeg minder missen op dan in het begin van hun carrière. 'Toen ik onderpastoor was, waren het er soms drie per dag', zegt Cattrysse. 'Dat doe ik nu niet meer.'
Maar dat betekent niet dat ze nu minder uren bezig zijn met hun priesterschap dan vroeger, zeggen Brondeel en Cattrysse. 'Ik begin de dag vaak met een mis om acht uur en meestal blijf ik bezig tot 23 uur 's avonds', zegt Brondeel. 'Pastoraal werk is zo veel meer dan de vieringen alleen', vult Cattrysse aan. 'Op de Brugsepoort hebben wij bijvoorbeeld een sociale dienst, we proberen sociaal zwakkeren rustpunten te geven in de stad... Je blijft bezig - en als priester werk je zeven dagen op zeven. Al probeer ik wel om op zondagavond of maandag toch een rustpunt in te bouwen, zodat de weken niet in elkaar overlopen. Ik wil kunnen herbeginnen.'
Biechten zoals vroeger, gebeurt niet meer. 'Wel hebben we in de vasten en de advent verzoeningdiensten. Maar bij sacramenten als de doop, het vormsel of het huwelijk zien we de mensen wel nog komen. We werken daarvoor ook samen met leken, bijvoorbeeld voor de doopcatechese.'
Brondeel schat dat hij jaarlijks nog een 40 kinderen doopt, voor Cattrysse zijn er dat een 60-tal. 'Een keer per maand probeer ik een doopweekend te organiseren - we bundelen een aantal dopen, al probeer ik om het persoonlijk te houden het wel te houden bij maximaal drie dopelingen per viering.'
Cattrysse probeert zijn parochies ook meer en meer samen te laten werken. 'Zo organiseer ik het laatste weekend van de maand één gemeenschappelijke eucharistieviering voor alle drie de parochies van de Brugsepoort. Dat is soms wat moeilijk voor de mensen: je schaft iets af. Maar er komt ook iets in de plaats. Het geeft ruimte om de dienst extra te omkaderen. Met een bijbelgesprek voor de viering, bijvoorbeeld. Of met een koffie erna. Ik vind het trouwens ook een verrijking dat ik naast mijn drie Brugsepoort-parochies ook de wijk Ekkergem heb. Dat zijn twee verschillende culturen. Maar mijn parochianen van Ekkergem zeggen vaak dat ze het aangenaam vinden om af en toe eens met de mensen van de Brugsepoort samen te komen. De gemiddelde leeftijd is daar een stuk lager. En je hebt er al die verschillende culturen... Ik heb dit jaar al meer Slowaken gedoopt, dan Belgen.'
Een andere manier om om te gaan met het slinkende aantal priesters en parochianen, is om de verschillende kerken te diversifiëren, zegt Brondeel. 'In het centrum zijn we daar jaren geleden al mee begonnen: de Sint-Baafskathedraal is de bisschoppelijke kerk, de Sint-Niklaaskerk is een stadskerk en wordt ook gebruikt voor culturele evenementen en de Sint-Michielskerk is de eigenlijke parochiekerk. Nu hebben we Sint-Antonius als de multiculturele kerk, hebben de jongerengroepen hun stek op Sint-Pieters-Buiten en ontwikkeld Sint-Macharius zich tot de kerk van de mensen die op zoek gaan naar zin, die wat dieper willen graven.'
Met al die evoluties, zien Brondeel en Cattrysse zich niet als vertegenwoordigers van een kerk die op zijn laatste benen loopt. 'We moeten niet blind zijn voor het feit dat het aantal priesters slinkt. Maar de kerk heeft nog een toekomst. Zeker in de stad. De vernieuwing zal van hieruit komen. En dan is het misschien op termijn moeilijk om alle kerken open te houden, maar ook dan moeten we goed nadenken wat we ermee doen. Ik merk dat de roep van een aantal jaren geleden, om kerken te veranderen in concertzalen of musea, is afgenomen. De meeste mensen - ook niet-gelovigen - willen dat de kerken kerken blijven.'
In tijden van onduidelijkheid en toenemende onveiligheidsgevoelens is de neiging groot om een beetje weg te kruipen voor de grote, beangstigende wereld. Als het stormt, moet je niet met de armen zwaaiend in je bootje rechtop gaan staan. Het is dan beter om rustig te blijven zitten tot de storm wat gaat liggen. En dus wachten we af en kiezen we voor de veiligheid van het vertrouwde.
Wie iets wil bereiken, moet nochtans uit zijn stoel komen. Iets ondernemen. Niet bij de pakken blijven zitten, zoals dat heet. En ja, dat brengt risicos met zich mee. Maar ook de kans op het vinden van onvermoede schoonheid.
Voor wie er voor kiest, is het leven één grote, creatieve onderneming. Een avontuur vol mogelijkheden. Wie stilletjes aan de kant blijft uit angst voor de risicos, overleeft misschien, maar leeft niet echt.
Loskomen uit de veilige omgeving van de begane paden en zich wagen vraagt moed. Op weg gaan, ja. Maar welke richting uit? BZN maakt beleidsplannen, bedrijven businessplannen. Hoe zit het met het plan voor je leven? Je plan voor 2008? Wat wil je dit jaar bereiken? Wat wil je veranderen? Waar wil je eind december staan?
Vreemd dat we voor het allerbelangrijkste ons leven zelden de vraag stellen: wat wil ik bereiken? Leven we of worden we geleefd? Een zware vraag, maar wel dé vraag om aan het begin van het jaar eens te stellen. Wie staat aan het roer? Kiezen wij of wordt er voor ons gekozen? Bepaalt de tv onze vrijetijdsbesteding? Bepaalt de reclame wat we kopen? Bepaalt de mode hoe we ons kleden?
Ons leven is niets anders dan een aaneenschakeling van keuzes. Pogingen om voor onszelf een weg uit te stippelen. Liefst een weg die in de richting gaat die we kiezen. Het gaat dus over kiezen. Uit je zetel komen, een plan maken, kiezen en er voor gaan om gaandedeweg aan te komen.
BZN wenst je voor 2008 een boeiende tocht vol persoonlijke, moedige en creatieve keuzes. Een tocht waarbij we graag een heel jaar je gezel zijn.
Een scheppingsverhaal van de Tembé-Indianen (Brazilië)
In lang vervlogen dagen, toen de aarde pas geschapen was, hing de hemel véél lager dan nu. Hij hing zó laag boven de grond, dat de vogels wanneer ze van de aarde opvlogen er ieder ogenblik met hun koppen tegen stootten. De grote gier die met zijn machtige vleugels de meeste ruimte nodig had om te kunnen vliegen, stootte er zelfs zo vaak en hard met zijn kop tegenaan, dat hij er nu nog altijd een kale kop van heeft overgehouden.
Op het laatst begon dit de vogels knap te vervelen en ze belegden een vergadering om een middel te vinden hieraan een eind te maken. Na lange besprekingen kwamen ze tenslotte overeen, dat ze met z'n allen tegelijk zouden opvliegen en op die manier proberen de hemel wat hoger op te heffen. Op de afgesproken dag kwamen al de vogels van de wereld op een groot veld bijeen om de zware karwei op te knappen. Het was een gepiep en getjilp, een gekras en gekrijs dat horen en zien je verging en het was een prachtig gezicht daar al die vogels met hun veren in alle kleuren van de regenboog bij elkaar te zien.
Toen de koning der vogels, de grote bergadelaar, echter het sein wilde geven om te beginnen, bleek dat er nog één ontbrak: de vleermuis. In die dagen behoorde de vleermuis namelijk nog tot de vogels, maar evenals in onze tijd was hij ook toen al zó lui, dat hij de hele dag placht te verslapen, net zoals hij dat nu nog altijd doet. En ook op die bewuste dag, toen al de anderen zich gereed maakten om met vereende krachten te proberen de hemel wat omhoog te duwen, zat de vleermuis ergens in een beschut hoekje heerlijk te slapen. De overige vogels werden hier zó boos om, dat ze de luiaard uit hun midden verstootten, zodat hij tegenwoordig niet meer tot de vogels wordt gerekend. Bovendien veroordeelden ze de vleermuis om van dat ogenblik af als straf met zijn kop naar beneden te slapen. En zo is dat tegenwoordig nog, zoals iedereen weet die overdag in donkere hoekjes wel eens een slapende vleermuis heeft zien hangen.
De poging van de vogels om de hemel wat omhoog te duwen, gelukte en van toen af aan konden ze naar hartelust rondvliegen, zonder dat ze steeds met hun koppen tegen de hemelkoepel stootten. Maar ook toen was het nog niet goed. Immers: nu de hemel zo hoog boven de aarde hing, was het ook veel lichter op aarde geworden, zó licht, dat het zelfs nooit meer donker werd en iedereen dus overdag moest slapen. De Tembé-Indianen - die de eerste mensen op aarde zijn - vonden dat allesbehalve prettig, omdat ze met de hele dag felle zonneschijn geen oog dicht konden doen. Ze kwamen dan ook met z'n allen bij elkaar om op hun beurt te overleggen wat er gedaan moest worden om aan deze toestand een eind te maken.
Een scheppingsverhaal van de Tembé-Indianen (Brazilië)
(deel 2)
Toen kwam een oude Indiaan naar voren die zei, dat hij ver aan de rand van de horizon twee zwarte aarden kruiken had zien staan. Een grote en een kleine. De kruiken werden bewaakt door een oude Azang-demon, maar toen deze sliep, had hij even in de kruiken gekeken en gezien, dat het daar pikdonker in was. Ze moesten ongetwijfeld de nacht bevatten. Als men kans zou zien de nacht uit die kruiken te bevrijden, zou er eindelijk wel eens een eind komen aan dit eeuwigdurende daglicht en konden de mensen weer een behoorlijke nachtrust genieten.
De Tembé's besloten de wijze raad van de grijsaard op te volgen. Een aantal moedige jonge mannen trad naar voren en bood zich aan, om de gevaarlijke onderneming te volvoeren en de nacht uit de door de demon bewaakte kruiken te gaan bevrijden. Ze begaven zich op weg naar de rand van de horizon, waar ze in de verte inderdaad de demon bij de twee zwarte kruiken zagen zitten.
De mannen wachtten tot de demon in slaap was gevallen en slopen toen naderbij om met hun oor tegen de kruiken eens te luisteren, wat of er wel in zat. En daar hoorden ze uit de kruiken verschillende soorten nachtgeluiden opstijgen: het gegons en geritsel van vuurvliegjes, nachtvlinders en andere insecten der duisternis, de piepende roep van de nachtzwaluw, de ruisende vleugelslag van grote en kleine uilsoorten en de kreten van allerlei ander nachtgedierte.
De mannen waren toen overtuigd, dat de kruiken inderdaad de nacht bevatten. Ze slopen terug tot op een veilige afstand en schoten vandaar met hun pijlen de kleinste der beide kruiken in stukken. Als een dwarrelende zwarte wolk stegen al de dieren der duisternis uit de gebroken kruik omhoog en verspreidden zich over de omtrek. De mannen renden zo snel als hun benen hen konden dragen naar de woonplaatsen der Tembe's terug om de heugelijke tijding mee te delen, dat er voortaan weer een nacht op aarde zou zijn en de mensen weer een behoorlijke tijd zouden hebben om te slapen en krachten te verzamelen voor de volgende dag. En er heerste grote vreugde onder de mensen.
Een scheppingsverhaal van de Tembé-Indianen (Brazilië)
(deel 3)
Deze vreugde was echter van korte duur, want al spoedig bleek, dat er maar een klein gedeelte van de nacht op aarde was teruggekeerd. Weliswaar werd het nu even donker, maar de mensen hadden zich nog niet goed en wel op hun legersteden uitgestrekt, of de stralende zon verscheen al weer boven de gezichtseinder en maakte het ieder verder onmogelijk om nog een oog dicht te doen.
Wederom kwamen de Indianen bijeen voor een grote beraadslaging en men nam het besluit om ook de grootste der beide kruiken kapot te maken, aangezien die het gedeelte van de nacht bevatte, dat men nog te kort kwam om voldoende te kunnen uitslapen. Maar wie wilde zich met deze gevaarlijke onderneming belasten? De jonge mannen van de vorige keer durfden niet meer. Ze waren zó geschrokken van het dreigende voorkomen van de demon die ze bij de kruiken hadden zien zitten, dat ze het niet waagden de gevaarlijke tocht nog eens te ondernemen. Bovendien zou de demon die nu al één keer voor de gek was gehouden voortaan wel dubbel waakzaam zijn. Wat te doen? Tenslotte besloot men zich tot de vogels te wenden. Het was immers hun schuld, dat men in deze moeilijkheden was geraakt en nu moesten zij ook maar eens meehelpen om het door hen aangerichte kwaad weer uit de wereld te helpen.
De vogels hadden alle begrip voor de klachten van de mensen en wilden graag het hunne ertoe bijdragen, om de nacht weer in zijn volle lengte op aarde te doen weerkeren. Een paar kleine zangvogeltjes boden zich aan om de demon ongezien te besluipen en dan zó mooi te gaan zingen, dat hij op den duur wel in slaap moest vallen. Daarna zouden dan drie grote, sterke vogels - Arakwang, Jakoepewa en Oeroewawa - naar de grootste kruik sluipen en deze met hun sterke snavels in stukken pikken. Men toog de volgende dag - en omdat de nacht zo bitter kort was, was dat al heel gauw - meteen aan het werk. De kleine zangvogeltjes slopen stilletjes naderbij, verborgen zich in een holletje in de grond en begonnen toen zó mooi te zingen, dat de demon al het andere vergat en slechts met zijn hand de maat slaand zat te luisteren. De vogeltjes hieven nu nóg liefelijker en weemoediger wijsjes aan en de demon begon al gauw, door het zoete gezang in slaap gewiegd, te knikkebollen, waarna het niet zo lang meer duurde, of hij strekte zich naast de kruik op de grond uit en begon zwaar te snurken.
Nu was het de beurt aan Arakwang, Jakoepewa en Oeroewawa. De drie vogels naderden behoedzaam de grote zwarte kruik, gingen er met hun drieën om heen staan en begonnen toen tegelijk met volle kracht met hun sterke, scherpe snavels tegen de kruikwand te hameren. En nog vóórdat de slapende demon ontwaakte en goed en wel begreep wat er aan de hand was, viel ook de tweede kruik in scherven uiteen.
En daar steeg de rest van de nacht uit de gebroken kruik omhoog. Een dwarrelende zwarte wolk van nachtinsecten, nachtvogels en allerlei ander nachtgedierte verspreidde zich ver in het rond. Arakwang, Jakoepewa en Oeroewawa zetten het op een lopen zo hard als ze konden om de tevoorschijn brekende duisternis te ontlopen. Een van de vogels, Oeroewawa, struikelde echter over een liaan en werd door de nacht ingehaald. En van dat ogenblik af is Oeroewawa tot een nachtvogel geworden. Bij het vallen van de avond klinkt nu zijn klagende roep door de uitgestrekte wouden van Brazilië.
De mensen waren de vogels echter ten zeerste dankbaar, want voortaan daalde de nacht weer neer op aarde en hadden de mensen voldoende gelegenheid om te slapen en uit te rusten van de vermoeienissen van de dag.
Wat mensen voor elkaar betekenen wordt in formules uitgedrukt: een woord van trouw geldt eeuwig. Maar de maat waar wij mee meten kent meteen zijn eindigheid. Zo vergaat het ons als mensen die met jeugdigheid en overmoed een stap in de toekomst willen zetten.
Falen is ons altijd zeer nabij: waar halen wij de kracht vandaan om in een wereld die op zoek gaat naar het rolmodel van schoonheid en perfectie rouwend op de borst te slaan en handen open te gaan houden voor de toverwoorden van vergeving? Nooit heeft wanhoop 't laatste woord.
'Je kunt altijd opnieuw beginnen' zingt een lied van hoop en leven, maar de bron van deze diepe stroming is niet echt in ons te vinden. Steeds gedragen op een sterke hand in tijd van hoogte en van laagte - als een vader met zijn weerloos kind - zal 't woord van God vertrouwen brengen.
Jos
uit: 'Maandbrief van de Gezinsgroepen - febr.-maart 2007'
Lezing in Brugge op 21 oktober 2006 door Huub Oosterhuis
1 Als je vroeger katholiek was, zeventig, zestig, vijftig jaar geleden, en je kreeg een kindje, dan snelde je als vader de dag na de geboorte al naar de kerk om je schat te laten dopen; de moeder bleef in het kraambed waarom zon haast? Omdat je kind nu eenmaal met een zwartgevlekte ziel geboren was, met de erfzonde; en om kind van God te worden en in de hemel te kunnen komen, moest die vlek er afgewassen worden, daar was het sacrament van het doopsel voor. En omdat er van alles kon gebeuren met zon klein weerloos wezen, moest dat gauw. Daarom die haast. De protestanten werden natuurlijk ook met de erfzonde geboren, maar die gingen daar anders mee om dan de katholieken ik probeer het eenvoudig te houden. Erfzonde, geërfd van de eerste mens, stamvader Adam.
Hoe wísten de katholieken van zestig jaar geleden dat, van die erfzonde? Dat dachten ze van de bijbel te weten. Ooit, in de vijfde eeuw, heeft een groot vindingrijk denker - Augustinus heette hij een stukje bijbel gelezen, in een Latijnse vertaling: dat alle mensen geboren worden met de erfzonde. Die conclusie berustte op een verkeerde vertaling, om precies te zijn op twee verkeerd vertaalde woorden. Maar Augustinus ging de geschiedenis in als een gezaghebbend kerkvader, en zijn manier van bijbellezen is eeuwenlang de officiële geweest, die van bijna alle theologen, èn werkt door tot op vandaag.
2 Geluidloos kwam ik haar ziekenhuiskamer binnen, ze lag alleen in een hoog bed, mijn moeder. Het was eind van de middag in april 1962. Die morgen had mijn zusje die daar als verpleegster werkte, mij gebeld dat ze geopereerd was aan haar galblaas, hoge koorts had, erg onrustig was en af en toe ineens over de kinderen begon hoe zouden die het nu hebben, als ik nu maar wìst de kinderen waren de drie die tussen 1941 en 1946 in ons gezin geboren werden en enkele dagen na hun geboorte stierven, rhesus-kinderen, daar werd toen in Nederland nog niet van geweten, van de rhesusfactor. Na vier voorspoedig geboren kinderen, kreeg ze er nog drie en die gingen dood ongedoopt. Volgens de leer van de rooms-katholieke kerk in die dagen kwamen ongedoopte kinderen niet in de hemel, maar in het voorgeborchte waar ze God niet konden zien. Ik stelde me voor dat het van matglas was.
Die ongedoopte kinderen, dat spookte in haar. Ik studeerde toen theologie in Maastricht, ik nam de trein en geluidloos kwam ik haar kamer binnen en stond aan haar bed. Ze was verrast me te zien. Ik kom u iets vertellen over de kinderen, zei ik: de theologen hebben ontdekt dat er geen voorgeborchte bestaat, dat dachten ze vroeger. Ze keek me gespannen aan; de kinderen zijn gewoon in de hemel, zei ik. Ze begon te stralen, met tranen en al - weet je het zeker? Ja, zei ik zelden heb ik iets zo zeker geweten. Dan zijn het kleine engelen en kan ik tegen ze praten, en zal ik ze terugzien. Ja, zei ik, maar voorlopig nog niet. U moet eerst beter worden en nog lang leven. U zei ik toen nog. In een mum werd ze beter, en jonger. Toen vier jaar later mijn vader stierf, zei ze: Gelukkig heeft hij daar de kinderen. Wat een geloof, of liever: wat een onstuitbaar groot verlangen, over de afgrond van de dood heen.
Het Vaticaan heeft een paar weken geleden verklaard dat ongedoopte pasgeboren kinderen niet in het voorgeborchte zijn. Abraham en Mozes nog wel. De paus gaat er een brief over schrijven. Ik heb het er nooit met hem over gehad.
3 Hoe komt het, dat velen, katholieke christenen, vandaag hier, niet meer zo denken en als het om dopen gaat minder haast hebben, zodat de moeders er ook bij kunnen zijn? Dat komt, allereerst omdat er altijd andersdenkenden zijn geweest, de meesten zonder enige maatschappelijke macht, die de tegenstem gaande hebben gehouden. En vervolgens, omdat zich in de loop van de negentiende en twintigste eeuw, een andere manier van bijbellezen heeft ontwikkeld in diepgaand gesprek met joodse leermeesters, èn op grond van heel veel nieuwe kennis van de oorspronkelijke bijbeltekst èn van de oud-oosterse context, de cultuur, de maatschappelijke verhoudingen waarbinnen de bijbel is ontstaan. En dat komt, ten derde, omdat veel mensen, zeer veel mensen denk ik, door schade en schande en bittere oorlogservaringen, naar een ander verhaal, een andere theologie, een andere interpretatie van de bijbel zijn gaan verlangen.
Zo is het mogelijk geworden, voor zeer geleerde en doodgewone mensen, om anders te gaan denken, andere vragen te gaan stellen, scherper te gaan lezen en, bijvoorbeeld, te ontdekken dat het woord erfzonde nergens in de bijbel voorkomt en zelfs tegen het grote thema van de bijbel in gaat dat grote thema is: een vrij en gelukkig leven op aarde. Dat joodse boek, de Thora van Mozes en de Profeten en de psalmdichters, dat boek van Jezus en zijn volgelingen. Dat boek heeft niet alleen mijn leven gered en mijn uitzicht op de wereld veranderd het is ook voor vele geboren katholieken het kompas geworden van hun levensbeschouwing en hun religieuze gevoelens.
Door het lezen, zingen, overwegen, moeizaam bestuderen van TaBiblia, die ontzagwekkende bibliotheek, ben ik een andersdenkende geworden. In mijn jeugd was dat een respectvolle aanduiding van een protestant iemand die de bijbel las katholieken deden dat niet, die geloofden gelaten in het voorgeborchte. Ik ben van rooms-katholiek bijbels-katholiek geworden. In de boeken van de joodse bijbel wordt de Thora zelf, dat levende wegwijzende woord, beschreven, bezongen als de levensgezellin, de opperstalmeesteres en woordvoerster van Onze Lieve Heer. Een lieve vrouwe die namens Hem het woord doet, het woord tot óns richt, die ons geweten wakker houdt. Die ons de arme, zieke, noodlijdende, de ongewenste vreemdeling aanbeveelt, het kind dat asiel bij ons zoekt die ons hart en ons verstand aanvuurt omwille van al die vreemde gasten, die deel willen krijgen aan ons welvarende bestaan het is in de geest van deze onze lieve vrouwe dat wij hen niet gevangen zetten als zij bij ons aankloppen, dat wij hen niet criminaliseren, maar hen eren, dat betekent menswaardig behandelen, in leven houden, ja in leven.
Anders gaan denken, denken-en-voelen en vorm geven aan je leven: dat is een heel werk veel mensen die zeventig, zestig, vijftig jaar geleden gedoopt werden zijn er nog hartstochtelijk mee bezig: je moet van veel vooroordelen en dode woorden af, je moet nieuwe inzichten aandurven èn nieuwe melodieën het blijkt een levenswerk.
Veel oudere en jongere tijdgenoten hebben die andere, nieuwe manier van bijbellezen en geloven niet meegemaakt, soms niet aangedurfd. Ze zijn van het oude afgeraakt, afgevallen, en dat was dàt. Het nieuwe heeft hen niet bereikt, niet echt, niet blijvend; nóg niet misschien ... er zijn veel varianten.
4 Het meest verrassende dat die andere manier van bijbellezen mij onthuld, geleerd, geopenbaard heeft, is een nieuw inzicht in de Naam van God. God was, zeventig, zestig, vijftig jaar geleden, God was in grote delen van de wereld, en op de duizenden kansels van onze superieure West-Europese beschaving God was een almachtig opperwezen dat kinderen geboren liet worden met een zwartgevlekte ziel. God was ook een drievuldig mysterie vader, zoon en heilige geest je moest hem aanbidden, in kloosters van eeuwigdurende aanbidding, in vernedering en celibataire onthouding hij moest ook door kleine en grote offers worden verzoend, alsof hij boos en beledigd was. Die God was een homohater, en een jodenhater, en vond vrouwen tweederangswezens. Zo werd hij verkondigd. Maar je moest hem wel liefhebben, dat ook nog. En arm was arm en rijk was rijk, zo wàs het, en zo moest het blijven, natuurlijke orde, geschapen orde, godzalige orde. Mijn grootouders wisten niet beter.
Dit grimmige Godsverhaal, dat zoveel invloed heeft op onze menselijke verhoudingen, is niet voorbij in deze wereld. Nog geen van de christelijke kerken heeft zijn of haar theologie zo gezuiverd, zo opgeschoond, dat daarin het visioen van de messiaanse gemeente rondom Jezus en in zijn geest, opgelicht en geloofwaardig wordt, die ekklesia messiaanse gemeente - zoals zij in de oudste geschriften van de Jezusbeweging aan het woord komt, in de Handelingen der Apostelen, in de brieven van Paulus, in de vier evangeliën.
Een messiaanse gemeente is een gemeente rondom en vanuit de Messias. Wie is messias wat wil hij waar staat hij voor? Ik lees jullie een tekst voor uit het evangelie van Lukas:
'Zo kwam hij ook in Nazareth waar hij was opgegroeid en hij ging op de dag van de sabbat naar de synagoge zoals hij gewoon was en hij stond op om voor te lezen. En gegeven werd hem de boekrol van de profeet Jesaja, en deze openend vond hij de plaats waar geschreven staat: de geest van Adonai is over mij, hij heeft mij gezalfd om aan de armen het goede nieuws te brengen, mij uitgezonden heeft hij om tot gevangenen te roepen: bevrijding, tot blinden dat zij zullen zien, om onderdrukten te doen gaan in vrijheid, om uit te roepen het geliefde jaar van Adonai. Toen hij de boekrol gesloten had en teruggegeven aan de dienaar ging hij zitten. Allen in de synagoge hielden in gespannen aandacht hun ogen op hem gericht. Toen begon hij te spreken en zei tot hen: Vandaag zijn deze woorden die geschreven staan, in jullie oren vervuld.
Met het geliefde jaar van Adonai, dat Jezus van Nazaret uitroept in de synagoge van Nazaret, bedoelt hij wat in het derde boek van de Thora van Mozes, het boek Leviticus, het jubeljaar wordt genoemd: als jullie, na veertig jaar uittocht, in het land gekomen zijn, zal ieder vijftigste jaar een jubeljaar zijn: dan wordt op Grote Verzoendag op de joveel, de ramshoorn geblazen en begint een jaar van omkeer, van rust, van herstel: schulden worden kwijtgescholden en slaven vrijgelaten; er wordt een halt toegeroepen aan verarming en verrijking; er wordt op alle niveaus van de maatschappij orde op zaken gesteld en nieuw begin gemaakt. Heden is dit geschrevene vervuld in uw oren, zegt Jezus: van nu af zal het nieuw begin zijn, de tijd is vol, de maat is vol: er kan geen arme meer bij.
5 Messiaans is afgeleid van messias. Messiaans betekent: in de geest, in de stijl van de messias. Wat is een messias? In de joodse wereld van vóór het begin van onze jaartelling, vóór de geboorte van Jezus, werd binnen sommige politieke en religieuze milieus uitgezien naar een masjiach, een gezalfde, een figuur van koninklijke allure, die een nieuw maatschappelijk bestel zou vestigen; een samenleving waarin de grote woorden van de joodse godsdienst, van de Thora van Mozes en de Profeten, de grote woorden over gerechtigheid, tot dagelijkse werkelijkheid zouden worden. Een messias die, hoe koninklijk van herkomst en allure ook, zich gedragen zou als een dienstknecht. Dat nieuwe bestel, door Jezus het koninkrijk van God genoemd, zal wereldwijd zijn, over alle grenzen en scheidsmuren heen, en voor alle volkeren bestemd. Verlangen naar zon nieuwe orde van gerechtigheid wordt messiaans verlangen genoemd. In de oudste liturgie en geschriften van de beweging die later het christendom is gaan heten, werd Jezus van Nazaret gezien als masjiach-dienstknecht. Masjiach - in het Grieks christos, de messias-dienstknecht-partijganger der armen.
Tegen twee ambitieuze volgelingen die in een nieuwe wereldorde groot en belangrijk willen zijn, zegt Jezus: wie groot wil zijn, moet worden als een slaaf; wie de eerste wil zijn, moet de dienstknecht worden van allen. In een wereld waarin oorlogen gevoerd worden om de machtsposities van de bezitters te handhaven, moet de volgeling van Jezus de zijde kiezen van de bezitlozen, de slachtoffers van het onrecht. Hoe? Door af te zien van het najagen, verwerven en vermeerderen van staat en stand en bezit; door te kiezen voor een beroep, een baan (ook in de betekenis van weg), een functie, een carrière desnoods die hem of haar in staat stelt het lot van de armen te verbeteren. Partijgangers der armen worden betekent in deze neoliberale economische orde politiek engagement - daarvoor hoef je niet per se lid van een politieke partij te worden. Maar het mag wel dan moet je wel lid worden van een goeie politieke partij. Een goeie politieke partij behartigt de belangen van de armen.
Herken je die woorden van Jezus, in hun revolutionaire kracht, als tot jou persoonlijk gericht? Als je ze herkent als tot jou gericht, en ze wilt doen, dan weet je ook hóe je ze politiek vertalen moet, en hoe politiek het persoonlijke is. Je gaat merken hoe diep je in het heersende economische systeem bent ingegroeid, in de bestedings- en consumptiepatronen en het concurrentiedenken. Je probeert je aan die macht te ontworstelen, je probeert dat heersende economische systeem in je eigen denken en leefgewoonten te onderkennen en af te breken. Je gaat je tijd anders besteden, je wordt kritischer, bewuster; je schaamt je nu pas over wat je allemaal vanzelfsprekend vond. Je wordt rustelozer, maar misschien ook gelukkiger, doelgerichter. Je kunt je verheugen, als hier en daar onrecht wordt voorkomen of teruggedrongen - vroeger merkte je dat niet eens. En je bent bereid minder te verdienen en meer lasten te dragen, als dit ten goede komt aan de minstbedeelden. En je hebt voortdurend te maken met mensen die daartoe helemaal niet bereid zijn. En na jaren besef je dat je je verantwoordelijk bent gaan voelen voor een rechtvaardige economie, en je herinnert je misschien die geladen woorden van de joodse wijsgeer Emmanuel Levinas: In het feit dat de relatie tot het goddelijke via de relatie tot de mensen verloopt en met de sociale gerechtigheid samenvalt, ligt de hele geest van de joodse bijbel. Mozes en de Profeten bekommeren zich niet om de onsterfelijkheid van de ziel, maar om de arme, de weduwe, de wees en de vreemdeling. De relatie tot de mens, waarin het contact met het goddelijke zich voltrekt, is niet een soort geestelijke vriendschap, maar een rechtvaardige economie, waarvoor ieder mens ten volle verantwoordelijk is. Rechtvaardig betekent: gericht op de lotsverbetering van de allerarmste in de wereld.
6 Van 30 juli tot 12 augustus 2004 vond de Wereldalliantie van Reformatorische Kerken plaats in Accra, Ghana. Vierhonderd afgevaardigden uit heel de wereld kwamen tot een slotverklaring, waarin de volgende passages:
Het beleid van onbeperkte groei in geïndustrialiseerde landen en het winststreven van multinationale ondernemingen hebben de aarde geplunderd en het milieu ernstig geschaad. In 1989 verdween er iedere dag één biologische soort en in 2000 zelfs ieder uur. Klimaatverandering, de uitputting van visvoorraden, ontbossing, bodemerosie en de bedreiging van schoon water zijn slechts enkele van de verwoestende effecten. Gemeenschappen zijn ontwricht, bestaanszekerheid is verloren gegaan, kustgebieden en de Pacific eilanden worden bedreigd door overstromingen en stormen nemen toe. Hoge niveaus van radioactiviteit bedreigen gezondheid en milieu. Levensvormen en culturele kennis worden gepatenteerd voor financieel gewin.
Daarom verwerpen wij de huidige economische wereldorde die ons door het wereldwijde neoliberale kapitalisme wordt opgelegd en elk ander economisch systeem, waaronder absolute planeconomie, dat het verbond van God tart door de armen, de kwetsbaren en de hele schepping uit te sluiten van de volheid van leven.
Daarom verwerpen wij de cultuur van buitensporig consumentisme en wedijverende hebzucht en het egoïsme van de neoliberale wereldmarkt, en ieder ander systeem dat pretendeert dat er geen alternatief is.
Daarom verwerpen wij de ongereguleerde accumulatie van rijkdom en onbeperkte groei die al miljoenen levens heeft gekost en een groot deel van Gods schepping vernietigd heeft.
Daarom verwerpen wij iedere ideologie of economisch regiem dat winst boven mensen laat gaan, geen zorg draagt voor de hele schepping en dat de gaven van God, die bedoeld zijn voor iedereen, privatiseert. Wij verwerpen iedere leer die - in naam van het evangelie - diegenen rechtvaardigt die zon ideologie ondersteunen of zich er niet tegen verzetten.
We geloven dat God ons roept om aan de zijde te gaan staan van hen die slachtoffers zijn van onrecht
Remi Verwimp, van de Werkplaats voor Theologie en Maatschappij in Antwerpen, schreef naar aanleiding van de belijdenis van Accra: Wanneer zullen wij eindelijk met alle christenen de straat op gaan om deze belijdenis om te zetten in een publieke liturgie voor de Armen, de Arbeiders en de Aarde?
7 De grote historicus Johan Huizinga in 1935 publiceerde hij zijn boek In de schaduw en morgen. Wij leven zo begint dat boek in een bezeten wereld, en wij weten het. Aan het eind van zijn donkere analyse schrijft hij over een ontelbaar aantal mensen die de leugen geen toegang geven, en die niet vervallen tot levensmoeheid en doffe berusting. Een gemeente, noemt hij hen, over de hele wereld verspreid zij zijn niet verbonden door leuzen, zegt hij, ze zijn niet georganiseerd en meestal onbekenden van elkaar; maar zij ze zijn er wel en voormen een onzichtbaar draagvlak voor een betere toekomst. Zij proberen het verschil te maken. Een verborgen messiaanse gemeente. Huizinga heeft die gedachte ontvangen vanuit de joodse profetische traditie die in zijn beleving van christendom en humanisme doorwerkte. Een gemeente, wereldwijd, verborgen, een moeilijk te schatten en nauwelijks te beschrijven tegenbeweging. Maar soms komt deze verborgen gemeente aan het licht, in kerkelijke samenscholingen, of buitenkerkelijke, in een hulporganisatie voor vluchtelingen, in de Vierde Wereldbeweging voor de armsten in Nederland.
Over heel de wereld geschiedt die verborgen messiaanse gemeente, soms een pleintje verderop, maar je wéét het niet; soms vind je een adres op internet! ik begrijp internet niet, ik begrijp elektrisch licht nog niet eens, maar het werkt. Overal zijn mensen die de leugen geen toegang geven en hun knieën niet buigen voor het onrecht.
8 Deze wereld is verschrikkelijk. Er is geen beginnen aan. Er is geen God en geen Jezus die Aids-Afrika zal redden. God zwijgt zo diep dat je denkt: hij bestaat niet. Er is maar één oplossing: dat je en toch zegt en hier ben ik; en om je heen kijkt of er nog iemand is die ook en dat je dan samen probeert te redden wat je redden kunt. En is er niemand die ook, dan maar alleen. Misschien is er wèl iemand die ook. Misschien wel twee, of drie zo is de man Jezus er ook aan begonnen. En hij zag niemand. En toen zag hij er één. En toen nog één, en toen nog één.
Maar nu ben je oud, ziek, je kan niet meer, en je kunt deze wereld er niet meer bij hebben. En God zwijgt zo diep in alle talen dat je denkt: hij bestaat niet. Dan nog zijn er een paar woorden, in alle talen die je kunt prevelen, kunt denken: hebt elkander lief, doe recht, en de Naam Ik zal er zijn. Ze zouden er niet meer zijn, die woorden, niet meer geladen met de kracht van verlangen en hoop, als ze niet ieder uur ergens in de wereld, in het verborgene, gedaan zouden worden. Ze betekenen: nieuw begin, nieuwe dag. Alles wat wij willen voor onze kinderen en onze kinderen dat zijn alle kinderen van de toekomst.
Prent ze in het hart van je verstand, die woorden. Hou ze vast. Spreek dat af met jezelf. Ze zullen jou vasthouden. Mogen ze in ons zijn, dat wij ze denken, zolang wij nog denken en prevelen kunnen.
Huub Oosterhuis
(Uit de 'Maandbrief van de Gezinsgroepen - februari-maart 2007)
De oorsprong van deze dag der liefde is volgens velen te vinden bij priester Valentinus. Hij leefde in de derde eeuw na Christus in Rome. Hij verzorgde bejaarden, zieken en behoeftigen, gaf mensen wijze raad en zegende Christelijke huwelijken in. Dat laatste was echter een strafbaar feit. Toen hij de blinde pleegdochter van Asterius, stadhouder van Rome, genas, bekeerde de stadhouder zich tot het Christendom en liet alle gevangen Christenen vrij. Dit was de druppel die de emmer deed overlopen voor keizer Claudius II en hij liet Valentinus op 14 februari onthoofden. Later werd Valentinus heilig verklaard en werd 14 februari een feestdag. Op 14 februari konden huwbare jongens en meisjes hun geliefden ongestraft verrassen met (anonieme) cadeautjes, brieven en gedichten.
Hoewel het verhaal van priester Valentijn een logische verklaring lijkt te zijn, zijn er verspreid over internet en in boeken veel andere verklaringen:
We hebben Valentijnsdag te danken aan de Romeinse priester Sint-Velten. De dag voor hij werd onthoofd (in de tweede helft van de derde eeuw) schreef hij een liefdesbrief aan de dochter van de cipier, welke hij ondertekende met 'Valentijn'.
Valentijnsdag is afgeleid van het feest van godin Juno, koningin van de goden en godinnen en beschermheilige van vrouwen en het huwelijk. Ter ere van haar werden op 14 februari Romeinse jongens en meisjes via een soort loting samengebracht.
Al in de veertiende eeuw stond 14 februari bekend als de dag waarop de vogels begonnen te paren. Analoog hieraan zou ook bij mensen de 'paringsdrang' op deze dag beginnen.
Valentijnsdag is een afgeleide van het vruchtbaarheidsfeest dat op 14 februari werd gevierd in de grotten waar Romulus en Remus, de stichters van Rome, waren opgevoed door wolven.
Ook variaties op of combinaties van bovenstaande verhalen zijn mogelijk.
Symbolen die onlosmakelijk met Valentijnsdag verbonden zijn
Het hart: Vroeger dacht men dat alle emoties zich in het hart bevonden. Later viel deze eer alleen de liefde nog ten beurt. Het hart is nu nog steeds het symbool van liefde, en dus van Valentijnsdag.
De rode roos: de roos was de lievelingsbloem van Venus, de Romeinse godin van de liefde.
Kant: Eeuwen geleden gebruikten vrouwen kanten zakdoekjes. Liet een vrouw haar zakdoekje vallen, dan haastte de dichtstbijzijnde man zich om dit op te rapen en terug te geven. Deze wetenschap werd door dames slim gebruikt wanneer zij in contact wilden komen met een bepaalde man.
Ringen: Valentijnsdag is de dag om je geliefde ten huwelijk te vragen en een verlovingsring om zijn/haar vinger te schuiven.
Liefdesknoop: Een liefdesknoop is een stuk touw met een reeks bochten en knopen zonder begin of einde. Het is het symbool van eindeloze liefde.
Lovebirds en duiven: Lovebirds zijn kleurrijke papegaaien die in Afrika voorkomen. Ze hebben hun naam te danken aan het feit dat ze vaak met zijn tweeën knus tegen elkaar aan zitten. Duiven waren de lievelingsvogels van Venus. Zij kiezen hun partner voor het leven. Zowel mannetjes als vrouwtjes zorgen voor de jongen. Deze toewijding en liefde maakt ze symbool voor Valentijnsdag.
Cupido: Cupido is de zoon van Venus. Met zijn magische pijlen kon hij ervoor zorgen dat mensen verliefd op elkaar werden.
Ieder mens moet op bepaalde momenten in zijn leven met iemand kunnen praten over wat er in hem omgaat. Kunnen spreken over wat je bezighoudt, is soms levensnoodzakelijk. Maar is er iemand die kan luisteren? Die je laat uitspreken, zonder meteen te oordelen, te zeggen wat je moet doen? Die wat je hem vertelt voor zich houdt, en het je niet achterna draagt? (A. Vanesse)
Er zijn mensen die zo goed kunnen luisteren dat ze, zonder een woord te zeggen, maken dat je je beter voelt. Luisteren is leven gevend. Luisteren betekent tijd en aandacht geven. De therapeut in elk van ons ontwaakt. Echt luisteren is een kunst, maar iedereen kan er meester in worden. En luisteren opent de deur naar veel soorten schoonheid: Als de ziele luistert, spreekt het al een taal dat leeft, zei Guido Gezelle. Stil worden basisvoorwaarde voor het luisteren dreigt nochtans samen met de stilte verloren te gaan.. Of met de woorden van P. Petersen: In onze luidruchtige en haastige maatschappij, gedreven door de informatica-explosie en onder de dictatuur van de communicatiemedia, wordt een echt gesprek, in de stilte van het luisteren, van aangezicht tot aangezicht, een zeldzaam geschenk.
Van luisteren leer je meer dan van praten. Je leert mekaar, de wereld van de ander, de andere dimensie van een realiteit kennen. Echt luisteren is hard werken. Het gebeurt in stilte, maar is actief. Luisteren betekent dat je je voor de ander en voor zijn verhaal openstelt. Je wereld wordt verruimd met die van de ander.Luisteren kan conflicten voorkomen. En dat geldt evengoed voor generatieconflicten als voor burenruzies, relatietwisten of godsdienstoorlogen. Kortom, luisteren is het begin van elke vredelievende oplossing, omdat je al luisterend het verhaal van de ander leert begrijpen. En iedereen heeft toch relaties. Kwalitatieve relaties bouwen, veronderstelt dus leren luisteren. Of is het leren zwijgen?